CConstaterende datHardenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

Verzoek tot Instemming Gewijzigd WP Hardenberg (NAM)

gemeenteraad 12 maart 2024, gemeente HardenbergBij agendapunt: Adviesverzoek gewijzigd winningsplan Hardenberg15.428 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

7.3

Bodemdalingsvooruitzichten

Met de beschikbare gegevens over de ondergrond en het midden productiescenario zoals beschreven in dit winningsplan is een prognose voor de toekomstige bodemdaling ten gevolge van gaswinning uit het gasveld Hardenberg opgesteld. Naast de drukdaling in het gasveld kan er ook drukdaling ontstaan in de aangrenzende delen van de reservoirlaag die watervoerend zijn, de zogenaamde laterale aquifers, weergegeven in blauw in Figuur 7-6. Ook deze delen van de reservoirlaag zullen bij drukdaling gaan compacteren en daardoor bijdragen aan de bodemdaling. Voor de drukdaling in deze aquifers is aangenomen dat deze tijdens de productiefase de helft is van die van het gasveld. Na het beëindigen van de productie is aangenomen dat de druk van de aquifer gelijk is aan de druk van het gasveld. Dit effect is in Figuur 7-5 te zien door de sprong in bodemdaling na beëindiging van de productie, met name in punt 22B0003 linksonder in de figuur.

6

NAM (2017) Ensemble Based Subsidence application to the Ameland gas field – long term subsidence study part two (LTS-II) continued study, EP201710200509 (link) BODEMDALING

33

HARDENBERG

JULI 2023

De toekomstige bodemdaling als gevolg van winning uit het Hardenberg voorkomen is minder dan 2 cm. Daarom zijn er geen contourkaarten getoond van de nog te verwachten bodemdaling van het Hardenberg voorkomen. Figuur 7-6 laat de totale bodemdaling zien als gevolg van gaswinning uit alleen het gasveld Hardenberg vanaf de start van de winning tot 2100. Deze is minder dan 4 cm. De nog te verwachten bodemdaling als gevolg van gaswinning uit het gasveld Hardenberg is minder dan 2 cm aan het einde van de gasproductie.

Figuur 7-6: De totale bodemdaling door gaswinning uit alleen het gasveld Hardenberg in 2100. Tevens is in dit figuur ook het aquifer (blauwe gebied) ten westen van het gasveld getoond, zoals gebruikt in het bodemdalingsmodel.

De totale bodemdaling door winning uit zowel gasveld Hardenberg als omliggende velden in dit gebied na beëindiging van de productie in 2035, wordt weergegeven in Figuur 7-7. Figuur 7-8 laat de totale bodemdaling in 2100 zien, ruim na beëindiging van de winning. Hierin is te zien dat de totale bodemdaling door winning boven Hardenberg minder dan 6 cm zal zijn.

BODEMDALING

34

HARDENBERG

JULI 2023

Figuur 7-7: Voorspelling van de totale bodemdaling door gaswinning in 2035. De contourlijnen geven de bodemdaling in cm aan.

Figuur 7-8: Voorspelling van de totale bodemdaling door gaswinning in 2100. De contourlijnen geven de bodemdaling in cm aan.

BODEMDALING

35

HARDENBERG

JULI 2023

7.4 Onzekerheid in verwachte bodemdaling In winningsplannen wordt in de berekening van de onzekerheid van de bodemdalingsprognose rekening gehouden met zowel de compressibiliteit van het gesteente als de onzekerheid voor de drukdaling als gevolg van de verschillende productiescenario’s. Bijlage A van dit winningsplan geeft een overzicht van de kentallen die gebruikt zijn in de berekening van de mogelijke toekomstige bodemdaling. De verwachting is dat de toekomstige bodemdaling kleiner is dan 2 cm. Deze bijlage beschrijft ook de onzekerheidsanalyse voor deze bodemdalingsprognose. Bijlage A laat zien dat de bovengrens van de toekomstige bodemdaling veroorzaakt door de toekomstige productie uit het Hardenberg voorkomen ook maximaal 2 cm zal zijn.

7.5 Mogelijke gevolgen van de verwachte bodemdaling Bodemdaling door gaswinning manifesteert zich aan de oppervlakte in de vorm van een platte, zeer gelijkmatige schotel. Deze schotel veroorzaakt een zeer geringe helling van maximaal een paar centimeter over een kilometer afstand aan het maaiveld. Zoals in Bijlage A, Tabel A-1 is aangegeven, bedraagt de nog te verwachten bodemdaling door gaswinning uit de in dit winningsplan beschreven gasveld minder dan 2 cm over een periode van ongeveer 80 jaar. Bodemdaling is een geleidelijk en gelijkmatig proces. Hierdoor is de resulterende vervorming (zoals scheefstand, kromming en horizontale rek) van de bovengrond zeer klein. Om deze reden wordt er geen directe schade aan gebouwen/bouwwerken en infrastructuur verwacht. Ter onderbouwing van deze verwachting wordt verwezen naar “Studieresultaten betreffende ongelijkmatige zakkingen in verband met aardgaswinning in de provincie Groningen; een uitgave van de Commissie Bodemdaling door Aardgaswinning; maart 1987” en meer recente rapporten die mogelijke oorzaken van schade beschrijven boven de Norg UGS en Groningen. Genoemde rapporten bevestigen dit beeld7. Bodemdaling heeft mogelijk gevolgen voor het normale beheer en het onderhoud van waterkeringen en waterlopen.

Wanneer waterbeheer extra kosten met zich meebrengt als gevolg van door gasproductie veroorzaakte bodemdaling wordt die vergoed door de NAM.

7.6

Maatregelen om (gevolgen van) bodemdaling te voorkomen of te beperken

De nog te verwachten bodemdaling door de toekomstige gaswinning uit dit winningsplan is minder dan 2 cm over een periode van ongeveer 80 jaar. Dit is een zeer beperkte bodemdaling en derhalve worden geen maatregelen voorzien om bodemdaling te voorkomen dan wel te beperken. De toekomstige bodemdaling zal volgens het meetplan Zuidoost-Drenthe worden gemonitord.

7

Rapport diepe bodemdaling en stijging gepubliceerd (schadedoormijnbouw.nl) (link)

BODEMDALING

36

HARDENBERG

JULI 2023

8 BODEMTRILLING De seismische risicoanalyse laat zien dat het gasveld Hardenberg in risicocategorie I valt. Dit is de laagste categorie. Hieronder wordt uiteengezet hoe deze categorisering tot stand is gekomen en wat dit betekent in termen van reëel seismisch risico.

8.1 Hoe komen bevingen ten gevolge van gaswinning tot stand Als gevolg van de drukdaling in het gasveld treden in het reservoirgesteente spanningsveranderingen op. Spanningsverandering op een ondergrondse breuk kunnen leiden tot geïnduceerde bewegingen van het gesteente langs deze breuk. Wanneer deze beweging schoksgewijs plaatsvindt kan dit gevoeld worden als een aardbeving. De kans op een aardbeving in het gasveld Hardenberg hangt onder meer af van de hoeveelheid breuken, de drukdaling en de grootte en dikte van het reservoir.

8.2 Historische bevingen in het gasveld Hardenberg Boven het gasveld Hardenberg zijn tot nu toe geen bevingen geregistreerd.

8.3 Algemeen kader voor Seismische Risico Analyse In 2016 heeft SodM een tijdelijke richtlijn voor Seismische Risico Analyse (SRA) gepubliceerd8. De SRA gaat uit van het stappenschema zoals getoond in Figuur B-2. Bij het schema zijn twee parameters belangrijk: • De kans op een beving (M≥1) door olie- en gaswinning; • De theoretische “maximale bevingsmagnitude” (Mmax) als er een beving zou plaatsvinden. In deze seismische risicoanalyse wordt uitgegaan van de maximale drukdaling volgens het hoog productiescenario. Meer details over de berekening van deze parameters staan in bijlage B. Figuur 8-1 toont de positie van Hardenberg in de risicomatrix. Deze valt volgens de risicomatrix in risicocategorie I (laagste categorie). In de studie ‘Deterministische Hazard Analyse voor Geïnduceerde Seismiciteit (DHAIS) is onderzocht welke eigenschappen (geologische, productietechnische en geomechanische eigenschappen) van olie- en gasvoorkomens invloed hebben op het wel of niet optreden van aardbevingen. De DHAISuitkomst is één van de bepalende parameters in de SodM leidraad. In 2022 is deze studie geactualiseerd met de data tot en met 1 maart 20219. Deze actualisatie van de DHAIS-studie heeft ook invloed op de score van de kans op beven in de SodM leidraad. TNO heeft hiervoor een advies uitgebracht10 welke gevolgd is in dit winningsplan.

Methodiek voor risicoanalyse omtrent geïnduceerde bevingen door gaswinning tijdelijke leidraad voor adressering mbb. 24.1.p, versie 1.2, SodM, 1 februari 2016 9 TNO-rapport 2021 R10977, Roholl et al. Deterministische hazard analyse voor geïnduceerde seismiciteit (DHAIS), actualisatie 2021 (link) 10 Advies TNO DHAIS update 2021 en invloed op de leidraad SRA (link) 8

BODEMTRILLING

37

HARDENBERG

JULI 2023

Figuur 8-1: Seismisch risico gepresenteerd in de seismische risicomatrix.

Voor voorkomens in categorie I volstaat volgens de leidraad van SodM verdere monitoring met het KNMInetwerk.

8.4 Mogelijke gevolgen van bevingen ten gevolge van gaswinning (duiding van het risico) De praktijkervaring met olie- en gasproductie in Nederland over de afgelopen jaren leert dat lichte aardbevingen ten gevolge van olie- en gasproductie over het algemeen niet leiden tot schade. Toch kan de kans op schade aan bebouwing in de nabije omgeving van het epicentrum van een geïnduceerde aardbeving niet worden uitgesloten. Hierbij speelt zowel kwetsbaarheid van de bebouwing als de intensiteit van de beving een belangrijke rol. Al in 1998 heeft KNMI beschreven wat de te verwachten intensiteit is bij het optreden van een geïnduceerde aardbeving volgens de Europese Macroseismische Schaal. Deze analyse toonde (kwalitatief) aan dat in het ernstigste geval in de nabijheid van het voorkomen lichte, niet constructieve schade kan optreden aan meerdere gebouwen en matige schade (bedoeld wordt scheuren in muren tot constructieve schade in het uiterste geval) aan enkele gebouwen. Dit laatste wordt bevestigd door de resultaten van de seismische hazard studie van TNO-NITG11.

11

Wassing en Dost, 2012, TNO 2012 R11139 (link)

BODEMTRILLING

38

HARDENBERG

JULI 2023

De omvang van het gebied waar mogelijk schade kan optreden wordt bepaald door de magnitude, de diepte en de duur van de beving, de lokale grondsamenstelling, en aard en conditie van de bebouwing. Bij een beving die krachtig genoeg is om schade te veroorzaken is het aantal potentiële schadegevallen binnen dit gebied sterk afhankelijk van de dichtheid van bebouwing, terwijl de mate van schade (geen, lichte, matige) op een bepaalde afstand van het epicentrum in grote mate wordt bepaald door het type bebouwing, de staat van onderhoud en de lokale bodemgesteldheid. Deze afhankelijkheid wordt verder beschreven in een rapport van TNO12. Meer duiding over de mogelijke gevolgen van een beving wordt gegeven in het seismisch risicobeheersplan voor kleine velden dat te vinden is op de NAM-website13. Onderzoek uitgevoerd naar de mogelijke schade aan buisleidingen door potentiële aardbevingen (Deltares 2010, Schade aan buisleiding door aardbeving) toont aan dat mogelijke schade door geïnduceerde aardbevingen klein zal zijn (zowel in mogelijk aantal als ernst). Hoofdstuk 9 beschrijft de mogelijke effecten van bodemtrillingen op de natuur of het milieu.

8.5 Monitoring van bodemtrillingen Seismische monitoringstations (versnellingsmeters en boorgatstations) zijn geïnstalleerd boven en in de nabijheid van gasvelden en staan online in verbinding met het KNMI. Een boorgatstation bestaat uit een aantal geofoons die op verschillende dieptes onder het aardoppervlak zijn aangebracht. Geregistreerde aardbevingen worden automatisch vermeld op de website van KNMI. Na interpretatie van de gegevens door de specialisten van het KNMI kan een kleine aanpassing van de sterkte en/of locatie plaatsvinden. De locatiedrempel is een maat voor de gevoeligheid van het netwerk. Deze drempel geeft de laagste aardbevingsmagnitude waarbij de locatie van de beving nog bepaald kan worden, de beving is dan door ten minste 3 monitoringstations waargenomen. Voor het gasveld Hardenberg ligt de locatiedrempel lager dan magnitude 1,0 (Figuur 8-2). Hiermee wordt ruim voldaan aan de eis van M=1,5 volgens de leidraad.

12 13

Kalibratiestudie schade door aardbevingen (TNO-rapport, TNO-034-DTM-2009-04435, 11 november 2009) (link). NAM (2022) Seismisch risico voor “kleine velden” (link)

BODEMTRILLING

39

HARDENBERG

JULI 2023

Figuur 8-2: Overzicht van de locatiedrempel in Nederland (status mei 2021)14. De driehoeken geven de locaties aan van de boorgatstations en de sterren van de versnellingsmeters. De omgekeerde driehoeken tonen de breedbandstations.

8.6 Afhandeling van schade Bij het vermoeden van mijnbouwschade door gaswinning uit kleine velden kunnen particulieren en microondernemers zich vanaf 1 juli 2020 melden bij de Commissie Mijnbouwschade. Deze helpt de juiste route te volgen bij het melden van deze mogelijke schades. De Commissie Mijnbouwschade is benoemd door het ministerie van Economische Zaken en Klimaat, en werkt volgens het instellingsbesluit en het schadeprotocol. De commissieleden zijn volledig onafhankelijk en beoordelen de schademeldingen op basis van hun deskundigheid. De website van de Commissie Mijnbouwschade www.commissiemijnbouwschade.nl geeft aanvullende informatie. Het uitgangspunt van de Commissie Mijnbouwschade bij het behandelen van een schademelding is dat dit laagdrempelig, transparant en snel gebeurt. Om de schadeafhandeling eenvoudig te maken wordt in de praktijk de bewijslast van de schademelder overgenomen. De Commissie Mijnbouwschade doet onderzoek en geeft onafhankelijk en deskundig advies. De mijnbouwonderneming zal dit advies volgen en de toegekende schade die door mijnbouwactiviteiten is ontstaan vergoeden.

14

KNMI - Seismische meetstations

BODEMTRILLING

40

HARDENBERG

JULI 2023

8.7 Seismisch risicobeheersplan Het seismisch risicobeheersplan voor kleine velden is te vinden op de NAM-website15 en is van toepassing op het voorkomen beschreven in dit winningsplan. Hierin wordt uitgelegd welke acties er worden genomen indien bevingen worden waargenomen, waarbij gebruik wordt gemaakt van een “verkeerslichtsysteem”. De meest concrete actie die genoemd wordt is dat het veld wordt ingesloten wanneer een beving plaatsvindt met een magnitude die groter is dan 3.

15

NAM (2022) Seismisch risico voor “kleine velden” (link)

BODEMTRILLING

41

HARDENBERG

JULI 2023

9 OVERIGE OMGEVINGSASPECTEN Dit hoofdstuk beschrijft de effecten van de uitvoering van dit winningsplan op natuur en milieu.

9.1 Algemeen De winning van aardolie en aardgas kan bodembeweging tot gevolg hebben die zich kan uiten als bodemdaling aan het aardoppervlak of als bodemtrillingen. Daarnaast kunnen activiteiten op mijnbouwlocaties, zoals boringen of putonderhoud, leiden tot lichtuitstraling, geluidemissies en emissies naar de atmosfeer. De mogelijke gevolgen worden beoordeeld door het bevoegd gezag in het kader van andere vergunningen dan het winningsplan, zoals onderstaand in grote lijnen is weergegeven. In de tabel hieronder staat een overzicht van de algemene mogelijke gevolgen en in welke vergunningsprocedure(s) deze worden behandeld. Gevolgen m.b.t. Bodembeweging Bodem-/grondwaterverontreiniging Luchtverontreiniging (emissies) Oppervlaktewaterverontreiniging Externe veiligheid Natuur

Vergunningsprocedure Winningsplan Omgevingsvergunning milieu Omgevingsvergunning milieu Omgevingsvergunning milieu evt. watervergunning Omgevingsvergunning milieu Wet natuurbescherming

Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat bevordert op grond van artikel 34 lid 7 Mijnbouwwet een doelmatige en samenhangende besluitvorming ten aanzien van instemming met het winningsplan en een aantal overige besluiten, waaronder de besluiten zoals genoemd in bovenstaande tabel (zogenaamde coördinatieregeling). De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) regelt de omgevingsvergunning. De volgende vergunningen zijn verleend ten behoeve van de uitvoering van het vigerende winningsplan voor het gasveld Hardenberg en de verlenging ervan: Locatie Vergunning

Verleend Bodem/grondwater Emissies Oppervlaktewater Externe Veiligheid Natuur

Hardenberg-2 Wabo omgevingsvergunning DGETM-EM / 3102239 30 juli 2013 (revisie) ✓ ✓ ✓ ✓

Hardenberg-4 Wabo omgevingsvergunning DGETM-EM /13140378 15 augustus 2013 (revisie) ✓ ✓ ✓ ✓ n.v.t.

Collendoornerveen-1 Wabo omgevingsvergunning DGETM-EO/ 18094358 25 mei 2018 (revisie) ✓ ✓ ✓ ✓

Voor productielocaties Hardenberg-2 en Hardenberg-4 zoals genoemd in dit winningsplan zijn de benodigde vergunningen al verleend, zodat coördinatie met dit aangepast winningsplan niet meer aan de orde is. De bovengenoemde mogelijke gevolgen zijn al meegenomen in de respectievelijke vergunningsprocedures. Voor productielocatie Collendoornerveen-1 wordt een Wabo omgevingsvergunning aangevraagd ten behoeve van de boring en aansluiting op de bestaande infrastructuur en hier wordt in detail ingegaan op de mogelijke gevolgen zoals boven genoemd.

OVERIGE OMGEVINGSASPECTEN

42

HARDENBERG

JULI 2023

9.2 Effecten op natuur en milieu Mijnbouwactiviteiten kunnen effect hebben op beschermde natuurwaarden. Bescherming van natuurgebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming (Natura 2000) en provinciale verordeningen (Natuurnetwerk Nederland, NNN). Indien significante nadelige effecten door mijnbouwactiviteiten op beschermde natuurgebieden niet op voorhand kunnen worden uitgesloten, dienen deze “passend beoordeeld” te worden en dient vaak een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. In deze paragraaf wordt een overzicht gegeven van de beschermde natuurgebieden in de omgeving van het gasveld Hardenberg en de productielocaties zoals beschreven in dit plan. Verder wordt de reikwijdte van de beoordeling van effecten op (beschermde) natuurwaarden voor de beschreven mijnbouwactiviteiten nader toegelicht. Beschermde natuurgebieden Het dichtstbijzijnde gebied is het Natura 2000–gebied Vecht en Beneden Regge. Dit is ook onderdeel van Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het gebied (bestaande uit rivierengebied en hogere zandgronden) ligt op ongeveer 7 kilometer afstand van het gasveld Hardenberg en daarmee buiten de invloedssfeer van de gaswinning zoals beschreven in dit winningsplan (zie figuur 9.1).

Reikwijdte van de effectbeoordeling In deze effectbeoordeling wordt gekeken naar mogelijke indirecte negatieve effecten op (beschermde) natuurwaarden als gevolg van bodemdaling door gasproductie uit het genoemde gasveld. Directe effecten van bodemdaling op (beschermde) natuurwaarden zijn niet aan de orde omdat de activiteit plaatsvindt in de ondergrond. Mogelijke negatieve effecten op (beschermde) natuurwaarden als gevolg van bodemtrillingen worden niet verwacht. Het gasveld Hardenberg valt op basis van de uitgevoerde Seismische Risico Analyse in de laagste risicocategorie (zie hoofdstuk 8). De kans op nadelige meetbare effecten van bodemtrilling op de Natura-2000 gebieden wordt gezien de aard van de trillingen als verwaarloosbaar geacht. Effecten van bodemtrilling op natuur worden daarom niet nader beschouwd. Eventuele effecten op (beschermde) natuurwaarden als gevolg van voorgenomen bovengrondse activiteiten (zoals bijvoorbeeld de aanleg van productiefaciliteiten) worden beschouwd in relevante vergunningstrajecten, zoals die in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), en worden daarom in dit hoofdstuk buiten beschouwing gelaten (zie ook paragraaf 9.1 voor een overzicht van de vigerende omgevingsvergunningen).

OVERIGE OMGEVINGSASPECTEN

43

HARDENBERG

JULI 2023

Figuur 9-1: Regiokaart met plangebied winningsplan voor het Hardenberg voorkomen, inclusief dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (paars). Voor de volledigheid zijn ook voorkomens Hardenberg-Oost, Den Velde en Coevorden weergegeven.

Effecten op natuur en milieu vanwege bodemdaling Als gevolg van het winnen van gas uit de ondergrond kan inklinking van het reservoirgesteente optreden met bodemdaling tot gevolg. Verwachte bodemdaling De nog te verwachten bodemdaling als gevolg van gaswinning uit het gasveld Hardenberg is minder dan 2 cm aan het einde van de gasproductie (zie Hoofdstuk 7). Onderstaand Figuur 9-2 geeft de totale bodemdaling door gaswinning uit het gasveld Hardenberg aan.

OVERIGE OMGEVINGSASPECTEN

44

HARDENBERG

JULI 2023

Figuur 9-2: De totale bodemdaling door winning uit het gasveld Hardenberg in 2100. De contourlijn geeft de bodemdaling in cm aan.

In de praktijk treedt bodemdaling door gaswinning samen op met bodemdaling door gaswinning uit omliggende voorkomens. De voorspelde toekomstige bodemdaling door alle voorkomens samen is opgenomen in Figuur 9-3. Uitwerking toetsing Wet natuurbescherming Relevant voor de toetsing zijn mogelijke effecten op beschermde gebieden (gebiedsbescherming Wnb en NNN) en beschermde soorten (soortbescherming (Wnb art. 3.5, art. 3.10 en zorgplicht van de Wnb). De nog te verwachten bodemdaling als gevolg van gaswinning uit het gasveld Hardenberg zoals beschreven in dit Winningsplan bedraagt minder dan 2 centimeter. Deze zeer geringe bodemdaling zal mede gelet op het feit dat het Natura 2000 gebied Vecht en Beneden Regge op meerdere kilometers afstand van het gasveld ligt - niet van wezenlijke invloed zijn. Deze zeer geringe bodemdaling leidt zodoende (ook in cumulatie) in geen geval tot significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een significante vermindering van de oppervlakte van het NNN-gebied, of van de samenhang tussen de gebieden. Er hoeft geen NNN-toets/ “nee, tenzij” toets te worden uitgevoerd. Vervolgstappen zijn niet aan de orde. Daarnaast zal er vanwege deze zeer geringe bodemdaling geen sprake zijn van verstoring, verlies of beschadiging van leefgebied van beschermde soorten.

De gaswinning zal niet leiden tot wezenlijke verandering van de fysieke leefomgeving van beschermde soorten. Effecten als gevolg van de gaswinning op binnen het plangebied mogelijk voorkomende, al dan niet vrijgestelde, beschermde soorten zijn op OVERIGE OMGEVINGSASPECTEN

45

HARDENBERG

JULI 2023

voorhand uit te sluiten. Zodoende zijn geen vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming, onderdeel soortbescherming aan de orde en hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd.

Figuur 9-3: Voorspelling van de totale bodemdaling door gaswinning in 2100. De contourlijnen geven de bodemdaling in cm aan.

Bodem- / grondwaterverontreiniging NAM bouwt, onderhoudt en beheert haar installaties zo dat het risico op bodem/grondwaterverontreiniging verwaarloosbaar klein is. Het Activiteitenbesluit en de omgevingsvergunning bevatten regels hieromtrent die door NAM worden nageleefd. Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) ziet bovendien toe op naleving. Indien toch door een incident bodem-/grondwaterverontreiniging ontstaat, zal NAM deze verontreiniging saneren in het kader van de Wet bodembescherming. Gedeputeerde Staten van de provincie zijn hiervoor bevoegd gezag. NAM en de toezichthouders hanteren een strikt controlebeleid waardoor de kans op bodemverontreiniging zeer gering is. Gevaar voor de volksgezondheid door het optreden van incidenten is niet te verwachten. Nieuwe activiteiten in relatie tot Natuur en Milieueffecten Er zijn geen nieuwe activiteiten gepland die bovenstaande analyse kunnen veranderen.

OVERIGE OMGEVINGSASPECTEN

46

HARDENBERG

10

JULI 2023

VERKLARENDE WOORDENLIJST

Aquifer Cm Compactie

Compressibiliteit Depletie EZK GIIP GPS GWC Kern KNMI m RT Mb MER Mw NAM Nm3 Permeabiliteit

Porositeit RD coördinaat

SodM sm3 SRA TCBB TNO

VERKLARENDE WOORDENLIJST

Ondergronds, watervoerend deel van het reservoir. Dat kan naast en/of onder het gasvoerende deel gelegen zijn. Uniaxiale compactie-coëfficiënt; mate van samendrukbaarheid van het gesteente Het samendrukken van het reservoirgesteente als door productie de druk van de vloeistof in de poriën daalt, en onvoldoende tegenwicht geeft aan het gewicht van bovenliggende gesteenten. Samendrukbaarheid Drukdaling door het onttrekken van gas (of olie of water) uit reservoirgesteente Ministerie van Economische Zaken en Klimaat Volume gas initieel aanwezig in het voorkomen (in Nm3) Global Positioning System: systeem voor plaats- en hoogtebepaling met behulp van satellieten Gas-water contact diepte (in meter onder NAP) Gesteente uit de ondergrond verkregen bij het boren van een put Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut Diepte gemeten in m langs het boortraject, vanaf de boortafel (RT) Mijnbouwbesluit Milieu-Effect-Rapportage Mijnbouwwet Nederlandse Aardolie Maatschappij Gasvolume in kubieke meter bij 0 0C en 1.01325 bara De mate waarin een (poreuze) vaste stof een andere stof (gas of vloeistof) doorlaat. Indien een materiaal een andere stof niet doorlaat heet het materiaal voor die stof impermeabel. Verhouding tussen het poriënvolume en het totale volume van het gesteente. Coördinaten in het topografische kaartmateriaal zijn vermeld in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting (RD).

De auteursrechten en databankrechten zijn voorbehouden aan de Topografische Dienst Kadaster, Emmen, 2006 Staatstoezicht op de Mijnen Condensaat volume in kubieke meter bij 15 0C en 1.01325 bara Seismische Risico Analyse Technische Commissie Bodembeweging Nederlandse Organisatie voor ToegepastNatuurwetenschappelijk Onderzoek

47

HARDENBERG

JULI 2023

BIJLAGE A: BODEMDALING: DETAILS EN ACHTERGRONDEN Om een inschatting te maken van de onzekerheid over de toekomstige bodemdaling voor het voorkomen in dit winningsplan is de onzekerheid in de Cm (compressibiliteit) gecombineerd met de verschillende depletiewaarden (DP) die volgen uit de scenario’s voor de productievoorspellingen. Het compactiemodel dat in deze studies wordt gebruikt is het Rate Type Compaction Model (RTiCM, waarbij de i staat voor isotachen) van TNO16. Dit model is geïntroduceerd in de long term subsidence studie voor het Ameland veld, welke is goedgekeurd door SodM. Tevens wordt dit model ook door NAM toegepast in het Statusrapport 202017 voor alle gasvelden in Noord-Nederland. Boven het Ameland veld, maar ook boven andere velden wordt waargenomen dat de bodemdaling langzaam begint maar ook na-ijlt wanneer de productie stopt. Dit tijdseffect kan goed met het RTCiM model beschreven worden. Hieronder wordt meer uitleg gegeven over de drie belangrijkste parameters van dit model. In het begin van de winning, wanneer de compactie achterblijft bij de drukdaling en de bodemdaling langzaam verloopt, wordt de compactie beschreven door de lage Cm factor (Cmd). Na verloop van tijd, waarbij tijd bepaald wordt door de b parameter, verloopt de daling sneller en volgt de hogere Cm factor (Cmref). Deze overgang gaat echter geleidelijk.

Na het einde van de productie kan de bodemdaling nog jaren doorgaan, wederom afhankelijk van diezelfde b factor. De waarden die gebruikt zijn in de bepaling van de onder- en bovengrens voor de toekomstige bodemdaling worden in Tabel A-1, Tabel A-2 en Tabel A-3 weergegeven. Het historische en mogelijke scenario’s voor het toekomstige drukverloop worden gepresenteerd in Tabel A-4. De op deze manier berekende bodemdalingsonzekerheid is weergegeven in Tabel A-1. De onzekerheid in de compressibiliteit is met het RTCiM model berekend door verschillende combinaties van RTCiM parameters te kiezen die passen bij de spreiding en onzekerheid van de metingen. De parameters voor de ondergrens zijn bepaald voor het scenario waarbij een lineair model, zoals in het vorig winningsplan, wordt gemodelleerd. De bovengrens is gemodelleerd met een scenario waarbij de b-factor relatief hoog is waardoor er veel na-ijling in de toekomst plaats zal vinden. De tijdseries, getoond in Figuur 7-5, laten zien dat bodemdaling in de verschillende scenario’s niet ver uiteenloopt. De totale bandbreedte tussen het midden en laag/hoog scenario bedraagt maximaal 2 cm.

16

Pruiksma, J.P. & Breunese, J.N. & Thienen-Visser, Karin & De Waal, Hans. (2015). Isotach formulation of the rate type compaction model for sandstone. International Journal of Rock Mechanics and Mining Sciences. 78. 127132. 10.1016/j.ijrmms.2015.06.002. 17 NAM (2020) Bodemdaling door Aardgaswinning, NAM-gasvelden in Groningen, Friesland en het noorden van Drenthe. EP202011201629 (link).

BIJLAGE A: BODEMDALING DETAILS EN ACHTERGRONDEN

48

HARDENBERG

JULI 2023

Tabel A-1: Onzekerheid van de bodemdalingsprognose in het diepste punt voor de verschillende productiescenario's.

L - M- H

L - M- H

L - M- H

0,15 - 0,66 - 0,85

0,15 - 0,17 - 0,20

0,01 - 0,045 - 0,046

Bovengrens voor de nog te verwachten bodemdaling in diepste punt (cm)

30

Nog te verwachten bodemdaling in diepste punt (cm)

20

b [-]

Hoog productie scenario [bar]

2

Cmd (10-5 bar-1)

Midden productie scenario [bar]

Hardenberg DC

Onzekerheid toekomstige bodemdaling

Cmref (10-5 bar-1)

VOORKOMEN

Laag productie scenario [bar]

Onzekerheid Compressibiliteit

Ondergrens voor de nog te verwachten bodemdaling in diepste punt (cm)

Nog te verwachten drukdaling [BAR]

<2

<2

<2

Voorkomen

Diepte veld [m TVNAP]

Reservoirdikte 18 [m]

Initiële druk [bar]

Huidige druk 19 [bar]

Einddruk [bar]

Rigid basement [m]

Poissons ratio [-]

Tabel A-2: Invoer gebruikt voor de bodemdalingsprognose.

Hardenberg DC

2595

78

306

42

21

5000

0,2

Tabel A-3: Invoer gebruikt voor de bodemdalingsprognoses. Parameter Waarde Reference Stress Rate 3,16 10-4 bar/jaar Dichtheid gesteente bovenliggende lagen 2200 kg/m3 Effectieve Reference Stress op 2595 m 254 bar

De effectieve reference stress wordt berekend met de formule: Effectieve Reference Stress (bar) = [Dichtheid*9,81*Diepte veld]/100000 – Initiële druk [bar].

De gebruikte reservoirdikte voor de bodemdalingsberekening is de depleterende dikte van zowel het gasals het bodemwatergedeelte. 19 De huidige druk en de einddruk zijn de reservoirdrukken in het gasgedeelte van het reservoir. De getallen tussen haakjes geven de gemiddelde reservoirdruk waarbij de drukken in het laterale en onderliggende aquifer (die minder depleteren) zijn meegenomen. 18

BIJLAGE A: BODEMDALING DETAILS EN ACHTERGRONDEN

49

HARDENBERG

JULI 2023

Tabel A-4: Drukdata gebruikt voor de bodemdalingsprognoses van 1975 tot 2022 (historisch) en 2023 tot 2035. Druk per jaar 1975-2022

Gemiddelde druk per scenario 2023-2035 [bar]

jaar

Druk [bar]

jaar

Laag

basis

hoog

1975 1976 1977 1978 1979 1980 1981 1982 1983 1984 1985 1986 1987 1988 1989 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022

306 298 292 288 283 279 274 271 267 264 261 258 255 253 251 248 236 222 201 186 174 164 154 145 136 128 118 109 101 96 91 84 77 73 69 65 63 60 57 55 53 51 49 47 46 45 43 42

2023 2024 2025 2026 2027 2028 2029 2030 2031 2032 2033 2034 2035

41 40 40 40 39 39 39 39 39 39 39 39 39

41 40 35 30 27 24 23 22 21 21 21 21 21

41 39 34 29 25 20 16 14 13 12 11 11 11

BIJLAGE A: BODEMDALING DETAILS EN ACHTERGRONDEN

50

HARDENBERG

JULI 2023

BIJLAGE B: SEISMISCHE RISICO ANALYSE: DETAILS EN ACHTERGRONDEN B.1 Seismische Risico Analyse: introductie De winning van aardgas gaat gepaard met een daling van de druk in de ondergrond met als gevolg een verandering van de gesteentespanningen. Deze verandering van spanning kan leiden tot plotselinge bewegingen langs bestaande breuken, waardoor mogelijk een lichte aardbeving kan plaatsvinden. In Nederland is/wordt door NAM uit ongeveer 80 olie- en gasvelden op het vasteland geproduceerd. Boven vijf velden zijn bevingen geregistreerd die ook duidelijk aan het oppervlak voelbaar waren (magnitude meer dan 2,0 op de schaal van Richter). In 2016 heeft SodM een tijdelijke richtlijn voor Seismische Risico Analyse (SRA) gepubliceerd20. De SRA gaat uit van het stappenschema zoals getoond in Figuur B-2. Bij het schema zijn twee parameters belangrijk: • De kans op een beving (M≥1) door olie- en gaswinning; • De theoretische “maximale bevingsmagnitude” (Mmax) als er een beving zou plaatsvinden. In deze seismische risicoanalyse wordt uitgegaan van de maximale drukdaling volgens het hoog productiescenario. Theoretisch kader seismische risicoanalyse volgens de leidraad Stap 1: In stap 1 worden alle voorkomens bekeken.

De voorkomens die direct in risicocategorie I (zeer laag seismisch risico) vallen zijn: • voorkomens die niet meer produceren • én voorkomens die niet seismisch actief zijn geweest en waarvoor de kans verwaarloosbaar is dat ze in de toekomst seismisch actief kunnen worden of waarvoor Mmax laag uitvalt (Mmax < 2,5). Voorkomens die niet aan deze criteria voldoen schuiven door naar stap 2. Stap 2: In deze stap worden alle producerende voorkomens bekeken die • seismisch actief zijn geweest • óf een niet verwaarloosbare kans op seismiciteit hebben en waarvoor de waarde voor Mmax ≥ 2,5 is. Stap 3: • In deze stap worden alleen de voorkomens die in Categorie III vallen verder bestudeerd. Voor deze voorkomens dient een Kwantitatieve Risico Analyse uitgevoerd te worden. Van alle in Nederland bekende voorkomens valt alleen het Groningen-gasveld in deze categorie. In stap 2 wordt op basis van een risicomatrix het risico van geïnduceerde aardbevingen verder gekwalificeerd. Figuur B-1 geeft een schematische weergave van de verschillende factoren die bepalen of een geïnduceerde beving kan resulteren in een sterke grondbeweging (de “invloedsfactoren ondergrond”) en de verschillende factoren die invloed hebben op de grootte van de mogelijke gevolgen (de “invloedsfactoren bovengrond”).

Methodiek voor risicoanalyse omtrent geïnduceerde bevingen door gaswinning tijdelijke leidraad voor adressering mbb. 24.1.p, versie 1.2, SodM, 1 februari 2016 20

BIJLAGE B: SEISMISCHE RISICO ANALYSE

51

HARDENBERG

JULI 2023

Figuur B-1: Links: Schematische weergave van de bedreigingen en gevolgen van geïnduceerde bevingen en de verschillende invloedsfactoren die daarbij een rol spelen (SodM, 2016). Rechts: De risicomatrix. De zwarte lijnen zijn lijnen van gelijk genormaliseerd risico. De verdeling in categorieën is gedaan op basis van 1/3 en 2/3 van het genormaliseerde risico (SodM, 2016).

In de risicomatrix-analyse worden de verschillende factoren zoveel mogelijk kwantitatief geanalyseerd en op basis van de uitkomst wordt per factor een score bepaald. De scores van de individuele factoren worden vervolgens opgeteld, zodat een totaalscore voor zowel de invloedsfactoren ondergrond als de invloedsfactoren bovengrond wordt verkregen. Deze scores worden genormaliseerd met het maximaal te behalen aantal punten voor ondergrond c.q. bovengrond en in de risicomatrix tegen elkaar uitgezet waarmee kwalitatief een risicocategorie wordt bepaald (Figuur B-1, rechts). De volgende invloedfactoren voor de ondergrond staan beschreven in de leidraad van SodM: Veld indicator (DHAIS) Deze methode beschrijft hoe de kans op het mogelijk optreden van een beving in een voorkomen kan worden berekend aan de hand van ondergrondse kenmerken. Deze kans moet gezien worden als een indicatie van de kans op een beving21 gedurende de productietijd van het veld en die bepaald is op basis van alle observaties van bevingen boven alle gasvelden in Nederland.

Realistisch sterkste beving (Mmax) Voor een theoretische inschatting van de sterkste beving zijn twee verschillende benaderingen genomen: • een bepaling van de compactie-energie die beschikbaar is in een producerend gasveld en kan leiden tot een beving; • een maat voor de mogelijke bevingsmagnitude als de langste breuk in het producerende veld in zijn geheel in één keer in beweging zou komen.

Methode [1] resulteert doorgaans in lagere waardes voor Mmax dan methode [2]. Dit kan erop wijzen dat de totale hoeveelheid beschikbare energie die tot een aardbeving kan leiden waarschijnlijk niet voldoende is om de grootste breuken in een veld in één keer in beweging te brengen. In een recent onderzoek22 heeft TNO gekeken of de Realistisch sterkste beving ooit waargenomen is boven een gasveld. Dit is niet het geval. Voor de seismische actieve velden ligt de waargenomen maximale magnitude in de meeste gevallen een magnitude punt lager en in enkele gevallen een halve magnitude punt lager dan de ingeschatte Mmax.

21

De magnitude van een mogelijke beving ligt tussen de 1,5 en de magnitude voor de realistische sterkste beving, waarbij de kans logaritmisch afneemt met de magnitude. 22 TNO-rapport 2021 R10977, Roholl et al. Deterministische hazard analyse voor geïnduceerde seismiciteit (DHAIS), actualisatie 2021 (http://www.nlog.nl/sites/default/files/2022-07/tno2021_r10977_jr_rapport_dhais_18022022_redacted.pdf) BIJLAGE B: SEISMISCHE RISICO ANALYSE

52

HARDENBERG

JULI 2023

Ligging van het voorkomen. In de SRA-methodiek (SodM, 2016) wordt op basis van observaties onderscheid gemaakt tussen velden ten noorden van de lijn Amsterdam - Arnhem en velden ten zuiden van deze lijn. Er is nog nooit een aardbeving door gaswinning waargenomen ten zuiden van deze lijn. Opslingering De ondiepe ondergrond kan een opslingering veroorzaken van de seismische golven en wordt daarom boven het veld gekarakteriseerd. Voor relatief slappe ondergrond (veen, klei) is dit effect groter dan voor relatief stevige ondergrond (zand). Het mogelijke gevolg van een beving wordt bepaald uit een analyse en score van de invloedfactoren bovengrond: bevolkingsdichtheid, industrie, speciale gebouwen, vitale infrastructuur en de aanwezigheid van dijken. Voor de bepaling van de bevolkingsdichtheid worden de CBS Statline data gebruikt; hierbij krijgt de categorie flats/appartementencomplexen extra aandacht in de uiteindelijke score; Industriële inrichtingen, speciale gebouwen en vitale infrastructuur en dijken worden in kaart gebracht m.b.v. de risicokaart. (http://www.risicokaart.nl/ voorgaande blijkt dat voorkomen(s) binnen een Winningsplan in risico categorie III vallen gaan deze door naar Stap 3.

B.2 Seismische Risico Analyse voor het Hardenberg voorkomen In stap 1 van de risicoanalyse wordt gekeken of het veld al gebeefd heeft of wat de kans op een mogelijke beving is gedurende de levensduur van het veld. Daarnaast wordt een inschatting gemaakt van de maximale magnitude. In Figuur B-2 staan voor Hardenberg de uitkomsten in groen voor de verschillende stappen. Details van de berekening worden verder besproken in deze bijlage.

BIJLAGE B: SEISMISCHE RISICO ANALYSE

53

HARDENBERG

JULI 2023

Figuur B-2: De verschillende stappen die doorlopen zijn voor Hardenberg om de risicocategorie te bepalen.

BIJLAGE B: SEISMISCHE RISICO ANALYSE

54

HARDENBERG

JULI 2023

Stap 1: Inschatten risicopotentieel voor het Hardenberg voorkomen In deze seismische risicoanalyse wordt uitgegaan van de maximale drukdaling volgens het hoog productiescenario. De kans op beven van een olie- of gasvoorkomen In de studie ‘Deterministische Hazard Analyse voor Geïnduceerde Seismiciteit (DHAIS)23 is onderzocht welke eigenschappen (geologische, productietechnische en geomechanische eigenschappen) van olie- en gasvoorkomens invloed hebben op het wel of niet optreden van aardbevingen. In 2022 is deze studie geactualiseerd met de data tot en met 1 maart 202124. Deze actualisatie van de DHAIS studie heeft ook invloed op de score van de kans op beven in de SodM leidraad. TNO heeft hiervoor een advies uitgebracht25 dat gevolgd is in dit winningsplan. Aan de hand van de volgende parameters van een olie- of gasvoorkomen wordt de kans op beven van dat voorkomen bepaald - DP/Pini: De ratio van drukval (DP) en initiële druk (Pini) in het reservoir; - 𝐸: de verhouding tussen de Young’s moduli (stijfheidsmoduli) van de afsluitende laag (“seal”) en het reservoirgesteente; 𝐸𝑠𝑒𝑎𝑙 𝐸= 𝐸𝑟𝑒𝑠𝑒𝑟𝑣𝑜𝑖𝑟 - 𝐵: een maat voor de breukdichtheid van het reservoir. ⁄

⁄

𝑏𝑟𝑒𝑢𝑘𝑜𝑝𝑝𝑒𝑟𝑣𝑙𝑎𝑘𝑡𝑒 3⁄2 𝑙 3 2 ∙ ℎ3⁄2 𝑙𝑏3 2 ∙ √ℎ 𝐵= = 𝑏 = 𝑏𝑟𝑢𝑡𝑜𝑔𝑒𝑠𝑡𝑒𝑒𝑛𝑡𝑒𝑣𝑜𝑙𝑢𝑚𝑒 𝐴∙ℎ 𝐴

Waarbij: • 𝑙𝑏 = De totale breuklengte van de intra reservoir breuken en de randbreuken van het voorkomen in meters; • ℎ = De maximale dikte van de olie/gaskolom van het voorkomen in meters; • 𝐴 = De oppervlakte van het voorkomen gemeten binnen de OWC/GWC-dieptecontour (in vierkante meters); De combinatie van de parameterwaarden geeft een kans op beven voor een bepaald voorkomen gedurende de productietijd.

De waarden die zijn gebruikt in de bepaling van de DHAIS-kans zijn gegeven in Tabel B-1.

23 TNO-rapport NITG 04-171-C. Van Eijs, 2004. Deterministische hazard analyse voor geïnduceerde seismiciteit.

24 TNO-rapport 2021 R10977, Roholl et al. Deterministische hazard analyse voor geïnduceerde seismiciteit (DHAIS), actualisatie 2021 25 Advies TNO DHAIS update 2021 en invloed op de leidraad SRA (link) BIJLAGE B: SEISMISCHE RISICO ANALYSE

55

HARDENBERG

JULI 2023

Tabel B-1: Invoergegevens voor de bepaling van de DHAIS en de DHAIS-kansen.

Reservoir dikte / gaskolom (m)26

Initiële druk hoog scenario (bar)

Totale drukdaling volgens het hoog productiescenario (bar)

78

306

295

Totale breuklengte (km)

Reservoir oppervlakte (km 2)

Maximale waargeno men aardbeving

Aantal aardbevingen per jaar

DHAIS E27

DHAIS B

DHAIS kans

18,7

16,5

geen

geen

2,82

1,37

26%

Realistisch sterkste beving Naast de kans op beven, wordt ook een theoretische waarde voor de “realistisch sterkste beving” (Mmax) bepaald. Er worden twee methoden gebruikt om de Mmax waarde te bepalen: op basis van breukgeometrie en op basis van energiebalans. In de Seismisch Risico Analyse leidraad worden beide methoden gebruikt. Voor de berekeningen van de Mmax is uitgegaan van de standaardwaarden voor de “stress drop” en “partitie coëfficiënt” die gegeven zijn in de leidraad (respectievelijk 5 MPa en 0,01). De veldspecifieke waarden die benodigd zijn voor de berekeningen en de uitkomsten voor de Mmax staan vermeld in Tabel B-2. Tabel B-2: Invoergegevens voor de bepaling van de Mmax, en de Mmax waarden volgens de twee methodes.

Langste breuklengte (km) 28

Poisson's ratio29

Breukhoogte (m)

Mmax energiebalans

Mmax breukslip

6,4

0,2

78

3,2

3,5

Stap 2: Risico matrix Voor het Hardenberg voorkomen is het nodig gebleken om de risicomatrix te gebruiken (“Stap 2” van de SRA). Voor elke factor die bepaald is voor de onder- en bovengrond wordt een score gegeven waarbij de som van de scores een positie geeft in de risicomatrix. In dit deel van de bijlage worden de figuren en tabellen getoond die gebruikt zijn om tot een risicobeoordeling te komen. Figuur B-1, Figuur B-2 en Figuur B-3 tonen de situaties voor respectievelijk “Bevolkingsdichtheid”, “Industriële inrichtingen”, “Speciale gebouwen en vitale infrastructuur” en ”Dijken”. Figuur B-4 toont de kaart van de grondsoorten in de ondiepe ondergrond om de mate van opslingering te bepalen. Voor de bevolkingsdichtheid is gekeken naar de gemiddelde dichtheid per buurt en per gemeente. De leidraad biedt de mogelijkheid om op beide manieren de gemiddelde dichtheid te bepalen binnen de bufferzone rondom het veld. Vanwege het verschil in oppervlakte tussen de wijken en de gemeentes zal het berekende gemiddelde binnen de buffer verschillend zijn. Bij de bepaling voor de score voor de bevolkingsdichtheid wordt uitgegaan van de maximumwaarde van de twee berekeningen. Beide berekeningen laten een waarde zien die kleiner is dan 250 per km2.

Voor de inschatting of er flats- en/of appartementencomplexen aanwezig zijn is gebruik gemaakt van de beschikbare gegevens uit de basisregistratie adressen en gebouwen (BAG). De risicomatrix is afgebeeld in Figuur 8-1.

Voor de DHAIS berekening wordt zowel de hoogte van de gaskolom als de totale reservoir dikte beschouwd. Het minimum van deze twee wordt gekozen voor de berekening van de “B” waarde zoals voorgeschreven door de DHAIS methodiek. 27 Young’s moduli ratio volgens TNO-rapport: Deterministische hazard analyse voor geïnduceerde Seismiciteit, NITG 04-171-C. Voor nieuwe velden wordt de ratio van een analoog veld met dezelfde reservoir seal combinatie gebruikt. 28 Langste breuklengte is aangegeven op de kaart in bijlage C met blauwe pijl. 29 Poisson’s ratio gebaseerd op gemiddelde waarde voor gecementeerde zandsteen op basis van kernplug metingen. 26

BIJLAGE B: SEISMISCHE RISICO ANALYSE

56

HARDENBERG

JULI 2023

Figuur B-1: Overzicht van de bevolkingsdichtheid boven het Hardenberg veld. De blauwe omtrek geeft de 5 km straal rond het Hardenberg veld aan die relevant is voor de SRA.

Figuur B-2: Overzicht van de industriële inrichtingen, ziekenhuizen, onderwijsinstellingen, tehuizen en publieksgebouwen boven het Hardenberg veld. De blauwe omtrek geeft de 5 km straal rond het Hardenberg veld aan die relevant is voor de SRA.

BIJLAGE B: SEISMISCHE RISICO ANALYSE

57

HARDENBERG

JULI 2023

Figuur B-3: Overzicht van dijken, waarbij de oranje lijnen de secundaire dijken aangeven. De blauwe omtrek geeft de 5 km straal rond het Hardenberg veld aan die relevant is voor de SRA.

Figuur B-4: Overzicht van de grondsoorten in de ondiepe ondergrond om de mate van opslingering te bepalen.

Uit de analyse op basis van bovenstaande figuren volgen de scores voor de verschillende factoren. Deze zijn weergegeven in Tabel B-3, inclusief onderbouwing en uitkomst. BIJLAGE B: SEISMISCHE RISICO ANALYSE

58

HARDENBERG

JULI 2023

Tabel B-3: Kwantitatieve evaluaties en daaruit voortkomende scores (C) voor de invloedsfactoren ondergrond (A) en bovengrond (B). A: invloedsfactoren ondergrond

B: invloedsfactoren bovengrond

Kans op beven of waargenomen bevingen

Magnitude

Ligging voorkomen

Opslingering

Genormaliseerde totaalscore ondergrond

Bevolkingsdichtheid

Industriële inrichtingen

Speciale gebouwen en vitale infrastructuur

Dijken

Genormaliseerde totaalscore bovengrond

Categorie

C: scores voor invloedsfactoren ondergrond en bovengrond

2

2

2

0

0,43

0

4

3

2

0,56

I

BIJLAGE B: SEISMISCHE RISICO ANALYSE

59

HARDENBERG

JULI 2023

BIJLAGE C: GEOLOGISCHE KAART

C-1: Kaart van de top van het Hardenberg gasveld, inclusief de breuken. De blauwe pijl geeft de langste breuk aan. Gasvelden Hardenberg-Oost, Den Velde West en Den Velde zijn geen onderdeel van dit winningsplan.

BIJLAGE C: GEOLOGISCHE KAART

60

HARDENBERG

JULI 2023

C-2: Geologische dwarsdoorsnede van het Hardenberg gasveld, zie Figuur C-1 voor de locatie van de doorsnede langs de lijn A - A’.

BIJLAGE C: GEOLOGISCHE KAART

61

HARDENBERG

JULI 2023

rkomen.

NEDERLANDSE AARDOLIE MAATSCHAPPIJ Postbus 28000, 9400 HH Assen Telefoon 0592 - 369100 Fax 0592 - 362200 E-mail informatie@nam.nl Twitter @NAMbv www.NAM.nl www.NAMplatform.nl

BIJLAGE C: GEOLOGISCHE KAART

62

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13858765/2