Toelichting Vaststellen bestemmingsplan “Buitengebied Hardenberg, Stobbenhaarweg 7 Radewijk en Fransenweg 1 Schuinesloot”
Tekst van het document
Dit vraagt om blijvende inspanningen en investeringen. De gemeente kan niet doorbouwen zoals het groot is geworden. Het gebruik van het platteland verandert. Dat vraagt om ontwikkeling van bebouwing die samengaat met ruimtelijke kwaliteit, landschap en natuur. Stad en land vullen elkaar steeds meer aan en houden elkaar in balans. Samen vertellen zij het verhaal van de functieverandering van het Hardenbergse platteland. Of-of-denken maakt plaats voor en-en-denken. De gemeente wil de kwaliteiten van het buitengebied versterken door stedelijke elementen aan te brengen. Tegelijkertijd blijft de gemeente werken aan het binnenstedelijk woon- en leefklimaat met vitale en bruisende centra in Hardenberg en Dedemsvaart. De gemeente Hardenberg staat niet op zichzelf. Sociale, maatschappelijke en economische relaties zijn steeds (boven)regionaler. Hardenberg wordt steeds afhankelijker van de omliggende regio’s. Omgekeerd geldt hetzelfde. De gemeente speelt daar op in. Per opgave kiest de gemeente het juiste schaalniveau voor de aanpak en samenwerking. De gemeente gaat ‘spelen met schalen’. De gemeente staat voor een nieuwe schaalsprong. Om deze schaalsprong te kunnen maken zijn vier uitgangspunten opgesteld. a. de groei vasthouden en doortrekken; b. kwaliteiten toevoegen wordt belangrijker; c. ruimte als troefkaart; d. bereikbaarheid en samenwerking als randvoorwaarden.
De groei vasthouden De gemeente blijft inzetten op groei van de economie en de werkgelegenheid. Hardenberg streeft naar een positieve arbeidsmarktbalans. Dit past bij onze positie als streekcentrum. De omvang en samenstelling van de beroepsbevolking geeft nu voldoende basis voor een compleet stedelijk voorzieningenniveau. Dat wil de gemeente in de toekomst ook zo houden. Een stabiele bevolkingsgroei is daarom een voorwaarde. Net als het behouden van de concurrerende economie. Volgens de prognoses groeit onze bevolking tot 2040. Tot 2050 groeit ook het aantal huishoudens, en daarmee de woningbehoefte. Terwijl de bevolking groeit, neemt de beroepsbevolking geleidelijk af door vergrijzing. Dit kan Hardenberg positief beïnvloeden bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Stobbenhaarweg 7 Radewijk en Fransenweg 1 Schuinesloot | PAGINA 30
door jonge gezinnen en startende huishoudens aan te trekken. Dit is gunstig voor de omvang van de beroepsbevolking en het voorzieningenniveau. De Regio Zwolle krijgt van het Rijk een groeiopgave van naar verwachting 40.000 tot 60.000 woningen in 2040. Hiervan kan en wil de gemeente in ieder geval 1.000 woningen voor haar rekening nemen. Kwaliteiten toevoegen wordt belangrijker Groei is geen doel op zich maar moet bijdragen aan welvaart en welzijn van onze inwoners. De gemeente bouwt bestaande kwaliteiten uit en voegt nieuwe toe aan de leefomgeving en economie. Zo wil de gemeente haar inwoners binden en vertrokken Hardenbergers verleiden om terug te keren. De gemeente schept een gunstig vestigingsklimaat voor nieuwe bedrijven. Nieuwbouw is hiervoor niet voldoende. Verbeteringen in het woon, leef- en werkklimaat werken als een vliegwiel voor de lokale welvaart en het welzijn van de inwoners. Dit noemt met brede welvaart. De brede welvaart wordt bereikt door in te spelen op de trends en ontwikkelingen die de samenleving beïnvloeden, zoals: klimaatontwikkelingen, energietransitie, transities in de landbouw, circulaire economie, aandacht voor voeding en levensstijl en demografische ontwikkelingen. Ruimte als troefkaart Ruimte is de troefkaart. In Hardenberg krijg je veel voor weinig. Er is kwaliteit van leven. De Brede Welvaartsindicator 2019 laat een hoge woontevredenheid zien.
Een kwaliteit die in Nederland steeds schaarser wordt. Hiermee onderscheiden we ons. Nu en in de toekomst. Dit doet Hardenberg door werk te maken van leefbaarheid: de gemeente versterkt landbouw en natuur; de gemeente verbeterd het leef- en woonmilieu (groen, water, schoon, veilig, ruimte); de gemeente zorgt voor een passend woningaanbod en versterkt de sociale samenhang; de gemeente houdt het voorzieningenniveau op peil. Bereikbaarheid en samenwerking als randvoorwaarden Hardenberg is de op één na grootste gemeente in zowel de regio Zwolle als de Dutch TechZone. Beide samenwerkingsverbanden zijn belangrijk om onze ambities en opgaven te realiseren. Vooral voor de bereikbaarheid en de economie. En daarmee ook voor onderwijs en scholing. Hardenberg moet daarom uitgroeien tot een netwerkgemeente bij uitstek. Dit vraagt om intensivering van de samenwerkingsrelaties, specifiek met de regio Zwolle. Goede bereikbaarheid is hierbij een belangrijke voorwaarde. De gemeente zet zich in voor snelle verbindingen met Twente en Zwolle. 3.3.1.3 Thema's De visie is vertaald in vier thema's voor ontwikkeling. Dit betreffen de volgende: 1. Hardenberg in balans: over de verscheidenheid van het landelijk gebied; 2. Hardenberg voor elkaar: over stedelijke ontwikkeling, een vitale samenleving en leefbare kernen; 3. Hardenberg knooppunt: over een vitale economie en goede bereikbaarheid; 4.
Hardenberg duurzaam: over de energietransitie, klimaatadaptatie en een circulaire economie. Binnen elk thema heeft de gemeente ambities en staat de gemeente voor opgaven. Samen vormen ze de agenda voor toekomstige samenwerkingen. In dit geval is met name het thema 'Hardenberg in balans' relevant, aangezien deze gaat over het landelijk gebied, waar het plangebied onderdeel van is. Hardenberg in Balans Ten aanzien van dit thema's heeft de gemeente zes ambities opgesteld, dit betreffen de volgende: 1. De gemeente houdt het landelijk gebied vitaal; bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Stobbenhaarweg 7 Radewijk en Fransenweg 1 Schuinesloot | PAGINA 31
2. De gemeente behoud en versterkt natuur en landschap, economie en samenleving: 3. De gemeente maakt ruimte voor klimaatadaptatie en de energietransitie met aandacht voor de kwaliteit, het gebruik en de waarden in het landelijk gebied; 4. De gemeente benaderd ontwikkelopgaven en vraagstukken gebiedsgericht; 5. De gemeente stimuleert nieuwe samenwerkingsvormen en strategische partnerschappen tussen ondernemers, onderzoek, onderwijs en overheden; 6. De gemeente zorgt voor passend hergebruik van vrijkomende agrarische bebouwing. 3.3.1.4 Opgaven per gebied De gemeente zet zich al lang in om ontwikkelingen in het buitengebied bij te laten dragen aan versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het beleid beschrijft daarom voor elk landschapstype de belangrijkste gebiedskenmerken en ontwikkelingsrichtingen. Bij het maken van dit beleid waren zowel bewoners als professionals betrokken. De resultaten zijn vastgelegd in Landschap-Identiteit-Kaarten (LIK’s). Deze vormen de natuurlijke onderlegger voor ontwikkelvisies voor verschillende deelgebieden. In dit geval ligt het plangebied in een gemengd gebied. Dit zijn de besloten heide- en veenontginningen en het brede beekdallandschap stroomopwaarts van Hardenberg. De gemeente geeft hier ruimte aan de landbouw. De gemeente maakt functietransformaties van vrijkomende agrarische bebouwing mogelijk.
De gemeente richt ook op behoud en aanvulling van passende landschapselementen zoals bosjes en singels. 3.3.1.5 Aandachtspunten voor natuurlijke en landschappelijke kwaliteiten De natuurlijke en landschappelijke kwaliteiten in het landelijk gebied blijven voortdurend aandacht vragen. Natuur en landschap staan onder druk, vanwege de energietransitie, klimaatmaatregelen en de transitie in de landbouw. Tegelijk vormen deze ontwikkelen juist een kans om bij te dragen aan de Landstad Hardenberg en de ‘regio van het gezonde leven’. In de dialoog ‘bouw je eigen buurt’ was de zorg voor een gezonde en groene leefomgeving een speerpunt. Een goede landschappelijke en ruimtelijke inpassing van vrijkomende agrarische bebouwing is hiervan een voorbeeld. De regeling ‘Erven met kwaliteit’ (voorheen rood-voor-rood) blijft hierbij het kader. Dit sluit aan bij de landelijke trend om meer ruimtelijke kwaliteit toe te voegen in de fysieke leefomgeving. Ruimtelijke kwaliteit ziet de gemeente als “datgene wat ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is”. De provincie gebruikt deze omschrijving ook. Ambities: De gemeente geeft een extra kwaliteitsimpuls aan de groene omgeving waarbij de verschillende landschappen herkenbaarder worden.
Gebiedsgerichte projecten versterken enerzijds de landschappelijke relaties en biodiversiteit in het landelijk gebied zelf en anderzijds de relatie tussen het landelijk gebied en de kernen. Dit overstijgt de huidige perceelsgerichte benadering. De gemeente zoekt naar nieuwe economische dragers in het landelijk gebied om gebiedsgerichte projecten te kunnen financieren. Een voorbeeld is het bieden van ruimte aan tweede woningen. De investeringsruimte die hiermee ontstaat zet de gemeente in voor kwaliteitsverbetering van de fysieke leefomgeving van het buitengebied. De gemeente onderzoekt hoe inkomsten uit grootschalige(r) toekomstige ontwikkelingen in het landelijk gebied kunnen inzetten voor de kwaliteit van de groene leefomgeving. Denk aan koppeling van geldstromen rond de energietransitie of klimaatadaptatie. Dit kunnen ook nieuwe economische dragers in het landelijk gebied worden. De gemeente stimuleert groenblauwe diensten ter ondersteuning van de gebiedsgerichte projecten. Deze dragen bij aan nieuwe kwaliteitsimpulsen voor de groene leefomgeving. Gebieden die voor extra kwaliteitsimpulsen in aanmerking komen is onder andere het bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Stobbenhaarweg 7 Radewijk en Fransenweg 1 Schuinesloot | PAGINA 32
gebied in Radewijk. Het gaat daarbij om het toevoegen van landschapselementen in de kleinschalige landschappen. 3.3.1.6 Toetsing van het initiatief aan de gemeentelijke omgevingsvisie 'Landstad Hardenberg' Deze ontwikkeling draagt bij aan de algemene ambitie van de gemeente kwaliteit toe te voegen. De sloop van vervallen gebouwen en realisatie van toekomstbestendige woningen wordt hier aan bijgedragen. Ten aanzien van het thema 'Hardenberg in Balans' geldt dat het initiatief bijdraagt aan het vitaal houden van het landelijk gebied en de versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Ook past het behouden en hergebruiken van één schuur aan de Fransenweg binnen het streven om vrijkomende agrarische bebouwing een passende functie te geven. Voor wat betreft de gebiedsgerichte opgaven geldt dat het gemengd gebied van Radewijk zich uitstekend leent voor functietransformaties van vrijkomende agrarische erven in combinatie met aanvullende passende landschapsmaatregelen. Het sluit hier naadloos op aan. Tot slot geldt voor de natuurlijke en landschappelijke kwaliteiten dat specifiek benoemd is dat het beleid 'Erven met kwaliteit' bijdraagt aan een versterking van deze kwaliteiten. Onderhavige ontwikkeling is daar een voorbeeld van. Ook worden woningen gezien als nieuwe economische dragers van het landelijk gebied.
Samenvattend wordt gesteld dat het initiatief past binnen de omgevingsvisie 'Landstad Hardenberg'. 3.3.2
Visienota Buitengebied Hardenberg
3.3.2.1 Algemeen De gemeente Hardenberg heeft de hoofdlijnen van het nieuwe ruimtelijke beleid voor het totale buitengebied van de gemeente Hardenberg geformuleerd in de 'Visienota Buitengebied Gemeente Hardenberg'. De nota richt zich vooral op de realisatie van ruimtelijke kwaliteiten in het buitengebied. De ruimtelijke visie zoals vastgelegd in de visienota heeft de basis gevormd voor de bestemmingsplannen “Buitengebied Hardenberg, Reestdal en Bergentheim-Zuid” en “Buitengebied Hardenberg”. De hoofddoelen van het ruimtelijk beleid zoals verwoord in de 'Visienota Buitengebied' zijn: Op een duurzame en efficiënte wijze ruimte scheppen voor de verschillende ruimtevragende functies; Het vergroten van de leefbaarheid van het platteland; Het vergroten van de ruimtelijke kwaliteit. Deze hoofddoelen zijn in de visienota als volgt vertaald: 1. een thematische benadering van het buitengebied (8 thema's); 2. een gebiedsgerichte benadering van het buitengebied; 3. uitgangspunt hierbij: de landschapstypen en de visuele landschapskenmerken; 4. een ontwikkelingsgerichte wijze van bestemmen. 3.3.2.2 Thematische benadering - visie voor wonen De visie voor de 8 thema's wordt hierna weergegeven, in dit geval is voor het thema 'wonen' van belang.
Het gemeentelijk beleid ten aanzien van het thema 'wonen' is gericht op: Behoud van een gevarieerd woningaanbod in het buitengebied, zowel qua inhoud van de woningen als qua verschijningsvorm; De afstemming van de maximale inhoudsmaat van woningen in het buitengebied op de gebiedskenmerken; Het bieden van ruime mogelijkheden voor inwoning; Het bieden van de mogelijkheid om aan vrijgekomen agrarische bedrijfsgebouwen een woonfunctie toe te kennen; waarbij ruimere mogelijkheden gelden naarmate meer oppervlakte aan landschapsontsierende bedrijfsgebouwen worden afgebroken; Het tegengaan van permanente bewoning van recreatiewoningen; Het bieden van ruimte voor opvulling van open gaten in bebouwingslinten met woningbouw of kleinschalige bedrijvigheid.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Stobbenhaarweg 7 Radewijk en Fransenweg 1 Schuinesloot | PAGINA 33
3.3.2.3 Gebiedsgerichte benadering - Collendoorn, Gramsbergen-Zuid, Radewijk Voor de locatie aan de Stobbenhaarweg 7 geldt dat deze valt binnen Radewijk. Hier gelden de landschapstypen Essen- en kampenlandschap en de heideontginning. Landschapskenmerken zijn onder andere kleinschalige elementen, eikenbomen en singels, kronkelende wegen, lichte glooiingen en verspreide bebouwing. Functioneel bestaat het gebied uit boerenbedrijven, wonen en bedrijvigheid. De ontwikkelingsrichting is gericht op wonen, verbrede landbouw en economie. In afbeelding 3.6 is een uitsnede van de visiekaart weergegeven, waarop de locatie met een gele ster is aangeduid.
Afbeelding 3.6: Uitsnede visiekaart Visienota Buitengebied (Bron: Gemeente Hardenberg) 3.3.2.4 Toetsing van het initiatief aan de Visienota Buitengebied Hardenberg Voor de ontwikkeling is een ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld, zodat de ontwikkeling op een adequate wijze wordt ingepast in het landschap. De omliggende gebiedskenmerken zijn hierbij leidend geweest. In deze toelichting wordt ook aangetoond dat de ontwikkeling geen belemmering met zich meebrengt voor omliggende functies en dat het milieubelang zorgvuldig is afgewogen. Met het initiatief wordt aangesloten bij het perspectief om op duurzaam en efficiënte wijze ruimte te scheppen voor de verschillende functies. Tevens wordt door sloop van vervallen bebouwing de leefbaarheid van het platteland vergroot. Tenslotte kan worden geconcludeerd dat de functie past binnen de ontwikkelingsrichting van gemengd gebied, met onder andere ruimte voor wonen. Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat dit bestemmingsplan in overeenstemming is met de 'Visienota Buitengebied gemeente Hardenberg'.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Stobbenhaarweg 7 Radewijk en Fransenweg 1 Schuinesloot | PAGINA 34
3.3.3
Beleidsnotitie Erven met kwaliteit
3.3.3.1 Inleiding De gemeente Hardenberg heeft in februari 2020 de beleidsnotitie 'Erven met kwaliteit' vastgesteld. Aanleiding voor het opstellen van deze notitie is de onlangs gehouden evaluatie van het rood voor rood beleid van de gemeente Hardenberg. Dit beleid dateert uit 2006 en is, na een eerste evaluatie in 2010, in het voorjaar van 2019 opnieuw geëvalueerd. Uitkomst van deze evaluatie is, dat het beleid niet meer goed aansluit bij de huidige praktijk. Daarom is besloten om het beleid te vervangen door nieuw beleid, met ruimere toepassingsmogelijkheden. De doelstelling van het beleid blijft echter onveranderd, namelijk de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied, door de sloop van landschapsontsierende gebouwen. 3.3.3.2 Gebiedsgerichte benadering Het bestemmingsplan Buitengebied (2014) kent een gebiedsgerichte benadering. De basis hiervoor is gelegd in de visienota Buitengebied. De gebiedsgerichte benadering houdt in, dat in het ruimtelijk beleid rekening wordt gehouden met de zes verschillende landschapstypen in de gemeente, te weten de open en besloten veenontginningen, de open en besloten heideontginningen, de essen en hoevenlandschappen en de beekdalen van de Vecht en de Reest. Per landschapstype verschillen de bouw- en ontwikkelingsmogelijkheden.
Zo zijn de grootschalige, open heide- en veenontginningslandschappen aangewezen als agrarische ontwikkelingsgebieden, omdat landbouw de functie is die het best bij de gebiedskenmerken past. In de kleinschaliger gebieden wordt daarnaast ook veel ruimte geboden voor andere functies, zoals wonen, natuur en recreatie. Het beleid kent een functionele gebiedsgerichte benadering. Dat wil zeggen dat in de gebieden die primair zijn aangewezen voor de landbouw zeer terughoudend wordt omgegaan met de toepassing van rood voor rood. Daar wordt de “nee, tenzij” benadering toegepast. Het gaat dan om de gebieden die in de visienota Buitengebied zijn aangewezen als agrarisch ontwikkelingsgebied, te weten: Bergentheim-Zuid, Dedemsvaart-Zuid, Slagharen-De Krim en Westerhuizingerveld. In de overige gebieden wordt de “ja, mits” benadering toegepast. Deze benadering houdt in dat in agrarische ontwikkelingsgebieden wel schuren als landschapsontsierend kunnen worden aangemerkt maar dat in deze gebieden geen nieuwe woningen worden toegestaan, vanwege de mogelijke belemmering voor de landbouwontwikkeling. 3.3.3.3 Landschapsontsierend Het belangrijkste uitgangspunt voor het bepalen van de landschapsontsierendheid van een gebouw is dat een erf niet op zichzelf staat, maar een eenheid vormt met het landschap.
De eenheid tussen het erf en zijn omgeving komt tot uiting in stedenbouwkundige opzet en de landschappelijk structuur van het gebied. (hoe gaat het erf op in zijn omgeving). Per landschapstype verschilt de stedenbouwkundige opzet en de landschappelijk structuur. Of een gebouw landschapsontsierend is, moet worden bezien in relatie tot de gebiedskenmerken (uit de LIK en de welstandsnota) en wordt bepaald door een aantal kenmerken, te weten: het volume; de vorm van het gebouw; het materiaalgebruik; het kleurgebruik; de uitstraling; de situering op het erf; de passendheid bij de overige bebouwing op het erf. Daarnaast kan een gebouw ook als landschapsontsierend worden aangemerkt als het geen
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Stobbenhaarweg 7 Radewijk en Fransenweg 1 Schuinesloot | PAGINA 35
(potentiële) gebruikswaarde meer heeft. Een gebouw waarvan aannemelijk is gemaakt dat het niet voor andere (economische) doeleinden geschikt is heeft namelijk geen gebruikswaarde, komt leeg te staan, verloedert en wordt daarmee vanzelf landschapsontsierend. 3.3.3.4 Sloop en aantal woningen Voor de toepassing van het beleid Erven met kwaliteit geldt het uitgangspunt dat per locatie alle landschapsontsierende gebouwen worden gesloopt en alle bijbehorende erfverhardingen, mestplaten, kuilvoersilo’s e.d. worden opgeruimd. Bij de berekening van de (minimaal) te slopen oppervlakte blijft per bestaande woning 150 m2 aan gebouwen en overkappingen buiten beschouwing, omdat deze oppervlakte als bij de woning behorend bouwwerk mag blijven staan of worden teruggebouwd en daarom niet blijvend wordt gesaneerd. Bebouwing waarop deze regeling van toepassing is, moet blijvend worden gesloopt. Dat houdt in dat de mogelijkheid tot herbouw wordt wegbestemd. Dat kan bijvoorbeeld door de agrarische bestemming, met bijbehorend bouwvlak om te zetten in een woonbestemming. Voor de inrichting van het erf moet een ruimtelijke kwaliteitsplan worden gemaakt. Het aantal woningen dat mag worden gebouwd is afhankelijk van de te slopen oppervlakte aan landschapsontsierende bebouwing. Hierbij gelden de volgende maatvoeringen.
3.3.3.5 Sloopbewijzen De gemeente gaat werken met sloopbewijzen, waarbij een sloopbewijs kan worden verkregen van minimaal 200 m2 met asbest en minimaal 300 m2 zonder asbest. Met de invoering van sloopbewijzen wordt het mogelijk om de te slopen landschapsontsierende gebouwen, meteen of op een later moment, in te brengen in een project waarvoor sloopcompensatie nodig is. De eigenaar van de schuren ontvangt een brief, wat geldt als sloopbewijs. Hierin wordt vastgelegd hoeveel oppervlakte in aanmerking komt voor inbreng in andere projecten. Het sloopbewijs is tien jaar geldig en is verhandelbaar. Voor het verkrijgen van een sloopbewijs gelden de volgende voorwaarden. 1. Het moet gaan om landschapsontsierende gebouwen; 2. De bebouwing is bestaand, danwel maximaal 6 maanden geleden gesloopt. Dit moet door de aanvrager worden aangetoond. 3. Als de aanvraag voor een sloopbewijs door een gemachtigde wordt ingevuld moet er bij de aanvraag een volmacht worden ingediend. 4. Bij de aanvraag moet een duidelijke situatietekening worden toegevoegd met daarop de gebouwen waarop de aanvraag betrekking heeft. Het gaat zowel om de gebouwen die gesloopt worden als de gebouwen die blijven staan. 5.
Eigenaren die een sloopbewijs ontvangen moeten ermee akkoord gaan dat hun contactgegevens door de gemeente beschikbaar worden gesteld aan partijen die op zoek zijn naar sloopmeters voor een ontwikkeltraject. Dit maakt het mogelijk vraag en aanbod met elkaar te verbinden. De gemeente gaat uiteraard zorgvuldig met deze gegevens om.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Stobbenhaarweg 7 Radewijk en Fransenweg 1 Schuinesloot | PAGINA 36
3.3.3.6 Locatie nieuwbouw Deze regeling gaat in de eerste plaats uit van de bouw van de nieuwe woning(en) op het eigen erf, dat wil zeggen op het erf van de slooplocatie. Dit uitgangspunt komt voort uit de gebiedsgerichte benadering: de slooplocatie en de ontwikkellocatie moeten zo dicht mogelijk bij elkaar liggen. De bouw van de compensatiewoning moet daarom bij voorkeur op het bestaande erf plaatsvinden en als dat niet lukt in hetzelfde gebied. Deze benadering is ook opgenomen in de structuurvisie Kwaliteitsimpuls landschap. Er zijn echter slooplocaties waar de inpassing van een nieuwe woningbouwkavel ter plekke niet mogelijk of gewenst is. Bijvoorbeeld door de ligging in een agrarisch ontwikkelingsgebied, de aanwezigheid van een agrarisch bedrijf in de directe omgeving of omdat het erf er zich, door zijn opbouw, niet voor leent. Daarnaast kan de eigenaar er zelf voor kiezen om af te zien van herbouw op de eigen locatie. In die gevallen kan elders in de gemeente een bouwlocatie worden toegekend, al dan niet via de uitgifte van een sloopbewijs. De gemeente wil voorkomen dat het buitengebied “dichtslibt” met woningen. Dat zou ten koste gaan van het groene karakter van het buitengebied. Daarom wordt het uitgangspunt gehanteerd dat nieuwe bouwkavels moeten aansluiten op bestaande bebouwing.
Daarmee wordt bedoeld: een locatie op een bestaand erf in het buitengebied, in lintbebouwing of in, danwel direct aan, een dorp of buurtschap. Om landschappelijke redenen zijn echter geen nieuwe erven gewenst in het beekdallandschap en het essen- en hoevenlandschap, daar kan dus alleen op bestaande erven worden gebouwd. De begrenzing van een bestaand erf wordt bepaald door de feitelijke situatie en niet door de juridische begrenzing van de (woon)bestemming. 3.3.3.7 Eén erf-gedachte Bij de erfinrichting hanteert de gemeente de één-erfgedachte. De één-erf-gedachte houdt in dat zowel de nieuwe inrichting van het erf als de nieuwe bebouwing op het erf bijdragen aan het behoud en zo mogelijk het versterken van de oude erfstructuur. Het karakter van het agrarische erf moet ook na functieverandering nog beleefbaar zijn. Vaak leidt de één-erfgedachte er toe dat er sprake is van één gezamenlijke inrit en van een centraal erf, van waaruit de verschillende woningen en bijgebouwen bereikbaar zijn, maar dat hoeft niet altijd het geval te zijn. Vanuit de één-erfgedachte moet in elk geval worden voorkomen dat er tussen de woningen schuttingen of gesloten hagen worden aangebracht, waardoor er visueel gescheiden erven ontstaan.
3.3.3.8 Toetsing van het initiatief aan de beleidsnotitie 'Erven met kwaliteit' In dit geval ligt één van de slooplocaties in het deelgebied 'Slagharen-De Krim, waar een 'nee-tenzij' benadering geldt voor de bouw van nieuwe woningen. Bij het bouwen van een compensatiewoning bestaat namelijk de kans dat omliggende agrarische bedrijven zouden kunnen worden benadeeld en dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning niet gegarandeerd kan worden. Het is hiermee logisch om beide compensatiewoningen te realiseren aan de Stobbenhaarweg 7 (de andere slooplocatie), waar een ja-mits benadering geldt. De te slopen schuren op beide locaties hebben geen gebruikswaarde en zijn daarmee als landschapsontsierend aan te merken. De totale oppervlakte van de te slopen schuren bedraagt 2.824 m2. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de sloopnorm voor twee woningen, die 2.000 m2 bedraagt. De overige sloopmeters worden vervat in een sloopbewijs en vallen buiten de scope van dit plan. Voor de inzetting van dit sloopbewijs is nog geen concreet plan. Het is daarnaast passend in het beleid om één schuur aan de Fransenweg 1 te Schuinesloot (360 m2) te behouden. De schuur heeft immers nog een gebruikswaarde. Bovendien past de schuur in de opzet van het erf en is de schuur reeds landschappelijk ingepast.
Ook qua materiaalgebruik (donkere, onopvallende kleuren), volume, situering op het erf (nabij de woning, achter de voorgevel) en uitstraling past de schuur op het erf. Behoud is daarmee gerechtvaardigd. bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Stobbenhaarweg 7 Radewijk en Fransenweg 1 Schuinesloot | PAGINA 37
De locatie van de compensatiewoningen liggen op een bestaand erf. De locatie is hiermee logisch en in lijn met het beleid omtrent de locatie van de nieuwbouw. Tot slot wordt gesteld dat met het ruimtelijk kwaliteitsplan nadrukkelijk rekening is gehouden met de één-erfgedachte. In paragraaf 2.2.1.4 is hier uitgebreid op ingegaan. Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de beleidsnotitie 'Erven met kwaliteit'. 3.3.4 LIK (Landschap Identiteit Kaart) en Ontwikkelingsvisie - Radewijk Hoogenweg - Bruchterveld - Sibculo 3.3.4.1 Inleiding De gemeente heeft voor het gebied een Landschap-Identiteit-Kaart (LIK) gemaakt. In de LIK wordt de identiteit van het gebied bepaald zoals de specifieke kenmerken en kwaliteiten. Op deze wijze wil de gemeente de ruimtelijke kwaliteit van het gebied versterken. Het plangebied ligt in het besloten heidenontginningslandschap. Dit is in afbeelding 3.7 weergegeven. Het plangebied is met de rode ster aangegeven.
Afbeelding 3.7: Uitsnede LIK (Bron: Gemeente Hardenberg) 3.3.4.2 Methodiek LIK's De gemeente Hardenberg wil regie voeren op de ontwikkeling van het landelijk gebied. Daarbij wil de gemeente een meer richtinggevende rol gaan innemen, gericht op het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Ruimtelijke kwaliteit is echter een breed begrip, dat deels subjectief van aard is. In de Visienota Buitengebied is dit gedefinieerd als “eigen identiteit”. De identiteit van het gebied komt voort uit de ontstaansgeschiedenis en de daarmee samenhangende landschapstypen. In de LIK is daarom een onderscheid gemaakt tussen de verschillende landschapstypen die in het gebied voorkomen. Deze landschapstypen zijn op een overzichtskaart opgenomen (zie de figuur 4.7). Vervolgens is voor het gebied een schema opgesteld, waarin een overzicht is opgenomen van de aanwezige waardevolle en storende kenmerken. Ook zijn de kansen of juist bedreigingen voor deze kenmerken omschreven. De schema's ten aanzien van de landschapstypen zijn opgenomen in het volledige LIK.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Stobbenhaarweg 7 Radewijk en Fransenweg 1 Schuinesloot | PAGINA 38
3.3.4.3 Ontwikkelingsvisie Radewijk - Hoogenweg - Bruchterveld - Sibculo Na het opstellen van de LIK's is een visie (wensbeeld) op de toekomstige ontwikkelingen gegeven. Hierbij is rekening gehouden met de gebiedskenmerken en kwaliteiten uit de LIK's en het geldende beleid van rijk, provincie, waterschap en het gemeentelijke beleid. De ontwikkelingsvisie voor het 'Besloten heideontginninglandschap' binnen deelgebied "Radewijk – Hoogenweg – Bruchterveld – Sibculo'' is als volgt gedefinieerd: Kernwoorden: diverse functies: wonen, (verbrede) landbouw, natuur, economie (kleinschalige bedrijvigheid); Faciliteren van bestaande functies; Ontwikkeling agrarische grondgebruik: verbreding (kamperen bij de boer); Bij bedrijfsbeëindiging mogelijkheden hergebruik VAB; Toename van de biodiversiteit in stuwwal Sibculo, Kloosterhaar. 3.3.4.4 Toetsing van het initiatief aan het LIK Het voornemen voorziet in een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit door het treffen van landschapsmaatregelen ter plaatse van de nieuw te bouwen woning. Voor het bepalen van de landschapsmaatregelen is een ruimtelijke kwaliteitsplan opgesteld, waarbij de landschappelijke kenmerkende waarden als uitgangspunt hebben gediend. De landschapsmaatregelen bestaat uit het aanplanten van gebiedseigen beplanting.
Opgemerkt wordt dat het LIK is gekoppeld aan de regels ter bescherming van de landschappelijke kenmerkende waarden. Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met het LIK voor dit betreffende gebied. 3.3.5
Woonvisie
3.3.5.1 Algemeen Het Programma Wonen is op 26 maart 2019 door de gemeenteraad van Hardenberg vastgesteld. Het programma legt de woonambities voor de langere termijn vast, maar voorziet daarnaast in concrete maatregelen voor de eerstvolgende twee jaar. 3.3.5.2 Ambitie: rust en ruimte, met oog voor elkaar ook in de toekomst In de gemeente Hardenberg is het al jaren goed wonen, werken en leven. Door de ligging in het groene Vechtdal en de vele aantrekkelijke kleine kernen ervaren inwoners en bezoekers de rust, ruimte en veiligheid die de gemeente Hardenberg kenmerkt. Tegelijkertijd zijn er met Hardenberg en Dedemsvaart twee stedelijke kernen waar de werkgelegenheid zich concentreert en alle voorzieningen te vinden zijn. Demografen verwachten dat het aantal inwoners en huishoudens van de gemeente Hardenberg het komende decennium zal blijven groeien. In tegenstelling tot de situatie in de meeste andere Nederlandse plattelandsgemeenten is nieuwbouw noodzakelijk om aan de lokale woningvraag te kunnen voldoen. Volgens de prognoses is er in de gemeente Hardenberg de komende tien jaar behoefte aan ruim 1.600 nieuwe woningen. Natuurlijk zijn er wel verschillen tussen de diverse kernen.
Zo zijn ‘steden’ Hardenberg en Dedemsvaart in trek als woonlocatie, ook voor huishoudens van buiten onze gemeente en zijn de dorpen en buurtschappen vooral gewild bij de lokale bevolking en rustzoekers van buitenaf. De afgelopen jaren is, mede door de ladder voor duurzame verstedelijking, sterk ingezet op woningbouw op locaties binnen bestaand stedelijk gebied. Het bouwen van woningen op inbreidingslocaties is een goed streven, als dat betekent dat de kwaliteit van het gebied en de woonkwaliteit daarmee vergroot wordt. 3.3.5.3 Buitengebied Met name in de kleinere kernen en buitengebieden bevinden zich grote boerderijen op grote kavels. Vanwege het grote onderhoud en het (te) grote oppervlak worden deze woningen steeds minder aantrekkelijk voor een zelfstandig huishouden. Door de mogelijkheid van woningsplitsing te vergroten kunnen we deze ruime woningen geschikt maken voor meerdere (kleine) huishoudens.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Stobbenhaarweg 7 Radewijk en Fransenweg 1 Schuinesloot | PAGINA 39
3.3.5.4 Toetsing van het initiatief aan de woonvisie Dit plan voorziet in de bouw van twee vrijstaande woningen. Met dit initiatief wordt ingespeeld op de concrete, lokale behoefte (voor de woning zijn kopers). Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de gemeentelijke woonvisie. 3.3.6
Welstandsnota Buitengebied
3.3.6.1 Inleiding De gemeente Hardenberg heeft op 3 december 2013 de Welstandsnota voor het buitengebied opgesteld. In aansluiting op de welstandsnota voor de kernen is er in deze nota voor het buitengebied eveneens gekozen voor verschillende niveaus van welstand. Het plangebied ligt binnen het welstandsgebied 'heideontginningen'. Voor dit gebied geldt welstandsniveau 1. Belangrijk voor dit gebied zijn de volgende punten: Heide-ontginningen: Behoud van groene mantels om erven, daarbinnen meer vrijheid in situering architectuur, materiaal, kleur en detail; Sturen op eenvoud in stijl en detail bij zichtgevels; Bebouwingsstructuur: Versterken kenmerkende bebouwingsstructuren. Behoud van hoofdbebouwing gesitueerd richting structuur, overige bebouwing ondergeschikt. Sturen op voorhuizen: goed materiaalgebruik en detail. Aandacht voor bijzondere architectuur en vormgeving van nieuwe bruggen en kunstwerken.
Afbeelding 3.8: Uitsnede van de welstandsnota buitengebied (Bron: Gemeente Hardenberg) 3.3.6.2 Toetsing van het initiatief aan de Welstandsnota Het uiteindelijke bouwplan van de woning zal ter toetsing aan de welstandscommissie van de gemeente worden voorgelegd.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Stobbenhaarweg 7 Radewijk en Fransenweg 1 Schuinesloot | PAGINA 40
3.3.7
Bestemmingsplan "Buitengebied Hardenberg"
3.3.7.1 Algemeen In het bestemmingsplan "Buitengebied Hardenberg" is in artikel 59.6 een afwijkingsbevoegdheid opgenomen waarbinnen de splitsing van voormalige boerderijen wordt mogelijk gemaakt. In dit geval is er sprake van het splitsen van een voormalige boerderij aan de Stobbenhaarweg 7te Radewijk. Deze afwijkingsmogelijkheid wordt in dit bestemmingsplan meegenomen. Hierna wordt getoetst aan de voorwaarden van de afwijkingsbevoegdheid. 3.3.7.2 Afwijkingsbevoegdheid Artikel 59.6 Woningsplitsing voormalige boerderij Bij omgevingsvergunning kan binnen de verschillende bestemmingen wonen worden afgeweken van de regels omtrent het toegestane aantal woningen per bouwperceel, voor het toestaan van: a. één woning extra, indien de bestaande inhoud van de aaneengesloten bebouwing meer dan 1.000 m3 bedraagt, met inachtneming van het bepaalde in c tot en met i; b. twee woningen extra, indien de bestaande inhoud van de aaneengesloten bebouwing meer dan 1.500 m3 bedraagt, met inachtneming van het bepaalde in c tot en met i; c. de extra woning mag/de extra woningen mogen uitsluitend worden gerealiseerd binnen de aaneengesloten bebouwing van een voormalige boerderij, te weten de woonruimte met aangrenzende deel of soortgelijke inpandige ruimte; d. de uiterlijke verschijningsvorm van de voormalige boerderij moet in stand blijven; e.
de gezamenlijke inhoud van de woningen mag niet meer bedragen dan de bestaande inhoud van de aaneengesloten bebouwing; f. de extra woning dient/de extra woningen dienen te passen binnen het gemeentelijk woningbouwprogramma; g. er mag geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en/of van de functie van aangrenzende bestemmingen; h. op geen van de gevels van een extra woning mag, bij voltooiing, de geluidsbelasting vanwege een weg of spoorweg de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder overschrijden; i. inpassing op het erf en in het landschap op zorgvuldige wijze plaatsvindt, aan de hand van een ruimtelijke kwaliteitsplan. 3.3.7.3 Toetsing van het initiatief aan de afwijkingsbevoegdheid in het bestemmingsplan "Buitengebied Hardenberg" Hierna wordt separaat aan de genoemde voorwaarden getoetst: a. n.v.t. b. er worden in dit geval drie woningen (twee woningen extra) in de (te splitsen) boerderijwoning gerealiseerd. De inhoud van de aaneengesloten bebouwing bedraagt namelijk ruim meer dan 1.500 m3; c. de extra woning wordt binnen de bestaande aaneengesloten bebouwing van de voormalige boerderij gerealiseerd; d. de uiterlijke verschijningsvorm van de voormalige boerderij blijft onveranderd. In de regels van dit bestemmingsplan is dit geborgd door de 'specifieke bouwaanduiding handhaven hoofdvorm' op te nemen; e.
de gezamenlijke inhoud van de woningen bedraagt niet meer dan de bestaande inhoud van de aaneengesloten bebouwing; f. de extra woning wordt gerealiseerd voor de lokale behoefte en past dan ook binnen het gemeentelijke woonprogramma; g. er is geen sprake van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en/o de functie van de aangrenzende bestemmingen. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar paragrafen 4.5 en 4.6; h. er is geen sprake van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde uit de Wet
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Stobbenhaarweg 7 Radewijk en Fransenweg 1 Schuinesloot | PAGINA 41
i.
geluidhinder op de voorgevel van de woning. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar paragraaf 4.1. de te splitsen woning wordt, als onderdeel van het gehele vernieuwde erf (in het kader van Rood voor Rood) ruimtelijk ingepast aan de hand van een ruimtelijk kwaliteitsplan. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar paragraaf 2.2.1.
Geconcludeerd wordt dat wordt voldaan aan de voorwaarden van de genoemde afwijkingsbevoegdheid. 3.3.8
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het gemeentelijk beleid.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Stobbenhaarweg 7 Radewijk en Fransenweg 1 Schuinesloot | PAGINA 42
Hoofdstuk 4
Milieu- en omgevingsaspecten
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en het besluit milieueffectrapportage. Opgemerkt wordt dat met name voor de compensatiekavel aan de Stobbenhaarweg 7 te Radewijk relevante milieuaspecten gelden. Uitsluitend daar waar relevant wordt op de slooplocatie aan de Fransenweg 1 te Schuinesloot. 4.1
Geluid
4.1.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 4.1.2
Situatie plangebied
In dit geval worden aan de Stobbenhaarweg 7 twee geluidsgevoelige objecten toegevoegd, namelijk de woningen. Hierna wordt achtereenvolgens op de aspecten wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai ingegaan. Daarnaast wordt een bestaande woning gesplitst. 4.1.2.1 Wegverkeerslawaai In artikel 74.1 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben. In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte afhankelijk is van het aantal rijstroken en van de ligging van het plangebied binnen stedelijk gebied of buitenstedelijk gebied. De woningen liggen binnen de wettelijke geluidszone van de Stobbenhaarweg. Dit betreft echter een zeer rustige weg, die uitsluitend door het bestemmingsverkeer wordt gebruikt. Redelijkerwijs kan niet verwacht worden dat de voorkeurswaarde wordt overschreden. Een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. 4.1.2.2 Railverkeerslawaai en industrielawaai De locatie aan Stobbenhaarweg ligt niet in de nabijheid van een spoorlijn of een gezoneerd bedrijventerrein. De aspecten 'railverkeerslawaai' en 'industrielawaai' vormen van ook geen belemmering voor dit planvoornemen. Voor de invloed van individuele bedrijvigheid op dit plan wordt verwezen naar paragraaf 4.5 van deze toelichting.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Stobbenhaarweg 7 Radewijk en Fransenweg 1 Schuinesloot | PAGINA 43
4.1.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat de Wet geluidhinder geen belemmering vormt voor het plan. 4.2
Bodemkwaliteit
4.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. In dit geval is op beide locaties een bodemonderzoek uitgevoerd door Agri-Terra. Voor de Stobbenhaarweg is dit gedaan omdat aangetoond dient te worden dat de bodem geschikt is voor de nieuwe woningen. Voor de Fransenweg is dit gedaan om in beeld te brengen of de bodemkwaliteit past bij de nieuwe bestemming, de functie 'wonen'. In de volgende subparagraaf wordt hier nader op ingegaan. De volledige rapportages zijn als Bijlage 2 en Bijlage 3 bij deze toelichting opgenomen. 4.2.2
Situatie plangebied
4.2.2.1 Stobbenhaarweg 7 Verkennend bodemonderzoek Gehele locatie In de bovengrondmengmonsters BM1, BM2 en BM3 zijn geen verhogingen aangetroffen. In het bovengrondmengmonster (BM4) is een lichte verhoging PCB (som 7) aangetroffen. In het grondwatermonster Pb1wm1 is een lichte verhoging barium aangetroffen. In het grondwatermonster Pb2wm1 zijn geen verhogingen aangetroffen. Landbouwgrond In zowel de bovengrond (BM6 en BM7) als in de ondergrond (OM1) zijn geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster Pb32wm1 zijn lichte verhogingen koper en barium aangetroffen. Voormalige dieseltank In het bovengrondmengmonster (BM5 dieseltank) zijn geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster PB29wm1 zijn geen olie gerelateerde verhogingen aangetroffen. Op basis van onderhavig onderzoek wordt voor dit onderdeel een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt voor dit onderdeel geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Verkennend bodemonderzoek NEN5705'asbest in bodem' Tijdens de maaiveld- inspectie is achter de machineberging aan de rand van het landbouwgrond asbestverdacht materiaal op het maaiveld aangetroffen (zie bijlage III). Gehele locatie Ter plaatse van de locatie zijn meerdere inspectiegaten gegraven, bemonsterd en geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest.
In de grondmengmonsters MM1 en MM3 is analytisch geen asbest aangetroffen. In de grondmengmonsters MM2 en MM4 zijn concentraties asbest aangetoond ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Druppelzones Ter plaatse van de druppelzone zijn twee inspectiesleuven gegraven en is er een mengmonster samengesteld. Op het maaiveld is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Stobbenhaarweg 7 Radewijk en Fransenweg 1 Schuinesloot | PAGINA 44
Het gewogen asbestgehalte in het mengmonster van DZ1 is ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Op basis van onderhavig onderzoek wordt voor dit onderdeel een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt voor dit onderdeel geschikt geacht voor het beoogde gebruik. 4.2.2.2 Fransenweg 1 Verkennend bodemonderzoek Gehele locatie In het bovengrondmengmonster BM1 zijn geen verhogingen aangetroffen. In de bovengrondmengmonsters BM2 en BM3 zijn lichte verhogingen PAK 10 VROM aangetroffen. In het bovengrondmengmonster BM5 travo is een lichte verhoging PCB (som 7) aangetroffen. In het grondwatermonster PB4 WM1 is een lichte verhoging barium aangetroffen. Voormalige dieseltank In het bovengrondmengmonster (BM4 dieseltank) is een lichte verhoging minerale olie aangetroffen. In het grondwatermonster PB1 WM1 zijn geen olie gerelateerde verhogingen aangetroffen. Het is niet duidelijk geworden of de lichte verhoging PCB voor of na 1987 is ontstaan. De verhoging met minerale olie is waarschijnlijk na 1987 is ontstaan. Indien er verhogingen in de grond en het grondwater zijn aangetroffen die redelijkerwijs aannemelijk na 1987 zijn veroorzaakt, is de Zorgplicht (artikel 13 van de Wet bodembescherming (Wbb) van toepassing.
De zorgplicht houdt in dat als zich een bodemverontreiniging voordoet de directe gevolgen daarvan zoveel mogelijk moeten worden beperkt en zoveel mogelijk ongedaan moeten worden gemaakt. Mede gezien de kleinschaligheid van beide verontreinigingen staat een eventuele bodemsanering, met bijbehorende uitstoot (emissie) door de werkzaamheden en financieel economische schade, niet in verhouding tot het beoogde saneringsdoel (achtergrondwaarde). Op basis van onderhavig onderzoek wordt voor dit onderdeel een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt voor dit onderdeel geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Verkennend bodemonderzoek NEN5705'asbest in bodem' Tijdens de maaiveld- inspectie zijn ter plaatse van de onderzoekslocatie geen asbestverdachte materialen op het maaiveld aangetroffen. Gehele locatie Ter plaatse van de locatie zijn meerdere inspectiegaten gegraven, bemonsterd en geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest. In de mengmonsters MM1 t/m MM3 is analytisch geen asbest aangetroffen. In inspectiegat 8 is asbestverdacht materiaal aangetroffen. Samen gewogen met de grond blijft de concentratie asbest ruim beneden de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Op basis van onderhavig onderzoek wordt voor dit onderdeel een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht.
De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt voor dit onderdeel geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Druppelzones Ter plaatse van elke druppelzone zijn twee inspectiesleuven gegraven en is er een mengmonster samengesteld. Op het maaiveld is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. De gewogen asbestgehalten in DZ1 en DZ2 zijn hoger dan de interventiewaarde (100 mg/kg bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Stobbenhaarweg 7 Radewijk en Fransenweg 1 Schuinesloot | PAGINA 45
ds). Tevens zijn er asbestverdachte vezels aangetroffen in de fractie <0,5mm. Formeel geeft de aangetroffen verhoging aanleiding tot het uitvoeren van een nader onderzoek. Echter is er naar mening van het adviesbureau een reden om af te zien van een nader onderzoek ter plaatse van de druppelzones. Het "Bijzonder inventariserend onderzoek, erosie van asbestdaken" van Geofox- Lexmond (20131980/JOOS, d.d. 29-9-2014) heeft onderzocht dat de verontreiniging in de bodem van de afwateringszone van dakgootloze asbestdaken zich lijkt te beperken tot een diepte van 10cm bij een horizontale spreiding van circa 1 meter. Wel dient er een sanering plaats te vinden. Er is daarom in de regels een voorwaardelijke verplichting voor het saneren opgenomen. 4.2.3
Conclusie
Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkelingen.
4.3
Luchtkwaliteit
4.3.1
Algemeen
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); 4.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Veehouderijen zijn niet opgenomen in de Regeling NIBM. Toch is het niet altijd noodzakelijk om met behulp van een berekening vast te stellen of er sprake is van NIBM. Dit kan ook gedaan worden met een motivering, bijvoorbeeld op basis van ervaring. Als hulpmiddel bij de motivering is een vuistregel opgesteld waarmee men kan aantonen of de fijnstofbijdragen van de veehouderijen op het plan is te beschouwen als Niet in Betekenende Mate (NIBM). In de vuistregel is een tabel opgenomen met als uitgangspunt de 3% NIBM grens. In de tabel is sprake van een "worst case" benadering. Dat betekent dat wanneer uit de toets blijkt dat de fijnstofbijdrage van een bedrijf op het beoordelingspunt voldoet aan de 3% NIBM grens, het ook voldoende aannemelijk is dat dit zal blijken uit een berekening met rekenprogramma ISL3a en deze laatste berekening daarvoor niet nodig is. bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Stobbenhaarweg 7 Radewijk en Fransenweg 1 Schuinesloot | PAGINA 46
Afstand tot te toetsen plaats Totale emissie in g/jr
70 m
80 m
90 m
100 m
120 m 140 m
160 m
324.000 387.00 473.00 581.00 817.00 1.075.0 1.376.00 0 0 0 0 00 0
4.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig. 4.3.2
Situatie plangebied
4.3.2.1 Externe werking van het plan Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling, in verhouding tot de categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 4.3.1.1 kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. 4.3.2.2 Interne werking van het plan Op basis van de "grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland", welke is gepubliceerd door het Rijksinstituut Volksgezondheid en Milieu, zijn op schaal van km2 de gemiddelde achtergrondconcentraties van diverse luchtverontreinigende stoffen aangegeven. De gegevens voor het plangebied worden weergegeven in onderstaande tabel: Parameter Achtergrondw Achtergrondw Grenswaarde WHO Voldoet aarde [µg/m3] aarde [µg/m3] [µg/m3] advieswaarde (ja/nee) 2020 2030 [µg/m3] Stikstofdioxid 8,5 5,5 40 40 ja e NO2 Zwevende 9,6 11,6 40 20 ja deeltjes PM10 Zwevende 7,3 5,6 25 10 ja deeltjes PM2,5 Uit de tabel blijkt dat aan de grenswaarden voor NO2 en PM10 en de blootstellingsconcentratieverplichting voor PM2,5 voldaan wordt. Ook aan de advieswaarden van de van de WHO voor de achtergrondconcentratie van alle parameters wordt voldaan.
4.3.2.3 Vuistregel veehouderijen Stobbenhaarweg 7 Ten aanzien van de fijnstof afkomstig van veehouderijen in de omgeving, wordt opgemerkt dat in de omgeving van het plangebied een vijftal intensieve veehouderijen liggen die van belang kunnen zijn voor de bijdrage van fijnstofconcentratie op het plan. Om dit in beeld te brengen is een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd. De volledige rapportage is als Bijlage 4 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. De emissie van fijn stof door de omliggende veehouderijen is achterhaald door middel van betreffende milieudossiers en vastgestelde emissiefactoren. Met een model is de immissie op het plangebied berekend. Het onderzoek is uitgevoerd conform de regels uit de Wet bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Stobbenhaarweg 7 Radewijk en Fransenweg 1 Schuinesloot | PAGINA 47
milieubeheer, de ‘Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007’ en de ‘Handreiking Rekenen aan Luchtkwaliteit’. De berekende fijn stofimissie voor PM10 bedraagt ten hoogste 15,47 ìg/m3. Voor PM2,5 is de hoogste berekende rekenresultaat 8,79 ìg/m3. Voor PM10 geldt dat het 24-uursgemiddelde 6 keer per jaar wordt overschreden. Uit het onderzoek blijkt dat er voldaan wordt aan de normen vanuit de Wet Milieubeheer. Tevens wordt voor de concentratie PM10 en PM2,5 voldaan aan het advies van de WHO. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de realisatie van bijbehorend plan Fransenweg 1 Ten aanzien van de Fransenweg 1 geldt dat de bedrijfswoning reeds is beschermd tegen hinder van bedrijven van derden. Naastgelegen functies worden dan ook niet verder beperkt dan nu het geval is. Ten aanzien van luchtkwaliteit is er sprake van een beter woon- en leefklimaat dan het geval was, aangezien de agrarische bedrijvigheid in het plangebied komt te vervallen. 4.3.3
Conclusie
Voorliggend plan draagt 'niet in betekende mate' bij aan luchtverontreiniging. Daarnaast voldoen de achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM2,5 aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer en de aanbevelingen van WHO. Tenslotte voldoet de bijdrage fijnstofconcentratie van omliggende veehouderijen op het plan aan de 3% NIBM drempel. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorgenomen ontwikkeling. 4.4
Externe veiligheid
4.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
Het vervoer van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Stobbenhaarweg 7 Radewijk en Fransenweg 1 Schuinesloot | PAGINA 48
een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 4.4.2
Situatie in en bij het plangebied
4.4.2.1 Algemeen Aan de hand van de Risicokaart is voor de locatie aan de Stobbenhaarweg 7 een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. De slooplocaties zijn buiten beschouwing gelaten. Ter plaatse is namelijk geen sprake van het toevoegen van personen en dus geen sprake van het toenemen van het plaatsgebonden en groepsrisico. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In de volgende afbeelding een uitsnede van de risicokaart opgenomen. De locatie is met de rode ster aangeduid. 4.4.2.2 Situatie plangebied In onderstaande afbeelding is de ligging van het plangebied op een uitsnede van de risicokaart weergegeven.
Afbeelding 4.1: Uitsnede risicokaart (Bron: Risicokaart.nl) Uit vorenstaande kaart blijkt dat er in de nabijheid van het plangebied geen sprake is van risicobronnen. Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er geen belemmeringen betreffende dit plan. 4.4.3
Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Stobbenhaarweg 7 Radewijk en Fransenweg 1 Schuinesloot | PAGINA 49
4.5
Milieuzonering
4.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden.
De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. 4.5.2
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype 'rustige woonwijk' vergelijkbaar omgevingstype. Het omgevingstype 'gemengd gebied' wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' als volgt omschreven: 'Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen.