CConstaterende datHarderwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

2b. Bijlagen bij toelichting - Small Smart Houses Horloseweg.pdf

Raadsvergadering 8 juli 2021, gemeente HarderwijkBij agendapunt: Debat: Vaststelling bestemmingplan Drielanden - Small Smart Houses Horloseweg26.930 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

bestemmingsplan Drielanden - Small Smart Houses Horloseweg (ontwerp) NL.IMRO.0243.BP00254-0002

Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1

Beeldkwaliteitcriteria

Bijlage 2

Natuurwaardenonderzoek

Bijlage 3

Watertoets

Bijlage 4

Akoestischonderzoek

Bijlage 5

Aanvulling akoestisch onderzoek

Bijlage 6

Verkennend bodemonderzoek asbest

Bijlage 7

Verkeerstellingen

Bijlage 8

Notitie vooroverleg

1

BEELDKWALITEITCRITERIA GROENE ZOOM Algemeen Doel In dit document worden richtlijnen beschreven voor de vormgeving van de bebouwing en de openbare ruimte in het stedenbouwkundig plan “Groene Zoom”. Dit document geeft een ruimtelijk kader op basis waarvan architecten de woningen in het plan kunnen gaan ontwerpen. Daarnaast geeft het dit document criteria waaraan de welstandscommissie deze bouwplannen kan toetsen.

Sfeer De Groene Zoom zal worden getransformeerd in een aantrekkelijk vormgegeven stedelijk uitloopgebied tussen Ermelo en Harderwijk, waarbij het groene karakter overheerst en waarin rode elementen op een verantwoorde manier worden ingepast binnen dit groene kader. Voor het plan “de Groene Zoom” is het landelijke karakter het leidende thema. In het gebied ten westen van de koolbaan is ruimte om op verschillende plekken waar reeds bebouwing aanwezig is nieuw ‘rood’ toe te voegen. Deze geclusterde bebouwing zal worden omringd door groene ruimte die recreatief kan worden gebruikt. Al deze clusters van bebouwing worden met elkaar verbonden via een langzaamverkeersroute.

Deelgebieden Het plangebied zal in enkele deelgebieden worden opgedeeld die onderling licht afwijken qua architectuur. Elk deelgebied is zeer herkenbaar door een eigen stijl. De straten en pleinen in de deelgebieden vormen elk een sterk ruimtelijk geheel.

Deelaspect - woningen

Ķr ï'ŕ”

Woningen zullen uitsluitend gebouwd kunnen worden in het deel ten westen van de Kolbaan tenzij het gaat om een bedrijfswoning. De te realiseren woningen worden in principe in een brink-achtige setting gesitueerd waarbij de bouwvlakken om de brink liggen. De woningen liggen hierbij geclusterd rond een centrale brink. Deze brink heeft rechtstreeks verbinding met het gebied door de langzaam verkeersroute die van oost naar west het plangebied doorkruist of wordt daarmee verbonden door voetpaden (kerkepaden). Voor bewoners wordt de brink ontsloten door een laanstructuur met beplanting (liefst bestaand). De achterzijde van de woningen hebben vrij zicht op het open gebied maar daarvan gescheiden door een houtwalstructuur. De woningen moeten een landelijk karakter uitstralen.

Principe Nieuwe brinken 1 2 3

geclusterde bebouwing centrale brinkruimte doorzicht naar verbindende groene wig 4 toegangslaan 5 inpassing achterzijden grenzend aan open landschap door middel van bossages 6 inpassing zijkanten grenzend aan open landschap door middel van hagen

De voornaamste karakteristiek van het plan “de Groene Zoom” zit in het gekozen bouwtype. Er wordt aangesloten bij de karakteristieken en de kenmerken van de ‘oude’ agrarische bebouwing. Er waren ruime erven met grote volumes en lage goothoogten. De ruimte tussen de woningen krijgt een open en ruim karakter. Door te variëren met de richting van de bouwblokken en met de ligging van de rooilijn ontstaat een afwisselend en speels straatbeeld. Het straatbeeld is erg divers door het inspringen van de rooilijn. De grondgebonden woningen bestaan uit een bouwlaag met een kap (goothoogte 3,5 meter, nokhoogte 9 meter). Zorgconcepten kunnen bestaan uit maximaal 2 bouwlagen met een kap (goothoogte 6 meter, nokhoogte 11 meter). De woningen staan minimaal 6 meter achter de voorgevelrooilijn. Verder dient er aan weerzijden van de zijdelingse perceelsgrens een vrije ruimte te zijn van 3 meter. Binnen deze enveloppe kan de woning vrij gepositioneerd worden. De woningen hebben een eenvoudig rechthoekig volume. Samengestelde woningen (L-vorm, T-vorm) zijn niet toegestaan. In de architectuur dient aansluiting te worden gezocht bij kenmerken van traditionele architectuur die vaak in een landelijke omgeving wordt aangetroffen. Het kleur- en materiaalgebruik dient eveneens aan te sluiten bij het landelijke karakter (hout in gevels, natuurlijke kleuren).

De gevels zijn opgetrokken uit baksteen in gedekte aarden tinten en het dak is belegd met dakpannen (gesmoord of rood gebakken) of riet. Het gebruik van (semi)geglazuurde dakpannen is niet toegestaan. De erfbeplanting speelt een belangrijke rol in het beeld langs de weg. Ruime erven met een groene inrichting worden omgeven door opgaande haagbeplanting (houtsingels).

Deelaspect - werklandschap Het werken in een aantrekkelijk Principes werklandschap landschap kan tot uiting komen werken en wonen in een aantrekkelijke omgeving het parklandschap wordt tijdens het werken ervaren in deze zone. De gebouwen en parklandschap gaat over in het gebouw centrale tuinen tussen gebouwen de beplanting voegen een kenmerken gebouwen landschapstype toe door de grasdaken inpassing ten opzichte van infrastructuur gebouw wordt in het talud gebouwd wijze waarop ze op het grote raampartijen maaiveld staan en waarop het natuurlijke materialen, geen opvallende kleuren . 'ta,u*d geen standaard bedrijventerrein, beperking goothoogte maaiveld over de gebouwen platte dozen, slechts met grasdaken grasdaken heen loopt. Door een beperking kenmerken inpassing ten opzichte van de onrustige omgeving rustig beeld, bewegingen minimaliseren centrale tuin aan het bebouwingspercentage gebouwen zijn afgeschermd van de infrastructuur door middel van geluidswal van het gebied en door de geparkeerde auto's aan het zicht onttrekken door middel van hagen, of parkeren realiseren onder het gebouw toevoeging van opgaande auto's afgesloten laan als ontsluitingsstructuur beplanting krijgt het gebied een overheersend groen karakter. Het ten zuiden van het gebied gelegen bedrijventerrein wordt door de nieuwe beplanting en de ingepaste bebouwing in het terrein afgeschermd.

De op het werklandschap gerichte werkruimten zorgen voor een aantrekkelijk werkklimaat. Infrastructurele voorzieningen en parkeervoorzieningen worden geïntegreerd in het gebouw of in de tuin en vormen zeer ondergeschikte elementen in het landschap.

Deelaspect - scharnierpunten Op de scharnierpunten worden bijzondere functies voorzien die een spilfunctie kunnen vervullen. Het architectuurbeeld dat hier nagestreefd wordt sluit direct aan op de karakteristiek van de ‘Veluwse’ agrarische bebouwing die ook voorzien is bij de Nieuwe brinken.

Deelaspect - openbare ruimte grap

* r i

ifËsŞl. „-■'-íWSã..'-.

Het landschap moet zoveel mogelijk intact worden gehouden waarbij oude (ongebruikte) agrarische bebouwing wordt afgebroken. De open ruimte wordt grotendeels behouden en toegankelijk gemaakt. Door de openheid onderscheidt het gebied zich van de bebouwde kom van Drielanden en de gesloten bosgebieden van Ermelo. De wijze waarop recreatiefuncties een plek krijgen wordt niet specifiek bepaald. Natuurbeleving en extensief gebruik spelen een grote rol in het gebied. Inpassing van aangrenzende functie is van groot belang voor de ‘natuurbeleving’ in het gebied. Het betreft met name extensieve gebruik van het terrein als trapveld, vliegerveld, natuur, extensieve begrazing. Nieuwe lanen, erfbeplanting, bossages en hagen versterken de landschappelijke structuur. De verbindende langzaam verkeer route kan worden gerealiseerd in de vorm van een zandweg deels voorzien van een geasfalteerde strook ten behoeve van de fietsers of door schelpenpaadjes. Het geheel dient een dorps karakter te krijgen. Kenmerk is dat er alleen een rijbaan aanwezig is waar al het verkeer een plek krijgt. De wegen zijn uitgevoerd in gebakken klinkers. Daarnaast worden er langs de toegangswegen groenstroken aangelegd waarin eikenbomen worden geplant. Op deze wijze ontstaat het gewenste beeld van toegangslanen.

Huizen op straathoeken Veel aandacht moet worden gegeven aan de vormgeving van huizen op straathoeken. Zijgevels die grenzen aan een straat moeten worden vormgegeven als een aantrekkelijke straatgevel met tenminste een raamopening (bij voorkeur ook een voordeur of meerdere ramen). Zeker langs belangrijke dwarsstraten onderscheidt de vormgeving van de hoekhuizen zich van de andere huizen in dezelfde straat door vorm, maat, kleur en/of architectonisch accent. Bij (half) vrijstaande woningen op straathoeken worden garages niet aan de zijde van de straathoek gesitueerd, maar aan de andere zijde naast de woning. De losstaande garages worden in dezelfde architectuur als de woning ontworpen.

Landschappelijke inpasbaarheid en ruimtelijke kwaliteit De erfbeplanting schakelt de ruimtes waar het erf uit bestaat aan elkaar tot een geheel en vormt de grens met het omringende landschap. Een erfbeplanting kan uit allerlei elementen bestaan en daarom vele verschillende gezichten tonen: geschoren hagen, wilde hagen, houtwallen of singels, bosjes, boomrijen, knotbomen. Deze "groene wanden" hoeven niet altijd massief en potdicht te zijn: een erfbeplanting hoeft niet te verbergen. Zoals elk gebouw iets van zijn inhoud hoort prijs te geven is het bij een erfbeplanting absoluut in orde om te laten zien wat zich op het erf afspeelt. Voor de beleving van de erfbezitters is de balans tussen beschutting enerzijds en contact met de omgeving anderzijds daarbij natuurlijk van groot belang.

Beken: sleedoorn, els, wilg

Houtwallen en -singels: eik, berk, Gelderse roos, zoete kers, lijsterbes - de rekenbreedte voor een houtwal is 5m. - de rekenbreedte voor een houtsingel is 3m. '

'-z -V'4

mBÊ

,

mm

Erfranden: eik, berk, Gelderse roos, zoete kers, lijsterbes, meidoorn, hazelaar, veldesdoorn, hondsroos, vuilboom, hulst

’ ' ’ rs’

mįm:ĩ

Wegen en erftoegangswegen: eik

W'ĩį’.

V» ras •tontonen aH transparant* waqtxptonongan

Bosblokken: eik als hoofdsoort

7-^r vr

Boomweides: eikengaarde of hoogstamfruit als appel, peer, pruim, kers of oude fruitrassen.

Criteria woongebieden Situering ^

• •

Het wisselende bebouwingbeeld van herkenbare individuele panden wordt in stand gehouden Door met de richting van de bouwblokken en met de ligging van de rooilijn te variëren ontstaat een afwisselend en speels straatbeeld; Panden zijn gericht naar de openbare ruimte; Zijgevels die duidelijk zichtbaar zijn vanaf de openbare weg zijn als voorgevel behandeld.

Massa en vorm ^

^ ^ ^ ^ ^

Met de nieuw te bouwen woningen wordt aangesloten bij de karakteristieken en de kenmerken van de ‘oude’ agrarische bebouwing, de inpassing van massa en vorm tussen de bestaande bebouwing is zorgvuldig; De eventuele rijenwoningen worden ontworpen met de verschijningsvorm van één (boerderij)woning waarbij extra aandacht wordt besteed aan de hoekwoningen. De woningen krijgen een forse kap, die bij voorkeur aan de zijkant van de woning doorloopt; De ruimte tussen de woningen wordt krijgt een open en ruim karakter. Van belang is een evenwicht tussen enerzijds het inpassen in de omgeving, en anderzijds een individuele uitstraling; Bij panden die een stedenbouwkundig geheel vormen, blijven toevoegingen per pand ondergeschikt aan de hoofdstructuur en de ritmiek van het geheel;

Gevels ^ ^ ^

In het plan komen veelvuldig woningen met een lage goothoogte voor; Door te “spelen” met de goothoogte en de kapvorm ontstaat een afwisselend gevelbeeld; De gevelindeling mag een eigentijds karakter krijgen.

Materiaalgebruik * ^ ^ ^

Materiaalgebruik wordt afgestemd op het karakter van het historisch dorpsgebied; Er wordt gebruik gemaakt van natuurlijke materialen of hieraan gelijkwaardige producten; In hoofdzaak baksteen en (gebakken) dakpannen (of riet) toepassen. Op sommige plaatsen kan hout of stucwerk in de gevel verwerkt worden. Het dak is belegd met dakpannen (gesmoord of rood gebakken) of riet. Het gebruik van (semi)geglazuurde dakpannen is niet toegestaan;

Kleurgebruik ^

^

Voor de hoofdmaterialen wordt uitgegaan van aardkleuren, in combinatie met antracietgrijze I rode dakpannen of riet; Kleuren van dakpannen en metselwerk zijn op elkaar afgestemd.

Afwerking erven * Bij voorkeur houtsingels toepassen, al dan niet voorzien van open (en donker geschilderd) * ^ ^

sierhek; Gebouwde erfafscheidingen vormgeven in samenhang met de architectuur en hoofdmateriaalkeuze van het pand; Zijerven grenzend aan openbare ruimte: als voorerf behandelen; Achtererven in zicht van de openbare ruimte: erfafscheidingen niet hoger dan 2 meter. Bij voorkeur worden houtsingels toegepast, al dan niet voorzien van open en donker geschilderd hekwerk.

Criteria werklandschap Situering ^ ^ ^

Het wisselende bebouwingbeeld van herkenbare individuele panden wordt in stand gehouden; Panden zijn gericht naar de openbare ruimte; Zijgevels die duidelijk zichtbaar zijn vanaf de openbare weg zijn als voorgevel behandeld (alzijdig).

Massa en vorm ^ ^ ^ ^

De panden bestaan uit maximaal 2 bouwlagen zonder kap; De open ruimte tussen de panden krijgt groen en ruim karakter. Van belang is een evenwicht tussen enerzijds het inpassen in de omgeving, en anderzijds een individuele uitstraling; Bij panden die een stedenbouwkundig geheel vormen, blijven toevoegingen per pand ondergeschikt aan de hoofdstructuur en de ritmiek van het geheel;

Gevels ^ ^

De gevelindeling mag een eigentijds karakter krijgen. Aandacht voor de 5e gevel. Eventuele technische ruimtes op het dak zijn geïntegreerd in het ontwerp;

Materiaalgebruik ^ ^

Materiaalgebruik wordt afgestemd op het karakter van het gebied; Er wordt gebruik gemaakt baksteen, beton, glas, aluminium, staal, strekkenmetaal en hout;

Kleurgebruik ^

Voor de hoofdmaterialen wordt uitgegaan van lichte kleuren;

Afwerking erven ^ ^ ^ ^

Bij voorkeur houtsingels toepassen, al dan niet voorzien van open (en donker geschilderd) sierhek; Gebouwde erfafscheidingen vormgeven in samenhang met de architectuur en hoofdmateriaalkeuze van het pand; Zijerven grenzend aan openbare ruimte: als voorerf behandelen; Achtererven in zicht van de openbare ruimte: erfafscheidingen niet hoger dan 2 meter. Bij voorkeur worden houtsingels toegepast, al dan niet voorzien van open en donker geschilderd hekwerk.

ĉroenewold Adviesbureau voor Milieu â Natuur

Quickscan natuur Groenezoom naast Horloseweg 60 Harderwijk tok . bbms 'r - r- -,

ļpíi9ìlï

i.V'

I. - - ľ.' -- ŢL

..

įvŵiÇK’ --ä.

I &Ï M

Opdrachtgever

Gemeente Harderwijk Postbus 149 3840 AC Harderwijk

Contactpersoon

Willeke van Santen w.vansanten@harderwijk.nl

Uitvoering

Groenewold Adviesbureau voor Milieu & Natuur Dossiernummer

2020-009

Versie

Mei.20-v2

Behandeld door

Lex Groenewold

Datum

29 mei 2020

Dokter Holtropstraat 97 ^ 3851 JH ^ Ermelo^ Tel.: 06-533 61 6 75 Website: www.groenewoldmilieu.nl ^ e-mail: info@groenewoldmilieu.nl KvK: 081 78662 ^ BTW: NL001 5 0 8693B90 ^ Bank: NL26 INGB 0673.0025.27

Inhoudsopgave 1 2

Aanleiding en doel............................................................................................................... 3 Beschrijving situatie............................................................................................................. 3 2.1 Omschrijving gebied.....................................................................................................3 3 Relevante wetgeving........................................................................................................... 4 4 Aanpak onderzoek............................................................................................................... 4 4.1 Gewenste ontwikkeling ................................................................................................ 4 4.2 Bronnenonderzoek.......................................................................................................5 4.3 Locatiebezoek..............................................................................................................

5 5 Effecten plan/activiteiten op Flora en Fauna ......................................................................5 5.1 Vaatplanten...................................................................................................................5 5.2 Amfibieën, reptielen, vlindersen libellen......................................................................6 5.3 Zoogdieren....................................................................................................................6 5.3.1 Das......................................................................................................................... 6 5.3.2 Vleermuizen.......................................................................................................... 7 5.4 Vogels........................................................................................................................... 7 5.4.1 Vogels algemeen ...................................................................................................7 5.5 Overige soorten............................................................................................................ 8 6 Gebiedsbescherming...........................................................................................................

8 6.1 Natura 2000...................................................................................................................8 6.2 Stikstofdepositie........................................................................................................... 9 6.2.1 Uitspraak PAS Raad van State............................................................................ 9 6.2.2 Gevolgen woningbouw ....................................................................................... 10 6.2.3 Spoedwet stikstof ................................................................................................10 6.2.4 Beleidsregels intern en extern salderen ............................................................ 10 6.2.5 Situatie plan naast Horloseweg 60.....................................................................11 6.3 Gelders natuurnetwerk (GNN) enGroene Ontwikkelzone (GO).............................. 12 7 Conclusies en aanbevelingen........................................................................................... 13 7.1 Algemeen....................................................................................................................

13 7.2 Beschermde soorten...................................................................................................13 7.3 Gebiedsbescherming..................................................................................................13 7.4 Gelders natuurnetwerk Z Groene Ontwikkelzone......................................................14 7.5 Voorbehoud en zorgplicht.......................................................................................... 14 7.6 Ecologische kansen Z natuurinclusief bouwen.......................................................... 15 8 Advies.................................................................................................................................. 15 9 Literatuur.............................................................................................................................16 Bijlagen...................................................................................................................................... 16

Bijlagen 1. Overzicht situatie 2. Foto’s plangebied 3. Samenvatting natuurwetgeving 4. Voorbeeldvoorzieningen 5. Uitdraai Aeriusberekening 6. Uitdraai NDFF

FF Small smart living Groenezoom Harderwijk mei.20-v2.doc

2

Versie: 29 mei 2020

1

Aanleiding en doel

De gemeente Harderwijk heeft een aanvraag in voorbereiding voor realisatie van ca. 20 microwoningen in de Groenezoom ten oosten van Horloseweg 60. Voor de uitvoering is een quickscan natuur noodzakelijk. Adviesbureau Groenewold Milieu & Natuur is gevraagd dit onderzoek uit te voeren.

2

Beschrijving situatie

2.1 Omschrijving gebied Een overzicht van de situatie is weergegeven op de figuren in de bijlage en hieronder. Het betreft een perceel in de Groenezoom ten oosten van de Horloseweg 60 te Harderwijk, te­ gen de grens met de gemeente Ermelo. Plan is in de nieuwe situatie 20 kleine huisjes te realiseren. Het plan ligt op redelijke afstand van Natura2000 gebied Veluwe. Uit de quickscan moet blijken of de sloop en de nieuwbouw gevolgen kunnen hebben voor be­ schermde natuurwaarden. WW*® ąp

■Vestaal Vastĝļ

' (Sbi

gĚ?

TŢinim

Ŵ áĩį,

^ 9

şsĘţm m ÏÏ9F- "5

ļ

;

- i. !

üïia^i

L 1 '

Circa 165 m2

\j j

WbIĚ

HHC aan

m ..vJřv'ŵ

FF Small smart living Groenezoom Harderwijk mei.20-v2.doc

3

Versie: 29 mei 2020

3

Relevante wetgeving

De natuur in Nederland is beschermd. Er zijn beschermde gebieden en beschermde soorten. De bescherming is per 1 januari 2017 geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). De provincie is in de meeste gevallen bevoegd gezag voor ontheffingen en vergunningaanvragen. Voor wat betreft de Europees beschermde gebieden en daarin levende soorten sluit de Wet hierop aan (Habitat- en Vogelrichtlijn en Verdrag van Bern en Bonn). Dit omvat ook de bescherming van de Natura2000 gebieden. Ook de soortbescherming sluit aan bij de Europese regelgeving. Alle in het wild voorkomende vogels zijn beschermd (art. 3.1 Wnb, conform Vogelrichtlijn). Verder alle soorten uit de Habitatrichtlijn (strikt beschermde soorten, art. 3.5 Wnb). Tot slot is er nog een nationale lijst met ‘Andere soorten’. Deze nationaal beschermde soorten (art. 3.10 Wnb, 1e lid) zijn aangewezen in de Bijlage bij de Wnb. Onderdeel A betreft een verbod op het opzettelijk doden of vangen van de genoemde in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers. Onderdeel B verbiedt het opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van de genoemde vaatplanten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. In het voorliggende onderzoek worden de consequenties in beeld gebracht van de beoogde plannen en vindt toetsing plaats.

Als door het treffen van maatregelen tijdens de werkzaamheden en na de realisatie van het project, wordt voorkomen dat er verbodsbepalingen uit de Wnb worden overtreden én de functionaliteit van beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen komt niet in het geding, is er geen ontheffing nodig. In sommige gevallen is het noodzakelijk of raadzaam om vooraf een ontheffing aan te vragen bij de Provincie. Ook kan het zijn dat voor een aantal van de ge­ plande activiteiten vrijstelling geldt. Dit kan per provincie enigszins verschillen. Als het plan invloed heeft op Natura 2000 gebied of gelegen is in het Nationaal natuurnetwerk moet dit inzichtelijk worden gemaakt en is mogelijk een vergunning noodzakelijk. Ook hiervoor is de provincie het bevoegd gezag. Een samenvatting van de natuurwetgeving is weergegeven in Bijlage 3.

4 Aanpak onderzoek De voorliggende quickscan is gebaseerd op een locatiebezoek, beschikbare gebiedskennis, verspreidingsgegevens en bekende ecologische principes. Hieruit moet blijken of en zo ja welke beschermde soorten in het plangebied voorkomen of kunnen voorkomen (hoofd­ stuk 5). Verder is gekeken of de voorgenomen activiteiten invloed hebben op beschermde gebieden (hoofdstuk 7). Als er effecten mogelijk zijn zal kort worden ingegaan op mogelijke mitigerende (verzach­ tende of inpassings-) en compenserende maatregelen. Ook op basis van de algemene zorgplicht kan het nodig zijn maatregelen te treffen.

4.1

Gewenste ontwikkeling

Het plan omvat het bouwrijp maken van het terrein en plaatsing van zes blokken met een aantal kleine huisjes (totaal ca. 20). Tevens wordt enige verharding aangelegd en vindt

FF Small smart living Groenezoom Harderwijk mei.20-v2.doc

4

Versie: 29 mei 2020

landschappelijke inpassing plaats. Deze activiteiten vallen onder de definitie van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling op basis van de Wet natuurbescherming. De effecten op beschermde soorten zijn beoordeeld op basis van de diverse uit te voeren activiteiten. Uitgangspunten hiervoor zijn: - het verwijderen van vegetatie en opslag incl. middenstuk - het bouwrijp maken van het terrein - het realiseren van nieuwe kleine woningen - het aanleggen van tuin, groen en verharding

4.2 Bronnenonderzoek Het plangebied ligt in kilometerhok x:168fy:481. Een eerste indruk is te verkrijgen bij het Natuurloket en waarneming.nl. Met deze gegevens in combinatie met een locatiebezoek en ecologische kennis kan een goede inschatting worden verkregen van de locatie en het be­ lang daarvan voor verschillende soorten. Daartoe is een uitdraai opgevraagd van de NDFF via quickscanhulp. Om een zo compleet mogelijk beeld te krijgen is verder gebruik gemaakt van openbaar toegankelijke en betrouwbare bronnen, zoals verspreidingsatlassen, rapporten, recente ar­ tikelen en internetsites (zie literatuurlijst).

4.3 Locatiebezoek Tijdens een locatiebezoek op 28 februari en 12 maart 2020 is het gebied en de directe om­ geving opgenomen. Het bezoeken leveren informatie over de op dat moment aanwezige soorten. Een quickscan is geen volledige inventarisatie. Om toch een goed beeld te krijgen van te verwachten soorten is een locatiebezoek bij de quickscan wel van groot belang. Sa­ men met beschikbare literatuurgegevens is dan een inschatting te maken van de geschikt­ heid van het plangebied voor mogelijk hier voorkomende beschermde soorten.

5 Effecten plan/activiteiten op Flora en Fauna Dit hoofdstuk gaat in op de vraag of er beschermde soorten voorkomen in of om het plan­ gebied. Hierbij zijn de meest voorkomende soortgroepen apart benoemd.

5.1

Vaatplanten

Het plangebied bestaat uit een tweetal vrij natte grasveldjes ge scheiden door een rij bomen en struiken, bestaande uit o.a zwarte els, Amerikaanse vogelkers en braam. Door bureau De Boom Inspecteurs is de middenstrook geïnven tariseerd (rapp. 21 april 2020). Er zijn 71 bomen met een stam diameter van 10 cm of meer en 14 kleinere bomen. Van 24 bo men is de stamdiameter groter dan 20 cm. De conditie van de bomen is in hoofdzaak matig tot slecht. Bij meer dan 20 bomen buiten de kom is sprake van een houtopstand volgens de Wet natuurbescherming. Bij het vellen is vooraf een melding nodig bij de provincie en kun­ nen regels gelden op basis van het provinciale beleid ( in elk geval een herplantplicht). Ook rond het gebied zijn zwarte els, berk en braam aanwezig en in de bosstrook ook vlier, zomereik en hulst.

FF Small smart living Groenezoom Harderwijk mei.20-v2.doc

5

Versie: 29 mei 2020

Er zijn alleen algemene planten aangetroffen, zoals braam, grote brandnetel, veldzuring, paardenbloem, ronde ooievaarsbek en pitrus. Er zijn in de huidige situatie geen bescherm­ de soorten aangetroffen of te verwachten. Er is bij verdere realisatie van de plannen geen sprake van overtreding van art. 3.5 of 3.10 Wnb. Het aanvragen van een ontheffing is voor de nog aanwezige flora niet nodig.

5.2

Amfibieën, reptielen, vlinders en libellen

Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën, reptielen, vlinders, of libellen aangetroffen. Ge­ zien het tijdstip zijn deze soorten nu ook niet echt te verwachten. Wegens het ontbreken van geschikt voortplantingswater op het perceel is het niet geschikt voor amfibieën en libel­ len, behoudens een enkele doortrekker. Het plangebied is geen typisch leefgebied voor reptielen. Er zijn verder geen aanwijzingen dat beschermde soorten vlinders aanwezig zijn. Een ontheffing op basis van art. 3.5 of 3.10 van de Wnb is voor deze soortgroepen niet no­ dig.

5.3

Zoogdieren

Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde soorten aangetroffen. Egel, das, eekhoorn en bunzing zijn wel bekend vanuit de omgeving. Op en rond het perceel zijn verder geen sporen of verblijfplaatsen aangetroffen, m.u.v. de das (zie 5.3.1). De Groenezoom is een verbindingszone voor veel diergroepen. Het verdient aanbeveling om langs de randen ruim­ te te laten en niet alles af te rasteren zodat dieren makkelijk van oost naar west en anders­ om kunnen passeren. Dat kan door voldoende groen en ondergroei te handhaven in en om het gebied. Behoudens een enkel muizenholletje zijn geen aanwijzingen, sporen, holen, poepsporen e.d. van zoogdieren gevonden. Er zijn daarmee geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van beschermde zoogdieren. Bij de planrealisatie kan een klein aantal verblijfplaatsen van de algemene en laag be­ schermde kleine zoogdieren verloren gaan. Het aanvragen van een ontheffing is voor deze soorten hier echter niet nodig, omdat hiervoor behoudens de algemene zorgplicht, vrijstel­ ling geldt conform de Omgevingsverordening Gelderland (algemene soorten art. 7.4.1) en schadesoorten (art. 7.5.1).

5.3.1 Das Op ca. 370m ten oosten van het plangebied is een dassenburcht gelegen. Op en vlak rond het plangebied zijn geen verse sporen van de das aangetroffen. In de bosstrook tussen plangebied en Horloseweg is wel een aantal foerageersporen aangetroffen. Het plangebied bestaat uit nat weiland en behoort tot het primaire voedselgebied van de das, evenals de weilanden ten noorden van de Groenezoomweg en langs de A28. Voor deze zogenaamde Horloburcht is in het verleden uitgebreid onderzoek verricht door bureau Zoon Ecologie. Dit omdat de gemeente Harderwijk de wijk Drielanden verder wil uitbouwen en dit ten koste gaat van het belangrijkste voedselgebied van deze dassenfamilie. Daarvoor is compensatie gezocht en gevonden in een burcht en leefgebied ten zuiden van de Zeeweg. Voor het plan Drielanden-West en Groenezoom is door RVO in 2012 een ontheffing verleend (aangepast in 2016). Op een wijzigingsaanvraag is in 2017 door de provincie Gelderland een nieuwe ontheffing afgegeven (zaaknr. 2017-011599). Daarmee lijkt het opvullen van het voorlig­ gende plangebied vanuit juridisch oogpunt op zich niet bezwaarlijk. Het plangebied Drielanden-West moet twee-maandelijks gecontroleerd te worden op de aanwezigheid van dassenholen. Voorafgaand aan de werkzaamheden in de Groene Zoom tussen december en juni, dient de burcht bij de Horloseweg gecontroleerd te worden op jonge dassen.

Indien blijkt dat er in het jaar van de werkzaamheden jongen van de Das worden grootgebracht,

FF Small smart living Groenezoom Harderwijk mei.20-v2.doc

6

Versie: 29 mei 2020

dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden tot na de kwetsbare kraamperiode (de­ cember t/m juni). Uit een kort bezoek aan de burchtlocatie op 12 maart 2020 blijkt dat de Horloburcht nog steeds in gebruik (verse graaf- en loopspo­ ren). Er is aanvullend een korte periode met een cameraval gekeken of er jonge dassen te zien waren. Daarbij is op ver­ schillende dagen en bij verschillende pijpen, enkel een vol­ wassen dier (ws een mannetje) vastgelegd. In ieder geval is de burcht in gebruik. En blijkens de sporen Das Horloburcht 14 mei 2020 geldt dat voor meerdere toegangen. Het open houden van di­ verse looproutes langs de noord- en zuidzijde van het plangebied en het open houden van de aangelegde voorzieningen is dan ook nog steeds noodzakelijk. Daarbij moeten alle rele­ vante in de ontheffing beschreven looproutes beschikbaar blijven. Er is er voor deze rapportage verder van uit gegaan dat de mitigerende maatregelen zoals genoemd in de ontheffing zijn uitgevoerd.

5.3.2 Vleermuizen Volgens de literatuurgegevens komen in de omgeving van het plangebied diverse soorten vleermuizen voor, zoals de gewone dwergvleermuis, bosvleermuis en gewone grootoorvleermuis. Deze soorten zijn strikt beschermd onder de Wet natuurbescherming, op basis van Bijlage IV van de Habitatrichtlijn. Zowel de zomer- als winterkolonies, als paarplaatsen en kraamkamers zijn beschermd tegen verstoring en vernietiging. Ook belangrijke foerageerroutes zijn beschermd. Op basis van de waarnemingen ter plaatse zijn geen potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Op basis van de bevindingen ter plaatse verdwijnen met zekerheid geen vaste verblijfplaat­ sen van vleermuizen. Er vindt door realisatie van de plannen geen aantasting plaats van vaste verblijfplaatsen, (potentieel) onmisbare vliegroutes en foerageergebied. Er is als ge­ volg van de beoogde ingrepen geen schade te verwachten op vleermuizen. Het aanvragen van een ontheffing op basis van de Wnb is voor zoogdieren niet nodig.

5.4

Vogels

Er is geen broedvogelinventarisatie uitgevoerd. Op basis van waarnemingen tijdens de veldbezoeken, de terreingesteldheid, waarnemingen uit de directe omgeving, bekende verspreidingsgegevens en ervaring is een inschatting gemaakt over mogelijk aanwezige soor­ ten in het gebied. Tijdens het bezoek zijn de volgende vogels rond het gebied gehoord en/of gezien: kool­ mees, pimpelmees, roodborst, winterkoning, houtduif, grote bonte specht, boomkruiper en gaai. Buizerd, boomvalk en kerkuil zijn wel bekend vanuit de omgeving, maar nesten van deze soorten zijn niet in of om het plangebied aangetroffen.

5.4.1 Vogels algemeen In het algemeen geldt dat ingrepen in een plangebied tijdens het broedseizoen (15 maart 15 juli - huismus 15 augustus) sterke negatieve effecten hebben op de meeste vogelsoor­ ten door vernietiging van broedplaatsen en verstoring van de reproductie. Wettelijk gezien is dat verboden (art. 3.1 Wnb).

FF Small smart living Groenezoom Harderwijk mei.20-v2.doc

7

Versie: 29 mei 2020

Verstoring van broedvogels is in sommige gevallen wel toegestaan, mits er geen negatief effect is op de populatie (art. 3.1 lid 5). Het beschadigen of vernietigen van nesten is wel verboden en dient te allen tijde te worden voorkomen. Dit is mogelijk door gefaseerd te werken en de uitvoering in elk geval op te starten buiten het broedseizoen van de aanwezi­ ge vogels. Is dat niet mogelijk dan dient aantoonbaar te zijn onderzocht (deskundige) dat er geen vernietiging van nesten van broedvogels zal plaatsvinden. Als bijv. met de inrichting van het terrein wordt gewacht tot het broedseizoen bestaat een kans dat grondbroeders eieren gaan leggen. Dan moet met de realisatie worden gewacht tot de jonge vogels zijn uitgevlogen. De effecten op (broed)vogels in het plangebied en de directe omgeving zullen verder beperkt of nihil zijn. Na realisatie van het plan ontstaan door de aanleg van beplanting en tuinen overigens ook weer nieuwe broedmogelijkheden. Werkzaamheden die broedbiotopen van vogels verstoren of beschadigen moeten zoveel mogelijk worden voorkomen. Dit is mogelijk door gefaseerd te werken en de uitvoering in elk geval op te starten buiten het broedseizoen van de aanwezige vogels. Is dat niet moge­ lijk dan dient aantoonbaar te zijn onderzocht (deskundige) dat er geen vernietiging van nes­ ten, eieren of jongen zal plaatsvinden.

5.5 Overige soorten Van de overige beschermde soorten en soortgroepen is te stellen dat deze in het plange­ bied niet voorkomen of zijn te verwachten. Ook zullen de geplande activiteiten geen effect hebben op deze soorten.

6

Gebiedsbescherming

Dit hoofdstuk beschrijft in algemene zin de te verwachten effecten van realisatie van het bestemmingsplan op beschermde gebieden en doelsoorten. Het plangebied ligt aan de zuidzijde van de bebouwde kom van Harderwijk, tegen de grens met Ermelo. Artikel 2.1 Wnb vormt de invulling van de gebiedsbescherming van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en heeft als doel het beschermen en instandhouding van bijzondere gebie­ den in Nederland. De Wnb sluit aan bij de Europese gebiedsbescherming zoals vastgelegd in de Vogel- en Habitatrichtlijn. De Nederlandse wetgeving heeft dit vastgelegd in een groot aantal Natura 2000 gebieden.

6.1 Natura 2000 Natura 2000 omvat een samenhangend Europees netwerk van beschermde natuurgebie­ den. Alle Europese lidstaten dragen hieraan bij. Natura 2000 is gericht op het behoud van natuurgebieden en de ontwikkeling daarvan. De Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn vormen hiervoor de onderliggende basis. Alle Natura 2000-gebieden liggen binnen de Ecologische Hoofdstructuur. Het plan ligt op 740m van Natura 2000 gebied Veluweranmeren en om 2,9km van de Veluwe (zie figuur hiernaast PDOK maart 2020). Diverse habitats en soorten van de Veluwerandmeren zijn beschermd zoals de habitattypen Kranswierwateren en meren met Krabbenscheer en fonteinkruid. Soortbe-

FF Small smart living Groenezoom Harderwijk mei.20-v2.doc

8

Versie: 29 mei 2020

scherming is er voor de Kleine modderkruiper, de Rivierdonderpad en de Meervleermuis. Verder de broedvogels Roerdomp en Grote Karekiet en een aantal niet-broedvogels. Voor de Veluwe zijn dat enkele bos- en heidetypen. Specifieke bescherming is er voor o.a. het Vliegend hert, Gevlekte witsnuitlibel en Kamsalamander. Relevante vogelsoorten zijn o.a. Wespendief, Zwarte specht, Boomleeuwerik, Nachtzwaluw en IJsvogel. Gezien de aard van het plan en de ligging t.o.v. de Natura 2000 gebieden zijn met zeker­ heid geen effecten van het plan te verwachten op de instandhoudingsdoelstellingen en habitattypen.

6.2 Stikstofdepositie De Veluwe heeft diverse habitats welke gevoelig zijn voor verzuring. Daarom moet bij nieuwe plannen ook worden bekeken of de plannen leiden tot een toename van de stikstofdepositie. De Veluwerandmeren zijn niet gevoelig voor stikstof.

6.2.1 Uitspraak PAS Raad van State De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 29 mei 2019 beslist dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet meer is te gebruiken als basis om toestemming te verlenen voor activiteiten, die leiden tot een stikstoftoename ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen en soorten in Natura 2000-gebieden. Het Ministerie van BiZa heeft op 2 juli een factsheet gemaakt hoe hiermee vooralsnog moet worden omgegaan. Een aantal relevante aspecten staan hieronder. De beslissing van de Raad van State heeft vergaande consequenties voor ruimtelijke ont­ wikkelingen, zoals woningbouw, de aanleg van infrastructuur (o.a. vaar-, spoor-, en auto­ wegen), de bouw van nieuwe bedrijven en agrarische activiteiten die kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000gebieden. Hierdoor is het een stuk ingewikkelder geworden om ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk te maken en te realiseren die effecten hebben voor de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. Stikstof is één van de aspecten waarop een project of plan (zoals een bestemmingsplan) moet worden getoetst. Complicerende factor hierbij is dat stikstof tot op grote(re) afstand van de bron neerslaat.

Daarbij zijn er in Nederland momenteel 118 Natura 2000-gebieden met overbelaste stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van (dier)soorten. Nu het ecologisch onderzoek ("de passende beoordeling”) van het PAS niet meer als basis voor toestemmingverlening kan worden gebruikt, is voor veel ruimtelijke ontwikkelingen, ook op grote afstand van Natura 2000-gebieden, nodig dat zij op een andere manier gaan aantonen, dat hun project of plan (zoals een bestemmingsplan) op voorhand geen signifi­ cant schadelijke effecten heeft op de Natura 2000-gebieden. Pas daarna kan toestemming worden verleend. De passende beoordeling van het PAS kan daarvoor sinds de uitspraak van 29 mei 2019 niet meer worden gebruikt. Voor projecten betekent dit dat moet worden beoordeeld of een natuurvergunning is vereist. Gedeputeerde staten (en in een aantal gevallen het ministerie van LNV) zijn het bevoegde gezag voor deze vergunning. Zij dienen te beoordelen of voor een project een natuurvergunning is vereist. Voor bestemmingsplannen geldt weliswaar geen natuurvergunningsplicht, maar ook zij moeten aan de eisen van de Wet natuurbescherming voldoen. Bij de

FF Small smart living Groenezoom Harderwijk mei.20-v2.doc

9

Versie: 29 mei 2020

voorbereiding van een bestemmingsplan is een beoordeling nodig om te bepalen of de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen significant negatieve effecten zou­ den kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Is dat het geval, dan is ook een pas­ sende beoordeling (en als gevolg daarvan ook een milieueffectrapport) noodzakelijk.

6.2.2 Gevolgen woningbouw Wordt in de voortoets op basis van objectieve gegevens geconcludeerd dat er geen signifi­ cant negatieve effecten zijn te verwachten voor de instandhoudingsdoelen van het betrok­ ken Natura 2000-gebied, dan kan volgens de factsheet van het ministerie worden volstaan met een voortoets en kan de gemeenteraad (voor wat betreft de stikstoftoets) het bestem­ mingsplan vaststellen. Dit is het geval als bijvoorbeeld geen toename plaatsvindt van de stikstofdepositie. Wordt woningbouw gerealiseerd op gronden waar voorheen bijvoorbeeld (planologisch le­ gaal en ten tijde van de vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan feitelijk bestaande) agrarische activiteiten plaatsvonden en die activiteiten worden gestaakt (omdat bijvoorbeeld op die gronden woningen worden gebouwd en als gevolg daarvan de agrarische functie verdwijnt) dan mag in beginsel de daarmee samenhangende vermindering van de stikstof­ depositie in mindering worden gebracht op de toename van de stikstofdepositie als gevolg van de woningbouw. Dat kan ertoe leiden dat per saldo de effecten op de stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden gelijk blijven (en soms zelfs verminderen als gevolg van het verdwijnen van die agrarische functie). Er hoeft dan geen passende beoordeling te worden uitgevoerd.

6.2.3 Spoedwet stikstof Per 1 januari 2020 is de Spoedwet Aanpak Stikstof in werking getreden. Deze wet vormt de basis voor een nadere uitwerking in ‘Regeling spoedaanpak stikstof bouw en infrastructuur’ waarvan de internetconsultatie inmiddels is afgerond. Beoogde relevante regelgeving be­ treft o.a.: a. "Met dit pakket aan maatregelen wordt het in de woningbouwsector mogelijk om in 2020 de benodigde 75.000 woningen te realiseren. Gebiedsgericht moet hier invulling aan worden gegeven, waarbij er meer ruimte zal zijn in geval keuzes gemaakt worden voor locaties of projecten die de aanvullende stikstofdepositie op Natura 2000gebieden relatief beperkt houden.” b. "Daarnaast wordt in dit wetsvoorstel geregeld dat voor activiteiten die geen significante gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden, geen Natura 2000-vergunning meer aangevraagd hoeft te worden. Dit is in lijn met de Vogel- en Habitatrichtlijn.” Woningbouwprojecten die een beperkte toename van de stikstofdepositie tot gevolg heb­ ben worden naar alle waarschijnlijkheid meldingsplichtig. De inwerkingtreding van de rege­ ling is echter nog niet bekend.

6.2.4 Beleidsregels intern en extern salderen Gedeputeerde Staten van Gelderland stelden op 10 december 2019 de Beleidsregels in­ tern en extern salderen (Beleidsregel van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelder­ land houdende regels omtrent stikstof) vast. Deze beleidsregels gelden voor de het verle­ nen van vergunningen op grond van de Wet natuurbescherming vanwege de effecten door stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Activiteiten waarbij niks veranderd, behouden hun vergunning. Voor activiteiten waarvoor wel een vergunning nodig is, moet gezorgd worden dat de neerslag van stikstof in Natura

FF Small smart living Groenezoom Harderwijk mei.20-v2.doc

10

Versie: 29 mei 2020

2000-gebieden per saldo niet toeneemt. De nieuwe beleidsregels stellen met name voor­ waarden aan intern en extern salderen: »

»

Intern salderen: Bedrijf mag een bepaalde hoeveel stikstof uitstoten. Nieuwe activitei­ ten of bestaande activiteiten veranderen kan. De activiteiten moeten neerslag ver­ minderen of tenminste niet meer worden. Alleen de al gerealiseerde capaciteit van de vergunning kan gebruikt worden. Extern salderen: Bedrijf maakt gebruik van de vergunning van een ander bedrijf dat wordt beëindigd. Slechts 700Zo van de gerealiseerde capaciteit mag gebruikt worden.

De beleidsregels traden op 13 december 2019 in werking. Deze beleidsregels gelden al­ leen voor het verlenen van vergunningen door gedeputeerde staten, niet voor het vaststel­ len van bestemmingsplannen door gemeenteraden.

6.2.5 Situatie plan naast Horloseweg 60 In de voorliggende situatie zijn met behulp van het rekenprogramma Aerius (versie 2019A) berekeningen gemaakt van de te verwachten stikstofdepositie in zowel de aanleg- als de gebruiksfase. Hoewel het hier, in de zin van de Wnb, primair gaat om de beoordeling van een plan, is voor de berekening toch aangesloten bij de provinciale beleidsregels voor in­ tern en extern salderen. Op die wijze is het mogelijk om tegelijkertijd ook de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan voor dit aspect inzichtelijk te maken. Gebruiksfase In de voorliggende situatie geldt voor de bestaande situatie een grasland met bomen en struiken. Plan is het terrein bouwrijp te maken en 20 kleine woningen te realiseren, zgn. tinyhouses. De nieuwe situatie betreft gasloos uitgevoerde woningen met warmtepomp. Daardoor is alleen sprake emissie van voertuigbewegingen. Het betreft kleine huurwonin­ gen waarvoor op basis de CROW publicatie 317 uitgaat van een verkeersgeneratie van 1.8-2.4 mvt/etmaal. Voor de berekeningen is uitgegaan van een gemiddelde van 2.1 bewe­ gingen per etmaal (weekdag). In totaal gaat het dan om een 36-48, gem. 42 bewegingen per etmaal. De situatie is ingevoerd in het rekenprogramma Aerius 2019a. De transportbewegingen genereren ook met 48 bewegingen/etmaal geen bijdrage hoger dan 0.00 mol/ha/jaar.

Aanlegfase Ook de aanlegfase moet in beeld worden gebracht. Dat bestaat hier uit het bouwrijp maken van het terrein en de inrichting daarvan. De kleine huisjes worden kant en klaar op een op­ legger aangeleverd en met een kraan op de juiste plaats gezet. De uitgangspunten hiervoor zijn opgenomen in de bijlage. Op basis daarvan is geen stikstofdepositie berekend hoger dan 0.00 mol/ha/jaar. Een uitdraai van de rekenresultaten is bijgevoegd als bijlage. Een vergunning Wnb gebieden is hiermee niet nodig.

FF Small smart living Groenezoom Harderwijk mei.20-v2.doc

11

Versie: 29 mei 2020

6.3 Gelders natuurnetwerk (GNN) en Groene Ontwikkelzone (GO) Naast toetsing op Natura 2000 gebied vindt separaat een toetsing plaats op het Gelders Natuurnetwerk (GNN), de voormalige Ecologische hoofdstructuur. Voor het GNN is door de provincie Gelderland een aantal criteria opgesteld waaraan wordt getoetst of een plan in­ vloed heeft op de wezenlijke waarden en kenmerken. Daarnaast zijn Groene Ontwikkelzones (GO) aangewezen. Dat zijn gebieden met andere functies dan natuur die ruimtelijk verweven zijn met de natuur van het Gelders Natuurnetwerk en daar functioneel mee samen­ hangen. Het beleid in de GO is gericht op versterking van die samenhang. Het plangebied ligt buiten het GNN en de GO (zie figuur resp. groen en bruin). Planrealisatie heeft geen effecten op de na­ tuurwaarden van deze gebieden. Verder onderzoek of een ontheffing wordt niet no­ dig geacht.

FF Small smart living Groenezoom Harderwijk mei.20-v2.doc

12

Versie: 29 mei 2020

7

Conclusies en aanbevelingen

7.1

Algemeen

Verschillende soorten planten, dieren worden beschermd in de Wet natuurbescherming. Op basis van de Vogel- en Habitatrichtlijn, zijn in de Wet speciale beschermingsgebieden aan­ gewezen. Een ruimtelijke ontwikkeling is alleen mogelijk als duidelijk is dat de nesten, holen of andere verblijfsplaatsen niet worden vernield of beschadigd. Verstoring is in sommige gevallen wel toegestaan, mits er geen negatief effect is op populatieniveau. Beschermde planten mogen niet worden verwijderd van hun groeiplaats. Ook mogen door een ruimtelij­ ke ontwikkeling geen significante negatieve effecten plaatsvinden op beschermde gebie­ den. Adviesbureau Groenewold Milieu & Natuur heeft in opdracht van initiatiefnemer een natuurtoets uitgevoerd voor de herinrichting van het terrein in de Groenezoom ten oosten van de Horloseweg 60 te Harderwijk. Het betreft een tweetal graslandjes, met daartussen een houtwal en omzoomd door bomen en struiken. Het terrein wordt geschoond en bouwrijp gemaakt. Vervolgens is het plan in totaal 20 kleine huisjes te plaatsen in 6 blokken. Deze worden kant en klaar geplaatst.

7.2

Beschermde soorten

Er zijn geen beschermde soorten of verblijfplaatsen gevonden. Het plan ligt wel in de 500m zone van een dassenburcht. Voor de burcht is een compensatieplan opgesteld en uitge­ voerd voor het plan Drielanden-West en Groenezoom. In 2012 en 2016 door RVO en in 2017 door de provincie Gelderland is een ontheffing verleend. Er lijken daardoor geen be­ zwaren tegen realisatie van het plan. De Horloburcht is nog wel bewoond. Daarom moeten vooralsnog de diverse looproutes van de das langs het plangebied open moeten blijven en ook de gerealiseerde voorzieningen. Bij uitvoering van de werkzaamheden tussen juli en november is nader onderzoek naar jonge dassen in de burcht niet nodig. In het broedseizoen kunnen nesten van vogels aanwezig zijn. Alle broedende vogels zijn beschermd. Specifiek is gezocht naar aanwijzingen voor verblijfplaatsen van uilen en roofvogels. Deze zijn niet op het perceel aangetroffen of te verwachten. Er verdwijnen met zekerheid geen vaste verblijfplaatsen van vleermuizen. Ook is gezocht naar aanwijzingen voor verblijfplaat­ sen van kleine marters. Deze zijn niet aangetroffen en op basis van de locatiekenmerken ook niet te verwachten. Er geldt een vrijstelling voor de algemeen beschermde soorten (Omgevingsverordening Gelderland). Overigens blijft de algemene zorgplicht altijd van kracht. Een ontheffing Wnb voor soorten is niet nodig.

7.3

Gebiedsbescherming

Op basis van de ligging en aard van de ruimtelijke ingrepen is de conclusie dat deze in­ greep geen negatieve invloed heeft op de specifieke natuurwaarden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied is de Veluwerandmeren op ca. 740m afstand. De Veluwe ligt op 2.9km. De nieuwe activiteiten bestaan uit bewoning (gasloos). Uit een Aeriusberekening (v2019a) op basis van 1.8 voertuigbewegingen per tinyhouse is er geen stikstofdepositie berekend

FF Small smart living Groenezoom Harderwijk mei.20-v2.doc

13

Versie: 29 mei 2020

hoger dan 0.00 mol/ha/jaar. Ook de aanlegfase is in beeld gebracht en geeft geen deposi­ tie hoger dan 0.00 mol/ha/jaar. Hiermee is geen vergunning Wet natuurbescherming voor gebieden nodig.

7.4

Gelders natuurnetwerk I Groene Ontwikkelzone

Het plan ligt buiten de begrenzing van het GNN en de GO. Op basis van de ligging van het plangebied ten opzichte van de begrenzing van het GNN mag worden aangenomen dat er geen effecten zijn te verwachten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het GNN en de GO. Specifieke maatregelen of aanvullend onderzoek worden niet nodig geacht.

7.5

Voorbehoud en zorgplicht

De voorliggende natuurtoets is gebaseerd op inventarisatiegegevens van derden, litera­ tuuronderzoek en een verkennend terreinbezoek. Om de risico’s op verstoring van be­ schermde soorten (bijv. vogels) op het werkterrein te minimaliseren, wordt aanbevolen om voorafgaand aan de werkzaamheden het terrein te controleren op de aanwezigheid van beschermde soorten. Algemene zorgplicht Voor alle beschermde soorten, dus ook voor de soorten die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt wel een zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan beschermde soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Dit betekent onder meer dat een initiatiefnemer zich tijdig op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen van het plan. Bij de uitvoering moeten negatieve gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen dan wel beperkt of ongedaan ge­ maakt. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het voorkómen van verontrusting of verstoring in de kwetsbare perioden zoals de broed-Zvoortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden kan per soortgroep verschillen.

Als ‘veilige’ periode voor alle groe­ pen geldt in het algemeen de periode van half augustus tot half november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als vleermuizen, overige zoogdieren en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Indien een plangebied in die periode bouwrijp wordt gemaakt, geeft realisatie gedurende het winterseizoen en het daarop volgende voor­ jaar meestal geen problemen. Vaak is het voldoende om rekening te houden met de broed­ tijd (15 maart-15 juli-huismus tot 15 augustus). Als bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perio­ den van de soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kan bijvoorbeeld vegetatie gedurende het groeiseizoen kort gemaaid worden, of kunnen bomen buiten het broedseizoen worden gekapt, zodat er geen vogels gaan broeden. Hierbij geldt overigens wel de algemene zorgplicht. Beschermde soorten Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waarge­ nomen dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te voorkomen (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen).

FF Small smart living Groenezoom Harderwijk mei.20-v2.doc

14

Versie: 29 mei 2020

7.6 Ecologische kansen I natuurinclusief bouwen Overigens zijn in de nieuwbouw relatief eenvoudig extra voorzieningen te realiseren voor vogels en/of vleermuizen. Door de betere isolatie van woningen verdwijnen openingen, kie­ ren e.d. en daarmee nest- en schuilplaatsen, die vroeger heel gewoon waren. De maatre­ gelen kosten weinig geld maar betekenen veel voor de betreffende soorten. Zo is een bij­ drage te leveren aan het behoud van deze soorten voor de toekomst. Bijvoorbeeld een speciale neststeen of plank voor huiszwaluwen of gierzwaluwen (eten veel muggen). Een speciale kast voor vleermuizen (eten veel muggen) is eenvoudig aan de wand te plaatsen. De dieren kunnen dan niet in de spouw zelf komen maar krijgen wel ex­ tra verblijfplaatsen ter beschikking.

8 Advies »

»

»

»

»

»

Er zijn geen beschermde soorten of verblijfplaatsen aangetroffen of te verwachten. Ver­ blijfplaatsen van uilen, kleine marters en vleermuizen zijn uit te sluiten. Het gebied be­ hoort nog wel tot het primaire leefgebied van de das. Voor de betreffende burcht is al eerder een ontheffing verleend voor Drielanden-West en Groenezoom. Hiervoor is ook compensatie opgesteld en uitgevoerd. De Horloburcht is nog wel bewoond (maart-mei 2020). Daarom dienen aan beide zijden van het plan vrije looproutes mogelijk te blijven tussen oost en west en ook dienen de aangelegde dassenvoorzieningen open te blij­ ven, zodat de das de diverse voedselgebieden kan bereiken. Voor aanvang van de werkzaamheden is een ontheffing Wnb soorten niet nodig. Uitvoering van de werkzaamheden laten plaatsvinden buiten de broedperiode. Overi­ gens mogen eventuele vroege of late legsels niet worden verstoord. Ook eventuele jon­ ge dassen in de burcht mogen niet worden verstoord. De beste tijd voor uitvoering is dan tussen juli en november. Als uitvoering van de werkzaamheden wel gepland is in de periode december-juni (kraamperiode dassen), dan dient vooraf eerst te worden aangetoond dat er geen jonge dassen aanwezig zijn in de burcht. Ter bevordering van de biodiversiteit is het advies de nieuwe woningen te voorzien van permanente verblijfplaatsen, bijvoorbeeld een duurzame neststeen of nestkast per wo­ ning.

Bij landschappelijke inpassing is het advies inheemse noot- of besdragende soor­ ten toe te passen. Natura2000 gebied Veluwerandmeren ligt op 740m (niet stikstofgevoelig) en de Veluwe op ca. 2.9km van de grens van het plangebied. Op basis van de gegevens van de CROW geldt voor de tinyhouses een aantal van 1.8-24. verkeersbewegingen per et­ maal. Op basis van 48 bewegingen is geen bijdrage berekend hoger dan 0.00 mol/ha/jaar. De tinyhouses worden kant en klaar in een aantal blokken geplaatst. Het grondwerk en de transportbewegingen genereren In de aanlegfase geen depositie ho­ ger dan 0.00 mol/ha/jaar. Een Wnb vergunning gebieden is niet nodig. Bij uitvoering van de werkzaamheden altijd invulling geven aan de ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wet natuurbescherming), wat inhoudt dat de initiatiefnemer passende maat­ regelen neemt om schade aan beschermde soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.

FF Small smart living Groenezoom Harderwijk mei.20-v2.doc

15

Versie: 29 mei 2020

9 Literatuur » » » » » » » » » » » » » * » * » » » » » » » » » » » » » » » »

Broekhuizen, S., B. Hoekstra, V. Van Laar, C. Smeenk à J.B.M. Thissen, 1992. Atlas van de Nederlandse Zoogdieren. Stichting Uitgeverij Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereni­ ging, 3de herziene druk. BIJ12, Juli 2017, Kennisdocument Huismus 1.0 BIJ12, Juli 2017 Kennisdocument Steenuil 1.0 BIJ12, Juli 2017, Kennisdocument Gierzwaluw 1.0 BIJ12, Juli 2017, Kennisdocument Das 1.0 BIJ12, Juli 2017, Kennisdocument Gewone dwergvleermuis 1.0 Eekeren, N. van à F. Smeeding, 2006, Praktijkhandleiding Evenwichtige verschraling van na­ tuurgronden door uitmijnen van fosfaat met grasklaver en kalibemesting. Janssen, J.A.M. en Schaminée, J.H.J., 2008: Soorten van de habitatrichtlijn Lange, R., P.Twisk, A. van Winden à A. van Diepenbeek, 1994. Zoogdieren van West-Europa. Stichting Uitgeverij KNNV en VZZ i.s.m. Vereniging Natuurmonumenten. Limpens, H., K. Mostert à W. Bongers (red.) (1997). Atlas van de Nederlandse vleermuizen, Stichting Uitgeverij van de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, Utrecht.

Provincie Gelderland: Omgevingsverordening Provincie Gelderland: Mitigatiecatalogus gebouwbewonende soorten, Arcadis, 27 september 2018 Regiebureau Natura 2000, Naslagwerk Natura 2000 www.gegevensautoriteitnatuur.nl http://geodata2.prv.gelderland.nl/ www.infomil.nl http://mineleni.nederlandsesoorten.nl/ www.Natura2000.nl www.Natuurloket.nl www.RAVON.nl www.rijksoverheid.nl www.soortenregister.nl http://www.synbiosys.alterra.nl/Natura 2000 http://www.vleermuis.net www.waarneming.nl (website met soortenwaarnemingen in Nederland) www.wetten.nl Zoon, C.P.M., 2005a. Dassen in de Groene Zoom. Gemeente Harderwijk. Zoon, C.P.M. 2005b. Dassen aan de Hooge Geest. Gemeente Harderwijk. Zoon, C.P.M., 2006. Natuuronderzoek in Horst-Noord. Gemeente Ermelo. Zoon, C.P.M., 2011 Effecten van een bouwplan in de Groene Zoom, (Harderwijk) op aanwezi­ ge dassenfamilie. Zoon, C.P.M., 2012, Natuurcompensatieplan Drielanden-west en Groene Zoom Zoon, C.P.M., 2012, Natuurtoets Drielanden-west en groene Zoom.

Bijlagen 1. CN CO LO co

Overzicht situatie Foto’s plangebied Samenvatting natuurwetgeving Voorbeeld voorzieningen Uitdraai Aeriusberekening Uitdraai NDFF

FF Small smart living Groenezoom Harderwijk mei.20-v2.doc

16

Versie: 29 mei 2020

Bijlage 1 Overzicht situatie -r.i, A»

ZZ .

NDEN r,E- yLA-«ř/v V * WļOf

Hoŗloseweg 5' BH

/\

I

1 r7 ^TP

■ăsptgýíįÿ®®

Bestaande situatie

'D

ĩp

Ay

Bestaande situatie

r

ĵ.

ma ~İ

\a

Ï,

Bōs, bûm&l

'ïzį&ļľjt Nieuwe situatie

ra****

'1' ļ'(í

Bijlage 2 Foto’s plangebied

■n t

ľ -

WS

r’

'■j.-í, -I į ļ?\

\«íľ^sr* äŕ5ĩ*

A -1

- «fc-.-ļ «♦"Ti

' i ĊÏS&&

Ei_,

- .

___

fjĴDţj; np i Ä-'TT. Kt,',’. ĩ .

Ui't 7*ŕV

V '

. V/ - ,.ř r/SÄcŴ" Ľ? IľS wc

?Ä®İ

i-ÎSSSk

is«įm

-____

.-•«v

r*.* /-5f

y - •V'.' .«.v: -rf~ ĨWwfO •—i * ~-f-

ĩįï?Wti

įř":-V; -tľ. '■-y'j 'í# .i.'^ýtį.^Ļy-y-

'ěíźśtéå

v-, u,'- ïťíŵŵ'

WiĒĴi___

ml ĹW

vn.V'

ļ/įäļUÍ sWM

" . tfy ŞSĨB? 2»Rì «Medţ.

____ Pr

u’.l

SSSB-i: « 3Ë3GĽ iiSļ

&İMK

*

'V*

, y-ų

«5-12

vjļna^

įtfv.ž: ^ļţiŝM-

•••.

V.-

Sÿ : Vis® ŭ

* 'o1',1 V «jlř»

^*Vvî'. ‘

^ A

WsŝS yvT SÇŗ»»/. -" “74v;

ViV'įh*. E y,įČġ^ ì«Pĵĵ ^ A-\ •fţř'.-eļ

:

IrjjS

PŵfeSřĀ

'ŴŴ

v Jsi

KRťî

ļiĘva

33B?

Äî

Ara iķ ŵrt»s EU?

Ĩř-5Ä’.V

■ig

«ŕįUŵį.

I ■■•■--Vfjÿį

-

“WV-2W

Aantal belopen pijpen Das Horloburcht maart 2020

■ŵ.___

ŵ; Sé-.ŕiffc

r 'Pţ.

Ñ' fl

Ŵ i5B Vl* ; Ålď

itìätJm

Opnames das Horloburcht 14 mei (boven) en 17 mei 2020

'

vV* ~ »' V-Vv ©LEX1

48*3*:*

Bijlage 3 Samenvatting Natuurwetgeving

Samenvatting Wet Natuurbescherming Versie februari 2020

Inleiding In deze bijlage worden in het kort het wettelijk kader van de natuurwetgeving beschreven en de toepassing bij ruimtelijke ingrepen en beheer. De bescherming van natuur in Nederland is vastgelegd in Europese en Nationale wet- en regelgeving. Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getre­ den. De Wnb vervangt de Flora- en Faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. De Wet beoogt waardevolle natuur te beschermen met duidelijke en eenvoudige regels. Er is net als in de oude regelgeving onderscheid tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. Daar waar sprake is van Europese bescherming verandert er qua beschermingsniveau niet zo veel. In de soortenbescherming is wel het één en ander gewijzigd voor wat betreft de nationale bescherming. De uitvoeringsregels zijn vastgelegd in het Besluit natuurbescherming en de Regeling natuurbescherming.

Doel van de Wet Vooruitlopend op de Omgevingswet beoogt het Rijk met de bovengenoemde samenvoeging van drie wet­ ten in de Wnb, invulling te geven aan vermindering en vereenvoudiging van het aantal regels. Artikel 1.10 geeft aan dat de Wnb gericht is op a. het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behou­ den en herstellen van de biologische diversiteit; b. het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies, en c. het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische beteke­ nis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies. Hiermee is ook duidelijk dat natuur en economie beide van belang worden geacht en dat het ontwikkelen van natuur ten dienste kan staan van maatschappelijke functies. Of zoals de memorie van antwoord het stelt: 'De ambitie van het natuurbeleid en het doel van de natuurwetgeving is om de natuur en de maat­

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Harderwijk&id=b1358474-2ab6-4c6d-b407-cbd8ac46a3b6