CConstaterende datHarderwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Aanmeldnotitie m.e.r..pdf

Raadsvergadering 17 juni 2021, gemeente HarderwijkBij agendapunt: Huisvesting arbeidsmigranten Goede Reede 4-6 te Harderwijk26.315 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Herbestemming à hergebruik

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.beoordeling Goede Reede ong. te Harderwijk

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.beoordeling Goede Reede ong. te Harderwijk Projectnummer:

2019.0442

Datum:

23 december 2020

Versie:

2

Opdrachtgever:

WeLiving BV

Dirk IJzereef

Jeroen Miellet

Adviseur Ruimtelijke ordening ä Milieu

Afdelingshoofd Ruimtelijke ordening en Milieu

D.IJzereef@lycens.nl

J.Miellet@lycens.nl

M 06 588 596 66

M 06 588 419 58

Lycens B.V. y Zwartewaterallee 14 > 8031 DX Zwolle y 0541-570730 y info@lycens.nl

Inhoudsopgave 1. Inleiding............................................................................................................ 4 1.1.

Aanleiding........................................................................................................................................... 4

1.2.

Leeswijzer............................................................................................................................................ 4

2. m.e.r.-plicht....................................................................................................... 5 2.1.

Wet-en regelgeving............................................................................................................................ 5

2.2.

Toetsing aan de m.e.r.-verplichtingen............................................................................................... 7

2.3.

Procedure en betrokken partijen....................................................................................................... 9

3. De (vormvrije) M.E.R.-Beoordeling.....................................................................10 3.1.

Beschrijving van de activiteit (de ontwikkeling).............................................................................. 10

3.2.

De kenmerken van de activiteit........................................................................................................ 10

3.3.

Plaats van het project........................................................................................................................12

3.4.

Kenmerken van het potentiële effect.............................................................................................. 14

4. Conclusie..........................................................................................................20 Bijlagen Bijlage 1: Situatietekening en impressies Bijlage 2: Onderzoek externe veiligheid Bijlage 3: Onderzoek flora en fauna Bijlage 4: Stikstofdepositie onderzoek

1. Inleiding 1.1. Aanleiding WeLiving BV is voornemens aan Goede Reede ongenummerd te Harderwijk een logiesvoorziening voor shortstay huisvesting van arbeidsmigranten te realiseren. Ten behoeve van dit voornemen wordt momenteel een omgevingsvergunning procedure voorbereid. In deze rapportage is de toetsing aan het Besluit m.e.r. opgenomen. Uit de eerste toetsing is gebleken dat sprake is van een (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht (zie hoofdstuk 2). Het bevoegd gezag dient te besluiten of de realisatie van de logiesvoorziening al dan niet leidt tot belangrijke negatieve milieueffecten die noodzaken tot het doorlopen van een m.e.r.-procedure. Onderhavige rapportage betreft de aanmeldnotitie (vormvrije) m.e.r.beoordeling op basis waarvan het bevoegd gezag kan besluiten.

1.2. Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt in de eerste plaats ingegaan op de huidige wet- en regelgeving omtrent milieueffectrapportages. Vervolgens wordt beoogde plan, de activiteit, getoetst aan deze wetgeving. Hoofdstuk 3 bevat de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling.

m.e.r.-plicht

2

2.1. Wet-en regelgeving Het voorkomen van aantasting van het milieu is van groot maatschappelijk belang. De milieueffectrapportageprocedure (m.e.r.) is bedoeld om het milieubelang volwaardig en vroegtijdig in de plan- en besluitvorming in te brengen om belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen. Een m.e.r. is altijd gekoppeld aan een plan of besluit, bijvoorbeeld een structuurvisie, bestemmingsplan of omgevingsvergunning. De wettelijke eisen ten aanzien van de m.e.r. zijn vastgelegd in de Wet Milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage. Voor plannen en besluiten die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu (kunnen) hebben wordt de m.e.r.toets doorlopen. Er zijn drie gradaties in de zwaarte van de m.e.r.-toets. Figuur 1.1 geeft schematisch twee drempelwaarden weer die van belang zijn waarmee wordt beoordeeld of sprake is van een directe m.e.r.-plicht, een (formele) m.e.r.-beoordelingsplicht of van een (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht. Onderstaand zijn deze drie vormen nader toegelicht.

m.e.r.-plicht drempelwaarde C-tijsl

m.e.r.-beoordeling (bij besluiten uit kolom 4)

plan-m.e.r. (bij plannen uit kolom 3) -

drempelwaarde D-hist

vormvrije m.e.r.-beoordelmg

Figuur 1.1: schema m.e.r.-toets en drempelwaarden

2.1.1

De directe m.e.r.-plicht: (project of plan) milieueffectrapportage

De Europese Unie heeft in de richtlijn m.e.r. (2011/92/EU) aangegeven bij welke activiteiten er zeer waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze activiteiten zijn door de Nederlandse regering overgenomen en verwerkt in onderdeel C van het Besluit m.e.r. Indien de drempelwaarde van de (omvang van de) activiteit op de C-lijst wordt overschreden geldt de directe m.e.r.-plicht. Naast de C-lijst zijn ook plannen waarvoor een passende beoordeling opgesteld moet worden m.e.r.-plichtig en kunnen provincies in een provinciale verordening m.e.r.-plichtige activiteiten aanwijzen. Voor deze activiteiten moet een milieueffectrapport worden opgesteld om de milieugevolgen van de activiteit op de leefomgeving in beeld te brengen zodat het bevoegd gezag in staat wordt gesteld om de milieugevolgen bij haar afwegingen te betrekken. Voor een zorgvuldige afweging bevat het rapport bovendien alternatieve oplossingen met bijbehorende milieueffecten. Plan- of project-m.e.r.

Voor milieueffectrapportages wordt onderscheid gemaakt in een ‘pian’-m.e.r. en in een ‘projecť-m.e.r. Kolom 3 van de bijlage (Besluit MER) bevat plannen die de gewenste activiteit mogelijk kunnen maken. Er is sprake van een plan als er na besluitvorming over het betreffende plan nóg een procedure (besluit) gevolgd moet worden om de activiteit mogelijk te maken. Het ‘plan’ is in dat geval kaderstellend voor nadien te nemen besluiten. Daarnaast is de plan-m.e.r. ook direct van toepassing op ‘plannen’ die worden opgesteld voor activiteiten die voorkomen op de D-lijst. Voor deze activiteiten is dus geen m.e.r.-beoordeling mogelijk. Er is sprake van een besluit als er na besluitvorming geen andere procedures noodzakelijk zijn voor de toelaatbaarheid van de activiteit. Een besluit is project/activiteit specifiek en is niet kaderstellend voor nadien te nemen besluiten. De project-m.e.r. kan hierdoor heel specifiek de te ontwikkelen activiteit onderzoeken. Besluiten waarvoor een project-m.e.r. noodzakelijk is komen voor in kolom 4 van de C-lijst. Beperkte of uitgebreide m.e.r.-procedure Er wordt onderscheid gemaakt in de uitgebreide m.e.r.-procedure en de beperkte m.e.r.-procedure. Voor alle plannen en voor bepaalde complexe besluiten is de uitgebreide m.e.r.-procedure direct van toepassing.

De beperkte procedure is van toepassing voor een groot deel van de besluiten inzake (omgevings)vergunningen. Echter indien naast het besluit inzake de (omgevings)vergunning ook sprake is van één van de onderstaande situaties, is de uitgebreide m.e.r.-procedure van toepassing. Er dient in het kader van de activiteit ook een passende beoordeling worden opgesteld; Er voor de uitvoering van de activiteit tevens een omgevingsvergunning tot het afwijken van het bestemmingsplan (art. 2.12 lid 1 onder a onder 3 Wabo) noodzakelijk is; Ervoorde besluit inzake de (omgevingsvergunning) ook tegelijkertijd een onlosmakelijk plan wordt opgesteld. Bij de beperkte procedure is het voortraject beknopter en zijn enkele stappen niet verplicht (zoals ‘kennisgeving van het initiatief’, advies over reikwijdte en detailniveau en geen verplichting in het voortraject de gelegenheid te bieden om zienswijzen in te dienen. Bovendien is het bij de beperkte procedure niet verplicht om decommissiem.e.r. in te schakelen waardoorde daarmee gepaard gaande hoge kosten voorkomen kunnen worden.

2.1.2

De m.e.r.-beoordelingplicht: de (formele) m.e.r.-beoordeling

De wetgever heeft activiteiten aangewezen waarvan de gevolgen van de activiteit op het milieu niet bij voorbaat bekend is. Deze activiteiten zijn opgenomen op de D-lijst in de bijlage van het Besluit MER. Indien de drempelwaarde van de (omvang van de) activiteit op de D-lijst wordt overschreden, geldt de (formele) m.e.r.beoordelingsplicht. In de (formele) m.e.r.-beoordeling wordt middels het opstellen van een aanmeldingsnotitie beoordeeld of mogelijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er kunnen twee uitkomsten zijn: Belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen niet uitgesloten worden; er dient een m.e.r.-procedure doorlopen worden. Belangrijke nadelige milieugevolgen treden niet op; er wordt gemotiveerd aangegeven dat geen m.e.r.-procedure wordt doorlopen. Bij een m.e.r.-beoordeling is het vaak niet noodzakelijk om een diepgaand (en kostbaar) onderzoek úitte voeren om goede uitspraken te kunnen doen of de voorgenomen activiteit leidt tot belangrijke nadelige milieugevolgen.

Een m.e.r.-beoordeling geldt uitsluitend voor besluiten. Indien de activiteit waarvan de drempelwaarde op de Dlijst wordt overschreden mogelijk wordt gemaakt door middel van een plan, dan geldt altijd en direct de m.e.r. plicht. De m.e.r.-beoordeling dient te worden uitgevoerd aan de hand van een aantal vaste criteria. Deze criteria zijn vastgelegd in Bijlage lil van de Europese richtlijn m.e.r. In hoofdstuk 3 wordt hier nader op ingegaan. Daarnaast dient een formele procedure te worden gevolgd.

2.1.3

De m.e.r.-beoordelingplicht: de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling

De Nederlandse wetgever had (kleine) projecten die de drempelwaarden van de D-lijst van het Besluit MER niet overschrijden, als gevolg van de beperkte invloed op de omgeving, oorspronkelijk vrijgesteld van de MER-plicht. Het Besluit MER is echter door - hoofdzakelijk - 2 Europese uitspraken gewijzigd. Als gevolg van de eerste uitspraak is in 2011 ook voor ‘kleine’ activiteiten de ‘vormvrije m.e.r.- beoordeling’ geïntroduceerd. De Ínhoud en procedure van deze ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’ waren daadwerkelijk vormvrij. Als gevolg van de tweede uitspraak is het Besluit MER in 2017 nogmaals aangepast en is de procedure en Ínhoud van de ‘vormvrije’ versie nagenoeg gelijk getrokken aan de m.e.r.-beoordeling. Dat betekent dat voorafgaand aan de activiteit een besluit genomen moet worden of het uitvoeren van een plan/project MER al dan niet noodzakelijk is. Dit besluit moet worden onderbouwd door middel van een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling die aantoont dat de activiteit geen belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu c.q. leefomgeving. De ínhoud van de beoordeling dient te voldoen aan de criteria zoals opgenomen in ‘bijlage lil van de Europese MER richtlijn’. In feite bestaat er nu slechts één m.e.r.-beoordeling en is het verschil tussen de ‘vormvrije’ en de ‘formele’ variant nagenoeg verdwenen.

2.2. Toetsing aan de m.e.r.-verplichtingen 2.2.1 Is er sprake van een plan of een besluit Onderhavig plan betreft een omgevingsvergunning ten behoeve van de realisatie van een logiesvoorziening voor shortstay huisvesting van arbeidsmigranten. De omgevingsvergunning betreft een besluit die voorkomt in kolom 4 van de C- en D-lijst.

2.2.2 Is er sprake van een directe m.e.r.-plicht? De eerste vraag die beantwoord moet worden is of voor het project activiteiten plaats vinden waarvoor sprake is van een directe m.e.r.-plicht. Dit zijn projecten met een dusdanige impact op de omgeving waarvan duidelijk is dat nadelige gevolgen voor het milieu niet bij voorbaat uitgesloten kunnen worden. Als er sprake is van m.e.r.plicht dienteen Milieueffectrapport (MER) te worden opgesteld en gelden de bijbehorende procedurele vereisten (kennisgeving doen met zienswijzetermijn, MER ter visie leggen en toetsing door de Commissie voor de m.e.r.). Er kunnen drie oorzaken zijn, van waaruit direct een m.e.r.-plicht ontstaat. Voorwaarde 1: C-lijst Besluit Milieueffectrapportage De bijlage van het Besluit Milieueffectrapportage bevat twee lijsten (bijlagen C en D) waarin categorieën van activiteiten zijn opgenomen (kolom 1). Daarnaast wordt in de lijst de omvang beschreven in de vorm van de zgn.

drempelwaarden (kolom 2). Kom je boven de drempelwaarde van de C-lijst, dan dient gelijk een project/plan MER doorlopen te worden. Onderhavige activiteit behoort niet tot één van de activiteiten op de C-lijst waarvan de drempelwaarde wordt overschreden. Op basis van de bijlage is derhalve geen plan/project-m.e.r. noodzakelijk. Voorwaarde 2: Passende Beoordeling Wet natuurbescherming Wettelijke plannen, waarvoor een Passende Beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming nodig is, zijn m.e.r.-plichtig (artikel 7.2a Wet milieubeheer eerste lid). Voor het onderhavige plan is het opstellen van een Passende Beoordeling niet nodig (zie paragraaf 3.3.1. ter motivering). Op basis van artikel 7.2.a lid 1 Wet milieubeheer is er derhalve geen sprake van een m.e.r.-plicht.

8

Voorwaarde 3: Provinciale milieuverordening Door Provinciale Staten kunnen aanvullend op het Besluit m.e.r. activiteiten worden aangewezen die kunnen leiden tot m.e.r.-plicht. De provincie Gelderland heeft een dergelijke aanvulling niet ingevuld. Het provinciaal beleid leidt niet tot m.e.r.-plicht.

2.2.3 Er is sprake van een (formele) m.e.r.-beoordelingsplicht? Er is geen sprake van een directe m.e.r.-plicht, maar mogelijk wel van (formele) m.e.r.-beoordelingsplicht. Hiervoor is de D-lijst van het Besluit MER het toetsingskader. Het onderhavige plan behoort in ieder geval tot de categorie “Dll.2 De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen”. De drempelwaarde (1“. een oppervlakte van 100 hectare of meer, T. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3”. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer) wordt echter niet overschreden. Het uitvoeren van een (formele) m.e.r.-beoordeling is derhalve niet noodzakelijk.

2.2.4 Er is sprake van een (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht? Omdat het onderhavige plan als activiteit voorkomt op de D-lijst, als besluit voorkomt in kolom 4 van de D-lijst, maar de drempelwaarden zoals opgenomen in de tweede kolom niet worden overschreden is het noodzakelijk een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling uit te voeren.

2.2.5 Activiteiten waar mogelijk sprake van is Van andere activiteiten waarvoor een mogelijkerwijs een mer-plicht geldt is geen sprake.

2.3. Procedure en betrokken partijen Betrokken partijen Bij deze m.e.r.-beoordelingsprocedure zijn de volgende partijen aan te merken als initiatiefnemer en bevoegd gezag. WeLiving is initiatiefnemer van het project voor deze (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsprocedure. In het project treedt het college van B&W van de gemeente Harderwijk op als bevoegd gezag. Het college moet beslissen op de aanvraag omgevingsvergunning om af te wijken van het geldende bestemmingsplan. Procedure De initiatiefnemer deelt aan het bevoegd gezag mede dat zij voornemens is een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit te realiseren. Dit doet de initiatiefnemer in deze aanmeldingsnotitie waarin zij de benodigde informatie opneemt op basis waarvan het bevoegd gezag een besluit kan nemen over de noodzakelijkheid van een m.e.r.(beoordeling). Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken na ontvangst van deze aanmeldingsnotitie of er al of niet een m.e.r.-beoordeling moet worden opgesteld. Het besluit hoeft niet te worden gepubliceerd in de Staatscourant. Het (vormvrije) m.e.r.- beoordelingsbesluit vormt een bijlage bij het uiteindelijk te nemen besluit: de omgevingsvergunning om af te wijken van het geldende bestemmingsplan (art. 2.1 lid 1 aanhef en onder c Wabo). Er staat bij een m.e.r.-beoordeling geen direct beroep en bezwaar open.

Beroep en bezwaar vindt plaats in het kader van de procedure van het te nemen besluit (in dit geval de omgevingsvergunning voor de realisatie van de logiesvoorziening).

3. De (vormvrije) M.E.R.-Beoordeling 3.1. Beschrijving van de activiteit (de ontwikkeling) Het plan voorziet in de realisatie van een logiesvoorziening voor shortstay huisvesting van arbeidsmigranten met 150 bedden. Deze voorziening wordt gerealiseerd ten behoeve van short-stay verblijf (maximaal 1 jaar) voor arbeiders van elders. Het perceel is reeds bestemd als ‘Bedrijf waar reeds bedrijven zijn toegestaan, waaronder logiesvoorzieningen in de van hotels. De bouwregels worden niet gewijzigd. De bebouwing bestaat uit twee bouwmassa’s met grotendeels twee bouwlagen met daaronder een (semi)verdiepte parkeerkelder. De twee bouwmassa’s worden door een verbindingsstuk van 1 bouwlaag met elkaar verbonden. Op het gebouw wordt ter plaatse van de zichtlocatie (de rotonde Groene Zoomweg Harderwijkerweg) een beperkt hoogteaccent gerealiseerd, bestaande uit vier bouwlagen boven op de semiverdiepte parkeerkelder. Door dit hoogteaccent krijgt de bebouwing een nog nadrukkelijkere uitstraling richting de doorgaande wegen. De bebouwing wordt voorzien van een plat dak, met daarop zonnepanelen. Deze zijn zodanig op het dak gepositioneerd dat deze vanaf straatniveau niet waarneembaar zijn en ook geen schittering of lichthinder voor het verkeer opleveren. De bebouwing wordt opgetrokken uit rode baksteen, met een eigentijdse en strakke, open en lichte uitstraling.

In bijlage 1 is een situatietekening opgenomen en enkele impressies.

3.2. De kenmerken van de activiteit Bij het kenmerk van het project moet in het bijzonder in overweging worden genomen: a.

de omvang van het project;

b.

de cumulatie met andere projecten;

c.

hetgebruikvan natuurlijke hulpbronnen;

d.

de productie van afvalstoffen;

e.

verontreiniging en hinder;

f.

het risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering.

Ad a. de omvang van het project Het plangebied is gelegen in de bebouwde kom van Harderwijk en heeft een omvang van circa 4.550 m2. Binnen het plangebied wordt een nieuw logiesvoorziening gerealiseerd. Het bebouwd oppervlak van het plangebied bedraagt maximaal 5007o. De bebouwing bestaat hoofdzakelijk uit 2 bouwlagen boven een semi-verdiepte

parkeerkelder, uitgezonderd een hoogte accent van 4 bouwlagen boven de semi-verdiepte kelder. Het plan blijft binnen het eigen bedrijfsperceel en binnen de bestaande ruimtelijke structuren. De structuur van de omgeving blijft derhalve intact. Deomvangvan het gebied is beperkt waardoor dit het uitvoeren van een m.e.r. (beoordeling) niet rechtvaardigt. Ad b. cumulatie met andere projecten De realisatie van de iogiesvoorziening betreft een op zichzelf staand projecten maakt geen onderdeel uit van een grotere ontwikkelingslocatie. Van cumulatie met projecten buiten onderhavig plan is derhalve geen sprake. Ad c. gebruik van natuurlijke hulpbronnen Onder natuurlijke hulpbronnen worden onder andere niet vernieuwbare bronnen, zoals fossiele brandstoffen verstaan, maarookvernieuwbare bronnen, zoals hout, rubber, drinkwateren zuurstof. Hetgebruikvan natuurlijke hulpbronnen ten behoeve van realisatie van het plan zal plaatsvinden op een conventionele manieren geeft geen aanleiding aanzienlijke gevolgen voor het milieu te veronderstellen, zodanig dat daarvoor een MER dient te worden opgesteld. De Iogiesvoorziening wordt hoofdzakelijk gerealiseerd van steenachtige materialen, staal en hout; grondstoffen die niet schaars zijn. Ad d.

de productie van afvalstoffen De productie van afvalstoffen is beperkt tot de bouwafvalstoffen tijdens de realisatie van de Iogiesvoorziening en toekomstige huishoudelijke afvalstoffen tijdens het gebruik. De afvalstoffen vormen naar aard en omvang geen aanleiding voor het opstellen van een milieueffectrapportage. Ade. verontreinigingen hinder Onderhavig plan betreft de realisatie van een Iogiesvoorziening waarin personen gaan verblijven. Het betreft geen (milieukundige) inrichting waarin potentieel verontreinigende activiteiten plaatsvinden. De Iogiesvoorziening genereert beperkt extra verkeersbewegingen waardoor sprake is van een beperkte emissie van uitlaatgassen. Daarnaast zal tijdens de bouw eveneens sprake van enige emissie van uitlaatgassen zijn. Dit aspect is nader verantwoord in paragraaf 3.3.1 (natuur ä stikstof) en 3.3.4 (luchtkwaliteit). Deze kenmerken zorgen niet voor een aanleiding voor het opstellen van een milieueffectrapportage.

11

Ad f. het risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering De realisatie en ingebruikname van de logiesvoorziening betreft geen risicovolle inrichting. Risico’s vanuit het plangebied naar de omgeving vormen geen aanleiding voor het opstellen van een milieueffectrapportage. In het kader van de aanvraag om omgevingsvergunning is daarnaast een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd waarin is geconcludeerd dat er geen belemmeringen zijn vanuit het plaatsgebonden en groepsrisico ten aanzien van inrichtingen, transportassen en buisleidingen. Het onderzoek is als bijlage opgenomen. Ad g. risico’s voor menselijke gezondheid Onderhavig plan betreft de realisatie van de logiesvoorziening waarin personen gaan verblijven. Er vinden geen activiteiten plaats die potentieel een risico vormen voor de menselijke gezondheid. Ter plaatse van de logiesvoorziening is het voor het menselijke verblijf noodzakelijk dat sprake is van een goed woon-en leefklimaat. De functie logiesvoorziening zorgt eveneens niet voor risico’s voor de gezondheid van mensen in de omgeving. De kenmerken van het project inzake menselijke gezondheid vormen geen aanleiding voor het opstellen van een milieueffectrapportage.

3.3. Plaats van het project Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn moet in het bijzonder in overweging worden genomen: a. b.

het bestaande grondgebruik, relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied,

c.

het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: a.

wetlands

b.

kustgebieden

c.

berg- en bosgebieden

d.

reservaten en natuurparken

e.

gebieden die in de wetgeving van lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; speciale beschermingszones door de lidstaten aangewezen volgens Richtlijn 79/409/EEG (Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG

Habitatrichtlijn)

f.

gebieden waarde milieukwaliteitsnormen al niet worden nagekomen

g.

gebieden meteen hoge bevolkingsdichtheid

h.

landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang

Ad a. het bestaande grondgebruik Het plangebied is in de huidige situatie reeds bestemd als ‘Bedrijf’ met een bouwvlak voor de realisatie van bedrijven, waaronder een logiesvoorziening in de vorm van een hotel. Het perceel is nog niet bebouwd en bestaat uit braakliggend terrein.

Ad b. relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied In de huidige situatie bestaat het terrein uit braak liggend terrein. In de huidige situatie is er geen sprake van een rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied.

13

Ad c. het opnamevermogen van het natuurlijke milieu In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen van de in de opsomming genoemde (potentieel) waardevolle gebieden. Buiten het plangebied en buiten de bebouwde kom van Harderwijk iigt het Natura 2000gebied De Veluwe. Dit aspect wordt nader verantwoord in paragraaf 3.3.1.

3.4. Kenmerken van het potentiële effect Bij de potentiële effecten van het project wordt voor zover relevant gekeken naar: a)

de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten (bijvoorbeeld geografisch gebied en omvang van

de bevolking die getroffen kan worden) b)

de aard van het effect

c)

het grensoverschrijdend karakter van het effect

d)

de intensiteit en de complexiteit van het effect

e)

de waarschijnlijkheid van het effect

f)

de verwachte aanvang, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect

g)

de cumulatie van effecten met de effecten van andere projecten

h)

de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen

Het potentiële effect van de activiteit is vanwege de aard en omvang zeer beperkt, voor wat betreft het fysieke bereik en de grootte van de getroffen bevolking. Om een beeld te schetsen van de specifieke effecten wordt in de navolgende paragrafen per deelaspect het effect weergegeven en wordt vanwege de verwaarloosbare effecten niet specifiek stilgestaan bij de bovenstaande punten.

3.3.1

Natuur

Het plangebied bestaat momenteel uit braakliggend terrein, Ten behoeve van de realisatie van de logiesvoorziening is een natuuronderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is als bijlage opgenomen. Uit de natuurtoets blijkt dat het planvoornemen niet is gelegen in of de directe nabijheid van een natura 2000 gebied en is ook buiten de door de provincie Gelderland aangewezen GNN en GO gebieden gelegen. Ter plaatse van het plangebied en in de directe omgeving zijn geen beschermde soorten of verblijfsplaatsen aangetroffen. Op basis van dit natuuronderzoek wordt geconcludeerd dat onderhavig plan geen belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu ļ leefomgeving / natuur. Het onderzoek is als bijlage opgenomen. Stikstof Omdat sprake is van de emissie van stikstof is een stikstofonderzoek uitgevoerd. In deze paragraaf zijn uitsluitend de resultaten en conclusies weergegeven. Het onderzoek is als bijlage opgenomen. Rekenresultaat beoogde situatie, gebruiksfase Uit de rekenresultaten blijkt dat in de ‘beoogde situatie, gebruiksfase’ geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j op omliggende Natura 2000-gebieden zijn berekend. Het permanente gebruik heeft derhalve geen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de omliggende Natura 2000-gebieden. Het Aeriusrekenbestand is bijlage aan het stikstofonderzoek opgenomen.

15

Rekenresultaat beoogde situatie, aaniegfase De bouwwerkzaamheden duren ongeveer 1 jaar. Omdat nog niet exact bekend is wanneer de bouwwerkzaamheden aanvangen zijn alle werkzaamheden in 1 kalenderjaar vervat. Dit betreft derhalve een worstcase scenario. Uit de rekenresultaten blijkt dat in de ‘beoogde situatie, realisatiefase’ slechts sprake is van een marginale tijdelijke toename van 0,04 mol/ha/j. Het Aerius-rekenbestand is bijlage aan hetstikstofonderzoek opgenomen. De rijksoverheid hanteert de beleidslijn dat bij een minimale en tijdelijke depositie significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden uitgesloten kunnen worden. Op de website van BIJ 12 wordt deze redeneerlijn nader toegelicht. In het onderstaande kader is deze toelichting weergegeven. Omdat in onderhavig plan sprake is van een minimale stikstofdepositie (0,04 mol/ha/j) leidt het onderhavige plan

In de aaniegfase van een project wordt materieel ingezet dat slechts tijdelijk stikstofemissie veroorzaakt. In een voortoets kan onderbouwd worden dat kleine, tijdelijke deposities van tijdelijke bronnen binnen het project op zichzelf en in cumulatie, op voorhand niet kunnen leiden tot significant negatieve effecten. Hierbij kan als uitgangspunt worden gehanteerd dat een project met alléén kleine tijdelijke deposities in de aaniegfase kleiner dan ofgelijkaan 0,05 mol N/ha/jaargedurende maximaal 2 jaar (of een equivalent hiervan) in beginsel niet vergunningplichtig is voor het aspect stikstofdepositie. In beginsel geldt deze lijn vooralle vormen van tijdelijke emissies in de aaniegfase, in de praktijk zal dit met name mobiele werktuigen en de aam/afvoer van materiaal en materieel betreffen. Indien de stikstofdepositie in de aaniegfase groter is dan 0,05 mol N/ha/jaargedurende maximaal 2 jaar of pr H çnrpkp van ppn HpnnHtiphiidraap in dp crphri likçfaçp nn ppn Hnnr çtikçtnf nvprhplastp Inratip in ppn

Conclusie stikstofonderzoek Omdat in de permanente gebruiksfase geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie, in de tijdelijke aaniegfase de stikstofdepositie niet meer bedraagt dan 0,05 mol/ha/j en de bouwwerkzaamheden niet langer duren dan 2 jaar heeft onderhavig plan geen significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van omliggende Natura 2000-gebieden.

3.3.2

Verkeer en parkeren

Verkeersgeneratie Omdat er niet een één op één vergelijking met één van de functies uit de CROW is te maken is onderhavige plan vergeleken met twee verschillende functies: een ‘hotel’ en ‘kleine wooneenheden”. »

Bij een 3 sterren hotelfunctie, een stedelijkheidsgraad; ‘matig stedelijk’ en ‘rest bebouwde kom’ is sprake van maximaal 15,8 verkeersbewegingen per 10 kamers op een weekdag. De tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten met 65 kamers genereert 103 extra verkeersbewegingen op een weekdag;

»

Op basis van een ‘kleine eenpersoonshuishouden’ is sprake van een verkeersgeneratie van 0,7 motorvoertuigbewegingen per eenheid I persoon per etmaal. Bij de realisatie van een logiesfunctie voor 150 bedden ļ personen is sprake van 105 extra verkeersbewegingen op een weekdag.

Kortom, er is gemiddeld sprake van een maximale verkeersgeneratie van 105 verkeersbewegingen op een weekdag. Routering Het gehele gebied dat behoort bij het Werklandschap - Oost is voor het autoverkeer ontsloten via Fokko Kortlanglaan - Meeboerserf - Groene Zoom. Er is daarbij geen directe aansluiting op de Groene Zoomweg en de Harderwijkerweg gerealiseerd. De aansluiting van de Fokko Kortlanglaan op de Harderwijkerweg is enkele járen geleden voor het autoverkeer afgesloten. Bij het vaststellen van het bestemmingsplan Drielanden - Werklandschap-Oost is reeds een beoordeling gemaakt dat de ontsluiting afdoende is voor alle functies die met het bestemmingsplan mogelijk werden gemaakt. Onderhavig plan betreft slechts een andere functie die niet meer verkeersbewegingen veroorzaakt dan de behoorlijk uiteenlopende functies die op basis van vigerende bestemmingsplan reeds zijn toegestaan. De straat Goede Reede fungeert in feite als een oprit c.q. ontsluiting van 3 bedrijven en de beoogde logiesvoorziening en wordt door de doodlopende zijtak Fokko Kortlanglaan van 140 meter lang ontsloten naar de Meeboerserf. De Meeboerserf betreft een ontsluitingsweg van het zuidelijk gelegen bedrijventerrein met een breed profiel en een bijbehorende forse capaciteit.

De Meeboerserf wordt op zijn beurt weer na 110 meter ontsloten op de gebiedsontsluitingsweg Groene Zoom vanwaar alle richtingen bereikt kunnen worden. Het plangebied is derhalve gelegen op een goed bereikbare locatie die via een zeer korte route wordt ontsloten op de doorgaande wegen. Het omliggende provinciale wegennet en de Rijksweg A28 is vanaf de Goede Reede binnen een enkele minuut te bereiken. Het verkeer dat door onderhavig plan wordt gegenereerd, 105 mvt/etmaal, is via het omliggende wegennetwerk eenvoudig te verwerken. Het verkeer afwikkelende vermogen van dit wegennetwerk wordt niet onevenredig aangetast. Voor hetfietsverkeer is het plangebied uitstekend te bereiken via de Fokko Kortlanglaan en de Harderwijkerweg, waar een vrijliggend fietspad in twee richtingen aan de zijde van het plangebied aanwezig is. Ook met het OV is de plan locatie uitstekend bereikbaar. Op enkele tientallen meters van de locatie is een bushalte (Bushalte Fokko Kortlanglaan) aanwezig. Conclusie De realisatie van de ‘tijdelijke huisvestingvoorarbeidsmigranten’ brengt weliswaarverkeersbewegingen metzich mee, maar niet meer dan alle mogelijke functies die reeds zijn toegestaan op basis van het vigerende bestemmingsplan.

De omvang van deze verkeersgeneratie is daarnaast beperkt ten opzichte van wat het directe aanliggende weggennet (Goede Reede, Fokko Kortlanglaan en Meeboerserf, Groene Zoomweg) aan verkeersbewegingen kan verwerken. Er blijft in de beoogde situatie sprake van een goede en veilige verkeerssituatie en het plan genereert geen onevenredige negatieve effecten op de omgeving. Parkeren Ten behoeve van deze ontwikkeling is een parkeerberekening uitgevoerd. Omdat er niet een één op één vergelijking met één van de functies uit de CROW is te maken is onderhavige plan vergeleken met twee verschillende functies: een ‘hotel’ en ‘kleine wooneenheden”. Op basis van de CROW-normen geldt een parkeernorm van 0,6 parkeerplaatsen per kamer (logies I 2 persoonskamer). In onderhavig plan worden 65 kamers gerealiseerd. Op basis van deze kencijfers dienen derhalve

17

39 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. In samenspraak met de gemeente is er ook voor gekozen om een vergelijk te maken met kleine woningen conform de “parkeernormen kleine wooneenheden” van de gemeente Harderwijk. Op basis van deze notitie geldt een parkeernorm van 1 parkeerplaats per kleine tweepersoons wooneenheid. Dit komt neer op 0,5 parkeerplaats per persoon. In totaal gaan 150 personen verblijven in de logiesfunctie, wat resulteert in een parkeeropgave van 75 parkeerplaatsen. In onderhavig plan worden in totaal 79 parkeerplaatsen gerealiseerd, waarvan 51 parkeerplaatsen in de kelder (inpandig) en 28 parkeerplaatsen op maaiveld. Hiermee wordt ruim voldaan aan de parkeeropgave conform de twee verschillende rekenmethoden c.q. vergelijkingen. Bovendien wordt het formaat van een groot deel van de parkeerplaatsen geschikt gemaakt voor het parkeren van (bestel)busjes. Stimuleren fietsgebruik Om het gebruik van fietsen te stimuleren wordt in de parkeerkelder in de directe nabijheid van het trappenhuis een fietsenstalling gerealiseerd. Hierdoor wordt de drempel om de fiets te gebruiken geminimaliseerd. Daarnaast is op het binnenterrein sprake van extra stallingsruimte. Conclusie Parkeren wordt opgelost op het eigen perceel waardoor de omgeving geen parkeeroverlast ervaart als gevolg van het onderhavige plan.

3.3.3

Akoestiek

In het onderhavige plan worden geen functies gerealiseerd die geluid produceren. De elementen die wel geluid produceren, zoals een airco systeem of warmtepompen, betreffen geen geluidbronnen die nadelige gevolgen hebben voor het milieu. Logiesvoorzieningen Dit aspect is derhalve niet van toepassing.

3.3.4

Luchtkwaliteit

In het onderhavig plan wordteen logiesvoorziening gerealiseerd met 150 bedden. De realisatie van de voorziening an sich en de daarmee gepaard gaande verkeersgeneratie heefteen zeer beperkte invloed op de luchtkwaliteit in de directe omgeving. In onderhavig plan wordt gebruik gemaakt van de ‘NIBM-tooľ waarmee op basis van de extra verkeersgeneratie als gevolg van onderhavig plan de bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit wordt beoordeeld. De extra verkeersgeneratie bedraagt 105 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Op basis van de onderstaande ingevulde NIBM - rekentool kan worden geconcludeerd dat grenswaarde van 307o niet wordt overschreden en het plan daarmee ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

18

Tabel 4.1: resultaat NIBM-tool

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie

2023

Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

105

Aandeel vrachtverkeer

1,00/0

^02 in pg/mS

0,07

PMioin Mg/mG

0,02

Extra verkeer als gevolg van het plan

Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in pg/mS

1,2

Conclusie: De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig Conclusie Het plan heeft geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu tot gevolg.

3.3.5

Externe veiligheid

In het onderhavige plan worden geen risicovolle bronnen gerealiseerd. Dit aspect is derhalve nietvan toepassing.

3.3.6

Bodem

In het onderhavige plan wordt een logiesvoorziening gerealiseerd. Een logiesvoorziening geen potentiële verontreinigingsbron voor de bodem. Het effect van het onderhavige plan op de bodemkwaliteit is derhalve verwaarloosbaar. Het plan heeft geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu tot gevolg.

3.3.7

Archeologie

In het kader van het bestemmingsplan ‘Drielanden - Werklandschap-Oost is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Gezien de overwegend diepe bodemverstoring en het volledig ontbreken van archeologische indicatoren worden als gevolg van de realisatie van de logiesvoorziening geen archeologische resten geschaad. Van behoudenswaardige archeologische resten in het plangebied is derhalve geen sprake.

3.3.8

Overige effecten

Gezien de aard van de ontwikkeling zijn er geen andere effecten te verwachten

4. Conclusie De

activiteiten

die

mogelijk

worden

gemaakt

door

middel

van

de

in

voorbereiding

zijnde

omgevingsvergunningprocedure zijn, gelet op de kenmerken en de plaats van de activiteiten en de kenmerken van de potentiële effecten, niet zodanig van invloed op het milieu en omgeving dat een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Het voorstel is om het college van B&W van de gemeente Harderwijk op basis van deze notitie te laten besluiten dat geen milieueffectrapportage nodig is.

Bijlagen

21

Bijlage 1: Situatietekeningen impressies

22

ŴVÏ

ÜHH

-įÇ^~ s

gsSg mİĨĚ - --

-~'ėŕ-

•»Ŵ-‘ ------I il -

.

-

-

-

ŕ-j~ -'~

ÈBMLJ 3SV-Cví

fcv

,-

í»ŕŕfc; S3S.—

OMGEVINGSAANVRAAG - CONCEPT project:

Goede Reede te Harderwijk

projectstatus:

Definitief Ontwerp - aangepaste gevels

onderdeel:

Impressies

datum:

13-10-2020

— veluwse architecten projectnummer:

bladnummer:

1889

DO-510

ŴVÏ

ÜHH

-įÇ^~ s

gsSg mİĨĚ - --

-~'ėŕ-

-

•»Ŵ-‘ I il -

.

-

-

-

ŕ-j~ -'~

ÈBMLJ 3SV-Cví

fcv

,-

í»ŕŕfc; S3S.—

OMGEVINGSAANVRAAG - CONCEPT project:

Goede Reede te Harderwijk

projectstatus:

Definitief Ontwerp - aangepaste gevels

onderdeel:

Impressies

datum:

13-10-2020

— veluwse architecten projectnummer:

bladnummer:

1889

DO-510

Bijlage 2: Onderzoek externe veiligheid

23

a antea'group

Externe veiligheid Goede Reede Harderwijk

projectnummer 0453656.100 definitief revisie 3.0 13 november 2020

Understanding today. Improving tomorrow.

antea'group

Externe veiligheid Goede Reede Harderwijk

projectnummer 0453656.100 definitief revisie 3.0 13 november 2020

Adviesgroep SAVE

Opdrachtgever WeLiving Hoge Rijndijk 306A 2314 AM Leiden

Colofon Projectgroep bestaande uit Roel Kouwen Jeroen Eskens

datum vrijgave İ13-11-2020

beschrijving revisie 3.0 definitief

goedkeuring I RK fit

vrijgave I HJS

I

antea'group

Inhoudsopgave

Blz.

1

Inleiding

1

1.1

Leeswijzer

1

2

Beleidskader

2

3

Beschouwing risicobronnen

4

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5

Hogedruk aardgastransportleiding Provinciale weg N303 Rijksweg A28 Spoorlijn Amersfoort - Zwolle Overige risicobronnen

4 5 7 7 8

4

Verantwoording groepsrisico

9

4.1 4.2 4.3 4.4

Algemene beschouwing veiligheidssituatie Ruimtelijke veiligheidsmaatregelen Zelfredzaamheid Bestrijdbaarheid

9 10 11 12

5

Conclusies

14

5.1 5.2

Risicobeschouwing Verantwoording groepsrisico

14 14

Bijlage 1: Risicoberekening buisleiding Uitgangspunten Bevolkingsinventarisatie Resultaten

15 15 18

Bijlage 2: Risicoberekening N303 Uitgangspunten Bevolkingsinventarisatie Resultaten

20 22 25

Externe veiligheid Goede Reede Harderwijk projectnummer 0453656.100 13 november 2020 revisie 3.0 WeLiving

1

antea'group

Inleiding WeLiving B.V. is voornemens om een logiesvoorziening voor stortstay huisvesting van arbeidsmigranten te realiseren aan de Goede Reede te Harderwijk. De geprojecteerde bebouwing zal plaats bieden aan 150 personen. Het geprojecteerde gebouw is daarmee aan te merken als een kwetsbaar object conform de definitie uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Omdat de voorgenomen ontwikkeling niet past binnen het vigerende bestemmingsplan, wordt een ruimtelijke procedure doorlopen. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1.1. '

Res3í

rjf*

gŅţRñíře ì Figuur 1.1: Globale ligging van het plangebied (rood). LuchtfotoNL 2018 © CycloMedia Technology B.V.

In het kader van de ruimtelijke procedure dient het aspect externe veiligheid te worden onder­ zocht. Antea Group is in dit kader gevraagd een onderzoek externe veiligheid op te stellen.

1.1

Leeswijzer In hoofdstuk twee wordt ingegaan op enkele hoofdzaken met betrekking tot het externe veilig­ heidsbeleid. In hoofdstuk drie worden de risicobronnen in relatie tot het plangebied beschouwd. Vervolgens worden in hoofdstuk vier elementen aangedragen voor de invulling van de verantwoording van het groepsrisico. Ten slotte worden in hoofdstuk vijf de conclusies van het onderzoek beschreven. In de bijlagen zijn de beschrijvingen van de uitgevoerde risicoberekeningen opgenomen.

antea'group

2

Beleidskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is verschillende wet- en regelgeving van toepassing. Voor risicovolle inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het wettelijke kader, voor buisleidingen is dit het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het huidige beleid voor transportmodaliteiten in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen het beleidskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen, zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden Risico (PR) Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10"7jaar-contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten geprojecteerd worden.

Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10"7jaarcontour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de ^ letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop nog ^ van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Het GR kan niet 'op de kaart' worden weergegeven, maar wordt weergegeven in een grafiek waar de kans (f) afgezet wordt tegen het aantal slachtoffers (N): de fN-curve. Circulaire LPG-tankstations In de Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations voor besluiten met gevolgen voor de effecten van een ongeval (verder: Circulaire LPG-tankstations) zijn effectafstanden geïntroduceerd. Er worden twee effectafstanden gehanteerd: een afstand van 60 meter voor (beperkt) kwetsbare objecten en een afstand van 160 meter voor zeer kwetsbare objecten. Het bevoegd gezag wordt verzocht rekening te houden met deze effectafstanden.

Dit betekent tegelijkertijd dat gemotiveerd afwijken is toegestaan, al dient deze afwijking te worden onderbouwd met veiligheidsgeoriënteerde argumenten.

Blad 2 vai 26

Externe veiligheid Goede Reede Harderwijk projectnummer 0453656.100 13 november 2020 revisie 3.0 WeLiving

# )

antea'group

^ risicobron = PR 10 '5 -contour

slachtoffers {Nķ

s invloedsgebied n letaliteitgrens

Figuur 2.1: Weergave plaatsgebonden risicocontouren, invloedsgebied en groepsrisicografiek met oriëntatiewaarde voor transport

Verantwoordingsplicht In het Bevt en het Bevb is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opge­ nomen. Bij deze verantwoordingsplicht dient het bevoegd gezag op een juiste wijze de toe­ name en ligging van het groepsrisico te onderbouwen en te verantwoorden. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan of het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht. Bij de verantwoording van het groepsrisico dient het bevoegd gezag advies in te winnen bij de veiligheidsregio. De verantwoordingsplicht van het groepsrisico dient naast de rekenkundige hoogte van het groepsrisico, dat berekend wordt door middel van een kwantitatieve risico­ analyse (QRA), tevens rekening te houden met een aantal kwalitatieve aspecten, zoals hieron­ der weergegeven. Verplichte en onmisbare onderdelen:

A

Ligging GR t.o.v. oriënterende waarde

B

Toename GR t.o.v. nulsituatie

C

De mogelijkheden van zelfredzaamheid van de bevolking

D

De mogelijkheden van hulpverlening

E

Nut en noodzaak van de ontwikkeling

F

Het tijdsaspect

Figuur 2.2: Verplichte en onmisbare onderdelen van de verantwoordingsplicht van het groepsrisico

Beleidsvisie externe veiligheid In 2014 is de gemeentelijke Beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente Harderwijk vastge­ steld. Uitgangspunt van deze beleidsvisie is de toepassing van verschillende restrictieniveaus voor het (al dan niet) toestaan van risicovolle bedrijven op bedrijventerreinen en de omgang met groepsrisicoverantwoording in de omgeving van risicobronnen.

Blad 3 vai 26

Externe veiligheid Goede Reede Harderwijk projectnummer 0453656.100 13 november 2020 revisie 3.0 WeLiving

3

antea'group

Beschouwing risicobronnen In de omgeving van het plangebied bevinden zich verschillende relevante risicobronnen: een hogedruk aardgastransportleiding, de provinciale weg N303, de Rijksweg A28 en de spoorlijn Amersfoort - Zwolle. In dit hoofdstuk is het risiconiveau van deze risicobronnen beschouwd ten opzichte van het beoogde logiesvoorziening. De logiesvoorzieing is conform het Bevi aan te merken als een kwetsbaar object, aangezien het geprojecteerde object voorziet in de aanwezigheid van meer dan 50 personen gedurende een groot gedeelte van de dag. De ligging van het plangebied ten opzichte van deze risicobronnen is weergegeven in figuur 3.1.

íġ&lŗ&ŷ įfQğ,

TW

v.-’ļ

Legenda Plangebied -------Spoorlijn Amersfoort - Zwolle Spoorlijn: 200 meter-zone Bevt Rijksweg A28 A28: 200 meter-zone Bevt N303 N303: 200 meter-zone Bevt ------

Hogedruk aardgastransportleidingen | 100*Vo letalīteitscontour leiding l0Zo letalīteitscontour leiding (invloedsgebied)

;PR 10-6-contour

___ ì Figuur 3.1: Risicobronnen in de omgeving van het plangebied

3.1

Hogedruk aardgastransportleiding Ter hoogte van de Groene Zoomweg bevindt zich langs de grens van het plangebied de hogedruk aardgastransportleiding met kenmerk A-510. Enkele kenmerken van de leiding zijn weergeven in tabel 3.1, waaronder het invloedsgebied van de leiding. De personendichtheid hierbinnen is be­ palend voor de hoogte van het groepsrisico. Tabel 3.1: Kenmerken van de hogedruk aardgastransportleiding

Leidingbeheerder

Kenmerk

Druk [bar]

Diameter [mm]

N.V. Nederlandse Gasunie

A-510

66.20

914

Invloedsgebied (W letaliteit) [meter] 430

Om het risiconiveau van deze hogedruk aardgastransportleiding te bepalen zijn risicoberekeningen uitgevoerd. Een uitgebreide beschrijving van deze risicoberekeningen is opgenomen in bijlage 1.

Blad 4 van 26

100ro letali­ teit [meter] 180

Externe veiligheid Goede Reede Harderwijk projectnummer 0453656.100 13 november 2020 revisie 3.0 WeLiving

antea'group

Plaatsgebonden risico Conform het Bevb (het wettelijke kader voor buisleidingen waar gevaarlijke stoffen door worden vervoerd) zijn geen kwetsbare objecten toegestaan binnen de PR 10-6-contour. Voor beperkt kwetsbare objecten is de PR 10-6-contour een richtwaarde. Uit de risicoberekeningen (waarvan de volledige beschrijving is opgenomen in de bijlage) blijkt dat de leiding geen PR 10-6-contour heeft. Er wordt voldaan aan de grens- en richtwaarde ten aanzien van het plaatsgebonden risico. Belemmeringenstrook Vanuit het Bevb geldt voor deze buisleiding een belemmeringenstrook van vijf meter aan weers­ zijden van de buisleiding (waarbinnen geen bouwwerken mogen worden opgericht), gemeten vanuit het hart van de buisleiding. Groepsrisico Het groepsrisico is in de risicoberekeningen bepaald voor de huidige en de toekomstige situatie, de hoogte van het groepsrisico is weergegeven in figuur 3.2. Groepsrisico

E-5

Figuur 3.2: Groepsrisico hogedruk aardgastransportleiding A-510 in de huidige en toekomstige situatie

Uit figuur 3.2 blijkt dat het groepsrisico van de leiding met kenmerk A-510 zowel in de huidige als in de toekomstige situatie de oriëntatiewaarde overschrijdt (1,606 keer de oriëntatiewaarde). De hoogte van het groepsrisico neemt door de geprojecteerde ontwikkeling niet toe, omdat de kilometer buisleiding met het hoogste groepsrisico niet ter hoogte van het plangebied is gelegen. Verantwoording van het groepsrisico van de leiding is conform artikel 12 van het Bevb verplicht. Uit de beleidsvisie van de gemeente Harderwijk volgt dat voor deze ontwikkeling niet kan worden volstaan met een standaardverantwoording (standaardtekst). De relevante onderdelen van de groepsrisicoverantwoording zijn omschreven in hoofdstuk vier.

3.2

Provinciale weg N303 De N303 (Harderwijkerweg) is een weg die direct ten oosten van het plangebied is gelegen. De N303 verbindt onder meer Harderwijk en Ermelo. De N303 is niet opgenomen in de Regeling basisnet. Uit tellingen van de Provincie Gelderland (2009) blijkt dat er transport van gevaarlijke stoffen over de weg plaatsvindt.

Blad 5 van 26

Externe veiligheid Goede Reede Harderwijk projectnummer 0453656.100 13 november 2020 revisie 3.0 WeLiving

antea'group

De categorie vervoerde gevaarlijke stoffen en de daarbij behorende frequentie van het transport is weergegeven in tabel 3.2. Deze gegevens zijn van toepassing op het trajectdeel van de N303 tussen de aansluiting met de A28 (afrit 12) en de N798. Tabel 3.2: Vervoer gevaarlijke stoffen N303

N303 Aantal wagens per jaar

LF1, brandbare vloeistof | 98

LF2, brandbare vloeistof 488

GF3, brandbaar gas 585

Plaatsgebonden risico Aan de hand van vuistregels uit de bijlage van de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) blijkt dat de weg geen plaatsgebonden risico heeft.1 Dit blijkt ook uit de resultaten van de risicoberekeningen (voor niet-Basisnetroutes is het plaatsgebonden risico niet standaard vastgelegd): een PR 10-6-contour treedt niet op. Er wordt daarmee voldaan aan de grens- en richtwaarde ten aanzien van het plaatsgebonden risico. Groepsrisico In het kader van het onderhavige besluit is ten aanzien van de weg N303 een kwantitatieve risico­ analyse uitgevoerd. De uitgangspunten hiervan staan beschreven in bijlage 2. In onderstaand figuur 3.3 is het groepsrisico ten hoogte van het plangebied weergegeven.

Figuur 3.3: Groepsrisico van de N303 Legenda: — = Huidig groepsrisico — = Toekomstig groepsrisico

Het hoogste groepsrisico per kilometer is weergegeven in tabel 3.3. Tabel 3.3: Groepsrisico van de N303

Hoogste GR p/km Huidige situatie Toekomstige situatie

0.00017 (1,7% van de oriëntatiewaarde) 0.00035 (3,5% van de oriëntatiewaarde)

1 Wanneer het aantal GF3-transporten per jaar groter is dan 500 heeft een weg buiten de bebouwde kom geen PR 10-6contour als 0.0003*(GF3+0.2*LF2+LT1+LT2+3*LT3+GT4+GT5)<1. Hieruit volgt dat de weg geen PR 10-6-contour heeft.

Blad 6 van 26

Externe veiligheid Goede Reede Harderwijk projectnummer 0453656.100 13 november 2020 revisie 3.0 WeLiving

antea'group

Uit tabel 3.3 blijkt dat de hoogte van het groepsrisico toeneemt, maar zowel in de huidige als de toekomstige situatie lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde. Daarom volstaat, conform artikel 8 van het Bevt, een beperkte groepsrisicoverantwoording. Daarbij dient ingegaan te worden op de elementen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Een aanzet voor de groepsrisicoverantwoording is beschreven in hoofdstuk vier.

3.3

Rijksweg A28 Ten noorden van het plangebied ligt op circa 300 meter de Rijksweg A28. Over deze weg vindt, conform de Regeling basisnet, transport van gevaarlijke stoffen plaats. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de snelweg (stofcategorie LT2: 880 meter). Plaatsgebonden risico Het risicoplafond van het vervoer van gevaarlijke stoffen is vastgelegd in de Regeling basisnet. Hierin staat vermeld dat er voor de snelweg ter hoogte van het plangebied sprake is van een maximale PR 10-6-contour van 16 meter. Deze contour reikt niet tot het plangebied, er wordt daarmee voldaan aan de grens- en richtwaarde ten aanzien van het plaatsgebonden risico. Groepsrisico De voorgenomen ontwikkelingen bevinden zich op meer dan 200 meter afstand van de A28. Een nadere beschouwing ten aanzien van het groepsrisico is daarmee niet noodzakelijk. Verantwoording van het groepsrisico is conform artikel 7 van het Bevt verplicht vanwege de ligging binnen het invloedsgebied van de weg. Omdat het plangebied buiten de 200 meter-zone van de weg is gelegen, is een beperkte verantwoording van het groepsrisico van toepassing.

3.4

Spoorlijn Amersfoort - Zwolle De spoorlijn Amersfoort - Zwolle bevindt zich ten westen van het plangebied. Over deze spoorlijn vindt, conform de Regeling basisnet, transport van gevaarlijke stoffen plaats. De afstand tussen de spoorlijn en het plangebied bedraagt ongeveer 400 meter, het plangebied ligt daarmee binnen het invloedsgebied van de spoorlijn (stofcategorie D4: ^.000 meter). Plaatsgebonden risico Het risicoplafond van het vervoer van gevaarlijke stoffen is vastgelegd in de Regeling basisnet. Hierin staat vermeld dat er voor de spoorlijn ter hoogte van het plangebied sprake is van een maximale PR 10-6-contour van 1 meter. Er wordt daarmee voldaan aan de grens- en richtwaarde ten aanzien van het plaatsgebonden risico. Groepsrisico De voorgenomen ontwikkelingen bevinden zich op meer dan 200 meter afstand van de spoorlijn. Een nadere beschouwing ten aanzien van het groepsrisico is daarmee niet noodzakelijk. Verantwoording van het groepsrisico is conform artikel 7 van het Bevt verplicht vanwege de ligging binnen het invloedsgebied van de weg. Omdat het plangebied buiten de 200 meter-zone van de weg is gelegen, is een beperkte verantwoording van het groepsrisico van toepassing (hoofdstuk vier).

Blad 7 van 26

Externe veiligheid Goede Reede Harderwijk projectnummer 0453656.100 13 november 2020 revisie 3.0 WeLiving

3.5

antea'group

Overige risicobronnen Nabij het plangebied zijn géén relevante risicovolle inrichtingen. Ten noorden van de A28 bevindt zich een LPG-tankstation (Shell), maar het plangebied bevindt zich ruim buiten het invloedsgebied van dit tankstation. Het invloedsgebied van het tankstation bedraagt 150 meter en het plangebied is gelegen op ongeveer 450 meter afstand. Daarmee wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden van het Bevi. Het LPG-tankstation is geen relevante risicobron in relatie tot de voorgenomen ontwikkeling.

Blad 8 vai 26

Externe veiligheid Goede Reede Harderwijk projectnummer 0453656.100 13 november 2020 revisie 3.0 WeLiving

4

antea'group

Verantwoording groepsrisico Verantwoording van het groepsrisico is, zoals geconcludeerd in hoofdstuk drie, verplicht ten aan­ zien van een hogedruk aardgastransportleiding, de provinciale weg N303, de Rijksweg A28 en de spoorlijn Amersfoort - Zwolle. In dit hoofdstuk worden elementen aangedragen voor de invulling van de verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag: de gemeenteraad van Harderwijk. Deze elementen zijn afgeleid uit het Bevb en het Bevt en zijn tevens omschreven in hoofdstuk twee van deze rapportage en in de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico (VROM, 2007). Ter verantwoording van het groepsrisico dienen, naast de hoogte van het groepsrisico, enkele kwalitatieve elementen beschouwd te worden. In dit hoofdstuk zijn alle elementen beschouwd. Hierbij is de volgende indeling gehanteerd: ^ Scenario's; • Ruimtelijke veiligheidsmaatregelen; • Zelfredzaamheid; • Bestrijdbaarheid.

4.1

Algemene beschouwing veiligheidssituatie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van risicobronnen met verschillende scenario's. Bij de transportroutes kan een plasbrand, BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion) of toxisch scenario optreden, bij de hogedruk aardgastransportleidingen is een fakkelbrand het maatgevend scenario. De gevolgen van deze scenario's zijn verschillend. In deze paragraaf worden de scenario's verduidelijkt. Ongevalscenario's Plasbrandscenario Bij een calamiteit met brandbare vloeistoffen kan een plasbrand ontstaan (een plas van brandende vloeistof). Het gevolg is een korte, maar extreme hittestraling. De omvang van het effect wordt bepaald door de oppervlakte van de plas. Uitgaande van een calamiteit waarbij een gehele tankinhoud vrijkomt is het invloedsgebied van een plasbrand ongeveer 45 meter. BLEVE-scenario Een BLEVE2 kan zowel plaatsvinden op de weg als op het spoor. Een koude BLEVE ontstaat wanneer er een lek in de LPG-tank zit waardoor gas kan ontsnappen. Door een plotselinge druk­ verandering in de tank stijgt de temperatuur van het gas, waardoor de tank kan ontploffen. Een warme BLEVE ontstaat door een (plas)brand in de nabijheid van een tankwagen beladen met brandbaar of toxisch gas. Door de hitte van de brand loopt de druk in een tankwagen hoog op, terwijl de sterkte van de metalen wand afneemt.

Hierdoor kan de wand het begeven en de tank ontploffen. Door de maatregelen uit de 'Safety Deal hittewerende bekleding op LPG-autogastankwagens' zijn tankauto's voorzien van een hittewerende coating die de kans op een warme BLEVE gedurende ten minste 75 minuten voorkomt.3 De brandweer is daardoor in staat de tank tijdig te koelen. 2 Boiling liquid expanding vapour explosion (kokende vloeistof-gasexpansie-explosie). 3 Tests hebben aangetoond dat deze bescherming over een veel langere periode effectief is ^ 360 minuten).

Blad 9 van 26

Externe veiligheid Goede Reede Harderwijk projectnummer 0453656.100 13 november 2020 revisie 3.0 WeLiving

antea'group

Fakkelbrand Bij de hogedruk aardgastransportleiding kan een fakkelbrand ontstaan. Een fakkelbrand ontstaat wanneer door een externe beschadiging (bijvoorbeeld door graafwerkzaamheden) gas vrijkomt dat vervolgens ontsteekt. Wat volgt is een fakkelbrand die extreme hittestraling kan veroorzaken. Het invloedsgebied van de gasleiding wordt bepaald door de druk en diameter van de leiding (de leiding nabij het plangebied heeft een invloedsgebied van 430 meter). Toxisch scenario Bij (zeer) toxische vloeistoffen is het scenario dat ten gevolge van een ongeval een lekkage ontstaat en zich een vloeistofplas vormt. Vervolgens verdampen deze toxische vloeistoffen waar­ door een gaswolk ontstaat (met dezelfde gevolgen als een gaswolk van toxisch gas). Bij een ongeval met een toxisch gas ontstaat direct een toxische gaswolk. Bij een percentage aan­ wezige personen zal letaal letsel optreden door blootstelling aan de gaswolk. Bij de toxische scenario's zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. De omvang, verplaatsingsrichting en verstrooiing van de gaswolk is mede afhankelijk van de weersgesteldheid op dat moment. Dit scenario kan optreden op de weg en het spoor.

Hoogte groepsrisico Het groepsrisico van de onderscheiden risicobronnen in de nabijheid van het plangebied (hogedruk aardgastransportleiding, provinciale weg N303) is beschouwd in hoofdstuk drie. Hieruit blijkt dat het groepsrisico van de hogedruk aardgastransportleiding weliswaar de oriëntatiewaarde overschrijdt, maar niet toeneemt ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling. Het groepsrisico van de N303 is zowel in de huidige als in de toekomstige situatie lager dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde.

4.2

Ruimtelijke veiligheidsmaatregelen In het vigerende bestemmingsplan is binnen het plangebied bedrijvigheid mogelijk. Het voorgenomen besluit richt zich hoofdzakelijk op het mogelijk maken van een andersoortige functie (logiesvoorziening in plaats van bedrijvigheid | hotels), niet op het vergroten van de bouwmogelijkheden binnen het plangebied. De omvang van het plangebied maakt veiligheidsmaatregelen met tot doel het vergroten van de afstand tussen risicobron en -ontvanger niet of beperkt mogelijk (bovendien zou hiermee de hoogte van het groepsrisico niet worden beïnvloed). De voorgenomen ontwikkeling is specifiek voorzien voor deze locatie, het nut en de noodzaak van deze ontwikkeling is uitgebreid gemotiveerd in de toelichting van het bestemmingsplan. Bronmaatregelen In beginsel zijn maatregelen aan de risicobronnen de meest effectieve maatregelen, omdat de kans op een calamiteit met bronmaatregelen kan worden beperkt. In het kader van voor­ genomen ruimtelijk besluit zijn ruimtelijke veiligheidsmaatregelen in principe niet te realiseren, aangezien de risicobronnen buiten de focus van het plangebied vallen. Daarbij dient te worden opgemerkt dat de buisleiding vanuit wet- en regelgeving en procedures van de leidingbeheerder een hoog niveau van basisveiligheid kent.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Harderwijk&id=170cc7b4-a93e-4ff3-a09c-585c4d566d4a