Toelichting bestemmingsplan Parallelweg 21a, De Krim
Tekst van het document
Toelichting (vastgesteld)
25
bestemmingsplan Bestemmingsplan Parallelweg 21a, De Krim landschappen herkenbaarder worden. Gebiedsgerichte projecten versterken enerzijds de landschappelijke relaties en biodiversiteit in het landelijk gebied zelf en anderzijds de relatie tussen het landelijk gebied en de kernen. Dit overstijgt de huidige perceelsgerichte benadering. De gemeente zoekt naar nieuwe economische dragers in het landelijk gebied om gebiedsgerichte projecten te kunnen financieren. Een voorbeeld is het bieden van ruimte aan tweede woningen. De investeringsruimte die hiermee ontstaat zet de gemeente in voor kwaliteitsverbetering van de fysieke leefomgeving van het buitengebied. De gemeente onderzoekt hoe inkomsten uit grootschalige(r) toekomstige ontwikkelingen in het landelijk gebied kunnen inzetten voor de kwaliteit van de groene leefomgeving. Denk aan koppeling van geldstromen rond de energietransitie of klimaatadaptatie. Dit kunnen ook nieuwe economische dragers in het landelijk gebied worden. De gemeente stimuleert groenblauwe diensten ter ondersteuning van de gebiedsgerichte projecten. Deze dragen bij aan nieuwe kwaliteitsimpulsen voor de groene leefomgeving. Gebieden die voor extra kwaliteitsimpulsen in aanmerking komen is onder andere het gebied in Ane. Het gaat daarbij om het toevoegen van landschapselementen in de kleinschalige landschappen.
3.3.1.6 Toetsing van het initiatief aan de gemeentelijke omgevingsvisie 'Landstad Hardenberg' Voorliggende ontwikkeling draagt bij aan de ambitie van de gemeente, namelijk kwaliteit toevoegen. Met voorgenomen ontwikkeling wordt één woning gerealiseerd op een perceel welke reeds is voorzien van een woonbestemming en is gelegen in een overwegende woonomgeving (kern De Krim). Ter plaatse wordt eveneens een bedrijfsmogelijkheid wegbestemd. Het is daarbij positief vanuit ruimtelijk oogpunt dat de bestaande schuur wordt vervangen voor een woning, dit past immers goed op deze locatie en leidt tot verfraaing van het plangebied. Samenvattend wordt gesteld dat het initiatief past binnen de omgevingsvisie 'Landstad Hardenberg'.
3.3.2
Welstandsnota
3.3.2.1 Algemeen De welstandsnota 'Visie op beeldkwaliteit' is door de raad van de gemeente Hardenberg vastgesteld op 29 november 2011. Doelstelling van de Welstandsnota is een duidelijk en toetsbaar gemeentelijk welstandsbeleid. De welstandsnota heeft vrijwel uitsluitend betrekking op de kernen en overige bebouwingsconcentraties. Locaties die niet binnen de grenzen van de welstandsnota zijn gelegen, veelal locaties in het buitengebied, dienen te worden getoetst aan de 'Welstandsnota Buitengebied’ (vastgesteld op 3 december 2013). De ambitie van de welstandsnota voor de kernen en overige bebouwingsconcentraties is een kwaliteitsontwikkeling in gang te zetten waarbij elk project bijdraagt aan de versterking van de beeldkwaliteit van de leefomgeving. Daarmee zullen de verschillende kernen zich meer onderscheiden en krijgt elke kern haar eigen kleur (terug). De gemeente wil meer vrijheid voor burgers creëren. Dit wordt bereikt door kaders te stellen 'waar het er toe doet' en andere delen van de gemeente welstandsvrij te maken. Een en ander komt tot uiting in de toekenning van drie niveaus (zie onder). Op de belangrijke plekken wordt door middel van welstand en bestemmingsplan gestuurd. De laag gewaardeerde plekken zijn welstandsvrij. Voor deze gebieden is het bestemmingsplan (of de beheersverordening) maatgevend.
3.3.2.2 Niveaus van welstand Binnen de gemeente worden drie niveaus van welstand onderscheiden, dit betreffen: Niveau 0 (laag): Onder dit niveau vallen alle gebieden waarvoor het beleid gericht is op het handhaven van de aanwezige basiskwaliteit. Er is hierbij veel vrijheid voor de aanvrager zodanig dat het totaalbeeld van de
26
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Bestemmingsplan Parallelweg 21a, De Krim woongebieden voor een ieder acceptabel blijft. Deze kwaliteiten worden niet meer door welstandbeleid beschermd maar door het bestemmingsplan en aanverwante instrumenten. De kwaliteiten van het openbaar gebied beïnvloeden met name de ruimtelijke kwaliteit. Deze gebieden zijn dus welstandsvrij. Er vindt geen welstandsbegeleiding of beoordeling plaats. Niveau 1 (midden): Onder dit niveau vallen alle gebieden die om een zorgvuldige beoordeling van de bouwkundige ingrepen vragen. Het accent ligt hier op het handhaven en respecteren van kenmerkende karakteristieken. De beoordeling is dan vooral gericht op het handhaven en versterken van de specifieke gebiedskwaliteiten. Niveau 2 (hoog): Dit niveau past bij gebieden die van grote betekenis zijn voor het totaalbeeld van de stad en het landschap. Deze gebieden hebben bijzondere cultuurhistorische, landschappelijke, stedenbouwkundige of architectonische karakteristieken. Nieuwe ingrepen zullen met extra aandacht en zorg worden beoordeeld. Het beleid is er op gericht om dit beeld te handhaven en te versterken. Alle beoordelingsaspecten tot in het detail maken onderdeel uit van de advisering. Het plangebied is gelegen binnen een gebied waar welstandsniveau 1 van toepassing is.
3.3.2.3 Kanaaldorpen – waterstructuur De kanaaldorpen zijn ontstaan als de verdichte ontginningsbasis van de aangrenzende veengebieden. Het kanaal vormt in combinatie met de aangrenzende wegen de blauw/grijze drager van de belangrijkste gebouwen en functies en vormt tevens de belangrijkste openbare ruimte. Het achterliggende land is loodrecht op de linten ontgonnen in vaak diepe wijken. Dit, nog steeds herkenbare, ontginningspatroon bepaalt de richting van de bebouwing in de linten. In de bebouwingslinten is veel variatie aan bouwstijlen, detaillering, materiaal- en kleurgebruik. Hoofdzakelijk kleinschalige bebouwing wordt afgewisseld met grotere gebouwen zoals boerderijen, kerken, scholen en appartementen.
Er gelden voor welstandscriteria 1 diverse algemene welstandscriteria, waaronder: De hoofdvorm is passend vormgegeven en passend (qua maat en schaal) tussen de belendende bebouwing en het bebouwingslint; Alle gevels richting de openbare ruimte zijn representatief vormgegeven; De architectuur is afgestemd op de bebouwing uit de omgeving; De detaillering, en het kleur- en materiaal gebruik is afgestemd op de bebouwing uit de omgeving; Daarnaast gelden in voorliggend geval, vanwege de ligging in het deelgebied waterstructuur, de volgende aanvullende criteria: De bebouwing draagt bij aan de versterking van de bebouwingswand; Het materiaalgebruik sluit aan op het kleurenpallet van het omringende landschap (donkere tinten, niet glimmend). 3.3.2.4 Toetsing van het initiatief aan de ‘Welstandsnota’ In voorliggend geval is er nog geen definitief ontwerp van de nieuwe woning aanwezig. Wel wordt de woning onder hoogstaande architectuur momenteel ontworpen. Bij het ontwerpen van de woning wordt rekening gehouden met de geldende welstandscriteria. Bij het aanvragen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zal het bouwplan worden getoetst aan de welstandsnota.
Toelichting (vastgesteld)
27
bestemmingsplan Bestemmingsplan Parallelweg 21a, De Krim
3.3.3
Programma Wonen 2019-2025
3.3.3.1 Algemeen Het Programma Wonen legt de focus op de woonambities voor de hele gemeente Hardenberg. Voor een groot deel van deze ambities is dit het juiste schaalniveau, omdat veel opgaven in alle kernen van de gemeente spelen. Maar de gemeente ziet ook duidelijke verschillen tussen de kernen in de gemeente Hardenberg. Dat is te zien in de diversiteit aan inwonersaantallen, maar ook in het verschil naar samenstelling van huishoudens en woningvoorraad van kernen. Dat maakt dat sommige opgaven (denk aan vergrijzing, aanpak particuliere woningvoorraad, druk op de sociale huurmarkt) per kern sterk kunnen verschillen. Daarom geeft het slot van het Programma Wonen al een eerste voorzet voor een integrale, gebiedsgerichte uitwerking. Het streven is om deze aanzet de komende jaren verder uit te werken naar een gebiedsvisie voor het wonen per (deel)gebied in de gemeente. In samenspraak met de plaatselijke belangen wordt maatwerk per kern geleverd. 3.3.3.2 Agenda Wonen De mensen waarderen de leefbare woonomgeving van de gemeente Hardenberg. Voorzieningen en de fysieke leefomgeving spelen daarbij een belangrijke rol. Om vitale kernen te houden, is het nodig dat alle leeftijdsgroepen kunnen blijven wonen. Vanwege demografische ontwikkelingen (kleinere huishoudens, vergrijzing) moet er anders gebouwd worden. Daarnaast zijn extra starterswoningen nodig.
De gemeente wil naar behoefte bouwen, waarbij het zwaartepunt ligt op de kernen Hardenberg en Dedemsvaart. Doel van woningbouw in de grote kernen (Balkbrug, Bergentheim, Gramsbergen, Slagharen) is om door groei van het aantal woningen de bevolking op peil te houden. Ook in de grote kernen is het particulier initiatief en het draagvlak binnen de kern voor de gemeente het uitgangspunt om voorzieningen te ondersteunen De gemeente levert hier een grotere inspanning, omdat deze voorzieningen een functie hebben voor het omliggende gebied en daarmee een groter draagvlak hebben om kwaliteit te kunnen leveren. Bundeling en samenwerking zijn voor voorzieningen in de grote kernen van belang om kwaliteit en duurzaamheid te kunnen waarborgen. Niet alle grote kernen hoeven dezelfde voorzieningen te hebben. Uitruil en samenwerking tussen kernen kan ook een hulpmiddel zijn om voorzieningen te behouden of te versterken. Een actieve bevolking is hierbij het uitgangspunt. De gemeente kan samenwerking tijdelijk ondersteunen en eventueel op gang brengen. Voor het publieke belang levert de gemeente een – niet financiële – inspanning om aanwezige voorzieningen met een ruim draagvlak in stand te houden.
Doelstellingen zijn onder meer: Bouwen op basis van behoefte; Bouwen voor doelgroepen; Duurzaam bouwen; Bieden van een ontmoetingsplek op basis van draagvlak en versterken sociale cohesie; Zorg voor kwetsbare groepen en onderlinge hulp; Verbeteren kwaliteit van onderwijs en zorg, voor zover dat een wettelijke taak is; Verbeteren woon- en ondernemersklimaat; Bevorderen van een veilige en leefbare woonomgeving; Bevorderen zelfredzaamheid van de samenleving; Verminderen regels en deze strikter handhaven; 3.3.3.3 Toetsing van het initiatief aan het 'Programma Wonen 2019 - 2025' De realisatie van de woning draagt bij aan het bouwen voor lokale behoefte en het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit. Voorgenomen ontwikkeling zorgt in de algemeenheid dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied verbeterd, temeer omdat een bedrijfsfunctie wordt wegbestemd. Geconcludeerd wordt dat het initiatief aansluit bij het gestelde in het Programma Wonen 2019 - 2025.
28
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Bestemmingsplan Parallelweg 21a, De Krim
3.3.4
Buurtschappennota
De beleidsnota 'Buurtschappennota' (vastgesteld d.d. 2 december 2014) van de gemeente Hardenberg biedt de kaders voor de voorgenomen ontwikkeling. Deze buurtschappennota is opgesteld met als doel om binnen de gestelde kaders nieuwbouw op onbebouwde plekken in enkele buurtschappen te stimuleren en daarmee de leefbaarheid van de aangewezen gebieden te vergroten. De nota biedt ruimte om te kunnen voldoen aan de lokale behoefte naar woningen. De Krim (waaronder specifiek onderhavig plangebied) is één van deze aangewezen gebieden. Een belangrijke voorwaarde om medewerking vanuit de gemeente te verkrijgen is een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling is dan ook een ruimtelijk kwaliteitsplan uitgewerkt. Hiermee wordt het initiatief op een zorgvuldige wijze ingepast in het landschap. Dit wordt beschreven in paragraaf 2.2. Het ruimtelijk kwaliteitsplan is volledig opgenomen in Bijlage 1 van de toelichting.
3.3.4.1 Algemeen De Buurtschappennota geeft een visie op bouwmogelijkheden in Schuinesloot (inclusief De Belt), Rheezerveen, Hoogenweg, Radewijk, Ane en de Krim. Deze visie is gewenst omdat de gemeenteraad in april 2009 heeft gevraagd om onderzoek te doen naar mogelijkheden voor woningbouw in deze vijf buurtschappen om zo te kunnen voldoen aan de aanhoudende lokale vraag. In 2014 is daar het dorp De Krim aan toegevoegd. De meest actuele Buurtschappennota is vastgesteld op 2 december 2014. 3.3.4.2 Ruimtelijke kwaliteit De vijf buurtschappen en De Krim bezitten elk afzonderlijke kenmerken, kwaliteiten en identiteiten. Deze komen voort uit de ontstaansgeschiedenis van de oorspronkelijke nederzettingen. De ruimtelijke kwaliteiten bepalen hoe in dit verband met buurtschappen en dorpen kan worden omgegaan. Verbetering van ruimtelijke kwaliteit is het criterium, om eventuele bebouwing wel of juist niet toe te staan. 3.3.4.3 Afbakening plangebied Een belangrijk aspect is de afbakening van het plangebied. Uitsluitend binnen het plangebied kunnen theoretische bouwlocaties mogelijk worden gemaakt. Een belangrijk uitgangspunt, bij de bepaling van het plangebied, is dat het moet gaan om aaneengesloten bebouwing aan hoofdwegen. Zijwegen maken geen deel uit van het plangebied. Hiermee kan een begin van kernvorming worden voorkomen. Het moet gaan om een concentratie van bebouwing.
Een uitzondering hierop is Schuinesloot, omdat hier al kernvorming heeft plaatsgevonden. Een bebouwingslint eindigt wanneer er sprake is van een zone of gebied, zonder duidelijk waarneembare bebouwing, met een lengte van 200 meter of meer. Het uitgangspunt is dat bij deze afstand visueel wordt aangenomen dat het lint eindigt en overgaat in onbebouwd landelijk gebied. Een belangrijk aspect in deze context is ook dat een lintbebouwing eindigt wanneer een woonlint overgaat in een agrarisch lint met agrarische (loonwerk) bedrijven. Het is immers niet de bedoeling om tussen agrarische bedrijven “belemmerende” woningbouwlocaties mogelijk te maken. Dit in verband met milieuwetgeving, maar ook uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening.
Voor de Krim is het volgende gesteld: Het plangebied is afgebakend. Binnen deze afbakening is de Buurtschappennota van toepassing. De locatie is gelegen in het afgebakende gebied in de Krim. Dat blijkt uit onderstaande uitsnede uit de Buurtschappennota, weergegeven in afbeelding 3.7 middels de rode ster.
Toelichting (vastgesteld)
29
bestemmingsplan Bestemmingsplan Parallelweg 21a, De Krim
Afbeelding 3.7: Uitsnede van de Buurtschappennota - Deelgebied: De Krim (Bron: Gemeente Hardenberg)
3.3.4.4 Toetsing van het initiatief aan de Buurtschappennota Formeel gesproken is geen sprake van een lege plek, het plangebied is immers reeds bebouwd met bedrijfsbebouwing. Formeel gezien kan de Buurtschappenota daarom niet worden toegepast op het planvoornemen. Echter zijn in het verleden reeds vaker woningen toegevoegd in het lint aan de Parallelweg, tevens wordt het plangebied goed landschappelijk ingepast en stedenbouwkundig verfraaid, door het vervangen van de schuur voor een woning. Daarom is het voor de gemeente Hardenberg aanvaardbaar en vanuit ruimtelijk spoor gezien wenselijk om op deze locatie een woning in het lint toe te voegen. Geconcludeerd wordt dat voorliggend initiatief past binnen de gedachtes van de Buurtschappennota.
3.3.5
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de doelstellingen uit het gemeentelijk beleid.
30
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Bestemmingsplan Parallelweg 21a, De Krim
Hoofdstuk 4
M ilieu- en omgevingsaspecten
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan/bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en Besluit Milieu effectrapportage.
4.1
Geluid
4.1.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan/bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen.
4.1.2
Situatie plangebied
In dit geval wordt op de plek van het voormalige erf een nieuwe woning gerealiseerd. Hieronder wordt ingegaan op de geluidsaspecten industrie-, railverkeers- en wegverkeerslawaai. 4.1.2.1 Industrielawaai Het plangebied is niet gelegen in of nabij een zone van een gezoneerd industrieterrein Daarom wordt niet nader op het aspect industrielawaai ingegaan. In paragraaf 4.5 wordt nader ingegaan op de invloed van individuele bedrijven op het plangebied. 4.1.2.2 Railverkeerlawaai Railverkeerslawaai wordt in dit geval buiten beschouwing gelaten, omdat de dichtstbijzijnde spoorlijn op ruime afstand van het plangebied is gelegen. 4.1.2.3 Wegverkeerslawaai Het plangebied ligt binnen de wettelijke geluidszones van de volgende 50 km/uur wegen: Beukenlaan; N377; Parallelweg; Drentseweg (deels 60 km/uur regime). Door BJZ.nu is daarom een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het volledige onderzoeksrapport is opgenomen in Bijlage 2 bij de toelichting. Hierna wordt ingegaan op de bevindingen. De geluidbelasting als gevolg van de Drentseweg bedraagt hoogstens 31 dB (inclusief reductie). De geluidbelasting als gevolg van de Beukenlaan bedraagt hoogstens 39 dB (inclusief reductie). De geluidbelasting als gevolg van de Parallelweg bedraagt hoogstens 45 dB (inclusief reductie). Met deze waarden wordt voldaan aan de voorkeurswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder.
De geluidbelasting als gevolg van de N377 bedraagt hoogstens 53 dB (inclusief reductie). Met deze waarde wordt niet voldaan aan de voorkeurswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder, maar wel aan de
Toelichting (vastgesteld)
31
bestemmingsplan Bestemmingsplan Parallelweg 21a, De Krim wettelijke toegestane waarde van 63 dB. De bron- en overdrachtsmaatregelen die getroffen kunnen worden om aan de voorkeurswaarde te voldoen ontmoeten bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke, verkeerskundige of financiële aard. Gevelmaatregelen zijn het meest doelmatig. Er kan dan ook een hogere waarde LDEN van 53 dB voor de te realiseren woning worden verleend met betrekking tot de geluidbelasting van de N377. Met het nemen van gevelmaatregelen met een geluidwering van minimaal 25 dB wordt ter plaatse van de te realiseren woning aan de binnenwaarde van 33 dB voldaan. Met het naleven van bovenstaande is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woning, tevens is de beoogde locatie van de woning, zoals is doorgerekend in het onderzoek, op de plankaart verankerd middels een bouwvlak. Zo wordt voorkomen dat de woning in de toekomst dichter op de weg wordt gebouwd.
4.1.3
Conclusie
Het aspect geluid in het kader van de Wgh vormt (mits een hogere waarde-procedure wordt doorlopen en een hogere waarde wordt verleend) geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.
4.2
Bodemkwaliteit
4.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5725 en NEN 5740. 4.2.2
Situatie plangebied
Plangebied In het kader van de beoogde nieuwbouw is binnen het plangebied door Dumea Milieu een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 en NEN 5707 uitgevoerd. Het volledige onderzoek is in Bijlage 3 bij de toelichting opgenomen. De belangrijkste conclusie uit deze onderzoeken zijn hieronder opgenomen. Verkennend bodemonderzoek NEN5740 Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn boringen en inspectiegaten uitgevoerd ten behoeve van een bodemonderzoek conform de NEN5740 en NEN5707. Gehele locatie In de bovengrondmengmonsters BM1 en BM2 zijn lichte verhogingen PAK 10 VROM aangetroffen. In het bovengrondmengmonster BM3 en in het ondergrondmengmonster OM1 zijn geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster Pb1wm1 zijn eveneens geen verhogingen aangetroffen. Verkennend bodemonderzoek NEN5707 "asbest in bodem" Tijdens de maaiveld- inspectie zijn ter plaatse van de onderzoekslocatie geen asbestverdachte materialen op het maaiveld aangetroffen. Gehele locatie Ter plaatse van de locatie zijn meerdere inspectiegaten gegraven, bemonsterd en geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest. In de mengmonsters MM1, MM2 en MM3 is analytisch geen asbest aangetoond. Conclusie
32
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Bestemmingsplan Parallelweg 21a, De Krim
Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt voor dit onderdeel geschikt geacht voor het beoogde gebruik.
Grondhoop op het perceel In februari 2023 door Sigma Bouw & Milieu circa 359 m³ grond gekeurd conform de Regeling bodemkwaliteit op een terrein aan de Parallelweg nr. 21A te De Krim (gemeente Hardenberg), dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 7. Aanleiding tot het uitvoeren van de partijkeuring vormt het plan om het betreffende gronddepot elders op het perceel in te zetten, voor het egaliseren van het perceel, de aanleg van de tuin en/of het treffen van de landschappelijke inpassingsmaatregelen. Het Besluit Bodemkwaliteit [lit. 1] stelt op basis van een generiek of gebiedsspecifiek toetsingskader beperkingen aan de toepassingsmogelijkheden van grond. Doel van dit onderzoek vormt, in het kader van de verwerking, inzicht te verkrijgen in de milieuhygiënische kwaliteit van de partij grond. De hergebruiksmogelijkheden zijn op basis van de milieuhygiënische criteria uit het Besluit bodemkwaliteit vastgesteld. Op basis van zintuiglijke waarnemingen zijn op de schil van het depot geen afwijkingen waargenomen. In het opgeboorde materiaal zijn geen afwijkingen waargenomen. In de grond zijn op basis van zintuiglijke waarnemingen geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Het BoToVa toetsingsoordeel voor de partij D01 betreft: natuur en landbouw. Uit de toetsing van PFAS blijkt dat voor de som PFOA en som PFOS de toepassingsnorm voor landbouw/natuur niet wordt overschreden.
De grondhoop belemmert het voornemen dan ook niet, en kan op eigen terrein worden gebruikt.
4.2.3
Conclusie
De bodemkwaliteit en de grondhoop in het plangebied vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.3
Luchtkwaliteit
4.3.1
Algemeen
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); 4.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen;
Toelichting (vastgesteld)
33
bestemmingsplan Bestemmingsplan Parallelweg 21a, De Krim kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 4.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleegen bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig. 4.3.2
Situatie plangebied
Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling, in verhouding tot de categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 4.3.1.1 kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. 4.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorgenomen ontwikkeling.
4.4
Externe veiligheid
4.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
Het vervoer van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 34
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Bestemmingsplan Parallelweg 21a, De Krim
4.4.2
Situatie in en bij het plangebied
Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In de onderstaande afbeelding 4.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven. Het plangebied is indicatief met een blauwe ster weergegeven.
Afbeelding 4.1 Uitsnede Risicokaart, de rode ster betreft het plangebied. (Bron: Risicokaart.nl) Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; zich niet bevindt binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen over water, weg of rail; is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Verder blijkt dat het plangebied nabij een buisleiding (N-525-60) ligt, de aangegeven buisleiding in afbeelding 4.1 ten zuiden van het plangebied betreft een leiding van de Gasunie, en de afstand van de leiding tot aan de woning bedraagt circa 50 meter. De risicocontour van het PR 10-6/jaar bedraagt 0 meter. Het plaatsgebonden risico levert geen beperkingen op. De bewuste leiding heeft een werkdruk van 40 bar en een diameter van 159 mm (6,26 inch). Bij dergelijke gasleidingen ligt de 1% letaliteitsgrens (aandachtsgebied groepsrisico) op 70 meter. Bij deze gasleiding ligt de 100% letaliteitsgrens op 40 meter afstand. De woning bevindt zich met circa 50 meter afstand net binnen de 1%-letaliteitsafstand maar buiten de 100%-letaliteitsafstand.
Daarbij betreft het voornemen slechts één enkele woning, waarbij gesteld kan worden dat (ten opzichte van de bestaande bedrijvigheid in het plangebied) de personendichtheid niet substantieel zal toenemen en daarmee het groepsrisico ook niet. Verder wordt opgemerkt dat de toekomstige bewoners van de beoogde woning aangemerkt worden als zelfredzame mensen die het plangebied zelfstandig in diverse richtingen kunnen ontvluchten. Daarnaast Toelichting (vastgesteld)
35
bestemmingsplan Bestemmingsplan Parallelweg 21a, De Krim is het plangebied van diverse manieren benaderbaar en is er ter plaatse voldoende ruimte aanwezig voor het opstellen van blusmaterieel. In voorliggend geval brengt de ligging van het plangebied in een aandachtsgebied geen beperkingen met zich mee. Een groepsrisicoberekening is daarom niet noodzakelijk en er hoeft geen nader onderzoek naar externe veiligheid plaats te vinden.
4.4.3
Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
4.5
Milieuzonering
4.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden.
De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. 4.5.2
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype 'rustige woonwijk' vergelijkbaar omgevingstype. Het omgevingstype 'gemengd gebied' wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' als volgt omschreven: 'Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen.
Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.' De richtafstanden (met uitzondering van het aspect gevaar) uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is.
36
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Bestemmingsplan Parallelweg 21a, De Krim
Het plangebied ligt in het bebouwingslint van De Krim, waar sprake is van menging van functies, zowel infrastructuur als woningen als verspreidliggende (agrarische) bedrijvigheid. Daarom wordt in dit geval uitgegaan van het omgevingstype 'gemengd gebied'. Onderstaande tabel geeft de richtafstanden weer voor de verschillende omgevingstypes. Milieucategorie Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied
1
10 m
0m
2
30 m
10 m
3.1
50 m
30 m
3.2
100 m
50 m
4.1
200 m
100 m
4.2
300 m
200 m
5.1
500 m
300 m
5.2
700 m
500 m
5.3
1.000 m
700 m
6
1.500 m
1.000 m
4.5.3
Situatie plangebied
Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 4.5.3.1 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt aangetast. In dit geval wordt een woning gerealiseerd aan de Parallelweg 21a. De functie 'wonen' betreft geen milieubelastende functie voor de omgeving. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden.
4.5.3.2 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie hinder ondervindt van bestaande milieubelastende functies in de omgeving. In voorliggend geval zijn in de omgeving voornamelijk woningen of lichte bedrijvigheid zoals detailhandel of dienstverlening aanwezig, dan wel horeca of sport. Voor dit soort functies geldt in gemengd gebied gemiddeld een richtafstand van 0 tot 30 meter (milieucategorie 1 en 3.1). In voorliggend geval wordt aan alle richtafstanden voldaan. Gezien de ruime afstand tot omliggende milieubelastende functies mag er van worden uitgegaan dat ter plaatse van de nieuwe woning sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat. Opgemerkt wordt dat naast de hiervoor genoemde functies in de omgeving van het plangebied ook agrarische bedrijven (melkveehouderijen) aanwezig zijn. Bij veehouderijen zijn niet de adviesafstanden op basis van de VNG-uitgave bepalend, maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekenende Toelichting (vastgesteld)
37
bestemmingsplan Bestemmingsplan Parallelweg 21a, De Krim geuremissiecontouren voor vergunningsplichtige bedrijven. Daarom wordt hier het aspect ‘geur’ buiten beschouwing gelaten, in paragraaf 4.6 zal hier nader op in worden gegaan. Indien het aspect ‘geur’ buiten beschouwing wordt gelaten geldt een grootste richtafstand van 10 meter (in gemengd gebied) voor het aspect geluid en stof. De dichtsbijzijnde veehouderij (‘het fokken en houden van rundvee’) betreft de ten oosten gelegen Parallelweg 22. Het bouwvlak van de dichtstbijzijnde veehouderij met VA-dieren ligt op circa van 16 meter vanaf de positie van de beoogde woning en op een afstand van circa 4 meter vanaf het plangebied, met deze laatstgenoemde afstand wordt niet voldaan aan de richtafstand van 10 meter. Echter wordt de beoogde woning op een afstand van circa 16 meter van het bouwvlak behorend bij het naastgelegen agrarisch bedrijf gerealiseerd, dit zal in de regels en op de plankaart worden verankerd. Gelet hierop wordt voldaan aan de richtafstand van 10 meter voor de aspecten geluid en stof. Voor wat betreft de overige vormen van bedrijvigheid wordt in alle gevallen voldaan aan de richtafstanden. Overige milieubelastende functies zijn op ruimere afstand gesitueerd als de hiervoor genoemde functies en vormen geen belemmering.
Er mag derhalve van worden uitgegaan dat ter plaatse van de beoogde woning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omgekeerd worden de omliggende functies niet in hun bedrijfsvoering beperkt.
4.5.4
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.6
Geur
4.6.1
Algemeen
4.6.1.1 Wet geurhinder en veehouderij en Activiteitenbesluit De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor milieuactiviteiten van veehouderijen met dierenverblijven. De Wgv kent twee categorieën: dieren met een geuremissiefactor, waarvoor een maximale geurbelasting op een geurgevoelig object geldt, en dieren waarvoor een minimale afstand geldt. Bij een gemeentelijke verordening kunnen andere maximale geurbelastingen en minimale afstanden worden vastgesteld. Van deze mogelijkheid heeft de gemeenteraad in 2009 gebruik gemaakt. Op basis van de Geurverordening Hardenberg gelden onder voorwaarden andere waarden, waarbij een gebiedsindeling in acht is genomen. Voor de locatie van de beoogde woning geldt een norm van 14 Ou[E]/m3. 4.6.1.2 Activiteitenbesluit Vanaf 1 januari 2013 is het Activiteitenbesluit ook van toepassing op agrarische activiteiten. Het Besluit landbouw milieubeheer is tegelijkertijd komen te vervallen. Agrarische bedrijven hebben geen vergunning meer nodig als al hun activiteiten onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen. Dit zijn type B-bedrijven, zoals veehouderijen, kinderboerderijen (en andere bedrijven die kleinschalig dieren houden), glastuinbouwbedrijven, bedrijven met teelt in gebouwen, bedrijven met open teelt, agrarische loonwerkers en losse opslagen (bijvoorbeeld mest).
Voor geurhinder is in het Activiteitenbesluit een soortgelijk beoordelingskader opgenomen als in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Zo gelden binnen en buiten de bebouwde kom dezelfde normen als in de Wgv. Ook de geurbelasting wordt bepaald volgens het bepaalde in de Wgv. Hetzelfde geldt voor het meten van de afstanden.
38
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Bestemmingsplan Parallelweg 21a, De Krim
4.6.1.3 Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Hardenberg De Wgv maakt het voor gemeenten mogelijk om gebiedsgericht geurbeleid op te stellen. Daarmee krijgt de gemeente een instrument om de ontwikkeling van (grootschalige) veehouderijen te sturen. Gemeenten mogen bij verordening van de normen van de Wgv afwijken (artikel 6 Wgv), binnen bepaalde grenzen. Het hanteren van afwijkende normen moet worden onderbouwd vanuit een ruimtelijke visie op de ontwikkeling van het gebied, de zogenaamde "gebiedsvisie". De gemeente Hardenberg heeft een dergelijke 'geurverordening' opgesteld en gebiedsgericht geurbeleid ontwikkeld. In deze geurverordening zijn de wettelijke geurnormen (odeur) en vaste afstanden aangepast. In de verordening gaat het om afstand tussen veehouderij tot de gevel van een geurgevoelig object, deze moet minimaal 25 meter bedragen. Bij nieuwe stallen geldt de minimale afstand van 50 meter. 4.6.2
Situatie plangebied
Omdat wat betreft het agrarische bedrijf, welke aan de oostelijke zijde van het plangebied is gelegen, niet aan de vaste richtafstand van 50 meter wordt voldaan, is in het kader van een goede ruimtelijke ordening beoordeeld of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woning. Ook moet beoordeeld worden of omliggende agrarische bedrijven in hun bedrijfsvoering worden belemmerd. Door BJZ.nu is een geuronderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoek is in Bijlage 4 bij de toelichting opgenomen. De belangrijkste conclusie uit deze onderzoeken zijn hieronder opgenomen. De te realiseren woning is maatgevend voor de naastgelegen veehouderij met VA-dieren aan de Parallelweg 22. Het bouwvlak van de dichtstbijzijnde veehouderij (aan de Parallelweg 22) met VA-dieren ligt op circa van 16 meter van de beoogde woning. Met deze afstand wordt niet voldaan aan de vaste afstand van 50 meter voor nieuwe geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom zoals vastgesteld in de geurverordening van de gemeente Hardenberg. De afstand van de gevel van de te realiseren woning en het emissiepunt van de dichtsbijzijnde stal bedraagt echter 93 meter. Hiermee blijft er voor de veehouderij ook voldoende ruimte om binnen het bouwvlak uit te breiden en wordt voldaan aan de richtafstand van 50 meter voor veehouderijen met VA-dieren.
Voor de overige veehouderijen is de te realiseren woning niet maatgevend. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening is onderzocht of ter plaatse van de te realiseren woningen sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. In het geuronderzoek is zowel gekeken naar de voor- als naar de achtergrondgeurbelasting. Beoordeling woon- en leefklimaat Om het woon- en leefklimaat te kunnen beoordelen is zowel de voor- als de achtergrondgeurbelasting berekend. Het woon- en leefklimaat is qua voorgrondgeurbelasting ter plaatse van het plangebied volgens de berekening en de gegevens uit tabel 1 van het onderzoek als ‘goed te kwalificeren. De achtergrondgeurbelasting bedraagt ten hoogste 1,87 OUE/m3. Volgens tabel 1 in het onderzoek is het woon- en leefklimaat qua achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied te kwalificeren als ‘goed’. Bij het beoordelen van het woon- en leefklimaat bestaat de volgende vuistregel: de voorgrondgeurbelasting is maatgevend als die tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. In deze situatie is de voorgrondgeurbelasting maatgevend en is het woon- en leefklimaat te kwalificeren als ‘goed.
4.6.3
Conclusie
Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
Toelichting (vastgesteld)
39
bestemmingsplan Bestemmingsplan Parallelweg 21a, De Krim
4.7
Ecologie
4.7.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van die- en plantensoorten. 4.7.2
Gebiedsbescherming
4.7.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied “Mantingerzand” is gelegen op een afstand van ruim 12 kilometer. In dit geval kan op basis van de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling in combinatie met de grote afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (ruim 12 km) met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden uitgesloten dat sprake is van significant negatieve effecten op natura 2000-gebieden. Een stikstofonderzoek naar de aanleg- en/of gebruiksfase van de woning kan dan ook achterwege blijven. 4.7.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.
Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als NNN is gelegen op circa 2,6 kilometer afstand. Het plangebied ligt daarmee niet in of in de directe nabijheid van het NNN, waarmee kan worden geconcludeerd dat als gevolg van voorliggend initiatief geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. 4.7.3
Soortenbescherming
4.7.3.1 Algemeen Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. 4.7.3.2 Situatie plangebied Voorliggende ontwikkeling voorziet in de realisatie van een woning, hierbij is sprake van de sloop van de bestaande bebouwing. Daarom is een quickscan ecologie uitgevoerd, welke is opgenomen in Bijlage 5. Quickscan ecologie De voorgenomen activiteiten worden gezien als 'ruimtelijke ontwikkeling'. Voor beschermde soorten die niet op de vrijstellingslijst (bijlage 3) van de provincie staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen verstoren en om opzettelijk de vaste rust- en voortplantingsplaats te mogen beschadigen en te vernielen. Voor het doden van beschermde diersoorten geldt geen vrijstelling van de verbodsbepalingen. Afhankelijk van de status van de beschermde soorten, kan soms ook gewerkt worden conform een door de minister goedgekeurde, en op de situatie toepasbare, gedragscode.
In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. 40
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Bestemmingsplan Parallelweg 21a, De Krim
Omdat de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van huismussen niet op voorhand is uit te sluiten, dient nader onderzoek uitgevoerd te worden om vast te stellen of deze soorten de bebouwing in het plangebied gebruiken als nestgelegenheid. Daarnaast geldt dat werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van bezette vogelnesten en het verstoren van vogels dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is september-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten beschadigd/vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. Vleermuizen bezetten mogelijk een vaste rust- of voortplantingsplaats in de bebouwing in het plangebied, en gebruiken de beplanting als (niet essentieel) foerageergebied. Om de voorgenomen werkzaamheden te kunnen uitvoeren zullen de gebouwen moeten worden onderzocht op de functionele waarden (verblijfplaats) van het gebied voor vleermuizen om overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb te voorkomen.
Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën geldt dat ze niet (opzettelijk) gedood mogen worden. Er worden geen beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën in het plangebied verwacht, het naleven van de zorgplicht wordt hierbij als voldoende geacht. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Tot slot wordt benadrukt dat te allen tijde rekening dient te worden gehouden met de zorgplicht zoals opgenomen in de Wet natuurbescherming. De zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Nader onderzoek vleermuizen en huismussen In de periode april-september 2022 is de bebouwing aan de Parallelweg 21a in De Krim onderzocht op de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen en nestplaatsen van huismussen. Uit het onderzoek (opgenomen in Bijlage 8) kwam naar voren dat vleermuizen geen zomer-, paar- of kraamverblijfplaats bezetten in de te slopen bebouwing. Ook zijn er geen nestplaatsen van huismussen aangetroffen in de bebouwing. Het uitgevoerde onderzoek voldoet aan het vleermuisprotocol 2021 en de soortenstandaard Huismus. Het slopen van de bebouwing in het plangebied leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling. Er hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden.
4.7.4
Conclusie
De ecologische aspecten vormen geen belemmering voor de uitvoering van het plan. Nader ecologisch soortgericht onderzoek heeft dit aangetoond.
4.8
Archeologie & cultuurhistorie
4.8.1
Archeologie
4.8.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.
Toelichting (vastgesteld)
41
bestemmingsplan Bestemmingsplan Parallelweg 21a, De Krim
4.8.1.2 Situatie plangebied Het plangebied is geheel gelegen binnen een gebied met een middelhoge archeologische verwachting, eveneens vastgelegd op de verbeelding van het vigerende planologische regime. Voor gebieden met een dergelijke verwachtingswaarde geldt dat een archeologisch onderzoek noodzakelijk is indien er bodemingrepen plaatsvinden die dieper reiken dan 40 centimeter beneden het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 275 m². In voorliggend geval zijn binnen het plangebied de grond reeds geroerd vanwege de bestaande bebouwing, welke zal worden gesloopt. Daarom kan gesteld worden dat de gronden ter plaatse van de te bouwen woning reeds geroerd zijn en dat daarom archeologisch onderzoek achterwege kan blijven.
4.8.2
Cultuurhistorie
4.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 4.8.2.2 Situatie plangebied Het plangebied zelf kent, op basis van de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel, geen bijzondere cultuurhistorische waarden. In de directe nabijheid van het plangebied bevinden zich enkele gemeentelijke monumenten, waaronder de woning aan de Parallelweg 19. Ook is er een bunker uit de Tweede Wereldoorlog aanwezig in het bos gelegen ten noordwesten van het plangebied. De ontwikkeling brengt geen negatieve effecten (bijv. ontnemen van een zichtlijn) ten aanzien van de cultuurhistorische waarden van het bouwwerk met zich mee. Daardoor wordt gesteld dat cultuurhistorie geen belemmering vormt voor onderliggend planvoornemen.
4.8.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.
4.9
Verkeer en parkeren
4.9.1
Uitgangspunten
Bij het opstellen van bestemmingsplannen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling, evenals een eventuele toename van de verkeersgeneratie. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling wordt uitgegaan van de volgende uitgangspunten: Stedelijke zone: rest. bebouwde kom; Verstedelijkingsgraad: weinig stedelijk; Gewenste functie woning: koop, huis, vrijstaand.
42
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Bestemmingsplan Parallelweg 21a, De Krim
4.9.2
Parkeren
Bij nieuwe ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte die ontstaat door de nieuwe ontwikkeling. Voor wat betreft de parkeernormering wordt aangesloten bij de Nota parkeernormering van de gemeente Hardenberg. De parkeernormering is vastgelegd in de regels van het bestemmingsplan "Facetherziening parkeren Hardenberg". De nieuwe woning moet, op basis van de uitgangspunten van de gemeentelijke parkeernormen, beschikken over 2,4 parkeerplaatsen. In totaal is er sprake van een parkeerbehoefte van afgerond 3 parkeerplaatsen. Het benodigde aantal parkeerplaatsen kan ruimschoots op het eigen erf worden gerealiseerd (zie afbeelding 2.3). Geconcludeerd wordt dat het aspect 'parkeren' geen belemmering oplevert voor het voorliggend voornemen.
4.9.3
Verkeersgeneratie
Met voorgenomen ontwikkeling wordt slechts één woning toegevoegd. Er zal ten gevolge van de bouwwerkzaamheden van deze woning tijdelijk sprake zijn van een beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen. Echter wordt er ook een bestaand bedrijfspand met bijhorende verkeersgeneratie gesloopt en planologisch gezien wegbestemd. In de toekomstige gebruiksfase van deze woning zal dan ook geen sprake zijn van een toename, maar juist van een afname van het aantal verkeersbewegingen. Tenslotte zijn de Parallelweg en omliggende wegen van voldoende omvang om de verkeersbewegingen in de toekomst eenvoudig en veilig af wikkelen. Vanuit verkeerskundig oogpunt zijn er daarom geen bezwaren tegen de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. Geconcludeerd wordt dat het aspect 'verkeersgeneratie' geen belemmering oplevert voor voorliggend voornemen.
4.10
Besluit milieueffectrapportage
4.10.1 Kader De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd.
Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de Toelichting (vastgesteld)
43
bestemmingsplan Bestemmingsplan Parallelweg 21a, De Krim drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. 4.10.2 Situatie projectgebied 4.10.2.1
Artikel 2.8 lid 1 van de Wet natuurbescherming
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op circa 12 kilometer afstand van het plangebied. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat er geen sprake zal zijn van een stikstofdepositie met negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 4.10.2.2
Drempelwaarden Besluit m.e.r.
Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor het voldoet aan de definitie van een 'besluit' als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten mogelijk worden gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject' (onderdeel D 11.2 besluit m.e.r.). Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag om er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage.