Bijlage 1.1 BP Waterfront-Zuid - Waterfrontpark_Toelichting incl bijlagen
Tekst van het document
Ligging plangebied t.o.v. GNN (donkergroen) en GO (lichtgroen), bron: Omgevingsverordening Gelderland
Soortenbescherming De soortenbescherming in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van dier- en plantensoorten. In grote lijnen blijft de bescherming gelijk aan de oude Flora- en Faunawet. Het doel van deze wet is het in stand houden en beschermen van in het wild voorkomende dier- en plantensoorten. De wet hanteert het 'nee, tenzij'-principe. Dit betekent dat alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten in principe verboden zijn. Alleen onder strikte voorwaarden zijn afwijkingen van de verbodsbepalingen mogelijk. Hiervoor moet een ontheffing worden aangevraagd bij de provincie. De aanvraag moet onderbouwd worden met een onderzoek naar het voorkomen van en de effecten op beschermde soorten. In de nieuwe wet is daarnaast een zogenaamde 'algemene zorgplicht' opgenomen. De zorgplicht is van toepassing op alle planten en dieren, ongeacht of ze wettelijk beschermd zijn. De zorgplicht houdt in dat er bij ingrepen, zoals bouwactiviteiten, altijd zorgvuldig moet worden omgegaan met aanwezige planten en dieren. Schadelijke activiteiten moeten zoveel mogelijk worden voorkomen.
Quickscan Er is een quickscan uitgevoerd om te beoordelen of en welke soorten aanwezig zijn in het plangebied en welke maatregelen daarvoor getroffen kunnen en/of moeten worden. Deze quickscan is opgenomen in bijlage 3. Op basis van de quickscan is geconcludeerd dat broedvogels hinder zouden kunnen
28
bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003 ondervinden van de planontwikkeling. Om negatieve effecten te voorkomen dienen mitigerende maatregelen te worden genomen. Er is dan geen sprake van een overtreding van de Wet natuurbescherming en het aanvragen van een ontheffing is niet nodig. Met inachtneming van de in de quickscan beschreven mitigerende maatregelen zijn negatieve effecten van de voorgenomen werkzaamheden op beschermde soorten uitgesloten.
Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat het plan vanuit ecologisch oogpunt voldoet aan wet- en regelgeving.
5.5
Watertoets
5.5.1 Inleiding In het kader van bestemmingsplannen is een Watertoets vereist. De Watertoets omvat het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten van ruimtelijke plannen en besluiten. Voor het project Waterfront is al in oktober 2002 gestart met de procedure voor de Watertoets. In de afgelopen jaren heeft hierover regelmatig overleg plaatsgevonden tussen de gemeente Harderwijk, Waterschap Veluwe (sinds 2013 "Waterschap Vallei en Veluwe", na een fusie met "Waterschap Vallei en Eem") en Rijkswaterstaat Midden Nederland. Resultaten zijn vastgelegd in verschillende Watertoetsdocumenten en in de waterparagrafen van opgestelde bestemmingsplannen en MER-documenten. Hierbij is sprake van een 'aangroeidocument', waarbij steeds verdieping heeft plaatsgevonden aansluitend bij het proces in de ruimtelijke planvorming (Masterplan à bestemmingsplan à uitwerkingsplan). In 2009 is met alle partijen overleg gevoerd en is een overkoepelend 'Basisdocument watertoets Waterfront Harderwijk' (12 januari 2010) opgesteld. In het Milieueffectrapport Waterfront Harderwijk (het MER, d.d. februari 2010), deel B, wordt in hoofdstuk 7 uitvoerig ingegaan op het aspect water. In het MER deel B, hoofdstuk 7, paragraaf 5 zijn aanbevelingen ('bouwstenen') opgenomen voor het 'Meest Milieuvriendelijk Alternatief' (MMA).
In 2012 is met de 'waterpartners' overleg gevoerd over diverse wateraspecten van het gehele plan Waterfront. Hierbij is afgesproken dat er voldoende aan de doelstelling van het watertoets proces is voldaan (het vroegtijdig betrekken en informeren), en dat toetsing van de nadere uitwerking plaats kan vinden in de reguliere vergunningprocedures (waterwetvergunning). Gelet op het al gevoerde overleg, het beschikbare materiaal en het globale karakter van dit uitwerkingsplan Waterfront-Watersportboulevard was er geen aanleiding meer om specifiek voor dit bestemmingsplan afzonderlijk overleg over de watertoets te voeren. Het overkoepelend bestemmingsplan Waterfront-Zuid Waterstad is in februari 2008 door de gemeenteraad vastgesteld. In de toelichting bij dat bestemmingsplan is een uitvoerige paragraaf over de waterhuishouding opgenomen. 5.5.2 Beleidsmatige wijzigingen De voor dit bestemmingsplan relevante versie (12 januari 2010) van het aangroeidocument Watertoets is opgenomen in het MER (MER deel C bijlage 13). Deze watertoets beschouwt integraal de ontwikkelingen in Waterfront Zuid en Waterfront Noord-II. Na januari 2010 hebben op regionaal niveau de volgende beleidswijzigingen plaatsgevonden.
Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan (NWP) beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid voor de periode 2016 - 2021. In de Waterwet is vastgelegd dat het Rijk dit plan eens in de zes jaar opstelt. Het is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en de vervanger van alle voorgaande Nota's
29
bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003 Waterhuishouding. Het NWP gaat over waterveiligheid, wateroverlast, droogte en waterkwaliteit. Op basis van de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro) heeft het NWP voor de ruimtelijke aspecten de status van rijksstructuurvisie. In het Nationaal Waterplan benoemt het Rijk vier opgaven voor het IJsselmeergebied: waterveiligheid, zoetwater, ecologie en ruimtelijke ontwikkeling. Verbindend element voor deze opgaven is de ontwikkeling van het peilbeheer in het gebied, waarbij een keuze gemaakt dient te worden voor het meebewegen met de stijgende zeespiegel of het handhaven van het huidige peil. In het deelprogramma Waterveiligheid is gewerkt aan nieuwe normen voor waterveiligheid. Hierbij wordt overgestapt van een overschrijdingskans benadering op een overstromingskans benadering. De hoogte van de normen (overstromingskansen) wordt onderbouwd aan de hand van de volgende doelen. Voor iedereen in Nederland die achter de dijk woont, gaat een zelfde basis veiligheidsniveau gelden. Daarbij richt men zich op een lokaal individueel risico (LIR), waarbij de kans op overlijden voor een individu ten gevolge van een overstroming niet groter mag zijn dan 1 op 100.000 per jaar.
Waar grote groepen slachtoffers kunnen vallen, grote economische schade kan optreden of sprake is van ernstige schade door uitval van vitale en kwetsbare infrastructuur van nationaal belang, wordt een hoger beschermingsniveau geboden. Drie gebieden vragen hiervoor speciale aandacht: het rivierengebied, delen van de Rijnmond-Drechtsteden en het gebied rond Almere. Ook op andere plekken, zoals het Waddengebied, het IJsselmeergebied en de Zuidwestelijke Delta zal geïnvesteerd moeten worden om aan de nieuwe normen te voldoen. Tegelijkertijd zijn er ook plekken, vooral langs de kust, waar de bescherming reeds op orde is. Daar blijft goed onderhoud van belang. Voor de 'hoge gronden', waar gemeente Harderwijk ook onder valt, zijn geen normen voor overstromingskansen opgesteld.
Deltaprogramma 2019 Het doel van de deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie is een klimaatbestendige en waterrobuuste ruimtelijke inrichting van Nederland in 2050. Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen moeten daarom vanaf 2020 klimaatbestendig en waterrobuust handelen. In 2017 hebben de overheden afgesproken de aanpak te versnellen en te intensiveren. De versnelling is nu breed ingezet. De meeste overheden werken aan stresstesten en geven klimaatadaptatie een plaats in plannen en regels om zich aan te passen aan de potentiële effecten van klimaatverandering: wateroverlast, droogte, hitte en overstromingen. Uit het Deltaprogramma 2015 (deelprogramma IJsselmeergebied) blijkt dat het winterpeil van de Veluwerandmeren tot 2050 niet aangepast wordt (huidig streefpeil in de winter is 0,30- mNAP). Voor de periode na 2050 blijft voor het IJsselmeer de optie open om het winterpeil beperkt mee te laten stijgen met de zeespiegel (maximaal 30 cm), maar alleen als dat noodzakelijk en kosteneffectief is. Voor het Markermeer en de Veluwerandmeren wordt ook na 2050 geen stijging van het gemiddeld winterpeil voorzien: in geval van verdere stijging van het IJsselmeer na 2050 treedt het ontkoppelingsbesluit in werking. Het zomerpeil in het IJsselmeer, het Markermeer en de Zuidelijke Randmeren kan op langere termijn mogelijk een grotere bandbreedte krijgen tussen 0,40- en 0,10+ mNAP.
Ook na 2050 geen verandering in het peilbeheer in de zomer optreedt in de Veluwerandmeren. Initiatiefnemers blijven zelf verantwoordelijk voor eventuele schade in buitendijkse gebieden.
De Keur van het Waterschap Met betrekking tot het regionale waterbeleid is van belang dat per 1 januari 2014, dus na het vaststellen van het MER, de Keur van het Waterschap is geactualiseerd (de Keur is een verordening van het Waterschap die regelt wat wel en niet mag in of nabij regionaal oppervlaktewater/waterkeringen/grondwater). Met die actualisering zijn 'Algemene regels Waterschap Vallei en Veluwe' in de Keur opgenomen. Omdat het oppervlaktewater rondom het plangebied open verbinding staat met het hoofdwatersysteem, is niet het waterschap maar Rijkswaterstaat Midden Nederland bevoegd gezag. Dit betekent dat de Algemene regels van het waterschap die betrekking hebben op wat wel/niet mag in of nabij regionaal oppervlaktewater voor dit bestemmingsplan niet van toepassing zijn. De keur en algemene regels voor wat/wel en niet mag ten aanzien van het grondwater binnen het plangebied zijn wel van toepassing.
30
bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003 5.5.3 Relevante aspecten uit Bestemmingsplan Waterfront Zuid Waterstad De voor dit bestemmingsplan relevante versie (12 januari 2010) van het aangroeidocument Watertoets is als bijlage opgenomen in het MER (MER deel C bijlage 13). Deze watertoets beschouwt integraal de ontwikkelingen in Waterfront Zuid en Waterfront Noord-II. In het MER is het 'Meest Milieuvriendelijk Alternatief' (MMA) aangegeven. Dit bestemmingsplan maakt, wat de wateraspecten betreft, realisering van het MMA mogelijk. In het MER wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling Waterfront Zuid een neutrale invloed zal hebben op de wateraspecten (paragraaf 4.6 van deel B-7 Water). Opmerking: de MER-watertoets d.d. 12 januari 2010 betrof een concept document, waarop formeel geen integraal wateradvies is afgegeven. Het laatste wateradvies had betrekking op de watertoets Waterfront-Zuid d.d. 13 januari 2006. In dat advies is het verzoek geuit om in komende bestemmingsplannen een voorbeeld te geven hoe het richtinggevende karakter van de watertoets heeft doorgewerkt op de uiteindelijke inhoud van het bestemmingsplan.
Veiligheid en wateroverlast Ten gevolge van klimaatveranderingen zal de zeespiegel in de loop van deze eeuw waarschijnlijk gaan stijgen . Omdat het IJsselmeer afwatert in de Waddenzee, heeft een zeespiegelstijging gevolgen voor de afwateringssituatie van het IJsselmeer. De lozingssituatie van het IJsselmeer bepaalt voor een belangrijk deel ook de lozingssituatie van de Randmeren. Waterfront-Zuid wordt op een hoogte van 1,60 m+NAP aangelegd (maaiveld). Bij het bepalen van de aanleghoogte is van het volgende uitgegaan: 1. Er is rekening gehouden met de verwachte ontwikkelingen tot 2050, uitgaande van het worst-case scenario. Ontwikkelingen die zich na die tijd voordoen, zijn niet meegenomen in het bepalen van de aanleghoogte; 2. Daarnaast is rekening gehouden met de toekomstige gebruiksfunctie: beleving van water is een belangrijk aspect in de woonwijk, de afstand tot het water dient dan ook niet te groot te zijn; 3. Omdat het plangebied wordt omsloten door de N302, het Dolfinarium terrein en een kade loodrecht op de N302, wordt het plangebied beschermd tegen golfaanval. Uitgaande van het huidige zomerpeil van 0,05 m-NAP is er bij een peilstijging van 1 m (mogelijke situatie 2100) een drooglegging van 65 cm. Dit is gering.
Uitgaande van de Deltabeslissingen zoals vastgelegd in het Deltaprogramma 2015 is de kans dat het tot een dergelijke stijging van het streefpeil in de Veluwerandmeren zal komen eerder kleiner dan groter geworden dan in 2010. Om het gebied te beschermen tegen hoog water, bestaat de mogelijkheid om de kades die het plangebied deels omgeven, uit te breiden, zodat het gehele plangebied in de toekomst kan worden afgesloten met een waterkering. Uit een 'stresstest' hoogwater blijkt dat de risico's op hoogwater (als gevolg van hoog peil en/of opwaaiing) of en kruiend ijs verwaarloosbaar klein zijn (zie bijlage 4).
Vuilwater (Huishoudelijk afvalwater) Het vuilwater wordt via een gemeentelijk vuilwaterriool ingezameld en afgevoerd naar RWZI Harderwijk. Er zijn geen riooloverstorten naar oppervlaktewater opgenomen in het nieuwe (en bestaande gemengde stelsel) in plangebied (ook niet elders in Waterfront Zuid).
Hemelwater Het relatief schone hemelwater van daken en extensief belaste openbare verharde oppervlakken wordt niet geloosd op een gemengd stelsel, maar via een gescheiden hemelwaterstelsel rechtstreeks geloosd op oppervlaktewater. Hemelwater vanaf private percelen wordt via oppervlak aangeboden op de perceelsgrens waardoor het risico op foutaansluitingen verwaarloosbaar klein is. Er liggen geen intensief
31
bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003 belaste wegoppervlakken voor in het plangebied. De totale vuiluitworp naar oppervlaktewater is kleiner dan een virtueel traditioneel verbeterde gescheiden stelsel met een berging van 4 mm en een pompovercapaciteit van 0,3 mm/uur (bij traditionele verbeterd gescheiden stelsels is sprake van ondergrondse huisaansluitingen waar in de praktijk een percentage foutaansluiting in aanleg- of beheerfase onvermijdelijk is). Er wordt gebruik gemaakt van niet uitlogende materialen ter voorkoming van diffuse verontreinigingen. Hiermee wordt het principe 'schoonhouden, scheiden, schoonmaken' gehanteerd.
Oppervlaktewater In het plangebied (als onderdeel van Waterfront-Zuid) wordt gewoond aan water. De watergangen worden voornamelijk stedelijk ingericht en krijgen recreatieve en gebruiksfuncties (vaarwater, kijkwater, water om langs te recreëren, uitdrukkelijk geen zwemwater). Dit betekent dat de oeverovergangen met het vasteland hoofdzakelijk zullen bestaan uit kades. Kindveiligheid is een belangrijk aandachtspunt bij de verdere uitwerking van de inrichting. De watergangen worden zo ingericht, dat varend onderhoud mogelijk is. De watergangen in Waterfront staan in open verbinding met het water in het Wolderwijd en (indirect) het Veluwemeer. Er worden (buiten het plangebied) maatregelen getroffen om de bestaande havenarmen te doorspoelen met oppervlaktewater uit de Friesegracht. Het hemelwater van het verharde oppervlak wordt geloosd op de watergangen, waardoor 'interne' verversing en doorspoeling optreedt. Door de watergangen voldoende breed (>10 m) en diep (>1 m) uit te voeren, wordt algenbloei niet verwacht. In het MMA wordt voorgesteld om locaties aan te wijzen waar activiteiten plaatsvinden die mogelijk verontreinigingen op de waterkwaliteit veroorzaken. Een voorbeeld hiervan is een plaats waar auto's gewassen kunnen worden. Dit betekent dat op andere plaatsen in het plangebied wassen van auto's niet wordt toegestaan.
Het voorliggende bestemmingsplan is niet zo gedetailleerd dat dit hierin kan worden geregeld. Om het Waterfront aantrekkelijk in te richten en rekening te houden met (onvermijdelijk) contact met het oppervlaktewater is het van belang dat er niet te veel ziekteverwekkers in het water voorkomen die problemen kunnen opleveren voor de volksgezondheid. Potentiële besmettingsbronnen zijn menselijke en dierlijke ontlasting (feaces). De risico's worden onder andere beperkt door geen riooloverstorten te realiseren en geen honden uit te laten direct langs het water. Via een hemelwaterstelsel kan hondenpoep op straat ook voor afspoeling van ziektekiemen zorgen. Deze kiemen komen bij (directe) lozing vanuit het hemelwaterstelsel in het oppervlakwater terecht.
Verontreinigde (water)bodems Ernstig verontreinigde (water)bodems in het plangebied worden als onderdeel van het integrale saneringsplan Waterfront gesaneerd. In geval van risico op verspreiding van bodem- en grondwater verontreinigingen worden tijdig passende (monitoring)maatregelen getroffen.
Grondwateroverlast en -onderlast Grondwateroverlast in het gebied wordt voorkomen door te zorgen voor voldoende ontwatering. Als minimale ontwateringsdiepte voor nieuw stedelijk gebied geldt in principe 70 cm beneden het maaiveld bij een overschrijding van 1 maal per jaar. De ontwateringsdiepte van 70 cm beneden het maaiveld is gericht op de grondwaterstand bij gebouwen, wegen, kabels en leidingen. In parken en ander stedelijk groen kunnen hogere grondwaterstanden worden geaccepteerd; ter plaatse van bijzondere (natte) natuur binnen stedelijk gebied is een hogere grondwaterstand gewenst. Voor Waterfront-Zuid geldt in het algemeen het volgende: 1. De grondwaterstanden hebben een sterke relatie met het streefpeil van het oppervlaktewater en zijn minder gevoelig voor tijdelijke peilstijgingen. 2. Bij een aanleghoogte van 1,60 m+NAP is er tot 2050 nog een drooglegging van 1,35 m. Tot 2050 zijn er dan ook geen aanvullende maatregelen voor een goede ontwatering noodzakelijk (op grond
32
bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003 van Deltaprogramma Waterveiligheid 2015: daarna waarschijnlijk ook niet); Beheer en onderhoud Rijkswaterstaat is de waterkwaliteits- en waterkwantiteitsbeheerder van het hoofdwatersyteem waaronder de Randmeren. Op grond van het 'Besluit aanwijzing zijwateren van hoofdwateren' is Rijkswaterstaat in de huidige situatie ook beheerder van het havengebied in Harderwijk. De gemeente beheert de nautische aspecten van het havengebied en is eigenaar en beheerder van de kademuren. Uit het watertoetsoverleg is geconstateerd dat de globale waterkwaliteit van de Veluwerandmeren momenteel met relatief geringe beheerinspanningen gehandhaafd kan worden (nadat er in de afgelopen decennia door meerdere partijen fors is geïnvesteerd om de kwaliteit substantieel te verbeteren). Mocht er door de gewijzigde inrichting en gebruiksfunctie (van industrieel havenwater naar dichtstedelijke oppervlaktewater) verhoogde beheerinspanningen noodzakelijk zijn, dan is dat in eerste instantie een verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer voor deze wijziging: de gemeente. Mogelijk dat hiervoor tegen een redelijke vergoeding een beroep gedaan wordt op de inzet van RWS/waterschap. In de toekomst wordt de beheersituatie aangepast op de feitelijke veranderingen in het gebied Waterfront-Zuid.
Uitgangspunt hierbij is het op orde houden van de waterkwaliteit tegen de laagste maatschappelijke kosten.
Klimaatadaptatie Overstroming: Uit stresstest hoogwater en kruiend ijs buitendijks gebied blijkt dat risico verwaarloosbaar klein is.
Wateroverlast (uitgangspunten rioleringsplan): bij ontwerpbui met herhalingstijd van 2 jaar. geen water op straat in binnenhoven en achterpaden bij ontwerpbui met herhalingstijd van 5 jaar. geen water op straat openbare ruimte bij ontwerpbui met herhalingstijd van 10 jaar. geen water op straat openbare ruimte op primaire routes voor hulpdiensten, vluchtroutes en calamiteit verzamelplaatsen bij klimaatbui met herhalingstijd van 250 jaar: geen langdurige maatschappij ontwrichtende effecten Hittestress: In het stedenbouwkundig ontwerp is rekening gehouden met maatregelen in openbare ruimte om hitte eiland effect door stedelijk bebouwing te beperken. Voorbeelden zijn laanstructuren langs wegen en rijke boomgroepjes bij ontmoetingsplekken in de openbare ruimte. De minimale afstand tot een koelte eiland is 300 m.
Droogte: Door de nabijheid van het Wolderwijd en een gegarandeerde aanvoer van grondwater vanaf het Veluwmassief is de grondwaterbeschikbaarheid het hele jaar rond stabiel, ook tijdens lange perioden van neerslagtekorten. Om de waterbeschikbaarheid in de leeflaag ook bij langdurige droogte te verbeteren is aandacht nodig voor een goede 'sponswerking' van de toplaag. Bijvoorbeeld door een humusrijke bodemopbouw van groen percelen die periodiek gevoed wordt met afstromend hemelwater, waterpasserende verharding in combinatie met drainerend cunet en ondergrondse voorzieningen voor bomen die in de verharding staan. Er is in dit plangebied niet gekozen voor ondergrondse infiltratievoorzieningen is vanwege de bodemcondities (na asbestsanering) die complicaties op zouden leveren bij aanleg, beheer en onderhoud (dit geldt zowel voor openbaar als privaat gebied).
33
bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003 5.5.4 Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het plan.
5.6
M ilieu
5.6.1 Inleiding In dit hoofdstuk komen de relevante milieu- en omgevingsaspecten aan bod. Het betreffen hier de randvoorwaarden en beperkingen die voortkomen uit het beleid en wetgeving op het gebied van: geluid (Wet geluidhinder en Wet milieubeheer), luchtkwaliteit (Wet luchtkwaliteit), bodemkwaliteit (Wet bodembescherming), externe veiligheid (Bevi, Revi en Wet milieubeheer) en bedrijvigheid (Wet milieubeheer en VNG Handreiking Bedrijven en milieuzonering). Ook wordt ingegaan op de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Bij milieuaspecten moet zowel worden gedacht aan de geschiktheid van de locatie voor de beoogde ontwikkelingen, als aan de mogelijke gevolgen van die ontwikkelingen voor de omgeving. Omgevingsdienst Noord-Veluwe (ODNV) heeft milieu-advies gegeven (d.d. 26 mei 2021, kenmerk ODNV2021AVIF-00194) dat in deze paragraaf integraal is verwerkt. Het gehele advies is opgenomen in bijlage 5. 5.6.2 Bedrijven Bij de ontwikkeling van gebieden wordt met behulp van de systematiek uit de VNG uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ (uitgave 2009) bepaald binnen welke straal bedrijven invloed hebben op de omgeving en met welke milieuaspecten (zoals geluid, gevaar, e.d.) rekening gehouden dient te worden. In de VNG uitgave zijn voor de diverse SBI-codes deze zogenoemde milieuzones bepaald ten opzichte van gevoelige functies zoals woningen.
Aan de ene kant wordt hiermee bepaald of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat bij omliggende gevoelige objecten. Aan de andere kant wordt bekeken of eventuele nieuwe gevoelige objecten de omliggende bedrijven niet beperken. Naast de geadviseerde milieuzonering op basis van de VNG uitgave kunnen er ook afstandscriteria uit specifieke milieuwetgeving gelden. Uitgangspunten De VNG uitgave gaat uit van twee omgevingstypen: een rustige woonwijk / buitengebied of een gemengd gebied. In een gemengd gebied is sprake van matige tot sterke functiemenging, waar bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies aanwezig zijn. Voor een gemengd gebied zijn de milieuzones kleiner dan voor een rustige woonwijk of buitengebied. In dit advies is voor het zoekgebied uitgegaan van een rustige woonwijk. Dolfinarium Binnen het onderzoeksgebied is het Dolfinarium, Strandboulevard Oost 1 gelegen. In het onderliggende bestemmingsplan ‘Waterfront Zuid Waterstad’ vastgesteld op 5 februari 2008, onherroepelijk per 21 november 2008 is een milieucontour om het Dolfinarium vastgelegd. De Parkvilla is geprojecteerd buiten deze milieucontour. In het akoestisch onderzoek behorend bij de omgevingsvergunning onderdeel milieu van het Dolfinarium van 9 mei 2018 zijn onderstaande geluidcontouren van het Dolfinarium opgenomen.
34
bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003
Conclusie bedrijven Uit bovenstaande geluidscontouren blijkt dat het Waterfrontpark buiten de vergunde geluidscontour van het Dolfinarium is gelegen. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat in het Waterfrontpark en het Dolfinarium wordt door de inrichting van het waterfrontpark niet belemmerd in de bedrijfsvoering. 5.6.3 Bodemkwaliteit De gehele locatie is gesaneerd. De verontreinigde toplaag met asbest is door onderzuiging van schone grond verlaagd tot 0,4 m -NAP. Daarboven is de onderliggende zandlaag opgebracht met een dikte van 2,0 m -mv. De sanering is formeel nog niet afgerond, vermoedelijk eind van 2021.
Op grond van de beschikbare bodeminformatie wordt geconcludeerd dat herontwikkeling van het gehele onderzoeksgebied wel tot de mogelijkheden behoort. Wel moet rekening worden gehouden met de sterk verontreinigde onderlaag met asbest. Voorafgaand aan werkzaamheden in verontreinigde laag moet
35
bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003 contact worden opgenomen met het bevoegd gezag. 5.6.4
Externe veiligheid
Wettelijk kader Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.
Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Circulaire effectafstanden LPG tankstations In de circulaire is de effectbenadering uitgewerkt voor LPG-tankstations. In beginsel zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 60 meter en geen zeer kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 160 meter toegestaan.
Naast de circulaire blijft ook de toetsing aan het Bevi noodzakelijk. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen. Beleidsvisie externe veiligheid In 2014 is de Beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente Harderwijk vastgesteld. Uitgangspunt van deze beleidsvisie is de toepassing van verschillende restrictieniveaus voor het al dan niet toestaan van risicovolle bedrijven op bedrijventerreinen. Elk bedrijventerrein is gekoppeld aan een restrictieniveau. Nieuwe risicobedrijven die onder het Bevi vallen, worden dus niet per definitie uitgesloten, maar dit is wel
36
bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003 als restrictieniveau opgenomen. Het oprichten van nieuwe risicovolle bedrijven buiten bedrijventerreinen wordt tevens niet per definitie uitgesloten, al moet wel rekening worden gehouden met een optimale ruimtelijke ordening en veiligheid.
Onderzoek Stationaire risicobronnen Binnen of nabij het plangebied zijn geen relevante stationaire risicobronnen aanwezig. Mobiele risicobronnen Binnen of nabij het plangebied zijn geen relevante mobiele risicobronnen aanwezig.
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de planontwikkeling. Groepsrisico De planontwikkeling ligt binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Amersfoort-Zwolle, het groepsrisico dient beperkt verantwoord te worden. Spoorlijn Zwolle – Amersfoort De planontwikkeling is gelegen buiten 200 meter van de spoorlijn, maar is wel gelegen binnen het invloedsgebied (4000 meter). Conform artikel 8 Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Maatgevende scenario's De maatgevende scenario´s voor de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid waarbij het plangebied binnen het invloedsgebied van brandbare gassen en dat van toxische vloeistoffen/gassen ligt, zijn een wolkbrandexplosie en een toxische wolk. Onderstaand is vanuit deze scenario's ingegaan op de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om effecten ten gevolge van het incident te beperken of te voorkomen. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied.
Eventuele secundaire branden in het plangebied kunnen met behulp van de primaire bluswatervoorzieningen worden bestreden door de brandweer. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen Bij een calamiteit is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij een incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij een scenario waarin toxische stoffen vrijkomen, is het advies om te schuilen in een gebouw, waarvan ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. Bij een wolkbrandexplosie scenario is het advies om te vluchten van de risicobron af. Aandachtspunten uitvoering De Veiligheidsregio Noord- en Oost- Gelderland heeft advies uitgebracht over het bestemmingsplan. Dit advies is bijgevoegd in bijlage 6 van de toelichting. Aangegeven is dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de normen van de wet- en regelgeving over externe veiligheid. In het advies van de VNOG staan verschillende aandachtspunten beschreven ter bevordering van de zelfredzaamheid van bewoners en ten aanzien van de bereikbaarheid van het plangebied voor geneeskundige hulpverlening in het gebied.
Verder wordt ingegaan op de onderwerpen gezonde leefomgeving, energietransitie en klimaatadaptatie. Ten aanzien van klimaatadaptatie wordt de suggestie gedaan een vergroening van de openbare ruimte en van de gebouwde omgeving. In het ontwerp voor het park vormt dit een belangrijk uitgangspunt. Wat betreft het onderwerp 'gezonde leefomgeving' valt te melden dat het plan voldoet aan de wettelijke
37
bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003 eisen die zijn gesteld ten aanzien van verschillende milieuthemas. Conclusie Op basis van de hierboven genoemde overwegingen kan worden geconcludeerd dat er voldoende mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid zijn. Dit betekent dat er geen nadere eisen aan het plan worden gesteld in het kader van het milieuaspect externe veiligheid. 5.6.5 Luchtkwaliteit In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Met betrekking tot luchtkwaliteit moet rekening worden gehouden met de luchtkwaliteitseisen in hoofdstuk 5 van de Wet Milieubeheer, en de bijbehorende bijlagen. Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging (<3% van de jaargemiddelde grenswaarde); een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat in werking treedt nadat de EU derogatie heeft verleend.
Conform voorschrift 3B.2 van bijlage 3b van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' draagt een bouwplan niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit wanneer het plan niet voorziet in de bouw van meer dan 1.500 woningen. Er worden in het plangebied geen woningen mogelijk gemaakt. Vastgesteld wordt dan ook dat de ontwikkeling in het plangebied, niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Tevens maakt het gehele plan Waterfront onderdeel uit van het Nationale samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL). Conclusie luchtkwaliteit Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het realiseren van woningen in het aandachtsgebied. 5.6.6 Geluidhinder Wegverk eer In het plangebied worden geen geluidgevoelige functies gerealiseerd. Nader geluidonderzoek is dan ook niet nodig. Uit het model voor de geluidonderzoeken voor Fase 3 blijkt overigens dat de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai van de N302 maximaal 46 dB in het plangebied is en daarmee onder de voorkeurswaarde van 48 dB ligt.
Gezoneerd industrieterrein Het plangebied ligt net binnen de geluidzone van het naastgelegen bedrijventerrein (Lorentz). Met behulp van hetzelfde geluidmodel als voor Waterfront fase 3 is de geluidbelasting op lagere en grotere hoogten berekend. De geluidbelasting vanwege het industrieterrein Lorentz bedraagt voor de situatie van een geheel gevuld industrieterrein (verkavelingsmodel) inclusief 1 dB aftrek vanwege redelijke sommatie, 49 dB(A). Hieruit blijkt dat voldaan wordt aan de voorkeurswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde.
Conclusie geluid In het plangebied worden geen voorkeurswaarden voor geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai of industrielawaai overschreden Er zou zelfs geen belemmering zijn voor het ontwikkelen van woningbouw op deze locatie.
38
bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003 5.6.7 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Algemeen In het kader van de wetgeving met betrekking tot de milieueffectrapportages (m.e.r.) is het van belang om te weten of de voorgenomen plannen m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn. Het Besluit milieueffectrapportage benoemt de activiteiten waarvoor het doorlopen van een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is. Voor Waterfront is in 2006 en 2010 een milieueffectrapportage (m.e.r.)-procedure doorlopen. In deze milieueffectrapportages is het deelgebied van het Waterfrontpark ook meegenomen. Deze milieueffectrapportages hebben ten grondslag gelegen aan het moederplan Waterfront-Zuid Waterstad (2008). Wijziging besluit MER In mei 2017 is een wetswijziging doorgevoerd met betrekking tot de milieueffectrapportage. Door deze wijziging zijn ook projecten die genoemd staan in lijst D van bijlage 1 van het Besluit milieueffectrapportage, m.e.r.-beoordelingsplichtig wanneer de in kolom 2 van deze lijst genoemde gevallen/grenzen niet overschreden wordt. In deze gevallen geldt een lichtere m.e.r.-beoordelingsprocedure (vormvrije m.e.r.). Het opstellen van een bestemmingsplan voor het wijzigen van stedelijke gebied (cat. D 11.2) is hiermee ook m.e.r.-beoordelingsplichtig. De inrichting van het Waterfrontpark is al meegenomen in de eerdere onderzoeken.
Het realiseren van een kleinschalige horecavoorziening kan niet worden beschouwd als een 'stedelijk ontwikkelingsproject'. Een m.e.r.(-beoordelings)plicht is dan ook niet aan de orde voor dit plan. Wel aan de orde is het uitvoeren van een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Dit houdt in dat gekoppeld aan het te nemen besluit (het bestemmingsplan) een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is uitgevoerd op basis van beschikbare onderzoeken en informatie. Beoordeling Op grond van artikel 7.17 lid 3 Wet milieubeheer wordt bij het beoordelen of het opstellen van een m.e.r. nodig is, rekening gehouden met: 1. De resultaten van eerder uitgevoerde controles of andere beoordelingen van gevolgen voor het milieu; 2. de in bijlage III bij de EEG richtlijn milieu-effectbeoordeling aangewezen criteria. Het betreft de volgende criteria: a. Kenmerken van het project; b. Plaats van het project; c. Kenmerken van het potentiële effect. 1.
Resultaten van eerder uitgevoerde controles of andere beoordelingen Voor het moederplan is in 2010 een milieueffectrapport (MER) opgesteld. De wijzigingen van het plan worden in deze m.e.r.-beoordeling gelegd naast de uitkomsten van de eerder opgestelde MER. 2. Criteria uit bijlage III van de EEG richtlijn milieu-effectbeoordeling a. Kenmerken van het project Bij de kenmerken van de projecten moet in het bijzonder in overweging worden genomen: de omvang van het project en de cumulatie met andere projecten; het gebruik van natuurlijke hulpbronnen en de productie van afvalstoffen; verontreiniging en hinder;
39
bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003 risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën. Omvang project en cumulatie met andere projecten Het plangebied is onderdeel van het grotere plan Waterfront. Voor het gehele plan Waterfront is een MER opgesteld. In deze MER is rekening gehouden met het gehele project en de cumulatie van de verschillende deelprojecten. Gebruik van natuurlijke hulpbronnen en de productie van afvalstoffen De kleinschalige horecagelegenheid zal gasloos zijn. Wat betreft de productie van afvalstoffen in het plangebied zijn geen bijzonderheden te verwachten. Verontreiniging en hinder De toename van woningen en het situeren van bedrijvigheid op andere locaties heeft invloed op het aantal verkeersbewegingen, emissies naar de lucht en de milieuzonering van de bedrijven. Het gewijzigd plangebied heeft ook gevolgen voor de invloeden van buitenaf op het plangebied: geluid (wegen en industrie) en bedrijvigheid (Lorentz, Havendijk). Verkeer De toename in het aantal verkeersbewegingen is meegenomen in het verkeersmodel 2030 (opgesteld in 2018). Bij het bepalen van de geluidsemissie van de wegen op de woningen is hiermee rekening gehouden.
Lucht De bijdrage aan de luchtkwaliteit ten gevolge van de inrichting van het plangebied is "niet in betekenende mate" conform het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen), omdat er minder dan 1.500 woningen worden gerealiseerd. Tevens maakt het gehele plan Waterfront onderdeel uit van het Nationale samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL). Milieuzonering Er wordt geen bedrijvigheid gesitueerd binnen het plangebied van dit bestemmingsplan. Ook is er geen sprake van hinder van omliggende bedrijven op bijvoorbeeld Lorentz en het Dolfinarium. Geluid Om geruime afstand van het plangebied zijn diverse wegen gesitueerd. Tevens is het geluidgezoneerd industrieterrein "Lorentz" in de omgeving van het plangebied gelegen. De geluidemissie van de wegen en "Lorentz" zijn inzichtelijk gemaakt. Hieruit blijkt dat er geen sprake is van een te hoge geluidsbelasting in het Waterfrontpark. Ecologie Uit het uitgevoerde onderzoek (zie paragraaf 5.4) blijkt dat met in achtneming van de beschreven mitigerende maatregelen negatieve effecten van de voorgenomen werkzaamheden op beschermde soorten zijn uitgesloten. Ook blijkt uit de geactualiseerde Passende Beoordeling dat significante effecten op Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Archeologie In het kader van archeologie zijn er geen wijzigingen te verwachten ten opzichte van de onderliggende plannen.
De wijzigingen hebben geen betrekking op een veranderd plangebied. Overige aspecten Er zijn geen bijzonderheden te verwachten die nader onderzocht moeten worden. Risico van ongevallen In het kader van externe veiligheid is bij de inrichting van het plangebied rekening gehouden met de brandblusvoorzieningen en de zelfredzaamheid. De functies binnen het plangebied leveren geen extra risico's op ongevallen op.
40
bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003 Plaats van het project Er vinden geen wijzigingen plaats in de locatie van het plangebied ten opzichte van het moederplan. Kenmerken van het potentiële effect Bij de potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de criteria van de punten 1 en 2 in het bijzonder in overweging worden genomen: het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking); het grensoverschrijdende karakter van het effect; de waarschijnlijkheid van het effect; de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect. Zoals eerder is vermeld, blijkt uit de toetsing van het plan onder punt 1 en 2, dat de wijzigingen niet leiden tot potentieel aanzienlijke effecten ten opzichte van de eerder onderzochte milieuaspecten.
Conclusie Er is geen aanleiding aanwezig om een milieueffectrapportage te verlangen, omdat de wijzigingen niet leiden tot significante nadelige gevolgen voor de omgeving.
5.7
Kabels en leidingen
Er bevinden zich in het plangebied geen planologisch relevante leidingen (zoals hoogspanning, gas en riool) waar op voorhand rekening gehouden moet worden. Als er met een graafmachine graafwerkzaamheden worden verricht, dient er eerst een graafmelding bij KLIC te worden gedaan. Op basis van deze melding wordt er informatie verschaft over de overige kabels en leidingen ter plaatse. Hierdoor kan schade door graafwerkzaamheden voorkomen worden. Geconcludeerd kan worden dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering voor het project vormt.
5.8
Explosieven
Het plangebied was deels verdacht op de aanwezigheid van Conventionele Explosieven (rakketten 30/60 lbs en afwerpmunitie). Met betrekking tot de bouwmogelijkheden betekent een verdenking dat voorafgaand aan de werkzaamheden opsporingsonderzoek (detectie en eventuele benaderingen) plaats dient te vinden, indien grondroering plaats vindt van 0,5 m. +NAP tot 1,5 m. – NAP. Bij heiwerkzaamheden (welke trillingen veroorzaken) dient onderzoek plaats te vinden in een straal van 10 meter rondom. In het kader van de woningbouw Waterfront heeft nader onderzoek door het gespecialiseerde bureau IDDS plaatsgevonden. Inmiddels zijn alle verdachte gebieden vrijgegeven. Geconcludeerd kan worden dat de mogelijke aanwezigheid van Conventionele Explosieven geen belemmering vormt voor het project.
41
bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003
42
bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003
Hoofdstuk 6 6.1
Juridische aspecten
Inleiding
6.1.1 Informatie bestemmingsplan Ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de daarbij behorende ministeriele regelingen, dienen bestemmingsplannen op vergelijkbare wijze opgebouwd, gepresenteerd en tevens digitaal uitwisselbaar gemaakt te worden. De regeling is afgestemd op de Wro, Bro en daarbij behorende ministeriele regelingen. Hiermee wordt de rechtsgelijkheid en de uniformiteit binnen de gemeentelijke c.q. landelijke bestemmingsplannen gediend. Het bestemmingsplan is tevens afgestemd op de terminologie en regelgeving zoals opgenomen in de op 1 oktober 2010 in werking getreden Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Een bestemmingsplan kan echter niet alles regelen. Via het Besluit omgevingsrecht is het bijvoorbeeld mogelijk om in bepaalde situaties vergunningvrij te bouwen ondanks dat het bestemmingsplan die bebouwing niet toestaat. In die gevallen gaat hetgeen bij wet vergunningvrij gebouwd kan worden voor op de bepalingen van het bestemmingsplan. Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft uit te oefenen.
Dit houdt in dat: 1. de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en 2. de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (het overgangsrecht is hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (voorheen: bouwvergunning) en regels voor het verrichten van 'werken' (voorheen: aanlegvergunning). Een bestemmingsplan regelt derhalve: het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen); en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: het bebouwen van de gronden; het verrichten van werken (aanleggen). 6.1.2 Verbeelding, regels en toelichting Een bestemmingsplan moet worden opgezet volgens de eisen die de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in samenhang met het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) daaraan stelt en de wettelijk voorgeschreven opzet en vormgeving van de 'RO standaarden 2012'. Een bestemmingsplan bestaat uit drie onderdelen, te weten een 'toelichting', de 'regels' en een 'verbeelding'. De verbeelding (voorheen bekend als 'plankaart') en de regels (voorheen bekend als 'voorschriften') vormen samen het juridische deel van het bestemmingsplan. Alleen deze twee zijn bindend voor de burger en de overheid.
Beide onderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding is aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemming met een bestemmingsvlak en soms via aanduidingen. De planregels van het bestemmingsplan bevatten de juridische verklaring, middels maximale bouw- en gebruiksmogelijkheden, van de op de verbeelding weergegeven bestemmingen en aanduidingen. Die toegekende gebruiks- en bouwmogelijkheden aan gronden kunnen, naast de rechtstreekse bestemming, op de verbeelding op twee manieren nader worden ingevuld: 1. Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen
43
bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003 gelden. Er geldt altijd één 'enkelbestemming' (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In de regels van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen. 2. Via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding dat betrekking heeft op een vlak op die kaart. Via een aanduiding wordt in de regels 'iets' geregeld. Dat 'iets' kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van een bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan, indien de regels en de verbeelding hier ruimte voor laten.
Hoofdstukopbouw van de regels De regels zijn, zoals voorgeschreven in de 'RO standaarden 2012', verdeeld over 4 hoofdstukken: Inleidende regels In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is de wijze bepaald waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). Bestemmingsregels In dit tweede hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouw- en gebruiksregels en, eventueel, ook regels voor het 'uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden' opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsbepalingen. Ieder artikel van de hoofdbestemmingen kent, eveneens conform de 'RO standaarden 2012', een vaste opzet. Algemene regels In dit hoofdstuk zijn bepalingen opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens: a. antidubbeltelregel: Deze bepaling regelt dat grond die reeds eerder bij een verleende bouw- of omgevingsvergunning is meegenomen, niet nog eens bij de verlening van een nieuwe omgevingsvergunning mag worden meegenomen.
Deze regel is wettelijk verplicht om op te nemen in een bestemmingsplan en is rechtstreeks overgenomen uit het Bro; b. algemene gebruiksregels: In dit artikel wordt een algemeen gebruiksverbod gegeven, wat geldt voor alle bestemmingen in het bestemmingsplan, voor gebruik in strijd met de bestemming; c. algemene afwijkingsregels: In dit artikel wordt aangegeven in hoeverre met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het plan voor algemene en geringe afwijkingen van de bouwregels (maatvoering) voor zover al elders in de planregels in afwijkingen is voorzien. Hiermee kan in specifieke situaties maatwerk worden geboden en biedt het bestemmingsplan voldoende flexibiliteit. Overgangs- en slotregels In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. a. overgangsregels: Deze regel is wettelijk verplicht om op te nemen in een bestemmingsplan en is rechtstreeks overgenomen uit het Bro. Dit artikel bevat regels die als doel hebben bestaande situaties (gebruik of bouwwerken), welke niet in overeenstemming zijn met het bestemmingsplan, te regelen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebruik en bouwen.
Het overgangsrecht met betrekking tot bouwen en bouwwerken regelt dat bouwwerken die aanwezig waren ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, maar in strijd zijn met het bestemmingsplan, onder overgangsrechtelijke bescherming vallen. Dat wil zeggen dat deze bouwwerken mogen blijven
44
bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003 bestaan. Deze bescherming geldt ook voor bouwwerken die op deze peildatum legaal kunnen worden gebouwd, maar nog niet zijn gebouwd. De regeling bevat voorts een bevoegdheid voor burgemeester en wethouders om bij een omgevingsvergunning af te wijken ten behoeve van een beperkte uitbreiding (maximaal 10%) van het niet in het nieuwe bestemmingsplan passende bouwwerk. Bouwwerken die wel bestonden op de genoemde peildatum, maar zijn gebouwd zonder (omgevings)vergunning, zijn expliciet uitgesloten van de beschermende werking van het overgangsrecht. Het overgangsrecht voor met het nieuwe bestemmingsplan strijdig gebruik regelt dat het gebruik van gronden dat bestaat op het moment dat het nieuwe bestemmingsplan van kracht wordt, mag worden voortgezet. Het bestaande gebruik dat (ook) in strijd was met het voorgaande bestemmingsplan, is echter van deze beschermende werking van het overgangsrecht uitgesloten, indien het op grond van het recht nog mogelijk is om hiertegen op te treden. b. slotregel: Dit artikel bevat de titel (naam) van het vast te stellen bestemmingsplan. 6.1.3 Juridische regeling Het is zaak om voor de bestaande en de toekomstige bebouwing en functies een bestemmingsregeling te ontwerpen, die zoveel mogelijk ruimte biedt voor verandering en aanpassing aan veranderende wensen.
Het plan dient flexibel en doelmatig te zijn en dient rechtszekerheid te bieden omtrent de ruimte voor verandering. Daar staat tegenover dat het plan de nodige bescherming moet bieden tegen ontwikkelingen die schadelijk zijn voor anderen. Bescherming tegen een zodanige ontwikkeling wordt samengevat in de term rechtsbescherming. Dit betekent dat in principe aan de gebruiker van gronden en opstallen zoveel mogelijk vrijheden worden gegeven. Deze zijn als recht in het plan geformuleerd. Als in bepaalde gevallen een mogelijke beschadiging van de belangen van andere burgers wordt verwacht, geeft het plan als recht meer beperkte mogelijkheden. Voor uitzonderingssituaties biedt het plan ruimere mogelijkheden in de vorm van binnenplans afwijken van het bestemmingsplan bij omgevingsvergunning. 6.1.4 Afwijken van de regels In een bestemmingsplan kunnen regels worden opgenomen inzake afwijking van het bestemmingsplan bij omgevingsvergunning. Deze afwijkingen van de regels zijn bedoeld om de nodige flexibiliteit in het plan te brengen, zodat kan worden gereageerd op onvoorziene omstandigheden. Het gaat daarbij om relatief kleinschalige ruimtelijke ingrepen. Bij grotere ingrepen ligt het voor de hand een wijzigingsbevoegdheid op te nemen, of tot een planherziening te komen. Algemene regels voor afwijken in het plan betreffen: a.
niet voor bewoning bestemde gebouwen en bouwwerken in het openbaar gebied. Deze mogen een hoogte hebben van maximaal 5 meter en een oppervlakte van ten hoogste 25 m². Het betreft bouwwerken ten dienste van het openbaar nut; b. bouw van erkers, balkons, luifels, bordessen, pergola's en dergelijke bouwwerken aan de voorgevel met een diepte van maximaal 1,50 meter; c. bouwen van antennes met een bouwhoogte van maximaal 25 meter; d. de maatvoering. De maatvoering van bouwwerken mag onder voorwaarden afwijken met ten hoogste 10%.
6.2
Algem ene uitgangspunten
Voor het bestemmingsplan 'Waterfront-Zuid - Waterfrontpark' worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: de toekomstige situatie is een belangrijk uitgangspunt in de planregels. Het stedenbouwkundig ontwerp heeft aan de basis gelegen van het bestemmingsplan; er is sprake van meer gedetailleerde bestemmingen om zo meer rechtszekerheid te geven aan de omgeving over de toekomstige situatie. Binnen de bestemmingen is in de bestemmingsomschrijving aangegeven welk gebruik binnen de desbetreffende bestemming is toegestaan.
45
bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003
6.3
Verantwoording Handboek Harderwijk
De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld aan de hand van de Standaard Handboek Harderwijk, versie 2019-02. Vanwege de ligging binnen de molenbiotoop is het begrip peil (lid 1.33) aangepast in die zin dat het peil voor gebouwen gerelateerd is aan de huidige hoogte (+1,90 NAP). Dit is 30 cm lager dan de huidige hoogte ter plaatse van de toegangsdeur van de molen (+2,20 NAP). De wijze van meten van de stellinghoogte (lid 2.6) is gekoppeld aan deze +2,20 NAP. Op deze manier zijn de toegestane hoogten van gebouwen gerelateerd aan de stellinghoogte van de molen. Vanwege het ontbreken van dergelijke regels in het handboek zijn de volgende aanduidingen en regels toegevoegd: om de molenbiotoop te beschermen is een gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' opgenomen (zie lid 9.1 Vrijwaringszone - molenbiotoop). Aan de algemene afwijkingsregels (lid 10 Algemene afwijkingsregels onder d waarin het veranderen van de maatvoering met maximaal 10% is geregeld) is toegevoegd dat de bescherming van de molenbiotoop in acht moet worden genomen; in lid 10 onder e is bepaald dat bouw- en aanduidingsgrenzen onder voorwaarden overschreden mogen worden. Het doel hiervan is om enige flexibiliteit te bieden, omdat het een gebied in ontwikkeling is en bouw- en aanduidingsgrenzen in de praktijk anders kunnen uitvallen.
6.4
Bestem m ingsbepalingen
In de regels is het beschreven beleid vertaald in de bestemmingsbepalingen. De volgende bestemmingen worden in het plan onderscheiden: Groen Water Horeca Bij elk van deze bestemmingen zal in deze paragraaf een korte toelichting worden gegeven omtrent doel en inhoud. 6.4.1 Groen Het Waterfrontpark heeft de bestemming ´Groen´ gekregen vanwege de centrale functie die het park heeft binnen de wijk. Binnen de bestemming ‘Groen’ is het niet mogelijk om doorgaande wegen en parkeerplaatsen te realiseren. Het plaatsen van voorzieningen, ter ondersteuning van en passend in de groene ruimte zijn mogelijk. Ook toegangswegen, wandel- en fietspaden passen binnen deze bestemming. 6.4.2 Water Het water, zoals opgenomen in het stedenbouwkundig ontwerp, heeft de bestemming Water gekregen. Om flexibiliteit te bieden zijn deze gronden niet alleen bestemd voor water, maar ook voor onder andere oevers, taluds steigers en verkeersdoeleinden. 6.4.3 Horeca Binnen deze bestemming is uitsluitend horeca in de categorie 1a toegestaan met een maximale oppervlakte van 40 m2.Voor de toegelaten horeca wordt de Staat van Horeca-activiteiten van toepassing verklaard op dit bestemmingsplan en is opgenomen in de bijlage bij de regels (Bijlage 1 Staat van Horeca-activiteiten). Het oorspronkelijke bouwvlak van de Parkvilla is gehalveerd, maar nog steeds erg ruim voor de maximaal toegestane oppervlakte van 40 m2.
Omdat in het verdere participatietraject over de inrichting van het park nog een keuze moet worden gemaakt over de definitieve locatie, is hiermee enige flexibiliteit mogelijk gemaakt om te schuiven. Bij de horeca is een kleinschalig terras toegestaan.
46
bestemmingsplan Waterfront-Zuid - Waterfrontpark (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00272-0003 6.4.4 Kleine evenementen Het is de wens om kleinschalige evenementen toe te staan in het park. Grotere evenementen die overlast kunnen veroorzaken zijn niet wenselijk. Hiertoe is in de algemene gebruiksbepalingen opgenomen dat onder strijdig gebruik niet wordt verstaan het gebruiken of het laten gebruiken van gronden voor kleine evenementen indien en voor zover daarvoor ingevolge een wettelijk voorschrift vergunning, ontheffing of vrijstelling is vereist en deze is verleend, danwel een melding is gedaan.
6.5
Handhaving
Met het vaststellen van het bestemmingsplan zijn de werkzaamheden niet beëindigd. De instandhouding en ontwikkeling van een kwalitatief hoogwaardige woonomgeving vereist, dat er daarna, ook op het gebied van de handhaving, de nodige activiteiten worden verricht.
Handhavingsbeleid bouwen, ruimtelijke ordening en milieu Op 14 januari 2014 is het handhavingsbeleid bouwen, ruimtelijke ordening en milieu 2014-2018 vastgesteld. De gemeente Harderwijk gunt iedereen zijn of haar vrijheid om te doen en laten wat hij of zij wil. Echter, daar waar de vrijheid van de één die van een ander schaadt, moet worden ingegrepen. In de vorm van kaderstelling in verschillende nota's legt de gemeente vast wat de spelregels zijn. Handhaving van deze regels is essentieel in het bewaken van orde, regelmaat én veiligheid in een leefgemeenschap. Als de handhaving onvoldoende is, verliezen de regels hun kracht. En daarom geldt: Vertrouwen waar het kan, handhaven waar het moet! Milieu Het milieu is misschien wel de meest collectieve 'ruimte' die er is. Een goed milieu is essentieel voor een gezonde leefomgeving. Omdat een goed milieu zo belangrijk is, moeten de regels die daarvoor zijn, strak worden nageleefd. Het streven is om te zorgen voor een duurzame leefomgeving waar huidige en toekomstige generaties gezond kunnen wonen. Ruimtelijke ordening Een stad is een levend organisme en heeft behoefte aan evenwicht in de ordening van schaarse ruimte. De samenleving en ruimte moeten zo goed mogelijk met elkaar in harmonie zijn. Omdat ruimtelijke ordening vaak grote objecten betreft, is handhaving erg belangrijk.