CConstaterende datHarderwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

3a. TOE_Stadsweiden - Randmeer_ontwerp_20-09-2023

Commissie Stad & Omgeving 4 april 2024, gemeente HarderwijkBij agendapunt: 19.45 uur Bestemmingsplan Stadsweiden - Randmeer en besluit hogere grenswaarden Randmeer18.981 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

In het plan zijn deze programma’s verder uitgewerkt in maatregelen, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Dit heeft geleid tot een integrale visie op de ontwikkeling van de provincie Gelderland. In de Omgevingsverordening is onder andere regelgeving opgenomen voor de regionale en primaire waterkeringen. Voor bestemmingsplannen c.q. wijzigingsplannen zijn randvoorwaarden opgenomen die een onbelemmerde werking, instandhouding en het onderhoud van de primaire en regionale waterkeringen mogelijk maken, Dit geldt voor de beschermingszone en de kernzone die hoort bij de waterkeringen zoals opgenomen in de vastgestelde leggers van de waterschappen. Beleid Waterschap Vallei en Veluwe - Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027 Vallei en Veluwe Op 22 november 2021 is het blauw omgevingsprogramma (BOP) van waterschap Vallei en Veluwe vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende vier programma’s:  Waterveiligheid: Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem.  Watersysteem: Dit programma draait om een goed functionerend watersysteem s: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar.

Daarbij let het waterschap onder ander op kwaliteit van het water en de verbinding met andere instellingen.  Wonen en zuiveren: In het programma ‘Wonen en zuiveren’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Verder vormt een waterinclusieve bebouwde omgeving een speerpunt.  Circulaire economie: Afvalvermindering, slim hergebruik en optimalisatie van de verschillende installaties zijn voorbeelden van opgaven.  Energietransitie: Het waterschap wil een proactieve rol innemen in de energietransitie. Dat vraagt om een duurzame opwekking van de energie of het tegengaan van verspilling in de processen. Deze thema’s worden in het vervolg van het document verfijnd uitgewerkt per deelgebied, waarmee de doelstellingen inzichtelijker worden weergegeven. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het BOP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; verordening, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen.

26

bestemmingsplan Stadsweiden - Randmeer (ontwerp) NL.IMRO.0243.BP00263-0001 5.4.2 Toetsing Voor het onderhavig plan is de digitale watertoets7 doorlopen. Uit de digitale watertoets volgt dat het plan onder de normale procedure valt. Voor het verdere proces is het daarmee van belang het waterschap te betrekken bij het plan. De ontwikkeling vindt plaats op een perceel waar reeds bebouwing en verharding aanwezig is. Door het toedoen van het onderhavige plan zal het aandeel verharding niet tot nauwelijks toenemen. Ook de watergang, welke het plangebied omzoomd aan noord- en westzijde, wordt niet aangepast c.q. gedempt door toedoen van onderhavige ontwikkeling. Dit tezamen maakt dat het voorliggende plan geen belemmeringen veroorzaakt voor de waterhuishouding en waterberging. Desalniettemin wordt rekening gehouden met waterberging. In de inrichting van de buitenruimte zijn vlakken met beplanting aangegeven, die aansluitend op de behoefte aan opvang van hemelwater verdiept kunnen worden aangelegd. Bij extreme regenval kan overstort plaatsvinden naar de aangrenzende watergang. Navolgende afbeelding toont de plantvakken welke gebruikt kunnen worden als hemelwateropvang.

Impressie reservering hemelwateropvang (bron: Peters & Lammerink Architecten) Verder dient rekening gehouden te worden met de volgende algemene aandachtspunten: Vasthouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap.

27

bestemmingsplan Stadsweiden - Randmeer (ontwerp) NL.IMRO.0243.BP00263-0001 Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. Schoon houden - scheiden - schoon maken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen / randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. Het waterschap vraagt de initiatiefnemer om duurzame bouwmaterialen te gebruiken. Leggerwatergang In de Keur en op de Legger van het waterschap is informatie vastgelegd over de bestaande watergangen. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van de Legger Watersysteem van het Waterschap Vallei en Veluwe weergegeven.

Hierop is af te lezen dat het plangebied wordt begrensd door een A-watergang (zie onderstaande afbeelding). Het waterschap benadrukt dat het van belang is dat ruimtelijke ontwikkelingen geen negatieve invloed hebben op de aan- en afvoerfunctie van de watergang en de watergang bereikbaar moet blijven voor onderhoud. Om A- en B-watergangen te kunnen onderhouden, moet er bijvoorbeeld een vrije ruimte (onderhoudsstrook) van minimaal 5 meter aan één of beide kanten (afhankelijk van breedte watergang) van de watergang beschikbaar zijn. Voorliggend plan belemmert de functie van de watergangen niet en laat voldoende ruimte voor onderhoudswerkzaamheden over.

28

bestemmingsplan Stadsweiden - Randmeer (ontwerp) NL.IMRO.0243.BP00263-0001 5.4.3 Conclusie Met inachtneming van het voorgaande vormt het aspect water geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

5.5

Milieu

5.5.1 Inleiding In dit hoofdstuk komen de relevante milieu- en omgevingsaspecten aan bod. Het betreffen hier de randvoorwaarden en beperkingen die voorkomen uit het beleid en wetgeving op het gebied van: geluid (Wet geluidhinder), luchtkwaliteit (Wet luchtkwaliteit), bodem (Wet bodembescherming), bedrijvigheid (Wet milieubeheer) en externe veiligheid (BRZO, REVI, Bevi, Wet milieubeheer). Dit bestemmingsplan is een ontwikkelingsgericht plan. Deze ontwikkeling moet worden getoetst aan de haalbaarheidsaspecten.

5.5.2 Geluidhinder Regelgeving De mate waarin het geluid onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het bestemmingsplan moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een woning, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Wegen met een maximale snelheid van 30 km/uur zijn uitgesloten van akoestisch onderzoek. Toetsing Door SAB is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd 8. In de navolgende afbeelding zijn de bouwvlakken weergegeven. Op basis van dit onderzoek, waarbij is getoetst op de randen van de bouwvlakken (waaronder het reeds bestaande gebouw E waarvoor een functiewijziging zal gelden), kunnen de volgende conclusies worden getrokken :

29

bestemmingsplan Stadsweiden - Randmeer (ontwerp) NL.IMRO.0243.BP00263-0001 Westeinde De geluidbelasting vanwege de gezoneerde weg Westeinde bedraagt maximaal 59 dB inclusief aftrek ex. 110g Wgh voor gebouwen A en B. Voor de gebouwen C en D bedraagt de maximale geluidbelasting respectievelijk 58 dB en 49 dB. Voor het bestaande gebouw E bedraagt de geluidbelasting maximaal 57 dB. De maximale geluidbelastingen per gebouw zijn hoger dan de voorkeursgrenswaarde, maar lager dan de maximale ontheffingswaarde. De hoogste overschrijdingen vinden plaats voor de (beoogde) appartementen direct grenzend aan de Westeinde. Voor alle gebouwen zijn echter ook gevelgeluidbelastingen waarneembaar die die voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschrijden. Het akoestisch klimaat kan voor het gehele plan kan, conform de Gezondheid effect screening vanuit het gemeentelijk beleid, worden gekwalificeerd als zeer goed – zeer matig. Bron- en overdrachtsmaatregelen zijn onderzocht, maar stuiten op bezwaren van financiële, landschappelijke, civieltechnische en stedenbouwkundige aard. Een hogere waarde procedure dient te worden doorlopen conform onderstaande tabel. Voor het (reeds bestaande) gebouw dient vanwege een functiewijzing een hogere grenswaarde te worden aangevraagd van 57 dB als gevolg van de Westeinde.

Omliggende 30 km/uur wegen Als gevolg van de 30 km/uur weg Plantage vinden er overschrijdingen plaats van de gehanteerde voorkeursgrenswaarde van 48 dB bij de beoogde woningen van gebouw A, direct grenzend aan de Plantage. Voor alle overige gebouwen vinden er geen overschrijdingen plaats. Bron- en overdrachtsmaatregelen zijn onderzocht, maar stuiten op bezwaren van financiële, landschappelijke, civieltechnische en stedenbouwkundige aard. Een hogere grenswaarde aanvraag procedure is niet van toepassing gezien de Plantage, een volgens de Wgh, niet gezoneerde weg betreft. Als gevolg van de 30 km/uur wegen Vitringasingel, Stationslaan, Smeepoortstraat en Kruithuis wordt de gehanteerde voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschreden. Er is daardoor sprake van een goede ruimtelijke ordening. Cumulatie en nadere maatregelen bij de ontvanger Voor onderhavig plan is een hoogste gecumuleerde geluidbelasting waarneembaar van 65 dB, exclusief aftrek art. 110g Wgh. Vanuit het gemeentelijk betreft dit een onacceptabel leefklimaat. Van een samenloop van bronnen, zoals beschreven in het gemeentelijk beleid, is echter geen sprake gezien de maatgevende gecumuleerde geluidbelasting enkel wordt veroorzaakt door de gezoneerde weg Westeinde. Er kunnen dus hogere waarden worden verleend.

Bij de aanvraag van een ‘Omgevingsvergunning bouwen’ dient in ieder geval door middel van een aanvullend bouwakoestisch onderzoek te worden aangetoond dat de binnenwaarde uit het Bouwbesluit 2012 wordt gehaald voor de nieuwe woningen. Dit is ook mogelijk voor de woningen met gecumuleerde geluidbelasting van 65 dB. Indien het bevoegd gezag een gecumuleerde gevelbelasting van 65 dB niet accepteert, dienen extra maatregelen te worden genomen. Te denken valt aan een afscherming op appartementenniveau middels balkons, loggia's of een vliesgevel. Een andere mogelijkheid is de realisatie van dove gevels (gevels zonder te openen ramen en deuren) of het uitsluiten van geluidsgevoelige objecten (in dit geval woningen) achter de gevels met een hogere gecumuleerde gevelgeluidbelasting dan 63 dB.

30

bestemmingsplan Stadsweiden - Randmeer (ontwerp) NL.IMRO.0243.BP00263-0001 Daarnaast dienen voor de woningen met een hogere gevelgeluidbelasting dan 53 dB nadere maatregelen bij de ontvanger te worden toegepast uit het gemeentelijk beleid, conform tabellen 10A en 10B. Voor het criterium "Minimaal één buitenruimte [...] waar het Lden [...] gelijk of lager is dan 48 dB" is het bij de woningen grenzend aan de Westeinde en Plantage nodig om afscherming op de balkons aan te brengen. Conclusie Met inachtneming van het voorgaande vormt het aspect geluid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

5.5.3 Luchtkwaliteit Regelgeving Eisen met betrekking tot luchtkwaliteit zijn verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 en vormen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Er moet ook getoetst worden aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM 10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio's om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen.

Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het plan 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft.

Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden. Toetsing Om aannemelijk te maken dat voorliggend plan niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging, is de NIBM-rekentool gebruikt. Bij het opstellen van deze NIBM-tool is uitgegaan van de verkeersgeneratie, zoals berekend in paragraaf 5.7. Uit de berekening met de NIBM-tool blijkt dat de planbijdrage van het plan kleiner is dan de NIBM-grens van 1,2 µg/m3. Daardoor zal het plan 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit en is er verder geen nader onderzoek nodig.

31

bestemmingsplan Stadsweiden - Randmeer (ontwerp) NL.IMRO.0243.BP00263-0001

Bron: Infomil/RIVM In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de lokale luchtkwaliteit geanalyseerd, zodat onacceptabele gezondheidsrisico's kunnen worden uitgesloten. Hiertoe is de monitoringstool uit de Atlas Leefomgeving geraadpleegd. De monitoring-stool geeft inzicht in de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2.5 en PM10) in het plangebied voor 2020. De monitoringstool maakt duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen in 2020 in het plangebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's. In de navolgende tabel is dit weergegeven. Ook wanneer de resultaten van de NIBM-tool worden opgeteld op de concentraties, zoals de monitoringstool aangeeft, zal er geen sprake zijn van een overschrijding van de grenswaarden. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's. Zichtjaar

Concentraties wegen direct rondom het plangebied stikstofdioxide (NO2), jaargem. concentratie

fijn stof (PM10), jaargem. concentratie

fijn stof (PM2.5), jaargem. concentratie

2020

12,5 µg/m3

15,8 µg/m3

8,5 µg/m3

Grenswaarden

40,0 µg/m3

40,0 µg/m3

25,0 µg/m3

Conclusie Zowel vanuit de Wet milieubeheer als een goede ruimtelijke ordening vormt het aspect 'luchtkwaliteit' geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.5.4 Bodemkwaliteit Regelgeving Ten aanzien van de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Hierbij is van belang te weten of er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, of er gezondheidsrisico's of ecologische risico's daardoor zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen. Hiervoor is wettelijk verplichte informatie over de bodemkwaliteit nodig.

32

bestemmingsplan Stadsweiden - Randmeer (ontwerp) NL.IMRO.0243.BP00263-0001 Toetsing Ter plaatse van het plangebied is door De Klinker Milieu een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd9. Uit dit onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd:  de bodem bevat in de bovengrond sporen baksteen;  plaatselijk is in de bovengrond een licht verhoogd gehalte kwik aangetroffen;  plaatselijk is een matig tot sterk verhoogd gehalte koper aangetroffen;  in het grondwater zijn geen verontreinigingen aangetroffen. Op basis van de matig tot sterk verhoogde gehaltes koper is aanvullend onderzoek uitgevoerd. Hierbij is getracht de omvang van de verontreiniging in kaart te brengen. Bij het aanvullend onderzoek is het sterk verhoogde gehalte aan koper niet meer aangetroffen. Er zijn enkel licht verhoogde, dan wel matig verhoogde gehaltes aangetroffen. Daarmee is geen sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging, waarmee geen saneringsplicht bestaat. Gezien de resultaten kan worden gesproken over een heterogeen verdeelde verontreiniging. Bij grondverzet en eventuele afvoer van grond dient hiermee rekening gehouden te worden. Het terrein is verder geschikt voor het beoogde gebruik op basis van de milieuhygiënische kwaliteit. Conclusie Met inachtneming van het voorgaande vormt het aspect bodem geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

5.5.5 Geur Regelgeving Geur in de leefomgeving is grotendeels afkomstig van bedrijvigheid. Elke geur kan boven een bepaalde concentratie hinder veroorzaken. Om hinder van agrarische bedrijven te voorkomen is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) van toepassing. De wet regelt onderlinge afstanden tussen geurgevoelige functies, zoals woningen, recreatieobjecten en agrarische bedrijvigheid. Toetsing In het plangebied en de directe omgeving liggen geen bedrijven die geurhinder met zich meebrengen. Het bestemmingsplan voorziet ook niet in nieuwe mogelijkheden voor dergelijke bedrijven. Conclusie Het milieuaspect geurhinder vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.

5.5.6 Externe veiligheid Regelgeving Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid rondom externe veiligheid is vastgelegd in circulaires, regelingen, AMvB's en wetten. In Nederland worden twee maten gehanteerd voor externe veiligheidsrisico's, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij het plaatsgebonden risico (PR) gaat het om de kans per jaar dat een denkbeeldig persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd in de nabijheid van een risicovolle inrichting of transportas bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven als een contour rondom de risicovolle inrichting of de transportas.

33

bestemmingsplan Stadsweiden - Randmeer (ontwerp) NL.IMRO.0243.BP00263-0001 Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans dat een (werkelijk) aanwezige groep van 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen. Dit is de zogenaamde 1 %-letaliteitsgrens; de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1 % van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf (invloedsgebied). Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein, bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Het besluit is op 27 oktober 2004 in werking getreden. Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Daarin wordt geregeld hoe een gemeente moet omgaan met risico's langs relevante buisleidingen. De hogedruk gasleidingen van de Gasunie zijn het meest relevant. Op 1 april 2015 is de regeling 'Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' in werking getreden.

Het Basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Beleidsvisie externe veiligheid Veluwe Noord De Gezamenlijke beleidsvisie externe veiligheid gemeenten in de regio Veluwe-Noord uit 2013 biedt aan de Noord-Veluwse gemeenten (Elburg, Ermelo, Harderwijk, Hattem, Heerde, Nunspeet, Oldebroek en Putten) een kader om op gestructureerde wijze keuzes te maken over externe veiligheid en met name in de samenhang tussen ruimtelijke ordening en externe veiligheid. Daarnaast biedt de beleidsvisie ook een platform voor een samenwerking tussen de afdelingen van de gemeenten en bijvoorbeeld de hulpdiensten. Een belangrijk nevendoel van de beleidsvisie is om de beschikbare gemeentelijke middelen efficiënt in te zetten. Vanuit de externe veiligheidswetgeving gelden verplichtingen waarvan de invulling een inspanning vraagt van het gemeentelijk apparaat. De systematiek in de beleidsvisie externe veiligheid voorziet in het concentreren van de aandacht op gebieden waar deze 'winst' is te realiseren en in het volstaan met algemene beleidsregels voor gebieden op grotere afstand. Geld en kennis worden daarmee ingezet op plaatsen waar deze nodig zijn.

Veel externe veiligheidsbeleid is vastgelegd in landelijke wet- en regelgeving, maar gemeenten zijn grotendeels verantwoordelijk voor de invulling en uitvoering daarvan. Gemeenten dienen een antwoord te hebben op nieuwe technische en juridische inzichten, alsook ontwikkeling van nieuwe risicobronnen. Bij het invullen en uitvoeren van externe veiligheidsbeleid zijn drie thema's te onderscheiden:  inzicht verkrijgen in de externe veiligheidssituatie;  keuzes maken;  samenwerken. Onder de huidige wetgeving worden woningen en zorgwoningen opgevat als kwetsbare objecten. Echter vallen de zorgwoningen conform de hierboven genoemde beleidsvisie onder zeer kwetsbare objecten gezien de bewoners beperkt zelfredzaam geacht worden. In de beleidsvisie is aangegeven op welk niveau het groepsrisico verantwoord dient te worden. Risicobron

Vigerende wet- en regelgeving

A28 en spoorlijn Zwolle – Amersfoort (360H.1)

Besluit externe veiligheid transportroutes, Regeling Basisnet

N302 / N303

-

LPG-tankstation

Besluit externe veiligheid inrichtingen

aardgastransportleiding

Besluit externe veiligheid buisleidingen Regeling externe veiligheid buisleidingen

Alle risicobronnen

Gezamenlijke beleidsvisie externe veiligheid gemeenten in de regio Veluwe-Noord

Tabel: overzicht Wet- en regelgeving

34

bestemmingsplan Stadsweiden - Randmeer (ontwerp) NL.IMRO.0243.BP00263-0001 Risicobron

Afstanden en normering Invloedsgebied groepsrisico

Plaatsgebonden risico (PR)

Afstanden PR

A28

200 meter

grenswaarde 10-6/jaar richtwaarde 10-6/jaar

5 meter

[4] Spoorlijn Zwolle – Amersfoort (360H.1)

200 meter

grenswaarde 10-6/jaar richtwaarde 10-6/jaar

6 meter -

LPG-tankstation: - vulpunt - ondergrondse tank - afleverzuil

150 meter 150 meter

grenswaarde 10-6/jaar

45 meter 25 meter 15 meter

grenswaarde 10-6/jaar (3)

0 meter (1)

Aardgastransportleiding: 36 inch, 66,2 bar 12,5 inch, 40 bar,

430 meter 150 meter

(1) Bron: http://nederland.risicokaart.nl/ Voor kwetsbare objecten geldt een grenswaarde, voor beperkt kwetsbare objecten geldt een richtwaarde Tabel: Veiligheidsafstanden en veiligheidsnormen Toetsing De navolgende afbeelding betreft een uitsnede uit de risicokaart waarop de relevante risicobronnen in de omgeving zijn aangeduid

Afbeelding: uitsnede risicokaart met daarop het plangebied globaal aangegeven

35

bestemmingsplan Stadsweiden - Randmeer (ontwerp) NL.IMRO.0243.BP00263-0001

Uit gegevens van de Atlas Leefomgeving blijkt dat er in de omgeving van het plangebied meerdere risicobronnen zijn gesitueerd, in de vorm van sport- en aquacentrum De Sypel aan de Parkweg 4, Schietvereniging Willem Tell en spoorlijn Zwolle – Amersfoort. Tevens ligt de rijksweg A28 nabij het plangebied. Sport- en aquacentrum De Sypel en Schietvereniging Willem Tell zijn geen Beviinrichting, wat betekent dat deze bronnen onder het Activiteitenbesluit vallen. Daarmee dienen risico's binnen het eigen terrein opgelost te worden. Een nadere beschouwing van deze risicobronnen is daarmee niet noodzakelijk. Het plangebied ligt binnen het gaswolkinvloedsgebied van zowel spoorlijn Zwolle – Amersfoort als de rijksweg A28. Aangezien het plangebied buiten de belangrijkste zone voor het groepsrisico ligt ten aanzien van beide risicobronnen, dient het groepsrisico beperkt verantwoord te worden conform artikel 7 en 8 van het Bevt. Het advies van de Veiligheidsregio Noord- en OostGelderland is hier reeds in verwerkt.

Gezien de grote afstand tot de relevante risicobronnen is de standaardverantwoording van het groepsrisico uit de 'Gezamenlijke beleidsvisie externe veiligheid van de gemeenten in de regio NoordVeluwe' van toepassing: Ontwikkeling groepsrisico Vanwege de grote afstand tot de risicobron zal een toename van personendichtheden niet significant doorwerken in de rekenkundige hoogte van het groepsrisico. De beschouwing van het groepsrisico en de verantwoording daarvan is om deze reden volledig kwalitatief uitgevoerd. Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is op deze grote afstand tot de risicobron geen item. Zoals gesteld, heeft op deze afstand een toe- of afname van personendichtheid geen invloed op het groepsrisico. Daarnaast is de kans te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen in deze gebieden vele malen kleiner dan 1/1.000.000. Veiligheidsmaatregelen aan de bron zijn daarom niet realistisch. De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Ook de bestrijdbaarheid speelt op deze afstand van de risicobron geen rol. Bestrijding vindt plaats bij de bron. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Maatgevend scenario Voor het plangebied is het maatgevende calamiteitenscenario een gifwolk.

Door een scheur in een tank- of ketelwagen, bijvoorbeeld na een botsing, kan in korte tijd een groot deel van de gevaarlijke stof uitstromen. Daarbij kan een giftige plas ontstaan waarbij de stof uitdampt en zich een gifwolk vormt die met de wind mee verspreidt. Zelfredzaamheid De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen en/of er een explosie plaatsvindt, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde toxische incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. Immers, schuilen binnen de afgesloten bebouwing zal in beginsel de beste manier zijn om de calamiteit te overleven. Schuilen binnen de locatie kan mogelijk gemaakt worden door een goed functionerend ventilatiesysteem dat handmatig kan worden

36

bestemmingsplan Stadsweiden - Randmeer (ontwerp) NL.IMRO.0243.BP00263-0001 uitgeschakeld. Mocht vluchten noodzakelijk zijn, dan is het plangebied naar het noordoosten te ontvluchten. Bestaande (vlucht)wegen van de risicobron af, in dit geval richting noordoosten naar de Plantage en omgeving, behoren tot de mogelijkheden om de zelfredzaamheid te vergroten. Bedrijfshulpverleners Aanvullend op de verantwoording van het groepsrisico conform de 'Gezamenlijke beleidsvisie externe veiligheid van de gemeenten in de regio Noord-Veluwe' wordt ingegaan op bedrijfshulpverleners: de in het totaalplan opgenomen – en onder vigerende bestemming reeds toegestane – realisatie van zorgwoningen kenmerkt zich door een groep mensen die beperkt kennis hebben van mogelijke vluchtroutes, het is derhalve essentieel dat het zorgcomplex beschikt over voldoende opgeleide bhv'ers die (kwetsbare) mensen helpen bij een calamiteit. Conclusie Uit het voorgaande is gebleken dat het aspect 'externe veiligheid' niet leidt tot belemmeringen voor dit bestemmingsplan.

5.5.7 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Regelgeving De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r.. Op 1 april 2011 is het (gewijzigde) Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht in werking getreden. De belangrijkste wijziging is onder andere: het meer in overeenstemming brengen van het Besluit m.e.r. met de Europese richtlijn m.e.r. Hierbij hebben onder andere de zogenaamde drempelwaarde voor activiteiten een indicatief karakter gekregen. Met deze wijziging is bepaald dat voor activiteiten die op de bij het besluit m.e.r. behorende C- en D-lijst zijn opgenomen, áltijd aandacht aan m.e.r. dient te worden geschonken. Hierbij dient te worden bepaald of een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in lijst D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'.

Daarbij zijn in het bijzonder de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EU-richtlijn van belang. Deze omstandigheden betreffen onder andere de kenmerken van de potentiële effecten en cumulatie. Op grond van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht moet het bevoegd gezag zijn eventuele keuze om géén m.e.r.-beoordeling uit te voeren voor een activiteit die beneden de drempelwaarde valt, motiveren in de overwegingen van het moederbesluit. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Op basis van de vormvrije m.e.r. blijkt of al dan niet een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Toetsing Onderhavig plan betreft de sloop-nieuwbouw van (zorg)appartementen aan de Westeinde / Plantage te Harderwijk. Het plan kan worden gekwalificeerd als de wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen als genoemd in onderdeel D.11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r.. Bij de uitleg van de Europese m.e.r.-richtlijn wordt immers aangegeven dat 'stedelijke ontwikkelingsprojecten' breed moet worden geïnterpreteerd en een herontwikkeling wordt als wijziging in de zin van het Besluit m.e.r. beschouwd.

Bij de activiteit zijn drie relevante indicatieve drempelwaarden opgenomen, namelijk:  een oppervlakte van 100 hectare of meer;  een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen;  een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.

37

bestemmingsplan Stadsweiden - Randmeer (ontwerp) NL.IMRO.0243.BP00263-0001 Het plan blijft ver onder de indicatieve drempelwaarden en daarmee kan in eerste instantie met een vormvrije m.e.r.-beoordeling worden volstaan. In de vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt beoordeeld of de activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben. Hierbij moet in het bijzonder worden nagegaan of er sprake is van de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de Europese Richtlijn betreffende de milieueffectbeoordeling. Daarbij dient te worden ingegaan op de volgende onderdelen:  de kenmerken van het project;  de plaats waar de activiteit plaatsvindt;  de kenmerken van het potentiële effect. Er is een vormvrije m.e.r.-beoordeling10 uitgevoerd. Hieruit volgt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het plan, die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor de meeste beoordeelde milieuaspecten geldt dat er geen effect optreedt. Uitsluitend voor wat betreft natuur (soortenbescherming) zijn er mogelijk negatieve milieueffecten, maar die zijn gering en niet als een belangrijk negatief milieueffect te kwalificeren. De conclusie is dan ook dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het volgen van een m.e.r.-(beoordelings-) procedure is daarom niet nodig.

Conclusie Het aspect vormvrije m.e.r.-beoordeling vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

5.5.8 Bedrijven en milieuzonering Regelgeving Indien door middel van een ruimtelijke ontwikkeling nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNGpublicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningenhoreca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.

Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies gelegen buiten betreffend perceel. Toetsing In onderhavige situatie is sprake van het mogelijk maken van een nieuwe, gevoelige functie in de zin van het aspect bedrijven en milieuzonering. Het plangebied ligt net buiten het stadscentrum en kent daarmee een matige tot sterke functiemenging. Daarmee is de omgeving van het plangebied te typeren als 'gemengd gebied'. Eens temeer aangezien de Westeinde een belangrijke verkeersader is richting van en naar het stadscentrum. Bij de beoordeling van het aspect 'bedrijven en milieuzonering' kunnen de richtafstanden uit de VNG-publicatie met één afstandsstap worden verlaagd. De herontwikkeling voorziet niet in hinderveroorzakende functies. Wel dient onderzocht te worden of de ontwikkeling zelf hinder kan ondervinden van hinderveroorzakende functies in de omgeving. De dichtstbijzijnde bedrijvigheid is in de navolgende tabel opgenomen inclusief de bijbehorende omschrijving uit de VNG-publicatie en de daaruit volgende grootste richtafstanden.

38

bestemmingsplan Stadsweiden - Randmeer (ontwerp) NL.IMRO.0243.BP00263-0001 Bedrijfssoort

Adres

Omschrijving VNG

Grootste richtafstand (m)

Gemeten afstand (m)

Verpleeghuis

Wethouder Jansenlaan 1

Verpleeghuizen

10 (geluid)

80

Restaurant

Smeepoortstraat 1 Restaurants, 10 (gevaar) cafetaria's, snackbars, ijssalons met eigen ijsbereiding, viskramen e.d.

100

Uit voorgaande tabel blijkt dat voor alle omliggende functies kan worden voldaan aan de grootste richtafstanden. Daarmee worden de functies niet onevenredig geschaad in hun ontwikkelingsmogelijkheden en is een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd. Conclusie Het aspect 'Bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

5.6

Kabels en leidingen

In het plangebied bevinden zich geen bovengrondse en/of ondergrondse leidingen aanwezig die ruimtelijk relevant zijn.

5.7

Verkeer en parkeren

5.7.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij een bepaalde ontwikkeling, hanteert het CROW in publicatie 381 "toekomstbestendig parkeren" kencijfers voor wat betreft verkeersgeneratie. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (excl. openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt. De gemeente Harderwijk kent volgens het CBS de stedelijkheidsgraad ‘sterk stedelijk’. Gelet op de ligging van het plangebied aan de rand van de binnenstad van Harderwijk worden de kencijfers voor het gebied ‘schil centrum' gehanteerd. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is de toekomstige verkeersgeneratie bepaald. Hierbij is uitgegaan van het volgende woonprogramma:  60 24-uurs-zorgwoningen  48 sociale huurappartementen (50-70 m2)  48 vrije sector huurappartementen (> 70 m2) Voor bovenstaande woningen wordt op basis van CROW kengetallen de volgende verkeersgeneratie gehanteerd:  24-uurs-zorgwoningen worden in de gemeentelijke parkeernormennota alsmede in de publicatie van verkeerskundig kennisplatform CROW getypeerd onder de noemer ‘verpleeghuis of verzorgingshuis’. Het gaat onder deze benaming om wooneenheden waar 24/7 zorgpersoneel inpandig aanwezig en beschikbaar is.

Voor deze functie zijn uitsluitend parkeerkencijfers beschikbaar en geen verkeersgeneratie. Voor dit type voorziening wordt de verkeersgeneratie berekend aan de hand van een turnover (het aantal keer dat een parkeerplaats wordt of is bezet). Voor de functie ‘verpleeghuis of verzorgingshuis' wordt uitgegaan van een turnover van één keer, dus twee verkeersbewegingen per etmaal per parkeerplaats. De geldende parkeernorm is 0,5 parkeerplaats per wooneenheid. De verkeersgeneratie bedraagt dan 1 vervoersbeweging per etmaal.

39

bestemmingsplan Stadsweiden - Randmeer (ontwerp) NL.IMRO.0243.BP00263-0001 

Zowel de sociale huurappartementen als de vrije sector huurappartementen vallen binnen het woningtype 'huur, appartement, midden/goedkoop (incl. sociale huur), zoals aangeduid in de CROW publicatie. Voor dit woningtype geldt een verkeersgeneratie van 2,8-3,6 per woning. Hierbij wordt het gemiddelde van 3,2 genomen.

In onderstaande tabel is de verkeersgeneratie weergeven voor de toekomstige situatie. Woningtype

aantal

kencijfer

per

verkeersgeneratie

verpleeghuis of verzorgingshuis

60

1,0

woning

60,0

huur, appartement, midden/goedkoop (incl. sociale huur)

96

3,2

woning

307,2

Totaal

367,2

Uit de bovenstaande tabel blijkt dat, als gevolg van voorliggende ontwikkeling, er een toename in de verkeersgeneratie te verwachten is van afgerond 368 vervoersbewegingen per etmaal. Dit extra verkeer kan worden opgenomen in het ter plaatse heersende verkeersbeeld. Conclusie Het aspect 'verkeer' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling.

5.7.2 Parkeren Parkeerbeleid In de Parkeernormennota Harderwijk (d.d. 23 mei 2013) zijn de gemeentelijke parkeernormen vastgelegd. Bij het opstellen van de gemeentelijke parkeernormen zijn de kengetallen voor de parkeernormering vanuit CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' als uitgangspunt genomen. Om de parkeernormen zo specifiek mogelijk op te stellen is er onderscheid gemaakt in verschillende gebieden binnen de gemeente Harderwijk. Voorliggend plangebied is gelegen in gebied 8 'Stadsweiden', dat is aangemerkt als 'Woongebied'. Toetsing In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is de toekomstige parkeerbehoefte bepaald. Hierbij is uitgegaan van de volgende opgave:  60 24-uurs-zorgwoningen  49 sociale huurappartementen (50-70 m2)  48 vrije sector huurappartementen (> 70 m2)  43 bestaande appartementen in de gebouwen Westeinde en Meerstaete;  te behouden parkeerplaatsaantallen: 14 voor Plantage en 20 voor Randstaete. Voor bovenstaande woningen worden de volgende parkeernormen gehanteerd:  24-uurs-zorgwoningen worden in de gemeentelijke parkeernormennota alsmede in de publicatie van verkeerskundig kennisplatform CROW getypeerd onder de noemer ‘verpleeghuis of verzorgingshuis’. Het gaat onder deze benaming om wooneenheden waar 24/7 zorgpersoneel inpandig aanwezig en beschikbaar is.

De geldende parkeernorm is in zowel de richtlijnen van verkeerskundig kenniscentrum CROW als gemeentelijke parkeernormennota gelijk: te weten 0,5 parkeerplaats per wooneenheid. Hierin is begrepen: 0,3 parkeerplaats voor bezoek en 0,2 parkeerplaats voor niet-bezoek (niet-bezoek houdt vooral in: bewoners en personeel).  Voor de huurappartementen geldt de parkeernorm die is vastgelegd in de Appendix op de gemeentelijke parkeernormennota, namelijk 1,2 parkeerplaats per appartement. Hierin is begrepen: 0,9 parkeerplaats voor bewoners en 0,3 parkeerplaats voor bezoekers.

40

bestemmingsplan Stadsweiden - Randmeer (ontwerp) NL.IMRO.0243.BP00263-0001 

Voor de aanleunwoningen geldt dat het CROW beter gedifferentieerde kencijfers geeft dan onze gemeentelijke parkeernormennota als het gaat om bijvoorbeeld locatie en woningdichtheid. Het CROW geeft als kencijfer voor de woningcategorie “aanleunwoning/serviceflat” 0,8 parkeerplaats per woning in een ‘sterk stedelijk’ gebied (gelet op de woningdichtheid) in de ‘schil om het centrum’ (gelet op de ligging aan de rand van de binnenstad). Hierin is begrepen: 0,5 parkeerplaats voor bewoners en 0,3 parkeerplaats voor bezoekers. Onze gemeentelijke parkeernormennota geeft een parkeernorm van 0,9 voor de gehele gemeente weer. In dezelfde parkeernormennota is echter ook opgenomen dat de stedelijkheidsgraad van Harderwijk niet voor de gehele gemeente hetzelfde is (zoals op deze locatie inderdaad sprake van is). Ook is in deze parkeernormennota beschreven dat het mogelijk is om beargumenteerd (bijvoorbeeld op basis van CROW-kencijfers) af te wijken van de vastgestelde gemeentelijke parkeernormen.

Dit leidt tot de volgende parkeerbalans:

In totaal zijn er volgens de volle parkeernorm 161,6 parkeerplaatsen vereist. Dit is exclusief de 14 + 20 bestaande parkeerplaatsen t.b.v. de woningcomplexen Randstaete en Westeinde. Als die er ook bij opgeteld worden, leidt dat tot een totale eis van 196 parkeerplaatsen. In de praktijk is het echter zo dat niet iedere parkeerplaatsgebruiker tegelijkertijd aanwezig is. Met andere woorden: het parkeerterrein zal delen van de week deels ongebruikt zijn als het aantal parkeerplaatsen wordt gerealiseerd aan de hand van de ‘volle parkeernorm’. Daarom wordt het maatgevende moment berekend met inachtneming van verschillende aanwezigheidspercentages. Het maatgevend moment is het moment in de week dat het meeste aantal parkeerplaatsen benodigd is. Ook in dezen maken we gebruik van de aanwezigheidspercentages van verkeerskundig kennisplatform CROW, welke zijn weergegeven in onderstaande tabel.

41

bestemmingsplan Stadsweiden - Randmeer (ontwerp) NL.IMRO.0243.BP00263-0001

Hiermee rekening houdende, en de aanwezigheidspercentages doorberekenend, leidt dit tot de parkeereis welke is weergegeven in onderstaande tabel:

Uit bovenstaande tabel volgt dat het maatgevende moment op de werkdagavond is. Dan zijn de meeste parkeerplaatsen nodig. De parkeereis is op dat moment 169 parkeervakken. In deze eis is de benodigde parkeercapaciteit voor de woningcomplexen Randstaete, Plantage, Meerstaete en Westeinde inbegrepen. Daarbij moet de opmerking geplaatst worden dat voor de categorie ‘aanleunwoningen’ gerekend is met een hoger parkeerkencijfer voor bezoekers. Een groot deel van deze bezoekersparkeercapaciteit wordt ingevuld door zorgpersoneel. In de praktijk zal dit meestentijds gaan om zorgpersoneel dat reeds is inbegrepen in de parkeerberekening voor de 24-uurs-zorgwoningen. In feite wordt dit zorgpersoneel dus dubbel meegenomen in de parkeerberekening. In de praktijk zal de parkeerbehoefte voor de categorie aanleunwoningenbezoekers dus lager uitvallen dan waar nu rekening mee gehouden is. Echter: omdat niet vast staat welk percentage van de bezoekersparkeernorm door zorgpersoneel gebruikt wordt en welk percentage door regulier bezoek, en omdat niet vaststaat dat zorgpersoneel t.b.v. de aanleunwoningen altijd wordt ingevlogen vanuit de 24-uur-zorgwoningen maar mogelijk ook van een externe thuiszorgorganisatie, is in deze parkeerberekening toch gekozen om te rekenen met de volledige bezoekersparkeernorm van 0,3 per woning.

42

bestemmingsplan Stadsweiden - Randmeer (ontwerp) NL.IMRO.0243.BP00263-0001 Binnen het plangebied worden 139 parkeerplaatsen gerealiseerd. Op de meeste momenten gedurende de week biedt dit voldoende ruimte om het parkeren, inclusief het bezoekersparkeren, binnenplans te faciliteren. Op andere momenten wordt (deels) nog wel aanspraak gemaakt op de parkeercapaciteit in het openbare gebied, zoals bijvoorbeeld op de openbare parkeerplaats P19 Westeinde direct ten oosten van het plangebied (zie navolgende afbeelding). Voor het plangebied ligt het piekmoment op werkdagavonden. Tijdens dat piekmoment is er voldoende parkeerruimte, 30 parkeerplaatsen, beschikbaar in het openbare gebied. Op de meest kritische momenten voor het parkeerterrein P19 Westeinde, zoals de zaterdagmiddag, is er voldoende parkeerruimte binnenplans en hoeft er geen gebruik gemaakt te worden van het het openbare parkeerterrein.

Tot slot is het noodzakelijk dat bezoekers toegang hebben tot het parkeerterrein om bezoekersparkeren ook binnensplans te faciliteren. Conclusie Met inachtneming van het voorgaande vormt het aspect parkeren geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

43

bestemmingsplan Stadsweiden - Randmeer (ontwerp) NL.IMRO.0243.BP00263-0001

Hoofdstuk 6 Juridische aspecten 6.1

Inleiding

6.1.1 Informatie bestemmingsplan Ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de daarbij behorende ministeriële regelingen, dienen bestemmingsplannen op vergelijkbare wijze opgebouwd, gepresenteerd en tevens digitaal uitwisselbaar gemaakt te worden. De regeling is afgestemd op de Wro, Bro en daarbij behorende ministeriële regelingen. Hiermee wordt de rechtsgelijkheid en de uniformiteit binnen de gemeentelijke c.q. landelijke bestemmingsplannen gediend. Het bestemmingsplan is tevens afgestemd op de terminologie en regelgeving zoals opgenomen in de op 1 oktober 2010 in werking getreden Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Een bestemmingsplan kan echter niet alles regelen. Via het Besluit omgevingsrecht is het bijvoorbeeld mogelijk om in bepaalde situaties vergunningvrij te bouwen ondanks dat het bestemmingsplan die bebouwing niet toestaat. In die gevallen gaat hetgeen bij wet vergunningvrij gebouwd kan worden voor op de bepalingen van het bestemmingsplan. Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft uit te oefenen.

Dit houdt in dat: 1. de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en 2. de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (het overgangsrecht is hierbij mede van belang). Een bestemmingsplan regelt het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen) en kan daarbij regels bevatten voor:  het bebouwen van de gronden;  het verrichten van werken (aanleggen).

6.1.2 Verbeelding, regels en toelichting Een bestemmingsplan moet worden opgezet volgens de eisen die de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in samenhang met het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) daaraan stelt en de wettelijk voorgeschreven opzet en vormgeving van de 'RO standaarden 2012'. Onderhavig plan sluit inhoudelijk zoveel mogelijk aan op het "Handboek actualisering bestemmingsplannen" van de gemeente Harderwijk. Dit Handboek reikt een algemene plansystematiek aan, op basis waarvan de nieuwe bestemmingsplannen kunnen worden opgesteld. Een bestemmingsplan bestaat uit drie onderdelen, te weten een 'toelichting', de 'regels' en een 'verbeelding'. De verbeelding en de regels vormen samen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, voor zowel de burger als de overheid. Beide onderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding is aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemming met een bestemmingsvlak en soms middels aanduidingen. De planregels van het bestemmingsplan bevatten de juridische verklaring van de op de verbeelding weergegeven bestemmingen en aanduidingen. Die toegekende gebruiks- en bouwmogelijkheden aan gronden kunnen, naast de rechtstreekse bestemming, op de verbeelding op twee manieren nader worden ingevuld: 1.

Via een dubbelbestemming: een dubbelbestemming is een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één 'enkelbestemming' (dat is de hoofdbestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (of zelfs meerdere). In de regels van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen.

44

bestemmingsplan Stadsweiden - Randmeer (ontwerp) NL.IMRO.0243.BP00263-0001 2. Via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding dat betrekking heeft op een vlak op die kaart. Via een aanduiding wordt in de regels 'iets' geregeld. Dat 'iets' kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van een bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan, indien de regels en de verbeelding hier ruimte voor laten. Opbouw van de regels De regels zijn verdeeld in vier hoofdstukken: Inleidende regels In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is de wijze bepaald waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2).

Bestemmingsregels In dit tweede hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouw- en gebruiksregels en, eventueel, ook regels voor het 'uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden' opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsbepalingen. Ieder artikel van de hoofdbestemmingen kent, eveneens conform de 'RO standaarden 2012', een vaste opzet. Algemene regels In dit hoofdstuk zijn bepalingen opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens: a. anti-dubbeltelregel: Deze bepaling regelt dat grond die reeds eerder bij een verleende bouw- of omgevingsvergunning is meegenomen, niet nog eens bij de verlening van een nieuwe omgevingsvergunning mag worden meegenomen. Deze regel is wettelijk verplicht om op te nemen in een bestemmingsplan en is rechtstreeks overgenomen uit het Bro; b. algemene gebruiksregels: In dit artikel wordt een algemeen gebruiksverbod gegeven, wat geldt voor alle bestemmingen in het bestemmingsplan, voor gebruik in strijd met de bestemming; c.

algemene afwijkingsregels: In dit artikel wordt aangegeven in hoeverre met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het plan voor algemene en geringe afwijkingen van de bouwregels (maatvoering) voor zover al elders in de planregels in afwijkingen is voorzien. Hiermee kan in specifieke situaties maatwerk worden geboden en biedt het bestemmingsplan voldoende flexibiliteit; d. overige regels: In dit artikel is een bepaling inzake parkeren opgenomen. Overgangs- en slotregels In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. a. overgangsregels: Deze regel is wettelijk verplicht om op te nemen in een bestemmingsplan en is rechtstreeks overgenomen uit het Bro. Dit artikel bevat regels die als doel hebben bestaande situaties (gebruik of bouwwerken), welke niet in overeenstemming zijn met het bestemmingsplan, te regelen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebruik en bouwen. Het overgangsrecht met betrekking tot bouwen en bouwwerken regelt dat bouwwerken die aanwezig waren ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, maar in strijd zijn met het bestemmingsplan, onder overgangsrechtelijke bescherming vallen. Dat wil zeggen dat deze bouwwerken mogen blijven bestaan. Deze bescherming geldt ook voor bouwwerken die op deze

45

bestemmingsplan Stadsweiden - Randmeer (ontwerp) NL.IMRO.0243.BP00263-0001 peildatum legaal kunnen worden gebouwd, maar nog niet zijn gebouwd. De regeling bevat voorts een bevoegdheid voor burgemeester en wethouders om bij een omgevingsvergunning af te wijken ten behoeve van een beperkte uitbreiding (maximaal 10%) van het niet in het nieuwe bestemmingsplan passende bouwwerk. Bouwwerken die wel bestonden op de genoemde peildatum, maar zijn gebouwd zonder (omgevings)vergunning, zijn expliciet uitgesloten van de beschermende werking van het overgangsrecht. Het overgangsrecht voor met het nieuwe bestemmingsplan strijdig gebruik regelt dat het gebruik van gronden dat bestaat op het moment dat het nieuwe bestemmingsplan van kracht wordt, mag worden voortgezet. Het bestaande gebruik dat (ook) in strijd was met het voorgaande bestemmingsplan, is echter van deze beschermende werking van het overgangsrecht uitgesloten, indien het op grond van het recht nog mogelijk is om hiertegen op te treden. b. slotregel: Dit artikel bevat de titel (naam) van het vast te stellen bestemmingsplan.

6.1.3 Juridische regeling Het is zaak om voor de bestaande en de toekomstige bebouwing en functies een bestemmingsregeling te ontwerpen, die zoveel mogelijk ruimte biedt voor verandering en aanpassing aan veranderende wensen. Het plan dient flexibel en doelmatig te zijn en dient rechtszekerheid te bieden omtrent de ruimte voor verandering. Daar staat tegenover dat het plan de nodige bescherming moet bieden tegen ontwikkelingen die schadelijk zijn voor anderen. Bescherming tegen een zodanige ontwikkeling wordt samengevat in de term rechtsbescherming. Dit betekent dat in principe aan de gebruiker van gronden en opstallen zoveel mogelijk vrijheden worden gegeven. Deze zijn als recht in het plan geformuleerd. Als in bepaalde gevallen een mogelijke beschadiging van de belangen van andere burgers wordt verwacht, geeft het plan als recht meer beperkte mogelijkheden. Voor uitzonderingssituaties biedt het plan ruimere mogelijkheden in de vorm van binnenplans afwijken van het bestemmingsplan bij omgevingsvergunning.

6.1.4 Afwijken van de regels In een bestemmingsplan kunnen regels worden opgenomen inzake afwijking van het bestemmingsplan bij omgevingsvergunning. Deze afwijkingen van de regels zijn bedoeld om de nodige flexibiliteit in het plan te brengen, zodat kan worden gereageerd op onvoorziene omstandigheden. Het gaat daarbij om relatief kleinschalige ruimtelijke ingrepen. Bij grotere ingrepen ligt het voor de hand een wijzigingsbevoegdheid op te nemen, of tot een planherziening te komen. Algemene regels voor afwijken in het plan betreffen: a. niet voor bewoning bestemde gebouwen en bouwwerken in het openbaar gebied. Deze mogen een hoogte hebben van maximaal 5 meter en een oppervlakte van ten hoogste 25 m 2. Het betreft bouwwerken ten dienste van het openbaar nut; b. bouw van erkers, balkons, luifels, bordessen, pergola's en dergelijke bouwwerken aan de voorgevel met een diepte van maximaal 1,50 meter; c. bouwen van antennes met een bouwhoogte van maximaal 25 meter; d. de maatvoering. De maatvoering van bouwwerken mag afwijken met ten hoogste 10%.

6.2

Algemene uitgangspunten

Voor het bestemmingsplan 'Stadsweiden - Randmeer' worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:  het mogelijk maken en ruimtelijk inkaderen van de beoogde nieuwe situatie vormt het vertrekpunt in de planregels. De regeling beoogt enerzijds enige flexibiliteit in te bouwen wat betreft de planuitwerking, maar anderzijds de ruimtelijke mogelijkheden voldoende in te kaderen (bijvoorbeeld aantal woningen, bouwhoogtes, ligging hoofdgebouwen);  In de bestemmingsomschrijving is aangegeven welk gebruik binnen de desbetreffende bestemming is toegestaan;  om de globaliteit van de bestemmingen niet ten koste te laten gaan van de ruimtelijke kwaliteit en de rechtszekerheid, is gebruik gemaakt van bouwvlakken.

46

bestemmingsplan Stadsweiden - Randmeer (ontwerp) NL.IMRO.0243.BP00263-0001

6.3

Verantwoording Handboek Harderwijk

De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld aan de hand van de Standaard Handboek Harderwijk, versie 2017-03. Aan de bestemming 'Wonen' zijn - ten opzichte van de standaardregels - de volgende regels toegevoegd:  Het maximum aantal toegestane woningen is verbonden aan een maximum per bouwvlak;  Binnen de bestemming 'Wonen' is geborgd dat er voor een minimaal aantal woningen sprake is van de afname van zorg;  Binnen de bestemming 'Wonen' is door middel van functieaanduidingen vastgelegd dat gemeenschappelijke leefruimtes en zorgeenheden zijn toegestaan.

6.4

Bestemmingsbepalingen

In deze paragraaf zijn de feitelijk in het plan voorkomende bestemmingen beschreven. Per bestemming is kort toegelicht welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bouwregels er gelden.

6.4.1 Wonen Binnen deze bestemming vormt wonen de hoofdfunctie. Het openbare verblijfsgebied rondom de appartementengebouwen valt ook binnen deze bestemming. Het verblijfskarakter in deze gebieden staat voorop. De doeleinden binnen deze bestemming zijn onderling uitwisselbaar, zodat in de toekomst, op een flexibele wijze, tot de meest wenselijke inrichting van het openbare verblijfsgebied kan worden gekomen. Er is gestreefd naar een eenduidige bebouwingsregeling voor het gehele plangebied. Binnen de bestemming 'Wonen' zijn woningen en zorgwoningen toegestaan. De hoofdgebouwen moeten worden gerealiseerd binnen de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - hoofdgebouw'. Per bouwvlak is het maximum aantal woningen aangeduid. Door toedoen van functieaanduidingen zijn gezamenlijke leefruimtes en de afname van zorg toegestaan. Ook is per bouwvlak de maximum bouwhoogte aangeduid op de verbeelding. Verder wordt er ruimte gegeven aan het uitoefenen van met wonen verenigbare functies in de woning, zoals bedrijvigheid aan huis.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Harderwijk&id=5e399661-d686-4bce-b9ff-3ba58080e94a