3. Aanmeldnotitie m.e.r..pdf
Tekst van het document
Doel van de Wet Vooruitlopend op de Omgevingswet beoogt het Rijk met de bovengenoemde samenvoeging van drie wet ten in de Wnb, invulling te geven aan vermindering en vereenvoudiging van het aantal regels. Artikel 1.10 geeft aan dat de Wnb gericht is op a. het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behou den en herstellen van de biologische diversiteit; b. het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies, en c. het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische beteke nis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies. Hiermee is ook duidelijk dat natuur en economie beide van belang worden geacht en dat het ontwikkelen van natuur ten dienste kan staan van maatschappelijke functies. Of zoals de memorie van antwoord het stelt: 'De ambitie van het natuurbeleid en het doel van de natuurwetgeving is om de natuur en de maat
schappij, ecologie en economie, met elkaar te verbinden en zo mogelijk elkaar laten versterken. ’ Ook is er de verplichting natuurvisies op te stellen (art. 1.5-1.7). Dit gebeurt op provinciaal niveaus via een Natuur- of Omgevingsvisie en het vaststellen van een verordening. Ook het Rijk stelt een nationale Na tuurvisie op. Qua beschermingsniveau gelden in ieder geval de Europese regels en zijn beperkt aanvul lende regels op nationaal niveau gesteld ter bescherming van soorten. De Wnb zal t.z.t (medio 2019) in principe integraal worden opgenomen in de Omgevingswet, via de Aanvullingswet natuur.
Bevoegdheid Een andere belangrijke wijziging is dat in de meeste gevallen de Provincie het bevoegd gezag is, voor vrijwel alle vergunningen, ontheffingen, meldingen en handhaving van het natuurbeleid. De provincie heeft conform art. 1.12 een actieve rol in de bescherming, instandhouding en herstel van de natuur in de provin cie. Het aanwijzen van gebieden behorende tot het Natuurnetwerk Nederland is een verplichting. Daar naast mogen provincies ook bijzondere provinciale natuurgebieden of landschappen aanwijzen. Alleen bij nationale belangen, zoals bijv. hoofdwegen en spoorwegen, is het Rijk bevoegd gezag. Gemeenten blijven wel het eerste aanspreekpunt voor de aanvraag van een Omgevingsvergunning. Het is evenals in de oude situatie niet verplicht om voor natuur ‘aan te haken'. Een ontheffing of vergunning voor de natuur is los van de omgevingsvergunning aan te vragen. Een ontheffing Flora- en Faunawet lag bij Rijksdienst voor On dernemend Nederland (RVO.nl). Deze taak is dus nu ook naar de provincie overgegaan. Daarmee is de provincie in de meeste gevallen bevoegd gezag voor zowel de soort- als de gebiedsbescherming.
Procedures Er staat in beginsel een doorlooptijd van 13 weken voor zowel een ontheffing als voor een vergunning. Verlenging is mogelijk met maximaal 7 weken. Bij aanhaken binnen de Omgevingsvergunning geldt de uit gebreide procedure van 26 weken. Bezwaar en beroep moet eerst bij een regionale rechtbank worden in gediend en daarna in voorkomende gevallen naar de Raad van State. In Art. 5.13 was een aanhaakverplichting opgenomen. D.w.z. dat bij een aanvraag Wnb verplicht moet meelopen bij een aanvraag Omge vingsvergunning. Deze verplichting is vooralsnog geschrapt, in ieder geval tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet (medio 2019). Het is dus mogelijk een Wnb vergunning aan te vragen los van de Omge vingsvergunning. Vrijwillig aanhaken mag wel.
Gemeenten behouden de loketfunctie. Bij een aanvraag Omgevingsvergunning waar gevolgen kunnen zijn voor beschermde soorten, moet een natuurtoets deel uitmaken van de procedure. Een eventuele onthef fing kan vooraf worden aangevraagd bij de provincie. Als bij het indienen van een aanvraag Omgevings vergunning vooraf geen aparte ontheffing Wnb is aangevraagd moet de natuurtoets wel aanhaken. De gemeente legt de aanvraag dan voor aan de provincie. De provincie geeft op grond van de inhoudelijke toetsing al dan niet een Verklaring van geen bedenkingen (Vvgb) af. 1.3 Stappenplan soortenbescherming
Komen er beschermde soorten voor in het gebied?
L/t op, ŕr 2ijn dne íůĩeQontėf\ ŭwíter/ndŕ soortŕn. volets. overage t uropeo Sn JrerriJe noor'.en en ondge rndtionaon beschermde suc*rert| Z# pűrdĮļrûúf 11 Įr/t A
būiűÿēā
ļ
Geen ontheffing nodig
Worden de verbodsbepa mgen overtreden?
Ut Op, tíà* aŭegor* tf, Vrmrfe hċurtgi heeft eiįjgl verbodsbepalingen. ZrtķatŭQiacįO-Ì. |
Geen ontheffing nodig
ĮQ VaÜen de mandelingen onder een vrijstelling?
Let op. af?tantte4|fr vm tel type hoadeMg en de ddnget/ctfen soorten Runnen vendu I lende *r piellmgen ÿeJden vc CvvoorSec ld er.-i aetframmde Of provmcMte
Geen ontheffing nodig
Is er een alternatieve oplossing mogelijk?
Doorloop het stappenplan opnieuw met het ahematief
Is er sprake van een wettelijk belang?
Let opt e.'ke categorie L Iţst met belangen. Ze
Geen ontheffing mogelijk
Is er een effect op de staat van instandhouding?
Geen ontheffing mogelijk
Ontheffing kan onder voorwaarden worden verleend
Stappenplan soortbescherming ruimtelijke ingrepen (folder Min. EZ)
Soortbescherming In art. 1.10 is de intrinsieke waarde van de natuur expliciet erkend. Het bevoegd gezag oefent taken en bevoegdheden uit met het oog op die doelen. Eén van de instrumenten is het opstellen van een natuurvi sie, zowel nationaal als provinciaal, waarin het beleid en de bescherming expliciet is uitgewerkt. Voor de soortenbescherming wijkt de Wet natuurbescherming af van de voorheen geldende Flora- en Faunawet. Er zijn drie beschermingsniveaus te onderscheiden, twee op Europese en één op nationale grondslag. Dit vloeit voort uit het principe dat de regelgeving in principe niet strenger hoeft te zijn dan de Europese regels. Daarmee wijzigt ook een aantal definities. Zo is in art. 3.1 Wnb het woord ‘opzettelijk'
toegevoegd. Het opzettelijk doden, vangen is niet toegestaan. Het opzettelijk verstoren is in sommige situ atie wel toegestaan, als dat niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort. Voorwaardelijke opzet is hierbij inbegrepen. Dat is bewust de kans aanvaarden dat gedragingen schadelij ke gevolgen hebben voor beschermde soorten. Uit het voorgaande blijkt dat natuuronderzoek vooraf, in veel gevallen een vereiste is. Beschermingsregime De Wnb kent drie invalshoeken van bescherming. Twee geënt op de Europese regels en één op nationaal niveau. Daarbij zijn de regels van de Europese bescherming vrijwel één op één overgenomen. Vogelrichtlijnsoorten : Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (art. 3.1-3.4 Wnb) Habitatrichtlijnsoorten : Dier- en plantensoorten die strikt beschermd zijn uit Bijlage IV Habitatrichtlijn, Bij lage I en II van het verdrag van Bern en Bijlage II van het verdrag van Bonn (art. 3.5-3.9 Wnb). Andere soorten : Dier- en plantensoorten genoemd in Bijlage bij art. 3.10 en 3.11 Wet natuurbe scherming Onderdeel A en B. Ca. 145 soorten. Hiermee zijn ca. 700 soorten vogels en ca. 230 andere Europese en nationale soorten beschermd. Voor ca. 200 soorten die eerder wel beschermd waren onder de Flora- en Faunawet geldt nu alleen de algeme ne zorgplicht.
De indeling in de Tabel 1, 2 en 3 soorten uit de Flora- en Faunawet is verdwenen. Daarvoor in de plaats kunnen de provincies een vrijstellingsverordening opstellen. Deze kunnen dus per provincie verschillen, wat ook de bedoeling is van de wetgever. Zo kunnen regionaal bedreigde soorten worden beschermd en daar waar geen bedreiging bestaat op populatieniveau is minder bescherming nodig. Verboden De Wnb kent voor elk van de drie categorieën van beschermde soorten aparte bestuursrechtelijke en straf rechtelijke verboden. Deze sluiten aan bij de verboden in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de nationale soorten geldt een iets soepeler regime met minder verboden en meer ruimte voor afweging van belangen. Alle verboden zijn van toepassing op individuen. Het opzettelijk handelen omvat ook voorwaar delijke opzet. Dat betekent het bewust de aanmerkelijke kans aanvaarden dat een gedraging schadelijke gevolgen heeft voor beschermde soorten. Relevante belangen voor vrijstellingen bij ruimtelijke ingrepen In de Wnb is een regeling opgenomen voor de jacht (art. 3.20 e.v.), een landelijke regeling voor schadebestrijding (art. 3.15), gedragscodes (art. 3.31), regulier onderhoud en beheer Rijk (regeling) en enkele bij zondere vrijstellingsregelingen (bijv. dierenambulances).
Er zijn 6 landelijke schadesoorten aangewezen, te weten: Canadese gans, houtduif, kauw, konijn, vos en zwarte kraai. Er is een landelijke vrijstellingsrege ling voor regulier beheer en onderhoud e.d. in gevallen waar het Rijk bevoegd is (in regeling aangewezen nationaal beschermde soorten). Provincies hebben de bevoegdheid om vrijstellingen te verlenen (PS) of ontheffingen (GS) van de verbo den genoemd in de art. 3.3, 3.8 of 3.10. Om te kunnen afwijken van de verbodsbepalingen gelden 3 voorwaarden (ar. 3.3 lid 4, 3.8 lid 5, 3.10 lid 2): Er is geen andere bevredigende oplossing Er moet een in de wet genoemd wettelijk belang zijn (verschillend per beschermingsregime) De ingreep mag geen afbreuk doen aan de gunstige staat van instandhouding van de soort Als aan deze drie is vereisten voldaan, is het aanvragen van een ontheffing mogelijk. Daarnaast is het mogelijk dat er aanvullende vrijstellingen gelden voor bepaalde handelingen. Bijvoorbeeld door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode (met maatregelen voor de betreffende soort en handeling), of zoals omschreven in een provinciale verordening. De genoemde belangen verschillen per type beschermingsregime. Dit kan van belang zijn voor het al dan niet verkrijgen van een ontheffing.
Soorten Vogelrichtlijn: - in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; - ter bescherming van flora of fauna; Dier- en plantensoorten Habitatrichtlijn/verdragen van Bern en Bonn: - in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of
- in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; - in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen vanggroot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; Nationaal beschermde soorten planten en dieren: - in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; - in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; - in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, wa terstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbe heer; - in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een be paald gebied; of - in het algemeen belang. Gedragscode (art. 3.31) Verboden en meldingen (art. 3.1, 3.2, 3.5, 3.6, 3.10 Wnb) zijn niet van toepassing als handelingen aan toonbaar worden uitgevoerd conform een door de Minister goedgekeurde gedragscode.
De gedragscode moet ook feitelijk betrekking hebben op de betreffende soort, uit te voeren handelingen en plaatsvinden in het kader van één van de volgende doelen: - Bestendig gebruik, beheer en onderhoud - Ruimtelijke ontwikkeling of inrichting Er moet gewaarborgd zijn dat er geen benutting of economisch gewin plaatsvindt en er sprake is van zorg vuldig handelen. Bestaande gedragscodes van de Flora- en Faunawet blijven geldig (max. 5 jaar) tot een nieuwe gedrags code conform de Wnb is goedgekeurd. Vogels Bij vogels is verstoring tijdens het broedseizoen niet per sé verboden als de gunstige staat van instand houding niet in gevaar is (zorgplicht geldt wel). Dit geldt alleen voor het verstoren. Het vernielen of be schadigen van nesten blijft verboden. Voor de jaarrond beschermde soorten mogen de nesten niet worden beschadigd of vernietigd. Wel kan verstoring er toe leiden dat beschermde vogels kiezen voor een alterna tieve nestlocatie. Ook hier geldt altijd de algemene zorgplicht. Dat houdt onder meer in dat een initiatief nemer zich tijdig op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan, de moge lijke gevolgen van het plan voor de natuur en mogelijke maatregelen om negatieve gevolgen tegen te gaan. In onderstaande tabel zijn de verschillen tussen de oude regelgeving en de Wnb weergegeven:
Verboden Flora- en Faunawet
Verboden Wet natuurbescherming
Doden, verwonden, vangen Opzettelijk verontrusten Beschadigen, vernielen, uithalen, verstoren nesten, holen, vaste rust- of verblijfplaatsen Rapen, uit nest nemen, beschadigen of vernietigen van eieren Handel, vervoer en onder zich hebben Uitzetten in vrije natuur
Opzettelijk doden of vangen Opzettelijk storen Opzettelijk vernielen, beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren of wegnemen nesten Rapen en onder zich hebben van eieren Handel, vervoer en onder zich hebben Uitzetten in vrije natuur
De bescherming van een nest omvat ook de inhoud en functionele omgeving daarvan, voor zover het broedsucces daarvan afhankelijk is. Dit impliceert dat inheemse in gebruik zijnde nesten beschermd zijn gedurende het broedseizoen. Buiten het broedseizoen zijn nesten niet beschermd, behalve voor soorten met jaarrond beschermd nesten.
Jaarrond beschermde nesten Vooralsnog is de verwachting dat de indeling van de jaarrond beschermde nesten niet zal wijzigen onder de Wet natuurbescherming. Het betreft dan de indeling waarbij nesten van vogelsoorten in categorie 1 t/m 4 jaarrond beschermd zijn. De nesten van soorten in categorie 5 zijn beschermd als er onvoldoende alter natieven zijn. De Provincie kan per verordening hiervan afwijken.
Verstoring In art. 3.1 lid 4 is opgenomen dat het opzettelijk verstoren van vogels verboden is. Lid 5 stelt dat dit niet van toepassing is als de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort (doden en vernielen van nesten blijft dus wel verboden). Dit vraagt dan om na der en specifiek onderzoek, zoals om welke soort het gaat (algemeen/zeldzaam/bedreigd), de locatie, de periode van het jaar en de intensiteit, duur en frequentie van de verstorende activiteit en of er voldoende uitwijkmogelijkheden zijn. Verstoring in het broedseizoen ligt daarbij heel kritisch als dit invloed heeft op het broedsucces (art. 5d Vogelrichtlijn).
Zorgplicht (art. 1.11 Wnb) In artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming is de zorgplicht omschreven. De zorgplicht geldt voor alle soorten en alle beschermde gebieden. Dus ook voor niet specifiek in de wetgeving benoemde soorten. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor beschermde gebieden, in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een beschermd gebied of voor in het wild le vende soorten, laat deze handelingen achterwege. Indien het achterwege laten redelijkerwijs niet kan wor den gevraagd, worden maatregelen getroffen om de gevolgen te voorkomen, of zoveel mogelijk beperkt of ongedaan gemaakt. Dat houdt onder meer in dat een initiatiefnemer zich tijdig op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen van het plan. Bij de uitvoe ring moeten negatieve gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen dan wel beperkt of ongedaan ge maakt. In art. 7.2 is bepaald dat Gedeputeerde Staten bevoegd zijn tot handhaving (last onder bestuursdwang).
Gebiedsbescherming De bescherming van gebieden is geregeld via een aantal sporen. Dat zijn Natura 2000 gebieden, gebie den behorende bij het natuurnetwerk Nederland (NNN), provinciale natuurgebieden of provinciale land schappen. Deze laatste twee zijn nieuw t.o.v. de wetgeving voor 1 januari 2017. Natura 2000 gebieden De Natura 2000 gebieden zijn op basis van Europese regels aangewezen als beschermde gebieden, incl. de daarbij horende beschermde soorten en habitats. Omdat de Europese regels worden gevolgd is er ten aanzien van de gebiedsbescherming niet veel gewijzigd. Nederland kent een 164 Natura 2000 gebieden, waarvoor instandhoudingsdoelen zijn vastgesteld. Per gebied is het ook de bedoeling beheerplannen vast te stellen. Daarin staat o.a. welke maatregelen nodig zijn om de natuurdoelen te halen en welk (bestaand en toekomstig) gebruik al dan niet vergunningplichtig is. Voor regulier onderhoud en beheer is dan in prin cipe geen vergunning nodig (Art. 2.9 Wnb). Overigens blijft de zorgplicht altijd gelden. Omdat de meeste onder de oude wetgeving beschermde natuurmonumenten in een Natura 2000 gebied liggen is de aparte bescherming van deze natuurmonumenten vervallen. Als handelingen kunnen leiden tot nadelige effecten voor instandhoudingsdoelen van een Natura 2000 gebied is een vergunning nodig. Zoals gezegd is de provincie meestal bevoegd gezag.
De vergunning aanvraag kan apart bij de provincie of via de Omgevingsvergunning bij de gemeente.
Passende beoordeling (Art. 2.7-2.8 Wnb) Als een project of andere handeling gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, mogelijk schadelijke ge volgen heeft voor een Natura 2000-gebied is een natuurvergunning noodzakelijk, tenzij een wettelijke uit zondering geldt. Uitzonderingen zijn bijvoorbeeld het handelen conform een vastgesteld beheerplan of een programma (PAS, Art. 2.9 Wnb) of het weiden van vee (Art. 2.9 Regeling Wnb). Ook bestaand gebruik op referentiedatum 31 maart 2010 is een uitzondering. Het bevoegd gezag moet hier dan wel redelijkerwijs van op de hoogte (kunnen) zijn en de handelingen mogen niet of niet in betekenende mate zijn gewijzigd. Mogelijk leidt dit tot discussies vanwege oudere Europese data voor Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden, resp. 10 juni 1994 en 7 december 2004. Er is overigens geen definitie van een project of een andere handeling. Alle activiteiten welke geen project zijn, zijn daarmee feitelijk ‘andere handelingen'. Onderzoek moet uitwijzen of deze gevolgen significant kunnen zijn. De gevolgen moeten worden beoor deeld in samenhang met die van andere plannen en projecten (‘cumulatieve effecten'). Als er geen effec ten zijn, is geen vergunning nodig. Als de effecten klein zijn, volgt een verslechterings- en verstoringstoets'. Bij mogelijke significante effecten volgt een ‘passende beoordeling'.
Het positieve effect van maat regelen mag niet bij de afweging voor vergunningplicht worden betrokken. Dat mag wel bij het besluit op een vergunningaanvraag.
In de verslechterings- en verstoringstoets worden de effecten gespecificeerd. Daarbij hoeft dan niet meer naar cumulatieve effecten te worden gekeken. Het bevoegd gezag beoordeelt of de effecten aanvaardbaar zijn of niet. Aan de vergunning kunnen beperkende voorwaarden worden verbonden (mitigatie en com pensatie). De passende beoordeling is veel uitgebreider. Op basis van de beste wetenschappelijke kennis dienen de effecten op de habitats en soorten te worden ingeschat, rekening houdende met cumulatieve effecten. Als de passende beoordeling uitwijst dat er slechts beperkte effecten zijn, dan dient vergunning te worden aangevraagd, die wordt verleend indien de effecten aanvaardbaar worden geacht. Als er significante effec ten zijn, dan mag vergunning alleen worden verleend als er voldaan is aan alle drie onderstaande ADCcriteria: -
Er zijn geen geschikte Alternatieven. Er is sprake van Dwingende redenen van groot openbaar belang, waaronder redenen van sociale en economische aard. Er is voorzien in exacte en tijdige Compensatie.
Als er sprake is van aantasting van een gebied dat is aangewezen ter bescherming van prioritair natuurlijk habitat of een prioritaire soort, dient eerst door de minister van LNV aan de Europese Commissie advies te worden gevraagd. Bovendien is het aantal redenen van groot openbaar belang beperkt.
Externe werking Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied. Ook activiteiten buiten het gebied kunnen de waarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt 'exter ne werking' genoemd. Externe werking treedt op wanneer er, ongeacht de locatie, een effectgebied ont staat als gevolg van het optreden van ruimtelijke overlap tussen een invloed gebied van een instandhoudingsdoelstelling (IHD) en een invloed gebied van een activiteit die plaatsvindt buiten een Natura 2000gebied en waarvoor de IHD gevoelig is.
Stikstof in Natura 2000-gebieden (Besluit natuurbescherming) Een voorbeeld van externe werking is de depositie van stikstof. Door allerlei bronnen komt stikstof in het milieu terecht, afkomstig van de landbouw, verkeer, industrie en huishoudens. De grote hoeveelheid stik stof heeft effecten op de groei van planten. Dit gaat in de regel ten koste van kwetsbare planten en biodi versiteit, waardoor gevoelige gebieden (zoals venen en heide) verruigen door de groei van bijv. grassen en soorten als braam. Hiervoor gold vanaf 1 juli 2015 het systeem van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Hiermee hoopte het Rijk de hoeveelheid stikstof in de Natura 2000 gebieden te kunnen verminderen, zonder alle ontwikkelingen te blokkeren. De PAS bracht daartoe alle bronnen in beeld. Met behulp van een rekentool (Aerius Calculator) is de stikstofbijdrage van een (nieuw) plan op beschermde habitats te berekenen. De basisgedachte was dat economische ontwikkelingen verantwoord mogelijk blijven (ontwikkelruimte), mits de totale hoeveelheid stikstof in het gebied omlaag gaat. Voor de PAS is voor elk van de 118 Natura 2000 gebieden een samenhangend pakket herstelmaatregelen opgesteld op basis van een vastgestelde herstelstrategie per habitattype (69). Uiteindelijk krijgen deze af spraken over stikstof een plaats in de per gebied op te stellen beheerplannen.
Op basis van de uitkomsten van de Aerius-calculator was een project vergunningsvrij ^0.05 mol/ha/jr), melding plichtig (tussen 0.05 mol/ha/jr. en de grenswaarde) of was het aanvragen van een Natuurvergunning noodzakelijk ^ grenswaarde). De systematiek is echter op basis van een uitspraak van het Europese hof en de Raad van State op on derdelen afgekeurd en mag niet meer op dezelfde wijze worden gebruikt.
Uitspraak Raad van State (PAS) De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 29 mei 2019 beslist dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet meer is te gebruiken als basis om toestemming te verlenen voor activiteiten, die leiden tot een stikstoftoename ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen en soorten in Natura 2000-gebieden. Het Ministerie van BiZa heeft op 2 juli een factsheet gemaakt hoe hiermee vooralsnog moet worden omgegaan. Een aantal relevante aspecten staan hieronder. De beslissing van de Raad van State heeft vergaande consequenties voor ruimtelijke ontwikkelingen, zo als woningbouw, de aanleg van infrastructuur (o.a. vaar-, spoor-, en autowegen), de bouw van nieuwe be-
drijven en agrarische activiteiten die kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. Hierdoor is het een stuk ingewikkelder geworden om ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk te maken en te realiseren die effecten hebben voor de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000gebieden. Stikstof is één van de aspecten waarop een project of plan (zoals een bestemmingsplan) moet worden ge toetst. Complicerende factor hierbij is dat stikstof tot op grote(re) afstand van de bron neerslaat. Daarbij zijn er in Nederland momenteel 118 Natura 2000-gebieden met overbelaste stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van (dier)soorten. Nu het ecologisch onderzoek (“de passende beoordeling”) van het PAS niet meer als basis voor toestemmingverlening kan worden gebruikt, is voor veel ruimtelijke ontwikkelingen, ook op grote afstand van Natu ra 2000-gebieden, nodig dat zij op een andere manier gaan aantonen, dat hun project of plan (zoals een bestemmingsplan) op voorhand geen significant schadelijke effecten heeft op de Natura 2000-gebieden. Pas daarna kan toestemming worden verleend. De passende beoordeling van het PAS kan daarvoor sinds de uitspraak van 29 mei 2019 niet meer worden gebruikt.
ĮWTTW Rijksoverheid
Toestemmingverleningstikstofdepositie bij nieuwe activiteiten Aan de hand van ordėrstaand stappenplan kunt u vaststellen aí u vexgunnuigplichtig bent onder de Wet natuurbescherming en Welke instrumenten u kunt inzetten om voor een natuurvrrgunning in aanmerking te komen.
Stapt.
AtRIUS-berekening stikstofdepositie op Natura 2000 als gevolg van project
Geen vergunningplicht
Stap 2.
Intem salderen
Vergunning verleenbaar
Significante effecten
Stap 3. Significante effecten niet uitgesloten
Stap 4.
Passende beoordeling inhetlkht van instandhoudingsdoelsteilingen van Natura 2000-gebieòen (evL mitigerende maatregelen, zoals extern salderen)
Zonder intern salderen: geen vergunningplicht Met in tem solderen.* vergunning verleenbaar
Geen risico op aantasting natuurlijke kenmerken Vergunning verleenbaar
Natuurlijke kenmerken mogelijk aangetast
Stap 5.
ADC toets - Geen Alternatieven * Dwingende reden van groot openbaar belang - Compensatie van Natura 2000
Positieve uitkomst ADC-toets
Vergunning verleenbaar
Voor projecten betekent dit dat moet worden beoordeeld of een natuurvergunning is vereist. Gedeputeer de staten (en in een aantal gevallen het ministerie van LNV) zijn het bevoegde gezag voor deze vergun ning. Zij dienen te beoordelen of voor een project een natuurvergunning is vereist. Voor bestemmings plannen geldt weliswaar geen natuurvergunningsplicht, maar ook zij moeten aan de eisen van de Wet na tuurbescherming voldoen. Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan is een beoordeling nodig om te bepalen of de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen significant negatieve effecten zouden kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Is dat het geval, dan is ook een passende beoor deling (en als gevolg daarvan ook een milieueffectrapport) noodzakelijk.
Gevolgen woningbouw Wordt in de voortoets op basis van objectieve gegevens geconcludeerd dat er geen significant negatieve effecten zijn te verwachten voor de instandhoudingsdoelen van het betrokken Natura 2000-gebied, dan kan volgens de factsheet van het ministerie worden volstaan met een voortoets en kan de gemeenteraad (voor wat betreft de stikstoftoets) het bestemmingsplan vaststellen. Dit is het geval als bijvoorbeeld geen toename plaatsvindt van de stikstofdepositie. Wordt woningbouw gerealiseerd op gronden waar voorheen bijvoorbeeld (planologisch legaal en ten tijde van de vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan feitelijk bestaande) agrarische activiteiten plaatsvon den en die activiteiten worden gestaakt (omdat bijvoorbeeld op die gronden woningen worden gebouwd en als gevolg daarvan de agrarische functie verdwijnt) dan mag in beginsel de daarmee samenhangende vermindering van de stikstof-depositie in mindering worden gebracht op de toename van de stikstofdeposi tie als gevolg van de woningbouw. Dat kan ertoe leiden dat per saldo de effecten op de stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden gelijk blijven (en soms zelfs verminderen als gevolg van het verdwij nen van die agrarische functie). Er hoeft dan geen passende beoordeling te worden uitgevoerd. Overige beschermde natuurgebieden Naast de Natura 2000 gebieden dient de provincie conform art.
1.12 ook gebieden aan te wijzen en in stand te houden, welke onderdeel zijn van een samenhangend netwerk van natuurgebieden (Natuurnetwerk Nederland). Tot slot kunnen Gedeputeerde staten ook gebieden aanwijzen buiten het natuurnetwerk Nederland, welke van belang zijn vanwege hun natuur-, landschappelijke of cultuurhistorische waarden.
Houtopstanden Ook de Boswet is opgenomen in de Wet natuurbescherming (H4 Wnb). In de Boswet was er sprake van een meldplicht en een herplantplicht. Dat blijft ook zo. Opstanden binnen de bebouwde kom, fruitbomen, bos voor biomassa, wegbeplanting e.d. vallen hier buiten (zie art. 4.1 Wnb). Bij het vellen van (een deel van) een houtopstand, moet dit vooraf worden gemeld. Ook is er de verplichting tot het herbeplanten van minimaal hetzelfde areaal binnen drie jaar na het vellen. De herplantplicht geldt niet voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel. Provincies kunnen bij verordening aangeven, welke gegevens moeten worden aangeleverd en/of er een toeslag geldt op het te herbeplanten areaal.
Bronnen: -
www.wetten.nl www.rijksoverheid.nl www.natuurbeheer.nu www.natura2000.nl www.infomil.nl www.rvo.nl http://mineleni.nederlandsesoorten.nl/
Vogels met jaarrond beschermde nesten (m.u.v. Limburg en Overijssel) Categorieën jaarrond beschermde nesten 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats. 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen. 5. Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Bescherming
Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
Categorie 1
steenuil
Athene noctua
Categorie 2
gierzwaluw
Apus apus
huismus
Passer domesticus
grote gele kwikstaart
Categorie 3
Categorie 4
Categorie 5
Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
Roek
Corvus frugilegus
Motacilla cinerea
ooievaar
Ciconia ciconia
kerkuil
Tyto alba
slechtvalk
Falco peregrinus
oehoe
Bubo bubo
boomvalk
Falco subbuteo
sperwer
Accipiter nisus
buizerd
Buteo buteo
wespendief
Pernis apivorus
havik
Accipiter gentilis
zwarte wouw
Milvus migrans
ransuil
Asio otus
blauwe reiger
Ardea cinerea
ijsvogel
Ardea cinerea
boerenzwaluw
Hirundo rustica
kleine bonte specht
Hirundo rustica
bonte vliegenvanger
Ficedula hypoleuca
kleine vliegenvanger
Ficedula hypoleuca
boomklever
Sitta europaea
koolmees
Sitta europaea
boomkruiper
Certhia brachydactyla
kortsnavelboomkruiper
Certhia brachydactyla
bosuil
Strix aluco
oeverzwaluw
Strix aluco
brilduiker
Bucephala clangula
pimpelmees
Bucephala clangula
draaihals
Jynx torquilla
raaf
Jynx torquilla
eidereend
Somateria mollissima
ruigpootuil
Somateria mollissima
ekster gekraagde rood staart glanskop grauwe vliegenvan ger groene specht
Pica pica
spreeuw
Pica pica
Phoenicurus phoenicurus
tapuit
Phoenicurus phoenicurus
Parus palustris
torenvalk
Parus palustris
Muscicapa striata
zeearend
Muscicapa striata
Picus viridis
zwarte kraai
Picus viridis
grote bonte specht
Dendrocopos major
zwarte mees
Dendrocopos major
hop
Upupa epops
zwarte roodstaart
Upupa epops
huiszwaluw
Delichon urbicum
zwarte specht
Delichon urbicum
Opmerkingen bescherming soorten vogelrichtlijn en conventie van Bern Alle inheemse vogels vallen binnen het beschermingsregime van de vogelrichtlijn. Voor een aantal vogels is art 3.1 lid 5 niet van toepassing omdat deze vogels tevens onder het beschermingsregime van art. 3.5 vallen. Het betreft de vogels die zijn opgenomen in bijlage II van de conventie van Bern. Artikel 3.1 lid 5 bepaald dat het verbod op verstoren (art. 3.1 lid 4) niet van toepassing is indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. De soorten die zijn opgenomen in bijlage II van Bern zijn derhalve strikter beschermd dan de andere vogelsoorten.
Vrijstellingen beschermde soorten Gelderland Omgevingsverordening Gelderland Afdeling 3.6 Natuur Ŝ 3.6.1 Vrijstelling soorten Artikel 3.66 (vrijstelling grondgebruiker voor bestrijding van schadeveroorzakende vogels en dieren) Artikel 3.68 (vrijstelling ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en bestendig beheer en onderhoud)
Algemene vrijstelling soorten . Gelderland (1 dec. 2019) Soort Soort Aardmuis Bosmuis Bruine kikker Dwergmuis Dwergspitsmuis Egel Gewone bosspitsmuis Gewone pad Haas Huisspitsmuis Kleine watersalamander Konijn
Meerkikker Middelste groene kikker Molmuis Ondergrondse woelmuis Ree Rosse woelmuis Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Woelrat
Bijlage 4 Voorbeeld voorzieningen Huismus (verplicht indien nesten verdwijnen)
Mussenflat
Mussenpot Neststeen
Gierzwaluwen
r V'
Nestkasten
Neststeen
Gierzwaluwen eten veel muggen. Ze zijn zeer honkvast. Als ze eenmaal ergens gebroed hebben komen ze jaren na elkaar op dezelfde plek. Voor gierzwaluwen zijn ook nestpannen beschikbaar. Bij warme zomers kunnen die soms te heet worden waardoor de overlevingskans van de jongen daalt. Er is daardoor een voorkeur voor de hierboven getoonde oplossingen.
Voorbeelden verblijfplaatsen (bron: soortenstandaard dwergvleermuis) Voorbeeld van gevelbetimmering welke geschikt is als verblijfplaats voor gewone dwergvleermuizen (bron www.vleermuizenindestad.nl).
OachpindccKung
AbsNnd der
Oechlílfen
Holmrhleidunij nil Zierlřislen
ţg grof! wie nogtiŕh'
Dachlatte (4cm x Z.Atnl
tr'Ľgspait
(10cm - ?.trml
Ansicht
Verblijfplaatsen realiseren achter boeiboorden of sierlijsten Ook achter boeiboorden of sierlijsten kunnen gewone dwergvleermuizen verblijfplaatsen heb ben. De hierboven omschreven criteria zijn hiervoor eveneens van belang. Het heeft een grote meerwaarde wanneer de ruimte achter de boeiboorden van verschillende gevels met elkaar in verbinding staan, zodat vleermuizen overdag, afhankelijk van de temperatuur, van locatie kunnen wisselen. Verblijfplaatsen bij dakconstructies Een eenvoudige manier is om bij dakconstructies gebruik te maken van boeiboorden met een ruimte van 1 centimeter die toegang geven tot het dak. Ook kunnen speciale dakpannen e.d. worden toegepast. Verblijfplaatsen in muren door middel van inmetselkasten In Nederland zijn nog weinig positieve resultaten bekend van het gebruik van inmetselkasten door de gewone dwergvleermuis. Voorbeelden van inmetselkasten (bron: http://www.schwegler-natur.de).
Access to wall cavity
www.checklistgroenbouwen.nl
Aanpassing bouwwijze loze ruimte in overstek of goot voor vleermuizen De loze ruimte in de overstek of dakgoot is eenvoudig toegankelijk te maken voor vleermuizen.
U kunt de loze ruimte in de overstek of uitstekende dakgoot geschikt maker voor vleermuizen door aan de onderzijde een invlieqopeninqen aan te brengen. Maak bij voorkeur per 2 meterl invliegopening. Teveel invliegopeningen leidt tot tocht, te weinig invliegopeningen maakt de kans op ontdekking en gebruik kleiner. De openingen moeten op de muur aansluiten, zo kunnen de vleermuizen op de muur landen en vervolgens naar binnen kruipen.
Afmetingen invliegopening 2 x 10 (laatvlieger) of 1,5 x 5 (dwergvleermulzen en grootoorvleermuizen).
Tips
Relevante soorten
Maak bij voorkeur per 2 meterl invliegopening.
Z Gewone dwergvleermuîs •ŕ Gewone grootoorvleermuis ■z Laatvlieger
Foto's
Ml
.
I
Vleermuis inlaatklep Deze kast is bedoeld voor qebouw bewonende vleermuizen, zoals de gewone dwergvleermuis.
Deze vleermuiskast (Schwegler Ife) is bedoelt voor inof op gevels en kan worden toegepast tijdens renovaties, isolatiemaatregelen. nieuwbouw en gevel reparaties. De kast heeft een open achterkant waardoor vleermuizen toegang hebben tot bijvoorbeeld holle ruimtes van gebouwen. Het is aan te raden meerdere elementen in te bouwen. Vanwege de geringe diepte van de kast, is deze eenvoudig in te bouwen in bijvoorbeeld isolatielagen van de buitengevel. Het is mogelijk om de kap te bepleisteren, oververven ot bekleden, zodat alleen de invliegopening van buitenaf zichtbaar blijft. Optioneel is een achterwandte gebruiken. Dit kan worden gebruikt wanneer een gesloten eenheid gewenst is. Op deze achterwand is een hangplek van natuurlijk hout opgezet om binnen in de kast een geschikt verblijf te creëren. De montage van deze vleermuiskast plus achterwand is eenvouding. De kast dient op de achterwand gezet te worden, waarna de achterwand en kast met twee schroeven en pluggen bevestigd of ingemetseld kunnen worden. Deze inbouw kasten zijn voor ruige dwergvleermuizen geschikt als zomer- en paarverblijf en in potentie geschikt als kraam- en winterverblijf, al is hier nog vrijwel geen data van bekend. Deze inbouwkasten zijn voor gewone dwergvleermuizen geschikt als zomer- en paarverblijf en in potentie geschikt als winterverblijf, al is hier tevens nog vrijwel geen data van bekend.
Deze inbouwkasten zijn voor wat betreft de meervleermuis in potentie geschikt als zomer- en paarverblijf, al is hier nog vrijwel geen data van bekend.
Afmetingen Breedte 30 cm Hoogte 30 cm Diepte 8 cm
Tips » Deze vleermuiskast is onderhoudsvrij. s Bouwt u meerdere kasten in. plaats de kasten dan in verschillende windrichtigen. « Als vleermuizen binnenin het gebouw mogen komen, dan is het model 2FR geschikter. » Houd de aanvliegroute naar de kast vrij. s De steen bij voorkeur zo hoog mogelijk in het gebouw inbrengen. m Bouw de steen bij voorkeur in aan de blinde gevel.
Meer info en waar te bestellen Vleermuisinlaatklep van Schwegler
Foto's
y
, z
. V /-ŗ
Gerelateerde maatregelen V Vogel- í vleermuisvriendelijke verlichting van gebouwen v Voorkom een koudebrug bij neststenen en inbouwkasten
Relevante soorten 4 Gewone dwergvleermuis -Z Meervleermuis
Jr? ţjt *0
Vleermuisruimte achter qevelbetimmering De ruimte achter de qevelbetimmering of het boeiboord kan toegankelijk worden gemaakt voor vleermuizen
Door een opening van 2,5 centimeter vrij te houden tussen de gevel en de betimmering onstaat een verblijfplaats voor vleermuizen. Gewone dwergvleermuis en laatvlieger maken hier gebruik van* De dieren hangen aan de geve! achter de betimmering. Zorg ervoor dat het materiaal achter de betimmering ruw is, bijvoorbeeld baksteen of onbehandeld hout. Zorg ervoor de gevel niet verlicht wordt, dat schrikt vleermuizen af. Of maak gebruik van vleermuisvriendelijk verlichting.
______ ..
Tips Als de mogelijkheid bestaat, of wordt gecreëerd, kunnen vleermuizen via deze weg ook toegang krijgen tot de spouw.
Gerelateerde maatregelen V Aanpassing bouwwijze spouw V Vogel- 5 vleermuisvriendelijke verlichting van gebouwen
Relevante soorten 4 Gewone dwergvleermuis V Laatvlieger * Meervleermuis
Foto's
Voorkom een koudebrug bij neststenen en inbouwkasten Enkele tips om te voorkomen dat een koudebrug ontstaat bij neststenen en inbouwkasten.
Bij het inmetselen van een neststeen voor gebouwbewonende vogels en/of vleermuizen, moet soms een deel van de isolatie worden uitgesneden ín de vorm van de neststeen. Om een koudebrug te voorkomen, wordt aan de achterkant van de neststeen een stuk hoogwaardiger isolatiemateriaal geplakt. Men kan er ook voor kiezen om de isolatielaag ongemoeid te laten en de neststeen aan de voorkant een stukje te laten uítsteken.
I-
Gerelateerde maatregelen -f Bijensteen Entreesteen Vleermuizen •V Halfopen neststeen -f Inbouwkast voor vleermuizen Neststeen gierzwaluw (verborgen) -f Neststeen gierzwaluw (zichtbaar) Neststeen Huismus -f Tichelaar vleermuiskast 'f Vleermuis inlaatklep •V Vleermuissteen Vleermuis wandsysteem
Relevante soorten v Gewone dwergvleermuis V Gewone grootoorvleermuis V Gierzwaluw ■Z Huismus V Laatvlieger V Meervleermuis
2ezw
”l
■t 3n
•t^i
W
ff jê*
-ā-ļ r «u*. LÍJífirí -SU:
ŠS
SN V J
SgşBi
-»B
^'
.
'ĩ, ^j „-
' ^J- M
■** ■■‘į ’-ŇW
~ļJ-'
Neststeen Huismus Deze nestkast is te gebruiken als opbouwkast maar kan ook inqemetseld worden bíj nieuwbouw.
Deze nestkast is ideaal ats broedplaats voor huismussen. Deze nestkast is te gebruiken als opbouwkast maar kan ook ingemetseld worden bij nieuwbouw- en renovatieprojecten. Het plaatsen van meerdere nestkasten bij elkaar is wenselijk, omdat huismussen in de regel in kolonies broeden. De nestkast ophangen met de bijgeleverde pluggen en bouten, bíj voorkeur aan de gevel van een pand onder een dakrand of goot. U kunt de nestkast ook vrij aan de gevel hangen, hierbij moet u minimaal 3 meter hoogte aanhouden. Ais u de nestkast als inbouwsteen wiit gebruiken moet u ook minimaal 3 meter hoogte aanhouden. De hoogte van de nestkast is gemaakt op maatvoering van een standaard waaiformaat (4 lagen hoog), bij inbouw wordt de voorzijde van de gelijk mei de voorzijde van de gevel geplaatst. De isolatie in de spouw kan gewoon doorlopen achter de steen dus er ontstaat geen koudebrug. Moet er toch isolatie weggesneden worden dan is het belangrijk om de isolatie ruim om de omtrek van de kast weg te snijden. De ruimte achter de kast moet in dat qeval opgevuld worden met een harde isolatie. Nestkast niet met de invlîegopening naar het zuid/westen en zorg ervoor dat de nestkast niet de hele dag in de zon hangt. Er hoeft geen nestmateriaal toegevoegd te worden. Niet alleen huismussen, ook mezen en ringmussen kunnen gebruik maken van deze voorziening.
De nestkast kan één keer per jaar worden schoongemaakt, ná het broedseízoen, hiervoor draait u de haak onderaan ín het midden één slag. Daarna kan het voorfront van de nestkast gehaald worden. Als de kast niet is ingemetseld, maar opgehangen is, dan moet ook jaarlijks de deugdelijkheid van de ophanging gecontroleerd worden.
Afmetingen Buitenmaat (b x h x d} 29 x 24 x 15.5 cm Binnenmaat fb x h x d) 22 x 17 x 12 cm
Tips » Deze nestkast kan worden opgehangen als nestkast maar kan ook ingemetseld worden. Huismussen broeden bljvoorkeur kolonies. - Het plaatsen van meerdere nestkasten bij elkaar is aan te raden. » Ook de omgeving moet voldoen aan biotoopwensen van de huismus
Meer info en waar te bestellen Neststeen voor huismussen van Vivara-pro
Gerelateerde maatregelen •f Voorkom een koudebrug bij neststenen en inbouwkasten
Relevante soorten ^ Huismus
Aanpassing bouwwijze voor gierzwaluw U kunt de loze ruimte in de overstek of uitstekende dakgoot qeschikt maken voor gierzwaluwen.
De loze ruimte in de overstek of uitstekende dakgoot kan geschikt worden gemaakt voor gierzwaluwen door aan de onderzijde ovale ínvlīegopeningen aan te brengen van ten minste 3x6 centimeter. De binnenruimte achter de ĩnvliegopening meet bij voorkeur 15 x 15 x 50 cm en is vervaardigd van onbehandeld hout. Net als bij' neststenen en neslkasten voor de gierzwaluw zit de ĩnvliegopening aan de linkerkant of rechterkant van de nestruimte. Zorg voor een vrije aanvliegroute; er mogen geen bomen, vlaggenmasten e.d. voor de ĩnvliegopening staan. Zorg er tevens voor dat er geen naar buiten openslaande ramen onder de ĩnvliegopening zíjn.
Afmetingen Deze maatregel is mogelijk over het gehele lengte van de groot of overstek
Relevante soorten V Gierzwaluw ■Z Huismus
Foto's
Bijlage 4: Stikstofdepositie onderzoek
25
Stikstofdepositieberekening i.r.t. N2000 Goede Reede 6 te Harderwijk Kenmerk: 2019.0422
Colofon Lycens BV bezoekadres Oldenzaal
projectnaam locatie ons kenmerk
Stikstofdepositie berekening in relatie tot N2000 Goede Reede 6 te Harderwijk 2019.0422
versie
05
datum
11 maart 2021
auteur
Dhr. W. Smid, dhr. D. IJzereef
projectleider
Deventerstraat 10
postcode
7575 EM Oldenzaal
bezoekadres Zwolle
Zwartewaterallee 14
postcode
8031 DX Zwolle
telefoon
0541-570730
info@lycens.nl
internet
www.lycens.nl
Dhr. J.M. Miellet
2
L-VCZĒN
Inhoudsopgave 1 Inleiding................................................................................................................................................................................................4
2.
3
4
1.1
Aanleiding.................................................................................................................................................................................. 4
1.2
Ligging van de herontwikkelingslocatie................................................................................................................................. 4
1.3
Leeswijzer.................................................................................................................................................................................. 4
Uitgangspunten................................................................................................................................................................................. 5 2.1
Relevante Natura 2000 gebieden........................................................................................................................................... 5
2.2
Welke berekeningen worden uitgevoerd?............................................................................................................................ 5
2.3
Stikstofemissies.........................................................................................................................................................................6
Motivering input Aerius-calculator.................................................................................................................................................7 3.1
Rekeninput vergund recht....................................................................................................................................................... 7
3.2
Rekeninput beoogde situatie, gebruiksfase...........................................................................................................................7
3.3
Rekeninput berekening beoogde situatie, realisatiefase..................................................................................................... 7
Rekenresultaten â conclusie.......................................................................................................................................................... 9
Bijlagen................................................................................................................................................................................................... 10 Bijlage 1: Aerius-rekenresultaat, gebruiksfase............................................................................................................................... 11 Bijlage 2: Aerius-rekenresultaat, aanlegfase...................................................................................................................................12
3
L-.VCZĒN
1 Inleiding 1.1 Aanleiding WeLiving is voornemens een logiesvoorziening voor shortstay huisvesting van arbeidsmigranten te ontwikkelen aan de Goede Reede te Harderwijk. In de huidige situatie bestaat het projectgebied uit braakliggend grasland, maar is het perceel in het wijzigingsplan 'Drielanden - Werklandschap-Oost' al wel bestemd als bedrijf. De beoogde logiesvoorziening gaat plaats bieden aan 150 bedden. De bebouwing wordt gerealiseerd in een groene setting met een bebouwd oppervlak van 50 procent. Parkeervoorzieningen worden gerealiseerd onder en ten zuiden van de bebouwing. Het geheel wordt ontsloten via De Goede Reede, die op haar beurt in zuidelijke richting aansluit op de Fokko Kortlanglaan.
1.2 Ligging van de herontwikkelingslocatie Het plangebied ligt in de zuidelijke 'oksel' van de kruising tussen de Groene Zoom en de N303 (Putterweg Z Harderwijkerweg). Het gaat om de percelen kadastraal bekend als gemeente Harderwijk, sectie K, nummers 1018 en 1021. De ligging en begrenzing zijn in navolgende figuur weergegeven.
ÌUiĩì* 7Ä Km
mts Ss 'V. . Cj Vl
v~v
íA ì XT _
ľ'—^
j -
Afbeelding 1.1: Ligging en globale begrenzing plangebied
1.3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt in de eerste plaats ingegaan op de uitgangspunten van de stikstofdepositieberekening. In hoofdstuk 3 komt de motivering van de input in Aerius-calculator aan de orde. Hoofdstuk 4 bevat de rekenresultaten van de berekening. Vervolgens wordt in hoofdstuk de conclusie getrokken en waar nodig aanbevelingen voor vervolgstappen. 4
L-.VCZĒN
2.
Uitgangspunten
2.1 Relevante Natura 2000 gebieden Direct aangrenzend aan het plangebied liggen geen Natura 2000-gebieden. In de wijdere omgeving liggen echter wel enkele Natura 2000-gebied. Het gaat daarbij om de volgende gebieden (zie figuur 2.1): 1.
Veluwe, gelegen op circa 750 ten zuidoosten van het plangebied;
2.
Veluwerandmeren, gelegen op circa 1,7 kilometer ten noordwesten van het plangebied;
3.
Arkemheen, gelegen op circa 9 kilometer ten noordwesten van het plangebied. I.JVJ
Hardert-
Hulshorst meiden
Veluwerandmeren Harderwijk
Plangebied ^
Ermelo
Veluwe
N705
SpeuM
Putten
Arkmheen OUtCi
Afbeelding 2.1 ligging plangebied t.o.v. dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden
2.2 Welke berekeningen worden uitgevoerd? Bij nieuwe ontwikkelingen dient altijd een beoordeling gemaakt te worden tussen de huidige c.q. bestaande situatie en de beoogde situatie. In het geval van stikstofberekeningen in relatie tot Natura 2000 gebieden worden deze uitgangspunten als volgt bepaald.
5
L-.VCZĒN
Huidige situatie: vergund recht De huidige situatie in het kader van Natura 2000 gebieden zijn gelijk aan de aanwijzingsdata van de betreffende gebieden en aan de referentiedatum 31 maart 2010 zoals genoemd in artikel 2.9 lid 2 van de Wet Natuurbeschermingswet. Alle ontwikkelingen die op dat moment (legaal) aanwezig waren, worden beschouwd als vergund recht. Bovendien moeten deze ontwikkelingen ten tijde van de huidige aanvraag (voor het beoogde bouwplan) nog aanwezig zijn. Onderstaand zijn deze aanwijzingsdata per gebied weergegeven. 1.
Veluwe, in maart 2000 aangewezen als Vogel- en Habitatrichtlijngebied;
2.
Veluwerandmeren, in maart 2000 aangewezen als Vogel- en Habitatrichtlijngebied;
3.
Arkemheen, in maart 2000 aangewezen als Vogelrichtlijngebied.
Ten tijde van deze aanwijzingsdatum was het plangebied nog in gebruik als agrarische grond/ grasland. Ten tijde van het opstellen van het vigerende wijzigingsplan is het aspect stikstof weliswaar verantwoord, maar is geen rekening gehouden met de realisatie (bouw en gebruiksfase van een logiesvoorziening) en de stikstofnorm van 0,00 mol/ha/j. Om deze reden moet bij onderhavig plan alsnog te worden beoordeeld of ter plaatse van het plangebied voldaan kan worden aan de Wet natuurbescherming. Beoogde situatie: realisatiefase + gebruiksfase Conform wetgeving + jurisprudentie moet zowel voor de gebruiksfase als voor de realisatiefase de stikstofdepositie worden berekend. In beide fasen vindt immers emissie van stikstof plaats. Daarnaast geldt dat de hoeveelheid emissie van stikstof per jaar moet worden bepaald.
2.3 Stikstofemissies Inzet van materieel tijdens realisatiefase Tijdens de realisatiefase wordt materieel ingezet waarbij sprake is van emissie van stikstof. Het gaat in dit geval om materieel dat bijvoorbeeld wordt ingezet voor de bouw, aanleg van wegen, riolering en groen. Voertuigbewegingen tijdens realisatiefase Tijdens de realisatiefase vinden voertuigbewegingen plaats van en naar het (bouw)project. Dit bestaat deels uit vrachtverkeer, maar ook personenvoertuigen (werknemers). Bebouwing en gebruik van gas in de gebruiksfase De uitstoot uit gebouwen wordt veroorzaakt door de verbranding van gas. Verbanding van gas vindt plaats voor verwarming van de gebouwen, het gebruik van het gasfornuis, enzovoorts. Steeds vaker wordt echter gasloos gebouwd. Is dit het geval dan wordt in de gebruiksfase geen stikstof uitgestoten vanuit de bebouwing. Voertuigbewegingen in de gebruiksfase Stikstofemissies afkomstig uit het projectgebied worden gebaseerd op motorvoertuigbewegingen die door het projectgebied worden gegenereerd. Voertuigen stoten hoofdzakelijk stikstofdioxiden uit en zeer beperkt ook ammoniak. De verkeersgeneratie wordt gebaseerd op de CROW uitgave Toekomstig parkeren (december 2018). Om de uitstoot van stikstoffen afkomstig van motorvoertuigen te bepalen wordt gebruik gemaakt van de Aerius database.
In de database zijn emissiefactoren vastgelegd die in Aerius-calculator worden gehanteerd.
6
L-.VCZĒN
3 Motivering input Aerius-calculator 3.1 Rekeninput vergund recht Er is geen sprake van vergund recht (zie paragraaf 2.2, alinea Huidige situatie: vergund recht).
3.2 Rekeninput beoogde situatie, gebruiksfase Het beoogde bouwplan omvat een logiesvoorziening voor tijdelijke (shortstay) huisvesting van arbeidsmigranten. De logiesvoorziening gaat in totaal plaats bieden aan 150 bedden verdeeld over 65 kamers. Het gebouw wordt niet aangesloten op het gasnetwerk waardoor in de (permanente) gebruiksfase geen sprake is van emissie van stikstof uit het gebouw. De stikstofemissie in de gebruiksfase is daarom enkel afkomstig van het door het plan gegenereerde extra verkeer. Om de verkeersgeneratie te berekenen wordt gebruik gemaakt van kencijfers van de CROW-publicatie Toekomstbestendig parkeren (december 2018)' in combinatie met het parkeerbeleid voor Verkeersgeneratie Omdat er niet een één op één vergelijking met één van de functies uit de CROW is te maken is onderhavige plan vergeleken met twee verschillende functies: een 'hotel' en 'kleine wooneenheden". ^
Bij een 3 sterren hotelfunctie, een stedelijkheidsgraad; 'matig stedelijk' en 'rest bebouwde kom' is sprake van maximaal 15,8 verkeersbewegingen per 10 kamers op een weekdag. De logiesvoorziening voor shortstay huisvesting van arbeidsmigranten met 65 kamers genereert gemiddeld 103 extra verkeersbewegingen op een weekdag;
^
Op basis van een 'kleine eenpersoonshuishouden' is sprake van een gemiddelde verkeersgeneratie van 0,7 motorvoertuigbewegingen per eenheid/ persoon per etmaal. Bij de realisatie van een logiesfunctie voor 150 bedden/ personen is sprake van 105 extra verkeersbewegingen op een weekdag.
Kortom, er is gemiddeld sprake van een maximale verkeersgeneratie van 105 verkeersbewegingen op een weekdag. In de berekening is daarnaast 1 vrachtwagen per dag voor bevoorrading opgenomen. Dit verkeer wordt in deze berekening volledig ontsloten op de Groene Zoom vanwaar alle overige richtingen bereikt kunnen worden.
3.3
Rekeninput berekening beoogde situatie, realisatiefase
Emissie transport naar bouwplaats De verkeersaantrekkende werking van de aanlegfase bestaat uit transport van materialen en personen (bouwvakkers). De totale (gezamenlijke) bouwfase gaat ongeveer 12 maanden in beslag nemen. In dit traject zijn er rustige periodes waarbij geen personeel aanwezig is en drukke perioden waarbij meer personeel aanwezig is. De onderstaande uitgangspunten zijn echter inschattingen die ruim zijn aangehouden. ^
Transport aan- en afvoer van materiaal: 1 zware vrachtauto's (2 motorvoertuigbewegingen per werkdag), gedurende 12 maanden. Het totale aantal motorvoertuigbewegingen bedraagt derhalve 520 verspreid over het gehele jaar
^
Transport personeel: 4 auto's en/of busjes (8 motorvoertuigbewegingen) per werkdag, gedurende 12 maanden. Het totale aantal motorvoertuigbewegingen bedraagt derhalve 2.080, verspreid over het gehele jaar.
7
L-.VCZĒN
Emissie materieel op de bouwplaats Voor de aanlegfase is materieelinzet noodzakelijk die een emissie van stikstof kennen als gevolg van het gebruik van benzine of dieselmotoren. Hieronder is een reële inschatting gemaakt van de machines en materialen voor een bouwproject van deze omvang. De emissiefactoren zijn gebaseerd op Aerius database (in combinatie met "Addendum default brongegevens Mobiele werktuigen - afwijkende categorieën" van het Rivm). Op bouwplaats is sprake van een krachtstroom aansluiting. Een deel van het materieel werkt dan ook op stroom dan wel krachtstroom zoals de vaste torenkraan, het ketenpark, de bouwliften en al het kleinmaterieel. Graafmachines zijn veelal zware machines met een grote draaitijdfactor en zijn mobiel waardoor er nog weinig alternatieven op de markt zijn voor dieselmotoren. Betonpompen betreffen zware machines, maar worden in dit bouwplan vervangen door betonkubels die worden gehesen door de vaste elektrische torenkraan. Er wordt alleen gebruik gemaakt van een mobiele hijskraan met dieselmotor op de beperkte momenten dat de vaste torenkraan nog niet aanwezig is. Er zijn bouwbedrijven die stikstoffilters (NONOX) toe te passen. Vooralsnog worden die in dit bouwplan niet gehanteerd. Tabel 3.1: Stikstofemissie afkomstig van materieel bouwrijp maken 7 afgraven
Uren
Stage-Z euroklasse
Belasting
Graafmachine: egaliseren, graafwerk infra en halfverdiepte parkeerkelder.
80
IV
Vrachtwagen, laden en lossen
40
(“/o)
Vermogen (Kw)
Emissiefactor (g/kwh)
69
100
2,3
6
24
330
2,5
Stage- Z euroklasse
Belasting (/)
Vermogen (Kw)
Emissiefactor (g/kwh)
Tabel 3.2: Stikstofemissie afkomstig van materieel inzet bouwfase
Uren Betonmixer
80
IV
30
280
0,9
Mobiele hijskraan
16
IV
69
100
1
Betonstorten (met kubels en elektrische torenkraan
krachtstroom
Mobiele torenkraan op krachtstroom
krachtstroom
Bouwliften op krachtstroom
krachtstroom
Manitou
40
IV
74
50
5,2
Zandcementdekvloermixer
40
IV
69
65
2,5
Vrachtwagens, laden en lossen
80
6
24
330
2,5
Tabel 3.3: Stikstofemissie afkomstig van materieel terreininrichting
Uren
Stage-Z euroklasse
Draaitijd factor
Vermogen (Kw)
Emissiefactor (g/kwh)
Graafmachine: Egaliseren, graafwerk
40
IV
69
100
0,8
Knikmops
80
IV
69
40
0,8
Bestratingsmachine
60
IV
69
25
6,1
Trilplaten Z stampers (2008)
40
IV
80
10
1,1
Vrachtwagen, laden en lossen
20
6
24
330
2,5
8