3. Was-wordt lijst Harderwijk.pdf
Tekst van het document
Hoofdstuk 2 Integrale verordening - Participatiewet Artikel oude verordening Toelichting bij artikel 1 van reintegratieverordening 2015
Artikel integrale verordening Artikel 2.1 Begripsbepalingen
Was
Wordt
Belanghebbende met een grote afstand tot de arbeidsmarkt: persoon die langer dan één jaar werkloos is
Belanghebbende met een grote afstand tot de arbeidsmarkt: persoon die niet binnen een jaar naar de arbeidsmarkt toe geleid kan worden
Toelichting: Door dit begrip anders te formuleren wordt niet meer gekeken naar het verleden van de belanghebbende, maar is gericht op het toekomstperspectief van de belanghebbende. Toelichting bij artikel 1 van de reintegratieverordening 2015
Artikel 2.1 Begripsbepalingen
Belanghebbende met een kleine afstand tot de arbeidsmarkt: persoon die maximaal één jaar werkloos is
Belanghebbende met een kleine afstand tot de arbeidsmarkt: persoon die binnen een jaar naar de arbeidsmarkt toe geleid kan worden
Toelichting: Door dit begrip anders te formuleren wordt niet meer gekeken naar het verleden van de belanghebbende, maar is gericht op het toekomstperspectief van de belanghebbende. Artikel 2 lid 5 reintegratieverordening 2015
Vervallen
Het dagelijks bestuur brengt jaarlijks aan de gemeenteraad verslag uit over de doeltreffendheid en de effecten van het beleid
Vervallen
Toelichting: De jaarlijkse verslaglegging is ingebed in de trendrapportages, managementrapportages en jaarverslagen. Er is geen verordeningsplicht voor deze verslaglegging. Artikel 10 re-integratieverordening 2015
Vervallen
Ondersteuning bij leer-werktraject Het dagelijks bestuur kan ondersteuning aanbieden aan een belanghebbende uit de doelgroep ten aanzien van wie het dagelijks bestuur van oordeel is dat een leer- werktraject nodig is, voor zover deze ondersteuning nodig is voor het volgen van een leer- werktraject en het belanghebbenden betreft: a. van 16 of 17 jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd, of b. van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald.
Vervallen
Toelichting: Dit komt voort uit artikel 13 van de WIJ. Deze wet is in 2012 komen te vervallen. Daardoor is dit artikel niet meer actueel. Er wordt altijd een passend aanbod aan de (jongere) klant geboden. Dit wordt in een Plan van Aanpak vastgelegd. Artikel 13 re-integratieverordening 2015
Vervallen
Stimuleringssubsidie 1. Het dagelijks bestuur kan stimuleringssubsidie verstrekken aan werkgevers die met een belanghebbende, die behoort tot de doelgroep, een arbeidsovereenkomst sluiten voor zover dit gezien zijn afstand tot de arbeidsmarkt passend is. 2. De subsidie wordt uitsluitend verstrekt als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing plaatsvindt; 3. Het dagelijks bestuur stelt nadere regels ten aanzien van de duur van de subsidie, de hoogte en de verplichtingen die aan de subsidie worden verbonden.
Vervallen
Toelichting: Loonkostensubsidie is voorliggend en toereikend. In de praktijk werd de stimuleringssubsidie niet ingezet. Artikel 2 lid 2 Verordening loonkostensubsidie Participatiewet 2015
Vervallen
Hierbij neemt het dagelijks bestuur de volgende criteria in acht: a. de belanghebbende moet behoren tot de doelgroep zoals omschreven in artikel 7 lid 1 onder a Pw ; b. de belanghebbende is niet in staat met voltijdse arbeid het wettelijk minimumloon te verdienen, en c. de belanghebbende heeft mogelijkheden tot arbeidsparticipatie.
Vervallen
Toelichting: Dit is in de Pw bepaald en hoeft daarom niet in de verordening te worden opgenomen. Artikel 3 lid 1 Verordening tegenprestatie Participatiewet, IOAW en IOAZ
Vervallen
Het dagelijks bestuur kan de belanghebbende met een kleine afstand tot de arbeidsmarkt uitsluitend een tegenprestatie opdragen, indien
Vervallen
bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen
Toelichting: Mensen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt worden naar werk begeleid. Om deze reden wordt er geen tegenprestatie opgelegd. Artikel 5 Verordening tegenprestatie Participatiewet, IOAW en IOAZ
Artikel 2.22 Het opdragen van een tegenprestatie
Het dagelijks bestuur draagt geen tegenprestatie op, indien de belanghebbende mantelzorg verricht, voor zover het verrichten van mantelzorg naar het oordeel van het dagelijks bestuur redelijkerwijs noodzakelijk is.
Het college draagt geen tegenprestatie op, indien de belanghebbende gedurende ten minste acht uren per week mantelzorg verricht, voor zover het verrichten van mantelzorg naar het oordeel van het college noodzakelijk is.
Toelichting: Door toevoeging van ‘ten minste acht uur per week’ wordt aangesloten bij het doel van de tegenprestatie. Artikel 7 Verordening tegenprestatie Participatiewet, IOAW en IOAZ
Vervallen
Het dagelijks bestuur zendt jaarlijks aan de gemeenteraden van de gemeenten Ermelo, Harderwijk en Zeewolde een verslag over de doeltreffendheid van het beleid.
Vervallen
Toelichting: De jaarlijkse verslaglegging is ingebed in de trendrapportages, managementrapportages en jaarverslagen. Er is geen verordeningsplicht voor deze verslaglegging. Artikel 2 Verordening individuele inkomenstoeslag 2017 Harderwijk
Artikel 2.25 Indienen verzoek
1. Voor het aanvragen van de inkomenstoeslag dient de belanghebbende gebruik te maken van een door het dagelijks bestuur vastgesteld formulier. 2. De partner dient schriftelijk in te stemmen met de aanvraag. 3. Bij de aanvraag dient de belanghebbende de op het aanvraagformulier gevraagde bewijsstukken over te leggen. 4. Indien dit het naar het oordeel van het dagelijks bestuur noodzakelijk is, dient de belanghebbende naast de op het aanvraagformulier aangegeven bewijsstukken nadere informatie te verstrekken.
1. De inkomenstoeslag moet worden aangevraagd op een door het college vastgesteld formulier. 2. De partner van de belanghebbende moet schriftelijk instemmen met de aanvraag.
Toelichting: Lid 3 en 4 zijn verwijderd. In de wet is al bepaald dat toetsing plaatsvindt aan de hand van bewijsstukken. Artikel 6 lid 1 Verordening individuele inkomenstoeslag 2017 Harderwijk
Artikel 2.29 Hoogte individuele inkomenstoeslag
1. Een individuele inkomenstoeslag bedraagt per kalenderjaar: a. € 460,- voor een alleenstaande en een alleenstaande ouder; b. € 615,- voor gehuwden.
1. Een individuele inkomenstoeslag bedraagt: a. € 470,- voor een alleenstaande en een alleenstaande ouder; b. € 630,- voor gehuwden.
Toelichting: Per 1 januari 2021 zijn de bedragen voor Harderwijk geïndexeerd op basis van de Verordening individuele inkomenstoeslag 2017 Harderwijk. De bedragen van de individuele inkomenstoeslag voor Ermelo en Zeewolde waren lager. Omwille van harmonisatie is gekozen om de hogere bedragen aan te houden. Artikel 6 lid 4 Verordening individuele inkomenstoeslag 2017 Harderwijk
Vervallen
4. De bedragen genoemd in het eerste lid worden jaarlijks geïndexeerd met een percentage dat overeenkomt met het procentuele verschil tussen de gehuwdennorm per 1 januari van dat jaar en de gehuwdennorm van het daaraan voorafgaande jaar. De bedragen worden naar boven afgerond op een veelvoud van € 5 ,-.
Vervallen
Toelichting: Harmonisatie van de regeling. Er zijn bedragen gekozen die geschikt zijn voor de komende jaren Artikel 8 Verordening individuele inkomenstoeslag 2017
Vervallen
De aanvraag wordt ingediend uiterlijk op 31 januari van het jaar volgend op het kalenderjaar waarop de aanvraag ziet.
Vervallen
Toelichting: Een individuele inkomenstoeslag kan eens per 12 maanden worden aangevraagd. Dit artikel is daarom overbodig. Artikel 7 lid 1 Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ
Artikel 2.38 lid 1 Gedragingen Participatiewet, Ioaw en Ioaz
Eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie
Een verlaging bedraagt 10 procent van de bijstandsnorm voor de duur van een maand indien: a. de belanghebbende zich niet tijdig laat registreren als werkzoekende bij het UWV of deze registratie niet tijdig verlengd is; als er sprake is van een eerste verwijtbare gedraging kan worden volstaan met het geven van een waarschuwing. b. de belanghebbende niet verschijnt bij een afspraak in het kader van de re-integratie of bij
het afnemen van de taaltoets, zoals opgenomen in artikel 18b Pw; als er sprake is van een eerste verwijtbare gedraging kan worden volstaan met het geven van een waarschuwing. Toelichting: Waarschuwing toegevoegd, zodat de klant niet direct ‘gestraft’ wordt. Toegevoegd afstemming in verband met niet verschijnen taaltoets (Wet Taaleis) Artikel 7 lid 4 Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ
2.38 lid 4 Gedragingen Participatiewet, Ioaw en Ioaz
Vierde categorie: a. het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het dagelijks bestuur aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36 lid 1 en 37 lid onder e Ioaw en de artikelen 36 lid 1 en 37 lid 1 onder e Ioaz, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening. b. het door eigen toedoen niet of in onvoldoende mate ontvangen van een andere (sociale) uitkering als voorliggende voorziening; c. het zich ernstig misdragen tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de Ioaw of Ioaz als bedoeld in de artikelen 37 lid 1 onder g Ioaw en artikel 37 lid 1 onder g Ioaz.
De verlaging bedraagt 100 procent van de bijstandsnorm voor de duur van een maand als: a. de belanghebbende niet of onvoldoende gebruik maakt van een door het college aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36 lid 1 en 37 lid 1 onder e Ioaw of de artikelen 36 lid 1 en artikel 37 lid 1 onder e Ioaz, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening; b. de belanghebbende niet naar vermogen probeert algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen in de gemeente van inwoning voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18 lid 4 Pw.
Toelichting: Onacceptabel gedrag is verwijderd uit dit lid en is ondergebracht in een afzonderlijk artikel. Artikel 12 Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ
2.39 Te weinig inzet of onverantwoordelijk gedrag
Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid 1. Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18 lid 2 Pw wordt afgestemd op het benadelingsbedrag. 2. De verlaging wordt vastgesteld op: a. 10 procent van de bijstandsnorm gedurende 12 maanden bij een benadelingsbedrag tot € 2.000; b. 15 procent van de bijstandsnorm gedurende
1. Het college verlaagt de uitkering als de belanghebbende te weinig inzet toont of zich onverantwoordelijk gedraagt. De verlaging wordt afgestemd op het benadelingsbedrag. De verlaging bedraagt: a. 10 procent van de bijstandsnorm voor de duur van 12 maanden bij een benadelingsbedrag tot € 2.500; b. 10 procent van de bijstandsnorm voor de duur van 18 maanden bij een benadelingsbedrag van € 2.500 tot € 10.000;
24 maanden bij een benadelingsbedrag van € 2.000 tot € 10.000; c. 20 procent van de bijstandsnorm gedurende 36 maanden bij een benadelingsbedrag vanaf € 10.000; d. 100% van de bijzondere bijstand verleend op grond van artikel 35 Pw.
c. 20 procent van de bijstandsnorm voor de duur van 24 maanden bij een benadelingsbedrag van € 10.000 tot € 20.000. d. 20 procent van de bijstandsnorm voor de duur van 36 maanden bij een benadelingsbedrag vanaf € 20.000. 3. Het college kan in uitzonderlijke gevallen met toepassing van artikel 48 lid 2 onder b Pw, de bijstand in de vorm van een lening verstrekken in plaats van het verlagen van de uitkering als bedoeld in lid 1 en lid 2.
Toelichting: Wanneer iemand te snel heeft ingeteerd op het vermogen, dan zal de belanghebbende eerder een beroep doen op bijstand dan strikt noodzakelijk was. In deze gevallen is het nu al mogelijk om de bijstand te verlagen. In de integrale verordening is dit nog steeds mogelijk. De percentages hierin zijn gewijzigd, zodat de hoogte van de maatregel in verhouding staat tot het benadelingsbedrag. In lid 3 is een uitzondering op de verlaging toegevoegd. Wanneer de maatregel tot grote problemen zal leiden kan worden afgezien van de verlaging en de bijstand als lening worden verstrekt. De lening kan worden verstrekt op grond van artikel 48 lid 2 onder b Pw. De lening heeft maximaal de hoogte van het benadelingsbedrag. -
2.40 Onacceptabel gedrag
-
Het college verlaagt de uitkering als de belanghebbende zich op een onacceptabele manier gedraagt tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de Pw, Ioaw of Ioaz als bedoeld in artikel 9 lid 6 Pw, artikelen 37 lid 1 onder g Ioaw en artikel 37 lid 1 onder g Ioaz. De uitkering wordt verlaagd met: a. 20 procent bij het mondeling of schriftelijk beledigen van de in de aanhef genoemde personen en instanties; b. 40 procent bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen materiële zaken of mondelinge of schriftelijke bedreigingen gericht geweld tegenover de in de aanhef genoemde personen en instanties; c. 100 procent bij het voor de tweede keer of vaker uitoefenen van fysiek geweld tegen materiële zaken of mondelinge of schriftelijke bedreigingen gericht tegenover de in de aanhef genoemde personen en instanties; d. 100 procent bij het uitoefenen van fysiek geweld tegenover de in de aanhef genoemde
personen en instanties. Toelichting: Met dit artikel laten we zien dat onacceptabel gedrag niet wordt geaccepteerd en wordt de uitkering overeenkomstig afgestemd. -
2.45 Vroegtijdig informeren
-
Het college informeert belanghebbende bij de aanvraag van de uitkering en gedurende de looptijd van de uitkering: a. over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een uitkering of een reintegratievoorziening zijn verbonden; b. over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik.
Toelichting: Door inwoners beter te informeren worden fraude, oneigenlijk gebruik en terugvorderingen voorkomen. -
2.46 Controle op naleving
-
Controle op naleving Het college onderzoekt de rechtmatigheid van de te verstrekken uitkering en kunnen daarbij gebruik maken van heronderzoeken, huisbezoeken, themacontroles en bestandsvergelijkingen en de samenloopsignalen die daaruit voortkomen. Het college onderzoekt daarnaast overige signalen en tips die relevant zijn voor het recht op en de hoogte van de uitkering.
Toelichting: Voorkomen en inperken van misbruik van de uitkering. Sluit aan bij “alleen mensen ondersteuning bieden die dit nodig hebben” -
2.47 Opstellen handhavingsplan
-
Toelichting: Het handhavingsplan heeft als doel om misbruik van de uitkering te voorkomen en in te perken.
Opstellen handhavingsplan Het college draagt in het kader van het voorkomen van het ten onrechte ontvangen van bijstand, inkomensvoorziening of uitkering alsmede ter bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Pw, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 zorg voor het opstellen van een handhavingsplan.
Artikel 20 re-integratieverordening 2015
Vervallen
1. Het college kan, als experiment in het kader van het onderzoeken en toepassen van mogelijkheden om de participatie te bevorderen, afwijken van het bepaalde in deze verordening 2. De duur van het experiment als bedoeld in het eerste lid is ten hoogste drie jaar. 3. Indien het experiment noodzaakt tot bijstelling van deze verordening kan de periode zoals genoemd in het tweede lid worden verlengd tot aan het moment van inwerkingtreding van deze bijstelling.
Toelichting: Experimenten zoals in dit artikel zijn beschreven, mogen alleen worden uitgevoerd met ministeriële goedkeuring.
Vervallen
Hoofdstuk 3 Integrale verordening - Wet maatschappelijke ondersteuning Artikel oude verordening Artikel 1 Begripsbepalingen
Artikel integrale verordening Artikel 3.1 Begripsbepalingen
Was
Wordt
algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening waarvan, gelet op de omstandigheden, aannemelijk is dat de cliënt daarover, ook als hij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken
algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening waarvan, gelet op de omstandigheden, aannemelijk is dat de belanghebbende daarover, ook als hij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken, mede in aanmerking nemende diens financiële positie in vergelijking met een inkomen op het minimumniveau
Toelichting: Dit begrip is op basis van jurisprudentie geactualiseerd. Artikel 1 Begripsbepalingen
Artikel 3.1 Begripsbepalingen
beleidsregels: beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Harderwijk
beleidsregels: beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeenten Ermelo, Harderwijk en Zeewolde
Artikel 1 Begripsbepalingen
Artikel 3.1 Begripsbepalingen
besluit: Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Harderwijk
nadere regels: Nadere regels maatschappelijke ondersteuning Ermelo, Harderwijk en Zeewolde
Artikel 1 Begripsbepalingen
Vervallen
beschermd wonen: wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorende toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen, bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving
vervallen
Toelichting: dit begrip staat in de Wmo 2015.
Artikel 1 Begripsbepalingen
Artikel 3.1 Begripsbepalingen
bijdrage in de kosten: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid, van de wet
bijdrage in de kosten: bijdrage als bedoeld in de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a Wmo 2015
Artikel 1 Begripsbepalingen
Vervallen
cliёntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen
Vervallen
-
duurvoorziening: een voorziening die wordt toegekend op periodieke basis in de vorm van dienstverlening
Toelichting: dit begrip staat in de Wmo 2015. -
Artikel 3.1 Begripsbepalingen
Toelichting: het begrip duurvoorziening is toegevoegd om aan te geven dat Wmo voorzieningen, zoals begeleiding en huishoudelijke hulp, voor een bepaalde periode (kunnen) worden toegekend. Artikel 1 Begripsbepalingen
Artikel 3.1 Begripsbepalingen
gesprek: het gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2., eerste lid van de wet na een melding waarin het college met degene die maatschappelijke ondersteuning vraagt zijn gehele situatie inventariseert ten aanzien van zijn mogelijkheden om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk dan wel met gebruikmaking van voorliggende voorzieningen, algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen of maatwerkvoorzieningen zijn zelfredzaamheid of participatie te verbeteren of te voorkomen dat hij gebruik moet maken van beschermd wonen
gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 Wmo 2015
of opvang -
Artikel 3.1 Begripsbepalingen
-
huisgenoot: iedere persoon met wie de belanghebbende duurzaam gemeenschappelijk een woning bewoont, anders dan in een commerciële huurders- of kostgangersrelatie
Artikel 1 Begripsbepalingen
Artikel 3.1 Begripsbepalingen
ingezetene: inwoner die hoofdverblijf heeft in de gemeente Harderwijk
ingezetene: belanghebbende die hoofdverblijf heeft in respectievelijk de gemeente Ermelo, de gemeente Harderwijk of de gemeente Zeewolde
Artikel 1 Begripsbepalingen
Vervallen
maatschappelijke ondersteuning: bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld
Vervallen
maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen: 1°. ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen; 2°. ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen; 3°. ten behoeve van beschermd wonen en
Vervallen
Toelichting: dit begrip staat in de Wmo 2015. Artikel 1 Begripsbepalingen
Vervallen
opvang Toelichting: dit begrip staat in de Wmo 2015. Artikel 1 Begripsbepalingen
Vervallen
mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep
Vervallen
Toelichting: dit begrip staat in de Wmo 2015. -
Artikel 3.1 Begripsbepalingen
-
meerkosten: meerkosten als bedoeld in artikel 2.1.7 Wmo 2015
-
Artikel 3.1 Begripsbepalingen
-
ondersteuningsplan: de schriftelijke weergave van de visie van het college inzake de te leveren ondersteuning, tot stand gekomen op basis van de beoordeling van de uitkomsten van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 Wmo 2015, waarin de adviezen, verwijzingen en afspraken, alsmede het overleg met de belanghebbende zijn betrokken, alsmede de beoogde resultaten
opvang: onderdak en begeleiding voor personen die de thuissituatie hebben verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat zijn zich op eigen kracht te
Vervallen
Toelichting: twee belangrijke Wmo begrippen toegevoegd. Artikel 1 Begripsbepalingen
Vervallen
handhaven in de samenleving Toelichting: dit begrip staat in de Wmo 2015. Artikel 1 Begripsbepalingen
Vervallen
participatie: deelnemen aan het maatschappelijke verkeer
Vervallen
Toelichting: dit begrip staat in de Wmo 2015. Artikel 1 Begripsbepalingen
Artikel 3.1 Begripsbepalingen
persoonlijk plan: plan waarin de inwoner de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, onderdelen a tot en met g van de wet, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen
persoonlijk plan: persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 Wmo 2015
-
Artikel 3.1 Begripsbepalingen
-
persoonlijk budgetplan: het verplicht door of namens de belanghebbende in te dienen plan dat de voorgenomen besteding van een aan te vragen persoonsgebonden budget beschrijft
Toelichting: de belanghebbende moet concreet maken waarvoor het persoonsgebonden budget nodig is. Artikel 1 Begripsbepalingen
Artikel 3.1 Begripsbepalingen
voorliggende voorziening: algemene voorziening of andere voorziening waarmee aan de hulpvraag wordt tegemoetgekomen
voorliggende voorziening: andere voorziening, niet zijnde een algemene of een algemeen gebruikelijke voorziening, waarmee geheel of deels aan de hulpvraag wordt tegemoetgekomen
Toelichting: begrip gewijzigd zodat hieronder de voorzieningen buiten het kader van de Wmo 2015 vallen. Artikel 4 Vooronderzoek; indienen persoonlijk plan
Artikel 3.4 Gesprek en onderzoek
1. Het college of de hiervoor in artikel 2 lid 3 bedoelde instantie verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en
1. Het college onderzoekt, mede op basis van een gesprek met degene door of namens wie de melding is gedaan, dan wel diens vertegenwoordiger, waar wenselijk met de mantelzorger en waar mogelijk met de familie
maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek. 1. Voor of tijdens het gesprek verschaft de cliënt het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college hiervoor het onderzoek nodig zijn en waarover hij de cliënt op dat moment redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De cliënt verstrekt in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage. 2. Het college of de hiervoor in artikel 2 lid 3 bedoelde instantie kan in overeenstemming met de cliënt afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste lid als: a. de cliënt genoegzaam bekend is bij de gemeente; b. een voorafgaand onderzoek gelet op het spoedeisende karakter op dat moment niet mogelijk of niet gewenst is; c. als blijkt dat er sprake is van een enkelvoudige, niet gecompliceerde ondersteuningsvraag. 3. Het college of de hiervoor in artikel 2 lid 3 bedoelde instantie brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet op te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen.
zo spoedig mogelijk, alles voor zover van toepassing en voor zover relevant in het kader van de Wmo 2015: a. de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de belanghebbende, waaronder mede begrepen diens godsdienstige en culturele voorkeuren; b. het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; c. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening; d. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening; e. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger; f. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, zoals opgenomen in het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 Wmo 2015, of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening; g. de mogelijkheden om door middel van voorliggende voorzieningen of door samen met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld
in de Zorgverzekeringswet en andere partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te voorzien in de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning; h. de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken; i. welke bijdragen in de kosten de belanghebbende met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 of artikel 2.1.4a Wmo 2015 verschuldigd zal zijn, en j. de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de belanghebbende in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. 2. Als de belanghebbende een persoonlijk plan aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid. Het college is niet gehouden in te stemmen met de inhoud van het persoonlijk plan, maar dient in voorkomende gevallen aan te geven waarom hiervan wordt afgeweken. 3. Het college informeert de belanghebbende over de gang van zaken bij het gesprek, de rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt de belanghebbende toestemming om zijn persoonsgegevens te verwerken. De belanghebbende is gerechtigd tot weigering, in dit geval zal de melding echter worden afgesloten omdat het college dan geen mogelijkheid heeft de noodzaak tot compensatie te onderzoeken. 4.
Als de hulpvraag genoegzaam bekend is of als gaat om een ondersteuningsvraag met een spoedeisend karakter of een enkelvoudige, niet gecompliceerde ondersteuningsvraag, kan het
college, voor het overige onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 Wmo 2015, in overleg met de belanghebbende afzien van een gesprek. Toelichting: de onderzoeksfase en het gesprek zijn in een artikel (artikel 3.4) opgenomen. Artikel 5 Gesprek
Artikel 3.4 Gesprek en onderzoek
1. Het college of de hiervoor in artikel 2 lid 3 bedoelde instantie onderzoekt in een gesprek tussen deskundigen en degene door of namens wie de melding is gedaan, dan wel diens vertegenwoordiger en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers en desgewenst familie of personen uit diens netwerk, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig: a. de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt; b. het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; c. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; d. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; e. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;
1. Het college onderzoekt, mede op basis van een gesprek met degene door of namens wie de melding is gedaan, dan wel diens vertegenwoordiger, waar wenselijk met de mantelzorger en waar mogelijk met de familie zo spoedig mogelijk, alles voor zover van toepassing en voor zover relevant in het kader van de Wmo 2015: a. de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de belanghebbende, waaronder mede begrepen diens godsdienstige en culturele voorkeuren; b. het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; c. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening; d. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening; e. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger;
f. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, zoals opgenomen in het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet, of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening of de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; g. de mogelijkheden om door middel van voorliggende voorzieningen of door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en andere partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang; h. de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken; i. welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de wet verschuldigd zal zijn, en j. de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. 2.
Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 4, vierde lid, aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid.
f. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, zoals opgenomen in het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 Wmo 2015, of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening; g. de mogelijkheden om door middel van voorliggende voorzieningen of door samen met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en andere partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te voorzien in de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning; h. de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken; i. welke bijdragen in de kosten de belanghebbende met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 of artikel 2.1.4a Wmo 2015 verschuldigd zal zijn, en j. de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de belanghebbende in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. 2. Als de belanghebbende een persoonlijk plan aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid.
Het college is niet gehouden in te stemmen met de inhoud van het persoonlijk plan, maar dient in voorkomende gevallen aan te geven waarom hiervan wordt afgeweken. 3. Het college informeert de belanghebbende
3. Het college of de hiervoor in artikel 2 lid 3 bedoelde instantie informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt de cliënt toestemming om zijn persoonsgegevens te verwerken. 4. Als de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college of de hiervoor in artikel 2 lid 3 bedoelde instantie onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet, in overleg met de cliënt afzien van een gesprek.
over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt de belanghebbende toestemming om zijn persoonsgegevens te verwerken. De belanghebbende is gerechtigd tot weigering, in geval de melding echter wordt afgesloten omdat het college dan geen mogelijkheid heeft de noodzaak tot compensatie te onderzoeken. 4. Als de hulpvraag genoegzaam bekend is of als gaat om een ondersteuningsvraag met een spoedeisend karakter of een enkelvoudige, niet gecompliceerde ondersteuningsvraag, kan het college, voor het overige onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 Wmo 2015, in overleg met de belanghebbende afzien van een gesprek.
Toelichting: de onderzoeksfase en het gesprek zijn in een artikel (artikel 3.4) opgenomen. Artikel 6 Verslag
Artikel 3.5 Ondersteuningsplan
1. Het college of de hiervoor in artikel 2 lid 3 bedoelde instantie zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek. 2. Binnen 7 werkdagen na het gesprek verstrekt het college of de hiervoor in artikel 2 lid 3 bedoelde instantie aan de cliënt een verslag van de uitkomsten van het onderzoek. 3. De cliënt tekent het verslag voor gezien of akkoord en zorgt ervoor dat een getekend exemplaar binnen 7 werkdagen wordt geretourneerd aan de contactpersoon waarmee hij het gesprek heeft gevoerd. 4. Als de cliënt tekent voor gezien, kan hij daarbij tevens aangeven wat de reden is waarom hij niet akkoord is. 5. Als de cliënt van mening is dat hij in
1. Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek in het ondersteuningsplan. 2. De belanghebbende tekent het ondersteuningsplan voor gezien of akkoord en zorgt ervoor dat een getekend exemplaar binnen zeven werkdagen wordt geretourneerd aan de contactpersoon waarmee hij het gesprek heeft gevoerd. 3. Als de belanghebbende tekent voor gezien kan hij daarbij tevens aangeven wat de reden is waarom hij niet akkoord is. 4. Als de belanghebbende van mening is dat hij in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, kan hij dit aangeven op
aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, kan hij dit aangeven op het door hem ondertekende verslag.
het door hem ondertekende ondersteuningsplan.
Toelichting: Na het onderzoek wordt in het ondersteuningsplan de schriftelijke visie van het college inzake de te leveren ondersteuning, waarin de adviezen, verwijzingen, afspraken en het gesprek/overleg met de belanghebbende zijn betrokken, en de beoogde resultaten vastgelegd. Artikel 7 Aanvraag
Artikel 3.6 Aanvraag
1. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden gedaan nadat het onderzoek als bedoeld in artikel 4 en 5 is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen zes weken na de ontvangst van de melding. 2. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan door of namens een cliënt schriftelijk of digitaal bij het college of de hiervoor in artikel 2 lid 3 bedoelde instantie worden ingediend. 3. Een ondertekend verslag van het gesprek kan dienen als aanvraag.
1. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan door of namens de belanghebbende schriftelijk bij het college worden ingediend. 2. Een ondertekend en geretourneerd ondersteuningsplan kan dienen als aanvraag.
-
Artikel 3.7 Specifiek beschermd wonen en opvang
-
Voor ‘college’ dient in deze paragraaf ten aanzien van beschermd wonen en opvang steeds gelezen te worden ‘de desbetreffende instantie’.
-
Artikel 3.8 Uitgangspunten voor de maatschappelijke ondersteuning
-
De algemene voorziening en de maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 1.1.1 Wmo 2015 dienen te voldoen aan de volgende uitgangspunten: a. de voorziening dient zo veel mogelijk dichtbij de belanghebbende te worden aangeboden. Dichtbij wil zeggen bij de belanghebbende thuis of in diens directe leefomgeving; b. bij het bieden van ondersteuning dient blijvende aandacht te bestaan voor de eigen kracht van de belanghebbende en de inzet van diens sociale netwerk;
c. de voorziening is gebaseerd op integraliteit en samenwerking met het sociaal netwerk, welzijnsorganisaties, professionele aanbieders, wijkverpleging en andere betrokkenen. Artikel 8 Criteria voor een maatwerkvoorziening
Artikel 3.9 Criteria voor een maatwerkvoorziening
1. Het college neemt het verslag, indien aanwezig, als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening.
1. Het college neemt het ondersteuningsplan als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening.
1. Met inachtneming van artikel 8 onder 1 kan een cliënt in aanmerking komen voor opvang als: - hij feitelijk of residentieel dakloos is en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving; - hij de situatie van dakloosheid en het niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen of andere maatwerkvoorzieningen gericht op het bevorderen van de participatie en zelfredzaamheid in voldoende mate kan verminderen of wegnemen; - opvang een passende, noodzakelijke en tijdelijke bijdrage levert aan het voorkomen van dakloosheid, het psychosociaal functioneren, voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast en/of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen en de behoefte van de cliënt met als doel het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel
Vervallen
Toelichting: verslag is gewijzigd in ondersteuningsplan. Artikel 9 Aanvullende criteria voor opvang en beschermd wonen
Vervallen
mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 2. Met inachtneming van artikel 8 onder 1 kan een cliënt (alsmede eventuele kinderen van deze cliënt) in aanmerking komen voor opvang als: - deze de thuissituatie heeft verlaten, in verband met risico’s voor de veiligheid van deze cliënt (en/of de kinderen van deze cliënt) als gevolg van huiselijk geweld, en de cliënt niet in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving; - deze de situatie - waarbij de cliënt de thuissituatie heeft verlaten, in verband met risico’s voor de veiligheid van de cliënt (en/of de kinderen van deze cliënt) als gevolg van huiselijk geweld - , niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen of andere maatwerkvoorzieningen gericht op het bevorderen van de participatie en zelfredzaamheid in voldoende mate kan verminderen of wegnemen; - opvang een passende, noodzakelijke en tijdelijke bijdrage levert aan het afwenden van gevaar voor de cliënt (en/of de kinderen van deze cliënt), voorkomen van dakloosheid, het psychosociaal functioneren, voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast en de behoefte van de cliënt met als doel het realiseren van een situatie waarin de cliënt (en/of de kinderen van deze cliënt) in staat wordt gesteld zich zo snel
mogelijk weer op eigen kracht en in een veilige situatie zich te handhaven in de samenleving. 3. Met inachtneming van artikel 8 onder 1 kan
een cliënt in aanmerking komen voor beschermd wonen op grond van de Wmo 2015 als: - hij psychische- of psychosociale problemen heeft en niet in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving en - hij de situatie van psychische of psychosociale problemen - met als gevolg het niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving - niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen of maatwerkvoorzieningen gericht op het bevorderen van de participatie en zelfredzaamheid in de thuissituatie in voldoende mate kan verminderen of wegnemen; - beschermd wonen een passende en noodzakelijke bijdrage levert aan het bevorderen van de zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast en/of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen en daarbij voorziet in de behoefte van de cliënt met als doel het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Artikel 10 Voorwaarden en weigeringsgronden
Artikel 3.10 Voorwaarden en weigeringsgronden
1. b. voor zover de inwoner op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk de beperkingen kan wegnemen; d. indien de voorziening voor een persoon als
1. b. voor zover de belanghebbende op eigen kracht, met een algemeen gebruikelijke voorziening, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk de beperkingen kan
de inwoner algemeen gebruikelijk is;
wegnemen;
Toelichting: De in lid 1 opgenomen sub b en d zijn in de nieuwe verordening samengevoegd. Artikel 10 Voorwaarden en weigeringsgronden
Vervallen
h. Indien de cliënt tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft betoond.
Vervallen
Toelichting: Sub h is op juridisch gronden komen te vervallen. Artikel 10 Voorwaarden en weigeringsgronden
Artikel 3.10 Voorwaarden en weigeringsgronden
3. Geen woonvoorziening wordt verstrekt: a. voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; b. ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen, ADL-clusterwoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting; c. voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting.
3. Geen woonvoorziening wordt verstrekt: a. voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen of de slechte staat van het onderhoud; b. ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, tweede woningen, niet gelegaliseerde vakantie‐ en recreatiewoningen, zogenaamde ADL-clusterwoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting; c. voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte;
-
Artikel 3.10 Voorwaarden en weigeringsgronden
-
f. indien deze betrekking heeft op een woongebouw, dat specifiek gericht is op mensen met beperkingen of dat in de praktijk bewoond wordt door een specifieke groep en waarvan vast staat dat de voorziening niet voldoet aan de voor een dergelijke woning op
grond van wettelijke voorschriften, algemeen aanvaarde regels of contractuele bepalingen geldende vereisten en waarvan is aangetoond dat de aangevraagde voorziening bij wel voldoen aan die vereisten niet nodig is.
Toelichting: Onder lid 3 is sub f in de nieuwe verordening toegevoegd. Dit om te voorkomen dat in specifieke (aangepaste) woongebouwen in het kader van de Wmo nog woonvoorzieningen moeten worden verstrekt. -
Artikel 3.10 Voorwaarden en weigeringsgronden
-
Toelichting: De leden 5 t/m 7 is regelgeving die vanuit de nadere regels overgeheveld moet worden naar de verordening.
5. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen bij het normale gebruik van de woning en het zich verplaatsen in de woning kan het college het primaat van verhuizen toepassen, tenzij de noodzakelijke aanpassingsen verhuiskosten lager zijn dan € 6.000. 6. Indien de aanpassings- en verhuiskosten hoger zijn dan het in lid 5 genoemde bedrag kan de belanghebbende er voor kiezen niet te verhuizen, maar de woning met inzet van eigen middelen aan te passen. Hij ontvangt dan een tegemoetkoming ter hoogte van het in lid 5 genoemde bedrag. 7. In afwijking van het bepaalde in de voorgaande leden wordt slechts tot een gedeeltelijke weigering besloten, indien en voor zover de overige oplossingen de hulpvraag slechts voor een deel oplossen. 8. De normale afschrijvingstermijn als bedoeld in lid 1 onderdeel e bedraagt zeven jaar voor hulpmiddelen.
Artikel 12 Inhoud beschikking
Artikel 3.12 Inhoud beschikking
1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is, waaronder de termijn waarop een voorziening technisch is afgeschreven; 4. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: d. wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, 5. Als sprake is van een te betalen bijdrage wordt de cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd.
1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt. 2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. welke maatwerkvoorziening verstrekt wordt en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. bij duurvoorzieningen, wat de ingangsdatum en beoogde duur van de verstrekking zijn; d. welke rechtsmiddelen tegen de beschikking kunnen worden aangewend. 3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: d. bij duurvoorzieningen, wat de ingangsdatum en de beoogde duur zijn van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld; e. de termijn waarna de beschikking wordt ingetrokken, zoals vermeld onder artikel 3.22 lid 4; h. welke rechtsmiddelen tegen de beschikking kunnen worden aangewend. 3. Bij het besluit wordt aan de belanghebbende informatie verstrekt over de rechten en de plichten van de belanghebbende op grond van de Wmo 2015, de verordening en de nadere regels. 4. Als sprake is van de toepasselijkheid van een te betalen bijdrage in de kosten wordt de belanghebbende over deze toepasselijkheid in de beschikking geïnformeerd.
Toelichting: de inhoud van de beschikking is (juridisch) geactualiseerd. Artikel 13 Regels voor pgb
Artikel 3.13 Regels voor pgb
1. Het college of de hiervoor in artikel 2 lid 3 bedoelde instantie verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet.
1. Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 Wmo 2015. 2. De belanghebbende kan alleen voor een pgb in aanmerking komen, indien hij een volledig ingevuld persoonlijk budgetplan heeft overgelegd. 3. De belanghebbende aan wie een pgb wordt toegekend, dient ervoor te zorgen dat de natuurlijke persoon of rechtspersoon die namens deze de ondersteuning moet gaan bieden voldoet aan de in artikel 3.19 lid 2 opgenomen kwaliteitseisen. 4. Een pgb voor ondersteuning door zelfstandige ondernemers dan wel andere juridische constructies die geacht kunnen worden niet of nauwelijks overheadkosten te maken, wordt alleen verstrekt indien: a. deze staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel; b. deze beschikt over een actuele verklaring omtrent gedrag; c. deze beschikt over een adequate opleiding; d. deze, voor zover dit voor de aard van de dienstverlening is vereist, beschikt over een voor de beroepsgroep relevante registratie; e. deze meewerkt aan een cliëntervaringsonderzoek en of de daarvoor benodigde informatie verstrekken; f. deze de Nederlandse taal spreekt en schrijft. 5. Een pgb voor ondersteuning vanuit het sociale netwerk wordt alleen verstrekt indien: a. de ondersteuning de gebruikelijke hulp overstijgt;
b. de ondersteuning structureel van een behoorlijke omvang is, c. de geboden ondersteuning passend, adequaat en veilig is; d. de persoon uit het sociale netwerk die de ondersteuning gaat verlenen, zich voldoende op de hoogte heeft gesteld van de verantwoordelijkheden die aan het bieden van de ondersteuning verbonden zijn, e. er bij de persoon uit het sociale netwerk die de hulp gaat bieden geen sprake is van overbelasting of dreiging daarvan; f. de persoon uit het sociaal netwerk op basis van opleiding en/of ervaring in staat moet zijn de in de individuele situatie vereiste dienstverlening te realiseren; g. de persoon uit het sociaal netwerk beschikt over een actuele verklaring omtrent het gedrag, tenzij de persoon een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad is; h. deze de Nederlandse taal spreekt en schrijft. Artikel 13 Regels voor pgb
Artikel 3.13 Regels voor pgb
2. Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet verstrekt het college of de hiervoor in artikel 2 lid 3 bedoelde instantie geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was.
6. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.6 leden 2 en 5 Wmo 2015 verstrekt het college geen pgb: a. voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was; b. als het bieden van een keuze voor een pgb negatieve gevolgen zou hebben voor het voortbestaan van het systeem van de desbetreffende maatwerkvoorzieningen in natura;
c. de belanghebbende geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; d. de belanghebbende problematische schulden heeft, een schuldsaneringstraject doorloopt of onder de wet schuldsanering natuurlijke personen valt, tenzij de bewindvoerder het volledige beheer van het pgb op zich neemt. De kosten hiervan moet de belanghebbende betalen; e. de belanghebbende door verwijtbaar gedrag onder toezicht staat of een bewindvoerder heeft, tenzij de bewindvoerder het volledige beheer van het pgb op zich neemt. De kosten hiervan mogen niet uit het pgb worden vergoed; f. als de (beoogd) gemachtigde of beheerder van het pgb ook de uitvoerder van de ondersteuning is, of op een andere manier betrokken is bij de uitvoerende organisatie, bijvoorbeeld als directeur of bestuurder; g. er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, zoals bedoeld in artikel 2.3.3 Wmo 2015; h. het pgb bestemd is voor besteding in het buitenland. 7. Het pgb mag niet worden besteed aan: a. tussenpersonen of belangenbehartigers voor hun pgb-beheerstaken b. administratie- en/of bemiddelingskosten; c. kosten van coördinatie; d. crisishulp/crisisopvang; e. een vrij besteedbaar bedrag/ vrijwilligersvergoeding; f. reiskosten van de ondersteuner; g. een feestdagenuitkeringen aan de
ondersteuner; h. voorzieningen waarvoor een collectieve voorziening aanwezig is; i. andere kosten dan het leveren van de ondersteuning. 8. Bij het betrekken van diensten van een persoon die behoort tot het sociale netwerk, zijn de eisen inzake continuïteit niet van toepassing op dienstverleners vanuit het eigen netwerk. Artikel 13 Regels voor pgb
Artikel 3.14 Hoogte persoonsgebonden budget
3. De hoogte van een pgb: a. wordt vastgesteld aan de hand van een door de cliënt opgesteld plan over hoe hij het pgb gaat besteden; b. wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering, en c. bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura.
1. De hoogte van het pgb wordt bepaald aan de hand van de kostprijs van de in de desbetreffende situatie goedkoopst adequate voorziening in natura en is toereikend voor de aanschaf daarvan, en omvat, zo nodig, een vergoeding voor onderhoud, reparatie en verzekering. Het pgb is niet hoger dan het maximum van de kostprijs van de goedkoopst adequate voorziening in natura vergoed. 2. Onverminderd hetgeen in het vorige lid is bepaald, wordt bij het bepalen van de hoogte van het pgb voor een zaak ook rekening gehouden met een reële termijn voor de technische afschrijving.
Artikel 13 Regels voor pgb
Artikel 3.14 Hoogte persoonsgebonden budget
4. Het college stelt nadere regels ten aanzien van de berekeningswijze van pgb’s met inachtneming van de volgende bepalingen voor Begeleiding en Beschermd Wonen: a. De pgbtarieven voor Begeleiding Individueel en Kortdurend Verblijf zijn onderscheiden in: 1. een tarief voor hulpverleners die werken volgens vastgestelde kwaliteitsstandaarden. Deze kwaliteitsstandaarden liggen vast in de
3. Onverminderd hetgeen in de vorige leden is bepaald, wordt, voor zover de belanghebbende een persoonlijk budgetplan heeft ingediend, het tarief voor het pgb gebaseerd op het door de belanghebbende opgestelde persoonlijk budgetplan over hoe hij het pgb gaat besteden met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden. 4. Het pgb-tarief voor hulp bij het huishouden
offerteaanvraag Wmo begeleiding in natura 2015; 2. een tarief voor hulpverleners die niet werken volgens vastgestelde kwaliteitsstandaarden. Eisen aan deze hulpverleners zijn: - De aanbieder moet ingeschreven staan bij de Kamer van Koophandel; - De hulpverlener moet beschikken over een actuele Verklaring Omtrent Gedrag (VOG); - De hulpverlener moet over een adequate opleiding beschikken; - De hulpverlener moet, voor zover dit voor de aard van de dienstverlening vereist is, beschikken over een BIG-registratie; - De aanbieder moet meewerken aan een cliëntervaringsonderzoek en/of daarvoor de benodigde informatie te verstrekken. 3. Een tarief voor hulpverleners uit het eigen sociale netwerk. 5. Het pgb-tarief voor Beschermd wonen wordt bepaald op basis van een naar aard en omvang oplopend percentage tot maximaal 80% van de in het besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Harderwijk gehanteerde kostprijzen van de maatwerkvoorzieningen beschermd wonen in natura.
is: a. 100 procent van het naturatarief voor dienstverleners die werken volgens vastgestelde kwaliteitsstandaarden; b. 75 procent van het naturatarief voor zelfstandige ondernemers dan wel andere juridische constructies die geacht kunnen worden niet of nauwelijks overheadkosten te maken; c. 50 procent van het naturatarief voor dienstverleners uit het sociaal netwerk. 5. Het pgb-tarief voor begeleiding is: a. 100 procent van het naturatarief voor dienstverleners die werken volgens vastgestelde kwaliteitsstandaarden; b. 75 procent van het naturatarief voor zelfstandige ondernemers dan wel andere juridische constructies die geacht kunnen worden niet of nauwelijks overheadkosten te maken; c. gelijk aan het tarief dat werd gebruikt in de Algemene wet bijzondere ziektekosten voor dienstverleners uit het sociaal netwerk. 6. Het pgb-tarief voor kortdurend verblijf is: a. 100 procent van het naturatarief voor dienstverleners die werken volgens vastgestelde kwaliteitsstandaarden; b. 75 procent van het naturatarief voor zelfstandige ondernemers dan wel andere juridische constructies die geacht kunnen worden niet of nauwelijks overheadkosten te maken; c. € 30,00 per etmaal voor dienstverleners uit het sociaal netwerk. 7. Voor eerste- en tweedegraads bloed- en
aanverwanten geldt het tarief voor een persoon uit het sociaal netwerk, ook al is iemand een zelfstandige zonder personeel of werkzaam bij een erkende instelling, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om hiervan af te wijken. 8. Het pgb-tarief voor beschermd wonen is 80% van het geldende naturatarief. 9. Voor vervoer bij begeleiding groep is een opslag mogelijk voor de heen- en de terugreis zowel bij regulier vervoer als bij rolstoelgebruik. Deze opslag is gelijk aan het bedrag dat wordt betaald aan de natura-aanbieder. Artikel 13 Regels voor pgb
Artikel 3.14 Hoogte persoonsgebonden budget
6. Een cliënt aan wie een pgb wordt verstrekt, kan diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk als: a. deze persoon hiervoor een tarief hanteert dat niet hoger is dan het op grond van het derde en vierde lid gehanteerde tarief en b. tussenpersonen of belangenbehartigers niet uit het pgb worden betaald.
10. De belanghebbende aan wie een pgb wordt verstrekt, kan diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk als deze persoon hiervoor een tarief hanteert dat niet hoger is dan het op grond van de leden 1 tot en met 7 gehanteerde tarief. Voor diensten dient de belanghebbende de bepalingen uit het Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag in acht te nemen.
-
Artikel 3.14 Hoogte persoonsgebonden budget
-
11. Het pgb voor de verhuis- en herinrichtingskostenvergoeding bedraagt € 2.500,-, welk bedrag niet vaker dan eens per zeven jaar kan worden verstrekt. 12. Aan de belanghebbende die op verzoek van het college een aangepaste – rolstoelgeschikte – woning verlaat, kan een, in beginsel kostendekkend maar op € 10.000,gemaximeerd, pgb worden verstrekt. 13. Een pgb voor woningsanering, die noodzakelijk is in verband met een
longaandoening zoals cara en/of allergische aandoeningen, en rolstoelvast tapijt is slechts eenmalig en vindt plaats aan de hand van de volgende maximale vergoedingsbedragen: a. vloerbedekking per strekkende meter (4 meter breed) € 56,-; b. gordijn woonkamer per vierkante meter raamoppervlakte € 30,-; c. gordijn slaapkamer per vierkante meter raamoppervlakte € 22,50. 14. Bij vervanging van aanwezige vloerbedekking en/of gordijnen gelden de volgende vergoedingspercentages: Ouderdom te vervangen artikel; Te vergoeden percentage 0 tot 2 jaar; 100% 2 tot 4 jaar; 75% 4 tot 6 jaar; 50% 6 tot 8 jaar; 25% Ouder dan 8 jaar; 0% 15. De hoogte van het pgb voor tijdelijke huisvesting wordt voor maximaal zes maanden verstrekt en bedraagt de werkelijke kosten van de kale huur tot een maximum van: a. € 650,- per maand voor zover het gaat om een zelfstandige woonruimte; b. € 350,- per maand voor zover het gaat om een niet zelfstandige woonruimte. 16. Het college kan een pgb voor het vrijhouden van een woning/huurderving toekennen aan een woningbouwcorporatie of andere verhuurder voor de werkelijke kosten tot een maximum van € 650,- per maand. 17. Het pgb voor gebruik van vervoer bedraagt: