Toelichting Het ongewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan ‘Industrieweg 1-3 Dedemsvaart en Hoogenweg 58 Venebrugge’
Tekst van het document
De gemeente wil meer mogelijkheden voor wonen in het landelijk gebied zoeken; 6. De gemeente wil zoeken naar mogelijkheden voor huisvesting van tijdelijke werknemers uit het buitenland. 3.3.1.4 Opgaven per gebied De gemeente zet zich al lang in om ontwikkelingen in het buitengebied bij te laten dragen aan versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het beleid beschrijft daarom voor elk landschapstype de belangrijkste gebiedskenmerken en ontwikkelingsrichtingen. Bij het maken van dit beleid waren zowel bewoners als professionals betrokken. De resultaten zijn vastgelegd in Landschap-Identiteit-Kaarten (LIK’s). Deze vormen de natuurlijke onderlegger voor ontwikkelvisies voor verschillende deelgebieden. In dit geval staat het plangbied niet specifiek benoemd. 3.3.1.5 Aandachtspunten voor natuurlijke en landschappelijke kwaliteiten De natuurlijke en landschappelijke kwaliteiten in het landelijk gebied blijven voortdurend aandacht vragen. Natuur en landschap staan onder druk, vanwege de energietransitie, klimaatmaatregelen en de transitie in de landbouw. Tegelijk vormen deze ontwikkelen juist een kans om bij te dragen aan de Landstad Hardenberg en de ‘regio van het gezonde leven’. In de dialoog ‘bouw je eigen buurt’ was de zorg voor een gezonde en groene leefomgeving een speerpunt.
Een goede landschappelijke en ruimtelijke inpassing van vrijkomende agrarische bebouwing is hiervan een voorbeeld. De regeling ‘Erven met kwaliteit’ (voorheen rood-voor-rood) blijft hierbij het kader. Dit sluit aan bij de landelijke trend om meer ruimtelijke kwaliteit toe te voegen in de fysieke leefomgeving. Ruimtelijke kwaliteit ziet de gemeente als “datgene wat ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is”. De provincie gebruikt deze omschrijving ook. Ambities: De gemeente geeft een extra kwaliteitsimpuls aan de groene omgeving waarbij de verschillende landschappen herkenbaarder worden. Gebiedsgerichte projecten versterken enerzijds de landschappelijke relaties en biodiversiteit in het landelijk gebied zelf en anderzijds de relatie tussen het landelijk gebied en de kernen. Dit overstijgt de huidige perceelsgerichte benadering.
bestemmingsplan Industriew eg 1-3 Dedemsvaart en Hoogenw eg 58 Venebrugge | PAGINA 28
De gemeente zoekt naar nieuwe economische dragers in het landelijk gebied om gebiedsgerichte projecten te kunnen financieren. Een voorbeeld is het bieden van ruimte aan tweede woningen. De investeringsruimte die hiermee ontstaat zet de gemeente in voor kwaliteitsverbetering van de fysieke leefomgeving van het buitengebied. De gemeente onderzoekt hoe inkomsten uit grootschalige(r) toekomstige ontwikkelingen in het landelijk gebied kunnen inzetten voor de kwaliteit van de groene leefomgeving. Denk aan koppeling van geldstromen rond de energietransitie of klimaatadaptatie. Dit kunnen ook nieuwe economische dragers in het landelijk gebied worden. De gemeente stimuleert groenblauwe diensten ter ondersteuning van de gebiedsgerichte projecten. Deze dragen bij aan nieuwe kwaliteitsimpulsen voor de groene leefomgeving. 3.3.1.6 Toetsing van het initiatief aan de gemeentelijke omgevingsvisie 'Landstad Hardenberg' Deze ontwikkeling draagt bij aan de algemene ambitie van de gemeente, namelijk kwaliteit toevoegen. De sloop van landschapontsierende bebouwing en realisatie van toekomstbestendige woningen draagt hier aan bij. Ten aanzien van het thema 'Hardenberg in Balans' geldt dat het initiatief bijdraagt aan het vitaal houden van het landelijk gebied en de versterking van de ruimtelijke kwaliteit.
Daarnaast geldt voor de natuurlijke en landschappelijke kwaliteiten dat specifiek benoemd is dat het beleid 'Erven met kwaliteit' bijdraagt aan een versterking van deze kwaliteiten. Voorliggende ontwikkeling is daar een voorbeeld van. Wat betreft de te realiseren woningen aan de Industrieweg wordt voorzien in kwalitatieve en kwantitatieve behoefte. Er zijn namelijk al concrete kopers op het oog. Daarnaast sluit het voorgenomen ontwerp goed aan op de stedenbouwkundige en functionele structuur van de omgeving. Samenvattend wordt gesteld dat het initiatief past binnen de omgevingsvisie 'Landstad Hardenberg'. 3.3.2
Toekomstvisie gemeente Hardenberg 2013-2023
3.3.2.1 Algemeen De toekomstvisie voor de gemeente Hardenberg is vastgesteld door de gemeenteraad van Hardenberg op 23 april 2013. Het plan kent drie doelstellingen: samenhang in diverse gemeentelijke beleidsvelden ondersteunen; een helder profiel naar buiten toe creëren; strategische politieke keuzes maken. Het resultaat is een visie met strategische keuzes die een duidelijke ontwikkelingsrichting geeft. De toekomstvisie is een levend document dat de gemeente geregeld zal bijstellen om in te kunnen spelen op nieuwe kansen en mogelijkheden. Het biedt houvast voor de lange termijn koers van de gemeente. 3.3.2.2 Programmalijn wonen De mensen waarderen de leefbare woonomgeving van de gemeente Hardenberg. Voorzieningen en de fysieke leefomgeving spelen daarbij een belangrijke rol. Om vitale kernen te houden, is het nodig dat alle leeftijdsgroepen kunnen blijven wonen. Vanwege demografische ontwikkelingen (kleinere huishoudens, vergrijzing) moet er anders gebouwd worden. Daarnaast zijn extra starterswoningen nodig. De gemeente wil naar behoefte bouwen, waarbij het zwaartepunt ligt op de kernen Hardenberg en Dedemsvaart. De centrale voorzieningen hebben een functie voor alle inwoners van de gemeente en voor de regio Noordoost Overijssel. Kwaliteit kan voor deze voorzieningen alleen met een groot draagvlak en via centralisatie gerealiseerd worden.
Het publieke belang dat de gemeente hierbij heeft, is verbeteren van het ondernemersklimaat en het woonklimaat voor alle inwoners en bezoekers van de gemeente Hardenberg en de regio.
bestemmingsplan Industriew eg 1-3 Dedemsvaart en Hoogenw eg 58 Venebrugge | PAGINA 29
Deze voorzieningen zijn in eerste instantie in de kern Hardenberg aanwezig, zoals bijvoorbeeld het ziekenhuis, het theater, voortgezet en MBO onderwijs en het winkelgebied. Het kan hierbij ook om extra zorgvoorzieningen en bijzondere sportactiviteiten gaan, of om een aantrekkelijk centrum met leuke plekken om uit te gaan en een prominente rol voor de Vecht. In Dedemsvaart gaat het om aanvullende voorzieningen, zoals het voortgezet onderwijs, zorginstellingen en het winkelgebied dat op kopen gericht is, terwijl het winkelgebied in de kern Hardenberg meer de functie heeft van recreatief winkelen. De gemeente wil deze centrale voorzieningen versterken. De doelstellingen binnen de programmalijn wonen zijn onder meer: bouwen op basis van behoefte; bouwen voor doelgroepen; duurzaam bouwen; zorg voor kwetsbare groepen en onderlinge hulp; bevorderen van een veilige en leefbare woonomgeving; bevorderen zelfredzaamheid van de samenleving. 3.3.2.3 Toetsing van het initiatief aan de Toekomstvisie gemeente Hardenberg 2013-2023 De voorgenomen ontwikkeling is in overeenstemming met de toekomstvisie gemeente Hardenberg 2013-2023. Allereerst wordt er voor lokale behoefte gebouwd, zoals ook blijkt uit paragraaf 3.3.3. De woningen zijn levensloopbestendig uit te voeren en daardoor geschikt voor meerdere doelgroepen, waaronder ook ouderen.
Bovendien zorgt het realiseren van de woningen voor doorstroming op de woningmarkt, waardoor woningen in een goedkoper segment weer beschikbaar worden voor andere doelgroepen, zoals starters. De woningen gaan ten aanzien van duurzaamheid voldoen aan de geldende EPC normen en worden bovendien gasloos uitgevoerd. 3.3.3
Programma Wonen
3.3.3.1 Algemeen Het Programma Wonen is op 26 maart 2019 door de gemeenteraad van Hardenberg vastgesteld. Het programma legt de woonambities voor de langere termijn vast, maar voorziet daarnaast in concrete maatregelen voor de eerstvolgende twee jaar. 3.3.3.2 Ambitie: rust en ruimte, met oog voor elkaar ook in de toekomst In de gemeente Hardenberg is het al jaren goed wonen, werken en leven. Door de ligging in het groene Vechtdal en de vele aantrekkelijke kleine kernen ervaren inwoners en bezoekers de rust, ruimte en veiligheid die de gemeente Hardenberg kenmerkt. Tegelijkertijd zijn er met Hardenberg en Dedemsvaart twee stedelijke kernen waar de werkgelegenheid zich concentreert en alle voorzieningen te vinden zijn. Demografen verwachten dat het aantal inwoners en huishoudens van de gemeente Hardenberg het komende decennium zal blijven groeien. In tegenstelling tot de situatie in de meeste andere Nederlandse plattelandsgemeenten is nieuwbouw noodzakelijk om aan de lokale woningvraag te kunnen voldoen. Volgens de prognoses is er in de gemeente Hardenberg de komende tien jaar behoefte aan ruim 1.600 nieuwe woningen. Natuurlijk zijn er wel verschillen tussen de diverse kernen.
Zo zijn ‘steden’ Hardenberg en Dedemsvaart in trek als woonlocatie, ook voor huishoudens van buiten onze gemeente en zijn de dorpen en buurtschappen vooral gewild bij de lokale bevolking en rustzoekers van buitenaf. De afgelopen jaren is, mede door de ladder voor duurzame verstedelijking, sterk ingezet op woningbouw op locaties binnen bestaand stedelijk gebied. Het bouwen van woningen op inbreidingslocaties is een goed streven, als dat betekent dat de kwaliteit van het gebied en de woonkwaliteit daarmee vergroot wordt. 3.3.3.3 De juiste woning voor elk huishouden Doorstromers vormen de grootste groep op onze woningmarkt. Hardenberg is een echte gezinsgemeente. In deze levensfase zijn huishoudens op zoek naar een ruimere woning of wil men doorstromen van een huur- naar een koopwoning. Het aanbod aan ruime grondgebonden koopwoningen dat vanuit de bestaande voorraad op de markt komt, is te klein om te voorzien in de verwachte vraag.
bestemmingsplan Industriew eg 1-3 Dedemsvaart en Hoogenw eg 58 Venebrugge | PAGINA 30
Ontwikkelaars hebben veel interesse om voor de groep doorstromers te bouwen. Er wordt ruimte geboden dit te doen, maar hierbij wordt wel meegewogen dat er geen sprake is van een overschot aan gezinswoningen op termijn. De gemeente Hardenberg vergrijst in hoog tempo. Dat is niet uitzonderlijk voor een middelgrote gemeente in het oosten van het land, maar wel iets om rekening mee te houden in ons woonbeleid. Gelukkig zijn ouderen steeds vitaler en zelfstandiger. In het woonbeleid is daarom de keuze aan ouderen gelaten om of langer zelfstandig te wonen of door te stromen naar een meer geschikte en comfortabele woning 3.3.3.4 Toetsing van het initiatief aan het Programma Wonen Voorliggend bestemmingsplan voorziet in het realiseren van twee vrijstaande woningen in de koopsector. In het programma Wonen wordt expliciet benoemd dat het aanbod aan ruime grondgebonden koopwoningen te klein is om in de verwachte vraag te voorzien De ontwikkeling is kwantitatief passend binnen de woonvisie. Kwalitatief is de ontwikkeling eveneens passend aangezien het realiseren van vrijstaande woningen specifiek in het Programma Wonen genoemd worden als speerpunten. De ontwikkeling is dan ook in overeenstemming met het 'Programma Wonen'. 3.3.4
Welstandsbeleid
3.3.4.1 Inleiding De gemeenteraad heeft op 29 november 2011 de Welstandsnota Hardenberg Visie op beeldkwaliteit vastgesteld. De welstandsnota is van toepassing op de stads- en dorpskernen. Deze nota zet in op “het leggen van verbindingen tussen bestaande gebiedskwaliteiten en nieuwe ontwikkelingen, tussen oud en nieuw, tussen snel en traag, tussen stad en land, tussen rood en groen, tussen opbrengsten en kosten". De ambitie is een kwaliteitsontwikkeling in gang te zetten waarbij elk project bijdraagt aan de versterking van de beeldkwaliteit van de leefomgeving. Daarmee zullen de verschillende kernen zich meer onderscheiden en krijgt elke kern haar eigen kleur (terug). De gemeente wil meer vrijheid voor burgers creëren. Dit wordt bereikt door kaders te stellen 'waar het er toe doet' en andere delen van de gemeente regelvrij te maken. Een en ander komt tot uiting in de toekenning van drie niveaus (zie navolgende). Op de belangrijke plekken wordt door middel van welstand en bestemmingsplan gestuurd. De laag gewaardeerde plekken zijn welstandsvrij. Voor deze gebieden is het bestemmingsplan (of de beheersverordening) maatgevend. 3.3.4.2 Toetsing van het initiatief aan het welstandbeleid Voor het deelgebied Industrieweg 1-3 geldt welstandsniveau 0.
Om de gewenste beeldkwaliteit van de nieuwe bebouwing en de hiërarchie tussen de bebouwing te borgen, is een toetsingskader voor de beeldkwaliteit opgesteld. Dit toetsingskader is opgenomen in het ruimtelijke kwaliteitsplan (Bijlage 1) en in Bijlage 3 bij de planregels en betreft een aanvulling en wijziging op de Welstandsnota. Binnen het kader is er voldoende ruimte om een eigen ontwerp van de woningen te ontwikkelen. 3.3.5
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Het initiatief zal, met in achtneming van het toetsingskader voor de beeldkwaliteit, bijdragen aan de versterking van de beeldkwaliteit van de leefomgeving. Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het gemeentelijk beleid van de gemeente Hardenberg.
bestemmingsplan Industriew eg 1-3 Dedemsvaart en Hoogenw eg 58 Venebrugge | PAGINA 31
Hoofdstuk 4
Milieu- en omgevingsaspecten
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en Besluit m.e.r. 4.1
Geluid
4.1.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 4.1.2
Situatie plangebied
In voorliggend geval worden twee woningen gerealiseerd. Woningen worden op basis van de Wgh aangemerkt als geluidsgevoelige objecten. 4.1.2.1 Industrielawaai Het plangebied is niet gelegen in een zone van een gezoneerd industrieterrein. Op circa 70 meter bevindt zich de geluidszone van industrieterrein Rollepaal. Er wordt niet nader op het aspect industrielawaai ingegaan. In paragraaf 4.5 wordt nader ingegaan op de in de omgeving aanwezige (individuele) bedrijvigheid. 4.1.2.2 Railverkeerlawaai Railverkeerslawaai wordt in dit geval buiten beschouwing gelaten, omdat de dichtstbijzijnde spoorlijn op ruime afstand van het plangebied ligt. 4.1.2.3 Wegverkeerslawaai De te realiseren woningen aan de Industrieweg 1-3 liggen binnen de wettelijke geluidszone van de Industrieweg, Langewijk, Rheezerend en Rollepaal. Er is daarom een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd door BJZ.nu. De bijbehorende rapportage is als Bijlage 2 bijgevoegd. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten en conclusies ingegaan. De geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai van de Industrieweg bedraagt ter plaatse van de te realiseren woningen hoogstens 57 dB. Hiermee wordt de voorkeurswaarde van 48 dB overschreden. Bron- en overdrachtsmaatregelen kunnen rekenen op zwaarwegende bezwaren. Gevelmaatregelen zijn het meest doelmatig.
Er dient gelijktijdig met het bestemmingsplan een hogere waarde van 57 dB te worden vastgesteld ten aanzien van de Industrieweg. Als gevelwering van 29 dB wordt toegepast, wordt een binnenniveau van 33 dB gerealiseerd. De geluidsbelasting als gevolg van de Langewijk, Rheezerend en Rollepaal bedraagt
bestemmingsplan Industriew eg 1-3 Dedemsvaart en Hoogenw eg 58 Venebrugge | PAGINA 32
hoogstens 41 dB, waarmee aan de voorkeurswaarde wordt voldaan. Met het vaststellen van de benodigde hogere waarde als gevolg van de Industrieweg en het nemen van gevelmaatregelen met een gevelwering van 29 dB is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen. Ten aanzien van de Hoogenweg 58 wordt opgemerkt dat hier geen nieuw geluidgevoelig object wordt opgericht. De Wgh is dan ook verder niet van toepassing. 4.1.3
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling is in overeenstemming met de Wet geluidhinder. 4.2
Bodemkwaliteit
4.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, is een bodemonderzoek verricht conform de richtlijnen NEN 5740. In voorliggend geval is er een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 en NEN 5707 uitgevoerd ter plaatse van het zuidelijke deel van de gewenste woonbestemmingen aan de Industrieweg. Daarnaast is er een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd conform NEN 5740 ter plaatse van het noordelijke deel van de gewenste woonbestemmingen aan de Industrieweg. De betreffende onderzoeken zijn als respectievelijk Bijlage 3 en Bijlage 4 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste conclusies en resultaten ingegaan. Ten aanzien van deelgebied Hoogenweg 58 wordt opgemerkt dat hier uitsluitend sprake is van een functiewijziging. Na de sloop van de stallen zal een verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd. Dit is middels een voorwaardelijke verplichting in de regels geborgd. 4.2.2
Situatie plangebied
4.2.2.1 Zuidelijk deel 4.2.2.1.1 Verkennend milieukundig bodemonderzoek (NEN 5740) Zintuigelijke waarnemingen Op basis van zintuiglijke waarnemingen zijn in het opgeboorde monstermateriaal puinbaksteen- , metaal- en afvalresten waargenomen. Plaatselijk is in de grond asbesthoudend materiaal waargenomen. Bovengrond Bovengrondmengmonster MM1 bevat een verhoogd gehalte kwik, lood en zink (zware metalen), minerale olie, polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s, som 10) en alfa endosulfan (organische chloorbestrijdingsmiddelen) ten opzichte van de achtergrondwaarde, de tussenwaarde (indicatie voor nader onderzoek) en de bodemindex-waarde wordt in deze gevallen niet overschreden. Uit milieuhygiënische overweging is er dan ook geen directe aanleiding tot het instellen van aanvullend onderzoek. Bovengrondmengmonster MM2 bevat een verhoogd gehalte kwik, lood en zink (zware metalen) en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s, som 10) ten opzichte van de achtergrondwaarde, de tussenwaarde (indicatie voor nader onderzoek) en de bodemindex-waarde wordt in deze gevallen niet overschreden. Uit milieuhygiënische overweging is er dan ook geen directe aanleiding tot het instellen van aanvullend onderzoek. Bovengrondmengmonster MM3 bevat een verhoogd gehalte kwik, lood en zink (zware
bestemmingsplan Industriew eg 1-3 Dedemsvaart en Hoogenw eg 58 Venebrugge | PAGINA 33
metalen) en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s, som 10) ten opzichte van de achtergrondwaarde, de tussenwaarde (indicatie voor nader onderzoek) en de bodemindex-waarde wordt in deze gevallen niet overschreden. Uit milieuhygiënische overweging is er dan ook geen directe aanleiding tot het instellen van aanvullend onderzoek. Ondergrond Ondergrondmengmonster MM4 bevat geen van de onderzochte stoffen verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarde en/of detectiewaarde. Grondwater Het grondwater ter plaatse van peilbuis 4 bevat een verhoogd gehalte barium (zware metalen) ten opzichte van de achtergrondwaarde, de tussenwaarde (indicatie voor nader onderzoek) en de bodemindex-waarde wordt in deze gevallen niet overschreden. Uit milieuhygiënische overweging is er dan ook geen directe aanleiding tot het instellen van aanvullend onderzoek. 4.2.2.1.2 Verkennend onderzoek asbest in grond (NEN 5707) Maaiveld Op basis van de maaiveldinspectie is op het maaiveld op basis van zintuiglijke waarnemingen geen asbestverdacht materiaal waargenomen. Bovengrond Ter plaatse van inspectiegat 1 is in de uitgegraven bovengrond (bodemlaag tussen 0.15-0.3 m-mv) in de fractie >20 mm zintuiglijk geen asbestverdacht materiaal waargenomen.
Het totale gemiddeld indicatief gewogen gehalte asbest (fractie <20 mm + fractie >20 mm) in de bovengrond (0.15-0.3 m-mv) ter plaatse van inspectiegat 1 bedraagt 0.1 mg/kg d.s en is daarmee verhoogd t.o.v. de detectiegrens, het gemeten gehalte is niet verhoogd ten opzichte van het criterium voor nader onderzoek (> 50 mg/kg d.s.) en de interventiewaarde (100 mg/kg d.s) voor asbest. De uitgegraven bovengrond uit inspectiegat 1 is verontreinigd met asbest onder de interventiewaarde. Ter plaatse van inspectiegat 2 is in de uitgegraven bovengrond (bodemlaag tussen 0.25-0.5 m-mv) in de fractie >20 mm zintuiglijk asbestverdacht materiaal waargenomen. De verontreiniging betreft chrysotiel asbest dat in hechtgebonden vorm aanwezig is. Het totale gemiddeld indicatief gewogen gehalte asbest (fractie <20 mm + fractie >20 mm) in de bovengrond ter plaatse van inspectiegat 2 bedraagt ter indicatie 114.6 mg/kg d.s en is daarmee ten opzichte van de interventiewaarde (> 100 mg/kg d.s.). De uitgegraven bovengrond uit inspectiegat 2 is ter indicatie verontreinigd met asbest boven het criterium voor nader onderzoek (> 50 mg/kg d.s.) en de interventiewaarde (> 100 mg/kg d.s.). Teneinde vast te stellen of er in dit geval al dan niet sprake is van ernstige bodemverontreiniging met asbest en om de omvang van de verontreiniging in beeld te brengen wordt nader onderzoek geadviseerd.
Ter plaatse van inspectiegat 7 is in de uitgegraven bovengrond (bodemlaag tussen 0.2-0.5 m-mv) in de fractie >20 mm zintuiglijk asbestverdacht materiaal waargenomen. De verontreiniging betreft chrysotiel asbest dat in hechtgebonden vorm aanwezig is. Het totale gemiddeld indicatief gewogen gehalte asbest (fractie <20 mm + fractie >20 mm) in de bovengrond ter plaatse van inspectiegat 7 bedraagt ter indicatie 72.7 mg/kg d.s en is daarmee ten opzichte van het criterium voor nader onderzoek (> 50 mg/kg d.s.) De uitgegraven bovengrond uit inspectiegat 7 is ter indicatie verontreinigd met asbest boven het criterium voor nader onderzoek (> 50 mg/kg d.s.). Teneinde vast te stellen of er in dit
bestemmingsplan Industriew eg 1-3 Dedemsvaart en Hoogenw eg 58 Venebrugge | PAGINA 34
geval al dan niet sprake is van ernstige bodemverontreiniging met asbest en om de omvang van de verontreiniging in beeld te brengen wordt nader onderzoek geadviseerd. Ter plaatse van inspectiegat 8 is in de uitgegraven bovengrond (bodemlaag tussen 0.2-0.5 m-mv) in de fractie >20 mm zintuiglijk asbestverdacht materiaal waargenomen. De verontreiniging betreft chrysotiel asbest dat in hechtgebonden vorm aanwezig is. Het totale gemiddeld indicatief gewogen gehalte asbest (fractie <20 mm + fractie >20 mm) in de bovengrond ter plaatse van inspectiegat 8 bedraagt ter indicatie 203.1 mg/kg d.s en is daarmee ten opzichte van de interventiewaarde (> 100 mg/kg d.s.). De uitgegraven bovengrond uit inspectiegat 8 is ter indicatie verontreinigd met asbest boven het criterium voor nader onderzoek (> 50 mg/kg d.s.) en de interventiewaarde (> 100 mg/kg d.s.). Teneinde vast te stellen of er in dit geval al dan niet sprake is van ernstige bodemverontreiniging met asbest en om de omvang van de verontreiniging in beeld te brengen wordt nader onderzoek geadviseerd. Ter plaatse van inspectiegat 9 is in de uitgegraven bovengrond (bodemlaag tussen 0.2-0.5 m-mv) in de fractie >20 mm zintuiglijk geen asbestverdacht materiaal waargenomen. In de geanalyseerde bovengrondmengmonster M2 (zeeffractie < 20 mm) van de inspectiegaten 1+9 uit de bodemlaag tussen 0.15-max.
0.5 m-mv) is een verhoogd gemiddeld gewogen concentratie asbest gemeten van 0.1 mg/kg d.s. Het totale gemiddeld indicatief gewogen gehalte asbest (fractie <20 mm + fractie >20 mm) in de bovengrond (0.2-0.5 m-mv) ter plaatse van inspectiegat 9 bedraagt 0.1 mg/kg d.s en is daarmee verhoogd ten opzichte van de detectiegrens. Het gemeten gehalte is niet verhoogd ten opzichte van het criterium voor nader onderzoek (> 50 mg/kg d.s.) en de interventiewaarde (100 mg/kg d.s) voor asbest. De uitgegraven bovengrond uit inspectiegat 9 is verontreinigd met asbest onder de interventiewaarde. Fractie <0,5 mm Op basis van de uitgevoerde analyse in mengmonster M1 wordt opgemerkt dat in de fractie <0.5 mm enkele losse vezels zijn aangetoond. Wanneer uit de reguliere asbestanalyse (fracties 0.5-20 mm) blijkt dat er mogelijk asbest in de fractie <0,5 mm aanwezig is kan onderzoek worden uitgevoerd naar respirabele vezels in de fractie <0.5 mm middels een SEM analyse. Op basis van een SEM analyses kan worden vastgesteld of er in er in de fractie <0.5 mm al dan niet vrije asbestvezels aanwezig zijn. Aanvullend onderzoek naar de respirabele fractie is over het algemeen alleen zinvol als er niethechtgebonden materialen zijn aangetroffen in de monsters en als daarnaast in de zeeffractie < 500 µm daadwerkelijk asbestvezels worden aangetroffen.
Uit de analyses blijkt dat er geen sprake is van niet-hechtgebonden asbesthoudende materialen. In deze fase van het bodemonderzoek is nog geen onderzoek gedaan naar respirabele vezels in de fractie <0.5 mm. Puinlaag In de bodemlaag 0.3-0.5 m-mv t.p.v inspectiegat 1 is sprake van >50% bodemvreemd materiaal. Aangezien er onvoldoende monstermateriaal is uitgegraven is dit materiaal in deze fase van het onderzoek indicatief onderzocht, afgeleid van NEN-5987+C2. Ter plaatse van inspectiegat 1 is in de uitgegraven puinlaag (tussen 0.3-0.5 m-mv) in de fractie >20 mm zintuiglijk geen asbestverdacht materiaal waargenomen. In het geanalyseerde puingrondmengmonster M4 (zeeffractie < 20 mm) van de inspectiegat 1 uit de puinlaag tussen 0.3-0.5 m-mv) is ter indicatie geen verhoogd gemiddeld gewogen concentratie asbest gemeten boven de detectiegrens gemeten. Het totale gemiddeld indicatief gewogen gehalte asbest (fractie <20 mm + fractie >20 mm) in de puinlaag t.p.v. inspectiegat 1 bedraagt <0.8 mg /kg d.s en is daarmee niet verhoogd t.o.v. de bepalingsgrens. Ondergrond Op basis van de uitgevoerde inspectie van het opgeboorde materiaal uit de inspectiegat 1 zijn vanaf circa 0.5 m-mv visueel geen asbestverdachte materialen in de fijne
bestemmingsplan Industriew eg 1-3 Dedemsvaart en Hoogenw eg 58 Venebrugge | PAGINA 35
waargenomen. Van de ongeroerde ondergrond vanaf 0.5 m-mv zijn in deze fase van het onderzoek geen grondmonsters geanalyseerd op de fractie <20 mm. Omdat geen asbestverdacht materiaal (met fractie > 20 mm) in de ongeroerde ondergrond is aangetroffen is de verwachting dat er geen asbest met fractie < 20 mm in de ongeroerde ondergrond aanwezig is. 4.2.2.2 Noordelijk deel Zintuigelijke waarnemingen Op basis van zintuiglijke waarnemingen zijn in het opgeboorde bodemmateriaal geen bodemvreemde afwijkingen of asbestverdacht materiaal waargenomen (indicatieve waarneming). Bovengrond Bovengrondmengmonster MM1 bevat een verhoogd gehalte kwik, lood, zink (zware metalen) en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s) ten opzcihte van de achtergrondwaarde de tussenwaarde (indicatie voor nader onderzoek) en de bodemindex-waarde (>0.5) wordt in deze gevallen niet overschreden zodat daardoor uit milieuhygiënische overweging, naar onze mening, geen directe aanleiding bestaat tot het instellen van aanvullend onderzoek. Ondergrond Ondergrondmengmonster MM2 bevat geen van de onderzochte componenten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarde en/of detectiewaarde. Grondwater Het grondwater t.p.v. peilbuis 1 bevat geen van de onderzochte componenten verhoogd ten opzichte van de streefwaarde en/of detectiewaarde. 4.2.3
Conclusie
De met asbest verontreinigde grond wordt gesaneerd. Middels een BUS-melding Immobiel voor het saneren van de bovengrond op het zuidelijk deel van het terrein zal de asbest en de puin- en afvalresten gelijktijdig verwijderd worden. Deze BUS-melding zal worden uitgevoerd door een BRL 7000 erkende aannemer en onder begeleiding van een erkende milieukundige (BRL 6000 erkend). Met het saneren van de verontreinigde grond is er sprake van een voor wonen geschikte bodemkwaliteit. 4.3
Luchtkwaliteit
4.3.1
Algemeen
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);
bestemmingsplan Industriew eg 1-3 Dedemsvaart en Hoogenw eg 58 Venebrugge | PAGINA 36
4.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Veehouderijen zijn niet opgenomen in de Regeling NIBM. Toch is het niet altijd noodzakelijk om met behulp van een berekening vast te stellen of er sprake is van NIBM. Dit kan ook gedaan worden met een motivering, bijvoorbeeld op basis van ervaring.
Als hulpmiddel bij de motivering is een vuistregel opgesteld waarmee men kan aantonen of de fijnstofbijdragen van de veehouderijen op het plan is te beschouwen als Niet in Betekenende Mate (NIBM). In de vuistregel is een tabel opgenomen met als uitgangspunt de 3% NIBM grens. In de tabel is sprake van een "worst case" benadering. Dat betekent dat wanneer uit de toets blijkt dat de fijnstofbijdrage van een bedrijf op het beoordelingspunt voldoet aan de 3% NIBM grens, het ook voldoende aannemelijk is dat dit zal blijken uit een berekening met rekenprogramma ISL3a en deze laatste berekening daarvoor niet nodig is. Afstand tot te toetsen 70 m 80 m 90 m 100 m 120 m 140 m 160 m plaats Totale emissie in g/jr 324.000 387.00 473.00 581.00 817.00 1.075.0 1.376.00 0 0 0 0 00 0 4.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter.
Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig. 4.3.2
Situatie deelgebied Industrieweg 1
4.3.2.1 Externe werking van het plan Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling, in verhouding tot de categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 4.3.1.1 kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. 4.3.2.2 Interne werking van het plan Op basis van de "grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland", welke is gepubliceerd door het Rijksinstituut Volksgezondheid en Milieu, zijn op schaal van km2 de gemiddelde achtergrondconcentraties van diverse luchtverontreinigende stoffen aangegeven. De gegevens voor het plangebied worden weergegeven in onderstaande tabel:
bestemmingsplan Industriew eg 1-3 Dedemsvaart en Hoogenw eg 58 Venebrugge | PAGINA 37
Parameter
Achtergrondw Achtergrondw Grenswaarde Voldoet (ja/nee) aarde [µg/m2] aarde [µg/m2] [µg/m2] 2020 2030 Stikstofdioxid 10,61 7,1 40 ja e NO2 Zwevende 14,21 12,25 40 ja deeltjes PM10 Zwevende 7,5 6,01 25 ja deeltjes PM2,5 Uit de tabel blijkt dat aan de grenswaarden voor NO2 en PM10 en de blootstellingsconcentratieverplichting voor PM2,5 voldaan wordt. 4.3.2.3 Vuistregel veehouderijen Ten aanzien van de fijnstof afkomstig van veehouderijen in de omgeving, wordt opgemerkt dat in de omgeving van het plangebied een tweetal intensieve veehouderijen liggen die van belang kunnen zijn voor de bijdrage van fijnstofconcentratie op het plan. Hierna wordt op deze intensieve bedrijven ingegaan. Opgemerkt wordt dat de stalsystemen niet in alle gevallen bekend zijn. De emissie hangt af van het stalsysteem. Daarom is bij de dieren waar geen stalsysteem bekend is, in het kader van worst-case uitgegaan van het stalsysteem met de hoogste emissiefactor. Adres Afstand tot Veesoort en aantallen Emissie fijnstof in plangebied gram* Langejacht 22 950 m 195 vleeskalveren tot 8 maanden 195*33 = 6.435 (A4.100) 600 vleeskalveren tot 8 maanden 600*133 = 19.800 (A4.100) 1600 vleeskalveren tot 8 maanden 1600*7 = 11.200 (A4.5.4) Totaal 37.435 Het Bergje 6 1,1 km 3*432 vleesvarkens, opfokberen van 3*432*31= 40.176 ca. 25 kg tot 7 maanden, opfokzeugen van ca.
25 kg tot eerste dekking (D 3.2.15.4.1) 110 vleesvarkens, opfokberen van 110*153= 16.830 ca. 25 kg tot 7 maanden, opfokzeugen van ca. 25 kg tot eerste dekking (D. 3.100.2) 2*786*153= 2*768 vleesvarkens, opfokberen van 240.516 ca. 25 kg tot 7 maanden, opfokzeugen van ca. 25 kg tot eerste dekking (D 3.2.15.4.2) 2*960 vleesvarkens, opfokberen van 2*960*153= 293.760 ca. 25 kg tot 7 maanden, opfokzeugen van ca. 25 kg tot eerste dekking (D 3.2.15.4.2) Totaal 591.282 Totaal alle intensieve veehouderijen 628.717 * Gegevens voor de berekening zijn ingevoerd op basis van vigerende vergunningen. Emissies kunnen nadien zijn gewijzigd als gevolg van andere omrekenfactoren of gewijzigde vergunningen De totale emissie kan worden berekend door de emissiefactor * het aantal dieren in de betreffende categorie te berekenen. Uit de afstandentabel uit paragraaf 4.3.1.1 blijkt dat op een afstand van meer dan 160 meter de emissie meer dan 1.376.000 per jaar mag bedragen. In dit geval is de maximale totale emissie 628.717 op een afstand van minimaal 950 meter. Hiermee kan gesteld worden dat er ten aanzien van omliggende intensieve veehouderijen een aanvaardbaar woon- en leefkimaat in het plangebied kan worden verwacht.
bestemmingsplan Industriew eg 1-3 Dedemsvaart en Hoogenw eg 58 Venebrugge | PAGINA 38
4.3.3
Situatie deelgebied Hoogenweg 58
Ter plaatse van de Hoogenweg 58 wordt de bestaande agrarische bedrijfsvoering beëindigd en krijgt het deelgebied een woonbestemming. Een dergelijke ontwikkeling heeft geen toename tot gevolg van emissie van luchtverontreinigende stoffen, maar zorgt voor een afname. De woning komt niet op kortere afstand van omliggende veehouderijen te liggen, waardoor er geen sprake is van een afname van het woon- en leefklimaat in het kader van luchtkwaliteit. 4.3.4
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorgenomen ontwikkeling. 4.4
Externe veiligheid
4.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszones en plasbrandaandachtsgebieden).
Het transporteren van gevaarlijke stoffen per buisleiding is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 4.4.2
Situatie in en bij het plangebied
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. 4.4.2.1 Industrieweg 1-3 In afbeelding 4.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven. Het deelgebied is met de rode cirkel aangegeven.
bestemmingsplan Industriew eg 1-3 Dedemsvaart en Hoogenw eg 58 Venebrugge | PAGINA 39
Afbeelding 4.1: Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart.nl) Uit de inventarisatie blijkt dat er op circa 208 meter en 338 meter van het plangebied risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. Deze inrichtingen hebben echter (veel) kleinere risicocontouren, waardoor het plangebied buiten deze contouren valt. Voor het overige bevinden er zich geen risicobronnen rondom het plangebied. Het plangebied ligt dus niet: binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Op de risicokaart is niet weergegeven dat de Industrieweg een gemeentelijke weg voor het vervoer van gevaarlijke stoffen betreft. Ten behoeve hiervan is een notitie opgesteld ter verantwoording van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Deze notitie is als Bijlage 5 bijgevoegd. Uit de notitie volgt dat het voornemen in overeenstemming is met weten regelgeving ter zake van externe veiligheid. Aanbevolen wordt om bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen nader te beoordelen of er voldoende bluswater aanwezig is.
Mocht dit niet het geval zijn dienen er aanvullende brandkranen te worden geplaatst. Tot slot moet ook de Veiligheidsregio in de gelegenheid gesteld worden om een advies uit brengen. De veiligheidsregio heeft advies uitgebracht en adviseert het volgende: Toekomstige bewoners van de woningen erop te attenderen dat er vanwege het transport van brandbare vloeistoffen en -gassen over de Industrieweg een plasbrand en een BLEVE mogelijk zijn op Industrieweg. Bij een dreigende BLEVE te schuilen in de gebouwen in een ruimte aan de andere kant dan de Industrieweg. Bij een plasbrand weg te vluchten van de Industrieweg af. Het advies van de veiligheidsregio wordt aan toekomstige bewoners meegegeven.
bestemmingsplan Industriew eg 1-3 Dedemsvaart en Hoogenw eg 58 Venebrugge | PAGINA 40
4.4.2.2 Hoogenweg 58 Ter plaatse van de Hoogenweg 58 wordt de agrarische bedrijfsvoering beëndigd en wordt de bestaande bedrijfswoning naar een reguliere woning omgezet. Een dergelijke ontwikkeling zorgt niet voor een toename van de personendichtheid (er is door het beëindigen van de agrarische bedrijfsvoering zelfs sprake van een afname) en zorgt daarmee niet voor een toename van het plaatsgebonden risico en/of groepsrisico. 4.4.3
Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving wat betreft externe veiligheid. 4.5
Milieuzonering
4.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.
De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 4.5.2
Gebiedstypen
Volgens de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een 'rustige woonwijk' of een 'gemengd gebied'. Een 'rustige woonwijk' is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype 'rustige woonwijk' vergelijkbaar omgevingstype. Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur
bestemmingsplan Industriew eg 1-3 Dedemsvaart en Hoogenw eg 58 Venebrugge | PAGINA 41
liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het plangebied is aan te merken als gebiedstype 'gemengd gebied', gezien de ligging van het plangebied nabij het bedrijventerrein De Rollepaal. Daarnaast is er ten westen van het plangebied nog een maatschappelijke bestemming aanwezig en ligt het plangebied aan de Industrieweg, die voor een geluidsbelasting boven de voorkeurswaarde zorgt (zie paragraaf 4.1.2.3). Milieucategor Richtafstanden tot omgevingstype Richtafstanden tot omgevingstype ie rustige woonwijk gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m 4.5.3
Beoordeling
4.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Er dient bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 4.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie ‘wonen’ is niet milieubelastend voor de omgeving. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. 4.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe woningen hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. en andersom of de nieuwe functie de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantast. 4.5.3.3.1 Bedrijventerrein De Rollepaal Het plangebied ligt op relatief korte afstand van bedrijventerrein De Rollepaal.
Ter plaatse zijn bedrijfsactiviteiten van milieucategorie 3.1 (op circa 130 meter van het plangebied) en milieucategorie 3.2 (op circa 170 meter van het plangebied) toegestaan. Aangezien voor dergelijke bedrijfsactiviteiten van respectievelijk 30 meter en 50 meter gelden, wordt geconcludeerd dat ruim aan deze richtafstanden wordt voldaan. Er wordt dan ook geconcludeerd dat er sprake is van een aanvaardbaar woon en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen ten aanzien van het bedrijventerrein. Omgekeerd vormt de voorgenomen ontwikkeling geen belemmering voor de bedrijfsvoering van de bedrijven op bedrijventerrein.
bestemmingsplan Industriew eg 1-3 Dedemsvaart en Hoogenw eg 58 Venebrugge | PAGINA 42
4.5.3.3.2 Overige milieubelastende functies Ten westen van het plangebied bevindt zich een maatschappelijke bestemming behorende bij de Christelijke Daltonschool de Groen. Een dergelijke functie behoort tot milieucategorie 2, met een grootste richtafstand van 10 meter. Aan deze richtafstand wordt voldaan. Er wordt dan ook verwacht dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat de school niet in haar bedrijfsvoering wordt belemmerd. Op circa 180 meter ten noorden van het plangebied bevindt zich een agrarisch bedrijf. Planologisch is ter plaatse een intensieve veehouderij toegestaan. Opgemerkt wordt dat bij veehouderijen, op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' de grootste richtafstand veelal voor het aspect geur geldt. Bij agrarische bedrijven zijn, in het geval van veehouderijen, echter niet de adviesafstanden maar de wettelijk aan te houden afstanden of berekende geuremissiecontouren voor vergunningplichtige veebedrijven bepalend. Hier wordt in paragraaf 4.6 nader op ingegaan. Voor een intensieve veehouderij geldt, met uitzondering van het aspect geur, een grootste richtafstand van 50 meter voor het aspect geluid. Het plangebied bevindt zich op (veel) grotere afstand van de veehouderij, waarmee ruim aan de richtafstand wordt voldaan. Er is daarmee sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen.
Omgekeerd wordt het agrarische bedrijf niet in de bedrijfsvoering belemmerd. 4.5.4
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 4.6
Geur
4.6.1
Wet geurhinder en veehouderij & Activiteitenbesluit
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odeur per units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odeur units per kubieke meter lucht. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen. ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstand eisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv.
Op grond van het bepaalde in artikel 1 van de Wgv is een geurgevoelig object als volgt gedefinieerd: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijk bare wijze van gebruik, wordt gebruikt. De Wgv bevat een regeling (art. 14, lid 2 en 3) voor ondermeer voormalige bedrijfswoningen en compensatiewoningen in het kader van Rood voor rood. Het tweede lid van artikel 14 luidt: Voor de toepassing van de artikelen 3, 4 en 6 bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een woning die op of na 19 maart 2000 is gebouwd: op een kavel die op dat tijdstip in gebruik was als veehouderij; in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de veehouderij, en; in samenhang met de sloop van de bedrijfsgebouwen die onderdeel hebben uitgemaakt van de veehouderij;
bestemmingsplan Industriew eg 1-3 Dedemsvaart en Hoogenw eg 58 Venebrugge | PAGINA 43
ten minste 100 meter indien de woning binnen de bebouwde kom is gelegen en ten minste 50 meter indien de woning buiten de bebouwde kom is gelegen. 4.6.2
Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Hardenberg
De Wgv maakt het voor gemeenten mogelijk om gebiedsgericht geurbeleid op te stellen. Daarmee krijgt de gemeente een instrument om de ontwikkeling van (grootschalige) veehouderijen te sturen. Gemeenten mogen bij de verordening van de normen van de Wgv afwijken (artikel 6 Wgv), binnen bepaalde grenzen. Het hanteren van afwijkende normen moet worden onderbouwd vanuit een ruimtelijke visie op de ontwikkeling van het gebied, de zogenaamde "gebiedsvisie". De gemeente Hardenberg heeft een dergelijke 'geurverordening' opgesteld en gebiedsgericht geurbeleid ontwikkeld. In de geurverordening zijn de wettelijke geurnormen (odeur) en afstanden aangepast. De geurnorm voor veehouderijen in de bufferzone rondom diverse kernen, het plangebied bevindt zich in deze bufferzone, bedraagt 8 odeurunit per kubieke meter lucht. 4.6.3
Situatie plangebied
4.6.3.1 Industrieweg 1 Ten behoeve van de te realiseren compensatiewoningen is een geuronderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is als Bijlage 6 bijgevoegd. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten en conclusies ingegaan. Omliggende veehouderijen Binnen een straal van één kilometer is er, naast de veehouderijen met vaste afstandsdieren, één veehouderij met OU-dieren. Het adres van deze veehouderij is Langejacht 22 en ligt op circa 950 meter afstand van de nieuw te realiseren woningen. Op circa 1,1 kilometer afstand aan Het Bergje 6 bevindt zich nog een intensieve veehouderij met OU-dieren. Ondanks dat deze veehouderij buiten de straal van een kilometer rond de te realiseren woningen ligt, wordt deze vanwege de hoge emissie meegenomen in het onderzoek. Beoordeling woon- en leefklimaat Om het woon- en leefklimaat te kunnen beoordelen is zowel de voor- als de achtergrondbelasting berekend. De dichtstbijzijnde veehouderij is gelegen aan de Langejacht 22 te Dedemsvaart. De voorgrondbelasting ten gevolge van deze veehouderij bedraagt maximaal 0,9 OUE/m3 ter plaatse van de te realiseren woning. Met deze waarde is het woon- en leefklimaat als goed te kwalificeren. De achtergrondbelasting bedraagt tussen de 0,9 en 1 OUE/m3. Met deze waarde heeft minder dan 5% van de inwoners last van geurhinder van de omliggende veehouderijen ter plaatse van de te realiseren woning.
Het leefklimaat is met betrekking tot de achtergrond geurbelasting te kwalificeren als ‘zeer goed’. Bij het beoordelen van het woon- en leefklimaat bestaat de volgende vuistregel: de voorgrondgeurbelasting is maatgevend als die tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. In deze situatie is de voorgrondgeurbelasting maatgevend en is het woon- en leefklimaat te kwalificeren als goed. Aantasting planologische rechten veehouderijen De nieuwe woningen vormen geen belemmering voor een mogelijke uitbreiding van veehouderijen. Er zijn namelijk geurgevoelige objecten die dichterbij omliggende veehouderijen liggen, waardoor de te realiseren woningen niet maatgevend zijn voor de planologische rechten van de omringende veehouderijen.
bestemmingsplan Industriew eg 1-3 Dedemsvaart en Hoogenw eg 58 Venebrugge | PAGINA 44
4.6.3.2 Hoogenweg 58 Binnen 2 kilometer van deelgebied bevinden zich de volgende veehouderijen met dieren met geuremissiefactoren. De inventarisatie is gemaakt op basis van door de gemeente Hardenberg aangeleverde gegevens met betrekking tot de vergunde situatie van de betreffende veehouderijen. Adres
Afstand tot deelgebied Hoogenweg 59 300 meter Hoogenweg 46 1,35 kilometer Stobbenhaarweg 1b 250 meter Stobbenhaardweg 4 500 meter Stobbenhaarsweg 3a 800 meter Stobbenhaarsweg 14 1,2 kilometer Nieuwe Landweg 2 1,1 kilometer Stobbenhaarsweg 18 1,8 kilometer Enterbroekerdijk 4 1,8 kilometer Heideweg 2c 1,7 kilometer
Dieren met geuremissie Varkens Varkens Varkens Varkens Rundvee Rundvee Schapen Varkens en Rundvee Kippen Kippen
Totale geuremissie 24.742,400 2.454,000 41.669,300 14.194,400 1.068,000 1.673,200 78,000 31.918,300 44.451,000 36.396,360
Ter plaatse van de Hoogenweg 58 is sprake van een bestaande bedrijfswoning. De bedrijfswoning ligt binnen een concentratiegebied waar de maximale geurnorm van 14 OUE/m3 geldt. De woning komt als gevolg van voorliggend plan niet op kortere afstand van omliggende veehouderijen met dieren met geuremissiefactoren. Er is dan ook geen sprake van een verdere aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse. Daarnaast worden omliggende veehouderijen niet in hun bedrijfsvoering beperkt. Er wordt namelijk ruim aan de vaste afstandseis van 50 meter voldaan voor voormalige bedrijfswoningen op basis van artikel 14 van de Wgv. 4.6.4
Conclusie
Het aspect geur vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.7
Ecologie
4.7.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebiedsen soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuur Netwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 4.7.2
Gebiedsbescherming
4.7.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 29 mei 2019 (zie: AbRS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603 en ECLI:NL:RVS:2019:1604) heeft besloten dat het Programma Aanpak Stikstof (hierna: PAS) niet gebruikt mag worden als basis om toestemming te verlenen voor activiteiten die leiden tot een stikstoftoename ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen en soorten in Natura 2000-gebieden. Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied is 'Vecht en Beneden-Regge' op een afstand van circa 7,5 kilometer. Om de gevolgen van de gewenste ontwikkeling wat betreft stikstofdepositie
bestemmingsplan Industriew eg 1-3 Dedemsvaart en Hoogenw eg 58 Venebrugge | PAGINA 45
op Natura 2000-gebieden in kaart te brengen is een stikstofberekening met behulp van de AERIUS calculator door BJZ.nu uitgevoerd. Deze berekening is als Bijlage 7 bijgevoegd. In de komende alinea worden de belangrijkste conclusies uiteengezet. Voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase is geen sprake van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 4.7.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Natuur Netwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij' - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied ligt niet binnen of nabij de begrenzing van het NNN. De dichtstbijzijnde gronden die zijn aangemerkt als NNN liggen op circa 1,2 kilometer van het plangebied. Gezien de grote afstand tot NNN-gebied en de lokale invloedssfeer van de voorgenomen ontwikkeling wordt verwacht dat er geen sprake is van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. 4.7.3
Soortenbescherming
4.7.3.1 Algemeen Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. In voorliggend geval is door Alcedo Natuurprojecten een Quickscan ecologie uitgevoerd voor deelgebied Industrieweg 1-3. Deze is als Bijlage 8 bijgevoegd. Daarnaast is er voor deelgebied Hoogenweg 58 een quickscan ecologie door Natuurbank Overijssel uitgevoerd. Deze is als Bijlage 9 bijgevoegd. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten en conclusies ingegaan.