CConstaterende datHardenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting 'Hardenberg, Marslanden II, herontwikkeling Eugenboersdijk 9 Hardenberg'

gemeenteraad 19 december 2023, gemeente HardenbergBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 'Hardenberg, Marslanden II, herontwikkeling Eugenboersdijk 9 Hardenberg22.192 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Deze sporen bevinden zich direct onder de bouwvoor of een eventueel aanwezig plaggendek in de top van het intacte dekzand, op ca. 50 cm -mv. Ter plaatse van deelgebied Erve Odink is een historisch erf aangetroffen dat kan worden gedateerd vanaf de 17e eeuw. Voorgangers van dit erf hebben vermoedelijk in oostelijke richting, op de flank van de dekzandrug, gelegen. Deze zone is echter met de bouw en sloop van de stallen tot grote diepte verstoord. Het is waarschijnlijk dat de voorganger van het erf hierbij is verdwenen. Binnen deelgebied Erve Odink kunnen sporen van het historische erf worden verwacht vanaf de 17e eeuw. Deze sporen kunnen worden verwacht

bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, herontwikkeling Eugenboersdijk 9 Hardenberg | PAGINA 49

direct onder de subrecente ophoging op ca. 70 cm -mv. De begrenzingen van de vindplaatsen binnen de plangebieden worden weergegeven in afbeelding 15 van Bijlage 9. Voor deze locaties wordt geadviseerd de dubbelbestemming archeologie te behouden. Voor de zones binnen plangebied Havezathe Es II wordt geadviseerd om archeologisch onderzoek noodzakelijk te stellen voor ingrepen met een ontgravingsdiepte van 30 cm -mv. Voor de zone van Erve Odink wordt geadviseerd om archeologisch onderzoek noodzakelijk te stellen voor ingrepen vanaf 50 cm -mv. Bij de aangegeven ontgravingsdiepten wordt rekening gehouden met een bufferzone van 20 centimeter boven het archeologisch niveau. Voor de zones binnen het plangebied, maar buiten de advieszones, wordt geadviseerd om het plangebied vrij te geven ten aanzien van het omgevingsaspect ‘archeologische waarden’ en bij de vergunningverlening geen verdere voorwaarden te stellen ten aanzien van bodemroerende werken binnen deze delen van het plangebied. Voor de geplande ingrepen betekent dit dat voor alle graafwerkzaamheden binnen de advieszones en dieper dan de aangegeven vrijstellingsgrenzen, vervolgonderzoek noodzakelijk is. Geadviseerd wordt om conform de huidige plannen de van de nieuwbouw binnen de advieszones de contouren van de bouwkuip op te graven. Op deze zones is de archeologische dubbelbestemming daarom gehandhaafd.

Voor het plangebied geldt dat eind 2023 een groot deel wordt opgegraven binnen de woonbestemming, waardoor alleen de delen waar een tuinbestemming geldt, een archeologische dubbelbestemming is gehandhaafd. 5.8.2

Cultuurhistorie

5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.8.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich in het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. In het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt met betrekking tot voorliggend plan. 5.8.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden. Ten aanzien van archeologie blijft de dubbelbestemming gehandhaafd teneinde de verwachte waarden te beschermen.

5.9

Besluit milieueffectrapportage

5.9.1

Algemeen

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan);

bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, herontwikkeling Eugenboersdijk 9 Hardenberg | PAGINA 50

Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit.

Een belangrijk element in het Besluit m.e.r., is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. 5.9.2

Situatie plangebied

In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en daarmee geen sprake van een directe m.e.r.-plicht. In onderdeel D 11.2 van het besluit wordt de “aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen” genoemd. Indien geoordeeld wordt dat sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' is mogelijk een vormvrije m.e.r.- beoordeling noodzakelijk. Uit jurisprudentie volgt dat het antwoord op de vraag of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aan de hand van aspecten als aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling gaat uit van de buiten werking stelling van een agrarisch bedrijf en de realisatie van drie woningen. Het gaat om een (zeer) kleinschalige ontwikkeling waarbij het aantal verkeersbewegingen niet (onevenredig) toeneemt.

Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een functie die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen of een beperking voor andere functies in de directe omgeving. Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Tevens blijkt uit dit hoofdstuk en Hoofdstuk 6 dat dit bestemmingsplan geen belangrijk nadelige milieugevolgen heeft, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.

bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, herontwikkeling Eugenboersdijk 9 Hardenberg | PAGINA 51

5.9.3

Conclusie

Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.

5.10

Verkeer en parkeren

5.10.1 Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de effecten op de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die ontstaat door de nieuwe ontwikkeling. De gemeente Hardenberg beschikt over een eigen parkeernota. Hierin is aansluiting gezocht bij de landelijke parkeerkencijfers op basis van de publicatie 'Toekomstbestendig parkeren (december 2018)' van het CROW. Wat betreft de functies wordt aansluiting gezocht bij de functies zoals genoemd in deze CROW-publicatie. De parkeernormen in CROW-publicatie 381 Toekomstbestendig parkeren bestaan uit een minimum- en maximumwaarde. In de gemeente Hardenberg is vanuit de duurzaamheidsgedachte de minimale parkeernorm voor auto's voldoende. Om schijnnauwkeurigheid te voorkomen is in de Parkeernormennota uitgegaan van één stedelijkheidsgraad, te weten: "weinig stedelijk gebied" voor de gehele gemeente. De verschillen in inrichting en bebouwing in de gemeente zijn redelijk groot, waardoor het zinvol is om onderscheid te maken naar gebiedskenmerken, te weten: centrum, schil/overloopgebied, rest bebouwde kom en buitengebied. In de Parkeernormennota is de gebiedsindeling opgenomen. Het plangebied wordt aangemerkt als rest bebouwde kom. Tot slot kan worden vermeld dat de gemeente Hardenberg aangemerkt wordt als een weinig stedelijke gemeente.

5.10.2 Parkeren In voorliggend geval gaat het om de realisatie van maximaal drie vrijstaande woningen. Op basis van vorenstaande uitgangspunten gelden de volgende parkeernormen: Koop, huis, vrijstaand: parkeernorm van 1,9 parkeerplaatsen per woning, totaal afgerond 5 parkeerplaatsen; Bij alle woningen bestaat de mogelijkheid om parkeervoorzieningen op eigen terrein te realiseren. Door een bepaling omtrent parkeren op te nemen in de regels wordt dit ook juridisch geborgd (zie regels artikel 10.1). 5.10.3 Verkeersgeneratie Voor het bepalen van de verkeersgeneratie zijn eveneens de kencijfers uit de publicatie 'Toekomstbestendig parkeren (december 2018)' van het CROW gehanteerd. Hierbij is uitgegaan van de minimale verkeersgeneratie, aangezien ook uit is gegaan van de minimale parkeernorm. In onderstaande tabel is de verkeersgeneratie globaal in beeld gebracht. Functie Koop, huis, vrijstaand

Aantal Verkeersgenerat Totale ie per woning verkeersgeneratie 3 7,8 23,4

In dit geval worden de woningen ontsloten op de Eugenboersdijk. De woningen krijgen een in- en eigen in- en uitrit op de Eugenboersdijk. Deze weg is van voldoende capaciteit om het verkeer veilig en overzichtelijk te ontsluiten.

bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, herontwikkeling Eugenboersdijk 9 Hardenberg | PAGINA 52

Hoofdstuk 6

Wateraspecten

6.1

Vigerend beleid

6.1.1

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2

Rijksbeleid

Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2022-2027. Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Het Nationaal Water Programma 2022–2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. 6.1.3

Provinciaal beleid

In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 6.1.4

Waterschap Vechtstromen

Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het algemeen bestuur van waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 15 december 2021 het 'Waterbeheerplan 2022-2027 vastgesteld. In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2022-2027) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op: Voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte; Beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en Het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem; Het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties. Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021

bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, herontwikkeling Eugenboersdijk 9 Hardenberg | PAGINA 53

door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Daarbij kan gaan om zowel nieuw beleid als staand beleid en maatregelen. Voor het nieuwe beleid, dat nog niet is vastgesteld door dagelijks en/of algemeen bestuur en waarbij het participatieproces nog niet voltooid is, heeft het waterbeheerprogramma een agenderende functie. Dit betekent dat invulling van de inhoud van dit nieuwe beleid buiten de scope van het waterbeheerprogramma ligt. 6.1.5

Gemeentelijk rioleringsplan (2018-2022)

In het Gemeentelijk Rioleringsplan 2018-2022 (GRP) heeft gemeente Hardenberg het rioleringsbeleid vastgelegd voor een periode van vijf jaar (1 januari 2018 tot en met 31 december 2022). Hierin staat wat de gemeente heeft gedaan op het gebied van riolering, moet doen, wil doen, gaat doen, hoe dat wordt georganiseerd en wat het kost. In dit GRP focust de gemeente zich op de vraag: wat wil de gemeente bereiken met de rioleringszorg en wat merkt de inwoner daarvan? De gemeente gaat van normgericht naar resultaatgericht. In het rioleringsplan wordt het volgende beschreven; Welke rioleringsvoorzieningen heeft de gemeente Hardenberg; Hoe worden de voorzieningen beheerd; Welke gevolgen er zijn voor het milieu; Welke voorzieningen zijn (binnenkort) aan vervanging toe; Welke verbeteringen zijn er nodig; Wat zijn de kosten hiervan; Hoe en welke kosten worden op burgers en bedrijven verhaald. Bovenstaande beschrijving vormt de kerngedachte van het gemeentelijke rioleringsplan of wel het GRP. Het rioleringsbeleid van de gemeente wordt door het GRP inzichtelijk gemaakt. In het GRP wordt niet alleen gekeken naar het afvalwater maar ook naar het grond- en hemelwater. 6.2

Waterparagraaf

Convenant met het waterschap In het kader van de herijking wateropgave Vechtstromen Noord zijn de projecten uit het Lokaal Bestuursakkoord Water in 2015 opnieuw beoordeeld met het oog op gewijzigde inzichten in het omgaan met klimaatverandering en het streven naar meer kosteneffectiviteit. De resultaten van deze herbeoordeling zijn in grote lijnen verwoord in het document "Herijking wateropgave Vechtstromen Noord, 28 oktober 2015", dat is vastgesteld in de stuurgroep LBW van 28 oktober 2015. De gemeente Hardenberg en het waterschap Vechtstromen hebben in aanvulling hierop afspraken gemaakt over de consequenties van de herijking voor het gebied Collendoorn (Marslanden/Molengoot/Collendoornerveen). Het convenant is opgenomen als bijlage 16. Op basis van het convenant is het waterhuishoudkundige systeem verder uitgewerkt in samenspraak met het waterschap. Waterhuishoudkundige aspecten Voor de eerste fase van de Havezate Es heeft Aveco de Bondt BV een waterhuishoudkundig plan opgesteld. Fase 2 is hierin niet meegenomen, echter kan wel gesteld worden dat de waterhuishouding aansluit bij de uitgangspunten zoals ze in het waterhuishoudkundig plan zijn gesteld. De riolering wordt zodanig gedimensioneerd dat deze onder vrij verval afvoert naar een nieuw rioolgemaal nabij Marshoogte en een deel op bestaand rioolstelsel onder de Havezateweg.

De maximale belasting van de Havezate Es naar het nieuwe rioolgemaal is 3,42 m3/uur. Het ontwerp van het hemelwatersysteem kenmerkt zich door de bovengrondse behandeling

bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, herontwikkeling Eugenboersdijk 9 Hardenberg | PAGINA 54

van het hemelwater. Het hemelwater wordt vanaf de verhardingen afgevoerd naar de verlagingen op openbaar terrein. Hierin wordt het water geborgen, heeft het de mogelijkheid om te infiltreren en wordt het water vertraagd afgevoerd naar het oppervlaktewater. De inrichting van de oppervlakkige hemelwaterafvoer en waterbergingen bieden voldoende mogelijkheid om een goede waterkwaliteit te waarborgen. Door de zichtbaarheid van het hemelwatersysteem vallen knelpunten op en kan wateroverlast tijdig voorkomen worden. Voor de verdere uitwerking van het ontwerp dient onder andere met de volgende zaken rekening te worden gehouden: Het functioneren van de hemelwaterafvoer is sterk afhankelijk van de hoogteliggingen en het afschot van de kavels, gebouwen en straatpeilen. Aandachtspunt hierbij is het wegontwerp van de watervoerende wegen. Eventuele toepassingen van beplanting en bomen in de waterbergingen is van invloed op de bergingscapaciteit en het functioneren van de bovengrondse waterbergingen. De wadi's dienen zo ontworpen te worden dat deze in droge toestand niet te veel voor activiteiten gebruikt wordt, omdat dan de bodem verdicht wordt en daardoor de infiltratiecapaciteit vermindert. Op enkele locaties kruisen DWA en HWA leidingen elkaar. Bij nadere uitwerking van het ontwerp dient rekening te houden met voldoende afstand tussen de leidingen en de dekking tot aan het maaiveld.

Op enkele locaties zijn er HWA leidingen aanwezig onder openbare wegen. De verbindingen zijn getoetst met een duiker (zinker) met binnendiameter van 297 mm. Bij toepassing van molgoten of verholen goten dient de afvoercapaciteit van deze leidingen beschouwd te worden. In april 2020 zijn er 2 peilbuizen in het plangebied geplaatst. Zodra er een voldoende grote tijdreeks beschikbaar is van de grondwaterstandsmetingen moeten deze worden gebruikt om het uitgangspunt van de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) te controleren. Indien de GHG dusdanig hoger ligt dan het uitgangspunt dan moet het ontwerp van de wadi's en de hoogtes in het ontwerp opnieuw worden beschouwd. Bij de verdere uitwerking van de plannen zal met deze zaken rekening gehouden worden. In februari 2023 is er contact geweest met het waterschap. Deze geeft aan dat het plan akkoord is, mits aan de waterbergingseis van 44 mm per m2 verhard oppervlak zal worden voldaan. Hier is in het plan voldoende ruimte voor. Het waterschap adviseert hiermee positief.

bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, herontwikkeling Eugenboersdijk 9 Hardenberg | PAGINA 55

Hoofdstuk 7 7.1

Juridische aspecten en planverantwoording

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is. 7.2

Opzet van de regels

7.2.1

Algemeen

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. Hoofdstuk 1 Inleidende regels; 2. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels; 3. Hoofdstuk 3 Algemene regels; 4. Hoofdstuk 4 Overgangs-en slotregels. 7.2.2

Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd. Wijze van meten (Artikel 2) Om op een eenduidig manier afstanden, oppervlaktes en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. 7.2.3

Bestemmingsregels

Dit hoofdstuk bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen, zoals weergegeven op de verbeelding van dit bestemmingsplan. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan;

bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, herontwikkeling Eugenboersdijk 9 Hardenberg | PAGINA 56

Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bouwhoogte, inhoudsmaat, etc.); Afwijken van de bouw- en gebruiksregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bouw- en gebruiksregels; Specifieke gebruiksregels: welk gebruik van gronden en opstallen in ieder geval strijdig zijn; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; Wijzigingsbevoegdheid: onder welke voorwaarde het plan mag worden gewijzigd. In paragraaf 7.3.1 worden de bestemmingen nader toegelicht. 7.2.4

Algemene regels

Hoofdstuk 2 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: Artikel 7 Anti-dubbeltelregel Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage. Artikel 8 Algemene bouwregels In dit artikel zijn regels opgenomen ten aanzien van afstanden tot wegen. Artikel 9 Algemene afwijkingsregels In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. Artikel 10 Overige regels In dit artikel zijn enkele overige regels opgenomen met betrekking tot de werking van wettelijke regelingen, afstemming welstandstoets, uitsluiting seksinrichting, afstemming APV en evenementen, parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden. 7.2.5

Overgangs- en slotregels

In dit hoofdstuk staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

7.3

Verantwoording van de regels

7.3.1

Bestemmingen

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. Tuin (Artikel 3) Het voorste gedeelte van het plangebied, grenzend aan de Eugenboersdijk, is bestemd tot Tuin. Dit is gedaan om deze gebieden vrij te houden van gebouwen. Gronden met deze bestemming zijn met name bestemd voor tuinen. Er mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gebouwd worden. Specifiek is ook aangegeven dat ontsluitingen ten behoeve van aangrenzende bestemmingen zijn toegestaan.

bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, herontwikkeling Eugenboersdijk 9 Hardenberg | PAGINA 57

Woongebied (Artikel 5) Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de kavels. De regels sluiten nagenoeg volledig aan bij de bestemming 'Woongebied' in het aangrenzende Havezate Es, fase II. Wel is specifiek het aantal woningen vastgelegd en is bepaald dat het gaat om vrijstaande woningen. Ook is specifiek, aansluitend bij fase I van de Havezate Es, bepaald dat een kavel minimaal 600 m2 moet bedragen. Een andere vorm van maatwerk vormt een bijgebouw voor de voorgevel, ter plaatse van een daarvoor opgenomen aanduiding. In uitzondering van de standaard regels mag het bijgebouw ter plaatse van deze aanduiding voor de voorgevel worden gebouwd. Via enkele binnenplanse afwijkingen kent het plan een zekere flexibiliteit. In de regels bij deze bestemming is bepaald dat gronden met deze bestemming zijn bedoeld voor het wonen en tevens voor aan huis verbonden beroepen, verkeer en verblijfsvoorzieningen, openbare nutsvoorzieningen, groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, parkeervoorzieningen, tuinen, erven en agrarische cultuurgrond. Er is gekozen voor een flexibele regeling, waarbij de bouwregels onderscheid maken in: Hoofdgebouwen, bijgebouwen en overkappingen; Bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde.

Gebouwen en overkappingen voor openbare nutsvoorzieningen en verkeers- en verblijfsvoorzieningen; Waarde - Archeologie 4 (Artikel 6) Ter waarborging van de archeologische waarden is de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 4 conform huidig bestemmingsplan overgenomen. Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden. Aan de bestemming is een omgevingsvergunningstelsel gekoppeld waarbij dieptes en oppervlaktes zijn vastgelegd waarvoor een vergunning- en onderzoeksplicht geldt.

bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, herontwikkeling Eugenboersdijk 9 Hardenberg | PAGINA 58

Hoofdstuk 8

Economische uitvoerbaarheid

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd en het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. Dat is hier het geval. De initiatiefnemer van het plan heeft aangegeven dat het plan voor haar economisch uitvoerbaar is.

bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, herontwikkeling Eugenboersdijk 9 Hardenberg | PAGINA 59

Hoofdstuk 9

9.1

Vooroverleg, inspraak en zienswijzen

Vooroverleg

Op grond van artikel 3.1.1 Bro is vooroverleg vereist met het waterschap en met de diensten van de provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. 9.1.1

Het Rijk

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 9.1.2

Provincie Overijssel

Het plan zal in het kader van vooroverleg aan de provincie Overijssel worden voorgelegd. 9.1.3

Waterschap Vechtstromen

In het kader van de watertoets heeft er een digitale watertoets plaatsgevonden via de website www.dewatertoets.nl. De uitkomsten van deze watertoets hebben geleid tot de 'korte procedure'. Het waterschap geeft een positief wateradvies.

9.2

Inspraak

Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In het voorliggende geval wordt vanwege de aard en beperkte omvang geen voorontwerp bestemmingsplan ter inzage gelegd.

9.3

Zienswijzen

Het bestemmingsplan heeft voor een periode van zes weken als ontwerp ter inzage gelegen. In deze periode is er één zienswijze ingediend. Deze heeft geleid tot een aanpassing in het bestemmingsplan. In Bijlage 13 wordt hier uitgebreid op ingegaan. Het vooroverleg is hiermee positief afgerond.

bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, herontwikkeling Eugenboersdijk 9 Hardenberg | PAGINA 60

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13543178/2