Toelichting bestemmingsplan 'Schuineslootweg 104, Schuinesloot'
Tekst van het document
De resultaten zijn vastgelegd in Landschap-Identiteit-Kaarten (LIK's). Deze vormen de natuurlijke onderlegger voor ontwikkelvisies voor verschillende deelgebieden. In dit geval ligt het projectgebied in het 'jong heide- en broekontginningslandschap'. 3.4.1.5 Aandachtspunten voor natuurlijke en landschappelijke kwaliteiten De natuurlijke en landschappelijke kwaliteiten in het landelijk gebied blijven voortdurend aandacht vragen. Natuur en landschap staan onder druk, vanwege de energietransitie, klimaatmaatregelen en de transitie in de landbouw. Tegelijk vormen deze ontwikkelen juist een kans om bij te dragen aan de Landstad Hardenberg en de 'regio van het gezonde leven'. In de dialoog 'bouw je eigen buurt' was de zorg voor een gezonde en groene leefomgeving een speerpunt. Een goede landschappelijke en ruimtelijke inpassing van vrijkomende agrarische bebouwing is hiervan een voorbeeld. De regeling 'Erven met kwaliteit' (voorheen rood-voor-rood) blijft hierbij het kader. Dit sluit aan bij de landelijke trend om meer ruimtelijke kwaliteit toe te voegen in de fysieke leefomgeving. Ruimtelijke kwaliteit ziet de gemeente als “datgene wat ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is”. De provincie gebruikt deze omschrijving ook.
Ambities: De gemeente geeft een extra kwaliteitsimpuls aan de groene omgeving waarbij de verschillende landschappen herkenbaarder worden. Gebiedsgerichte projecten versterken enerzijds de landschappelijke relaties en biodiversiteit in het landelijk gebied zelf en anderzijds de relatie tussen het landelijk gebied en de kernen. Dit overstijgt de huidige perceelsgerichte benadering. De gemeente zoekt naar nieuwe economische dragers in het landelijk gebied om gebiedsgerichte projecten te kunnen financieren. Een voorbeeld is het bieden van ruimte aan tweede woningen. De investeringsruimte die hiermee ontstaat zet de gemeente in voor kwaliteitsverbetering van de fysieke leefomgeving van het buitengebied. De gemeente onderzoekt hoe inkomsten uit grootschalige(r) toekomstige ontwikkelingen in het landelijk gebied kunnen inzetten voor de kwaliteit van de groene leefomgeving. Denk aan koppeling van geldstromen rond de energietransitie of klimaatadaptatie. Dit kunnen ook nieuwe economische dragers in het landelijk gebied worden. De gemeente stimuleert groenblauwe diensten ter ondersteuning van de gebiedsgerichte projecten.
26
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Schuineslootweg 104 Schuinesloot Deze dragen bij aan nieuwe kwaliteitsimpulsen voor de groene leefomgeving. Gebieden die voor extra kwaliteitsimpulsen in aanmerking komen is onder andere het gebied in Ane. Het gaat daarbij om het toevoegen van landschapselementen in de kleinschalige landschappen. 3.4.1.6 Toetsing van het initiatief aan de gemeentelijke omgevingsvisie 'Landstad Hardenberg' Voorliggende ontwikkeling draagt bij aan de ambitie van de gemeente, namelijk kwaliteit toevoegen middels ruimtelijke inpassing en ook kwaliteiten behouden (behoudeswaardige kapel). Het voornemen van initiatiefnemer is namelijk om de bestaande kapel aan de buitenzijde volledig te behouden én inpandig te verbouwen ten behoeve van de realisatie van twee wooneenheden. Om deze te karakteristieke kapel te kunnen behouden én om de werkzaamheden te kunnen financieren is eveneens het voornemen om het bestaande parkeerterrein en overtollige erfverharding te saneren en hiervoor in de plaats een nieuwe vrijstaande woning met bijbehorend bijgebouw te realiseren. Met de inkomsten van de verkoop van deze woningbouwkavel kan dan voorliggend planvoornemen gefinancierd worden. Samenvattend wordt gesteld dat het initiatief past binnen de omgevingsvisie 'Landstad Hardenberg'.
3.4.2
Welstandsnota
3.4.2.1 Algemeen De welstandsnota 'Visie op beeldkwaliteit', die ook voor de kern Schuinesloot van toepassing is, is door de raad van de gemeente Hardenberg vastgesteld op 29 november 2011. Doelstelling van de Welstandsnota is een duidelijk en toetsbaar gemeentelijk welstandsbeleid. De ambitie van de welstandsnota is een kwaliteitsontwikkeling in gang te zetten waarbij elk project bijdraagt aan de versterking van de beeldkwaliteit van de leefomgeving. Daarmee zullen de verschillende kernen zich meer onderscheiden en krijgt elke kern haar eigen kleur (terug). De gemeente wil meer vrijheid voor burgers creëren. Dit wordt bereikt door kaders te stellen 'waar het er toe doet' en andere delen van de gemeente welstandsvrij te maken. Een en ander komt tot uiting in de toekenning van drie niveaus (zie onder). Op de belangrijke plekken wordt door middel van welstand en bestemmingsplan gestuurd. De laag gewaardeerde plekken zijn welstandsvrij. Voor deze gebieden is het bestemmingsplan (of de beheersverordening) maatgevend.
3.4.2.2 Niveaus van welstand Binnen de gemeente worden drie niveaus van welstand onderscheiden, dit betreffen: Niveau 0 (laag): Onder dit niveau vallen alle gebieden waarvoor het beleid gericht is op het handhaven van de aanwezige basiskwaliteit. Er is hierbij veel vrijheid voor de aanvrager zodanig dat het totaalbeeld van de woongebieden voor een ieder acceptabel blijft. Deze kwaliteiten worden niet meer door welstandbeleid beschermd maar door het bestemmingsplan en aanverwante instrumenten. De kwaliteiten van het openbaar gebied beïnvloeden met name de ruimtelijke kwaliteit. Deze gebieden zijn dus welstandsvrij. Er vindt geen welstandsbegeleiding of beoordeling plaats. Niveau 1 (midden): Onder dit niveau vallen alle gebieden die om een zorgvuldige beoordeling van de bouwkundige ingrepen vragen. Het accent ligt hier op het handhaven en respecteren van kenmerkende karakteristieken. De beoordeling is dan vooral gericht op het handhaven en versterken van de specifieke gebiedskwaliteiten. Niveau 2 (hoog): Dit niveau past bij gebieden die van grote betekenis zijn voor het totaalbeeld van de stad en het landschap. Deze gebieden hebben bijzondere cultuurhistorische, landschappelijke, stedenbouwkundige of architectonische karakteristieken. Nieuwe ingrepen zullen met extra aandacht en zorg worden beoordeeld. Het beleid is er op gericht om dit beeld te handhaven en te versterken.
Alle beoordelingsaspecten tot in het detail maken onderdeel uit van de advisering.
Toelichting (vastgesteld)
27
bestemmingsplan Schuineslootweg 104 Schuinesloot
Het plangebied is gelegen binnen een gebied waar welstandsniveau 1 van toepassing is.
3.4.2.3 Toetsing van het initiatief aan de ‘Welstandsnota’ Zoals reeds eerder is aangegeven, is voor de onderhavige ontwikkelingen een ruimtelijk kwaliteitsplan (Bijlage 1) opgesteld. Hierin is rekening gehouden met de samenhang van bouwwerken op het erf en de verschijningsvorm. Tevens is voor het behoud van de kapel in de regels maatwerk toegepast, middels een aanduiding karakteristiek en bijhorende regels. Hiervoor wordt verwezen naar de regels en de plankaart, en de verantwoording van de regels in paragraaf 6.3. Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen zal het ontwerp getoetst worden aan de redelijke eisen van welstand.
3.4.3
Programma Wonen 2019-2025
3.4.3.1 Algemeen Het Programma Wonen legt de focus op de woonambities voor de hele gemeente Hardenberg. Voor een groot deel van deze ambities is dit het juiste schaalniveau, omdat veel opgaven in alle kernen van de gemeente spelen. Maar de gemeente ziet ook duidelijke verschillen tussen de kernen in de gemeente Hardenberg. Dat is te zien in de diversiteit aan inwonersaantallen, maar ook in het verschil naar samenstelling van huishoudens en woningvoorraad van kernen. Dat maakt dat sommige opgaven (denk aan vergrijzing, aanpak particuliere woningvoorraad, druk op de sociale huurmarkt) per kern sterk kunnen verschillen. Daarom geeft het slot van het Programma Wonen al een eerste voorzet voor een integrale, gebiedsgerichte uitwerking. Het streven is om deze aanzet de komende jaren verder uit te werken naar een gebiedsvisie voor het wonen per (deel)gebied in de gemeente. In samenspraak met de plaatselijke belangen wordt maatwerk per kern geleverd. 3.4.3.2 Agenda Wonen De mensen waarderen de leefbare woonomgeving van de gemeente Hardenberg. Voorzieningen en de fysieke leefomgeving spelen daarbij een belangrijke rol. Om vitale kernen te houden, is het nodig dat alle leeftijdsgroepen kunnen blijven wonen. Vanwege demografische ontwikkelingen (kleinere huishoudens, vergrijzing) moet er anders gebouwd worden. Daarnaast zijn extra starterswoningen nodig.
De gemeente wil naar behoefte bouwen, waarbij het zwaartepunt ligt op de kernen Hardenberg en Dedemsvaart. Doel van woningbouw in de grote kernen (Balkbrug, Bergentheim, Gramsbergen, Slagharen) is om door groei van het aantal woningen de bevolking op peil te houden. Ook in de grote kernen is het particulier initiatief en het draagvlak binnen de kern voor de gemeente het uitgangspunt om voorzieningen te ondersteunen De gemeente levert hier een grotere inspanning, omdat deze voorzieningen een functie hebben voor het omliggende gebied en daarmee een groter draagvlak hebben om kwaliteit te kunnen leveren. Bundeling en samenwerking zijn voor voorzieningen in de grote kernen van belang om kwaliteit en duurzaamheid te kunnen waarborgen. Niet alle grote kernen hoeven dezelfde voorzieningen te hebben. Uitruil en samenwerking tussen kernen kan ook een hulpmiddel zijn om voorzieningen te behouden of te versterken. Een actieve bevolking is hierbij het uitgangspunt. De gemeente kan samenwerking tijdelijk ondersteunen en eventueel op gang brengen. Voor het publieke belang levert de gemeente een – niet financiële – inspanning om aanwezige voorzieningen met een ruim draagvlak in stand te houden.
Doelstellingen zijn onder meer: Bouwen op basis van behoefte; Bouwen voor doelgroepen; Duurzaam bouwen; Bieden van een ontmoetingsplek op basis van draagvlak en versterken sociale cohesie; Zorg voor kwetsbare groepen en onderlinge hulp; Verbeteren kwaliteit van onderwijs en zorg, voor zover dat een wettelijke taak is;
28
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Schuineslootweg 104 Schuinesloot Verbeteren woon- en ondernemersklimaat; Bevorderen van een veilige en leefbare woonomgeving; Bevorderen zelfredzaamheid van de samenleving; Verminderen regels en deze strikter handhaven. 3.4.3.3 Dorp Schuinesloot In het dorp Schuinesloot is tot 2032 behoefte aan de bouw van 45 woningen op basis van natuurlijke aanwas. Voor de invulling van deze opgave is geen harde plancapaciteit beschikbaar. De bouw van woningen past kwantitatief echter in de opgave voor het dorp. Er is kwalitatief vooral behoefte aan de toevoeging van betaalbare woningen en woningen voor ouderen. in mindere mate is behoefte aan woningen in het duurdere segment.
3.4.3.4 Toetsing van het initiatief aan het 'Programma Wonen 2019 - 2025' De realisatie van de woningen ter plaatse (drie wooneenheden, één vrijstaande woning en tweetal wooneenheden in de kapel) draagt bij aan het bouwen voor lokale behoefte en het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit. De woningen in de voormalige kapel krijgen een woonprogramma met de slaap- en badkamer op de begane grond. Deze woningen zijn daarmee geschikt voor de doelgroep ouderen. De vrijstaande woning wordt als vrije sector woning in de markt gezet. Het woningbouwprogramma sluit hiermee aan op de behoefte uit het dorp. Geconcludeerd wordt dat het initiatief aansluit bij het gestelde in het Programma Wonen 2019 - 2025.
3.4.4
Buurtschappennota
De beleidsnota 'Buurtschappennota' (vastgesteld d.d. 2 december 2014) van de gemeente Hardenberg biedt de kaders voor de voorgenomen ontwikkeling. Deze buurtschappennota is opgesteld met als doel om binnen de gestelde kaders nieuwbouw op onbebouwde plekken in enkele buurtschappen te stimuleren en daarmee de leefbaarheid van de aangewezen gebieden te vergroten. De nota biedt ruimte om te kunnen voldoen aan de lokale behoefte naar woningen. Hoogenweg (waaronder specifiek onderhavig plangebied) is één van deze aangewezen gebieden. Een belangrijke voorwaarde om medewerking vanuit de gemeente te verkrijgen is een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit, zie paragraaf 1.1. Voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling is dan ook een ruimtelijk kwaliteitsplan uitgewerkt. Hiermee wordt het initiatief op een zorgvuldige wijze ingepast in het landschap. Dit wordt beschreven in paragraaf 2.2. Het ruimtelijk kwaliteitsplan is volledig opgenomen in Bijlage 1 van de toelichting.
3.4.4.1 Algemeen De Buurtschappennota geeft een visie op bouwmogelijkheden in Schuinesloot (inclusief De Belt), Rheezerveen, Hoogenweg, Radewijk, Ane en de Krim. Deze visie is gewenst omdat de gemeenteraad in april 2009 heeft gevraagd om onderzoek te doen naar mogelijkheden voor woningbouw in deze vijf buurtschappen om zo te kunnen voldoen aan de aanhoudende lokale vraag. In 2014 is daar het dorp De Krim aan toegevoegd. De meest actuele Buurtschappennota is vastgesteld op 2 december 2014. 3.4.4.2 Ruimtelijke kwaliteit De vijf buurtschappen en De Krim bezitten elk afzonderlijke kenmerken, kwaliteiten en identiteiten. Deze komen voort uit de ontstaansgeschiedenis van de oorspronkelijke nederzettingen. De ruimtelijke kwaliteiten bepalen hoe in dit verband met buurtschappen en dorpen kan worden omgegaan. Verbetering van ruimtelijke kwaliteit is het criterium, om eventuele bebouwing wel of juist niet toe te staan.
Toelichting (vastgesteld)
29
bestemmingsplan Schuineslootweg 104 Schuinesloot
3.4.4.3 Afbakening plangebied Een belangrijk aspect is de afbakening van het plangebied. Uitsluitend binnen het plangebied kunnen theoretische bouwlocaties mogelijk worden gemaakt. Een belangrijk uitgangspunt, bij de bepaling van het plangebied, is dat het moet gaan om aaneengesloten bebouwing aan hoofdwegen. Zijwegen maken geen deel uit van het plangebied. Hiermee kan een begin van kernvorming worden voorkomen. Het moet gaan om een concentratie van bebouwing. Een uitzondering hierop is Schuinesloot, omdat hier al kernvorming heeft plaatsgevonden. Een bebouwingslint eindigt wanneer er sprake is van een zone of gebied, zonder duidelijk waarneembare bebouwing, met een lengte van 200 meter of meer. Het uitgangspunt is dat bij deze afstand visueel wordt aangenomen dat het lint eindigt en overgaat in onbebouwd landelijk gebied. Een belangrijk aspect in deze context is ook dat een lintbebouwing eindigt wanneer een woonlint overgaat in een agrarisch lint met agrarische (loonwerk) bedrijven. Het is immers niet de bedoeling om tussen agrarische bedrijven “belemmerende” woningbouwlocaties mogelijk te maken. Dit in verband met milieuwetgeving, maar ook uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening.
Voor Schuinesloot is het volgende gesteld: Het gebied waarop de buurtschappennota van toepassing is, is afgebakend. De planlocatie is gelegen in het afgebakende gebied in Schuinesloot. Dat blijkt uit onderstaande uitsnede uit de Buurtschappennota, weergegeven in afbeelding 3.7 middels de rode ster.
Afbeelding 3.7: Uitsnede van de Buurtschappennota - Deelgebied: De Belt/Schuinesloot(Bron: Gemeente Hardenberg) Schuinesloot heeft geen gemeentelijke bouwkavels voor woningbouw meer beschikbaar. In het weglint van Schuinesloot zijn er bovendien weinig fysieke mogelijkheden voor nieuwe woningbouwlocaties. Op basis van concrete behoefte vanuit het woonbeleid zou voor Schuinesloot extra woningbouw nodig kunnen zijn. Uitbreiding van het plangebied/woonlint, met extra bouwmogelijkheden, in oostelijke richting
30
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Schuineslootweg 104 Schuinesloot (Schuineslootweg) is niet gewenst of mogelijk vanwege de overgang van woonlint naar agrarisch lint. Het ligt daarom voor de hand om directe aansluiting te zoeken bij het gebied waar al kernvorming heeft plaatsgevonden. Omdat (gemeentelijke) planmatige uitbreiding aan nieuw aan te leggen straten niet aan de orde is dient particuliere uitbreiding aan bestaande wegen plaats te vinden.
3.4.4.4 Toetsing van het initiatief aan de Buurtschappennota Wat betreft de stedenbouwkundige uitstraling van het planvoornemen geldt dat bij de transformatie van het kerkgebouw ten behoeve van de inpandige realisatie van een tweetal wooneenheden de buitenruimte zo min mogelijk wordt aangetast. Om de voorgenoemde karakteristieke kapel te kunnen behouden én om de werkzaamheden te kunnen financieren is eveneens het voornemen om het bestaande parkeerterrein en overtollige erfverharding te saneren en hiervoor in de plaats een nieuwe vrijstaande woning met bijbehorend bijgebouw te realiseren. Met de inkomsten van de verkoop van deze woningbouwkavel kan dan voorliggend planvoornemen gefinancierd worden. Vanuit de buurtschappennota worden de kaders(eisen) meegegeven voor het inpassen van deze nieuw te realiseren woning, ondermeer ten aanzien van een landelijke bouwstijl. Er kan bij de bouw van de vrijstaande nieuw te bouwen woning op de locatie van het voormalige parkeerterrein nagenoeg voldaan worden aan de eisen vanuit de buurtschappennota. Enkel de kavelafstand van 5 meter wordt niet geheel gehaald. Dit is echter geen stedenbouwkundige belemmering, gezien het feit dat de meeste woningen in deze buurt die ruimte niet hebben.
Deze woning is daarbij zo gepositioneerd dat het in de voorgevelrooilijn van de bestaande bebouwing nabij het plangebied (aan deze zijde van de weg) ligt, om zo een passende positionering te vinden en als laatste zo min mogelijk in het zicht van de buren te zitten. Middels een inrit wordt de woning aan de noordzijde ontsloten. Een beukenhaag vormt een passende afscherming tussen het erf met de buren. Op het erf is voldoende ruimte om te parkeren. De voortuin wordt afgeschermd middels een laag plantsoen dat aansluit op de beplanting rondom de parkeerplaats. De bestaande bomen blijven zo veel als mogelijk behouden. Geconcludeerd wordt dat voorliggend initiatief goed past binnen de gedachtes van de Buurtschappennota.
3.4.5
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het gemeentelijk beleid.
Toelichting (vastgesteld)
31
bestemmingsplan Schuineslootweg 104 Schuinesloot
Hoofdstuk 4
M ilieu- en omgevingsaspecten
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan/bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en Besluit Milieu effectrapportage.
4.1
Geluid
4.1.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan/bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen.
4.1.2
Situatie plangebied
In dit geval wordt ter plaatse van het plangebied een drietal nieuwe wooneenheden mogelijk gemaakt. Hieronder wordt ingegaan op de geluidsaspecten industrie-, railverkeers- en wegverkeerslawaai. 4.1.2.1 Industrielawaai Het plangebied is niet gelegen in of nabij een zone van een gezoneerd industrieterrein Daarom wordt niet nader op het aspect industrielawaai ingegaan. In paragraaf 4.5 wordt nader ingegaan op de invloed van individuele bedrijven op het plangebied. 4.1.2.2 Railverkeerlawaai Railverkeerslawaai wordt in dit geval buiten beschouwing gelaten, omdat de dichtstbijzijnde spoorlijn op ruime afstand van het plangebied is gelegen. 4.1.2.3 Wegverkeerslawaai In artikel 74.1 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte is opgenomen in onderstaande tabel.
De hiervoor genoemde zones gelden niet voor:
32
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Schuineslootweg 104 Schuinesloot wegen die zijn aangeduid als woonerf (art 74.2 Wgh); wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art 74.2 Wgh); In de omgeving van het plangebied zijn uitsluitend wegen gelegen waarop een maximum snelheid van 30 kilometer per uur geldt. Wegen met een dergelijke maximumsnelheid hebben geen wettelijke zones en geldt geen onderzoeksplicht voor op grond van de Wet geluidhinder. Volgens jurisprudentie blijkt een 30 km/uur weg echter in de beoordeling te moeten worden meegenomen, indien vooraf aangenomen had kunnen worden dat deze weg een geluidbelasting veroorzaakt die hoger ligt dan de voorkeursgrenswaarde (48 dB). De omliggende wegen worden voornamelijk gebruik voor bestemmingsverkeer, voornamelijk in de vorm van personenwagens. Van zwaar verkeer is nauwelijks sprake. De Schuineslootweg heeft daarbij een beperkte, voornamelijk bestemmingsgerichte verkeersintensiteit, het betreft geen drukke doorgaande weg. Aangenomen kan worden dat de geluidbelasting ter plaatse van de nieuwe woningen onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB zal liggen. Tevens is de beoogde locatie van de woningen, zoals is ingetekend in Bijlage 1, op de plankaart verankerd middels een bouwvlak. Zo wordt voorkomen dat de woningen in de toekomst dichter op de weg wordt gebouwd dan de woningen in de bestaande rooilijn in het bestaande bebouwingslint.
In het kader van het Bouwbesluit worden afhankelijk van de functie eisen gesteld aan het optredende binnenniveau. Het maximaal toelaatbare binnenniveau bedraagt 33 dB in de woning. Conform het Bouwbesluit wordt als uitgangspunt genomen dat een gevel van een gebouw een minimale gevelwering (isolatiewaarde) heeft van 20 dB, hetgeen in de praktijk naar alle waarschijnlijkheid meer dB zal bedragen gezien de hedendaagse versterkte isolatienormen. In de toekomstige situatie zal sprake zijn van een acceptabel binnenniveau en een aanvaardbaar woonen leefklimaat.
4.1.3
Conclusie
Het aspect geluid in het kader van de Wgh vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.
4.2
Bodemkwaliteit
4.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5725 en NEN 5740. 4.2.2
Situatie plangebied
Plangebied In het kader van de beoogde nieuwbouw is binnen het plangebied door Sigma Milieu een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 en NEN 5707 uitgevoerd. Het volledige onderzoek is in Bijlage 2 bij de toelichting opgenomen. De belangrijkste conclusie uit deze onderzoeken zijn hieronder opgenomen. Verkennend bodemonderzoek NEN5740 Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn boringen en inspectiegaten uitgevoerd ten behoeve van een bodemonderzoek conform de NEN5740 en NEN5707. Grond Op basis van zintuiglijke waarnemingen zijn in het opgeboorde bodemmateriaal plaatselijk puinresten en asfaltgranulaat waargenomen.
Toelichting (vastgesteld)
33
bestemmingsplan Schuineslootweg 104 Schuinesloot
Bovengrond (0.0-0.5 m-mv) Bovengrondmengmonster MM1 bevat een verhoogd gehalte cadmium, zink (zware metalen), polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s, som 10) en PCB’s (som 7) t.o.v. de achtergrondwaarde, de tussenwaarde (indicatie voor nader onderzoek) en de bodemindex-waarde (>0,5) wordt in deze gevallen niet overschreden zodat er uit milieuhygiënische overweging geen directe aanleiding is tot het instellen van aanvullend onderzoek. Bovengrondmengmonster MM2 bevat geen van de onderzochte componenten verhoogd t.o.v. de achtergrondwaarde en/of detectiewaarde. Ondergrond (0.6-2.0 m-mv) Ondergrondmengmonster MM3 bevat geen van de onderzochte componenten verhoogd t.o.v. de achtergrondwaarde en/of detectiewaarde. Grondwater peilbuis 1 (2.3-3.3 m-mv) Het grondwater ter plaatse van peilbuis 1 bevat een verhoogd gehalte koper en molybdeen (zware metalen) t.o.v. de streefwaarde, de tussenwaarde (indicatie voor nader onderzoek) en de bodemindex-waarde (>0,5) wordt in deze gevallen niet overschreden zodat er uit milieuhygiënische overweging, naar onze mening, geen directe aanleiding is tot het instellen van aanvullend onderzoek. Toetsing hypothese Op basis van de vooraf gestelde hypothese is de onderzoekslocatie in eerste aanleg als milieuhygiënisch onverdacht aangemerkt.
Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek blijkt dat de locatie niet geheel vrij is van bodemverontreiniging. De bovengrond en het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie bevatten plaatselijk enkele gehalten verhoogd t.o.v. de achtergrondwaarde resp. de streefwaarde. Deze licht verhoogd aangetoonde gehalten overschrijden de tussenwaarde / bodemindex-waarde (>0.5) niet en geven daardoor geen formele aanleiding tot het instellen van een nader onderzoek.
Verkennend bodemonderzoek NEN5707 "asbest in bodem" Maaiveld Op basis van de visuele locatie-inspectie is op het geïnspecteerde maaiveld geen asbestverdacht materiaal waargenomen. Bovengrond (0.0 max. 0.5 m-mv) Ter plaatse van de inspectiegaten 1 t/m 4+6+8 is in de uitgegraven bovengrond (bodemlaag tussen 0.0max. 0.5 m-mv) in de fractie >20 mm zintuiglijk geen asbestverdacht materiaal waargenomen. Het totale gemiddeld indicatief gewogen gehalte asbest (fractie <20 mm + fractie >20 mm) in de bovengrond t.p.v. de inspectiegaten 1 t/m 4+6+8 bedraagt ter indicatie <2 mg/kg d.s en is daarmee niet verhoogd t.o.v. de bepalingsgrens. De interventiewaarde (100 mg/kg d.s) voor asbest alsmede het criterium voor nader onderzoek (> 50 mg/kg d.s.) wordt t.p.v. de inspectiegaten 1 t/m 4+6+8 niet overschreden. De bovengrond uit de inspectiegaten 1 t/m 4+6+8 is niet aantoonbaar verontreinigd met asbest. Ondergrond (0.5-2.0 m-mv) Op basis van de uitgevoerde inspectie van het opgeboorde materiaal uit de inspectiegat 1 en 2 zijn vanaf ca. 0.5 m-mv visueel geen bodemvreemde materialen waargenomen. Van de ongeroerde ondergrond vanaf 0.5 m-mv zijn in deze fase van het onderzoek geen grondmonsters geanalyseerd op de fractie <20 mm.
Omdat geen asbestverdacht materiaal (met fractie > 20 mm) in de ongeroerde ondergrond is aangetroffen is de verwachting dat er geen asbest met fractie < 20 mm in de ongeroerde ondergrond aanwezig is. Toetsing hypothese
34
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Schuineslootweg 104 Schuinesloot
Op basis van de vooraf gestelde hypothese is de onderzoekslocatie in eerste aanleg als verdacht voor asbest aangemerkt. Uit het onderzoek is gebleken dat de bovengrond t.p.v. inspectiegaten 1 t/m 4+6+8 niet aantoonbaar verontreinigd is met asbest. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de vooraf gestelde onderzoekshypothese “verdacht” verworpen.
4.2.3
Conclusie
De bodemkwaliteit in het plangebied vormt, met inachtneming van bovenstaande, geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.3
Luchtkwaliteit
4.3.1
Algemeen
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); 4.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 4.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleegen bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig. 4.3.2
Situatie plangebied
Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling, in verhouding tot de categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 4.3.1.1 kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'.
Toelichting (vastgesteld)
35
bestemmingsplan Schuineslootweg 104 Schuinesloot
4.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorgenomen ontwikkeling.
4.4
Externe veiligheid
4.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
Het vervoer van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 4.4.2
Situatie in en bij het plangebied
Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In de onderstaande afbeelding 4.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven. Het plangebied is indicatief met een rode ster weergegeven.
36
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Schuineslootweg 104 Schuinesloot
Afbeelding 4.1 Uitsnede Risicokaart, de rode ster betreft het plangebied. (Bron: Risicokaart.nl) Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; zich niet bevindt binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen over water, weg of rail; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. 4.4.3
Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
4.5
Milieuzonering
4.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in
Toelichting (vastgesteld)
37
bestemmingsplan Schuineslootweg 104 Schuinesloot plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. 4.5.2
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype 'rustige woonwijk' vergelijkbaar omgevingstype. Het omgevingstype 'gemengd gebied' wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' als volgt omschreven: 'Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen.
Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.' De richtafstanden (met uitzondering van het aspect gevaar) uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Het plangebied ligt in het bebouwingslint van Schuinesloot waar géén sprake is van grote/intensieve menging van functies. Daarom wordt in dit geval uitgegaan van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Onderstaande tabel geeft de richtafstanden weer voor de verschillende omgevingstypes. Milieucategorie Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied
1
10 m
0m
2
30 m
10 m
3.1
50 m
30 m
3.2
100 m
50 m
4.1
200 m
100 m
4.2
300 m
200 m
5.1
500 m
300 m
5.2
700 m
500 m
5.3
1.000 m
700 m
6
1.500 m
1.000 m
4.5.3
Situatie plangebied
Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
38
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Schuineslootweg 104 Schuinesloot
4.5.3.1 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt aangetast. In dit geval is sprake van de toevoeging van een woonbestemming en het wegbestemmen van een maatschappelijke bestemming. De functie ‘wonen’ betreft geen milieubelastende activiteit voor de omgeving. Van enige vorm van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden is dan ook geenszins sprake.
4.5.3.2 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functie binnen het plangebied hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. Een woning betreft een milieugevoelige functie. Milieubelastende functies in de directe, aansluitend aan het plangebied gelegen, omgeving komen niet voor. De omgeving van Schuinesloot wordt namelijk functioneel gekenmerkt door woningen. De meest nabijgelegen functies betreffen agrarische (bedrijfs)percelen rondom de kern Schuinesloot en ten noordoosten een basisschool (maatschappelijke bestemming, zie de uitsnede van het planologische regime in paragraaf 1.2). Wat betreft deze basisschool, binnen deze maatschappelijke bestemming zijn met name educatieve, sociaal-medische, sociaal culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen toegestaan. Deze activiteiten zijn veelal in milieucategorie 2 te bevatten. Voor dergelijke bedrijvigheid geldt een richtafstand van 30 meter. De locatie van het plangebied bevindt zich op minimaal 80 meter afstand en deze maatschappelijke bestemming wordt dan ook niet gehinderd als gevolg van de ontwikkeling. Opgemerkt wordt dat naast de hiervoor genoemde functie in de omgeving van het plangebied ook agrarische bedrijven aanwezig zijn.
Bij veehouderijen zijn niet de adviesafstanden op basis van de VNG-uitgave bepalend, maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekenende geuremissiecontouren voor vergunningsplichtige bedrijven. Daarom wordt hier het aspect ‘geur’ buiten beschouwing gelaten, in paragraaf 4.6 zal hier nader op in worden gegaan. Indien het aspect ‘geur’ buiten beschouwing wordt gelaten geldt een grootste richtafstand van 10 meter (in gemengd gebied) voor het aspect geluid en stof. De dichtstbijzijnde veehouderij (‘het fokken en houden van rundvee’) betreft de ten noorden gelegen Schuineslootweg 106. Het bouwvlak van de dichtstbijzijnde veehouderij met VA-dieren ligt op circa van 70 meter vanaf de positie van het beoogde bouwvlak in het plangebied, met deze laatstgenoemde afstand wordt ruimschoots voldaan aan de vigerende richtafstanden. Overige agrarische bedrijven (voorzien van een bouwvlak) zijn gelegen op een afstand van meer dan 250 meter, hiermee wordt in alle gevallen voldaan aan de richtafstanden. Er mag derhalve van worden uitgegaan dat ter plaatse van de beoogde woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omgekeerd worden de omliggende functies niet in hun bedrijfsvoering beperkt.
4.5.4
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
Toelichting (vastgesteld)
39
bestemmingsplan Schuineslootweg 104 Schuinesloot
4.6
Geur
4.6.1
Algemeen
4.6.1.1 Wet geurhinder en veehouderij en Activiteitenbesluit De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor milieuactiviteiten van veehouderijen met dierenverblijven. De Wgv kent twee categorieën: dieren met een geuremissiefactor, waarvoor een maximale geurbelasting op een geurgevoelig object geldt, en dieren waarvoor een minimale afstand geldt. Bij een gemeentelijke verordening kunnen andere maximale geurbelastingen en minimale afstanden worden vastgesteld. Van deze mogelijkheid heeft de gemeenteraad in 2009 gebruik gemaakt. Op basis van de Geurverordening Hardenberg gelden onder voorwaarden andere waarden, waarbij een gebiedsindeling in acht is genomen. Voor de locatie van de beoogde woning geldt een norm van 14 Ou[E]/m3. 4.6.1.2 Activiteitenbesluit Vanaf 1 januari 2013 is het Activiteitenbesluit ook van toepassing op agrarische activiteiten. Het Besluit landbouw milieubeheer is tegelijkertijd komen te vervallen. Agrarische bedrijven hebben geen vergunning meer nodig als al hun activiteiten onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen. Dit zijn type B-bedrijven, zoals veehouderijen, kinderboerderijen (en andere bedrijven die kleinschalig dieren houden), glastuinbouwbedrijven, bedrijven met teelt in gebouwen, bedrijven met open teelt, agrarische loonwerkers en losse opslagen (bijvoorbeeld mest).
Voor geurhinder is in het Activiteitenbesluit een soortgelijk beoordelingskader opgenomen als in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Zo gelden binnen en buiten de bebouwde kom dezelfde normen als in de Wgv. Ook de geurbelasting wordt bepaald volgens het bepaalde in de Wgv. Hetzelfde geldt voor het meten van de afstanden. 4.6.1.3 Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Hardenberg De Wgv maakt het voor gemeenten mogelijk om gebiedsgericht geurbeleid op te stellen. Daarmee krijgt de gemeente een instrument om de ontwikkeling van (grootschalige) veehouderijen te sturen. Gemeenten mogen bij verordening van de normen van de Wgv afwijken (artikel 6 Wgv), binnen bepaalde grenzen. Het hanteren van afwijkende normen moet worden onderbouwd vanuit een ruimtelijke visie op de ontwikkeling van het gebied, de zogenaamde "gebiedsvisie". De gemeente Hardenberg heeft een dergelijke 'geurverordening' opgesteld en gebiedsgericht geurbeleid ontwikkeld. In deze geurverordening zijn de wettelijke geurnormen (odeur) en vaste afstanden aangepast. In de verordening gaat het om afstand tussen veehouderij tot de gevel van een geurgevoelig object, deze moet minimaal 50 meter bedragen in de bebouwde kom. 4.6.2
Situatie plangebied
De toekomstige woningen worden aangemerkt als een geurgevoelige object. De dichtstbijzijnde veehouderij (‘het fokken en houden van rundvee’) betreft de ten noorden gelegen Schuineslootweg 106. Het bouwvlak van de dichtstbijzijnde veehouderij met VA-dieren ligt op circa van 70 meter vanaf het bouwvlak in het plangebied. Gelet op deze grote afstand heeft de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling geen negatieve invloed op de bedrijfsvoering van voorgenoemd bedrijf. Daarnaast zijn andere woningen al gelegen op kortere afstand van het bedrijf. De geurnorm zal ter plaatse van het plangebied naar verwachting niet worden overschreden.
4.6.3
Conclusie
Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
40
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Schuineslootweg 104 Schuinesloot
4.7
Ecologie
4.7.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van die- en plantensoorten.
4.7.2
Gebiedsbescherming
4.7.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied “Mantingerzand” is gelegen op een afstand van ruim 12,5 kilometer. In dit geval kan op basis van de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling in combinatie met de grote afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (ruim 12 kilometer) met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden uitgesloten dat sprake is van significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. Een stikstofonderzoek naar de aanleg- en/of gebruiksfase van de woning kan dan ook achterwege blijven.
4.7.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als NNN is gelegen op circa 5 kilometer afstand. Het plangebied ligt daarmee niet in of in de directe nabijheid van het NNN, waarmee kan worden geconcludeerd dat als gevolg van voorliggend initiatief geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.
4.7.3
Soortenbescherming
4.7.3.1 Algemeen Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd.
4.7.3.2 Situatie plangebied Wat betreft de soortbescherming is de Flora- en Faunawet van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. Planten Het gevoerde beheer en de inrichting maken het plangebied tot een nagenoeg ongeschikte groeiplaats Toelichting (vastgesteld)
41
bestemmingsplan Schuineslootweg 104 Schuinesloot voor bijzondere planten. Broedvogels De inrichting en beheer maken het plangebied tot een nagenoeg ongeschikte groeiplaats voor bijzondere broedvogels. Indien sprake is van de kap van de bomen (hetgeen echter niet wordt beoogd, zie paragraaf 2.2) wordt voortvloeiend uit natuurwetgeving als voorwaarde gesteld dat dit buiten het broedvogelseizoen moet plaatsvinden. Vleermuizen Ten aanzien van vleermuizen wordt onderscheid gemaakt tussen vaste rust-/verblijfplaatsen, foerageergebieden en vliegroutes. Er zijn geen aanwijzingen van verblijfplaatsen van vleermuizen in de kapel, daarbij wordt deze slechts inpandig verbouwd en wordt er uitpandig niets verbouwd of gesloopt. Vleermuizen foerageren meestal langs bosranden, loofbomen, (vochtig) hooiland, vijvers en ruige oevers. De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een verslechtering van de geschiktheid van de omgeving als foerageergebied. Op basis van gebiedskenmerken kan voldoende geconcludeerd worden over de functionaliteit van het plangebied als vliegroute. De voorgenomen activiteit heeft geen wettelijke consequentie m.b.t. dit aspect van het functionele leefgebied van vleermuizen. Overige soorten Voor deze soorten geldt een algemene vrijstelling voor het verstoren, verwonden en/of doden in het kader van een ‘ruimtelijke ontwikkeling’.
De soorten komen incidenteel en in een dusdanig lage dichtheid voor, dat extra maatregelen in het kader van de algemene zorgplicht niet noodzakelijk zijn. Het uitvoeren van een quickscan natuurwaarden is in voorliggend geval niet noodzakelijk.
4.7.4
Conclusie
De ecologische aspecten vormen geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
4.8
Archeologie & cultuurhistorie
4.8.1
Archeologie
4.8.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 4.8.1.2 Situatie plangebied Het plangebied is geheel gelegen binnen een gebied met een archeologische verwachting, eveneens vastgelegd op de verbeelding van het vigerende planologische regime, zie paragraaf 1.4. Hierbij is het plangebied gelegen binnen de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 4' en 'Waarde - Archeologie 5'. Een dergelijk gebied geldt een onderzoeksplicht indien de ingreep in de bodem een grotere oppervlakte beslaat dan 500 m² óf 2.500 m² en een dieper reikt dan 50 centimeter.
Onderhavige ingreep (de realisatie van de vrijstaande woning ter plaatse van het voormalige parkeerterrein) in de bodem blijft onder de voorgenoemde oppervlakte van 500 m², zodat het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet aan de orde is.
42
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Schuineslootweg 104 Schuinesloot
4.8.2
Cultuurhistorie
4.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten.
4.8.2.2 Situatie plangebied Momenteel bevindt zich op dit perceel de voormalige Nederlands Hervormde kapel (kerkgebouw) van Schuinesloot, welke géén gemeentelijk monument is maar welke wél door Het Oversticht als karakteristiek is aangemerkt. Voor het overige is het plangebied (aan de noordoostelijke zijde) grotendeels in gebruik als parkeerterrein bij deze kerk. De maatschappelijke invulling van het plangebied is in de toekomst echter niet meer aan de orde, daar de kapel niet meer als zodanig voor religieuze doeleinden wordt gebruikt. Gelet op het vorenstaande is het wenselijk om het plangebied te voorzien van een duurzame vervolgfunctie, waarbij op basis van de beoordeling van Het Oversticht het kerkgebouw dient te worden behouden. Het voornemen van initatiefnemer is daarom om de bestaande kapel aan de buitenzijde volledig te behouden én inpandig te verbouwen ten behoeve van de realisatie van twee wooneenheden. Om deze te karakteristieke kapel te kunnen behouden én om de werkzaamheden te kunnen financieren is eveneens het voornemen om het bestaande parkeerterrein en overtollige erfverharding te saneren en hiervoor in de plaats een nieuwe vrijstaande woning met bijbehorend bijgebouw te realiseren. Met de inkomsten van de verkoop van deze woningbouwkavel kan dan voorliggend planvoornemen gefinancierd worden.
4.8.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten óp, maar juist van het behoud ván de cultuurhistorische waarden.
4.9
Verkeer en parkeren
4.9.1
Uitgangspunten
Bij het opstellen van bestemmingsplannen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling, evenals een eventuele toename van de verkeersgeneratie. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling wordt uitgegaan van de volgende uitgangspunten: Stedelijke zone: rest. bebouwde kom; Verstedelijkingsgraad: weinig stedelijk; Gewenste functie woning: koop, huis, vrijstaand + twee-onder-een-kap 4.9.2
Parkeren
Bij nieuwe ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte die ontstaat door de nieuwe ontwikkeling. Voor wat betreft de parkeernormering wordt aangesloten bij de Nota parkeernormering van de gemeente Hardenberg. De parkeernormering is vastgelegd in de regels van het bestemmingsplan "Facetherziening parkeren Hardenberg".
Toelichting (vastgesteld)
43
bestemmingsplan Schuineslootweg 104 Schuinesloot
Het parkeren ten behoeve van de woningen zal plaatsvinden op eigen perceel. Hierbij dient op het perceel ruimte voor minimaal twee parkeerplaatsen worden gereserveerd. Gelet op de omvang van de kavels is hier ruimte voldoende voor, zie hiervoor ook paragraaf 2.2 en de weergave van de kavels in Bijlage 1 bij deze toelichting. Geconcludeerd wordt dat het aspect 'parkeren' geen belemmering oplevert voor het voorliggend voornemen.
4.9.3
Verkeersgeneratie
De nieuwe woningen worden ontsloten via twee nieuw aan te leggen in- en uitritten, zie hiervoor de tekening in het ruimtelijk kwaliteitsplan in Bijlage 1. Er worden overzichtelijke in- en uitritten gerealiseerd, zodat verkeersonveilige situaties voorkomen worden. Gezien het feit dat de Schuineslootweg een rustig gelegen weg betreft met een lage verkeersintensiteit, wordt geconcludeerd dat de er vanuit verkeerskundig oogpunt geen bezwaar is tegen de in dit bestemmingsplan besloten ruimtelijke ontwikkeling. Er zal ten gevolge van de bouwwerkzaamheden van het planvoornemen daarbij slechts tijdelijk sprake zijn van een beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen. Echter wordt er ook een bestaande maatschappelijke functie (kerk) met bijhorende verkeersgeneratie planologisch gezien wegbestemd. In de toekomstige gebruiksfase van deze woningen zal dan ook géén sprake zijn van een toename, maar juist van een afname van het aantal verkeersbewegingen. Geconcludeerd wordt dat het aspect 'verkeersgeneratie' geen belemmering oplevert voor voorliggend voornemen.
4.10
Besluit milieueffectrapportage
4.10.1 Kader De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan
44
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Schuineslootweg 104 Schuinesloot onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.
4.10.2 Situatie projectgebied 4.10.2.1
Artikel 2.8 lid 1 van de Wet natuurbescherming
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op circa 12,5 kilometer afstand van het plangebied. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat er geen sprake zal zijn van een stikstofdepositie met negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig.
4.10.2.2
Drempelwaarden Besluit m.e.r.
Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor het voldoet aan de definitie van een 'besluit' als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten mogelijk worden gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject' (onderdeel D 11.2 besluit m.e.r.). Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag om er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage.