CConstaterende datHarderwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

2b. Bijlagen bij toelichting - Small Smart Houses Horloseweg.pdf

Raadsvergadering 8 juli 2021, gemeente HarderwijkBij agendapunt: Debat: Vaststelling bestemmingplan Drielanden - Small Smart Houses Horloseweg26.930 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

schappij, ecologie en economie, met elkaar te verbinden en zo mogelijk elkaar laten versterken. ’ Ook is er de verplichting natuurvisies op te stellen (art. 1.5-1.7). Dit gebeurt op provinciaal niveaus via een Natuur- of Omgevingsvisie en het vaststellen van een verordening. Ook het Rijk stelt een nationale Na­ tuurvisie op. Qua beschermingsniveau gelden in ieder geval de Europese regels en zijn beperkt aanvul­ lende regels op nationaal niveau gesteld ter bescherming van soorten. De Wnb zal t.z.t (medio 2019) in principe integraal worden opgenomen in de Omgevingswet, via de Aanvullingswet natuur.

Bevoegdheid Een andere belangrijke wijziging is dat in de meeste gevallen de Provincie het bevoegd gezag is, voor vrijwel alle vergunningen, ontheffingen, meldingen en handhaving van het natuurbeleid. De provincie heeft conform art. 1.12 een actieve rol in de bescherming, instandhouding en herstel van de natuur in de provin­ cie. Het aanwijzen van gebieden behorende tot het Natuurnetwerk Nederland is een verplichting. Daar­ naast mogen provincies ook bijzondere provinciale natuurgebieden of landschappen aanwijzen. Alleen bij nationale belangen, zoals bijv. hoofdwegen en spoorwegen, is het Rijk bevoegd gezag. Gemeenten blijven wel het eerste aanspreekpunt voor de aanvraag van een Omgevingsvergunning. Het is evenals in de oude situatie niet verplicht om voor natuur ‘aan te haken'. Een ontheffing of vergunning voor de natuur is los van de omgevingsvergunning aan te vragen. Een ontheffing Flora- en Faunawet lag bij Rijksdienst voor On­ dernemend Nederland (RVO.nl). Deze taak is dus nu ook naar de provincie overgegaan. Daarmee is de provincie in de meeste gevallen bevoegd gezag voor zowel de soort- als de gebiedsbescherming.

Procedures Er staat in beginsel een doorlooptijd van 13 weken voor zowel een ontheffing als voor een vergunning. Verlenging is mogelijk met maximaal 7 weken. Bij aanhaken binnen de Omgevingsvergunning geldt de uit­ gebreide procedure van 26 weken. Bezwaar en beroep moet eerst bij een regionale rechtbank worden in­ gediend en daarna in voorkomende gevallen naar de Raad van State. In Art. 5.13 was een aanhaakverplichting opgenomen. D.w.z. dat bij een aanvraag Wnb verplicht moet meelopen bij een aanvraag Omge­ vingsvergunning. Deze verplichting is vooralsnog geschrapt, in ieder geval tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet (medio 2019). Het is dus mogelijk een Wnb vergunning aan te vragen los van de Omge­ vingsvergunning. Vrijwillig aanhaken mag wel.

Gemeenten behouden de loketfunctie. Bij een aanvraag Omgevingsvergunning waar gevolgen kunnen zijn voor beschermde soorten, moet een natuurtoets deel uitmaken van de procedure. Een eventuele onthef­ fing kan vooraf worden aangevraagd bij de provincie. Als bij het indienen van een aanvraag Omgevings­ vergunning vooraf geen aparte ontheffing Wnb is aangevraagd moet de natuurtoets wel aanhaken. De gemeente legt de aanvraag dan voor aan de provincie. De provincie geeft op grond van de inhoudelijke toetsing al dan niet een Verklaring van geen bedenkingen (Vvgb) af. 1.3 Stappenplan soortenbescherming

Komen et beschermde sooner, voor in het gebied.’

Uf űp, er Üirt dne tůlegonetti bearetmüĉ íôŵtm overige faro pee SmngpTiJg jjortn en jndge

Geen ontheffing nodig

Worden de verbodsbepalingen overtreden’

let op, r'â'Cdtfgurlŕ be^ Vrmrfť ŭOiirĩť-’ heeft eiuri «riícnhbepulirtgřn. Zfįi.-af^nic»4-l |

Geen ontheffing nodig

Vallet) de nandehngen onder een vrijstelling?

Ut op, ũfhanfctM «m net type ronüc'.ną en át aůftŷA'aflertuxMtíì «ut.ner MtfdMllMdt kTvifett-iąe" şt'den 1na huwheeU ar' ieiĩromtode of promnaüíe

Geen ontheffing nodig

15 er een alternaoevo oplossing mogeliļk?

Doorloop het stappenplan opnieuw met het alternatief

lef 00 ŕHtstrtĖüanċ

tr.će ■yjnng'i heefteggi

Iķst met belkta^M. Ziewcrogtaaf Sift I

Geen ontheffing mogelijk

Uļ ts er een effect op de staat van instandhouding’

Geen ontheffing mogelijk

Ontheffing kan onder voorwaarden worden verleend

Stappenplan soortbescherming ruimtelijke ingrepen (folder Min. EZ)

Soortbescherming In art. 1.10 is de intrinsieke waarde van de natuur expliciet erkend. Het bevoegd gezag oefent taken en bevoegdheden uit met het oog op die doelen. Eén van de instrumenten is het opstellen van een natuurvi­ sie, zowel nationaal als provinciaal, waarin het beleid en de bescherming expliciet is uitgewerkt. Voor de soortenbescherming wijkt de Wet natuurbescherming af van de voorheen geldende Flora- en Faunawet. Er zijn drie beschermingsniveaus te onderscheiden, twee op Europese en één op nationale grondslag. Dit vloeit voort uit het principe dat de regelgeving in principe niet strenger hoeft te zijn dan de Europese regels. Daarmee wijzigt ook een aantal definities. Zo is in art. 3.1 Wnb het woord ‘opzettelijk'

toegevoegd. Het opzettelijk doden, vangen is niet toegestaan. Het opzettelijk verstoren is in sommige situ­ atie wel toegestaan, als dat niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort. Voorwaardelijke opzet is hierbij inbegrepen. Dat is bewust de kans aanvaarden dat gedragingen schadelij­ ke gevolgen hebben voor beschermde soorten. Uit het voorgaande blijkt dat natuuronderzoek vooraf, in veel gevallen een vereiste is.

Beschermingsregime De Wnb kent drie invalshoeken van bescherming. Twee geënt op de Europese regels en één op nationaal niveau. Daarbij zijn de regels van de Europese bescherming vrijwel één op één overgenomen. Vogelrichtlijnsoorten : Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (art. 3.1-3.4 Wnb) Habitatrichtlijnsoorten : Dier- en plantensoorten die strikt beschermd zijn uit Bijlage IV Habitatrichtlijn, Bij­ lage I en II van het verdrag van Bern en Bijlage II van het verdrag van Bonn (art. 3.5-3.9 Wnb). Andere soorten : Dier- en plantensoorten genoemd in Bijlage bij art. 3.10 en 3.11 Wet natuurbe­ scherming Onderdeel A en B. Ca. 145 soorten. Hiermee zijn ca. 700 soorten vogels en ca. 230 andere Europese en nationale soorten beschermd. Voor ca. 200 soorten die eerder wel beschermd waren onder de Flora- en Faunawet geldt nu alleen de algeme­ ne zorgplicht. De indeling in de Tabel 1, 2 en 3 soorten uit de Flora- en Faunawet is verdwenen. Daarvoor in de plaats kunnen de provincies een vrijstellingsverordening opstellen. Deze kunnen dus per provincie verschillen, wat ook de bedoeling is van de wetgever. Zo kunnen regionaal bedreigde soorten worden beschermd en daar waar geen bedreiging bestaat op populatieniveau is minder bescherming nodig.

Verboden De Wnb kent voor elk van de drie categorieën van beschermde soorten aparte bestuursrechtelijke en straf­ rechtelijke verboden. Deze sluiten aan bij de verboden in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de nationale soorten geldt een iets soepeler regime met minder verboden en meer ruimte voor afweging van belangen. Alle verboden zijn van toepassing op individuen. Het opzettelijk handelen omvat ook voorwaar­ delijke opzet. Dat betekent het bewust de aanmerkelijke kans aanvaarden dat een gedraging schadelijke gevolgen heeft voor beschermde soorten. Relevante belangen voor vrijstellingen bij ruimtelijke ingrepen In de Wnb is een regeling opgenomen voor de jacht (art. 3.20 e.v.), een landelijke regeling voor schadebestrijding (art. 3.15), gedragscodes (art. 3.31), regulier onderhoud en beheer Rijk (regeling) en enkele bij­ zondere vrijstellingsregelingen (bijv. dierenambulances). Er zijn 6 landelijke schadesoorten aangewezen, te weten: Canadese gans, houtduif, kauw, konijn, vos en zwarte kraai. Er is een landelijke vrijstellingsrege­ ling voor regulier beheer en onderhoud e.d. in gevallen waar het Rijk bevoegd is (in regeling aangewezen nationaal beschermde soorten). Provincies hebben de bevoegdheid om vrijstellingen te verlenen (PS) of ontheffingen (GS) van de verbo­ den genoemd in de art. 3.3, 3.8 of 3.10.

Om te kunnen afwijken van de verbodsbepalingen gelden 3 voorwaarden (ar. 3.3 lid 4, 3.8 lid 5, 3.10 lid 2): Er is geen andere bevredigende oplossing Er moet een in de wet genoemd wettelijk belang zijn (verschillend per beschermingsregime) De ingreep mag geen afbreuk doen aan de gunstige staat van instandhouding van de soort Als aan deze drie is vereisten voldaan, is het aanvragen van een ontheffing mogelijk. Daarnaast is het mogelijk dat er aanvullende vrijstellingen gelden voor bepaalde handelingen. Bijvoorbeeld door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode (met maatregelen voor de betreffende soort en handeling), of zoals omschreven in een provinciale verordening. De genoemde belangen verschillen per type beschermingsregime. Dit kan van belang zijn voor het al dan niet verkrijgen van een ontheffing. Soorten Vogelrichtlijn: - in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; - ter bescherming van flora of fauna; Dier- en plantensoorten Habitatrichtlijn/verdragen van Bern en Bonn:

- in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of - in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; - in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen vanggroot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; Nationaal beschermde soorten planten en dieren: - in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; - in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; - in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, wa­ terstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbe­ heer; - in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een be­ paald gebied; of - in het algemeen belang. Gedragscode (art. 3.31) Verboden en meldingen (art. 3.1, 3.2, 3.5, 3.6, 3.10 Wnb) zijn niet van toepassing als handelingen aan­ toonbaar worden uitgevoerd conform een door de Minister goedgekeurde gedragscode.

De gedragscode moet ook feitelijk betrekking hebben op de betreffende soort, uit te voeren handelingen en plaatsvinden in het kader van één van de volgende doelen: Bestendig gebruik, beheer en onderhoud Ruimtelijke ontwikkeling of inrichting Er moet gewaarborgd zijn dat er geen benutting of economisch gewin plaatsvindt en er sprake is van zorg­ vuldig handelen. Bestaande gedragscodes van de Flora- en Faunawet blijven geldig (max. 5 jaar) tot een nieuwe gedrags­ code conform de Wnb is goedgekeurd. Vogels Bij vogels is verstoring tijdens het broedseizoen niet per sé verboden als de gunstige staat van instand­ houding niet in gevaar is (zorgplicht geldt wel). Dit geldt alleen voor het verstoren. Het vernielen of be­ schadigen van nesten blijft verboden. Voor de jaarrond beschermde soorten mogen de nesten niet worden beschadigd of vernietigd. Wel kan verstoring er toe leiden dat beschermde vogels kiezen voor een alterna­ tieve nestlocatie. Ook hier geldt altijd de algemene zorgplicht. Dat houdt onder meer in dat een initiatief­ nemer zich tijdig op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan, de moge­ lijke gevolgen van het plan voor de natuur en mogelijke maatregelen om negatieve gevolgen tegen te gaan. In onderstaande tabel zijn de verschillen tussen de oude regelgeving en de Wnb weergegeven:

Verboden Flora- en Faunawet

Verboden Wet natuurbescherming

Doden, verwonden, vangen Opzettelijk verontrusten

Opzettelijk doden of vangen Opzettelijk storen

Beschadigen, vernielen, uithalen, verstoren nesten, holen, vaste rust- of verblijfplaatsen Rapen, uit nest nemen, beschadigen of vernietigen van eieren Handel, vervoer en onder zich hebben

Opzettelijk vernielen, beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren of wegnemen nesten

Uitzetten in vrije natuur

Uitzetten in vrije natuur

Rapen en onder zich hebben van eieren Handel, vervoer en onder zich hebben

De bescherming van een nest omvat ook de inhoud en functionele omgeving daarvan, voor zover het broedsucces daarvan afhankelijk is. Dit impliceert dat inheemse in gebruik zijnde nesten beschermd zijn gedurende het broedseizoen. Buiten het broedseizoen zijn nesten niet beschermd, behalve voor soorten met jaarrond beschermd nesten.

Jaarrond beschermde nesten Vooralsnog is de verwachting dat de indeling van de jaarrond beschermde nesten niet zal wijzigen onder de Wet natuurbescherming. Het betreft dan de indeling waarbij nesten van vogelsoorten in categorie 1 t/m 4 jaarrond beschermd zijn. De nesten van soorten in categorie 5 zijn beschermd als er onvoldoende alter­ natieven zijn. De Provincie kan per verordening hiervan afwijken. Verstoring

In art. 3.1 lid 4 is opgenomen dat het opzettelijk verstoren van vogels verboden is. Lid 5 stelt dat dit niet van toepassing is als de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort (doden en vernielen van nesten blijft dus wel verboden). Dit vraagt dan om na­ der en specifiek onderzoek, zoals om welke soort het gaat (algemeen/zeldzaam/bedreigd), de locatie, de periode van het jaar en de intensiteit, duur en frequentie van de verstorende activiteit en of er voldoende uitwijkmogelijkheden zijn. Verstoring in het broedseizoen ligt daarbij heel kritisch als dit invloed heeft op het broedsucces (art. 5d Vogelrichtlijn).

Zorgplicht (art. 1.11 Wnb) In artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming is de zorgplicht omschreven. De zorgplicht geldt voor alle soorten en alle beschermde gebieden. Dus ook voor niet specifiek in de wetgeving benoemde soorten. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor beschermde gebieden, in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een beschermd gebied of voor in het wild le­ vende soorten, laat deze handelingen achterwege. Indien het achterwege laten redelijkerwijs niet kan wor­ den gevraagd, worden maatregelen getroffen om de gevolgen te voorkomen, of zoveel mogelijk beperkt of ongedaan gemaakt. Dat houdt onder meer in dat een initiatiefnemer zich tijdig op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen van het plan. Bij de uitvoe­ ring moeten negatieve gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen dan wel beperkt of ongedaan ge­ maakt. In art. 7.2 is bepaald dat Gedeputeerde Staten bevoegd zijn tot handhaving (last onder bestuursdwang).

Gebiedsbescherming De bescherming van gebieden is geregeld via een aantal sporen. Dat zijn Natura 2000 gebieden, gebie­ den behorende bij het natuurnetwerk Nederland (NNN), provinciale natuurgebieden of provinciale land­ schappen. Deze laatste twee zijn nieuw t.o.v. de wetgeving voor 1 januari 2017. Natura 2000 gebieden De Natura 2000 gebieden zijn op basis van Europese regels aangewezen als beschermde gebieden, incl. de daarbij horende beschermde soorten en habitats. Omdat de Europese regels worden gevolgd is er ten aanzien van de gebiedsbescherming niet veel gewijzigd. Nederland kent een 164 Natura 2000 gebieden, waarvoor instandhoudingsdoelen zijn vastgesteld. Per gebied is het ook de bedoeling beheerplannen vast te stellen. Daarin staat o.a. welke maatregelen nodig zijn om de natuurdoelen te halen en welk (bestaand en toekomstig) gebruik al dan niet vergunningplichtig is. Voor regulier onderhoud en beheer is dan in prin­ cipe geen vergunning nodig (Art. 2.9 Wnb). Overigens blijft de zorgplicht altijd gelden. Omdat de meeste onder de oude wetgeving beschermde natuurmonumenten in een Natura 2000 gebied liggen is de aparte bescherming van deze natuurmonumenten vervallen. Als handelingen kunnen leiden tot nadelige effecten voor instandhoudingsdoelen van een Natura 2000 gebied is een vergunning nodig. Zoals gezegd is de provincie meestal bevoegd gezag.

De vergunning­ aanvraag kan apart bij de provincie of via de Omgevingsvergunning bij de gemeente.

Passende beoordeling (Art. 2.7-2.8 Wnb) Als een project of andere handeling gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, mogelijk schadelijke ge­ volgen heeft voor een Natura 2000-gebied is een natuurvergunning noodzakelijk, tenzij een wettelijke uit­ zondering geldt. Uitzonderingen zijn bijvoorbeeld het handelen conform een vastgesteld beheerplan of een programma (PAS, Art. 2.9 Wnb) of het weiden van vee (Art. 2.9 Regeling Wnb). Ook bestaand gebruik op referentiedatum 31 maart 2010 is een uitzondering. Het bevoegd gezag moet hier dan wel redelijkerwijs van op de hoogte (kunnen) zijn en de handelingen mogen niet of niet in betekenende mate zijn gewijzigd. Mogelijk leidt dit tot discussies vanwege oudere Europese data voor Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden, resp. 10 juni 1994 en 7 december 2004. Er is overigens geen definitie van een project of een andere handeling. Alle activiteiten welke geen project zijn, zijn daarmee feitelijk ‘andere handelingen'. Onderzoek moet uitwijzen of deze gevolgen significant kunnen zijn. De gevolgen moeten worden beoor­ deeld in samenhang met die van andere plannen en projecten (‘cumulatieve effecten'). Als er geen effec­ ten zijn, is geen vergunning nodig. Als de effecten klein zijn, volgt een verslechterings- en verstoringstoets'. Bij mogelijke significante effecten volgt een ‘passende beoordeling'.

Het positieve effect van maat­ regelen mag niet bij de afweging voor vergunningplicht worden betrokken. Dat mag wel bij het besluit op een vergunningaanvraag.

In de verslechterings- en verstoringstoets worden de effecten gespecificeerd. Daarbij hoeft dan niet meer naar cumulatieve effecten te worden gekeken. Het bevoegd gezag beoordeelt of de effecten aanvaardbaar zijn of niet. Aan de vergunning kunnen beperkende voorwaarden worden verbonden (mitigatie en com­ pensatie). De passende beoordeling is veel uitgebreider. Op basis van de beste wetenschappelijke kennis dienen de effecten op de habitats en soorten te worden ingeschat, rekening houdende met cumulatieve effecten. Als de passende beoordeling uitwijst dat er slechts beperkte effecten zijn, dan dient vergunning te worden aangevraagd, die wordt verleend indien de effecten aanvaardbaar worden geacht. Als er significante effec­ ten zijn, dan mag vergunning alleen worden verleend als er voldaan is aan alle drie onderstaande ADCcriteria: -

Er zijn geen geschikte Alternatieven. Er is sprake van Dwingende redenen van groot openbaar belang, waaronder redenen van sociale en economische aard. Er is voorzien in exacte en tijdige Compensatie.

Als er sprake is van aantasting van een gebied dat is aangewezen ter bescherming van prioritair natuurlijk habitat of een prioritaire soort, dient eerst door de minister van LNV aan de Europese Commissie advies te worden gevraagd. Bovendien is het aantal redenen van groot openbaar belang beperkt.

Externe werking Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied. Ook activiteiten buiten het gebied kunnen de waarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt 'exter­ ne werking' genoemd. Externe werking treedt op wanneer er, ongeacht de locatie, een effectgebied ont­ staat als gevolg van het optreden van ruimtelijke overlap tussen een invloed gebied van een instandhoudingsdoelstelling (IHD) en een invloed gebied van een activiteit die plaatsvindt buiten een Natura 2000gebied en waarvoor de IHD gevoelig is.

Stikstof in Natura 2000-gebieden (Besluit natuurbescherming) Een voorbeeld van externe werking is de depositie van stikstof. Door allerlei bronnen komt stikstof in het milieu terecht, afkomstig van de landbouw, verkeer, industrie en huishoudens. De grote hoeveelheid stik­ stof heeft effecten op de groei van planten. Dit gaat in de regel ten koste van kwetsbare planten en biodi­ versiteit, waardoor gevoelige gebieden (zoals venen en heide) verruigen door de groei van bijv. grassen en soorten als braam. Hiervoor gold vanaf 1 juli 2015 het systeem van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Hiermee hoopte het Rijk de hoeveelheid stikstof in de Natura 2000 gebieden te kunnen verminderen, zonder alle ontwikkelingen te blokkeren. De PAS bracht daartoe alle bronnen in beeld. Met behulp van een rekentool (Aerius Calculator) is de stikstofbijdrage van een (nieuw) plan op beschermde habitats te berekenen. De basisgedachte was dat economische ontwikkelingen verantwoord mogelijk blijven (ontwikkelruimte), mits de totale hoeveelheid stikstof in het gebied omlaag gaat. Voor de PAS is voor elk van de 118 Natura 2000 gebieden een samenhangend pakket herstelmaatregelen opgesteld op basis van een vastgestelde herstelstrategie per habitattype (69). Uiteindelijk krijgen deze af­ spraken over stikstof een plaats in de per gebied op te stellen beheerplannen.

Op basis van de uitkomsten van de Aerius-calculator was een project vergunningsvrij ^0.05 mol/ha/jr), melding plichtig (tussen 0.05 mol/ha/jr. en de grenswaarde) of was het aanvragen van een Natuurvergunning noodzakelijk ^ grenswaarde). De systematiek is echter op basis van een uitspraak van het Europese hof en de Raad van State op on­ derdelen afgekeurd en mag niet meer op dezelfde wijze worden gebruikt.

Uitspraak Raad van State (PAS) De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 29 mei 2019 beslist dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet meer is te gebruiken als basis om toestemming te verlenen voor activiteiten, die leiden tot een stikstoftoename ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen en soorten in Natura 2000-gebieden. Het Ministerie van BiZa heeft op 2 juli een factsheet gemaakt hoe hiermee vooralsnog moet worden omgegaan. Een aantal relevante aspecten staan hieronder. De beslissing van de Raad van State heeft vergaande consequenties voor ruimtelijke ontwikkelingen, zo­ als woningbouw, de aanleg van infrastructuur (o.a. vaar-, spoor-, en autowegen), de bouw van nieuwe be-

drijven en agrarische activiteiten die kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. Hierdoor is het een stuk ingewikkelder geworden om ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk te maken en te realiseren die effecten hebben voor de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000gebieden. Stikstof is één van de aspecten waarop een project of plan (zoals een bestemmingsplan) moet worden ge­ toetst. Complicerende factor hierbij is dat stikstof tot op grote(re) afstand van de bron neerslaat. Daarbij zijn er in Nederland momenteel 118 Natura 2000-gebieden met overbelaste stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van (dier)soorten. Nu het ecologisch onderzoek (“de passende beoordeling”) van het PAS niet meer als basis voor toestemmingverlening kan worden gebruikt, is voor veel ruimtelijke ontwikkelingen, ook op grote afstand van Natu­ ra 2000-gebieden, nodig dat zij op een andere manier gaan aantonen, dat hun project of plan (zoals een bestemmingsplan) op voorhand geen significant schadelijke effecten heeft op de Natura 2000-gebieden. Pas daarna kan toestemming worden verleend. De passende beoordeling van het PAS kan daarvoor sinds de uitspraak van 29 mei 2019 niet meer worden gebruikt.

Rijksoverheid

Toestemmingverlening stikstofdepositie bij nieuwe activiteiten Aan dc Kind vanoaderetajndlUppenpljn kunt u vaiUtr lien oJ uvcgunnuigplithtiŗbenl onderdc Wet iuUiurbeKİicrininţen Wrìkr inuxunienten u kunt inzetten am voor een ndtuurvergunning in aanmerking te komen.

Stap ï.

AEAIUS-berekening stikstofdepositie op Natura 200a als gevolg van project

4 ōjoo mol/na/jr

Geen vergurmingpiicht

»o.oomol/ha-ļr

í 0,00 moi/na/lr

Stap 2.

Vergunning verieenbaar

Intem salderen 300 mal/Ha/jr

Significante effecten

Stap 3.

Me! intem salderenvergunning verieenbaar

Hfnnicwne effecten ,

Stap 4.

Passende beoordeling īn hetlkht van instandhoudlngsdoelste Hingen van Natura 2000-gebīedea (evL mrtigerende maatregelen, zoals extern salderen}

Zonder intem solderen geen verg unningp licht

' r-

Geen nstco op aantasting

Mn -"'i»-' mam ipen Vergunning verieenbaar

Natuurlijke kenmerken nopl p BMpM

Stap 5.

ADC toets - Geen Alternatieven - Dwingende reden van groot openbaar belang * Compensatie van Natura 2000

'.

ū-.'-: l T’..

fiv

mc torna Vergunning verieenbaar

Voor projecten betekent dit dat moet worden beoordeeld of een natuurvergunning is vereist. Gedeputeer­ de staten (en in een aantal gevallen het ministerie van LNV) zijn het bevoegde gezag voor deze vergun­ ning. Zij dienen te beoordelen of voor een project een natuurvergunning is vereist. Voor bestemmings­ plannen geldt weliswaar geen natuurvergunningsplicht, maar ook zij moeten aan de eisen van de Wet na­ tuurbescherming voldoen. Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan is een beoordeling nodig om te bepalen of de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen significant negatieve effecten zouden kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Is dat het geval, dan is ook een passende beoor­ deling (en als gevolg daarvan ook een milieueffectrapport) noodzakelijk.

Gevolgen woningbouw Wordt in de voortoets op basis van objectieve gegevens geconcludeerd dat er geen significant negatieve effecten zijn te verwachten voor de instandhoudingsdoelen van het betrokken Natura 2000-gebied, dan kan volgens de factsheet van het ministerie worden volstaan met een voortoets en kan de gemeenteraad (voor wat betreft de stikstoftoets) het bestemmingsplan vaststellen. Dit is het geval als bijvoorbeeld geen toename plaatsvindt van de stikstofdepositie. Wordt woningbouw gerealiseerd op gronden waar voorheen bijvoorbeeld (planologisch legaal en ten tijde van de vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan feitelijk bestaande) agrarische activiteiten plaatsvon­ den en die activiteiten worden gestaakt (omdat bijvoorbeeld op die gronden woningen worden gebouwd en als gevolg daarvan de agrarische functie verdwijnt) dan mag in beginsel de daarmee samenhangende vermindering van de stikstof-depositie in mindering worden gebracht op de toename van de stikstofdeposi­ tie als gevolg van de woningbouw. Dat kan ertoe leiden dat per saldo de effecten op de stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden gelijk blijven (en soms zelfs verminderen als gevolg van het verdwij­ nen van die agrarische functie). Er hoeft dan geen passende beoordeling te worden uitgevoerd.

Overige beschermde natuurgebieden Naast de Natura 2000 gebieden dient de provincie conform art. 1.12 ook gebieden aan te wijzen en in stand te houden, welke onderdeel zijn van een samenhangend netwerk van natuurgebieden (Natuurnetwerk Nederland). Tot slot kunnen Gedeputeerde staten ook gebieden aanwijzen buiten het natuurnetwerk Nederland, welke van belang zijn vanwege hun natuur-, landschappelijke of cultuurhistorische waarden.

Houtopstanden Ook de Boswet is opgenomen in de Wet natuurbescherming (H4 Wnb). In de Boswet was er sprake van een meldplicht en een herplantplicht. Dat blijft ook zo. Opstanden binnen de bebouwde kom, fruitbomen, bos voor biomassa, wegbeplanting e.d. vallen hier buiten (zie art. 4.1 Wnb). Bij het vellen van (een deel van) een houtopstand, moet dit vooraf worden gemeld. Ook is er de verplichting tot het herbeplanten van minimaal hetzelfde areaal binnen drie jaar na het vellen. De herplantplicht geldt niet voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel. Provincies kunnen bij verordening aangeven, welke gegevens moeten worden aangeleverd en/of er een toeslag geldt op het te herbeplanten areaal.

Bronnen: -

www.wetten.nl www.rijksoverheid.nl www.natuurbeheer.nu www.natura2000.nl www.infomil.nl www.rvo.nl http://mineleni.nederlandsesoorten.nl/

Vrijstellingen beschermde soorten Gelderland Landelijk (art. 3.1 Besluit natuurbescherming) Als vogels en dieren van soorten als bedoeld in artikel 3.15, eerste lid, van de wet worden aangewezen: Canadese gans (Branta Canadensis en Branta hutchinsii hutchinsii); houtduif (Columba palumbus); kauw (Corvus monedula); konijn (Oryctolagus cuniculus); vos (Vulpes vulpes), en zwarte kraai (Corvus corone corone).

Algemene vrijstelling soorten . Gelderland (1 dec. 2019) Soort

Aardmuis Bosmuis Bruine kikker Dwergmuis Dwergspitsmuis Egel Gewone bosspitsmuis Gewone pad Haas Huisspitsmuis Kleine watersalamander Konijn

Soort

Meerkikker Middelste groene kikker Molmuis Ondergrondse woelmuis Ree Rosse woelmuis Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Woelrat

Vogels met jaarrond beschermde nesten (m.u.v. Limburg en Overijssel) Categorieën jaarrond beschermde nesten 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats. 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden

3.

4. 5.

en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen. Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen.

Bescherming

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Categorie 1

steenuil

Athene noctua

Categorie 2

gierzwaluw

Apus apus

huismus

Passer domesticus

grote gele kwikstaart

Categorie 3

Categorie 4

Categorie 5

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

roek

Corvus frugilegus

Motacilla cinerea

ooievaar

Ciconia ciconia

kerkuil

Tyto alba

slechtvalk

Falco peregrinus

oehoe

Bubo bubo

boomvalk

Falco subbuteo

sperwer

Accipiter nisus

buizerd

Buteo buteo

wespendief

Pernis apivorus

havik

Accipiter gentilis

zwarte wouw

Milvus migrans

ransuil

Asio otus

blauwe reiger

Ardea cinerea

ijsvogel

Ardea cinerea

boerenzwaluw

Hirundo rustica

kleine bonte specht

Hirundo rustica

bonte vliegenvanger

Ficedula hypoleuca

kleine vliegenvanger

Ficedula hypoleuca

boomklever

Sitta europaea

koolmees

Sitta europaea

boomkruiper

Certhia brachydactyla

kortsnavelboomkruiper

Certhia brachydactyla

bosuil

Strix aluco

oeverzwaluw

Strix aluco

brilduiker

Bucephala clangula

pimpelmees

Bucephala clangula

draaihals

Jynx torquilla

raaf

Jynx torquilla

eidereend

Somateria mollissima

ruigpootuil

Somateria mollissima

ekster

Pica pica

spreeuw

Pica pica

Phoenicurus phoenicurus

tapuit

Phoenicurus phoenicurus

Parus palustris

torenvalk

Parus palustris

Muscicapa striata

zeearend

Muscicapa striata

groene specht

Picus viridis

zwarte kraai

Picus viridis

grote bonte specht

Dendrocopos major

zwarte mees

Dendrocopos major

hop

Upupa epops

zwarte roodstaart

Upupa epops

huiszwaluw

Delichon urbicum

zwarte specht

Delichon urbicum

gekraagde rood­ staart glanskop grauwe vliegenvan­ ger

Bijlage 4 Voorbeeld voorzieningen Huismus (verplicht indien nesten verdwijnen)

Mussenflat

Mussenpot Neststeen

Gierzwaluwen ĮįţŴýí-

Nestkasten

Neststeen

Gierzwaluwen eten veel muggen. Ze zijn zeer honkvast. Als ze eenmaal ergens gebroed hebben komen ze jaren na elkaar op dezelfde plek. Voor gierzwaluwen zijn ook nestpannen beschikbaar. Bij warme zomers kunnen die soms te heet worden

waardoor de overlevingskans van de jongen daalt. Er is daardoor een voorkeur voor de hierboven getoonde oplossingen.

Voorbeelden verblijfplaatsen (bron: soortenstandaard dwergvleermuis) Voorbeeld van gevelbetimmering welke geschikt is als verblijfplaats voor gewone dwergvleermuizen (bron www.vleermuizenindestad.nl).

AbsUnd der Důchlafer ş sa ţrofl wip nÒQtirliĮ '

- Ansicht -

Verblijfplaatsen realiseren achter boeiboorden of sierlijsten

Ook achter boeiboorden of sierlijsten kunnen gewone dwergvleermuizen verblijfplaatsen heb­ ben. De hierboven omschreven criteria zijn hiervoor eveneens van belang. Het heeft een grote meerwaarde wanneer de ruimte achter de boeiboorden van verschillende gevels met elkaar in verbinding staan, zodat vleermuizen overdag, afhankelijk van de temperatuur, van locatie kunnen wisselen. Verblijfplaatsen bij dakconstructies

Een eenvoudige manier is om bij dakconstructies gebruik te maken van boeiboorden met een ruimte van 1 centimeter die toegang geven tot het dak. Ook kunnen speciale dakpannen e.d. worden toegepast. Verblijfplaatsen in muren door middel van inmetselkasten

In Nederland zijn nog weinig positieve resultaten bekend van het gebruik van inmetselkasten door de gewone dwergvleermuis. Voorbeelden van inmetselkasten (bron: http://www.schwegler-natur.de).

řĩSįiK r: 'Li- ' Access to ivįill cavity

-

vt-.

www.checklistgroenbouwen.nl

Aanpassing bouwwijze loze ruimte in overstek of goot voor vleermuizen De loze ruimte in de overstek of dakgoot is eenvoudig toegankelijk te maken voor vleermuizen.

Lí kunt de loze ruimte in de overstek oî uitstekende dakgoot geschikt maken voor vleermuizen door aan de onderzijde een invllegopeningen aan te brengen. Maak bīf voorkeur per 2 meter 1 invlĩegopenīng. Teveel Invllegopeningen leidt tot tocht, te weinig ínvlieņopenīngen maakt de kans op ontdekking en gebruik kleiner. De openīnqen moeten op de muur aansluiten, zo kunnen de vleermuizen op de muur landen en vervolgens naar binnen krulpen.

Afmetingen irtvlīegopenīnq 2 x IQ (laatvüeqer) of 1,5 x 5 (dwergvleermuizen en groatoorvleermuizen).

Tips

Relevante soorten

Maak bij voorkeur per 2 meter 1 īnvliegopening.

■v Gewone dwergvleermuis •f Gewone grootoorvleermuis v Laatvlieger

Foto's

I

m

Vleermuis inlaatklep Deze kast is bedoeld voor qebouw bewonende vleermuizen, zoals de gewone dwergvleermuis.

Deze vteermuiskast (Schwegler He) Is bedoel! voor inof op gevels en kan worden toegepast tijdens renovaties, isolatiemaalregelen, nieuwbouw en gevelreparaties. De hast heeft een open achterkant waardoor vleermuizen toegang hebben tot bijvoorbeeld holle ruimtes van gebouwen. He! Is aan te raden meerdere elementen in te bouwen. Vanwege de geringe diepte van de kast. is deze eenvoudig in te bouwen in bijvoorbeeld 'isolatielagen van de buitengevel. Hei is mogelijk om de kap te bepleisteren, oververven of bekleden, zodat alleen de invliegopening van buitEnaf zichtbaar blijftOptioneel is een achterwandte gebruiken. Dit kan worden gebruikt wanneer een gesloten eenheid gewenst is. Op deze achterwand is een hangplek van natuurlijk hout opgezet om binnen in de kast een geschikt verblijf te creëren. De montage van deze vleermuishast plus achterwand is eenvouding. De kast dient op de achterwand gezet ts worden, waatna de achterwand en kast met twee schroeven en pluggen bevestigd of

Gerelateerde maatregelen Vogel- Si vleermuis vríendelijke

ingemetseld kunnen worden.

verlichting van gebouwen

Deze inbouw kasten zijn voor ruige dwergvleermuizen geschikt als zomer* en

'é

paarverblijf en in potentie geschikt ais kraam* en winterverblijf, al is hier nog vrijwel

voorkom een koudebrug bij neststenen en inbouwkasten

geen data van bekend. Deze inbouwkasten zijn voor gewone dwergvleermuizen geschikt als zomer- en paarverblijf en in potentie geschikt als winterverblijf, ai is hier tevens nog vrijwel geen data van bekend. Deze inbouwkasten zijn voor wat betreft de

Relevante soorten

meervieermuis ín potentie geschikt als zomer* en paarverblijf. al is hier nog vrijwel geen

v

Gewone dwergvleermuis

data van bekend.

4

Meervteermuis

Afmetingen Breedte 30 cm Hoogte 3D cm Dieote 6 cm

Tips »

Deze vieermuiskast is onderhoudsvrij.

«

Bouwt u meerdere kasten in. plaats de kasten dan in verschillende wîndrichtīgen.

«

Als vleermuizen binnenin het gebouw mogen komen, dan is het model 2FR geschikter.

*

Houd de aanvliegroute naar de kast vrij.

*

De steen bij voorkeur zo hoog mogelijk in het gebouw inbrengen.

*

Bouw de steen bij voorkeur in aan de blinde gevel.

Meer info en waar te bestellen VteermuīsiniaatMep van Schwegier

Foto's

'M mi í -

Y‘ '

Vleermuisruimte achter gevelbetimmering De ruimte achter de gevelbetimmering of het boeiboord kan toegankelijk worden gemaakt voor vleermuizen

Door een opening van 2,5 centimeter vrij te houden tussen de gevel en de betimmering onstaat een verblijfplaats voor vleermuizen. Gewone dwergvleermuis en Jaatvlieger maken hier gebruik van. De dieren hangen aan de gevel achter de betimmering. Zorg ervoor dat het materiaal achter de betimmering ruw is, bijvoorbeeld baksteen of onbehandeld hout. Zorg ervoor de gevel niet verlicht wordt, dat schrikt vleermuizen ai. Of maak gebruik van vleermuisvrienüelījk verlichting.

Tips Als de mogelijkheíd bestaat, of wordt gecreëerd, kunnen vleermuizen via deze weg ook toegang krijgen tot de spouw.

Gerelateerde maatregelen v Aanpassing bouwwijze spouw V Vogel- K vfeermulsvrlende lijke verlichting vsn gebouwen

Relevante soorten •v' Gewone dwergvleermuis •z

Laatvlĩeger Meervleermuis

Foto's

/Zļ\

Voorkom een koudebrug bij neststenen en inbouwkasten Enkele tips om te voorkomen dat een koudebrug ontstaat bij neststenen en inbouwkasten.

Bij het inmetselen van een neststeen voor gebouwbewonende vogels en/of vleermuizen, moet soms een deel van de isolatie worden uítgesneden In de vorm van de neststeen. Om een koudebrug te voorkomen, wordt aan de achterkant van de neststeen een stuk hoogwaardiger Isolatiemateriaal geplakt. Men kan er ook voor kiezen om de Isolatielaag ongemoeid te laten en de neststeen aan de voorkant een stukje te laten uítsteken.

Gerelateerde maatregelen •f Bijensteen ■v Entreesteen Vleermuizen

v' Halfopen neststeen v Inbouwkast voor vleermuizen ^ Neststeen gierzwaluw (verborgen) -f Neststeen gierzwaluw (zichtbaar) V Neststeen Huismus •f Tichelaar vleermuískast •f Vleermuis inlaatklep •f Vleermuissteen V Vleermuis wandsysteem

Relevante soorten ■z Gewone dwergvleermuis V Gewone grootoorvleermuis V Gierzwaluw •f Huismus v' Laatvfieger ■V Meervleermuis

2ezw tSi

ff j*

Neststeen Huismus Deze nestkast is te gebruiken als opbouwkast maar kan ook ingemetseld worden bij nieuwbouw.

Deze nestkast is ideaal ats broedplaats voor huismussen. Deze nestkast is te gebruiken als opbouwkast maar kan ook ingemetseld worden bij nieuwbouw- en renovatieprojecten. Het plaatsen van meerdere nestkasten bīĵ elkaar is wenselijk, omdat huismussen in de regel in kolonies broeden. De nestkast ophangen met de bijgeleverde pluggen en bouten, bij voorkeur aan de gevef van een pand onder een dakrand of goot. U kunt de nestkast ook vrij aan de gevel hangen, hierbij moet u minimaal 3 meter hoogte aanhouden. AJs u de nestkast als ínbouwsteen wilt gebruiken moet u ook minimaal 3 meter hoogte aanhouden. De hoogte van de nestkast is gemaakt op maatvoering van een standaard waaiiormaat (4 lagen hoogt, bij ĩnbouw wordt de voorzijde van de gelijk me! de voorzijde van de gevel geplaatst. De isolatie In de spouw kan gewoon doorlopen achter de steen dus er ontstaat qeen koudebrug. Moet er toch isolatie weggesneden worden dan is het

Gerelateerde maatregelen

belangrijk om de Isolatie ruim om de omtrek van de kast weg te snijden. De ruimte achter de Kast moet in dat geval opgevuld worden met een harde isolatie, Nestkast niet met de invlīegopeninq naar het zuid/westen en zorg ervoor dat de nestkast niet de hele

Voorkom een koudebrug bij neststenenen Inbouw kasten

dag in de zon hangt. Er hoeft geen nestmaterîaal toegevoegd te worden. Niet alleen huismussen, ook mezen en ringmussen kunnen gebruik maken van deze voorziening. De nestkast kan ėėn keer per jaar worden schoongemaakt, ná het broedseízoen, hiervoor draait u de haak onderaan In het midden ėén slag. Daarna kan het voorfront van de nestkast gehaald worden. Als de kast niet is ĩngemetseld, maar opgehangen is. dan moet ook jaarlijks de deugdelijkheid van de ophanging gecontroleerd worden.

Afmetingen Buitenmaat {b x h x dj 29 x Z4x 15.5 cm Binnenmaat (b x h x d) 22 x 17 x 1Z cm

Tips » Deze nestkast kan worden opgehangen ahs nestkast maar kar ook ĩngemetseld worden. Huismussen broeden bijvoorkeur kolonies. - Het plaatsen van meerdere nestkasten bij elkaar ĩs aan te raden. « Dok de omgeving moet voldoen aan biatoopwensen van de huismus

Meer info en waar te bestellen Neststeen voor huismussen van Vjvara-pro

Relevante soorten v Huismus

Aanpassing bouwwijze voor gierzwaluw U kunt de loze ruimte in de overstek of uitstekende dakgoot qeschikt maken voor gierzwaluwen.

De loze ruimte in de overstek of uitstekende dakgoot kan geschikt worden gemaakt voor gierzwaluwen door aan de onderzijde ovale ínviĩegopeningen aan te brengen van ten minste 3x6 centimeter. De binnenruimte achter de invlfegopening meet bij voorkeurlā x 15 x 50 cm en Is vervaardigd van onbehandeld hout. Net als bij neststenen en nestkasten voor de gĩerzwaíuw zit de invüegopenĩngaan de linkerkant of rechterkant van de nestruimte. Zorq voor een vrije aanvliegroute; er mogen geen bomen, vlaggenmasten e.d. voor de invlíegopeníng staan. Zorg er tevens voor dat er geen naar buiten openslaande ramen onder de invliegopening zijn.

Afmetingen Deze maatregel is mogelíjk over het gehele lengte van de groot of overstek

Relevante soorten V Gierzwaluw V Huismus

Foto's

Bijlage 5 Aeriusberekening

Aerius 2019 Groenezoom naast Horloseweg 60 Harderwijk

Uitgangspunten stikstofberekening Gebruiksfase

» » »

20 kleine tijdelijke woningen (tinyhouses) 1.8-2.4, gemiddeld 2.1 bewegingen per etmaal - totaal max. 48 bewegingen Gasloze bouw

Realisatiefase Opschonen terrein en neerzetten blokken prefab tinyhouses.

Aanleg van halfverharding en klinkers Er is uitgegaan van de volgende inzet (materieel ^ jaar oud; Stage IV): Bouw:

Kappen bomen, motorzaag 2 dagen - 16 uur - 64 liter diesel Grondwerk graafmachine ^ jaar oud 16 uur - 176 liter diesel/adblue Hydraulische Bouwkraan 16 uur - 128 liter diesel/adblue Aannemer ca. 2 mnd ca. 40 dagen gem 1,5 bus/dag ^ 120 bewegingen/jr Vrachtwagen bouwmateriaal en huisjes 8x div. = 16 bewegingen/jaar

AERIUSÜ

CALCULATOR iŕi»*nn'

íTiwfcŵoY^en

Hŵuiuten

(WO'.nWl

srir««ra*» ru**« Oan nou

Handtoanj

IA KM

AERIUS H

tenten

UtSTdie!

CALCULATOR .

,

't --K-

Q

E missířgegevrm i nvullen warpunt#KřiuIBaw

mndtWHqt fnentn ļ jLİ'ÜjiJ ļliJjLcĩi iMftt itMn

bùu'l JiuľiUaL *

hüífcėj VAIPI \ KM

1

I Gebruiksfase

AERIUStl

ísxrtt op taan

CAľ UI.ATOR ResJiidien

{■0ŠN

i jih Aanlegfase

AERIUSB CALCULATOR Dit document bevat rekenresultaten van AERIUS Calculator. Het betreft de hoogst berekende stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en/of stikstofoxide (NOx). Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in Calculator. Voor meer toelichting verwijzen wij u naar de website www.aerius.nl.

Berekening Situatie 1 * Kenmerken *

Samenvatting emissies

* Depositieresultaten * Gedetailleerde emissiegegevens

Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: https://www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers. RzREm3nzU8fv (14 mei 2020) pagina 1/5

Resultaten

AERIUSn CALCULATOR Contact

Activiteit

Rechtspersoon

Inrichtingslocatie

Gemeente Harderwijk

Horloseweg, . Harderwijk

Omschrijving

AERIUS kenmerk

tiny houses

RzREm3nzU8fv

Datum berekening

Rekenjaar

Rekenconfiguratie

14 mei 2020, 14:01

2020

Berekend voor natuurgebieden

Totale emissie

Resultaten Hectare met hoogste bijdrage (mol/ha/j)

Toelichting

Resultaten

Situatie 1

NOx

5,30 kg/j

NH3

< 1 kg/j

Natuurgebied

Uw berekening heeft geen depositieresultaten opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr.

Gebr.fase 20 kleine woningen : gasloos - alleen transport

Situatie 1

RzREm3nzU8fv (14 mei 2020) pagina 2/5

Resultaten

AERIUSB CALCULATOR

rjįŗm

Locatie

Slingertwis

vH'-J 'í

Situatie 1

■#

,,

í

HürařrrtũLH

Olielanden

*

5.5

A

jgUMŝm

māĝ

HCŕļţ i-C-t

Jpsţ i

Emissie

Bron Sector

p,™,l

Emissie NH3

Emissie NOx

< 1 kg/j

5,30 kg/j

Situatie 1 Transport Wegverkeer | Buitenwegen

Resultaten

Situatie 1

RzREm3nzU8fv (14 mei 2020) pagina 3/5

Resultaten

AERIUSB CALCULATOR

Emissie (per bron)

Naam Locatie (X,Y)

Situatie 1

NOx NH3

Resultaten

Transport 168658,481236 5,30 kg/j < 1 kg/j

Soort

Voertuig

Aantal voertuigen

Stof

Emissie

Standaard

Licht verkeer

48,0 / etmaal

NOx

5,30 kg/j

NH3

< 1 kg/j

Situatie 1

RzREm3nzU8fv (14 mei 2020) pagina 4/5

Resultaten

AERIUSB CALCULATOR

Disclaimer

Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden.

Rekenbasis

Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS

versie 20l9A_20200403_6c57lf9654

Database

versie 20l9A_20200403_6c57lf9654

Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/nl/factsheets/release/aerius-calculator-2019A

Resultaten

Situatie 1

RzREm3nzU8fv (14 mei 2020) pagina 5/5

AERIUSB CALCULATOR Dit document bevat rekenresultaten van AERIUS Calculator. Het betreft de hoogst berekende stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en/of stikstofoxide (NOx). Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in Calculator. Voor meer toelichting verwijzen wij u naar de website www.aerius.nl.

Berekening Situatie 1 * Kenmerken *

Samenvatting emissies

* Depositieresultaten * Gedetailleerde emissiegegevens

Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: https://www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers. RufsnRygSLnt (29 mei 2020) pagina 1/5

Resultaten

AERIUSn CALCULATOR Contact

Activiteit

Rechtspersoon

Inrichtingslocatie

Gemeente Ermelo

Horloseweg, . Harderwijk

Omschrijving

AERIUS kenmerk

tiny houses

RufsnRygSLnt

Datum berekening

Rekenjaar

Rekenconfiguratie

29 mei 2020, 15:18

2020

Berekend voor natuurgebieden

Totale emissie

Resultaten Hectare met hoogste bijdrage (mol/ha/j)

Toelichting

Resultaten

Situatie 1

NOx

1,23 kg/j

NH3

< 1 kg/j

Natuurgebied

Uw berekening heeft geen depositieresultaten opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr.

Aanlegfase 20 kleine huisjes

Situatie 1

RufsnRygSLnt (29 mei 2020) pagina 2/5

Resultaten

AERIUSB CALCULATOR

Locatie

:

Sliftōerbūs

Situatie 1 ' V.’-

mm mm TT;

.

tl

.-1

f

HardprtiOLit

“ T

TtìļlKf

ļsř íįįíèŵŞI

ĪWr^Wji.

: ' Y :--,í:

-­

1 ŵstį

m/ì fl

iŕĩŷM'

iV'STs

ŝíiff ĩ&Â

Emissie

Bron Sector

Emissie NH3

Emissie NOx

< 1 kg/j

< 1 kg/j

Situatie 1 Transport Wegverkeer | Buitenwegen

Aanleg

1,14 kg/j

Mobiele werktuigen | Bouw en Industrie

Resultaten

Situatie 1

RufsnRygSLnt (29 mei 2020) pagina 3/5

Resultaten

AERIUSB CALCULATOR

Emissie (per bron)

Naam Locatie (X,Y)

Situatie 1

NOx NH3

Soort

Voertuig

Standaard

Licht verkeer

Standaard

Zwaar vrachtverkeer

Locatie (X,Y) NOx

Omschrijving

STAGE IV, 75 -

Graafmachine

STAGE IV, 56 - 75

Hydraulische

kW, bouwjaar

bouwkraan

Aantal voertuigen

Stof

Emissie

120,0 /jaar

NOx

< 1 kg/j

NH3

< 1 kg/j

NOx

< 1 kg/j

NH3

< 1 kg/j

16,0 /jaar

Naam

Voertuig

Transport 168658,481236 < 1 kg/j < 1 kg/j

Aanleg 168499, 481611 1,14 kg/j

Warmte Stof inhoud (MW)

Emissie

176

NOx

< 1 kg/j

128

NOx

< 1 kg/j

64

NOx

< 1 kg/j

Brandstof verbruik (l/j)

Uitstoot hoogte (m)

Spreiding (m)

130 kW, bouwjaar 2014/01, Cat. R

2014/01, Cat. R

STAGE III B, 56 -

Motorzaag

75 kW, bouwjaar 2012/01, Cat. N

Resultaten

Situatie 1

RufsnRygSLnt (29 mei 2020) pagina 4/5

AERIUSB CALCULATOR

Disclaimer

Resultaten

Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden.

Rekenbasis

Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS

versie 20l9A_20200403_6c57lf9654

Database

versie 20l9A_20200403_6c57lf9654

Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/nl/factsheets/release/aerius-calculator-2019A

Resultaten

Situatie 1

RufsnRygSLnt (29 mei 2020) pagina 5/5

Bijlage Uitdraai NDFF

Project

: Tiny houses Groenezoom

Referentie: 2020-009 Datum

: 05 maart 2020

Bekende verspreiding van soorten ten opzichte van het plangebied - leveringuit de NDFF. Bekende verspreiding van soorten ten opzichte van het plangebied - leveringuit de NDFF.disclaimer De Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) is de meest omvangrijkelandelijke informatiebron van verspreidingsgegevens en bevat betrouwbarewaarnemingen van planten en dieren in een bepaald gebied. Het systeem is inopbouw, nieuwe gegevens worden met regelmaat toegevoegd. Alle gegevens in deNDFF zijn gevalideerd. Nader (veld-)onderzoek kan noodzakelijk zijn omaanwezigheid van een soort te bevestigen of uit te sluiten. Copyright vermelden bij verwijzen of citeren naar deze levering: '© NDFF - quickscanhulp.nl 05 maart 2020' Op de volgende pagina's vindt u de lijst met soorten en afstanden ten opzichte van hetplangebied dat deze soorten zijn waargenomen. Een toelichting op deze lijst is te vinden op: www.quickscanhulp.nl. Mocht u vragen hebben dan kunt u contact opnemen met de helpdesk van HetNatuurloket:

E-mail: serviceteamndff@natuurloket.nl Telefoon: 0800 2356333

Disclaimer De Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) is de meest omvangrijkelandelijke informatiebron van verspreidingsgegevens en bevat betrouwbarewaarnemingen van planten en dieren in een bepaald gebied. Het systeem is inopbouw, nieuwe gegevens worden met regelmaat toegevoegd. Alle gegevens in deNDFF zijn gevalideerd. Nader (veld­ onderzoek kan noodzakelijk zijn omaanwezigheid van een soort te bevestigen of uit te sluiten. Hoewel het Natuurloket en Regelink Ecologie k Landschap hun uiterste best doen voor het correct weergeven van de data op quickscanhulp.nl kunnen zij niet aansprakelijk gesteld worden voor enige fouten of het gebruik van de data. Copyright vermelden bij verwijzen of citeren naar deze levering: © NDFF - quickscanhulp.nl 05 maart 2020'

Naam

Groep

Afstand

Bever

Zoogdieren

0 - 1 km

Boomvalk

Vogels

0 - 1 km

Buizerd

Vogels

0 - 1 km

Das

Zoogdieren

0 - 1 km

Eekhoorn

Zoogdieren

0 - 1 km

Gevlekte witsnuitlibel

Libellen

0 - 1 km

Gewone dwergvleermuis

Zoogdieren

0 - 1 km

Gierzwaluw

Vogels

0 - 1 km

Grote Gele Kwikstaart

Vogels

0 - 1 km

Huismus

Vogels

0 - 1 km

Kerkuil

Vogels

0 - 1 km

Naam

Groep

Afstand

Laatvlieger

Zoogdieren

0 - 1 km

Ransuil

Vogels

0 - 1 km

Rosse vleermuis

Zoogdieren

0 - 1 km

Sperwer

Vogels

0 - 1 km

Steenuil

Vogels

0 - 1 km

Vos

Zoogdieren

0 - 1 km

Aardmuis

Zoogdieren

1 - 5 km

Boommarter

Zoogdieren

1 - 5 km

Bosvleermuis

Zoogdieren

1 - 5 km

Bunzing

Zoogdieren

1 - 5 km

Damhert

Zoogdieren

1 - 5 km

Dwergmuis

Zoogdieren

1 - 5 km

Edelhert

Zoogdieren

1 - 5 km

Egel

Zoogdieren

1 - 5 km

Gewone grootoorvleermuis

Zoogdieren

1 - 5 km

Gewone/Kleine/Ruige dwergvleermuis

Zoogdieren

1 - 5 km

grote vos

Dagvlinders

1 - 5 km

grote weerschijnvlinder

Dagvlinders

1 - 5 km

Havik

Vogels

1 - 5 km

Hazelworm

Reptielen

1 - 5 km

Huisspitsmuis

Zoogdieren

1 - 5 km

Kartuizer anjer

Vaatplanten

1 - 5 km

kleine ijsvogelvlinder

Dagvlinders

1 - 5 km

Kluwenklokje

Vaatplanten

1 - 5 km

Knolspirea

Vaatplanten

1 - 5 km

Konijn

Zoogdieren

1 - 5 km

Levendbarende hagedis

Reptielen

1 - 5 km

Muurbloem

Vaatplanten

1 - 5 km

Oehoe

Vogels

1 - 5 km

Ooievaar

Vogels

1 - 5 km

Otter

Zoogdieren

1 - 5 km

Roek

Vogels

1 - 5 km

Rosse woelmuis

Zoogdieren

1 - 5 km

Ruige dwergvleermuis

Zoogdieren

1 - 5 km

Relevante pagina’s ontheffing das

provincie

GELDERLAND

ONTWERPBESLUIT WET NATUURBESCHERMING VAN GEDEPUTEERDE STATEN VAN GELDERLAND Wet natuurbescherming hoofdstuk 3, ontheffing soorten Datum besluit : 3 november 2017 Onderwerp : Wet natuurbescherming - 2017-011599 - gemeente Harderwijk Activiteit : Realisatie project Drielanden West - Groene Zoom, gemeente Harderwijk Verlenen/weigeren : verlenen ontheffing Aanvrager Zaaknummer

: gemeente Harderwijk : 2017-011599

Documentnummer(s). inzagestukken: 02635491,02643257, 02644150

provincie_____

GELDERLAND

15. Het plangebied Drielanden West dient twee-maandelijks gecontroleerd te worden op de aanwezigheid van dassenholen. 16. Het controleren van het plangebied en het ongeschikt maken van de dassenholen dient te gebeuren door een deskundige op het gebied van de Das. 17. Het beheer van de hakhoutwal bij de Riebroekersteeg dient gericht te zijn op de instandhouding van de geleidende functie voor dassen. Dit kan door de struiken om de 6-8 jaar bij de grond af te zetten (10-15 cm boven maaiveld) zodat de stronk opnieuw uitgroeit. Dit dient gefaseerd plaats te vinden zodat de houtwal niet te kaal wordt. 18. Voorafgaand aan de werkzaamheden in de Groene Zoom dient de burcht bij de Horloseweg gecontroleerd te worden op jonge dassen. Indien blijkt dat er in het jaar van de werkzaamheden jongen van de Das worden grootgebracht, dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden tot na de kwetsbare kraamperiode (december t/m juni). BEOORDELING Project In de aanvraag beschreven wijzigingsproject

Het gebied Drielanden West, ten noorden van de Groene Zoomweg en de Groene Zoom, ten zuiden van de Groene Zoomweg, zal bebouwd en heringericht worden. De werkzaamheden bestaan uit graaf- en nieuwbouwwerkzaamheden. Het plangebied beslaat nagenoeg het gehele foerageergebied van dassen uit een nabijgelegen burcht. Met de ontwikkeling van het plangebied gaat essentieel foerageergebied van de dassen verloren en ook de burcht zelf als verblijfplaats voor de Das. In oktober 2012 is voor het project door RVO een ontheffing verleend. In maart 2016 is de ontheffing gewijzigd. Als mitigerende maatregel zijn in 2016 vier dassentunnels onder de Groene Zoomweg gesloten om te voorkomen dat dassen het plangebied Drielanden West bleven gebruiken als foerageergebied. In het voorjaar van 2017 is geconstateerd dat dassen gaten in het aanwezige raster langs de weg hadden gemaakt en via de Groene Zoomweg het plangebied konden bereiken. Hieruit blijkt dat de mitigerende maatregel feitelijk niet werkt en de dassen bovendien risico lopen om verkeersslachtoffer te worden bij oversteek van de Groene Zoomweg. In de ontheffingsaanvraag is verzocht de tunnels weer te openen zodat de dassen het plangebied als foerageergebied kunnen blijven gebruiken tot het moment van de ontwikkeling van het terrein en gecreëerde burchten of tunnels van dassen te verwijderen in het gebied.

Op die manier wordt permanente vestiging van dassen in het gebied Drielanden West voorkomen. Daarnaast is verzocht om een aantal opgelegde voorwaarden door RVO aan te passen. Onderzoek In de aanvraag beschreven wijze van uitvoering van het onderzoek

Uit ecologisch onderzoek in mei 2017 is gebleken dat er op diverse plaatse gaten zitten in het dassenwerend raster langs de Groene Zoomweg en dat dassen het raster passeren om het foerageergebied in plangebied Drielanden West te bereiken. Op de tekening in bijlage 2 van dit besluit is de aangetroffen situatie weergegeven. In de aanvraag beschreven ecologische waarden

Aan de Horloseweg binnen de Groene Zoom bevindt zich een dassenburcht. Op de geluidswal langs de Groene Zoomweg bevindt zich een oostwest gerichte dassenwissel. Ter hoogte van de twee dassentunnels onder de Groene Zoomweg bevinden zich twee dassenwissels. In de omgeving van het plangebied bevinden zich vier andere dassenburchten, zie kaart bijlage 1.

5

provincie_____

GELDERLAND

In de aanvraag beschreven effecten van het wijzigingsproject op de ecologische waarden

Door de nieuwbouw op de locatie Drielanden West, ten noordwesten van de Groene Zoomweg en de Groene Zoom, ten zuiden van de Groene Zoomweg, gaat en essentieel foerageergebied van de Das verloren, waardoor de dassenburcht aan de Horloseweg zijn functie als kraamburcht zal verliezen. Voor deze ingreep is ontheffing verleend waarbij onder andere is opgenomen dat de toegang tot het plangebied wordt afgesloten voor de Das door de tunnels in de Groene Zoomweg af te sluiten. Gebleken is dat het bestaande dassenwerende raster aan de zuidkant van de Groene Zoomweg onvoldoende is om de toegang van de Das tot het plangebied Drielanden West te voorkomen. Hierdoor ontstaat een voor de Das gevaarlijke situatie nu het raster wordt gepasseerd en de Groene Zoomweg wordt overgestoken. De aanvraag voorziet in het herstellen van de toegang tot het plangebied door het openen van de tunnels. De voor de Das gevaarlijke situatie waarbij de weg wordt overgestoken wordt hiermee tenietgedaan. Door het gefaseerd in gebruik nemen van het projectgebied voor woningbouw zal dit gebied geleidelijk zijn functie als foerageergebied verliezen waarbij de verwachting is dat de Das uiteindelijk uit het gebied zal verdwijnen. De gevraagde wijziging heeft hiermee een positief effect op de Das. In de aanvraag beschreven mitigerende maatregelen

Om negatieve effecten van de werkzaamheden op de Das te voorkomen worden de volgende maatregelen voorgesteld: - De drie dassentunnels onder de Groene Zoomweg zullen na het verkrijgen van de ontheffing binnen een maand worden geopend zodat de dassen weer gebruik kunnen maken van het foerageergebied in de Drielanden West, ten noorden van de Groene Zoomweg; - Het dassenwerend raster aan de zuidkant van de Groene Zoomweg wordt gerepareerd en maandelijks gecontroleerd. Aan de noordkant van de Groene Zoomweg wordt een nieuw dassenraster geplaatst, zoals opgenomen in de tekening in bijlage 2; In het gebied Drielanden West worden gecreëerde burchten of tunnels van dassen ongeschikt gemaakt en verwijderd. Op die manier wordt permanente vestiging van dassen in het gebied Drielanden West voorkomen. In de aanvraag beschreven overtreding van verbodsbepalingen

Aan de hand van het voorgaande is in de aanvraag bepaald welke verbodsbepalingen worden overtreden. Dit is aangegeven in het aanvraagformulier. Er is ontheffing aangevraagd voor de soort, het verbod en belang genoemd in tabel 1. Beoordeling Beoordeling wijzigingen en mitigerende maatregelen

In de ontheffingsaanvraag is verzocht om een aantal opgelegde voorwaarden uit de in 2016 verleende ontheffing door RVO (FF/75C/2012/0034A) aan te passen. Wij hebben alleen de aangevraagde aanpassingen beoordeeld. Openen tunnels, plaatsen nieuw raster en ongeschikt maken van burchten

Door de drie dassentunnels weer te openen kunnen de dassen het plangebied als foerageergebied blijven gebruiken tot het moment van de ontwikkeling van het terrein. Met het plaatsen van een nieuw raster aan de noordkant van de Groene Zoomweg en het repareren van het zuidelijke raster, wordt voorkomen dat dassen de weg kunnen oversteken en het risico lopen om verkeersslachtoffer te worden. Het raster dient wel maandelijks à twee-maandelijks gecontroleerd te worden. Door gecreëerde burchten of tunnels van dassen in het gebied ongeschikt te maken en te verwijderen, wordt permanente vestiging van dassen in het gebied Drielanden West voorkomen. Hiervoor dient het plangebied twee-maandelijks gecontroleerd te worden door een dassendeskundige. Met de getroffen maatregelen is het aannemelijk dat de Das het plangebied op termijn uit eigen beweging zal verlaten.

6

provincie_____

GELDERLAND

Hakhoutwal

Op de hoek van de Zeeweg en de Riebroekersteeg is een hakhoutwal aanwezig. Door RVO is in maart 2016 de voorwaarde opgelegd dat deze verbreed moest worden tot 10 meter door de aanplant van bomen en struiken. Door een ecologisch bureau is de situatie beoordeeld en is geconcludeerd dat het verbreden van de houtwal geen meerwaarde heeft voor de geleidende functie naar de aan te leggen dassenonderdoorgang onder de Riebroekersteeg. Dit is in overeenstemming met de vereisten uit de Soortenstandaard Das (RVO, 2014). Met de reeds uitgevoerde maatregelen is een goede geleiding tussen de burcht en de dassentunnel ontstaan. Wij gaan akkoord met de toelichting van het ecologische bureau. Het verder verbreden van de wal wordt door ons niet nodig geacht. Verkeersbeperkende maatregelen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Harderwijk&id=b1358474-2ab6-4c6d-b407-cbd8ac46a3b6