Bijlage 2. 240624 Commentaarnota Omgevingsvisie Harderwijk 2040 (2)
Tekst van het document
Commentaarnota Omgevingsvisie Harderwijk 2024 Inleiding Er zijn 21 zienswijzen ingediend door zowel inwoners, vertegenwoordigers van belangenorganisaties als formele partners waaronder andere overheden. Daarnaast is advies aangevraagd bij de Sociale adviesraad. Het advies van de Sociale adviesraad is opgenomen als zienswijze 22. De Sociale adviesraad wordt separaat per brief in kennis gesteld van de gemeentelijke reactie. De zienswijzen zijn per indiener behandeld en per opmerking is commentaar gegeven. Aan het einde van de zienswijze is een conclusie gemaakt waarin wordt gegeven of en op welke wijze de ontwerpomgevingsvisie is aangepast. Soms is een reactie of zienswijze niet relevant voor het abstracte niveau van een omgevingsvisie maar wel zinvol om mee te nemen in een uitwerking van de omgevingsvisie. Dat gaat de komende jaren gebeuren in thematische en/of gebiedsgerichte programma’s. De in deze commentaarnota benoemde programma’s zijn werktitels. Er zijn nog geen definitieve keuzes gemaakt voor het aantal thematische en/of gebiedsgerichte (vrijwillige) programma’s. In paragraaf 6.3 staat het werken met programma’s toegelicht.
Beantwoording van de zienswijzen https://liber.hwk.prod.aorta.local/lnk/CASE/02430000175834/DETAIL 02430000175834
Zienswijze 1 Opmerking 1.1 In de inleiding van de thematische uitwerking Natuurlijke Alliantie (paragraaf 4.2.1) staan de duurzaamheidsdoelstellingen van de gemeente Harderwijk benoemd, namelijk “… dat de gemeente in 2030: 50% minder grondstoffen gebruikt; 45% CO2 -uitstoot reduceert in 2031 (ten opzichte van 2010), waarbij het streven is naar de landelijke doelstelling 49% in 2030 (ten opzichte van 1990) en uiterlijk 2050: 100% circulair, klimaatrobuust, klimaatneutraal is.”. Indiener heeft ernstig bezwaar tegen de harde percentages en jaartallen. Dit omdat de weg naar duurzaamheid vele obstakels kent en het noemen van harde percentages en jaartallen geen eerlijke benadering betreft van de duurzaamheidsdoelstellingen. Daarentegen wordt voorgesteld dat de gemeente met inachtneming van een bepaalde bandbreedte zal streven naar een bepaald aantal procenten vermindering in een bepaald jaar. Commentaar 1.1 De harde percentages en jaartallen zijn afkomstig uit het duurzaamheidsbeleid en zijn niet nieuw. De gemeente is het eens met de indiener dat deze SMART-benadering wellicht een verkeerd beeld geeft. De omgevingsvisie is richtinggevend. Daarom staan de duurzaamheidsdoelen voor 2050 benoemd in de omgevingsvisie. Daarnaast geeft de omgevingsvisie de kaders voor verdere beleidsuitwerking en omgevingsprogramma.
De tekst wordt aangepast van harde percentages naar welke minimale tussendoelen gevolgd moeten worden in de beleidsuitwerking. In het geval van de duurzaamheidsdoelen volgt de gemeente Harderwijk minimaal de landelijke (tussen) doelstellingen.
Opmerking 1.2 Indiener vraagt extra aandacht voor de ontwikkeling van woningbouw op kleinere locaties. Hier zou vaak eenvoudiger en sneller gebouwd kunnen worden dan op grote woningbouwlocaties. Indiener pleit ervoor, dat het principe van “Elke wijk een straatje erbij” ook nadrukkelijk wordt verwoord in de Omgevingsvisie Harderwijk en Hierden. Op deze manier zou bijvoorbeeld in de wijk Frankrijk via toevoeging van sociale woningbouw de onevenwichtigheid in de woningsectoren kunnen worden verminderd of opgeheven. Commentaar 1.2 Met de zin in paragraaf 4.4.3.2 ‘Om te zorgen voor leefbare en toekomstbestendige wijken, worden ook kleinere locaties tot ontwikkeling gebracht’ en door de zin in paragraaf 4.4.2.5 ‘De gemeente kiest daarom, aansluitend op de principes uit de Omgevingsvisie, voor het efficiënt benutten van binnenstedelijke/binnendorpse locaties’ wordt voldoende beschreven hetgeen indiener beoogd, ook wordt nagestreefd. De gemeente vindt het principe ‘elke wijk een straatje erbij’ te gedetailleerd en streeft naar maatwerk. De gemeente is het eens dat onevenwichtigheid in de wijk moet worden verminderd maar denkt dat voldoende geborgd te hebben in de omgevingsvisie.
Opmerking 1.3 In de Omgevingsvisie Harderwijk 2040 wordt de problematiek rondom woningaanbod voor ouderen aangekaart. Indiener geeft aan dat deze problematiek niet alleen door de overheid opgelost dient te worden, maar dat ook vele initiatieven van particulieren en non-profit organisaties ontstaan, zoals de stichting Knarrenhof. In de praktijk lopen deze sociale initiatieven voor geclusterde seniorenhuisvesting tegen veel barrières en problemen op. Volgens indiener zal het de gemeente Harderwijk sieren wanneer zij deze initiatieven met naam in de Omgevingsvisie Harderwijk noemt en aangeeft dat deze initiatieven met inachtneming van de wettelijke mogelijkheden (Didam arrest) vanaf het begin van gemeentewege zo veel als mogelijk zullen worden ondersteund en gefaciliteerd. Commentaar 1.3 In de omgevingsvisie staat in paragraaf 4.3.4 de term “samensterk woongemeenschappen”. Dat is een algemene term waar o.a. concepten als dat van de stichting Knarrenhof mee bedoeld worden. In paragraaf 4.3.4.2 wordt letterlijk verwezen naar het Knarrenhof-concept. De barrières die indiener benoemd zijn het gevolg van bepalingen uit Europese en nationale wetgeving. Voor zover de gemeente partij is in gunningen vindt dit plaats onder openbaar gemaakte voorwaarden en criteria. Iedere partij kan inschrijven en een onafhankelijke commissie beoordeelt de inschrijvingen. Dat maakt het proces transparant.
De gemeente kan daarom geen voorkeur voor het ene initiatief uitspreken.
Opmerking 1.4 In de Omgevingsvisie Harderwijk wordt benoemd dat vanaf 2040 een verkeersysteem gebaseerd op het S.T.O.M.P. principe leidend wordt. Indiener ziet een groot aantal voordelen van dit principe, maar kaart ook een aantal nadelen aan aangezien de invoering is voorbehouden aan een aantal specifieke gebieden en dit kan rekenen op een massief maatschappelijk verzet. Daarbij spelen een aantal aspecten een rol, zoals benoemd in opmerkingen 1.4 t/m 1.9 Indiener vraagt meer aandacht voor de opgenomen teksten over het S.T.O.M.P. principe en verzoekt tot de nodige aanpassing en nuancering volgens opmerkingen 1.4 t/m 1.9. Commentaar 1.4 Indiener geeft aan dat het doorvoeren van het S.T.O.M.P-principe kan rekenen op massief maatschappelijk verzet. Uit gesprekken, enquêtes en in de participatieronde is niets gebleken van massief verzet. Wel is er noodzaak om in kleine stappen te werken aan de prioritering volgens het S.T.O.M.P-principe. Daarnaast stelt indiener vast dat het S.T.O.M.P-principe een groot aantal voordelen biedt. Hoewel de omgevingsvisie weliswaar een tijdshorizon tot 2040 kent, zal het S.T.O.M.P-principe leidraad worden voor het handelen en zullen er steeds kleine stapjes gezet worden die leiden tot ander gedrag. Deze stappen worden uitgewerkt in het nog op te stellen thematisch programma Bouw&Infrastructuur.
Opmerking 1.5 De overheid heeft de laatste 75 tot 50 jaar de privéauto voortdurend en op allerlei manieren gefaciliteerd. Men is gewend geraakt aan het beschikbaar hebben van een privéauto. Om het S.T.O.M.P. principe in te kunnen voeren, is volgens indiener ook minstens 75 tot 50 jaar nodig. Commentaar 1.5 De gemeente begrijpt de zorg. Het streven van zal zijn om dit sneller te bewerkstelligen.
Opmerking 1.6 Het S.T.O.M.P. principe zal volgens indiener in de eerste jaren voornamelijk gerealiseerd worden in sterk verstedelijkte gebieden, met dure en schaarse parkeergelegenheden, met een frequent, fijnmazig OV en aanvullend vervoer volgens het M.a.a.s.-uitgangspunt (bijvoorbeeld Amsterdam en Rotterdam). Commentaar 1.6 Harderwijk kent een fijnmazige structuur en leent zich voor een verbeterde wandel-, fiets- en OVstructuur. Het S.T.O.M.P.-principe betekent bovendien een andere wijze van prioriteren. Niet meer als eerste denken aan de auto, en daarna de rest, maar kortweg eerst denken aan lopen/fietsen, daarna de rest. Dat principe is juist ook in minder hoogstedelijke omgevingen (zoals Harderwijk) zeer goed toepasbaar. Dit wordt uitgewerkt in het nog op te stellen thematisch programma Bouw&Infrastructuur.
Opmerking 1.7 Volgens indiener zal het S.T.O.M.P. principe voorlopig niet ingevoerd kunnen worden. In nieuwe woonwijken kan er wel rekening gehouden worden met het principe, maar omdat aangrenzende wijken voldoende parkeerplaatsen bieden, zal men daarnaar uitwijken. Dit valt zeer moeilijk te voorkomen en vraagt een uitgebreid en strak gemeentelijk parkeerregime met rigide handhaving. Commentaar 1.7 De gemeente begrijpt de zorgen van indiener met betrekking tot het uitwijken naar parkeerplaatsen in de buurt. In het nog op te stellen thematisch programma Bouw & Infrastructuur wordt het onderdeel parkeren bij invoering van het S.T.O.M.P.-principe verder uitgewerkt.
Opmerking 1.8 Het openbaar vervoer in Harderwijk is volgens indiener verre van optimaal. De lobby’s van de gemeente Harderwijk leiden tot weinig of geen resultaat en theorie en praktijk spreken elkaar tegen. Voorbeelden die worden genoemd zijn het laten stoppen van Intercity treinen op station Harderwijk en de buslijn tussen de locaties van het St. Jansdal Ziekenhuis in Harderwijk en Lelystad. Commentaar 1.8 De gemeente begrijpt het punt van de indiener. De gemeente heeft slechts beperkt invloed op het handelen van de provincie (consessieverlener) en Prorail/NS. Inmiddels zijn er recent wel resultaten geboekt en is afgesproken dat spoorbeheerder ProRail onderzoek gaat doen naar de mogelijke aanleg van een keerspoor bij Harderwijk. Ook is in december 2023 is de dienstregeling van EBS flink uitgebreid. Verdere stappen in de verbetering van het OV alsmede het in de omgevingsvisie benoemde shuttle-vervoer wordt uitgewerkt in het nog op te stellen thematisch programma Bouw&Infrastructuur.
Opmerking 1.9 De beschreven maatregelen om het S.T.O.M.P. principe in te voeren zullen veel geld en inspanning kosten, terwijl het resultaat onduidelijk is. Daarbij hebben de lagere overheden te maken met grote financiële uitdagingen. Door de te verwachten tegenwerking, op met name het autoluw of autovrij maken van woonwijken, is het volgens indiener een reële aanname te constateren dat het toewerken naar het S.T.O.M.P. principe een lage prioriteit zal (moeten) gaan krijgen en naar alle waarschijnlijkheid niet tot uitvoering zal komen. Commentaar 1.9 Het S.T.O.M.P. principe inclusief benodigde maatregelen is onderdeel van een geïntegreerde aanpak en zal aan de orde zijn bij gebiedsontwikkeling, herstructurering, transformatie en (groot) onderhoud. Dat geldt overigens voor alle doelstellingen uit de omgevingsvisie én de Nota sociaal beleid. Het invoeren van het S.T.O.M.P.-principe en de benodigde maatregelen hiervoor worden uitgewerkt in het thematisch programma Bouw & Infrastructuur en, indien nodig, in het Omgevingsplan Harderwijk.
Conclusie De Omgevingsvisie Harderwijk 2040 wordt op de volgende onderdelen gewijzigd:
De tekst in paragraaf 4.2.1 op pagina 30: “Dat betekent dat de gemeente in 2030: 50% minder grondstoffen gebruikt; 45% CO2-uitstoot reduceert in 2031 (ten opzichte van 2010), waarbij het streven is naar de landelijke doelstelling 49% in 2030 (ten opzichte van 1990) en uiterlijk 2050: 100% circulair, klimaatrobuust, klimaatneutraal is.” wordt aangepast naar: “Dat betekent dat de gemeente in 2030 minimaal de landelijke doelstellingen volgt en de doelstelling voor de energietransitie in 2050 klimaatneutraal, 100% circulair en klimaatrobuust is.”
De tekst in paragraaf 4.2.1 op pagina 31: “De gemeente Harderwijk in 2050: • 100% circulair is; • klimaatrobuust is; • energieneutraal is; en daarvoor al in 2030: • 50% minder grondstoffen gebruikt; • 45% CO2 reductie (t.o.v. 2010) realiseert; waarbij de gemeente zich inzet om: • de natuur te behouden en waar mogelijk versterken; • de biodiversiteit te verbeteren; • over te schakelen op duurzame landbouw.” Wordt aangepast naar: “De gemeente Harderwijk in 2050: • 100% circulair is; • klimaatrobuust is; • klimaatneutraal is; waarbij de gemeente zich inzet om: • minimaal landelijke doelstellingen te volgen • de natuur te behouden en waar mogelijk versterken; • de biodiversiteit te verbeteren; • over te schakelen op duurzame landbouw.”
Zienswijze 2 Opmerking 2.1 Indiener geeft aan bijzonder ingenomen met uw verwijzing naar de Kamerbrief ‘Water en bodem sturend’ (pagina 12) en de erkenning dat ‘het natuurlijk systeem drager is voor ontwikkelingen’ (pagina 10), dat ‘grenzen bestaan aan de groei’ (pagina 13), dat ‘groen en natuur volwaardige functies zijn bij ruimtelijke afwegingen’ (pagina 19), en dat de ‘natuur behouden en waar mogelijk versterkt moet worden’ (pagina 31). Ook onderschrijft indiener het voornemen dat ’de gemeente zich inzet voor het behoud en versterken van de natuur; voor het creëren van een groene oase, gebouwen en openbare ruimte; een prima leefgebied voor kleinere dieren (insecten, vogels en kleine dieren) tussen de Randmeren en de Veluwe’ (pagina 30). Indiener waardeert het streven om tot duurzamer vormen van landbouw en groenbeheer te komen (pagina 34). Echter kaart indiener aan dat de Omgevingsvisie Harderwijk 2040 onwaarheden bevat met betrekking tot het onvermogen van de bodem om nog langer nutriënten en water vast te kunnen houden (pagina 34) en over de rol die bomen bij waterberging zouden spelen (pagina 50). Indiener waardeert de verbeterde verwoording van het begrip ‘biodiversiteit’ (pagina 46): in de volksmond staat ‘biodiversiteit’ inderdaad niet alleen voor diversiteit maar vooral voor de hoeveelheid (resterende) natuur.
Commentaar 2.1 De tekst ‘Intensieve landbouwmethoden leiden op veel plekken tot degradatie van de bodemkwaliteit waarbij de bodem nog nauwelijks nutriënten of water vasthoudt’ is een algemene tekst die niet onwaar is. Waar dat in Harderwijk geldt is niet onderzocht. Ook is dit in Harderwijk beperkt relevant aangezien de agrarische functie in Harderwijk, mede gezien de LBV+ regeling, aan het verdwijnen is. De claim van waterberging door bomen is inderdaad strikt genomen onvolledig . Bij waterberging wordt tijdelijk water vastgehouden waarna het op een later moment alsnog vertraagd wordt afgevoerd via riolering of oppervlaktewater. “De claim van waterberging door bomen is inderdaad strikt genomen onvolledig . Bij een regenbui wordt tijdelijk water vastgehouden op het blad, waarbij een klein deel verdampt en een groot deel van het water nog uren nadrupt op de bodem. Door de boomwortels trekt het regenwater makkelijker in de bodem. De boom neemt daarbij een deel van de neerslag op en verdampt deze. Het overige deel van het water trekt in de bodem en draagt bij aan de waterbalans in de bodem, wat beter uitgedrukt kan worden als water vasthouden.”
Opmerking 2.2 Indiener kaart aan dat het voornemen om Harderwijk energieneutraal te maken niet concreet genoeg is. De vraag hierbij is of het gaat om neutraliteit door duurzame zelfvoorziening op het gebied van alleen elektriciteit, duurzame zelfvoorziening op het gebied van alle vormen van energieverbruik thuis (elektriciteit, gas en autobrandstoffen) of duurzame zelfvoorziening op het gebied van de volledige energetische voetafdruk van iedere inwoner (inclusief de energie die iedere Harderwijker vergt als (deels importerend) gebruiker of (deels exporterend) producent van goederen en diensten). Volgens indiener verhouden deze ambities zich tot elkaar als circa 1 : 10 : 30, en dus maakt de keuze hierin veel uit voor de leefomgeving. Commentaar 2.2 De term energieneutraal is inderdaad niet goed gekozen. Bedoeld was klimaatneutraal. Hiermee bedoelen we dat we (netto) geen broeikasgassen (dus niet alleen CO2) meer uitstoten binnen de gemeentegrenzen van Harderwijk. Ook hiervoor geldt de opmerking van indiener, wat precies de afbakening van de doelstelling is. De gemeente hanteert de gebruikersbenadering. Dit betekent dat gekeken wordt naar alle broeikasgasemissies die vrijkomen door activiteiten van de bewoners en bedrijven binnen de gemeente Harderwijk. Dit wordt verder uitgewerkt in het thematische programma Natuurlijk systeem.
De term ‘energieneutraal’ is aangepast (zie conclusies zienswijze 1).
Opmerking 2.3 Bij de Gebiedsgerichte uitwerkingen (pagina 145) in paragraaf 5.19 ‘Bos en Natuurgebied Veluwe’ wordt een visie op het gebruik van het Beekhuizerzand door het Ministerie van Defensie en door bepaalde vormen van recreatie gemist. Indiener stelt vast dat deze activiteiten op gespannen voet staan met de realisatie van wettelijke verplichtingen die voortvloeien uit het Aanwijzingsbesluit Natura 2000-Veluwe. Er wordt niet gevraagd om definitieve keuzes te maken maar wel om de erkenning dat hier dilemma’s bestaan die op termijn keuzes ten gunste van het één of het ander onvermijdelijk maken. Ook wordt in aanmerking genomen dat aan de burgers wel maar aan Defensie geen beperkingen op het Beekhuizerzand worden opgelegd. Commentaar 2.3 De gemeente herkend de dilemma’s van het respecteren van de natuurwaarden en het Nationale belang van ruimte voor defensie om te oefenen. Dit staat op gespannen voet met elkaar. De omgevingsvisie biedt geen verruiming van de mogelijkheden voor een ander gebruik van het Beekhuizerzand in de wetenschap dat Defensie gebruik maakt van het Beekhuizerzand met goedkeuring van de gemeente. Wel heeft de gemeente kennis genomen van de verkenningen van het Ministerie van Defensie en een zienswijze ingebracht, waarin zij verzocht heeft de Notitie Reikwijdte en Detailniveau aan te scherpen op een aantal milieuthema’s.
Daarnaast blijft de gemeente de ontwikkelingen van Defensie volgen, stelt zij kritische vragen en is zij met Defensie in gesprek over deze ontwikkelingen. Daaronder valt ook het planMER met daarin de effecten voor Natura2000 gebieden.
Opmerking 2.4 In de Omgevingsvisie Harderwijk 2040 wordt een verwijzing naar het Herstelplan Bossen van Gedeputeerde Staten van Provincie Gelderland gemist. In dat Herstelplan wordt het belang van oude, aftakelende bomen en het (sterk) beperken van houtoogst als maatregel genoemd ter bevordering van de natuurkwaliteit. De bossen van de Noord-West Veluwe dragen een grote verantwoordelijkheid voor de instandhoudingsdoelstellingen van de vogelsoorten Wespendief en Zwarte Specht. Voor die soorten is grootschalige kap en bosomvorming nadelig en daarom zou daar, ook in Harderwijkse bossen, van moeten worden afgezien. Indiener ziet dit uitgangspunt niet terug in de visie en stelt vast dat de houtoogst nog steeds aanzienlijk is en, in verband daarmee, de verdere ongewenste verwijdering van bodemmineralen. Commentaar 2.4 Uiteraard voldoet de gemeente aan het beleid van hogere overheden waaronder de Natura2000wetgeving inclusief instandhoudingsdoelen. De Harderwijkse werkwijze, beschreven in het Beheerplan bossen 2016-2028, is hier niet strijdig mee. De gemeente streeft naar een hoge biodiversiteit in leeftijden en soorten bomen (dode bomen horen daar zeker bij) en productie bomen. De gemeente doet dit door kleinschalig verjongen van bos, door natuurlijke verjonging en nieuwe aanplant. De bomen die daarbij vrijkomen worden geoogst.
Er is geen sprake van grootschalige kap en bosomvorming is slechts beperkt aan de orde. Alleen omvorming van naaldbos naar loofbos en van monocultuur naar gemengd klimaatbestendig bos. Hout is een heel duurzaam en volledig circulair product. Houtoogst maakt deel uit van het Gemeentelijk bosbeheerplan. Dit doen we op een zorgvuldige en verantwoorde wijze. De gemeente werkt volgens de criteria voor f.s.c.-certificatie. De stam wordt gebruikt en draagt bij aan het langdurig vastleggen van CO2. Het tak-en-tophout blijft achter in het bos en draagt bij aan de bodemmineralen. Hierdoor is de gemeente duurzaam bezig. Door openstelling van het bos, heeft de gemeente ook een zorgplicht voor de veiligheid van de bezoekers. Hierdoor kan niet elke dode boom blijven staan. Vanwege brandveiligheid en infra structuur(hoogspanning) kunnen soms maatregelen worden genomen die ten koste kan gaan van het bos.
Opmerking 2.5 In paragraaf 4.2.2.7 (pagina 35) wordt gesteld dat het Wolderwijd en Veluwemeer ‘eeuwenlang aangezand zijn en verworden tot een ondiepe waterplas’. Indiener vindt dit een onware voorstelling van zaken die suggereert dat er een soort reparatie en een ‘reset’ nodig zouden zijn. De ondiepten zijn al sinds de Zuiderzee-tijd van nature aanwezig en dienen volledig gerespecteerd te worden, zeker vanuit het standpunt dat ‘‘natuurlijke systemen de drager voor ontwikkeling zijn’ (pagina’s 7, 10, 12, 15, 17, 19, 23, 30, 31, 32, 33, 38, 39). Commentaar 2.5 De suggestie dat er reparatie of een rest nodig is, staat niet in de tekst. Het aanzanden is vermeld als natuurlijk proces. Door onder andere ‘harde’ oevers (stortstenen tegen erosie), anti cyclisch peilbeheer, nautisch baggeren, zandwinning en het maaien van waterplanten is per definitie geen sprake van een natuurlijk systeem. Er is een kunstmatig systeem gecreëerd waar de natuur continu op zoek is naar een nieuwe balans. De ogenschijnlijke rust is een laag dynamische onbalans. In de jaren ‘70 was het water troebel van algen. Nu is het helder, maar omslag terug naar situaties met algenbloei dreigt. De situatie geheel ‘herstellen’ naar puur natuur ligt buiten de mogelijkheden en bevoegdheden van een afzonderlijke gemeente.
De gemeente herkend dat de tekst onduidelijkheid schept en zal de tekst deels aanpassen (zie conclusies).
Opmerking 2.6 De ontwerp Omgevingsvisie Harderwijk 2040 suggereert volgens indiener de wens om in de Randmeren gradiënten te ontwikkelen. Echter is het gebrek aan gradiënten, volgens indiener, voor de natuur geen knelpunt en dus suggereert dit dat de Randmeren verdiept zullen worden voor de recreatievaart. Daarnaast wordt nog niet voldaan aan de Natura2000 instandhoudingsdoelstellingen en zou verdieping, ook wanneer hier nieuwe moerassen voor in de plaats komen, een té vroege keuze zijn. Commentaar 2.6 In de tekst staat ‘Harderwijk staat er voor open om samen met partners (o.a. Gastvrije Randmeren, Rijkswaterstaat, Provincie Flevoland, natuurbeheerders, etc.) te verkennen welke maatregelen wenselijk zijn waarbij de Natura 2000-doelen prioritair zijn.’ Hiermee wordt niet gekozen voor een maatregel en staan de Natura2000 doelen niet ter discussie. Genoemde maatregelen zijn slechts voorbeelden van aangedragen maatregelen door partners. Genoemde maatregelen worden verwijderd uit de tekst om suggesties te voorkomen (zie conclusies).
Opmerking 2.7 Indiener heeft op basis van opmerking 2.5 en opmerking 2.6 een nieuw tekstvoorstel gedaan: “Een vaak vergeten bodem is de bodem van de Randmeren. Voor Harderwijk is dat met name het Wolderwijd. De kwaliteit van het water van het Wolderwijd is goed, zeker in vergelijking met de zuidelijke Randmeren of het Markermeer. Het Wolderwijd en het Veluwemeer hebben een sterk recreatieve functie en worden ook door de beroepsvaart gebruikt. Instandhoudingsdoelen voor verschillende soorten (o.a. Roerdomp, Grote Karekiet, Kleine Zwaan, diverse soorten duikeenden) worden gerespecteerd en onderzocht moet worden welke maatregelen worden genomen om de aantallen voor deze soorten te laten toenemen. Het natuurlijke systeem is daarbij leidend. Het Wolderwijd, voormalige Zuiderzee, is eeuwenlang aangezand en verworden tot een ondiepe waterplas. Harderwijk staat er voor open om samen met partners (o.a. Gastvrije Randmeren, Rijkswaterstaat, Provincie Flevoland, natuurbeheerders, etc.) te verkennen of, en zo ja, welke maatregelen wenselijk zijn waarbij de Natura 2000-doelen prioritair zijn. Te denken valt aan het verbeteren van de oeverzone met riet en moerasvegetatie en het ontwikkelen van gradiënten. In onderzoek kan worden bekeken hoe instandhoudingsdoelstellingen en herstelopgaven zich verhouden tot wensen vanuit de oever- en waterrecreantentievaart.
Dit zeu een vergelijkbare invulling kunnen krijgen als het recreatiezoneringsplan op de Veluwe. ” Het tekstvoorstel zou nog steeds onderzoek toelaten maar zich ontdoen van suggestieve voorstellingen van zaken die voorsorteren op een door sommigen gewenste uitkomst. Bovendien erkent de alternatieve tekst dat er meer soorten recreanten zijn dan alleen waterrecreanten. Commentaar 2.7 De tekst zal, samen met de opmerkingen 2.5 en 2.6, worden aangepast (zie conclusies).
Opmerking 2.8 Het viel indiener op dat het overleg ten behoeve van het onderzoek, benoemd in opmerking 2.6, op pagina 146 versmald wordt tot de waterbeheerder en (Coöperatie) Gastvrije Randmeren. Commentaar 2.8 Hoofdstuk 5 betreft een praatstuk. Terecht merkt de indiener op dat de opsomming van belanghebbenden te beperkt is.
Conclusie De Omgevingsvisie Harderwijk 2040 wordt op de volgende onderdelen gewijzigd:
De tekst in paragraaf 4.2.5.3, op pagina 50: … want bomen helpen tegen wateroverlast (zie paragraaf 4.2.3), zorgen voor waterberging, geven schaduw tegen hittestress, herbergen beestjes voor biodiversiteit …
Wordt aangepast naar: … want bomen helpen bij het vasthouden van water, bevorderen het infiltreren van water in de bodem, geven schaduw tegen hittestress, herbergen beestjes voor biodiversiteit …
De tekst in paragraaf 4.2.2.7, op pagina 35: “Een vaak vergeten bodem is de bodem van de Randmeren. Voor Harderwijk is dat met name het Wolderwijd. De kwaliteit van het water van het Wolderwijd is goed, zeker in vergelijking met de zuidelijke Randmeren of het Markermeer. Het Wolderwijd heeft een sterk recreatieve functie en wordt ook door de beroepsvaart gebruikt. Instandhoudingsdoelen voor verschillende soorten (o.a. Roerdomp, Karekiet) worden gerespecteerd en onderzocht moet worden welke maatregelen worden genomen om de aantallen voor deze soorten te laten toenemen. Het natuurlijke systeem is daarbij leidend. Het Wolderwijd, voormalige Zuiderzee, is eeuwenlang aangezand en verworden tot een ondiepe waterplas. Harderwijk staat er voor open om samen met partners (o.a. Gastvrije Randmeren, Rijkswaterstaat, Provincie Flevoland, natuurbeheerders, etc.) te verkennen welke maatregelen wenselijk zijn waarbij de Natura 2000-doelen prioritair zijn. Te denken valt aan het verbeteren van de oeverzone met riet en moerasvegetatie en het ontwikkelen van gradiënten. In onderzoek kan worden bekeken hoe bovenstaande doelen zich verhouden tot wensen vanuit de recreatievaart. Dit zou een vergelijkbare invulling kunnen krijgen als het recreatiezoneringsplan op de Veluwe.”
Wordt aangepast naar: “Een vaak vergeten bodem is de bodem van de Randmeren. Voor Harderwijk is dat met name het Wolderwijd. De kwaliteit van het water van het Wolderwijd is goed, zeker in vergelijking met de zuidelijke Randmeren of het Markermeer. Het Wolderwijd en het Veluwemeer hebben een sterk recreatieve functie en worden ook door de beroepsvaart gebruikt. Instandhoudingsdoelen voor verschillende soorten (o.a. Roerdomp, Grote Karekiet, Kleine Zwaan, diverse soorten duikeenden) worden gerespecteerd en onderzocht moet worden welke maatregelen worden genomen om de aantallen voor deze soorten te laten toenemen. Het principe “Het natuurlijk systeem is de drager voor de ontwikkeling” zoals beschreven in paragraaf 1.3.1 wordt hierbij aangehouden.
In de tijd van de Zuiderzee is de bodem voor de Veluwekust aangezand. “ Na de aanleg van de Flevopolders zijn de Randmeren ontstaan, gekenmerkt door ondiepe waterplassen. Deze ondiepe waterplassen hebben aan de Veluwse zijde een vloeiende overgang van water naar land. Harderwijk staat er voor open om samen met betrokken partners (o.a. Gastvrije Randmeren, Rijkswaterstaat, Provincie Flevoland, natuurbeheerders, etc.) te verkennen of, en zo ja, welke maatregelen wenselijk zijn waarbij de Natura 2000-doelen prioritair zijn. In onderzoek kan worden bekeken hoe instandhoudingsdoelstellingen en herstelopgaven zich verhouden tot wensen vanuit de oever- en waterrecreatie. “
Zienswijze 3 Mondelinge zienswijze
Opmerking 3.1 Indiener kaart aan dat er een mogelijkheid is voor een of meerdere windmolens op het Bouw&lnfrapark. Commentaar 3.1 In de ‘Aanvulling beleidslijn windenergie op en rondom de Veluwe’ van de provincie Gelderland staat dat er op de Veluwe en 1 kilometer daaromheen geen windturbines mogen komen. In de cirkel van 1 tot 8 kilometer rondom de Veluwe is nu nog ruimte voor 10 tot 30 moderne windturbines geboden. Voorwaarde hiervoor is dat de windturbines in de plannen RES 1.0 (regionale energiestrategie) staan en dat de windturbines bij daglicht stilstaan in de maanden juli en augustus. Of een locatie binnen de 1-8km zone ligt is te zien op de digitale kaart. Link: https://geoportaal.gelderland.nl/portaal/apps/experiencebuilder/experience/?id=4d2ff49f96234f359 921e6f3593a62eb Met de bijbehorende digitale kaart wordt duidelijk dat het Bouw&Infrapark niet binnen de 1-8km zone valt. Daarmee zijn er geen mogelijkheden voor windturbines op het Bouw&Infrapark.
Opmerking 3.2 Indiener acht het noodzakelijk dat er een goede OV-verbinding tussen het Bouw&lnfrapark en het NS-station komt. Commentaar 3.2 Op de visiekaart staat het parkeerterrein aan de Boekhorstlaan ingetekend als Transferium met shuttle (OV) verbindingen. De gemeente onderschrijft daarmee uw zienswijze.
Opmerking 3.3 Indiener waardeert de mogelijkheid om start-ups te faciliteren op het Bouw&lnfrapark. Commentaar 3.3 Deze opmerking wordt voor kennisgeving aangenomen.
Opmerking 3.4 Rondom het Bouw&Infrapark wordt vaak te hard gereden en het rode verkeerslicht genegeerd. Daarom maakt indiener zich zorgen over de verkeersveiligheid op deze locatie. Commentaar 3.4 De gemeente herkent de complexe verkeerssituatie rondom de N302. De weg is in beheer van de provincie. In de omgevingsvisie is dit deel meegenomen in het studiegebied A28 waarin de barrièrewerking en de ontsluiting van de stad worden meegenomen.
Opmerking 3.5 Indiener geeft aan open te staan voor het nadenken over een theatervoorziening op het Bouw&Infrapark.
Commentaar 3.5 De eventuele uitwerking van een locatieonderzoek kan worden opgepakt binnen nog op te stellen het thematische programma Mens&Maatschappij.
Conclusie De Omgevingsvisie Harderwijk 2040 wordt op de volgende onderdelen gewijzigd: In visiekaart in paragraaf 4.5 op pagina 125, wordt het studiegebied A28 uitgebreid. Het aangepaste studiegebied A28 zal het Bouw&Infrapark omvatten alsook de N302 van A28 tot Watertorenweg.
Zienswijze 4 Opmerking 4.1 In paragraaf 4.3.3. wordt, volgens indiener, het verenigingsleven in de wijk als zeer belangrijk gezien. Echter kaart indiener aan dat de gemeente het verenigingsleven uit de wijken Stadsweiden, Stadsdennen en Frankrijk laat verdwijnen. Ook is de zaalhuur in De Kiekmure of in De Roef dermate hoog dat het verenigingsleven moeten gaan verhuizen naar een andere wijk of woonplaats of ze moeten hun vereniging gaan opheffen. Indiener benadrukt dat wanneer de gemeente wil dat het verenigingsleven verder uitbreidt, men eerst moet beginnen met het koesteren van dat wat er momenteel is. Commentaar 4.1 De gemeente ziet dat het verenigingsleven een belangrijke rol speelt in de samenleving. De Omgevingsvisie stelt ook dat de plekken in de openbare ruimte meer ingezet moeten worden voor ontmoeting van verschillende doelgroepen (paragraaf 4.3.3.6). De uitwerking van deze ambitie vindt plaats in het thematische programma Mens & Maatschappij. De gemeente begrijpt de zorgen van indiener omtrent de kosten van zaalhuur voor verenigingen, en neemt dit aspect mee in de nadere uitwerking in het programma.
Conclusie De opmerking heeft geen aanleiding gegeven om de Omgevingsvisie Harderwijk 2040 te wijzigen.
Zienswijze 5 Opmerking 5.1 Indiener verzoekt voor het aspect Externe Veiligheid in relatie tot Railverkeer gebruik te maken van de meest recente gegevens (Basisnet). Commentaar 5.1 Deze zienswijze wordt voor kennisgeving aangenomen. Wanneer zich een ontwikkeling voordoet in de directe nabijheid van het Basisnet spoor, houdt de gemeente zich met betrekking tot de veiligheid in de omgeving aan de regels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en de Omgevingsregeling.
Opmerking 5.2 Indiener kaart aan dat voor het aspect Geluid in relatie tot railverkeer in een akoestisch onderzoek de wettelijk verplichte brongegevens uit het geluidregister spoor gebruikt dienen te worden. Het gebruik van deze brongegevens borgt dat de toekomstige bewoners geen hogere geluidbelasting gaan ondervinden dan op basis van de wettelijke geluidproductieplafonds verwacht mag worden. Commentaar 5.2 Deze zienswijze wordt voor kennisgeving aangenomen. Het is vanzelfsprekend dat de gemeente zich zal houden aan hetgeen wettelijk is voorgeschreven over het aspect geluid in relatie tot het railverkeer.
Opmerking 5.3 Indiener vraagt aandacht voor het aspect Trillingen nabij het spoor. Hoewel er geen wettelijke normen bestaan voor trillinghinder in dit soort situaties, is het gewenst dat er in de planvorming wel aandacht voor is. Daarom raadt indiener aan om het aspect trillingen te betrekken in de Omgevingsvisie en de in de toekomst daarop gebaseerde ruimtelijke plannen, waarbij gebruik gemaakt kan worden van de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. Commentaar 5.3 Deze zienswijze wordt voor kennisgeving aangenomen. In paragraaf 4.3.2.5. staat aangegeven dat Harderwijk meer regie gaat voeren op het terugdringen van de effecten van bronnen van milieubelasting zoals onder meer trilling bij het spoor/basisnet. Bij de verdere uitwerking hiervan in een programma of het omgevingsplan, zal de gemeente de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen betrekken. Opmerking 5.4 Om de veiligheid van overwegen te vergroten, zijn in de Beleidsagenda Spoorveiligheid 2020-2025, verplichtingen voor initiatiefnemers van wijzigingen van (het gebruik van) een overweg. Hierin wordt onder andere gesteld dat er bij een wijziging van het gebruik van het spoor danwel van de weg een
risicoanalyse opgesteld moet worden met daarin aangegeven hoe een eventuele risicotoename wordt beheerst en gecompenseerd. Een wijziging mag niet leiden tot een afname van de overwegveiligheid, daarnaast geldt vanuit het Strategisch Plan Verkeersveiligheid een verbeteropdracht. Commentaar 5.4 Deze zienswijze wordt voor kennisgeving aangenomen. In het geval dit zich voordoet, zal rekening worden gehouden met de Beleidsagenda Spoorveiligheid en het Strategisch Plan Verkeersveiligheid.
Opmerking 5.5 In verband met het borgen van de stabiliteit van de spoorbaan met bijbehorende voorzieningen mag het waterpeil niet wijzigen. Tevens dient de gemeente te borgen dat werkzaamheden geen invloed hebben op de stabiliteit van de spoorbaan met bijbehorende voorzieningen, alsmede op het ongehinderd gebruik van de spoorbaan met bijbehorende voorzieningen. Ook dient de initiatiefnemer schriftelijk aan te tonen dat in het geval van het infiltreren van hemelwater in de nabijheid van de spoorlijn er geen nadelige effecten optreden op de stabiliteit van de hoofdspoorweginfrastructuur met bijbehorende voorzieningen. Commentaar 5.5 Deze zienswijze wordt voor kennisgeving aangenomen. Bij ontwikkelingen in de nabijheid van het spoor wordt hetgeen is opgemerkt in acht genomen.
Opmerking 5.6 In de Omgevingswet zijn beperkingengebieden voor hoofdspoorwegen vastgelegd (artikel 3.5 Omgevingsbesluit). Binnen deze beperkingengebieden is voor te verrichten activiteiten op grond van artikel 5.1 lid 2 van de Omgevingswet een vergunning van- of melding aan ProRail vereist. De regels hieromtrent staan in hoofdstuk 9 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Commentaar 5.6 Deze zienswijze wordt voor kennisgeving aangenomen. Bij ontwikkelingen in de beperkingengebieden voor hoofdspoorwegen wordt gehandeld in overeenstemming met de regels uit de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).
Opmerking 5.7 Indiener verzoekt de gemeente zorg te dragen dat gronden welke momenteel voorzien zijn van de activiteit Spoorwegdoeleinden of Railverkeer, deze activiteit ook in de toekomst zullen behouden. Ook verzoekt indiener om geen dubbelactiviteiten mogelijk te maken. Indien desondanks een dubbelactiviteit archeologie wordt opgenomen over de activiteit Spoorwegdoeleinden of Railverkeer, dan zou indiener graag zien dat deze dubbelactiviteit aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten betreft.
Commentaar 5.7 Deze zienswijze wordt voor kennisgeving aangenomen. Hetgeen hier wordt opgemerkt is niet relevant voor de voorliggende omgevingsvisie. In de transitie van het tijdelijke omgevingsplan naar het definitieve omgevingsplan Harderwijk worden de activiteiten spoordoeleinden en/of railverkeer in beschouwing genomen en wordt bepaald op welke wijze deze – in de geest van de Omgevingswet – worden verwerkt in het omgevingsplan. Wanneer dit aan de orde is, krijgt indiener -indien zij dat nodig acht - de gelegenheid daarover een zienswijze in te dienen.
Opmerking 5.8 In de Omgevingsvisie zijn percelen opgenomen die in eigendom zijn van indiener. In dit kader wordt opgemerkt dat deze percelen - zonder nadrukkelijke schríftelijke toestemming van indiener - niet mogen worden gebruikt. Deze percelen dienen door indiener, haar aannemers of hulpdiensten te allen tijde onbelemmerd toegankelijk te zijn en te blijven met het materieel dat ook momenteel wordt gebruikt voor het uitvoeren van werkzaamheden en in het geval van calamiteiten. Dit geldt ook voor over-Zonderbouwingen en/of overkragingen van deze gronden. Indiener verzoekt de gemeente Harderwijk tevens alle percelen van indiener te voorzien van de activiteit Spoorwegdoeleinden of Railverkeer. Bestaande rechten op percelen van derden ten behoeve van bereikbaarheid van ProRail assets dienen behouden te blijven. Commentaar 5.8 Deze zienswijze wordt voor kennisgeving aangenomen. In het tijdelijk deel van het omgevingsplan zijn de geldende rechten vanuit het voorheen geldende bestemmingsplan ongewijzigd overgenomen. In de transitie van het tijdelijke omgevingsplan naar het definitieve omgevingsplan Harderwijk worden de activiteiten spoordoeleinden en/of railverkeer in beschouwing genomen en wordt bepaald op welke wijze deze – in de geest van de Omgevingswet – worden verwerkt in het omgevingsplan. Daarbij zullen ook de bestaande rechten in overweging worden genomen.
Wanneer dit aan de orde is, krijgt indiener -indien zij dat nodig acht - de gelegenheid daarover een zienswijze in te dienen.
Opmerking 5.9 Indiener kaart aan dat de binnen het plangebied aanwezige onderstations niet mogen komen te vervallen. Deze onderstations zijn cruciaal voor de elektriciteitsvoorziening van de hoofdspoorweginfrastructuur en daarmee voor de berijdbaarheid van het spoor. Tevens verzoekt indiener de gemeente Harderwijk zorg te dragen dat de onderstations - net als in de huidige situatie te allen tijde bereikbaar zullen zijn voor onderhouds- en hulpdiensten. Met het oog op potentiële risico's voor het bouwen nabij of boven een onderstation dient de gemeente rekening te houden met een afstand van 10 meter gemeten vanaf de gevels van het onderstation. Commentaar 5.9 Deze zienswijze wordt voor kennisgeving aangenomen en de gemeente zal zich blijven houden aan hetgeen door indiener wordt aangeven.
Opmerking 5.10 De binnen het plangebied aanwezige railgebonden gebouwen en ondergrondse infra, deel uitmakende van de hoofdspoorweginfrastructuur, al dan niet gelegen op percelen van indiener, dienen te allen tijde bereikbaar te zijn en te blijven ten behoeve van het spoorwegbeheer en/of voor hulpdiensten. Indiener kaart aan dat het functioneren van deze voorzieningen mag niet worden beïnvloed door ontwikkelingen in de omgeving. Commentaar 5.10 Deze zienswijze wordt voor kennisgeving aangenomen en de gemeente zal zich blijven houden aan hetgeen door indiener wordt aangeven.
Opmerking 5.11 Indiener ziet de laatste jaren steeds meer verdichting en hoogbouw rond het station. Dit komt de vindbaarheid van een station niet ten goede. Reizigers voelen zich hierdoor onzeker, hetgeen een vorm van stress veroorzaakt. Ondanks dat er bewegwijzering is blijkt uit onderzoek dat zicht op de hoofdingang de beste manier is om het station te vinden. Zichtlijnen naar het station spelen daar een belangrijke rol in en indiener wil graag dat binnen de planontwikkelingen de zichtlijnen geborgd blijven. Commentaar 5.11 Deze zienswijze wordt voor kennisgeving aangenomen. Bij ontwikkelingen in de nabijheid van het spoor zal de gemeente hetgeen wordt opgemerkt betrekken.
Opmerking 5.12 Hoogbouw rond het station heeft invloed op de windbeleving van de reiziger, aangezien hoogbouw invloed heeft op de windcirculatie/windstromen. Dit kan risico’s opleveren voor omliggende bebouwing (zoals schade aan daken/kappen) door veranderende windbelastingen. Het is volgens indiener van belang dat rekening gehouden wordt met de windbeleving op het perron en de risico’s van windcirculatie door hoogbouw op de omliggende bebouwing. Commentaar 5.12 Deze zienswijze wordt voor kennisgeving aangenomen. Windhinder is een aspect van de fysieke leefomgeving. Hierdoor zal dit een van de aspecten zijn die meeweegt in het evenwichtig toedelen van functies aan locaties in het omgevingsplan voor ontwikkelingen waarbij sprake is van hoogbouw.
Opmerking 5.13 Indiener verzoekt de gemeente Harderwijk om bij het maken van plannen rekening te houden met mogelijke schaduwwerking op de zonnepanelen van indiener.
Commentaar 5.13 Deze zienswijze wordt voor kennisgeving aangenomen. Zonlicht en schaduw zijn aspecten van de fysieke leefomgeving die bij ontwikkelingen worden meegenomen in de integrale afweging van alle relevante aspecten.
Opmerking 5.14 Zonnepanelen c.a. op bijvoorbeeld parkeerplaatsen en/of geluidschermen en/of langs spoorwegen kunnen mogelijk een negatief effect hebben op de hoofdspoorweginfrastructuur. Het gaat hier met name om de weerstandsbeïnvloeding (geen aardingen/aansluitpunten in buurt van het spoor conform bijgevoegde RLN00398) en diverse aspecten met betrekking tot aansluiting op het hoogspanningsnet, wat moet blijken uit een vereiste EMC (elektromagnetische compatibiliteit) berekening. Ook voor de weerkaatsing van licht van zonnepanelen dient rekening gehouden te worden, zodat aanwezige seinen niet “overstraald” kunnen worden door lichtweerkaatsing door de zonnepanelen. Indiener adviseert om deze risico’s te laten berekenen en voordat gestart wordt met de realisatie van een zonnepark indiener te voorzien van de uitkomsten. Commentaar 5.14 Deze zienswijze wordt voor kennisgeving aangenomen.
Conclusie De omgevingsvisie Harderwijk 2040 geeft de ambities van de gemeente op hoofdlijnen weer. De uitwerking van deze ambities vindt plaats in programma’s en/of het omgevingsplan. De opmerkingen 5.1 t/m 5.14 worden, waar van toepassing, meegenomen in de uitwerking van programma’s en/of het omgevingsplan. De opmerkingen hebben geen aanleiding gegeven om de Omgevingsvisie Harderwijk 2040 te wijzigen.
Zienswijze 6 Opmerking 6.1 Indiener vraagt aandacht voor bedrijven die een belangrijke rol in relatie tot aanleg, behouden en versterken van natuur, landschap, openbaar groen en de daarmee samenhangende economie vervullen. Er wordt verzocht het bestaansrecht van deze bedrijven te erkennen en om qua omgevingswaarden inpassing te geven aan de opgaven en ontwikkelingen welke voor de bedrijven relevant zijn inzake de fysieke leefomgeving. Dit geldt in relatie tot de vigerende vestigingslocatie
alsmede aangaande de uitvoering van werken i.c. 'de plicht' die onze bedrijven hebben om invulling te geven aan de omgevingswaarden, beheer en behoud van de openbare ruimte in brede zin alsmede op het gebied van lokale circulaire economie en duurzaamheid. Commentaar 6.1 De gemeente erkent dat bedrijven die een rol hebben in relatie tot aanleg, behouden en versterken van natuur, landschap, openbaar groen van belang zijn voor de fysieke leefomgeving. De opmerking van indiener omtrent de omgevingswaarden wordt, waar van toepassing, meegenomen in de nadere uitwerking van de Omgevingsvisie in programma’s en/of het omgevingsplan.
Opmerking 6.2 In de visie wordt ruimte gegeven om de stad Harderwijk duurzaam te ontwikkelen op diverse onderdelen, alsmede het creëren van aantrekkelijke stads- en woonwijken. Hierbij is de inbreng en participatie van bedrijven die voor een groot deel van de aanleg, het onderhoud en het beheer van de diverse gronden binnen de gemeente zorgdragen en zorgen voor het agrarische beheer en productie van de omliggende landbouwgronden van belang. Indiener verzoekt om mogelijkheden te creëren om bestaande bedrijfslocaties te kunnen ontwikkelen alsook te kunnen uitbreiden, alsmede nieuwvestiging mogelijk te maken om uitvoering te kunnen geven aan de in de omgevingsvisie vermelde ambities Commentaar 6.2 De gemeente erkent het belang van participatie en vindt inbreng van verschillende bedrijven in de uitwerking van de ambities uit de Omgevingsvisie waardevol. Hiervoor zal de gemeente onder andere ruimte bieden bij de uitwerking van programma’s. De gemeente heeft in paragraaf 4.4.6.2 beargumenteerd dat van uitbreiding van terrein voor bedrijfsbebouwing geen sprake kan zijn. De gemeente zet in op intensiever ruimtegebruik, meerlaags bouwen en herstructurering van bestaande bedrijventerreinen. Ook zijn er mogelijkheden bij de buurgemeenten, met name Zeewolde.
Opmerking 6.3 Indiener kaart het belang aan van een goede bereikbaarheid met groot materieel voor bedrijfslocaties en plaatsen waar het werk uitgevoerd wordt. Daarvoor moeten ontsluitingswegen in en rondom de gehele stad goed bruikbaar zijn voor dit materieel. Het betreft onder andere uit (landbouw)voertuigen, motorrijtuigen met beperkte snelheid, werktuigen (graafmachines I shovels) en transportmaterieel. Indiener verzoekt om bij de aanleg, verandering of onderhoud van alle ontsluitingswegen rekening te houden met het materieel van deze bedrijven. Commentaar 6.3
De gemeente zal de opmerking van indiener, waar van toepassing, meenemen in de uitwerking van programma’s en/of het omgevingsplan.
Opmerking 6.4 De transitie naar een circulaire economie zal voor alle economische sectoren een omschakeling in productie- en logistieke processen betekenen. Hierdoor moeten opdrachtgevers en bedrijven 'anders kijken' naar de reststromen die zij produceren, bijvoorbeeld groenafvalstromen die vrijkomen bij het beheer van groenstroken en wegbermen of grond die beschikbaar komt als gevolg van verschraling van natuurgebieden. Deze afvalstromen worden niet langer gezien als 'waardeloos afvaľ, maar veel meer als potentiële grondstoffen voor nuttige toepassingen. Volgens indiener is voor het uitvoering geven aan een circulaire economie voldoende (buiten)opslag noodzakelijk. Indiener verzoekt om bij de bedrijfslocaties van indiener voldoende (buiten)opslagmogelijkheden toe te staan en dit expliciet te benoemen in de omgevingsvisie. Commentaar 6.4 Voor een reactie op deze opmerking wordt verwezen naar commentaar 6.2. Het toewijzen van (buiten)opslagmogelijkheden voor reststromen wordt niet uitgewerkt in de omgevingsvisie, maar wordt verder uitgewerkt in het nog op te stellen programma Bouw & Infrastructuur en/of het omgevingsplan. Hierbij zal de gemeente zich houden aan de geldende weten regelgeving, zoals het Besluit Activiteiten Leefomgeving (Bal).
Echter ziet te gemeente geen mogelijkheden voor uitbreiding van terreinen van bedrijfsbebouwing binnen de gemeentegrenzen, zoals beargumenteerd in commentaar 6.2
Opmerking 6.5 Indiener verzoekt om bij de bedrijfslocaties van indiener voldoende mogelijkheden te creëren om energie op te wekken en op te slaan en dit expliciet te benoemen in de omgevingsvisie. Het gaat hier om onder andere zonnepanelen, het opslaan van eigen opgewekte energie in een energiehub en de productie van waterstof in combinatie met een windmolen en/of zonnepanelen. Commentaar 6.5 Eén van de principes in de omgevingsvisie luidt: “Ten behoeve van het elektriciteitsnetwerk wordt ruimte gereserveerd in iedere wijk voor de noodzakelijke uitbreiding van energienetwerken (bijvoorbeeld: transformatorhuisjes)”. De term ‘wijk’ geldt ook voor bedrijventerreinen die hier als ‘wijk’ gelden. Zie daarvoor hoofdstuk 5. In het nog op te stellen programma Bouw&Infrastructuur zal het concept van de mobiliteits(wijk)hubs met energieopslag mogelijkheden verder worden onderzocht.
Opmerking 6.6 Verzocht wordt de zienswijze van indiener gegrond te verklaren en conform de beleidslijn van de Omgevingswet, waarbij de gedachte gericht is op 'ja, mits’, de ontwerp omgevingsvisie Harderwijk 2040 op grond van de genoemde aspecten gewijzigd vast te stellen i.c. de genoemde aspecten in deze visie c.q. het op te stellen omgevingsplan te betrekken. Verzocht wordt om samen met indiener te kijken naar reële mogelijkheden om het grondgebied van de gemeente Harderwijk veiliger, mooier en beter te maken. Daarom wordt verzocht om met inachtneming van de opmerkingen 6.1 tot en met 6.6, deze belangen en gevolgen te heroverwegen. Commentaar 6.6 De opmerkingen 6.1 tot en met 6.6 geven geen aanleiding voor aanpassing van de omgevingsvisie Harderwijk 2040. Wel worden de opmerkingen, waar van toepassing, meegenomen in de nog op te stellen programma’s en/of het omgevingsplan.
Conclusie De opmerkingen hebben geen aanleiding gegeven om de Omgevingsvisie Harderwijk 2040 te wijzigen.
Zienswijze 7 Opmerking 7.1 Indiener vind dat de gemeente Harderwijk door hoge huurkosten te heffen in het ontmoetingscentrum De Roef, hun eigen doel voorbij gaat. Indiener is blij met het hebben van een vereniging in de buurt. Echter moet door deze hogere huurkosten de bijdrage van de vereniging omhoog. Dit zou volgens indiener niet de bedoeling moeten zijn, aangezien de gemeente Harderwijk graag wil dat het verenigingsleven in de wijken voor iedereen toegankelijk moet zijn en blijven. Commentaar 7.1 De gemeente ziet dat het verenigingsleven een belangrijke rol speelt in de samenleving. De Omgevingsvisie stelt ook dat de plekken in de openbare ruimte meer ingezet moeten worden voor ontmoeting van verschillende doelgroepen (paragraaf 4.3.3.6). De uitwerking van deze ambitie vindt plaats in het thematische programma Mens & Maatschappij. De gemeente begrijpt de zorgen van indiener omtrent de kosten van zaalhuur voor verenigingen, en neemt dit aspect mee in de nadere uitwerking in het programma.
Conclusie De opmerking heeft geen aanleiding gegeven om de Omgevingsvisie Harderwijk 2040 te wijzigen.
Zienswijze 8 Opmerking 8.1 Indiener vraagt om op een passende wijze rekening te (blijven) houden met de aanwezigheid van de bestaande vitale infrastructuur in de Omgevingsvisie en in de doorvertaling naar een Omgevingsplan. In het bijzonder wordt aandacht gevraagd voor een ongestoorde ligging gedurende de gehele levensfase van een hoogspanningsverbinding. Commentaar 8.1 Eén van de principes in de omgevingsvisie luidt: “Ten behoeve van het elektriciteitsnetwerk wordt ruimte gereserveerd in iedere wijk voor de noodzakelijke uitbreiding van energienetwerken (bijvoorbeeld: transformatorhuisjes)”. De term ‘wijk’ geldt ook voor bedrijventerreinen die hier als ‘wijk’ gelden. Zie daarvoor hoofdstuk 5 van de Omgevingsvisie Harderwijk 2040.
Opmerking 8.2 Indiener geeft aan ruimte nodig te hebben voor netuitbreidingen en -wijziging. Om deze toekomstige ontwikkelingen zo snel mogelijk uit te kunnen voeren vraagt indiener om het ruimtebeslag uit het Investeringsplan van indiener op te nemen c.q. te vermelden in de omgevingsvisie. Commentaar 8.2 Deze zienswijze wordt voor kennisgeving aangenomen. Ook heeft de gemeente kennis genomen van het Investeringsplan van indiener en zal, waar van toepassing, de plannen van indiener meenemen bij de uitwerking van programma’s en het omgevingsplan.
Opmerking 8.3 In de ontwerp Omgevingsvisie is in meerdere speerpunten beschreven dat de gemeente ontwikkeling wil stimuleren. Indiener staat niet afwijzend tegenover de ontwikkelbehoefte van de gemeente en blijft graag in gesprek over de toekomstige invulling van deze ontwikkelingen. Ook wijst indiener erop dat de aanwezigheid van hoogspanningsverbindingen beperkingen kunnen opleveren voor het gebruik van de gronden. Zo gelden er bijvoorbeeld veiligheidsafstanden en is het van belang dat hoogspanningsverbindingen te allen tijde bereikbaar zijn en blijven voor onderhoud, storingen en/of calamiteiten. Indiener vraagt, indien de gemeente ontwikkelingen mogelijk maakt in de nabijheid van het hoogspanningsnet, hierover vroegtijdig in contact te treden.
Commentaar 8.3 Deze zienswijze wordt voor kennisgeving aangenomen. Bij ontwikkelingen in de nabijheid van hoogspanningsverbindingen zullen de veiligheidsafstanden in acht genomen worden. Bij aanpassingen in het omgevingsplan voor dit aspect, wordt indiener betrokken en in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen.
Opmerking 8.4 Indiener wijst op de ‘belemmerende strook’ van het hoogspanningsnet bij zonnepanelen en zonneparken. In de omgevingsvisie wordt gesproken over het plaatsen van zonnepanelen op bijvoorbeeld bestaande gebouwen. Wanneer in dit gebied ontwikkeld wordt, adviseert indiener om tijdig contact op te nemen bij de voorbereiding van plannen. Ook wijst indiener erop dat op het kabelbed van een ondergrondse verbinding een zonnepark niet is toegestaan. Commentaar 8.4 Deze zienswijze wordt voor kennisgeving aangenomen. Er zal bij ontwikkeling rekening worden gehouden met geldende regels over dit aspect.
Opmerking 8.5 Indiener verzoekt de gemeente om bij initiatieven van windturbines in de nabijheid van het hoogspanningsnet rekening te houden met de aan te houden afstand uit het Handboek Risicozonering Windturbines. Commentaar 8.5 Deze zienswijze wordt voor kennisgeving aangenomen. Er zal rekening worden gehouden met de afstand uit het Handboek Risicozonering Windturbines.
Opmerking 8.6 Indiener wijst erop dat bij het toestaan van kleinschalige windturbines op eigen erf er aan een minimale afstand van 2x nominaal toerental dient te worden voldaan ten opzichte van een bovengrondse hoogspanningsverbinding. Met betrekking tot ondergrondse hoogspanningsverbindingen dient een minimale afstand van 25 meter vanaf de buitenste kabel te worden aangehouden. Bij de verdere uitwerking naar een omgevingsplan verzoekt indiener om hiervoor aanvullende voorwaarden op te nemen met betrekking tot de aan te houden afstand, zodat de veiligheid en leveringszekerheid van de hoogspanningsverbindingen geborgd blijft. Naar aanleiding van jurisprudentie door de Raad van State is in de uitspraak onder andere bepaald dat regels moeten worden gesteld om daarmee de kans c.q. falen van de windturbine en daarmee een risico op onderbreking van de energielevering te voorkomen. Dit dient te worden geborgd in de regels van een bestemmingsplan en/of een (omgevings)vergunning. Vandaar dat indiener graag een uitzondering opgenomen wilt hebben dat hierop getoetst wordt door het bevoegd gezag door een aanpassing van de beleidsregels.
Commentaar 8.6 Deze zienswijze wordt voor kennisgeving aangenomen. De geldende afstanden zullen in acht worden genomen in het geval kleinschalige windturbines op eigen erf worden toegelaten. Dit wordt verder uitgewerkt in de transitie fase van het tijdelijk omgevingsplan naar het definitieve omgevingsplan. Indiener wordt in die fase betrokken en in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen.
Opmerking 8.7 Wijzigingen van het grondwaterpeil kunnen gevolgen hebben voor de fundering van de hoogspanningsinfrastructuur. Indiener benadrukt dat bij veranderingen van het huidige peil met meer of minder dan 20 cm onderbouwd moet worden welk effect dit heeft op de fundering van masten. Indiener wenst betrokken te zijn bij dergelijke plannen. Commentaar 8.7 Op de flanken van de Veluwe volgen de grondwaterstanden de natuurkundige mechanismen. In de Harderwijkse (Veluwse) situatie is daar niet in te sturen (behoudens lokaal draineren). Er bestaat bij ‘hoge gronden’ geen “huidig en constant (streef)peil”. De grondwaterstand varieert van nature met de seizoenen/klimaatverandering mee en op veel plekken is de variatie over maanden aanzienlijk meer dan 20cm. De gemeente zal, waar nodig indiener betrekken bij waterhuishoudkundige maatregelen.
Opmerking 8.8 Indiener staat niet afwijzend tegenover het vergroenen van de gemeente, echter vraagt indiener wel aandacht voor diepwortelende beplanting of bomen nabij ondergrondse verbindingen en hoog opgaande beplanting of bomen nabij bovengronds hoogspanningsverbindingen. Omdat deze schade kunnen veroorzaken aan de verbindingen wilt indiener graag in gesprek blijven met de gemeente hoe op een verantwoorde wijze invulling kan worden geven aan deze ontwikkelingsbehoefte. Daarnaast geeft indiener aan binnen de belemmerde strook heide en/of andere laagblijvende beplanting toe te staan. Commentaar 8.8 Deze zienswijze wordt voor kennisgeving aangenomen. In het tijdelijk deel van het omgevingsplan zijn de regels die opgenomen over dit aspect ongewijzigd overgenomen. In de transitie van het tijdelijke omgevingsplan naar het definitieve omgevingsplan Harderwijk worden de activiteiten in de nabijheid van hoogspanningsverbindingen in beschouwing genomen en wordt bepaald op welke wijze deze – in de geest van de Omgevingswet – worden verwerkt in het omgevingsplan. Wanneer dit aan de orde is, wordt indiener betrokken en krijgt -indien zij dat nodig acht - de gelegenheid daarover een zienswijze in te dienen.
Opmerking 8.9 Indiener verzoekt om ontwikkelingen die mogelijk de betrouwbaarheid en veiligheid van het functioneren kunnen schaden, vooraf af te stemmen met indiener en pas toe te staan na een positief verkregen schriftelijk advies van indiener. Commentaar 8.9 Deze zienswijze wordt voor kennisgeving aangenomen. Uitgangspunt is dat ontwikkelingen geen negatief effect hebben op de betrouwbaarheid en veiligheid van het functioneren.
Opmerking 8.10 Indiener vraagt om bij toekomstige ontwikkelingen in de nabijheid van hoogspanningsinfrastructuur indiener te betrekken zodat indiener tijdig aan kan geven of plannen (technisch) uitvoerbaar zijn en de leveringszekerheid en veiligheid van de hoogspanningsverbinding niet in het geding komt. Commentaar 8.10 Deze zienswijze wordt voor kennisgeving aangenomen. Alle toekomstige ontwikkelingen waarvoor een procedure nodig is worden op de gebruikelijke wijze gepubliceerd via www.officiëlebekendmakingen.nl. Waar nodig worden belanghebbenden betrokken in de overleg fase voorafgaand aan het besluit. Dit geldt ook voor ontwikkelingen in de nabijheid van de hoogspanningsinfrastructuur.
Opmerking 8.11 Indiener wijst op de staalkaart "Elektriciteit en gas in het Omgevingsplan" inclusief bijbehorende voorbeeldregels. De staalkaart betreft een handreiking om gemeentelijke ambities in samenhang met ambities op het gebied van energievoorzieningen bij elkaar te brengen in het Omgevingsplan. Indiener nodigt de gemeente uit om gebruik te maken van de Staalkaart bij het opstellen van een Omgevingsplan en vervolgens samen mee te denken in het op duurzame wijze opnemen van het hoogspanningsnet in Omgevingsplannen. Commentaar 8.11 Deze zienswijze wordt voor kennisgeving aangenomen. Op het moment dat de regels voor energieinfrastructuur (zowel boven- als ondergronds) uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan worden omgezet naar het definitieve omgevingsplan, zal de staalkaart "Elektriciteit en gas in het Omgevingsplan" zeker in beschouwing worden genomen. Waar nodig zal de gemeente met indiener contact zoeken over het aanbod om hierover mee te denken.
Opmerking 8.12 Indiener wilt erop attenderen dat bij het aanwijzen van vogelweidegebieden een grote kans is op stijging van draadslachtoffers en het onderhoud van de hoogspanningsverbindingen bemoeilijkt.
Indiener is hier geen voorstander van en vraagt de gemeente om bij het aanwijzen van deze gebieden rekening te houden met de hoogspanningsverbinding(en). Commentaar 8.12 In de omgevingsvisie zijn geen vogelweidegebieden aangewezen. In de ontwikkeling van het programma Natuurlijk systeem zal dit aspect meegenomen worden. Deze zienswijze wordt voor kennisgeving aangenomen.
Opmerking 8.13 Indiener verzoek om bij het aanwijzen van een waterretentiegebied rekening te houden met de hoogspanningsverbindingen en dit af te stemmen met indiener. Wanneer de ondergrond van masten en/of een kabel wijzigt, kan dit volgens indiener gevolgen hebben voor de leveringszekerheid en veiligheid van een hoogspanningsverbinding. Commentaar 8.13 In de transitie van het tijdelijke omgevingsplan naar het definitieve omgevingsplan Harderwijk worden de activiteiten in en aanwijzing van waterretentiegebieden in beschouwing genomen en wordt bepaald op welke wijze deze – in de geest van de Omgevingswet – worden verwerkt in het omgevingsplan. Wanneer dit aan de orde is, wordt indiener betrokken en krijgt -indien zij dat nodig acht - de gelegenheid daarover een zienswijze in te dienen.