Toelichting 'Hardenberg, Marslanden II, herontwikkeling Eugenboersdijk 9 Hardenberg'
Tekst van het document
De gemeente kan veel woonkwaliteit bieden voor een relatief lage prijs. Om aantrekkelijk en klaar voor de toekomst te blijven is maatwerk per kern belangrijk. Hierna worden de ambities behorend bij dit subthema benoemd: de gemeente wil, naast de eigen inwoners, minimaal 1.000 nieuwe huishoudens een plaats geven; de gemeente wil jongeren vasthouden of naar de gemeente laten terugkeren; we verleiden hoger opgeleiden met jonge gezinnen om in de gemeente te komen wonen en werken; de gemeente speelt flexibel in op nieuwe ontwikkelingen op het gebied van wonen (adaptieve aanpak). De gemeente werkt kleinschalig en levert maatwerk per kern.
bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, herontwikkeling Eugenboersdijk 9 Hardenberg | PAGINA 27
Dedemsvaart en Hardenberg (Marslanden) houden grotere uitbreidingslocaties; de gemeente zoekt meer mogelijkheden voor wonen in het landelijk gebied en in de kleine kernen; de gemeente zoekt naar mogelijkheid voor huisvesting van tijdelijke werknemers uit het buitenland. De belangrijkste opgaven betreffen: samen met het onderwijs en bedrijfsleven starten met een marketingcampagne om mensen naar de gemeente te trekken. Doel is het vasthouden van de bevolkingsgroei en daarmee ons voorzieningenniveau in stand te kunnen houden; de gemeente breidt de woningvoorraad uit en verbeterd deze. De woningvoorraad ziet er de komende 5-10 jaar als volgt uit: 1. Tot 2035 zijn tenminste 3.500 woningen nodig. 3.000 daarvan wil de gemeente bouwen voor 2030. Dit betekent dat er van 2022 tot 2026 jaarlijks 300 nieuwe woningen nodig zijn. 2. in en rond de centra maakt de gemeente het woningaanbod diverser; 3. in de uitleggebieden bouwt de gemeente vooral voor de overloop van de regio Zwolle (startende huishoudens) en op een enkele locatie voor de hogere inkomens; 4. de gemeente wil goed inspelen op de marktvraag, zowel qua aantal als type woning. Daarom zorgt de gemeente voortdurend voor voldoende nieuwe woonbestemmingen in de bestemmingsplannen; 5.
samen met woningcorporaties gaat de gemeente voor tijdelijke uitbreiding, verduurzaming en transformatie van minimaal 300 sociale huurwoningen tot 2023; 6. de gemeente stimuleert woningeigenaren om te investeren in duurzaamheid en levensloopbestendigheid; 7. het woningbouwprogramma is gebaseerd op leefbaarheid, ook op de langere termijn. 8. in samenspraak met ontwikkelaars en consumenten richt de gemeente zich vooral op kleine woningbouwprojecten. Zo kan goed ingespeeld worden op woontrends. 9. De gemeente verbeterd de woonkwaliteit door woningen te renoveren. Zo ontstaat een diverse woningvoorraad die levensloopgeschikt en energiezuinig is. Om een tijdelijke piek in de woningbehoefte tot 2025-2030 op te vangen is gestart met het versnellen van de nieuwbouw. samen met de (dorps)gemeenschappen werkt de gemeente aan kaders voor nieuwe woningbouwontwikkelingen en aanpassingen van de bestaande woningvoorraad. 4.4.1.4 Opgaven per gebied De gemeente zet zich al lang in om ontwikkelingen in het buitengebied bij te laten dragen aan versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het beleid beschrijft daarom voor elk landschapstype de belangrijkste gebiedskenmerken en ontwikkelingsrichtingen. Bij het maken van dit beleid waren zowel bewoners als professionals betrokken. De resultaten zijn vastgelegd in Landschap-Identiteit-Kaarten (LIK’s).
Deze vormen de natuurlijke onderlegger voor ontwikkelvisies voor verschillende deelgebieden. In dit geval ligt het plangebied in het LIK Noordelijke stadsrandzone Hardenberg, in het essen- en hoevenlandschap. De gemeente biedt hier onder andere ruimte voor nieuwe woonfuncties na bedrijfsbeëindiging en splitsing van voormalige boerderijen in meerdere wooneenheden. De gemeente richt ook op het behoud van de openheid van essen en verbeterde landschappelijke inpassing van de wijk Marslanden.
bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, herontwikkeling Eugenboersdijk 9 Hardenberg | PAGINA 28
4.4.1.5 Toetsing van het initiatief aan de gemeentelijke omgevingsvisie 'Landstad Hardenberg' Deze ontwikkeling past binnen de ambitie om aan nieuwe huishoudens een plaats te geven. De Marslanden zijn specifiek aangewezen als grote uitbreidingslocatie. Zoals ook in het regionale beleid is aangegeven, is het wenselijk om tot 2035 3.500 woningen te bouwen, waarvan 3.000 tot 2030 en tussen 2022 en 2026 jaarlijks 300 woningen. Door dit project wordt hier in kleine mate aan bijgedragen. Het past tevens in het aansluitende streven om voldoende woonbestemmingen in bestemmingsplannen op te nemen. Ten aanzien van de Noordelijke standsrandzone wordt gesteld dat de woningen passend in het essenlandschap worden gerealiseerd. In dit geval gaat het ten aanzien van sociale huurwoningen om een kleine uitbreiding, met name bestemd voor het luxere segment. In dit gedeelte is het niet wenselijk om sociale huurwoningen te bouwen. Die worden op een andere plaats in Hardenberg gebouwd. Deze invulling moet worden gezien als een aanvulling op Havezate Es, die als doel dient om in de woonbehoefte van dit segment te voldoen. Geconcludeerd wordt dat het initiatief hiermee naadloos aansluit bij de ambities zoals verwoord in de gemeentelijke omgevingsvisie 'Landstad Hardenberg'. 4.4.2
Programma Wonen
4.4.2.1 Algemeen Het Programma Wonen is op 26 maart 2019 door de gemeenteraad van Hardenberg vastgesteld. Het programma legt de woonambities voor de langere termijn vast, maar voorziet daarnaast in concrete maatregelen voor de eerstvolgende twee jaar. 4.4.2.2 Ambitie: rust en ruimte, met oog voor elkaar ook in de toekomst In de gemeente Hardenberg is het al jaren goed wonen, werken en leven. Door de ligging in het groene Vechtdal en de vele aantrekkelijke kleine kernen ervaren inwoners en bezoekers de rust, ruimte en veiligheid die de gemeente Hardenberg kenmerkt. Tegelijkertijd zijn er met Hardenberg en Dedemsvaart twee stedelijke kernen waar de werkgelegenheid zich concentreert en alle voorzieningen te vinden zijn. Demografen verwachten dat het aantal inwoners en huishoudens van de gemeente Hardenberg het komende decennium zal blijven groeien. In tegenstelling tot de situatie in de meeste andere Nederlandse plattelandsgemeenten is nieuwbouw noodzakelijk om aan de lokale woningvraag te kunnen voldoen. Natuurlijk zijn er wel verschillen tussen de diverse kernen. Zo zijn ‘steden’ Hardenberg en Dedemsvaart in trek als woonlocatie, ook voor huishoudens van buiten onze gemeente en zijn de dorpen en buurtschappen vooral gewild bij de lokale bevolking en rustzoekers van buitenaf.
De afgelopen jaren is, mede door de ladder voor duurzame verstedelijking, sterk ingezet op woningbouw op locaties binnen bestaand stedelijk gebied. Het bouwen van woningen op inbreidingslocaties is een goed streven, als dat betekent dat de kwaliteit van het gebied en de woonkwaliteit daarmee vergroot wordt. 4.4.2.3 De juiste woning voor elk huishouden Doorstromers vormen de grootste groep op de woningmarkt. Hardenberg is een echte gezinsgemeente. In deze levensfase zijn huishoudens op zoek naar een ruimere woning of wil men doorstromen van een huur naar een koopwoning. Het aanbod aan ruime grondgebonden koopwoningen dat vanuit de bestaande voorraad op de markt komt, is te klein om te voorzien in de verwachte vraag. Ontwikkelaars hebben veel interesse om voor de groep doorstromers te bouwen. Er wordt ruimte geboden dit te doen, maar hierbij wordt wel meegewogen dat er geen sprake is van
bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, herontwikkeling Eugenboersdijk 9 Hardenberg | PAGINA 29
een overschot aan gezinswoningen op termijn. De gemeente Hardenberg vergrijst in hoog tempo. Dat is niet uitzonderlijk voor een middelgrote gemeente in het oosten van het land, maar wel iets om rekening mee te houden in ons woonbeleid. Gelukkig zijn ouderen steeds vitaler en zelfstandiger. In het woonbeleid is daarom de keuze aan ouderen gelaten om of langer zelfstandig te wonen of door te stromen naar een meer geschikte en comfortabele woning. Voor de kern Hardenberg is specifiek het volgende opgenomen: Betaalbare rij- en hoekwoningen; Middeldure 2-onder-1-kap en vrijstaande woningen; (Betaalbare) appartementen. 4.4.2.4 Toetsing van het initiatief aan het Programma Wonen In de regionale woonvisie is aangegeven dat in de regio op dit moment onvoldoende plancapaciteit is om de groei van 35.000-40.000 huishoudens tot 2030 op te vangen. Dat betekent dat regiobreed op zoek wordt gegaan naar geschikte locaties en strategieën voor het toevoegen van 9.000 - 14.000 woningen extra plancapaciteit na 2025. Regionaal gezien is er daarmee sprake van een kwantitatieve behoefte. De zachte plancapaciteit bedraagt 1.753 woningen. Het is dus noodzakelijk om een groot deel van de zachte plancapaciteit om te zetten naar harde plancapaciteit.
Daarnaast wordt gesteld dat de capaciteit nog verder zal moeten groeien om aan de regionale doelstellingen te kunnen voldoen, die hoger ligt dan de behoefte zoals geschetst in de woonvisie en meer recent is. Naast de vraag of er een kwantitatieve behoefte is, is het ook van belang dat het voorliggende plan bijdraagt aan de kwalitatieve behoefte. Ten eerste kan ten aanzien van dit plan worden geconcludeerd dat het plan voorziet in de toenemende vraag naar vrijstaande woningen in de kern Hardenberg. Ten tweede voorziet het plan in een ander segment, namelijk het duurdere segment waarbij er sprake is van een forse kavelomvang. 4.4.3
Welstandsnota
4.4.3.1 Inleiding De gemeenteraad heeft op 29 november 2011 de Welstandsnota Hardenberg Visie op beeldkwaliteit vastgesteld. Deze nota zet in op “het leggen van verbindingen tussen bestaande gebiedskwaliteiten en nieuwe ontwikkelingen, tussen oud en nieuw, tussen snel en traag, tussen stad en land, tussen rood en groen, tussen opbrengsten en kosten". De ambitie is een kwaliteitsontwikkeling in gang te zetten waarbij elk project bijdraagt aan de versterking van de beeldkwaliteit van de leefomgeving. Daarmee zullen de verschillende kernen zich meer onderscheiden en krijgt elke kern haar eigen kleur (terug). De gemeente wil meer vrijheid voor burgers creëren. Dit wordt bereikt door kaders te stellen 'waar het er toe doet' en andere delen van de gemeente regelvrij te maken. Een en ander komt tot uiting in de toekenning van drie niveaus (zie navolgende). Op de belangrijke plekken wordt door middel van welstand en bestemmingsplan gestuurd. De laag gewaardeerde plekken zijn welstandsvrij. Voor deze gebieden is het bestemmingsplan (of de beheersverordening) maatgevend. De Welstandsnota maakt onderscheid naar de volgende niveaus: Niveau 0 (laag): Geen eisen ten aanzien van welstand. Beeldkwaliteit wordt geregeld in het bestemmingsplan (of de beheersverordening). Niveau 1 (midden): Specifieke ambitie ten aanzien van beeldkwaliteit, gericht op behoud van belangrijkste
bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, herontwikkeling Eugenboersdijk 9 Hardenberg | PAGINA 30
gebiedskenmerken van architectonische of stedenbouwkundige aard. Inzet van een globale vorm van welstand met planbegeleiding naast het bestemmingsplan (of de beheersverordening). Niveau 2 (hoog): Hoge ambitie ten aanzien van beeldkwaliteit, bij gebieden en/of locaties met een hoge architectonische en stedenbouwkundige waarde. Inzet van welstand met een intensieve vorm van planbegeleiding naast het bestemmingsplan. Het plangebied is gelegen binnen een gebied waar het welstandsniveau 1 van toepassing is. 4.4.3.2 Welstandscriteria Niveau 1 De ontwikkeling van Eugenboersdijk 9 valt binnen welstandsniveau 1 (midden) van het essen- en hoeven landschap. Onder dit niveau vallen alle gebieden die om een zorgvuldige beoordeling van de bouwkundige ingrepen vragen. Het accent ligt hier op het handhaven en respecteren van of reageren op kenmerkende karakteristieken. De beoordeling is vooral gericht op het handhaven en waar mogelijk versterken van de specifieke gebiedskwaliteiten. Onderstaand de hoofdelementen zoals omschreven voor welstandsniveau 1. Erfstructuur De landschappelijke structuur, de positie en oriëntatie van bebouwing op het erf in de directe omgeving zijn richtinggevend bij nieuwbouw. De bebouwing sluit aan op de losse erfstrooiing (soms landschapsgekeerd: met de achterzijde naar de weg).
Hoofdvorm De hoofdmassa is eenvoudig vormgegeven (zadelkap met lage gootlijn) en passend (qua maat en schaal) tussen de bebouwing in de omgeving. Gevels Alle gevels richting de omgeving zijn representatief vormgegeven. De architectuur is afgestemd op de bebouwing uit de omgeving en reageert op de streekeigen gebiedskenmerken. Bij verbouw aan (voormalige) boerderijen blijft het onderscheid tussen voor- en achterhuis (woongedeelte en schuur) zichtbaar. In geval van een uitbreiding, verbouw of renovatie wordt deze afgestemd op het bestaande bouwwerk. De gevelcompositie, de plaats, de afmetingen en verhoudingen van gevelopeningen zijn zorgvuldig op elkaar afgestemd. Materiaal, kleurgebruik en detaillering De detaillering, en het kleur- en materiaalgebruik is afgestemd op de bebouwing uit de omgeving. Het materiaalgebruik sluit aan op het kleurenpallet van het omringende landschap. Donkere tinten, reliëf(geen vlakke plaat),niet glimmend. Bij voorkeur donker hout en riet. Erfafscheidingen Gebouwde erfafscheidingen respecteren het landschap door een ingetogen vormgeving. 4.4.3.3 Toetsing van het initiatief aan 'Welstandsnota' Zoals hiervoor beschreven geldt voor nagenoeg het volledige plangebied welstandniveau 1. Er wordt voor het plangebied een separaat beeldkwaliteitsplan geschreven, in de vorm van een addendum, aanvullend op het bestaande beeldkwaliteitsplan voor de Havezate Es.
bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, herontwikkeling Eugenboersdijk 9 Hardenberg | PAGINA 31
Het beeldkwaliteitsplan dient als toetsingskader bij vergunningaanvragen. Voor een aantal overige zaken (o.a. reclame-uitingen) blijft de welstandsnota van toepassing. 4.4.4
Nota grondbeleid 2020-2024
4.4.4.1 Algemeen De Nota Grondbeleid 2020-2025 geeft inzicht in de wijze waarop gemeente Hardenberg invulling geeft aan de realisatie van de beleidsthema’s zoals opgenomen in het programma “Zin in de Toekomst” en hoe het Grondbeleid kan ondersteunen bij de realisatie daarvan, gekoppeld aan het haar beschikbare wettelijke instrumentarium (gereedschapskist) voor kostenverhaal. 4.4.4.2 Visie op grondbeleid Hardenberg bepaalt aan de hand van meerdere criteria, waaronder de beleidsdoelen die van belang zijn en/of strategische overwegingen en/of financiële overwegingen, op welke wijze Hardenberg betrokken wil zijn bij de ontwikkeling van het initiatief. Dit wordt in het algemeen vertaald in de term ‘situationeel grondbeleid”. Inzet van gemeente Hardenberg is gericht op het uitdagen en faciliteren van particuliere initiatieven en initiatieven van marktpartijen, waarbij kostenverhaal door gemeente wordt toegepast. Indien er redenen zijn dat gemeente een project via een actieve aanpak door middel van grondverwerving, transformatie en bestemmingsrealisatie gaat uitvoeren, is het kostenverhaal automatisch verzekerd. De gemeente voert dan geheel in eigen beheer de grondexploitatie uit. In een grondexploitatie worden alle kosten en alle opbrengsten met elkaar gesaldeerd.
Het resultaat van die grondexploitatie kan een eventuele winst of verlies opleveren na administratieve afsluiting van het project. Het resultaat van de grondexploitatie wordt ten gunste of ten laste van de Algemene Reserve van de gemeente gebracht. Uitvoering van het project is hiermee verzekerd. De keuze voor het te voeren grondbeleid door Hardenberg is gebaseerd op het volgende schema:
Na het maken van de keuze stopt de betrokkenheid voor gemeente Hardenberg niet. Zelfs als gekozen is voor de optie “loslaten”, blijft Hardenberg monitoren of het initiatief wordt ontwikkeld. Ook moet niet worden uitgesloten dat er veranderende omstandigheden zijn die alsdan wel een grotere betrokkenheid van gemeente vragen. In een later stadium kan
bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, herontwikkeling Eugenboersdijk 9 Hardenberg | PAGINA 32
alsnog worden besloten een andere grondbeleidstrategie toe te passen en de daarvoor beschikbare gereedschapskist in te zetten. 4.4.4.3 Toetsing van het initiatief aan de Nota Grondbeleid 2020-2024 Geconcludeerd wordt dat de uitgangspunten zoals neergelegd in de Nota Grondbeleid 2020-2024 de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg staan. 4.4.5
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het gemeentelijk beleid.
bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, herontwikkeling Eugenboersdijk 9 Hardenberg | PAGINA 33
Hoofdstuk 5
Milieu- en omgevingsaspecten
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en Besluit milieueffectrapportage.
5.1
Geluid
5.1.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.1.2
Situatie plangebied
In dit geval worden geluidsgevoelige objecten toegevoegd, namelijk drie woningen. In artikel 76 van de Wgh is verder bepaald dat de geluidsbelasting van een aanwezige weg op bestaande woningen niet getoetst hoeft te worden aan de grenswaarden. Hieronder valt het omzetten van een agrarische bedrijfswoning naar een reguliere woning. Hierna wordt achtereenvolgens op de aspecten wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai ingegaan. 5.1.2.1 Wegverkeerslawaai In artikel 74.1 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben. In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte afhankelijk is van het aantal rijstroken en van de ligging van het plangebied binnen stedelijk gebied of buitenstedelijk gebied. Het plangebied ligt binnen de wettelijk vastgestelde geluidszone, als bedoeld in art. 74 van de Wet geluidhinder, van de Havezateweg en de Eugenboersdijk. Dit betreffen buitenstedelijke wegen waar een snelheidsregime van 60 km/uur geldt. Om inzicht te verkrijgen in de geluidsbelasting als gevolg van de Havezateweg en de Eugenboersdijk ter plaatse van de te realiseren woningen, is door BJZ.nu een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai verricht. De volledige rapportage is opgenomen in Bijlage 2 van deze toelichting.
Resultaten In afbeelding 4.2 is de geluidbelasting ten gevolge van de Havezateweg ter plaatse van het plangebied weergegeven. Het grootste gedeelte van dit gebied voldoet aan de
bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, herontwikkeling Eugenboersdijk 9 Hardenberg | PAGINA 34
voorkeurswaarde van 48 dB. Ter plaatse van de beoogde woningen wordt aan de voorkeurswaarde voldaan.
Afbeelding 5.1: Geluidbelasting ten gevolge van de Havezateweg (Bron: Geomilieu, BJZ.nu) In afbeelding 5.2 is de geluidbelasting ten gevolge van de Eugenboersdijk ter plaatse van het plangebied weergegeven. Hierin is te zien dat de maximale geluidbelasting circa 59 dB bedraagt en er nergens de maximale ontheffingswaarde wordt overschreden. Echter voldoet wel een aanzienlijk deel niet aan de voorkeurswaarde van 48 dB.
Afbeelding 5.2: Geluidbelasting ten gevolge van de Havezateweg (Bron: Geomilieu, BJZ.nu) De beoogde woningen worden binnen de op de afbeelding groen en geel gekleurde gebieden gerealiseerd. De woonbestemming is hier op ingetekend. Dit betekent een maximale geluidbelasting van 54 dB. Met deze waarden wordt niet voldaan aan de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder van 48 dB. Wel wordt voldaan aan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB uit de Wet geluidhinder. De bron- en overdrachtsmaatregelen die getroffen kunnen worden om aan de voorkeurswaarde te voldoen ontmoeten bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke of financiële aard.
bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, herontwikkeling Eugenboersdijk 9 Hardenberg | PAGINA 35
Gevelmaatregelen zijn het meest doelmatig en met een gevelwering van minstens 21 dB wordt het binnenniveau van 33 dB gewaarborgd. Er kan dan ook een hogere waarden worden verleend van hoogstens 54 dB met betrekking tot de nieuwe woningen aan de Eugenboersdijk. Er is daarmee sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen aangaande het aspect wegverkeerslawaai. Het besluit hogere waarden zal tegelijkertijd met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage worden gelegd. 5.1.2.2 Railverkeerslawaai Uit raadpleging van de geluidplafondkaart heeft het meest nabij gelegen punt van de spoorlijn Zwolle – Emmen een geluidsproductieplafond (GPP) van 62,1 dB. Dit betekent dat voor realisatie van geluidsgevoelige objecten binnen een zone van 300 meter van deze spoorweg het aspect railverkeerslawaai onderzocht moet worden. Onderhavig plangebied bevindt zich op meer dan 2 kilometer afstand ten opzichte van deze spoorlijn en ligt hiermee buiten de wettelijke geluidszone. Het nader beschouwen van railverkeerslawaai kan dan ook achterwege blijven. 5.1.2.3 Industrielawaai In de omgeving van het plangebied is geen gezoneerd bedrijventerrein, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, aanwezig. Het aspect industrielawaai is niet van toepassing. Wat betreft de invloed van individuele bedrijven op de woningen, wordt verwezen naar paragraaf 5.5. 5.1.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat, wanneer ontheffing wordt verleend voor een hogere waarde voor wegverkeerslawaai, de Wet geluidhinder geen belemmering vormt voor het plan.
5.2
Bodemkwaliteit
5.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. In dit geval is door Kruse een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het volledige rapport is als Bijlage 3 opgenomen. Vervolgens is door APS Milieu b.v. een nader bodemonderzoek uitgevoerd. Dit rapport is als Bijlage 4 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten van beide onderzoeken ingegaan. 5.2.2
Situatie plangebied
5.2.2.1 Verkennend bodemonderzoek Op basis van de resultaten van de analyses kan het volgende worden geconcludeerd: Deellocaties A, B, C en D: Druppelzones MM FF (mengmonster fijne fractie) - A bevat geen asbest; MM FF - B bevat asbest, maar is het gewogen asbestgehalte ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek; MM FF - C bevat asbest, maar is het gewogen asbestgehalte ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek; MM FF - D bevat geen asbest. Deellocatie F: Voormalige bovengrondse dieseltank
bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, herontwikkeling Eugenboersdijk 9 Hardenberg | PAGINA 36
de bovengrond (F - BG) is niet verontreinigd met minerale olie; het grondwater (PB F1) is niet verontreinigd met minerale olie, vluchtige aromaten (BTEX) of naftaleen. Overige terreindeel de bovengrond (BG I, BG II, BG III en BG IV) is niet verontreinigd; de ondergrond (OG I, OG II en OG III) is niet verontreinigd; boring 9 (1.2-1.9 m-mv) is (zeer) licht verontreinigd met lood en PAK; het grondwater (PB 1) is niet verontreinigd; het grondwater (PB 2) is (zeer) licht verontreinigd met koper en zink; het grondwater (PB 3) is licht verontreinigd met cadmium en zink en matig verontreinigd met barium; de mengmonster van de fijne fractie (MM FF - 01, MM FF - 02 en MM FF - 03) bevatten geen asbest; het materiaalverzamelmonster uit boring 33 is asbesthoudend. Conclusies en aanbevelingen In de ondergrond (boring 9 1.2-1.9 m-mv) en in het grondwater (PB 2 en PB 3) zijn lichte en matig verhoogde concentraties aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4. In de bovengrond (BG I, BG II, BG III, BG IV en F - BG), de ondergrond (OG I, OG II en OG III) en in het grondwater (PB 1 en PB F1) zijn geen verhoogde gehalten gemeten. Gesteld wordt dat het matige bariumgehalte in het grondwater is toe te schrijven aan een plaatselijk (natuurlijk) verhoogde achtergrondwaarde.
Naar onze mening is het dan ook niet noodzakelijk om over te gaan tot een nader onderzoek. De voormalige bovengrondse dieseltank heeft geen aantoonbare negatieve invloed gehad op de bodemkwaliteit. In de mengmonsters MM FF - A en MM FF - B is asbest aangetoond in gehalten ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. In de mengmonsters van de fijne fractie MM FF - 01, MM FF 02, MM FF - 03, MM FF - C en MM FF - D is geen asbest aangetoond. Het materiaalmonster uit de ondergrond van boring 33 is asbesthoudend. Omdat monstername conform NEN5707 niet mogelijk was, kan geen gewogen asbestgehalte berekend worden. Op basis van de hoeveelheid asbestverdachte materialen kan echter aangenomen worden dat de bodem ter plekke van boring 11 en 33 sterk asbesthoudend is. In boring 33 is 10000 mg asbest aangetroffen op circa 7 kilo opgeboorde grond en het indicatief berekende asbestgehalte bedraagt derhalve circa 1500 mg/kg d.s. Een nader asbestbodemonderzoek is noodzakelijk om de omvang en mate van verontreiniging in kaart te brengen. Sanering van de asbestverontreiniging ter plekke van de zuidelijke inrit is noodzakelijk wanneer het terreindeel een andere (gevoeligere) bestemming krijgt. Er dient voorkomen te worden dat er vermenging ontstaat met de schone grond.
Tevens mag de verontreinigde grond niet worden verminderd of verplaatst zonder toestemming van het bevoegd gezag (provincie Overijssel). Voorafgaande aan de sanering dient een BUS-melding of saneringsplan opgesteld te worden en goedgekeurd te worden door het bevoegd gezag. Een sanering mag alleen door hiervoor erkende bedrijven worden uitgevoerd. Ter plekke van monsterpunten 3A, 3B, 3C en 10 is onder de inrit mogelijk een puinstort aanwezig. De dikte van de puinlaag is niet vastgesteld. Geadviseerd wordt om een aanvullend onderzoek naar de puinstort en de bodem onder de stortlaag te combineren met
bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, herontwikkeling Eugenboersdijk 9 Hardenberg | PAGINA 37
een nader asbestbodem-onderzoek. Slotconclusie Aangenomen wordt dat de ondergrond ter plekke van de zuidelijke inrit sterk met asbest verontreinigd is. Een nader asbestbodemonderzoek is noodzakelijk om de omvang en mate van verontreiniging in kaart te brengen. De verontreiniging heeft invloed op de financiële waardering van het terrein. De verontreiniging veroorzaakt bij huidig gebruik van het terrein geen gezondheidsrisico’s voor de mens. De bodem dient te worden gesaneerd wanneer het terrein wordt herontwikkeld en een andere (gevoeligere) bestemming krijgt. 5.2.2.2 Nader bodemonderzoek asbest Samenvattend blijkt uit de onderzoeksresultaten van onderhavig nader onderzoek dat RE1 tot boven de norm (interventiewaarde) verontreinigd is met asbest. Er is sprake van 2045 mg/kg ds (milligram per kilogram droge stof) asbest. De hypothese verdacht wordt bevestigd. Op basis van de resultaten van onderhavig nader bodemonderzoeken asbest blijkt dat sprake is van een geval van ernstige verontreiniging met asbest (gehalte boven de interventiewaarde van 100 mg/kg ds). In de bovengrond ter plaatse van de puinstort is visueel geen asbest aangetroffen. Onder de puinstort is uitsluitend ter plaatse van SL04 nog asbest in de bodem aangetroffen in een gehalte onder de toetsingswaarde. Aangenomen wordt dat de sterke asbestverontreiniging zich beperkt tot de eerste 40 meter van de oprit.
De oprit heeft een breedte van ongeveer 4 meter. De sterke asbestverontreiniging is hiermee over een oppervlakte van ongeveer 200 m2 aanwezig in het bodemtraject van 0,6 tot maximaal 1,7 m-mv. De gemiddelde laagdikte wordt geschat op 0,6 meter. In totaal is er naar schatting ongeveer 120 m3 grond tot boven de norm verontreinigd met asbest. Aanbevolen wordt een saneringsplan/BUS-Melding op te stellen en ter goedkeuring aan te bieden aan het bevoegd gezag ten behoeve van het saneren ven het geval van bodemverontreiniging met asbest in de ondergrond. De sanering is inmiddels uitgevoerd. Het bijbehorend BUS-evaluatieformulier is als Bijlage 5 opgenomen. 5.2.3
Conclusie
Het aspect bodemkwaliteit is in het kader van voorliggend bestemmingsplan voldoende in beeld gebracht. De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de nieuwbouwplannen. De aangetroffen saneringsplichtige verontreinigingen zijn inmiddels gesaneerd.
5.3
Luchtkwaliteit
5.3.1
Algemeen
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:
bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, herontwikkeling Eugenboersdijk 9 Hardenberg | PAGINA 38
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); 5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Veehouderijen zijn niet opgenomen in de Regeling NIBM.
Toch is het niet altijd noodzakelijk om met behulp van een berekening vast te stellen of er sprake is van NIBM. Dit kan ook gedaan worden met een motivering, bijvoorbeeld op basis van ervaring. Als hulpmiddel bij de motivering is een vuistregel opgesteld waarmee men kan aantonen of de fijnstofbijdragen van de veehouderijen op het plan is te beschouwen als Niet in Betekenende Mate (NIBM). In de vuistregel is een tabel opgenomen met als uitgangspunt de 3% NIBM grens. In de tabel is sprake van een "worst case" benadering. Dat betekent dat wanneer uit de toets blijkt dat de fijnstofbijdrage van een bedrijf op het beoordelingspunt voldoet aan de 3% NIBM grens, het ook voldoende aannemelijk is dat dit zal blijken uit een berekening met rekenprogramma ISL3a en deze laatste berekening daarvoor niet nodig is.
5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig. 5.3.2
Situatie plangebied
5.3.2.1 Externe werking van het plan In paragraaf 5.3.1.1 zijn voorbeelden van de lijst met categorieën van gevallen opgenomen, die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Gelet op de aard en omvang van dit project in vergelijking met de voorgenoemde categorieën, kan worden aangenomen dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Deze ontwikkeling wordt niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen.
bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, herontwikkeling Eugenboersdijk 9 Hardenberg | PAGINA 39
5.3.2.2 Interne werking van het plan Op basis van de "grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland", welke is gepubliceerd door het Rijksinstituut Volksgezondheid en Milieu, zijn op schaal van km2 de gemiddelde achtergrondconcentraties van diverse luchtverontreinigende stoffen aangegeven. De gegevens voor het plangebied worden weergegeven in onderstaande tabel:
Uit de tabel blijkt dat aan de grenswaarden voor NO2 en PM10 en de blootstellingsconcentratieverplichting voor PM2,5 voldaan wordt. Aan de advieswaarden van de WHO voor de achtergrondconcentratie, wordt met uitzondering van PM2,5, voor alle parameters wordt voldaan. De verwachting is dat de komende jaren de luchtkwaliteit zal verbeteren, zodat aan de advieswaarden zal worden voldaan. 5.3.2.3 Vuistregel veehouderijen In de omgeving van het plangebied liggen enkele veehouderijen die van belang kan zijn voor de bijdrage van fijnstofconcentratie op het plan. In dit kader is een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoek is als Bijlage 6 opgenomen. De veehouderijen zijn in dit onderzoek genoemd. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. De emissie van fijn stof door de omliggende veehouderijen is achterhaald door middel van betreffende milieudossiers en vastgestelde emissiefactoren. Met een model is de immissie op het plangebied berekend. Het onderzoek is uitgevoerd conform de regels uit de Wet milieubeheer, de ‘Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007’ en de ‘Handreiking Rekenen aan Luchtkwaliteit’. De berekende fijnstofimissie voor PM10 bedraagt ten hoogste 14,50 ug/m3. Voor PM2,5 is het hoogste berekende rekenresultaat 7,70 ìg/m3. Voor PM10 geldt dat het 24-uursgemiddelde 6 keer per jaar wordt overschreden.
Uit het onderzoek blijkt dat er voldaan wordt aan de normen vanuit de Wet milieubeheer. Voor de concentratie PM2,5 is de verwachting dat over een aantal jaar zal worden voldaan aan het advies van de WHO. 5.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorgenomen ontwikkeling.
bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, herontwikkeling Eugenboersdijk 9 Hardenberg | PAGINA 40
5.4
Externe veiligheid
5.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
Het vervoer van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2
Situatie in en bij het plangebied
Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In de onderstaande afbeelding is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven. Het plangebied is indicatief met rode cirkel weergegeven.
bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, herontwikkeling Eugenboersdijk 9 Hardenberg | PAGINA 41
Afbeelding 5.3: Uitsnede Risicokaart, de rode omlijning betreft het plangebied. (Bron:Risicokaart.nl) Uit de inventarisatie blijkt dat de locatie niet binnen het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen ligt. Ten westen van het plangebied is wel de inrichtingsgrens van Ponypark City zichtbaar. Op dit park wordt ten behoeve van het zwembad Chloorbleekloog en Zwavelzuur opgeslagen. Het plangebied ligt echter op ruime afstand buiten het invloedsgebied van deze opslag. Resumerend blijkt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. 5.4.3
Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
5.5
Milieuzonering
5.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden.
De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. 5.5.2
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype 'rustige woonwijk' vergelijkbaar omgevingstype. Het omgevingstype 'gemengd gebied' wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' als volgt omschreven: 'Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca
bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, herontwikkeling Eugenboersdijk 9 Hardenberg | PAGINA 42
en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.' De richtafstanden (met uitzondering van het aspect gevaar) uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Het plangebied is gelegen in het buitengebied, waar geen sprake is van sterke menging van functies. Daarom wordt in dit geval uitgegaan van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Onderstaande tabel geeft de richtafstanden weer voor de verschillende omgevingstypes.
Milieucategor Richtafstanden tot omgevingstype Richtafstanden tot omgevingstype ie rustige woonwijk gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m 5.5.3
Beoordeling
Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 5.5.3.1 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt aangetast. De functie 'wonen' vormt geen milieubelastende functie. Er is dan ook geen sprake van een (onaanvaardbare) aantasting van het woon- en leefklimaat van omliggende functies. 5.5.3.2 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. In voorliggend geval worden milieugevoelig objecten gerealiseerd, namelijk woningen. Voor het overgrote deel bevindt het plangebied zich in de nabijheid van reguliere burgerwoningen. De woonfunctie brengt geen milieubelastende werking met zich mee.
Voor het overige zijn agrarische bedrijvigheid en vakantiepark Ponypark City van belang om te beschouwen.
bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, herontwikkeling Eugenboersdijk 9 Hardenberg | PAGINA 43
Loonbedrijf Aan de Eugenboersdijk 8 bevindt zich een agrarisch loonbedrijf. Voor dergelijke bedrijven geldt een richtafstand van 50 meter voor het aspect 'geluid'. Het loonbedrijf ligt op circa 50 meter tot de woonbestemming. Dit is in de regels planologisch geborgd. Aan de richtafstand wordt dan ook voldaan. Ponypark City Ponypark City bevindt zich aan de Doozemansteeg 1, Collendoorn en is te onderscheiden als ‘Kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken)’ (milieucategorie 3.1), waarvoor een richtafstand van 50 meter geldt. De woonpercelen bevinden zich op meer dan 500 meter afstand van Ponypark City. Hiermee wordt ruimschoots aan de richtafstand voldaan. Agrarische bedrijvigheid In de omgeving zijn diverse agrarische bedrijven aanwezig. Bij agrarische bedrijven zijn niet de adviesafstanden, maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekenende geuremissiecontouren voor vergunningsplichtige veebedrijven bepalend. Hier wordt in paragraaf 5.6 nader op ingegaan. Opgemerkt wordt dat, wanneer het aspect 'geur' buiten beschouwing wordt gelaten, een grootste richtafstand van 30 meter voor het aspect 'geluid' geldt. Het dichtstbijzijnde agrarisch bedrijf ligt op meer dan 200 meter afstand aan de Havezateweg 9. De richtafstand wordt dan ook ruimschoots gehaald.
Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat er ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 5.5.4
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
5.6
Geur
5.6.1
Algemeen
5.6.1.1 Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, buiten een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 2 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 odeur units per kubieke meter lucht.
De definitie van een geurgevoelig object luidt: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.
bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, herontwikkeling Eugenboersdijk 9 Hardenberg | PAGINA 44
5.6.1.2 Geurverordening gemeente Hardenberg De Wgv maakt het voor gemeenten mogelijk om gebiedsgericht geurbeleid op te stellen. Daarmee krijgt de gemeente een instrument om de ontwikkeling van (grootschalige) veehouderij te sturen. Gemeenten mogen bij verordening van de normen van de Wgv afwijken (artikel 6 Wgv), binnen bepaalde grenzen. Het hanteren van afwijkende normen moet worden onderbouwd vanuit een ruimtelijke visie op de ontwikkeling van het gebied, de zogenaamde “gebiedsvisie”. De gemeente Hardenberg heeft een dergelijke 'geurverordening' opgesteld en gebiedsgericht geurbeleid ontwikkeld. In deze geurverordening zijn de wettelijke geurnormen (odeur) en afstanden aangepast. De afstand van de gevel van een bestaande stal tot de gevel van een geurgevoelig object moet in het buitengebied minimaal 25 meter bedragen. Dit geldt alleen als er sprake is van het houden van de in artikel 4.2 van de gemeentelijke geurverordening genoemde dieraantallen niet wordt overschreden. Worden deze aantallen overschreden, of gaat het om de bouw van een nieuwe stal, dan geldt de minimale afstandseis van 50 meter. In de geurverordening zijn in artikel 3 waarden voor geurbelasting opgenomen. Voor onderhavig gebied is een waarde van 3 OuE/m3 aangegeven. 5.6.2
Situatie plangebied
De geplande ontwikkeling heeft geen gevolgen voor geurhinder, aangezien woningen geen bron van geurhinder zijn. Wel dient er inzicht te worden verkregen in het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. Hiertoe is een agrarisch geuronderzoek uitgevoerd, waarin onderzoek is gedaan naar zowel de voorgrondbelasting (geurbelasting van individuele intensieve bedrijven) als de achtergrondbelasting (totale geurbelasting van alle intensieve bedrijven in een straal van 2 km rondom het plangebied. Dit onderzoek is als Bijlage 7 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Uit de resultaten van V-Stacks vergunning blijkt dat de voorgrondgeurbelasting ten gevolge van de veehouderij gelegen aan de Palenbeltweg 1 hoogstens 0,6 OUE/m3 bedraagt. Met deze waarde wordt ruimschoots voldaan aan de vastgestelde norm van 3,0 uit het gemeentelijk beleid. Het woon- en leefklimaat van het plangebied is te kwalificeren als ‘zeer goed’. Uit de resultaten van V-Stacks vergunning blijkt dat de achtergrondgeurbelasting hoogstens 1,28 OUE/m3 bedraagt. Met deze waarde is het woon- en leefklimaat te classificeren als ‘zeer goed’. Bij het beoordelen van het woon- en leefklimaat bestaat de volgende vuistregel: de voorgrondgeurbelasting is maatgevend als die tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting.
In deze situatie is de achtergrondgeurbelasting maatgevend en is het woon- en leefklimaat te kwalificeren als ‘zeer goed’. Aan het bevoegd gezag van de gemeente Hardenberg is de afweging of het woon- en leefklimaat ter plaatse van de plangebieden aanvaardbaar is. 5.6.3
Conclusie
Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, herontwikkeling Eugenboersdijk 9 Hardenberg | PAGINA 45
5.7
Ecologie
5.7.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Natuurbeschermingswet en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. 5.7.2
Gebiedsbescherming
5.7.2.1 Natura 2000-gebieden Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. In afbeelding 5.2 is de ligging van het plangebied (rode cirkel) ten opzichte van de Natura 2000 gebieden weergegeven. Het plangebied ligt op minimaal 8 kilometer afstand van een Natura 2000-gebied.
Afbeelding 5.4: Ligging van het plangebied ten opzichte van de Natura 2000 gebieden (Bron: Atlas van Overijssel, bewerkt) Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, danwel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Om dit te beoordelen is er een zogenaamde AERIUS-berekening uitgevoerd voor zowel de bouwfase (tijdelijk karakter) en de gebruiksfase die samenhangt met de voorgenomen ontwikkeling.
bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, herontwikkeling Eugenboersdijk 9 Hardenberg | PAGINA 46
Hierna wordt op de belangrijkste conclusie van het onderzoek ingegaan. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar Bijlage 8. Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. De voortoets voor het plan voldoet, ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 2.7, lid 1 van de Wet natuurbescherming. 5.7.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. In afbeelding 5.3 is de ligging van het plangebied ten opzichte van de NNN weergegeven.
Afbeelding 5.5: Ligging van het plangebied ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (Bron: Atlas van Overijssel, bewerkt) Het plangebied behoort niet tot het NNN. Gronden die tot NNN behoren liggen op ruime afstand van het plangebied. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de onderlinge afstand tot de NNN is geen sprake van een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden (er is bijvoorbeeld geen sprake van areaalvermindering en het doorsnijden van structuren).
bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, herontwikkeling Eugenboersdijk 9 Hardenberg | PAGINA 47
5.7.3
Soortenbescherming
5.7.3.1 Algemeen Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. In dit geval is er in 2016 een quickscan uitgevoerd. Op basis hiervan is een nader onderzoek uitgevoerd. In 2022 is het plangebied in het kader van een actualiserende quickscan opnieuw onderzocht. Hierna wordt op de resultaten van dit, meest actuele onderzoek, ingegaan. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 9. 5.7.3.2 Situatie plangebied De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen en amfibieën bezetten geen vaste rust- of verblijfplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied. Het plangebied is geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen.
Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de beplanting wordt gerooid tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk beschermde grondgebonden zoogdieren gedood en wordt mogelijk een vaste rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren, die een vaste rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen’. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dienen ze weggejaagd te worden of weggevangen te worden (en elders losgelaten).
Indien niet voorkomen kan worden dat een beschermd dier gedood wordt, dient een ontheffing aangevraagd te worden of dient gewerkt te worden volgens een goedgekeurde en toepasbare gedragscode. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor verschillende foeragerende diersoorten af. Deze functie is voor de voorkomende soorten niet beschermd en leidt niet tot wettelijke consequenties. 5.7.4
Conclusie
Het plan heeft geen negatieve effecten op Natura 2000-gebieden of het NNN. Het plan leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming of soortenbescherming.
bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, herontwikkeling Eugenboersdijk 9 Hardenberg | PAGINA 48
5.8
Archeologie & cultuurhistorie
5.8.1
Archeologie
5.8.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.8.1.2 Situatie plangebied Het plangebied heeft op basis van de archeologische beleidsadvieskaart grotendeels een hoge trefkans op archeologische vondsten. Er heeft bureauonderzoek en een inventariserend archeologisch onderzoek plaatsgevonden. Hierna is het advies uit het onderzoek opgenomen. Voor het bureauonderzoek wordt verwezen naar Bijlage 10 bij deze toelichting. Dit betreft een bureau- en veldonderzoek, echter is ten aanzien van het plangebied enkel het bureauonderzoek opgenomen.
Het veldonderzoek ter plaatse van het plangebied zal in een later stadium, maar voor de vaststelling van het bestemmingsplan, bijgevoegd worden. Bureauonderzoek In het plangebied ligt een middeleeuws boerenerf (erve Odink), dat op basis van historische bronnen tot in ieder geval 1487 is te dateren. De bebouwing op het boerenerf lag in de afgelopen twee eeuwen waarschijnlijk grotendeels op min of meer dezelfde locatie. De huidige grote schuren dateren van omstreeks 1988. Binnen het plangebied kunnen resten uit de periode Mesolithicum tot en met de Nieuwe Tijd verwacht worden. Resten uit de periode Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd zijn specifiek te verwachten in het plangebied. Inventariserend veldonderzoek In het kader van het vast te stellen bestemmingsplan is een veldonderzoek uitgevoerd. Het volledige rapport is als Bijlage 11 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingergaan. Selectieadvies Tijdens het proefsleuvenonderzoek is vastgesteld dat in beide deelgebieden een archeologische vindplaats aanwezig is. Ter plaatse van deelgebied Havezathe Es II bevinden zich sporen van een prehistorische vindplaats in de hoger gelegen zones aan de noord- en de zuidzijde van het plangebied. De vindplaats die hier aanwezig is, is als behoudenswaardig gewaardeerd. Op deze locaties kunnen nederzettingssporen worden verwacht uit de prehistorie.