Bestemmingsplan Hierden Dorp - Ooster Mheenweg 7 (fase 2).pdf
Tekst van het document
Op ongeveer 1.650 meter afstand van het plangebied ligt het spoortracé Amersfoort-Zwolle. Over dit spoortraject kunnen (zeer) giftige (vloei)stoffen worden vervoerd (D4). Hierdoor is het invloedsgebied bepaald op 4.000 meter. Een scenario waarmee de omgeving geconfronteerd
Vastgesteld gemeente Harderwijk – Hierden Dorp - Ooster Mheenweg (fase 2)
23
kan worden, is het vrijkomen van een giftige vloeistof of gas uit een spoorketelwagon. Een scenario waarbij in één keer de gehele hoeveelheid gevaarlijke stof vrijkomt (instantaan falen omhulling) is - gezien het scenarioverloop - niet beheersbaar. Een (druppel)lekkage is dat wel, mits er voldoende toereikende bluswatervoorzieningen aanwezig zijn. Het plangebied ligt buiten de 200 meter. Een uitgebreide verantwoording is niet noodzakelijk. Op basis van het Bevt dient voor een ruimtelijk besluit buiten de 200 meter vanaf de transportroute ingegaan te worden op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater. Daarnaast stelt het Bevt dat de Veiligheidsregio in de gelegenheid gesteld moet worden om advies uit te brengen over de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.
3.7.
Bodembeleid De gemeente heeft samen met de omliggende gemeenten Elburg, Ermelo, Nunspeet, Elburg, Oldebroek en Putten een bodemkwaliteitskaart en bodembeheernota opgesteld. De Nota bodembeheer regio Noord Veluwe is vastgelegd in het document met kenmerk R0021206995LNH-baw-V02-Nl d.d 21 januari 2014 (Tauw). In deze nota is omschreven welke keuzes de gemeenten hebben gemaakt ten aanzien van generiek en gebiedsspecifiek beleid, en onder welke voorwaarden grond en bagger mag worden toegepast binnen de regio. In paragraaf 5.5.4 wordt nader op dit onderwerp ingegaan.
3.8.
Waterbeleid
3.8.1. Europese Kaderrichtlijn Water (2003) De Europese Kaderrichtlijn Water gaat er vanuit dat water geen gewone handelswaar is, maar een erfgoed dat moet worden beschermd en verdedigd. Het hoofddoel van de richtlijn is daarop gebaseerd. De Kaderrichtlijn Water geeft het kader voor de bescherming van landoppervlaktewater, overgangswater, kustwater en grondwater. Dat moet ertoe leiden dat: aquatische ecosystemen en gebieden die rechtstreeks afhankelijk zijn van deze ecosystemen, voor verdere achteruitgang worden behoed; emissies worden verbeterd; duurzaam gebruik van water wordt bevorderd op basis van bescherming van de beschikbare waterbronnen op lange termijn; er wordt gezorgd voor een aanzienlijke vermindering van de verontreiniging van grondwater. 3.8.2. Nationaal Waterplan De hoofddoelstelling voor waterbeheer in Nederland is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP): Nederland, een veilige en leefbare delta, nu en in de toekomst. Het Nationaal Waterplan is tevens een structuurvisie op basis van de Waterwet en de Wet ruimtelijke ordening en is opgesteld voor de planperiode 2016-2021. 3.8.3. Waterbeleid in de 21e eeuw (2000) De hoge waterstanden in de rivieren in 1995 en 1996 en de klimaatscenario's waarin naast de zeespiegelstijging ook meer en heviger buien worden voorspeld hebben geleid tot vernieuwde
Vastgesteld gemeente Harderwijk – Hierden Dorp - Ooster Mheenweg (fase 2)
24
aandacht voor water. Nederland is met zijn lage ligging en hoge verstedelijkingsgraad kwetsbaar voor wateroverlast en de veiligheid is in de toekomst in het geding. Maar ook door de drogere zomers is er het risico van watertekorten en verdroging. De commissie "Waterbeheer 21e eeuw" heeft in opdracht van de regering duidelijk gemaakt dat we anders moeten omgaan met water en ruimte. Ruimte die nu beschikbaar is voor de bescherming tegen overstromingen en wateroverlast moet ten minste behouden blijven. De aanwezige ruimte mag niet sluipenderwijs verloren gaan bij de uitvoering van nieuwe projecten voor infrastructuur, woningbouw, landbouw of bedrijventerreinen. Daarbij zijn de trits 'vasthouden, bergen en afvoeren en 'schoonhouden, scheiden en zuiveren' belangrijke uitgangspunten. De trits 'vasthouden, bergen en afvoeren' houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms in een stroomgebied wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren, wordt het water afgevoerd. Bij 'schoonhouden, scheiden en zuiveren' gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden.
Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste, wanneer schoonhouden en scheiden niet mogelijk is, komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. 3.8.4. Omgevingsverordening Gelderland Op 31 maart 2021 is de laatst gewijzigde versie van de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. In de Omgevingsverordening zijn regels (randvoorwaarden) opgenomen passend bij de provinciale aanpak van ambities en doelen in de Omgevingsvisie. Veel van deze regels waren eerder in diverse andere verordeningen van de provincie opgenomen. De provincie trekt deze oude verordeningen in en brengt de Omgevingsverordening ervoor in de plaats. De regels in de Omgevingsverordening zijn zodanig dat zij goed passen bij de accenten in de aanpak van de Omgevingsvisie. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.
De Omgevingsverordening heeft de status van: ▪ ruimtelijke verordening in de zin van artikel 4.1 Wet ruimtelijke ordening ▪ milieuverordening in de zin van artikel 1.2 Wet Milieubeheer ▪ waterverordening in de zin van de Waterwet ▪ verkeersverordening in de zin van artikel 57 van de Wegenwet en artikel 2 A van de Wegenverkeerswet In de verordening staan ook doelen voor het waterbeheer, de maatregelen die daarvoor nodig zijn en wie ze gaat uitvoeren. Voor oppervlaktewaterkwaliteit, hoogwaterbescherming, regionale wateroverlast, watertekort en waterbodems gelden provinciebrede doelen. Voor een aantal
Vastgesteld gemeente Harderwijk – Hierden Dorp - Ooster Mheenweg (fase 2)
25
functies, zoals landbouw, natte natuur, waterbergingsgebieden en grondwaterbeschermingsgebieden, zijn specifieke doelen geformuleerd. Vanwege de Europese Kaderrichtlijn Water is voor bepaalde oppervlaktewateren vastgelegd of het een kunstmatig of sterk veranderd oppervlaktewater is. Ook zijn voor die oppervlaktewateren ecologische doelen geformuleerd. Voor verbetering van de grondwaterkwaliteit zijn maatregelen opgenomen. In de omgevingsverordening van provincie Gelderland zijn wel specifieke watergerelateerde doelen/maatregelen opgenomen voor het betreffende plangebied. Het plangebied ligt namelijk in het gebied dat is aangewezen als grondwaterfluctuatiezone. Hier wordt verder op ingegaan in paragraaf 5.4. 3.8.5. Waterbeheer 21e eeuw (WB21) Het thema "water als ordenend principe" loopt als een rode draad door het gehele plan. Dit houdt in dat, voordat er beslissingen worden genomen op ruimtelijk gebied, er wordt bekeken welke gevolgen die hebben voor watersystemen. Het rijk, provincies, gemeenten, waterschappen en drinkwaterbedrijven, hebben besloten maatregelen voor een doelmatiger waterbeheer overeen te komen in dit Bestuursakkoord Water. Het waterschap gaat zich inzetten voor een mooi, veilig, schoon, gezond en duurzaam beheer van het watersysteem en de waterketen. Het doel is om de kwaliteit van het beheer te vergroten tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten.
De burger laten zien wat wordt bereikt en transparant zijn over de kosten. Dat doen de partijen vanuit eigen verantwoordelijkheden waarbij de expertise en deskundigheid met elkaar wordt gedeeld. 3.8.6. Waterbeheerprogramma 2016-2021 Waterschap Vallei en Veluwe Waterschap Vallei en Veluwe is beheerder en bevoegd gezag voor zowel waterkwantiteit als kwaliteit van de primaire watergangen (voor gemeente Harderwijk ook de watergangen in het stedelijk gebied). Voor werkzaamheden op, aan of in nabijheid van watergangen en waterkeringen geldt de Keur en heeft het waterschap algemene regels opgesteld. In het Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 heeft waterschap Vallei en Veluwe tactische doelen geformuleerd. Per jaarplan wordt concreet invulling gegeven aan de daadwerkelijke realisatie van deze doelen. 3.8.7. Keur Waterschap Vallei en Veluwe Op 1 januari 2014 is de nieuwe Keur met de Algemene - en Beleidsregels van Waterschap Vallei en Veluwe in werking getreden. Het waterschap stelt deze regels vast ter behartiging van de waterschapstaak en het bereiken van de doelstelling zoals genoemd in artikel 2.1 van de Waterwet. Alle handelingen in of nabij een waterstaatswerk worden hieraan getoetst. Om zijn taak uit te kunnen oefenen, maakt het waterschap gebruik van de Keur en de Legger.
De Keur is een door het waterschapsbestuur vastgestelde verordening waar gedoogplichten, geboden en verboden in staan. Deze regels gelden voor toestanden en handelingen op en vlakbij waterkeringen, watergangen en kunstwerken zoals duikers. De Legger bevat de ligging
Vastgesteld gemeente Harderwijk – Hierden Dorp - Ooster Mheenweg (fase 2)
26
en maatvoering van waterstaatkundige werken en waterpartijen, alsmede de onderhouds- en beschermingszones. In de Legger wijst het waterschap tevens aan wie het onderhoud van een watergang, dijk of constructie moet uitvoeren. Ook wordt bepaald of er controle (schouw) wordt gedaan. De legger bepaalt samen met de keur welke regels er voor inwoners en gebruikers gelden en wordt daarom door het bestuur van het waterschap gesteld. Het waterschap levert de gemeente deze gegevens aan, teneinde de hoofdwatergangen en waterkeringen, inclusief de onderhouds- en beschermingszone in het bestemmingsplan te regelen en de bouwmogelijkheden, voor zover noodzakelijk, te kunnen regelen. Algemene regels Veel handelingen op en nabij de waterstaatswerken zijn vrijgesteld van de vergunningsplicht. Deze handelingen heeft het waterschap in algemene regels opgenomen. Verantwoordelijkheden ▪ Hemelwater: Een belangrijk principe is dat zoveel mogelijk van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegengegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen.
Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. ▪ Grondwater: Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. ▪ Oppervlaktewater: Het waterschap is verantwoordelijk voor het peilbeheer in regionaal oppervlaktewater. Daarbij heeft het waterschap de taak om het oppervlaktewatersysteem zo in te richten dat er geen inundatie plaatsvindt tot 1 maal per 100 jaar in stedelijk en 1 maal per 10 jaar in landelijk gebied. 3.8.8. Waterplan Harderwijk 2013-2018 Het Waterplan Harderwijk 2013-2018 is op 8 oktober 2013 vastgesteld en is een gezamenlijk plan van de gemeente Harderwijk en Waterschap Vallei en Veluwe. Met dit plan willen beide partijen, samen met burgers, verenigingen en andere betrokkenen, verder werken aan het verbeteren van het water in Harderwijk.
De hoofddoelstelling van het Waterplan Harderwijk is: "In beeld te brengen en uitvoeren van de benodigde maatregelen voor het realiseren en behouden
Vastgesteld gemeente Harderwijk – Hierden Dorp - Ooster Mheenweg (fase 2)
27
van een veilig, veerkrachtig en ecologisch gezond functionerend watersysteem met het oog op een aantrekkelijke en gezonde leefomgeving". In dit Waterplan is onder meer een Kansen- en knelpuntenkaart opgenomen en een Visiekaart. Het plangebied staat op de Kansen en knelpuntenkaart als een gebied dat valt binnen de grondwaterfluctuatiezone. In de grondwaterfluctuatiezone is extra aandacht nodig gezien de in de toekomst te verwachten hogere grondwaterstanden. Verder geldt bij nieuwbouw dat de ontwateringsdiepte ten opzichte van het bouwpeil minimaal 0,7 m moet zijn. 3.8.9. Zuiveringskring Afvalwaterketen Plan WHEP 2016-2020 (ZAP) Het ZAP is een gezamenlijk plan van gemeenten Harderwijk, Ermelo en Putten alsmede Waterschap Vallei en Veluwe en heeft de status van het (wettelijk verplicht) verbreed gemeentelijk rioleringsplan (vGRP). In het plan zijn de volgende beleidsmatige uitgangspunten gedefinieerd voor de wettelijke gemeentelijk zorgplichten stedelijke afvalwater, hemelwater en grondwater: Stedelijk Afvalwater Uitgangspunt voor stedelijk afvalwater zijn de wettelijke verplichtingen Wet milieubeheer art. 10.33. Stedelijk afvalwater bestaat uit huishoudelijk afvalwater of een mengsel daarvan met bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater of ander afvalwater.
De zorgplicht voor stedelijk afvalwater kent in vergelijking met de andere zorgplichten weinig vrijheid: inzamelen, transporteren en zuiveren (door het waterschap) is verplicht. Hemelwater Op het gebied van hemelwater is de belangrijkste opgave de gevolgen van de klimaatverandering op te vangen. We doen dit door aanpassingen van onze systemen en door meer gebruik te gaan maken van de openbare ruimte voor opvang en afvoer van hemelwater. Vanuit de Waterwet artikel 3.5 zijn gemeenten verantwoordelijk voor een doelmatige inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater. Deze verantwoordelijkheid geldt alleen zolang degenen die zich wil ontdoen van hemelwater niet redelijkerwijs de mogelijkheid heeft om het hemelwater zelf in de bodem of op een oppervlaktewater te lozen. Uitgangspunten hierbij zijn: ▪ perceeleigenaar is in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor inzameling en verwerking van hemelwater (infiltratie op eigen terrein).
Indien dit redelijkerwijs niet van de perceeleigenaar kan worden verwacht, zal de gemeente de zorgplicht over moeten nemen; ▪ perceeleigenaren van bestaande bebouwing worden gestimuleerd om hemelwater van de vuilwater riolering af te koppelen; ▪ bij eventuele reconstructie: hemelwater van openbaar gebied afkoppelen van riolering, tenzij dit niet doelmatig blijkt te zijn; ▪ bij eventuele nieuwe grootschalige ontwikkelingen (inbreiding en/of herinrichting): hemelwater in principe bij voorkeur lokaal inzamelen en verwerken (infiltratie of lozing op oppervlak-
Vastgesteld gemeente Harderwijk – Hierden Dorp - Ooster Mheenweg (fase 2)
28
tewater), tenzij dit ondoelmatig blijkt te zijn (bijvoorbeeld bij hoge grondwaterstand of bestaand dicht stedelijk gebied). Om het afstromend hemelwater schoon te houden worden geen uitlogende materialen gebruikt bij de woningbouw en in de openbare ruimte (straatmeubilair en dergelijke). Op nieuwe bouwlocaties zal alleen het huishoudelijk afvalwater worden aangesloten op de gemeentelijke riolering. Voor het hemelwater moet een andere wijze van afvoeren worden gevonden. Hiervoor bestaan in principe twee mogelijkheden, namelijk infiltratie in de bodem en lozing op het oppervlaktewater. Grondwater De bewoner heeft de verplichting om grondwater op eigen terrein te verwerken (Waterwet artikel 3.6). De gemeente heeft een regierol wat inhoudt dat in overleg met degene die overlast ervaart er wordt gekeken naar een mogelijke oplossing. Uitgangspunten hierbij zijn: ▪ de perceeleigenaar: verwerkt grondwater op eigen terrein en zorgt voor een waterdicht pand. ▪ de gemeente: neemt meldingen in ontvangst en zoekt naar een oplossing. ▪ alleen als geen enkele andere partij een oplossing kan of hoeft te bieden, dan neemt de gemeente maatregelen. Er worden alleen maatregelen genomen als sprake is van structurele grondwateroverlast die de gemeente op een doelmatige manier kan oplossen. ▪ het waterschap; neemt peilbesluiten en beïnvloedt hiermee de grondwaterstand.
Vooral buiten de bebouwde kom speelt het waterschap hiermee een belangrijke rol. Ook verleent het waterschap vergunning voor kleinere grondwateronttrekkingen. ▪ de provincie: verleent vergunningen voor grotere industriële grondwateronttrekkingen, onttrekkingen voor de drinkwatervoorziening en onttrekkingen voor een bodemenergiesysteem. Ook werkt de provincie aan natuurontwikkeling. Vooral als ergens sprake is van verdroging zal grondwater voor de provincie een belangrijk onderwerp zijn. Grondwaterneutraal bouwen Voor de bouw van eventuele ondergrondse ruimten (kelders) moet de grondwaterstand gedurende de uitvoeringsperiode mogelijk worden verlaagd. De constructie van de kelder(s) moet zodanig waterdicht worden uitgevoerd dat na de bouw in de gebruiksfase geen (permanente) grondwaterstandverlaging nodig is. Tevens betekent dit ook, dat bij nieuwbouw het vloerpeil (bijvoorbeeld ophogen) of de bouwwijze (bijvoorbeeld kruipruimte loos) moet worden afgestemd op de grondwaterstand, zodat er geen permanente drainage nodig is. Om grondwateroverlast te voorkomen moet er een watertoets worden uitgevoerd. 3.8.10. Watertoets Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van rijk, provincies en gemeenten.
Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en
Vastgesteld gemeente Harderwijk – Hierden Dorp - Ooster Mheenweg (fase 2)
29
uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. In paragraaf 5.4 zijn de resultaten van de watertoets beschreven.
3.9.
Groenbeleid In het Handboek Harderwijks Groen staat het Harderwijkse groenbeleid voor stad, landschap en bos in samenhang met elkaar beschreven. Dit beleidsplan is in december 2007 door de raad van de gemeente Harderwijk vastgesteld. Hoofddoelstelling van beleid is de hoofdstructuur van stedelijk groen (de Groene Mal) in stand te houden en te versterken. Hier zal niet worden gebouwd en worden ontbrekende schakels hersteld. Het groen dient naast belevingswaarde een duidelijke gebruikswaarde te bezitten (sport/spel). Door met bomen de straatprofielen optisch te versmallen werkt beplanting ook snelheidsverlagend, en vormt het een alternatief voor verkeersdrempels en andere obstakels.
3.10. Verkeers- en vervoersbeleid 3.10.1. Verkeer Het verkeers- en vervoersbeleid van de gemeente Harderwijk is opgenomen in het Verkeersstructuurplan (VSP). Het VSP is in december 2010 vastgesteld door de gemeenteraad van Harderwijk en het plan bestaat uit een deel Mobiliteitsvisie (met een doorkijk naar 2030) en een deel Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan. Het VSP geeft aan dat de komende jaren prioriteit wordt gegeven aan het aanpakken van verkeersonveiligheid in algemene zin en verkeersonveilige locaties in het bijzonder en daarnaast het stimuleren van het fietsverkeer in de gemeente Harderwijk. Voor de Hierden zijn vanuit deze prioriteitstelling de wegen rondom de wijk aandachtspunt; er is vooral sprake van verkeersonveiligheid op de kruisingen (rotondes) op deze wegen. Hier vinden veel ongevallen plaats, vooral vanwege de hoge intensiteiten en de relatief hoge snelheden van het autoverkeer in combinatie met de vele overstekende fietsers en voetgangers. In paragraaf 5.7.1 wordt nader op dit onderwerp ingegaan. 3.10.2. Parkeren Op 23 mei 2013 is door de gemeenteraad een Parkeernormennota vastgesteld. Deze Parkeernormennota is een uitwerking van de vastgestelde visie op parkeren in Harderwijk (GVVP). De Parkeernormennota dient tevens als uitbreiding/toevoeging aan de parkeerfondsregeling.
Omdat er geen wettelijke, door de rijksoverheid vastgestelde en voorgeschreven parkeernormen bestaan, heeft de gemeente Harderwijk besloten om de parkeernormen in één document vast te stellen met normen die specifiek toepasbaar zijn voor de situaties binnen de gemeente Harderwijk. Deze parkeernormen worden gebruikt bij het berekenen van de parkeerbehoefte bij voorzieningen als woningen, scholen, winkels, kantoren en bedrijven. Het vaststellen van deze parkeernormen is onder meer voor burgers, projectontwikkelaars en de gemeente Harderwijk zelf van
Vastgesteld gemeente Harderwijk – Hierden Dorp - Ooster Mheenweg (fase 2)
30
belang. Door het vaststellen is het namelijk voor iedere belanghebbende duidelijk en inzichtelijk welke parkeernormen voor een bepaalde functie gehanteerd worden. Hierdoor ontstaat eenduidigheid in het parkeernormenbeleid. In paragraaf 5.7.2 wordt nader op dit onderwerp ingegaan.
Vastgesteld gemeente Harderwijk – Hierden Dorp - Ooster Mheenweg (fase 2)
31
4.
Planbeschrijving
4.1.
Inleiding In dit hoofdstuk wordt de planopzet beschreven voor de belangrijkste beleidsvelden. De beschrijving van de huidige situatie heeft al plaatsgevonden in hoofdstuk twee. Na eerst de uitgangspunten van het plan te vermelden, wordt in dit hoofdstuk stilgestaan bij een aantal nieuwe ontwikkeling. Vervolgens wordt beschreven op welke wijze daarmee in dit bestemmingsplan wordt omgegaan.
4.2.
Uitgangspunten Uitgangspunt van dit bestemmingsplan is een juridisch kader te schetsen voor de realisatie van 7 seniorenwoningen aan de Ooster Mheenweg te Hierden. De stedenbouwkundige opzet vormt een spiegeling van de bebouwing op het perceel ten zuiden van het plangebied. Op dat perceel zijn recent ook 7 seniorenwoningen gerealiseerd. De massa van de bebouwing sluit aan op de erfstructuur die voor de omgeving van het plangebied kenmerkend is. Ook qua groenstructuur en inpassing zal worden aangesloten op de ontwerpprincipes van het perceel ten zuiden van het plangebied. Het groene kader rondom de bebouwing zal worden doorgetrokken, de zichtlijnen naar de open structuur van de akkers blijven behouden en er wordt inheemse beplanting toegepast. Hierdoor zijn de negatieve effecten op het landschap tot een minimum beperkt en draagt de ontwikkeling bij aan het versterken van het landschap. Afbeelding 7: Verkaveling als spiegeling van de bebouwing op het perceel ten zuiden van het plangebied .
Vastgesteld gemeente Harderwijk – Hierden Dorp - Ooster Mheenweg (fase 2)
32
Afbeelding 8: Impressie spiegeling van de bebouwing op het perceel ten zuiden van het plangebied.
4.3.
Gewijzigde bestemmingen in dit bestemmingsplan Het bestemmingsplan Hierden Dorp 2011 is het vigerende bestemmingsplan dat het grootste gedeelte van het dorp beslaat, dat wil zeggen, de bebouwde kom van de kern Hierden. Het doel van het voorliggende bestemmingsplan is om een klein onderdeel van dit vigerende bestemmingsplan te wijzigen. In de voor het nieuwe bestemmingsplan opgestelde regels is rekening gehouden met de kaders die Hierden Dorp 2011 stelt. Artikel 16 van het bestemmingsplan Hierden Dorp gaat in op de bestemming 'Wonen – Dorpsgebied'. De kaders die hierin worden geschetst, komen duidelijk terug in de regels van het nieuwe bestemmingsplan. Deze bestemming zal de huidige geldende bestemming 'Agrarisch' vervangen.
Vastgesteld gemeente Harderwijk – Hierden Dorp - Ooster Mheenweg (fase 2)
33
5.
Onderzoek
5.1.
Algemeen Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt in dit hoofdstuk een beschrijving opgenomen van het verrichte onderzoek naar relevante feiten en af te wegen belangen (artikel 3.2. Algemene wet bestuursrecht). Per onderzoeksaspect wordt een beschrijving gegeven van de situatie ter plaatse.
5.2.
Cultuurhistorie en archeologie
5.2.1. Inleiding Op 1 januari 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening aangepast als uitwerking van het in 2009 door het rijk ingezette beleid Modernisering Monumentenzorg (MoMo). Voor de ruimtelijke ordening betekent dit een omschakeling van een objectgerichte naar omgevingsgerichte benadering. Door deze modernisering moet bij het opstellen van een bestemmingsplan meer rekening worden gehouden met cultuurhistorische waarden. Dit betekent dat naast archeologie, ook een beschrijving moet worden gegeven van de historische (steden)bouwkunde en historische geografie en hoe in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de aanwezige cultuurhistorische waarden. De gemeente Harderwijk hanteert het uitgangspunt dat bij ruimtelijke ingrepen in de bestaande ruimtelijke structuur cultuurhistorische waarden waar mogelijk worden ingepast. Wanneer er geen sprake sprake is van ingrepen in de ruimtelijk structuur (actualisatieplannen), is het uitgangspunt dat cultuurhistorische waarden geen directe reden zijn om bestaande rechten in te perken. 5.2.2. Cultuurhistorie De cultuurhistorische waardenkaart (CHW-kaart) van de provincie Gelderland laat zien welke cultuurhistorische interessante en waardevolle patronen en objecten zich in het plangebied bevinden. Elke tijdsperiode heeft haar weerslag gehad op de vorming van de gebouwde omgeving.
Lijnen, punten en vlakken uit het verleden zijn soms nog afleesbaar in het huidige (dorps)landschap. De CHW-kaart brengt deze cultuurhistorische waardevolle patronen en objecten in beeld. Op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Gelderland zijn in het plangebied geen cultuurhistorische structuren opgenomen. De directe omgeving maakt verder geen deel uit van beschermd stads- of dorpsgezicht en er komt geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing in voor. Er zijn in het plangebied ook geen karakteristieke bouwwerken of andere waardevolle cultuurhistorische elementen, zoals houtwallen of verkavelingspatronen aanwezig. 5.2.3. Monumenten In het plangebied zijn geen beschermde rijks- en/of gemeentelijke monumenten aanwezig. 5.2.4. Archeologie Het plangebied heeft een middelmatige archeologische verwachtingswaarde. Conform het archeologiebeleid van de gemeente Harderwijk geldt in een gebied met een middelmatige archeo-
Vastgesteld gemeente Harderwijk – Hierden Dorp - Ooster Mheenweg (fase 2)
34
logische verwachting de onderzoeksplicht vanaf bodemingrepen groter dan 1.000 m² en dieper dan 0,3 m. Voor de realisatie van de woningen zal de bodemingreep minder zijn dan 1.000 m², archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Afbeelding 7:Uitsnede archeologische beleidskaart.
5.3.
Ecologie Wet natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet vervangt drie wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Het doel van de wet is het behouden en herstellen van de natuur. Het is belangrijk voor de natuur dat er veel verschillende planten- en diersoorten zijn. Sommige soorten zijn kwetsbaar. Een goede natuurbescherming is belangrijk. Wanneer het met de natuur goed gaat, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten. De wet kent twee soorten bescherming: gebiedsbescherming en soortenbescherming. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een natuurtoets1 uitgevoerd om in beeld te brengen welke effecten de ontwikkeling om de natuur heeft. Gebiedsbescherming ▪ Natura 2000 Binnen de Wet natuurbescherming zijn de Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden en vormt daarmee de basis voor het Europees beleid voor behoud en herstel van biodiversiteit. Natura 2000 is niet alleen ter be-
1
Ecogroen., Natuurtoets, 21-271, Zwolle, 28 mei 2021
Vastgesteld gemeente Harderwijk – Hierden Dorp - Ooster Mheenweg (fase 2)
35
scherming van gebieden, maar draagt ook bij aan soortenbescherming. Natura 2000 omvat alle gebieden die zijn beschermd op grond van de Vogel- en Habitatrichtlijn. Per Natura 2000gebied zijn instandhoudingsdoelen geformuleerd. Voor de Natura 2000-gebieden geldt ook de zogenaamde externe werking. Dit betekent dat ook gekeken moet worden of er negatieve effecten zijn van ontwikkelingen die plaatsvinden buiten de begrenzing van het Natura 2000gebieden maar die toch van invloed kunnen zijn op dit gebied. ▪ Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone Om de biodiversiteit nu en voor toekomstige generaties Gelderlanders veilig te stellen, beschermt de provincie het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Het GNN is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang. De Groene Ontwikkelingszone (GO) bestaat uit terreinen met een andere bestemming dan bos of natuur die ruimtelijk vervlochten zijn met het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Het gaat vooral om landbouwgrond, maar ook om terreinen voor verblijfs- en dagrecreatie, infrastructuur, woningen en bedrijven. De GO heeft een dubbele doelstelling. Er is ruimte voor verdere economische ontwikkeling in combinatie met een (substantiële) versterking van de samenhang tussen aangrenzende en inliggende natuurgebieden..
De provincie nodigt de Gelderse samenleving uit om in de GO initiatieven te ontwikkelen die bijdragen aan de realisatie van deze dubbele doelstelling. Vanwege de dubbele doelstelling is er in de GO ruimte voor nieuwe ontwikkelingen en voor een uitbreiding van bestaande bedrijven, woningen en bouwwerken en andere functies. Uit de natuurtoets blijkt dat: ▪ De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn 'Veluwerandmeren' en 'Veluwe', gelegen op een afstand van respectievelijk 1,5 en 1,6 kilometer van het plangebied. Vanwege deze afstand worden negatieve effecten op Natura 2000-gebieden, met uitzondering van stikstofdepositie, uitgesloten. ▪ Het plangebied ligt op circa 760 meter afstand van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Gezien deze afstand, de tussenliggende bebouwing en infrastructuur en de aard van de plannen worden negatieve effecten op het NNN uitgesloten. ▪ Effecten op belangrijke weidevogelgebieden en ganzenrustgebieden zijn gezien de ruime afstand (>6 km) uitgesloten. ▪ De Wet- en regelgeving omtrent de bescherming van gebieden staat vaststelling van het plan voor het onderdeel gebiedsbescherming niet in de weg. Vervolgstappen zoals een vergunningaanvraag zijn niet nodig. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen.
Met de op 1 juli 2021 in werking getreden Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering is een Aeriusberekening niet meer noodzakelijk bij bouw-, en sloopwerkzaamheden van-
Vastgesteld gemeente Harderwijk – Hierden Dorp - Ooster Mheenweg (fase 2)
36
wege de tijdelijke aard. Om deze reden is alleen voor de gebruiksfase een berekening gemaakt. Derhalve is alleen een stikstofberekening uitgevoerd voor gebruiksfase 2. Daarbij is uitgegaan van 8,2 en 7,8 autobewegingen per woning per etmaal voor respectievelijk de twee-aaneengebouwde en de rijwoningen. Deze vervoersbewegingen zullen aan de Zuiderzeestraatweg opgaan in het heersende verkeersbeeld. Uit de berekeningen blijkt dat in de gebruiksfase de depositiewaarde niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Derhalve vormt stikstofdepositie geen belemmering voor de planontwikkeling. Soortenbescherming De soortenbescherming in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van dier- en plantensoorten. In grote lijnen blijft de bescherming gelijk aan de oude Flora- en Faunawet. Het doel van deze wet is het in stand houden en beschermen van in het wild voorkomende dier- en plantensoorten. De wet hanteert het 'nee, tenzij'-principe. Dit betekent dat alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten in principe verboden zijn. Alleen onder strikte voorwaarden zijn afwijkingen van de verbodsbepalingen mogelijk. Hiervoor moet een ontheffing worden aangevraagd bij de provincie. De aanvraag moet onderbouwd worden met een onderzoek naar het voorkomen van en de effecten op beschermde soorten.
In de nieuwe wet is daarnaast een zogenaamde 'algemene zorgplicht' opgenomen. De zorgplicht is van toepassing op alle planten en dieren, ongeacht of ze wettelijk beschermd zijn. De zorgplicht houdt in dat er bij ingrepen, zoals bouwactiviteiten, altijd zorgvuldig moet worden omgegaan met aanwezige planten en dieren. Schadelijke activiteiten moeten zoveel mogelijk worden voorkomen. Uit de natuurtoets blijkt dat: ▪ Op korte afstand (300 meter) ten zuidwesten van het plangebied is een nestpaal voor ooievaars aanwezig. Ooievaars hebben een hoge tolerantie en zijn weinig kwetsbaar voor verstoring. De beoogde invulling met woningen heeft een weinig verstorend karakter. Er is zodoende geen sprake van negatief effect op de functionaliteit van de nestlocatie. ▪ Gedurende de broedtijd zijn diverse algemene vogels broedend te verwachten in en in de directe omgeving van het plangebied. ▪ In het plangebied zijn geen beschermde flora, zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden aangetroffen of te verwachten, uitgezonderd soorten waarvoor in de provincie Gelderland vrijstelling van ontheffingsplicht geldt. Vervolgstappen zijn voor deze soortgroepen niet aan de orde. ▪ Het onderdeel 'soortbescherming' van de Wnb staat de wijziging van de bestemming niet in de weg.
2
buRO - bureau voor ruimtelijke ordening B.V., Berekening Aeriuscalculator Bestemmingsplan Ooster Mheenweg 7 Hierden – Verkeer in gebruiksfase, Aeriuskenmerk RoC8nNyUUj54, Amersfoort, 14 juli 2021
Vastgesteld gemeente Harderwijk – Hierden Dorp - Ooster Mheenweg (fase 2)
37
Opgemerkt wordt dat werkzaamheden die broedbiotopen van aanwezige vogels beschadigen dienen te allen tijde te worden voorkomen. Uitvoering van de werkzaamheden dient zoveel mogelijk buiten het broedseizoen plaats te vinden. Voor het broedseizoen wordt geen standaard periode gehanteerd, maar is het van belang of een broedgeval wordt verstoord, ongeacht de datum. Voor de meeste soorten kan de periode tussen 1 maart en 15 juli worden aangehouden als broedseizoen. Indien werkzaamheden in de periode half februari tot half december worden opgestart, wordt geadviseerd om voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcontrole door een ter zake deskundige uit te laten voeren.
5.4.
Watertoets Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient in de toelichting op ruimtelijke plannen, een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin staat de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan op de waterhuishouding. In die paragraaf dient uiteengezet te worden of en in welke mate het plan gevolgen heeft voor de waterhuishouding (waaronder grondwater en waterveiligheid). Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets: 'het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren (door de waterbeheerder), afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten'. Op 1 juli 2021 is de watertoets3 ingevuld waaruit blijkt dat in het plangebied liggen geen belangrijke oppervlaktewateren (zogenaamde primaire of A- watergangen), waterkeringen of gebieden die zijn aangewezen voor regionale waterberging aanwezig zijn. Dit betekent dat dit plan geen essentiële waterbelangen raakt. Op basis daarvan wordt door het waterschap voor het onderhavige plan een positief wateradvies gegeven. Aandachtspunten Voor de verdere uitwerking en concretisering van de beoogde ontwikkeling, geeft het waterschap aan dat rekening gehouden moet worden met een aantal algemene en gebiedsspecifieke aandachtspunten voor water.
Algemene aandachtspunten ▪ Vasthouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap.
3
Waterschap Vallei en Veluwe, 20210701-10-27002, 1 juli 2021
Vastgesteld gemeente Harderwijk – Hierden Dorp - Ooster Mheenweg (fase 2)
38
▪ Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. ▪ Schoon houden - scheiden - schoon maken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen of randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. Initiatiefnemer wordt gevraagd om duurzame bouwmaterialen te gebruiken. Gebiedsspecifieke aandachtspunten ▪ Grondwaterfluctuatiezone Het plangebied ligt in de grondwaterfluctuatiezone, zoals die door de Provincie Gelderland is bepaald. Dit is een zone langs de flanken van het Veluwemassief, waar de grondwaterstanden naar verwachting op termijn zullen stijgen.
Afhankelijk van de verwachtte stijging kan het raadzaam zijn daar nu rekening mee te houden, om toekomstig grondwateroverlast te voorkomen. Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen gelden de algemene uitgangspunten die in het waterbeleid zijn beschreven (zie paragraaf 3.8). De gemeente Harderwijk adviseert een minimale afstand van 70 cm aan te houden tussen de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) en maaiveld. Volgens door de gemeente Harderwijk verstrekte gegevens bedraagt de GHG op de beoogde ontwikkellocatie circa 2,5 meter boven NAP. De hoogte van het maaiveld bevindt zich op 3,4 meter boven NAP (bron: AHN). Het verschil tussen GHG en maaiveld is 90 cm wat betekent dat het maaiveld in principe niet opgehoogd hoeft te worden. Het bouwpeil komt echter op circa 3,7 meter boven NAP te liggen. Dit maakt de marge nog groter. Het huishoudelijk afvalwater van de woningen zal geloosd worden op het gemeentelijke riool. Het hemelwater wordt afgekoppeld van het rioolsysteem en lokaal verzameld en verwerkt. Uitgaande van een oppervlakte aan verharding van 1376 m² en het vasthouden van 60 mm regenwater per m² aan verharding, betekent dit dat er een infiltratiecapaciteit van 82,6 m3 in het plangebied gerealiseerd moet worden. Dit wordt gerealiseerd door het toepassen van infiltratiekratten.
Die kratten kunnen (een deel van) het hemelwater vasthouden en er komt groen op het perceel, wat voor natuurlijke afstroom van hemelwater zorgt. Conclusie Het bestemmingsplan is in overeenstemming met het waterbeleid.
Vastgesteld gemeente Harderwijk – Hierden Dorp - Ooster Mheenweg (fase 2)
39
5.5.
Milieu
5.5.1. Inleiding Deze paragraaf komen de relevante milieu- en omgevingsaspecten aan bod. Het betreffen hier de randvoorwaarden en beperkingen die voorkomen uit het beleid en wetgeving op het gebied van: geluid (Wet geluidhinder), luchtkwaliteit (Wet luchtkwaliteit), bodem (Wet bodembescherming), bedrijvigheid (Wet milieubeheer) en externe veiligheid (BRZO, REVI, Bevi, Wet milieubeheer). 5.5.2. Geluidhinder De mate waarin geluid, veroorzaakt door het wegverkeer en/of door een industrieterrein, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder. In de Wet geluidhinder zijn normen opgenomen voor de toelaatbare geluidbelasting als gevolg van de verschillende geluidbronnen. De Wgh maakt een onderscheid tussen de voorkeursgrenswaarde en de hoogst toelaatbare geluidbelasting. Wanneer de geluidbelasting onder de voorkeursgrenswaarde valt, worden de effecten van geluid zonder meer toelaatbaar geacht. Indien de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden, maar de geluidbelasting de ten hoogste toelaatbare geluidwaarde niet te boven gaat, is de overschrijding na een afweging, toelaatbaar. De voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai is 48 dB en de ten hoogst toelaatbare waarde is 63 dB, voor binnenstedelijk gebied. De voorkeursgrenswaarde vanwege een gezoneerd industrieterrein is 50 dB(A) en de ten hoogst toelaatbare waarde is 55 dB(A).
Wegverkeerslawaai Verkeerswegen hebben volgens de Wet geluidhinder aan weerszijden zones. Een zone kan, afhankelijk van de situatie, een breedte hebben van 100 tot 600 m. Binnen deze wettelijke zones geldt het grenswaardensysteem van de Wgh voor het toetsen van geluidsgevoelige bestemmingen zoals woningen. Akoestisch onderzoek is noodzakelijk, wanneer dergelijke bestemmingen nieuw in de wettelijke zones worden geprojecteerd. Ten behoeve van het bestemmingsplan 'Hierden Dorp - Ooster Mheenweg” is akoestisch onderzoek4 uitgevoerd waaruit blijkt dat de geluidsbelasting als gevolg van de Zuiderzeestraatweg ruim onder de voorkeursgrenswaarde ligt. De geluidsbelasting op de gevels van de te bouwen woningen ten gevolge van het verkeer op de zoneplichtige weg (de Zuiderzeestraatweg) bedraagt maximaal 41 dB. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee niet overschreden. Met betrekking tot de gecumuleerde geluidsbelasting is de milieukwaliteit te classificeren als 'goed' ter plaatse van de gevels. De Gezondheidseffectscreening score (GES) is 1. Hiermee wordt voldaan aan de ambitie van de gemeente Harderwijk. Het plangebied horende bij dit bestemmingsplan ligt nog verder van die Zuiderzeestraatweg. Logischerwijs is de geluidsbelasting daardoor nog lager. Het wegverkeerslawaai vormt derhalve geen belemmering voor het nieuwe bestemmingsplan.
4
BVA Verkeersadviezen, Woningbouw Ooster Mheenweg Hierden, 18032, Zwolle, juli 2018
Vastgesteld gemeente Harderwijk – Hierden Dorp - Ooster Mheenweg (fase 2)
40
Spoorweglawaai Het plangebied ligt niet in de geluidszone van het dichtstbijzijnde spoorweg Amersfoort - Zwolle. Het spoorweglawaai vormt derhalve geen belemmering voor het nieuwe bestemmingsplan Industrielawaai Het plangebied ligt niet in de geluidszone van een bedrijventerrein. Het industrielawaai vormt derhalve geen belemmering voor het nieuwe bestemmingsplan. 5.5.3. Luchtkwaliteit De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet Milieubeheer hoofdstuk 5, titel 2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit, waarin ter bescherming van mens en milieu onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht (o.a. fijn stof en stikstofdioxide) zijn vastgesteld. De wet stelt bij een (dreigende) grenswaardenoverschrijding aanvullende eisen en beperkingen voor ruimtelijke plannen die "in betekenende mate" (IBM) leiden tot verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarnaast moet uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening afgewogen worden of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij speelt de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol, ook als het plan "niet in betekenende mate" (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
Naast de Wet luchtkwaliteit heeft de gemeente Harderwijk aanvullend beleid vastgesteld met betrekking tot projecteren van gevoelige bestemmingen op minder dan 300 meter van een rijksweg en 50 meter van een provinciale weg. Doel van dit beleid is om kwetsbare groepen, zoals kinderen, astmapatienten en ouderen, zoveel mogelijk te beschermen tegen ongezonde lucht. Deze groepen hebben een verhoogde gevoeligheid voor luchtverontreiniging. Het beleid bepaalt dat nieuwe scholen (basisonderwijs, voorgezet onderwijs of overig onderwijs aan minderjarigen), kinderdagverblijven, bejaarden-, verzorgings- en verpleeghuizen niet meer binnen 50 meter vanaf de provinciale weg en 300 meter van een rijksweg gebouwd mogen. Op grond van de Wet Luchtkwaliteit worden er binnen het plangebied wel/geen grenswaarden overschreden ook zijn er wel/geen dreigende grenswaardenoverschrijdingen. Het plangebied ligt niet binnen de 50-meter contour van de N302 en ook niet binnen de 300-meter contour van de A28. Binnen 50 meter mogen geen gevoelige bestemmingen worden geprojecteerd. De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van 7 woningen en blijft daarmee ver onder de 1.500 waarmee het plan niet in betekenende mate bijdragt tot verslechtering van de luchtkwaliteit.
Op basis van artikel 5.16, lid 1 onder a van de Wet milieubeheer (Wm) kan gesteld worden dat de luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. 5.5.4. Bodemkwaliteit Ten aanzien van de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffen-
Vastgesteld gemeente Harderwijk – Hierden Dorp - Ooster Mheenweg (fase 2)
41
de gebied inzichtelijk worden gemaakt. Hierbij is van belang te weten of er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, of er gezondheidsrisico's of ecologische risico's daardoor zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen. Hiervoor is wettelijk verplichte informatie over de bodemkwaliteit nodig. Er is een verkennend en nader bodemonderzoek 5 uitgevoerd. Verkennend bodemonderzoek Op basis van de resultaten van het uitgevoerde vooronderzoek is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onverdacht is ten aanzien van bodemverontreiniging. De opzet van het bodemonderzoek is gebaseerd op de onderzoeksstrategie voor een onverdachte nietlijnvormige locatie (ONV-NL). Geconcludeerd wordt dat de hypothese 'onverdachte locatie' geen stand houdt. In één mengmonster van de bovengrond is een matig verhoogd gehalte koper aangetoond. Verder zijn in de bovengrond diverse licht verhoogde gehalten aangetoond. In de ondergrond (>0,5 m-mv) zijn geen verhoogde gehalten aangetoond. Uit separate analyse van de deelmonsters van mengmonster blijkt dat in de bovengrond (0,0 – 0,5 m-mv) ter plaatse van boringen twee boringen matig verhoogde gehalten koper zijn aangetoond. In het grondwater zijn tijdens het verkennend bodemonderzoek sterk verhoogde gehalten nikkel en zink aangetoond. Daarnaast zijn matig verhoogde gehalten barium en cadmium aangetoond.
Verder is een licht verhoogd gehalte kobalt aangetoond. Na herbemonstering blijkt uit de analyseresultaten dat nogmaals sterk verhoogde gehalten nikkel en zink zijn aangetoond. Kobalt is echter bij de herbemonstering eveneens in een sterk verhoogd gehalte aangetoond. Barium en cadmium zijn niet meer in matig verhoogde gehalten aangetoond. Tijdens het historisch onderzoek zijn voor deze matig en sterk verhoogde gehalten geen specifieke bronnen naar voren gekomen. Ook zijn tijdens het veldwerk in en rond het grondwaterniveau geen waarnemingen gedaan die kunnen duiden op een verontreiniging in het grondwater. Mede gezien de fluctuatie van de gehalten wordt verwacht dat het van nature voorkomende gehalten zijn. Aangezien in de grond geen bijmeningen zijn aangetroffen, is de locatie onverdacht ten aanzien van asbesthoudende materialen in de bodem en wordt een asbest in grondonderzoek niet noodzakelijk geacht. Nader onderzoek Ter plaatse van twee boringen zijn matig verhoogde gehalten koper aangetoond en een aanvullend onderzoek is wenselijk geacht. Op basis van de vooraf bekende informatie is volgende NTA 5755 vooraf een inschatting gemaakt van de verontreinigingssituatie en zijn onderzoeksvragen geformuleerd, het zogenaamde 'conceptueel model'. Na uitvoering van het onderzoek is het 'conceptueel model' bijgewerkt en wordt het volgende geconcludeerd:
5
PJ Milieu BV., Verkennend en nader bodemonderzoek, 21008601A, Putten, 1 april 2021
Vastgesteld gemeente Harderwijk – Hierden Dorp - Ooster Mheenweg (fase 2)
42
1. analytisch zijn in de grond licht tot matig verhoogde gehalten koper aangetoond. Één maal is ter plaatse van één boring in bodemtraject 0,0 – 0,5 m-mv een sterk verhoogd gehalte koper (120 mg/kg d.s.) aangetoond; 2. binnen de onderzoekslocatie zijn matig tot sterk verhoogde gehalten koper aanwezig over een oppervlakte van circa 530 m² tot een diepte van 0,5 m-mv. De totale omvang van de verontreiniging bedraagt hiermee circa 265 m3. Hiervan is circa 15 m3 sterk verontreinigd; 3. het betreft een historisch geval van niet ernstige bodemverontreiniging in de zin van de Wet Bodembescherming. Er is derhalve geen sprake van spoedeisendheid. Uit het verkennend en nader bodemonderzoek blijkt dat buiten het sterk verhoogd gehalte koper de gehele bovengrond niet voldoet aan de indicatieve bodemkwaliteitsklasse Wonen. Deze bovengrond wordt indicatief ingedeeld in klasse Industrie. Aanbevelingen De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding om aanvullend of nader onderzoek (incl. asbest) te adviseren. Aanbevolen wordt de circa 15m³ verontreiniging met koper ter plaatse van één van de boringen (0,0 – 0,5 m-mv) door middel van een beknopt plan van aanpak voorafgaand aan werkzaamheden te saneren. Indien wordt overgegaan tot sanering kan een beknopt saneringsplan te worden opgesteld. Dit dient goedgekeurd te zijn door het bevoegde gezag (Gemeente Harderwijk/Omgevingsdienst Noord-Veluwe).
Werkzaamheden dienen conform de veiligheidseisen van de CROW 400 uitgevoerd te worden. Het onderzoek is onder Kwalibo (een onderdeel van het Besluit bodemkwaliteit) uitgevoerd. Het betreft echter geen partijkeuring. Bij afvoer van grond of verhardingsmaterialen van de locatie kan er sprake zijn van verwerkingskosten. Door derden kan, ongeacht de resultaten van dit bodemonderzoek, een keuring van de af te voeren partij verlangd worden. 5.5.5. Geur Geur in de leefomgeving is grotendeels afkomstig van bedrijvigheid. Elke geur kan boven een bepaalde concentratie hinder veroorzaken. Om hinder van agrarische bedrijven te voorkomen is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) van toepassing. De wet regelt onderlinge afstanden tussen geurgevoelige functies, zoals woningen, recreatieobjecten en agrarische bedrijvigheid. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object.
Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de be-
Vastgesteld gemeente Harderwijk – Hierden Dorp - Ooster Mheenweg (fase 2)
43
bouwde kom niet meer dan 3 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odeur units per kubieke meter lucht. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ▪ ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ▪ ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Binnen een straal van 100 meter rondom het plangebied bevinden zich geen veehouderijen en in de verdere directe omgeving van het plangebied bevinden zich ook geen intensieve veehouderijen. Geurhinder afkomstig van veehouderijen is daarmee niet aan de orde. Echter is het zo dat Hierden een dorp is met een agrarisch karakter. Het kan voorkomen dat in dergelijke dorpen soms geuren worden geroken die als onprettig ervaren kunnen worden. De beoogde ontwikkellocatie ligt in de buurt van agrarisch gebied en zal dus af en toe te maken hebben met deze geuren. Er bevinden zich echter dusdanig veel woningen in de buurt van de te ontwikkelen locatie dat er mag worden aangenomen dat geur geen belemmerende factor vormt voor het woongenot.
Het milieuaspect geurhinder vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan. 5.5.6. Externe veiligheid Inleiding Activiteiten met gevaarlijke stoffen brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om de productie, opslag en gebruik van gevaarlijke stoffen (bijvoorbeeld ammoniak en LPG) en het transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor en door buisleidingen. Deze activiteiten leggen beperkingen op aan de omgeving omdat veiligheidsafstanden tussen risicovolle activiteiten en (beperkt) kwetsbare objecten nodig zijn. Externe veiligheid kent twee belangrijke toetsingscriteria waarmee het risico gekwantificeerd kan worden: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Beide risico's zijn gebaseerd op een kansbenadering en zijn niet effectgericht. Dat betekent dat de gevolgen van een ongeval met gevaarlijke stoffen merkbaar zijn buiten de afstanden die gelden voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg).
Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling
Vastgesteld gemeente Harderwijk – Hierden Dorp - Ooster Mheenweg (fase 2)
44
Basisnet. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de ris co's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen. Beleidsvisie externe veiligheid In april 2014 is de Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. Uitgangspunt van deze beleidsvisie is de toepassing van verschillende restrictieniveaus voor het al dan niet toestaan van risicovolle bedrijven op bedrijventerreinen. Elk bedrijventerrein is gekoppeld aan een restrictieniveau. Nieuwe risicobedrijven die onder het Bevi vallen worden dus niet per definitie uitgesloten, maar dit is wel als restrictieniveau opgenomen. Het oprichten van nieuwe risicovolle bedrijven buiten bedrijventerreinen wordt tevens niet per definitie uitgesloten, al moet wel rekening worden gehouden met een optimale ruimtelijke ordening en veiligheid. Toetsing ▪ Stationaire bronnen In de buurt van het plangebied bevindt zich een wellnesscomplex met een opslag voor gevaarlijke stoffen. Dit is op navolgende afbeelding weergegeven. Het plangebied valt echter niet binnen het invloedsgebied van deze stationaire bron.
Er zijn dan ook geen belemmeringen voor het plan. Afbeelding 4: Uitsnede risicokaart.
▪ Mobiele bronnen (route gevaarlijke stoffen) Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied groepsrisico van de spoorlijn Zwolle – Amersfoort, op een afstand van ongeveer 1.650 meter. Gezien de ligging van de spoorlijn op meer dan 200 meter van het plangebied volstaat een 'beperkte' verantwoording van het groepsrisico.
Vastgesteld gemeente Harderwijk – Hierden Dorp - Ooster Mheenweg (fase 2)
45
Beperkte verantwoording groepsrisico Op basis van het Bevt dient voor een ruimtelijk besluit buiten de 200 meter vanaf de transportroute ingegaan te worden op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater. De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet. Dit is alleen van toepassing op nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten. Daarnaast stelt het Bevt dat de Veiligheidsregio in de gelegenheid gesteld moet worden om advies uit te kunnen brengen over de mogelijkheden van de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Uit de notitie 'VGR voor standaard externe veiligheidssituaties' 4 blijkt dat wanneer een ruimtelijk besluit buiten de 200 meter zone van een transportroute ligt en het besluit geen objecten toestaat voor verminderd zelfredzame personen, er sprake is van een standaard externe veiligheidssituatie. Voor deze situaties wordt de onderstaande verantwoording van het groepsrisico gehanteerd. ▪ Maatgevende scenario's De maatgevende scenario´s voor de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid waarbij het plangebied binnen het invloedsgebied van brandbare gassen en toxische vloeistoffen/gassen ligt is een wolkbrandexplosie en een toxische wolk.
Onderstaand is vanuit deze scenario's ingegaan op de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om effecten ten gevolge van het incident te beperken of te voorkomen. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. Eventuele secundaire branden in het plangebied kunnen met behulp van de primaire bluswatervoorzieningen worden bestreden door de brandweer. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen Bij een calamiteit is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij een incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij een scenario waarin toxische stoffen vrijkomen, is het advies om te schuilen in een gebouw, waarvan ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. Bij een wolkbrandexplosie scenario is het advies om te vluchten van de risicobron af.
Conclusie verantwoording groepsrisico Op basis van de hierboven genoemde overwegingen kan worden geconcludeerd dat er voldoende mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid zijn. Dit betekent dat er geen nadere eisen aan het plan worden gesteld in het kader van het milieuaspect externe veiligheid. Conclusie externe veiligheid Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
Vastgesteld gemeente Harderwijk – Hierden Dorp - Ooster Mheenweg (fase 2)
46
5.5.7. Bedrijven en milieuzonering Om bedrijfsvestigingen te kunnen toetsen op milieuhygiënische aspecten wordt het instrument milieu-zonering gehanteerd. Hieronder wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds hindergevoelige functies, zoals woningen. Algemeen wordt hiervoor de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten gebruikt. Hierin zijn aan bedrijven milieucategorieën toegekend. Per bedrijf is aangegeven wat de gewenste afstand is tot een rustige woonwijk. Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. De feitelijke emissies (geluid, geur, stof et cetera) van een bedrijf kunnen aanleiding zijn om een andere afstand aan te houden. In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' wordt een tweetal gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Het onderhavige bestemmingsplan ziet niet op een inrichting als bedoeld in de Wet milieubeheer (Wm). In de directe omgeving van de onderhavige locatie zijn geen bedrijven gelegen die noemenswaardige milieubelasting veroorzaken in de omgeving.