CConstaterende datHardenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

Zienswijze op bestemmingsplan De Marke III

orienterende ronde sessie 1 5 juli 2022, gemeente HardenbergBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 'Mariënberg, woongebied De Marke III' en beeldkwaliteitsplan ''Woongebied De Marke III te Mariënberg'16.511 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Wel dient de bomenrij ten noordwesten van het plangebied mogelijk als belangrijke vliegroute voor vleermuizen. Verder kunnen bij (de start van) werkzaamheden in het broedseizoen, broedende vogels worden verstoord, of hun nesten worden aangetast. Er is geen vrijstelling te verkrijgen in het kader van de Flora- en faunawet voor activiteiten die vogels in hun broedseizoen zou kunnen verstoren. De (start van de) werkzaamheden dienen plaats te vinden buiten het broedseizoen of in het broedseizoen als broedende vogels zijn uit te sluiten. De werkzaamheden kunnen doorlopen in het broedseizoen als broedende vogels binnen het plangebied uitgesloten kunnen worden.

Jan.

Feb.

Mrt.

April

Mei

Juni

Juli

Aug.

Sep.

Okt.

Nov.

Broedvogels Tabel 1: Indicatieve periode uit te voeren werkzaamheden. Groen: werkzaamheden kunnen uitgevoerd worden. Oranje: werkzaamheden mogen uitgevoerd worden mits geen broedgevallen aanwezig zijn.

SAB

31

Dec.

5.4.4

Nader onderzoek Uit de quick scan is naar voren gekomen dat de noordwestelijke bomenrij mogelijk dienst doet als belangrijke vliegroute voor vleermuizen. Negatieve effecten op vleermuizen zijn uit te sluiten als de bebouwing op minimaal 10 meter afstand van deze bomenrij komt te staan en als geen verlichting toegepast wordt op de bomenrij (vooral de kroon van de bomen). Aangezien er rondom de bomenrij een extra groenstrook wordt gerealiseerd, is in dit geval nader onderzoek niet noodzakelijk.

5.4.5

Aanbevelingen Naast de consequenties die voortkomen uit de Flora- en faunawet is ook een aantal vrijblijvende aanbevelingen te doen ten aanzien van de inrichting van het plangebied, zoals: − voor vleermuizen zouden open stootvoegen aangebracht kunnen worden in muren, of vleermuiskasten kunnen worden geplaatst in de spouw of tegen de muur op >2,5 meter hoogte in nieuw te bouwen woningen; − als er een zolder of vliering wordt aangelegd, zou deze niet helemaal geïsoleerd kunnen worden. Hierdoor wordt de zolder mogelijk een geschikt verblijf voor vleermuizen; − het planten van bomen en struwelen voor vogels en vleermuizen verdient aanbeveling. Het beste zijn, ecologisch gezien, inheems bes- en bloemdragende struiken en planten; − er kunnen nestpannen of neststenen worden aangebracht ten behoeve van gierzwaluwen en Huismussen (vogelvide). Deze beschermde soorten verliezen steeds meer nestmogelijkheden.

5.4.6

Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig initiatief.

5.5

Water en bodem

5.5.1

Watertoets

5.5.1.1

Beleid Rijksbeleid - Nationaal Waterplan In december 2009 is het Nationaal Waterplan vastgesteld. Het Nationaal Waterplan is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande nota's waterhuishouding. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiervoor worden genomen.

SAB

32

Het projectgebied ligt in het gebied ‘Hoog Nederland’. Dit gebied omvat grofweg de zandgronden van Drenthe, Overijssel, Gelderland, Utrecht, Noord- Brabant en Limburg. Hoog Nederland is grotendeels vrij afwaterend, dat wil zeggen dat het water onder vrij verval naar de rivieren en de zee stroomt. Het gebied bevat enkele scheepvaartkanalen die door het rijk worden beheerd en daarnaast vooral regionale wateren in beheer bij de waterschappen. Kenmerkend voor dit deelgebied is de directe samenhang tussen het grond- en oppervlaktewatersysteem en de van nature meanderende beken met aangrenzende beekdalgronden die incidenteel in tijden van extreem natte perioden op natuurlijke wijze kunnen overstromen. De belangrijkste wateropgaven voor hoog Nederland zijn watertekort, grondwater, wateroverlast en waterkwaliteit. Provinciaal beleid - Waterplan Overijssel De Omgevingsvisie Overijssel 2009 bevat het provinciale waterbeleid en is daarmee ook het Regionaal Waterplan op basis van de nieuwe Waterwet (nu nog ‘plan voor de waterhuishouding’ op basis van de Wet op de Waterhuishouding). In de omgevingsvisie wordt het provinciale beleid geschetst voor de hele fysieke leefomgeving. Door deze integrale aanpak is een optimale afstemming van beleid gerealiseerd tussen water en ruimtelijke ordening.

Water is een dragende factor in het beleid in de Omgevingsvisie, doordat de laag van bodem, natuur en watersysteem de basis vormt van het ontwikkelingsperspectief. Binnen het waterbeheer kunnen verschillende functies worden onderscheiden voor oppervlaktewater en grondwater. Op basis van het provinciaal belang worden de functies benoemd, onderscheiden naar gebruiksfuncties en gebiedsfuncties. Daarbij wordt ook aangegeven welk gewicht deze functie heeft in de afweging met andere ruimtelijke gebiedsfuncties, zoals verstedelijking, infrastructuur, natuurontwikkeling, recreatie en dergelijke. Met het hanteren van een gedifferentieerde gewichtenset wordt op een genuanceerde wijze invulling gegeven aan het principe dat water een meer sturende rol moet vervullen in de ruimtelijke ontwikkeling. De functie landbouw geldt in de gebieden waar sprake is van “buitengebied, accent productie”. In deze gebieden is het landbouwkundig gebruik leidend voor het waterbeheer. Waar sprake is van veenweidegebieden of beekdalen wordt het peilbeheer afgestemd op het gebruik als grasland. Diepere ontwatering is niet toegestaan. Het waterbelang is dienend aan de landbouwfunctie. Voor de inrichting en de waterkwaliteit gelden de normen voor wateroverlast en de eisen vanuit de Kaderrichtlijn Water als ondergrens. Ontwikkelingen worden afgestemd op landbouw.

Er is een samenloop mogelijk met versterking van gebiedskenmerken en groen-blauwe dooradering, met name op de flanken van natuurgebieden. Verder zijn er mogelijkheden voor recreatie (vissen, wandelen, kanoën) en cultuurhistorie. Regionaal beleid – Waterschap Velt en Vecht De vigerende provinciale waterhuishoudingplannen van Overijssel en Drenthe geven de kaders voor de waterbeheerplannen. In deze kaders wordt bijvoorbeeld aangegeven wat de beoogde waterkwaliteit en functies van waterlopen is. In het waterplan zijn deze uitgangspunten meegenomen. Het waterschap Velt en Vecht is met de inliggende gemeenten uit haar beheersgebied in overleg over de invulling van de landelijke of regionale wateropgave, wat moet uitmonden in een Lokaal Bestuursakkkoord Noodretentie. De regionale wateropgave is de verantwoordelijkheid van het waterschap, maar de gemeente staat aan de lat voor de integrale ruimtelijke afweging en de planologische reservering. In dit waterplan zijn de voorlopige conclusies over de wateropgave voor noodretenties meegenomen. SAB

33

Gemeentelijk beleid – Waterplan Hardenberg Het waterplan van de gemeente Hardenberg (22 januari 2008) sluit geheel aan bij het gemeentelijke Meerjarenprogramma uit 2005 en de Visienota Buitengebied van 2006. Het water in Hardenberg staat niet op zichzelf. Het water (zowel aan het oppervlak als in de grond) is onderdeel van grotere watersystemen beginnend in Duitsland en eindigend in het Zwarte Water. Het is daarom van belang te weten welke knelpunten en kansen er op dit stroomgebiedniveau allemaal spelen en wat voor consequenties dit voor het watersysteem in Hardenberg heeft. De belangrijkste uitgangspunten van beleid bij deze uitvoering, zijn het niet afwentelen op benedenstroomse gebieden (bijvoorbeeld: het overtollig water mag in buurgemeenten niet tot extra problemen leiden) en het principe van water ‘vasthouden - bergen afvoeren’. Bij water gaat het niet alleen om de hoeveelheid water maar ook om schoon water. Ook hiervoor geldt dat gemeente Hardenberg niet alleen in staat is om het water (weer) schoon te krijgen. Veel van de vervuiling in het water komt vanuit Duitsland en vanuit Drenthe naar Hardenberg toe. Dit vraagt om internationale oplossingen. De gemeente Hardenberg draagt ook bij aan de watervervuiling en zal moeten bijdragen in het verminderen ervan. Een belangrijk uitgangspunt geeft richting om de waterkwaliteit te verbeteren.

Om water schoon te houden en krijgen, is de trits ‘schoonhouden - scheiden - zuiveren’ van belang. Dit betekent in de eerste plaats: wat schoon is moet schoon blijven. Indien dit niet mogelijk is, worden schone en vuile waterstromen van elkaar gescheiden. Water dat toch verontreinigd raakt, wordt gezuiverd. Zowel voor de waterkwantiteit als de waterkwaliteit is het uitgangspunt van beleid ‘waterbeheer afstemmen op functie’. Het waterbeheer in een gebied wordt hiermee afgestemd op de functie die het gebied heeft of gaat krijgen. Heeft het water een functie voor zwemwater dan zal de waterkwaliteit beter moeten zijn dan wanneer het water de functie van transport op water heeft. In het buitengebied is het waterbergend vermogen sterk vergroot en zijn de natuurwaarden langs watergangen versterkt, passend binnen de huidige functies van de gebieden. Waar mogelijk worden de gronden van particuliere terreinbeheerders ingezet voor waterretentie. Het grondwaterbeheer past bij de functie van het gebied. Recreatie in het buitengebied wordt gestimuleerd, in het bijzonder rondom de (toekomstige) zandwinputten bij Kloosterhaar. 5.5.1.2

Waterhuishouding plangebied Algemeen De watertoets is een vroegtijdig contact tussen initiatiefnemer en waterbeheerders bij planvorming. Zo vroeg mogelijk in de planvorming bepalen de initiatiefnemer en waterbeheerder gezamenlijk de inhoudelijke criteria waaraan een plan zal worden getoetst. De waterbeheerder denkt vervolgens mee bij de planontwikkeling, toetst het conceptplan aan de criteria en stelt een wateradvies op. In het definitieve plan geeft de initiatiefnemer aan welke keuzes ten aanzien van water zijn gemaakt en waarom. Bij de formele beoordeling van een plan door de provincie wordt zowel de inhoud als het proces van de watertoets betrokken.

SAB

34

Onderzoek Voor de ontwikkeling van het gehele gebied De Marke II door DHV B.V. een Waterstructuurplan6 opgesteld. De waterhuishouding voor het plangebied van fase 1 sluit aan bij de beoogde waterhuishouding voor het gehele gebied de Marke II. In het waterstructuurplan is allereerst de geohydrologische situatie in beeld gebracht. Hieruit blijkt kort samengevat dat: − de maaiveldhoogte gemiddeld ligt op 8,50 m +NAP; − ten noorden van het plangebied een watergang ligt met een zomerpeil van 6,12 m +NAP en een winterpeil van 6,00 m +NAP; − de bodem in het plangebied bestaat uit matig fijn, zwak siltig zand; − er op verschillende diepten leem- en veenlagen zijn aangetroffen (10 tot 30 cm dik); − de doorlatendheid van de verzadigde zone goed is met k-waarden van 2,6 tot 3,6 m/dag; − de voorkomende leem- en veenlagen matig tot slecht doorlatend zijn met kwaarden van 0,02 tot 0,8 m/dag; − de gemiddeld hoogste grondwaterstand ligt ongeveer op 7,70 m +NAP; − de gemiddeld laagste grondwaterstand ligt ongeveer op 6,50 m +NAP. Vervolgens zijn in een startoverleg met de gemeente Hardenberg en Waterschap Velt en Vecht diverse uitgangspunten en randvoorwaarden voor de waterhuishouding besproken. Om problemen met draagkracht, opvriezen en natte kruipruimtes te voorkomen, moet de ontwateringsdiepte voldoende zijn.

De ontwateringsdiepte is het verschil in hoogte tussen het maaiveld en de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG). Afhankelijk van het gebruik moet er een minimale afstand zitten tussen het maaiveldniveau en de GHG. DHV adviseert om de ontwateringseisen in navolgende tabel te hanteren voor de verschillende gebruiksfuncties.

Ontwateringseisen

6

DHV, 2010

DHV B.V. (mei 2010), Waterstructuurplan De Marke II, Mariënberg.

SAB

35

Op basis van een GHG van 7,70 m +NAP kan geconcludeerd worden dat in een gedeelte van het plangebied niet wordt voldaan aan de ontwateringseisen. Om voldoende ontwateringsdiepte te realiseren voor wegen moet het terrein opgehoogd worden tot 8,50 m +NAP. Het vloerpeil van woningen komt 0,3 m hoger te liggen, op 8,80 m +NAP. Daarnaast verdient ook de omgang met hemelwater aandacht. Infiltratie van hemelwater is mogelijk als de doorlatendheid van de bodem groter is dan 0,5 m/dag. Uit de doorlatendheidsmetingen blijkt dat de doorlatendheid van de bodem ongeveer 3,0 m/dag is. Infiltratie van hemelwater is dus goed mogelijk in het plangebied. Wel moet rekening worden gehouden met de slecht doorlatende veen- en leemlagen. Deze moeten worden doorbroken om de infiltrerende werking van infiltratievoorzieningen te waarborgen. In de huidige situatie staat de watergang ten noorden van het plangebied in droge periodes droog. Het is daarom niet goed mogelijk om oppervlaktewater te realiseren dat altijd watervoerend is. In het stedenbouwkundig ontwerp is centraal in het plangebied ruimte opgenomen voor waterberging. Doordat het watervoerend houden van oppervlaktewater in het plangebied niet goed mogelijk is, is er voor gekozen om waterberging te realiseren in een wadi. Met beide waterbergingslocaties wordt voor de eerste fase zeker voldaan aan de waterbergingsopgave.

Voor de tweede fase kan naar verwachting grotendeels gebruik worden gemaakt van de centrale waterberging/wadi. Door de korte afstanden tot de wadi’s (maximaal 100 meter) is het in het grootste gedeelte van het plangebied goed mogelijk om hemelwater bovengronds af te voeren. Door het wegpeil bij de wadi aan te leggen op 8,50 m +NAP en de randen van het gebied op 8,80 m+NAP aan te leggen, wordt er voldoende verhang gerealiseerd om hemelwater bovengronds af te voeren. Doordat het plangebied grenst aan de Tweede Elsweg, kan het gedeelte van het plangebied dat grenst aan deze weg niet bovengronds afvoeren richting de wadi’s. Dit gedeelte van het plangebied kan hemelwater afvoeren richting een IT-riool dat wordt aangelegd ter vervanging van de greppel langs de Tweede Elsweg. Dit IT-riool voert af richting de wadi die centraal ligt in het plangebied. Hierdoor kan tevens hemelwater van De Marke I (dat afstroomt op de greppel) worden afgevoerd richting de centraal gelegen wadi. De afbeelding in deze paragraaf laat de afvoerstructuur voor hemelwater zien.

SAB

36

Afvoer hemelwater

bron: DHV 2010

De wadi’s in het plangebied moeten groot genoeg zijn om 1.450 m³ hemelwater te kunnen bergen (bergingsberekening waterschap). De centraal gelegen wadi heeft een lengte van 125 meter en een bovenbreedte van 10 meter en wordt voorzien van een grindkoffer. Uit berekeningen door het waterschap met het programma Gronam blijkt dat hierin 1.200 m³ geborgen kan worden gedurende de 8-daagse Velt en Vecht bui (T=100+20%). De overige berging wordt in de noordelijke wadi gerealiseerd. Uitgaande van een gelijksoortige wadi als centraal in het plangebied wordt gerealiseerd, is circa 250 m² ruimte benodigd om de resterende 250 m³ hemelwater te kunnen bergen. Indien de wadi’s vol zijn kan nog 10 cm peilstijging op straat plaatsvinden. In totaal kan over 4.475 m² oppervlak (1.875 m² noordelijk en 2.600 m² centraal) 10 cm peilstijging plaatsvinden. Dit betekent dat er eventueel ook nog 448 m³ water geborgen kan worden op straat. Daarnaast dient ook het afvalwatersysteem op een juiste manier ingericht te worden. In de Tweede Elsweg ligt momenteel een gemengd riool dat onder vrijverval afvoert op een gemaal nabij de spoorbaan. Het DWA-riool van de Marke II kan onder vrijverval afvoeren op dit gemengde stelsel. De aansluiting op het gemengde stelsel kan plaats vinden op putnummer 000075, met een bob-hoogte van 6,25 m +NAP. De langste leiding (donkerrood in onderstaande figuur) is 320 meter lang.

Het maaiveldniveau ter plaatse van de eindstreng moet daarom minimaal op 8,71 m +NAP liggen (6,25+0,94+1,2+0,315) om voldoende dekking te realiseren. SAB

37

Ter voorkoming van ontluchtingsproblemen dienen er bij de nadere uitwerking maatregelen getroffen te worden.

Structuur DWA-riool

bron: DHV, 2010

De in deze waterparagraaf genoemde hoeveelheden en berekeningen zijn gebaseerd op het totaal te ontwikkelen gebied van De Marke II. De ontwikkeling vindt plaats in twee fasen. Het nu voorliggende bestemmingsplan betreft de eerste fase en behelst ongeveer de helft van het totaal te ontwikkelen gebied. In de eerste fase worden de wadi’s aangelegd en daarmee tevens de berging voor de toekomstige tweede fase reeds gerealiseerd. 5.5.2

Bodemgesteldheid Algemeen Voordat een bestemmingsplan wordt vastgesteld, moet aangetoond zijn dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Onderzoek Tauw heeft in opdracht van de gemeente Hardenberg in april 2009 een verkennend bodemonderzoek7 uitgevoerd ten behoeve van de planontwikkeling van De Marke II, dit betreft zowel de eerste als tweede fase. Op de locatie zijn voor zover bekend geen bodemonderzoeken uitgevoerd. De onderzoekslocatie is in gebruik als bouwland. Aan de noordwestzijde ligt een boswal met een lengte van 170 meter en een breedte van 5 meter. Op het perceel ligt mogelijk een gedempte sloot van circa 170 meter lang.

7

Tauw bv (6 april 2009) Verkennend bodemonderzoek Tweede Elsweg te Mariënberg.

SAB

38

Bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn zintuiglijk geen waarnemingen gedaan die duiden op de aanwezigheid van bodemverontreiniging. Op het maaiveld en in het opgeboorde bodemmateriaal is visueel geen specifiek asbestverdacht materiaal waargenomen. Ook zijn er ter plaatse van de boswal visueel geen waarnemingen gedaan die duiden op het voorkomen van een bodemverontreiniging en zijn er ter plaatse van de gedempte sloot geen bodemvreemde materialen aangetroffen. Op de locatie van de gedempte sloot is sprake van gebiedseigen grond. In het mengmonster van de bovengrond (monsterpunten 30 tot en met 39) overschrijdt het gehalte van kobalt de achtergrondwaarde. De overig geanalyseerde parameters zijn gemeten in gehalten beneden de achtergrondwaarde en/of rapportagegrens. In de overige mengmonsters (bouwland, boswal en gedempte sloot) zijn geen van de geanalyseerde parameters aangetoond in gehalten boven de achtergrondwaarde en/of rapportagegrens. In het grondwater overschrijden de concentraties van navolgende parameters de streefwaarden: − barium, ter plaatse van peilbuizen 20 en 30; − koper, ter plaatse van peilbuizen 10 en 40 − molybdeen, ter plaatse van peilbuis 40; − nikkel, ter plaatse van peilbuizen 20 en 30; − zink, ter plaatse van peilbuis 20; − xyleen (som), ter plaatse van peilbuizen 30 en 40; − naftaleen, ter plaatse van peilbuis 20.

De overige geanalyseerde parameters zijn gemeten in concentraties beneden de streefwaarde en/of rapportage grens. Conclusie Op basis van de onderzoeksresultaten kan worden gesteld dat op de locatie enkele stoffen zijn aangetroffen, waarvan de concentraties de achtergrondwaarden of streefwaarden overschreden wordt. Deze gemeten concentraties zijn echter dusdanig gering verhoogd dat Tauw aangeeft dat er geen risico’s voor de mens of het milieu te verwachten zijn. Zodra in de grond toetsingswaarden worden overschreden is eventueel vrijkomende gronde niet meer onbeperkt voor hergebruikt geschikt. Bij afvoer van grond van de locatie kan het daarom noodzakelijk zijn een partijkeuring volgens de richtlijnen van het Besluit bodemkwaliteit uit te voeren. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig initiatief.

SAB

39

5.6

Archeologie Door ondertekening van het verdrag van Malta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van het cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Monumentenwet 1988 is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Archeologisch onderzoek zal moeten worden uitgevoerd indien sprake is van een hoge of middelhoge trefkans, of indien het plangebied niet is gekarteerd. Uit de archeologische kaart van de provincie Overijssel, blijkt dat het plangebied een middelhoge trefkans op archeologische heeft (zie bijgevoegd kaartbeeld). Volgens de provinciaal archeoloog is echter geen onderzoek noodzakelijk.

Provinciale archeologische verwachtingskaart bron: provincie Overijssel, 2010

Onderzoek De gemeenteraad van Hardenberg heeft op 30 juni 2009 het Beleidsplan archeologie 'Met het verleden stevig verankerd op de toekomst af' vastgesteld. De ontwikkellocatie is volgens de archeologische beleidskaart gelegen in een gebied met een lage verwachting. Dit betekent dat er geen archeologisch onderzoek verplicht wordt gesteld. Conclusie Voor het aspect archeologie wordt op grond van de lage verwachtingswaarde geen onderzoek uitgevoerd. De archeologische meldingsplicht blijft echter van kracht. Mochten er op de locatie alsnog archeologische sporen worden aangetroffen, dan dient dit onverwijld te worden gemeld bij het bevoegd gezag.

SAB

40

5.7

Externe veiligheid

5.7.1

Inleiding De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten (artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen en kinderopvang- en dagverblijven. Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10-6 als grenswaarde. Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt.

Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Een ongeval met 100 doden leidt tot meer ontwrichting, leed en emoties, dan een ongeval met 10 dodelijke slachtoffers. Aan de kans op een ramp met 100 doden wordt dan ook een grens gesteld, die een factor honderd lager ligt dan voor een ramp met 10 doden.

5.7.2

Externe veiligheid plangebied Stationaire bronnen in het plangebied Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken en lpgtankstations. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij huizen, ziekenhuizen, scholen of winkels. Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van bestemmingsplannen met externe veiligheid rekening te houden. Het besluit is - op enkele onderdelen na - op 27 oktober 2004 in werking getreden. Volgens de Risicokaart van de provincie Gelderland bevindt zich een stationaire bron, zoals bedoeld in het Bevi nabij het plangebied. Deze bevindt zich aan de Stationsweg 14. Hier bevindt zich een bovengrondse propaantank, met een 10-6 plaatsgebonden risicocontour van 40 meter. Op de navolgende afbeelding is het plangebied aangeduid met een blauwe stippellijn. De bovengrondse propaantank is weergegeven middels een rode stip. De 10-6 plaatsgebonden risicocontour van deze inrichting is aangeduid met een zwarte stippellijn.

SAB

41

Provinciale risicokaart

bron: Risicokaart.nl, 2010

Wegverkeer Bij de inventarisaties van Verkeer en Waterstaat ten behoeve van het op te stellen nieuwe ‘Basisnet Vervoer van Gevaarlijke Stoffen’ (BVGS), zijn rondom het plangebied vooralsnog geen knelpunten geïnventariseerd. Het BVGS is nog geen vastgesteld beleid. Desondanks is al aangesloten op dit beleid om in de toekomst te voldoen aan de wettelijke eisen. Het BVGS bepaalt voor alle hoofdverbindingen over de weg, het water en het spoor welk vervoer mag plaatsvinden en hoe de ruimte in de directe nabijheid mag worden gebruikt. Het basisnet maakt duidelijk over welke verbindingsassen het vervoer van gevaarlijke stoffen mag plaatsvinden en welke gevolgen dit heeft voor andere ruimtelijke functies (zoals wonen, werken en natuur) van een gebied. Op basis van de provinciale risicoatlas en het BVGS zijn er verder geen aanwijzingen dat het weggebruik van de wegen in de omgeving van het plangebied invloed heeft op het groepsrisico en de bestrijdbaarheid en beheersbaarheid van risico’s en de zelfredzaamheid van individuen in de omgeving bij uitvoering van het plan. Railverkeer In de nabijheid van het plangebied is een spoorlijn aanwezig, namelijk de spoorlijn Mariënberg - Emmen. De zuidelijk geplande woningen liggen op circa 100 meter van de spoorlijn en zijn hiermee gelegen binnen het invloedsgebied van het groepsrisico (200 m).

Voor het bestemmingsplan De Marke, vastgesteld 31 mei 2007 is een paragraaf externe veiligheid opgesteld (paragraaf 5.3). Op basis van de gegevens uit het Risicoregister Gevaarlijke Stoffen (RRGS) Transport en van de provinciale Risicokaart blijkt dat op het baanvak Mariënberg - Emmen de norm van het plaatsgebonden risico 10-6 niet wordt overschreden. Op basis hiervan is de conclusie dat sprake is van een aan-

SAB

42

vaardbaar risico en dat nieuwbouw van woningen mogelijk is. De afstand van de 10-6 plaatsgebonden risicocontour is kleiner dan 10 meter. Verder heeft de gemeentelijke brandweer een advies uitgebracht. Uit dit advies blijkt dat de toename van het groepsrisico met 60 bewoners binnen de oriënterende waarde van het groepsrisico valt. Tevens is gereageerd op de bereikbaarheid, doorrijdbreedte, bluswatervoorzieningen, zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid, waarschuwing alarmeringssysteem (WAS) voor het plangebied. De regionale brandweer heeft op 29 maart 2006 een advies uitgebracht op het bestemmingsplan De Marke. Met betrekking tot de woningbouw locatie De Marke II is een soortgelijk verhaal van toepassing. De omstandigheden met betrekking tot invulling van de locatie is identiek. Uit de overgelegde verkavelingstekening blijkt dat een strook van 30 meter tussen de spoorlijn en het plangebied (nieuwbouw woningen) onbebouwd blijft en het plasbrandaandachtsgebied van 30 meter dus niet verder in beschouwing behoeft te worden genomen. Dat is bij De Marke II en de invulling ervan niet aan de orde. Uit de beschikbare informatie van ProRail blijkt dat in de spoorplannen rekening wordt gehouden met 500 spoorketelwagentransporten van zogenaamde C3 vloeistoffen per jaar.

C3 vloeistoffen zijn (zeer) brandbare vloeistoffen als benzine, hexaan, heptaan, aardoliecondensaat over de lijn Emmen - Mariënberg. Verder vinden transporten over het spoor plaats van belang zijnde gevaarlijke stoffen. Uit berekeningen8 van de bestaande situatie en van de nieuwe situatie, inclusief De Marke II, blijkt dat er geen plaatsgebonden risico van 10-6, noch 10-7, noch 10-8 aanwezig is. De groepsrisicoberekeningen laten zien dat geen groepsrisicocontour kan worden berekend, en dus ook niet gepresenteerd. Overschrijding van de oriënterende waarde van het groepsrisico is daarom niet aan de orde. Het bovenstaande is reeds (2008) besproken met de preventiemedewerkster van de brandweer Hardenberg. De brandweer heeft destijds ook een advies uitgebracht voor een (onbelemmerende) bereikbaarheid, de beschikbaarheid van voldoende bluswaterpunten en sirenecommunicatie (WAS). Vaarwater In de nabijheid van het plangebied is geen vaarweg aanwezig. Dit aspect is dan ook niet nader beoordeeld. Gastransport- en buisleidingen In de nabijheid van het plangebied zijn geen gastransportleidingen of andere soorten buisleidingen gelegen. Dit aspect is dan ook niet nader beoordeeld. 5.7.3

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

8

Uitgevoerd door de gemeente Hardenberg met behulp van het programma RBM II.

SAB

43

5.8

Luchtkwaliteit Algemeen De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet Milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichts bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht worden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diversie regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Projecten die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de provincies c.q. regio’s waar overschrijdingen plaatsvinden. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt.

Projecten die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden, omdat deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 ųg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project ‘niet in betekende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is significant is ten opzichte van een etmaal. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval is bij een woning, school of sportterrein.

Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming: Substantiële uitbreiding of nieuwsvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan aan de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden. Onderzoek Voor onderhavig bestemmingsplan bestaat het voornemen om in onderhavig plangebied maximaal 32 woningen te realiseren. De ontwikkeling maakt onderdeel van een groter geheel, waar het gaat om de realisatie van in totaal circa 60 woningen. Het totaal aantal te realiseren woningen is kleiner dan 1.500. Volgens de ministeriële rege-

SAB

44

ling NIBM draagt een bouwplan van deze omvang niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Toetsing aan de grenswaarden is daarom niet noodzakelijk. Het plangebied ligt daarnaast niet binnen de onderzoekszones van 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een rijksweg. Volgens de criteria uit de Wet milieubeheer inzake luchtkwaliteitseisen kan er daardoor geen sprake van een gevoelige bestemming langs drukke infrastructuur. Toetsing aan de grenswaarden is daarom niet noodzakelijk. De regeling Beoordeling luchtkwaliteit 2007 geeft aan dat er bij onder andere bij een woning of een sportveld sprake van een significante blootstellingsduur. Om onacceptabele gezondheidsrisico’s uit te sluiten, is de lokale luchtkwaliteit onderzocht. De saneringstool bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van het ministerie van VROM maakt duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen in de peiljaren 2008, 2011, 2015 en 2020 in het plangebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s.

Op basis van voorgaande kan geconcludeerd worden dat zowel vanuit de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening de luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het onderhavige initiatief. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig initiatief.

SAB

45

5.9

Verkeer en parkeren

5.9.1

Verkeer Het plangebied wordt voor autoverkeer ontsloten op de aangrenzende Tweede Elsweg. Het ontsluitingsverkeer kan worden opgenomen in het heersende verkeersbeeld op deze weg.

5.9.2

Parkeren Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door de aard en omvang van de activiteit waarin het plan voorziet. Om de parkeerbehoefte te bepalen, is gebruik gemaakt van de kengetallen van het CROW9. Hierbij is onderzocht of sprake is van een toename van de parkeerbehoefte door het plan middels een vergelijking tussen de bestaande en nieuwe parkeerbehoefte. Bij de berekening van de bestaande parkeerbehoefte is uitgegaan van agrarisch bouwland waar geen functies kunnen worden gerealiseerd die een parkeerbehoefte creëren. De huidige parkeerbehoefte bedraagt derhalve 0 parkeerplaatsen. Op basis van de publicatie van het CROW ligt het plangebied in een niet-stedelijk gebied, met het gebiedstype ‘rest bebouwde kom’. Voor de vrijstaande en twee-onderéén-kap woningen is uitgegaan van dure woningen en voor de rijwoningen is uitgegaan van goedkope woningen. Op basis hiervan wordt een parkeernorm van 2 parkeerplaatsen per dure woning gehanteerd. Voor de rijwoningen wordt een parkeernorm van 1,7 parkeerplaats per woning aangehouden. Dit leidt tot de volgende behoefteraming: Woningtype en aantal 42 dubbele en vrijstaande woningen

Parkeernorm x 2 pp per woning

Parkeerbehoefte 82 parkeerplaatsen

14 rijwoningen Totaal, afgerond

x 1,7 pp per woning

23,8 parkeerplaatsen 106 parkeerplaatsen

Bij de dubbele en vrijstaande woningen wordt rekening gehouden met parkeerplaatsen op eigen erf. In het ontwerp is hierbij uitgegaan van 51 parkeerplaatsen op eigen terrein. In het toekomstig openbaar gebied is in het ontwerp rekening gehouden met 55 parkeerplaatsen. In totaal wordt met 106 parkeerplaatsen in het ontwerp rekening gehouden met de parkeerbehoefte. 5.9.3

Conclusie Het plan leidt niet tot een onevenredige aantasting van de parkeerbalans in de openbare ruimte of wijzigingen in de verkeersstructuur. De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

9

CROW, ‘publicatie 182, Parkeerkencijfers – basis voor parkeernormering’, 2007.

SAB

46

6

Economische uitvoerbaarheid Voorliggend bestemmingsplan maakt een bouwplan mogelijk, dat is benoemd in artikel 3.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betekent dat tegelijkertijd met dit bestemmingsplan een exploitatieplan moet worden vastgesteld. De gemeenteraad kan besluiten om géén exploitatieplan vast te stellen, onder andere indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins verzekerd is. De gemeente is de eigenaar van alle gronden in het plangebied. Voor de ontwikkeling van het plangebied is een grondexploitatie opgesteld. Deze berekening geeft inzicht in de kosten en opbrengsten met betrekking tot het bouw- en woonrijp maken, planontwikkeling, infrastructuur en de opbrengsten uit verkoop van bouwrijpe grond. De grondexploitatieberekening laat een budgetneutrale uitkomst zien. Alle met het plan samenhangende kosten worden gedekt door de uitgifte van de gronden. Exploitatiekosten worden via de gronduitgifte verhaald. Gezien het voorgaande wordt gesteld dat het verhaal van kosten van de grondexploitatie middels gronduitgifte anderszins is verzekerd. Er bestaan verder geen redenen om aan te nemen dat het bestemmingsplan economisch niet uitvoerbaar is.

SAB

47

7

Wijze van bestemmen

7.1

Algemeen

7.1.1

Wat is een bestemmingsplan? Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft uit te oefenen. Dit houdt in dat: 1. de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en 2. de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsbepalingen zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing en regels voor het verrichten van ‘werken’ (omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden). Een bestemmingsplan regelt derhalve: 1. het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen); en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: 2. het bebouwen van de gronden; 3. het verrichten van werken (aanleggen). Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument.

Andere ruimtelijke wetten en regels zoals de Woningwet, de Monumentenwet 1988, de Algemeen Plaatselijk Verordening, de Wet milieubeheer en de bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van ruimtelijk beleid. Over bestemmen en aanduiden Op de verbeelding is aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de regels zijn opgenomen. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen met behulp van een aanduiding nader worden ingevuld. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur, of een lettercode etc. Via een aanduiding is in de regels ‘iets’ geregeld. Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben.

SAB

48

7.1.2

Hoofdstukopbouw van de regels De regels zijn verdeeld over drie hoofdstukken: 1. Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). 2. Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en gebruiksregels opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels en gebruiksregels opgenomen die specifieker ingaan op bijvoorbeeld de bouwhoogte, situering van gebouwen en de toegestane functies. Aansluitend volgen afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. In een enkel geval worden ruimere mogelijkheden geboden door het toepassen van een wijzigingsbevoegdheid. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden.

Alleen zo ontstaat een volledig beeld te verkrijgen van hetgeen is geregeld. 3. Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Deze regels hebben betrekking op het gehele plan. Het betreffen onder andere algemene regels zoals een anti-dubbeltelregel en algemene gebruiksregels. 4 Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.

7.1.3

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Het doel van deze wet is om te komen tot een samenhangende beoordeling in één procedure van verschillende activiteiten die invloed hebben op de fysieke leefomgeving. De Wabo heeft tot gevolg dat verschillende vergunningen worden verleend in één besluit, de omgevingsvergunning. Ook de thans in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen vergunningen en ontheffingen vallen onder de Wabo. Voor het bestemmingsplan heeft dit gevolgen voor de gebruikte terminologie. Termen als ‘bouwvergunning’, ‘aanlegvergunning’, ‘sloopvergunning’ en ‘ontheffing’ zijn vervangen door ‘omgevingsvergunning ten behoeve van…’.

SAB

49

7.2

Dit bestemmingsplan Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.

7.2.1

Bijzonderheden in dit bestemmingsplan In dit bestemmingsplan zijn de bestemmingen Groen, Verkeer - Verblijfsgebied en Wonen opgenomen. De bestemming Groen is opgenomen voor groenstroken en de groene randen van het plangebied. In de groenstroken is waterberging mogelijk gemaakt. De voor Groen bestemde gronden mogen tevens worden gebruikt voor onder andere fiets- en voet paden en speelvoorzieningen. Ter plaatse van de aanduiding ‘ontsluiting’ zijn de gronden eveneens bestemd voor een ontsluiting in verband met onder andere de bereikbaarheid voor hulpdiensten. Hiermee wordt geanticipeerd op de toekomstige fase 2. Gebouwen zijn niet toegestaan. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde zoals terreinafscheidingen zijn wel toegestaan. In de regels is de bouwhoogte van dergelijke bouwwerken voorgeschreven. De bestemming Verkeer - Verblijfsgebied is opgenomen voor het (openbare) verblijfsgebied in het plangebied. Hierbinnen zijn onder andere voorzieningen voor de waterhuishouding en het parkeren, groenvoorzieningen en fiets- en voetpaden toegestaan. De gronden hebben echter hoofdzakelijk een functie zoals voor de ontsluiting van de aanliggende bestemmingen. Gebouwen zijn niet toegestaan. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde zoals verlichtingsarmaturen zijn wel toegestaan. In de regels is de bouwhoogte van dergelijke bouwwerken voorgeschreven.

De bestemming Wonen is opgenomen voor de beoogde woningen in het plangebied. Daarnaast zijn de gronden bestemd voor groenvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen. Binnen de woonfunctie zijn aan huis verbonden beroepen toegelaten voor zover de woonfunctie in overwegende mate blijft gehandhaafd. Aan het gebruik zijn enkele regels gekoppeld. Zo mag het gebruik mag geen ernstige hinder voor het woonmilieu opleveren, dan wel mag geen afbreuk doen aan het woonkarakter van de omringende woonomgeving. De nieuwe woningen (hoofdgebouwen) in het plangebied moeten binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken worden gebouwd. Binnen de bouwvlakken mogen de hoofdgebouwen de rooilijn niet overschrijden. In de begripsbepalingen van de regels is het begrip rooilijn in relatie in de situatie met nog te bouwen woningen en reeds bestaande woningen nader uitgelegd.

SAB

50

De rooilijn is de als zodanig vanwege burgemeester en wethouders in het terrein langs de wegzijde of voetpad aan te geven lijn, welke: a bij het ontbreken van bestaande bebouwing zoveel mogelijk op een gelijkmatige afstand evenwijdig aan de as van de weg of het voetpad is gelegen; de daarbij aan te houden gelijkmatige afstand wordt meten uit de kant van de weg en bedraagt ten minste 3 m, tenzij in het plan anders is aangegeven; b bij bestaande bebouwing zoveel mogelijk aansluit aan de ligging van de naar de weg gekeerde gevels van die bebouwing, tenzij in het plan anders is aangegeven. Maximaal twee woningen mogen aaneen worden gebouwd. Er gelden enkele uitzonderingen voor twee locaties waar alleen een vrijstaande woning mag worden gebouwd en waar meer dan 2 woningen aaneen mogen worden gebouwd. Op de verbeelding zijn deze gebieden aangeduid met respectievelijk de aanduiding ‘vrijstaand’ en ‘maximaal aaneen te bouwen wooneenheden’. De toegestane goot- en bouwhoogte is op de verbeelding aangegeven. Langs de Tweede Elsweg zijn, met uitzondering van een gebied ter plaatse van de kruising met de Stationsweg, woningen in één bouwlaag met kap beoogd.

De afstand van woningen tot de perceelsgrens bedraagt als volgt: − bij vrijstaande woningen ten minste 3 m; − bij twee-aaneengebouwde woningen aan één zijde ten minste 3 m − bij aaneengebouwde woningen 0 m aan de aangebouwde zijde van de woningen en 3 m aan de niet-aangebouwde zijde van de woningen. Bijgebouwen mogen worden gebouwd binnen het bouwvlak. De bouwhoogte bedraagt niet meer dan drie/vijfde van de bouwhoogte van het hoofdgebouw. Bijgebouwen worden minimaal 3 m achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdgebouw gebouwd. Deze regel is niet van toepassing op carports. Deze mogen in lijn met de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdgebouw worden gebouwd. De gezamenlijke oppervlakte, inclusief de oppervlakte van aan- en uitbouwen, die niet voldoen aan de eisen van het hoofdgebouw, bedraagt niet meer dan 60 m². Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen worden gerealiseerd, mits de bouwhoogte ten hoogste 3 meter bedraagt. De bouwhoogte van terreinafscheidingen voor de voorgevelrooilijn bedraagt ten hoogste 1 m en daarachter ten hoogste 2 meter, met dien verstande dat de bouwhoogte op zijerven die grenzen aan een openbare weg (niet zijnde een brandgang tussen twee gebouwen) of openbaar groengebied op een afstand van 1 meter of minder uit de perceelgrens ten hoogste 1 meter bedraagt. Het bebouwingspercentage van het bouwperceel bedraagt maximaal 50%.

7.2.2

Algemene regels Naast de bestemmingen bevat het plan een aantal algemene regels over bijvoorbeeld begrippen, de wijze van meten, algemene afwijkingen en overgangsrecht. Deze min of meer standaardregels in bestemmingsplannen worden hier verder niet toegelicht.

SAB

51

8 8.1

Inspraak en overleg Voorbereiding en inspraak Op grond van artikel 1.3.1, lid 1 van het Besluit ruimtelijke ordening is op 24 maart 2010 in het huis-aan-huisblad kennis gegeven van de voorbereiding van het bestemmingsplan.

8.2

Inspraak en overleg Ter inzage legging Het voorontwerpbestemmingsplan heeft vanaf donderdag 17 juni 2010 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. De inspraakmogelijkheid is bekendgemaakt in het huisaan-huis-blad de Toren van 16 juni 2010. Tijdens de inspraaktermijn konden ingezetenen en belanghebbenden schriftelijk dan wel mondeling zienswijzen naar voren brengen. Woensdag 28 juli 2010 was de laatste dag van de inspraaktermijn. Inloopbijeenkomst Op donderdag 1 juli 2010 heeft er een inloopbijeenkomst plaatsgevonden in ‘De Mariënberger’ te Mariënberg. Tijdens deze gelegenheid kon van het plan kennis worden genomen en konden er vragen worden gesteld. Verder was er voor belangstellenden een flyer over het plan, een procedureoverzicht en een model-inspraakformulier beschikbaar. Hiervan zijn ca. 8 exemplaren afgenomen. Naar schatting hebben zo'n 55 personen van deze bijeenkomst gebruik gemaakt. Wijzigingen in het plan De ontvangen reacties hebben geleid tot wijzigingen in het bestemmingsplan. In het inspraakverslag, dat als bijlage is toegevoegd, is per reactie aangegeven welke wijziging is doorgevoerd. Daarnaast is een aantal ambtshalve wijzigingen beschreven.

8.3

Zienswijzen In deze paragraaf of in een separate bijlage worden te zijner tijd de resultaten van de zienswijzen opgenomen.

SAB

52

Zitgraven 22

2.00

14.49

20

19

23

25.00

± 124 m²

m 60

²

11.00

15

±2

10.00

10.00

17

21

20

86

11.00

24.14 10.75

19 20.00

13

m² 20.00

± 249 m²

20 ±5

10.75

11

23.37

18

teen

Zitgrave

n

± 254 m²

m²

±2

23.01

7

Klops

±5

16.60

17

22.72

9

26.00

m² 11

16 15 14

5

6.00

2.00

2

Vuursteen

3 ±3

12 4.00

±

8

10

1m 33

8 15.10

4 22.84

6

7

²

² 2m

3

2

1

5

15.00

17.00

22.43

3

23.55

25.32

1

m²

7

s

Zitgrave n

32 ±4

Pijlspit

4

5

21.56

1 6.0

2

5 ± 400 m²

12

± 475 m²

14

6

Legenda

17.60

Tweede Elsweg

8

Uit te geven kavel + huisnummer

Uit te geven kavel + kavelnummer

Verkavelingsplan De Marke II, Mariënberg

http://www. hardenberg.nl/kavels/kavels-kaart

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11659778/1