CConstaterende datHardenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting bestemmingsplan 'Hardenberg, Marslanden II, schoolgebouw en sportvelden'

gemeenteraad 21 februari 2023, gemeente HardenbergBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 'Hardenberg, Marslanden II, schoolgebouw en sportvelden'14.624 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Figuur 4.2. Uitsnede risicokaart met het plangebied in het blauwe kader (bron: risicokaart.nl, januari 2021). Buisleidingen Uit een inventarisatie van de risicokaart (risicokaart.nl) blijkt dat zich in de omgeving van het plangebied geen buisleidingen bevinden die relevant zijn in het kader van externe veiligheid. Het plangebied ligt niet in het invloedsgebied van risicovolle leidingen. Inrichtingen In de omgeving van het plangebied zijn geen inrichtingen die relevant zijn in het kader van externe veiligheid. Het plangebied ligt niet in het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen. De meest nabijgelegen risicovolle inrichting (PonyPark City) bevindt zich op circa 600 meter afstand. Spoor, weg en water In of nabij het plangebied bevinden zich geen wegen en spoor- of waterwegen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied van deze transportroutes. Conclusie Uit bovenstaande inventarisatie blijkt dat het plangebied buiten het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen, buisleidingen en transportroutes ligt. In het plangebied worden een basisschool en sportvoorzieningen gerealiseerd. De hoeveelheid personen in het gebied neemt hierdoor beperkt toe. Een nadere verantwoording van het groepsrisico wordt gezien de kleinschalige aard en omvang van de ontwikkeling niet noodzakelijk geacht.

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het plan.

bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, schoolgebouw en sportvelden | PAGINA 30

4.5

Geluid

Toetsingskader In het kader van de Wet geluidhinder bevinden zich langs alle wegen zones, met uitzondering van wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied en wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur. De wet stelt dat akoestisch onderzoek moet plaatsvinden wanneer binnen zones van (spoor)wegen nieuwe geluidsgevoelige bebouwing, zoals woningen, wordt gerealiseerd. Uit zulk onderzoek moet dan blijken in hoeverre de vastgestelde voorkeurgrenswaarden al dan niet worden overschreden. Daarnaast moet op grond van de Wet ruimtelijke ordening worden aangetoond dat een project niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Geluidsaspecten die een rol kunnen spelen betreffen: menselijk stemgeluid; wegverkeerslawaai; aanwezigheid natuurgebieden; lawaaisporten; industrielawaai; stiltegebieden. In het kader van dit bestemmingsplan is met name wegverkeerslawaai aan de orde. Onderstaand wordt aandacht besteed aan het onderzoek naar wegverkeerslawaai. In paragraaf 4.8 (Milieuzonering) wordt ingegaan op de aanwezigheid van nabijgelegen bedrijvigheid, waar geluid een van de aspecten is die van belang kunnen zijn in relatie tot het plangebied. Toetsing Met voorliggend plan kan onderscheid worden gemaakt in twee delen: de bouw van een school voor basisonderwijs en sportvoorzieningen bestaande uit twee velden en bijbehorende voorzieningen zoals een clubhuis.

Basisschool en kinderdagverblijf Een onderwijsgebouw wordt in het kader van de Wet geluidhinder gezien als een geluidsgevoelige functie. Om die reden moet worden bekeken of de aspecten wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawai een belemmering voor voor de beoogde ontwikkeling. Voor wegverkeerlawaai geldt dat de locatie binnen de wettelijke geluidzone ligt van de Havermarsweg en de Plaggenmarsweg. Beide wegen kennen in de huidige situatie een snelheidsregime van 30 km/uur (in de nieuwe situatie zullen beide wegen alleen toegankelijk zijn voor fietsers). Dat maakt dat akoestisch onderzoek naar wegverkeerlawaai niet noodzakelijk is. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet wel aandacht worden besteed aan dit aspect (wegverkeerslawaai). Het onderwijsgebouw ligt in buitenstedelijk gebied, binnen de geluidszone van de Havermarsweg en Plaggemarsweg. De Havermarsweg en Plaggemarsweg zijn beide smalle en rustige wegen die uitsluitend door het bestemmingsverkeer worden gebruikt. Redelijkerwijs kan worden verwacht dat als gevolg van deze weg de voorkeurswaarde van 48 dB niet overschreden wordt. Een akoestisch onderzoek kan daarom achterwege blijven. Voor de basisschool zijn de onderdelen industrielawaai en spoorweglawaai niet relevant. In de omgeving geen zijn functies aanwezig die tot zulk lawaai zouden kunnen leiden.

Daarnaast veroorzaakt een schoolgebouw zelf ook geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet hiervoor een akoestische afweging worden gemaakt. Voor deze vorm van geluidhinder geldt dat kan worden aangesloten bij de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering (2009)' zoals ook wordt aangehaald in paragraaf 4.8 (Milieuzonering) van deze toelichting. Uit de bespreking aldaar blijkt dat het schoolgebouw op voldoende afstand komt te liggen van de naburige woningen. De omliggende woningen bevinden zich op een afstand van 30 meter of meer. Nu de VNG-publicatie uitgaat van een richtafstand van 30 meter liggen de woningen op voldoende afstand.

bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, schoolgebouw en sportvelden | PAGINA 31

Sportvelden De toekomstige bebouwing bij de sportvelden wordt op basis van de Wgh niet als een geluidgevoelig object aangemerkt. Hierdoor hoeft geen nader onderzoek plaats te vinden naar geluid vanuit de omgeving (in dit geval: wegverkeerslawaai) op de ontwikkeling. Wel kunnen de sportvelden geluidhinder veroorzaken. Evenals de geluidhinder van de basisschool en het kinderdagverblijf kan ook hier verwezen worden naar paragraaf 4.8 (Milieuzonering) van deze toelichting. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 4.6

Lichthinder

Toetsingskader Of er bij vestiging van milieubelastende functies in een bestemmingsplan een redelijk woonen leefklimaat aan milieugevoelige functies wordt geboden, wordt in beginsel bepaald aan de hand van de richtafstanden uit de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. Wordt aan de VNG-richtafstand voldaan, dan hoeft er geen toets meer aan het Activiteitenbesluit milieubeheer plaats te vinden, tenzij er twijfel bestaat over het kunnen voldoen aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer dan wel de VNG-richtlijn geen richtafstanden geeft ten aanzien van een bepaald aspect. Ten aanzien van eventuele lichthinder kent de VNG-richtlijn geen richtafstanden. In zulk geval moet specifiek onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat het milieubelastende activiteit aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer kan voldoen. Dit vanuit de gedachte dat indien aan het Activiteitenbesluit milieubeheer wordt voldaan er in beginsel sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Artikel 2.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer is het zorgplichtbeginsel. Het eerste lid beschrijft dat de drijver van een inrichting nadelige milieugevolgen zoveel mogelijk moet voorkómen en als dat niet kan beperken.

Onder de zorgplicht met betrekking tot lichthinder valt het voorkómen of zoveel mogelijk beperken van hinderlijke lichtverschijnselen in woonof slaapvertrekken van woningen als gevolg van lichtinstallaties, toestellen, windturbines, gebouwen of werkzaamheden. Verlichting kan voor omwonenden hinder veroorzaken. Vaak wordt overlast veroorzaakt door schijnwerpers die zijn geplaatst als inbraakpreventie of door lichtbakken voor reclamedoeleinden. Door schijnwerpers of armaturen zorgvuldig af te stellen en te richten kunnen klachten veelal worden verholpen. Naast de intensiteit van directe en indirecte lichtinstraling kan er ook door knipperen, flikkeren of door kleurkeuze hinder door verlichting ontstaan. Gezien het feit dat lichthinder een zeer locatiegebonden probleem is, vraagt dit om lokaal maatwerk. Voor de vaststelling of er sprake is van hinder is geen universele definitie van het begrip 'lichthinder' beschikbaar. Wel kunnen de 'Richtlijn lichthinder' van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV) als uitgangspunt worden gehanteerd. Deze richtlijn geeft zoveel mogelijk invulling aan het begrip lichthinder zoals genoemd in de Wet milieubeheer en het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Onder de zorgplicht als bedoeld in de Wet milieubeheer valt ook het beschermen van duisternis en het donkere landschap in gebieden die daar door middel van een verordening, bestemmingsplan of beleidsregel voor zijn aangewezen. Indien er een dergelijke beleidsregel, verordening of bestemmingsplan van rijk, provincie of gemeente bestaat, kan het bevoegd gezag door middel van een maatwerkvoorschrift maatregelen of voorzieningen opleggen om de duisternis en het donkere landschap te beschermen. Ook in dit geval kan de bovengenoemde NSVV-richtlijn worden gebruikt als richtsnoer. Het Activiteitenbesluit milieubeheer regelt twee situaties uitputtend, namelijk sportverlichting en de verlichting van kassen. Dit betekent onder meer dat het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift geen andere tijden kan opleggen waarop de verlichting uitgeschakeld moet zijn. Wel blijft de zorgplicht van toepassing op de wijze waarop de verlichting wordt uitgevoerd, omdat het besluit omtrent dat aspect geen voorschriften stelt.

bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, schoolgebouw en sportvelden | PAGINA 32

In artikel 3.148 van het Activiteitenbesluit milieubeheer is een voorschrift opgenomen voor verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht. Belangrijk is het feit dat in het concept Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) onder de Omgevingswet, deze bepaling niet is overgenomen. Toetsing Voorliggend bestemmingsplan voorziet onder andere in de realisatie van sportvelden. Zoals opgemerkt bevat het Activiteitenbesluit milieubeheer hieromtrent regels in artikel 3.148. Dat artikel bepaalt dat de verlichting bij een gelegenheid voor sportbeoefening in de buitenlucht is uitgeschakeld tussen 23.00 uur en 07.00 uur, en indien er geen sport wordt beoefend noch onderhoud plaatsvindt. Nu sprake is van landelijke wetgeving zal de sportveldverlichting aan deze regel moeten voldoen en is het niet noodzakelijk hiervoor, wat betreft tijden en momenten, aanvullende regels op te nemen. Aanvullend op het bovenstaande milieuspoor moet ook, in het kader van een goede ruimtelijke ordening, worden gewaarborgd dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Daarvoor kan zoals vermeld worden aangesloten bij de Richtlijn lichthinder' van de NSVV. In tabel 7.1 (zie onderstaand) van bovengenoemde richtlijn zijn de grenswaarden vastgelegd voor de maximaal toegestane voorwaarden voor de lichtimmissie ter voorkoming van lichthinder voor omwonenden.

Hierbij wordt de verlichtingssterkte Ev (lx) op een relevant geveldeel, in het bijzonder de vensteropeningen op een hoogte van 1,80 m bepaald. Het gaat daarbij om de som van alle lichtinstallaties.

Figuur 4.3. Grenswaarden voor de maximale verlichtingssterkte ter voorkoming van lichthinder van omwonenden (Bron: tabel 7.1 Richtlijn lichthinder NSVV). De zones die de richtlijn in bovenstaande tabel hanteert zijn hieronder nader omschreven. Zone Omschrijving E0 Intrinsiek duistere gebieden In het algemeen UNESCO sterrenlicht reservaten, IDA-duisternisgebieden en belangrijke optische astronomische observatoria E1 Gebieden met een zeer lage omgevingshelderheid In het algemeen natuurgebieden en landelijke gebieden ver van woonkernen E2 Gebieden met een lage omgevingshelderheid In het algemeen buitenstedelijke en landelijke (woon)gebieden E3 Gebieden met een gemiddelde omgevingshelderheid In het algemeen stedelijke (woon)gebieden E4 Gebieden met een hoge omgevingshelderheid In het algemeen stedelijke gebieden met nachtelijke activiteiten, zoals uitgaanscentra en industriegebieden Het plangebied en haar omgeving is niet door de provincie Overijssel in de 'Omgevingsvisie Overijssel' aangewezen als een gebied waar sprake is van donkerte. De donkere gebieden van de provincie zijn de gebieden waar het 's-nachts nog echt donker is, waar je de sterrenhemel kunt waarnemen. Het zijn de relatief 'luwe' dun bewoonde gebieden met een

bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, schoolgebouw en sportvelden | PAGINA 33

lage gebruiksdruk. Ter plaatse is al gedeeltelijk, en in de toekomst door de ontwikkeling van de wijk Marslanden nog meer, sprake van een algemeen stedelijk woongebied. In zo'n geval kan worden uitgegaan van zone E3. Voor zone E3 geldt een grenswaarde van 10 lux en die geldt voor de tijdsperiode 07:00-23:00 uur. Gedurende de nachtperiode mag de sportveldenverlichting op grond van het Activiteitenbesluit niet branden. Conclusie Met inachtneming van artikel 3.148 van het Activiteitenbesluit en de grenswaarde van 10 lux uit de 'Richtlijn Lichthinder' van de NSVV vormt het aspect lichthinder geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project. 4.7

Luchtkwaliteit

Toetsingskader Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wm in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. De ministerraad heeft op voorstel van de minister van VROM ingestemd met het NSL. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm.

In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3 procent verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3, NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd. Voor kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit, heeft VROM, in samenwerking met InfoMil, de 'nibm-tool 2017' ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Toetsing Met behulp van deze rekentool (zie navolgende figuur) is de toename van de stoffen NO2 en PM10 bepaald. Hierbij is uitgegaan van een basisschool bestaande uit 10 leslokalen, een kinderverblijf à 250 m2 en sportvelden bestaande uit circa 2 hectare. Dat resulteert in totaal 726 extra voertuigbewegingen. Dit aantal voertuigbewegingen is afkomstig van berekeningen in paragraaf 4.9 (Verkeer en parkeren). Verwacht wordt dat maximaal 5 procent bestaat uit vrachtverkeer in verband met het laden en lossen. Uit de berekeningen met de nibm-tool blijkt dat het plan de grens van 3 procent (een toename van 1,2 µg/m3) niet overschrijdt. Het project wordt dan beschouwd als een nibm-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan derhalve achterwege blijven.

bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, schoolgebouw en sportvelden | PAGINA 34

Figuur 4.3. Rekentool luchtkwaliteit. Hoewel geconstateerd is dat het plan een zogenaamd nibm-project betreft, moet ook worden bekekenr of de luchtkwaliteit in het plangebied niet zodanig is dat de normen voor een goede luchtkwaliteit worden overschreden. Op de grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland, gepubliceerd door het RIVM (geodata.rivm.nl/gcn), zijn met vierkante kilometervakken de gemiddelde achtergrondconcentraties aangegeven van diverse luchtverontreinigende stoffen. Uit deze kaart blijkt dat in het vierkante kilometervak waarin het plan ligt de achtergrondconcentratie stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) ruim voldoen aan grenswaarden van de Wet milieubeheer en de WHO-advieswaarde. Conclusie Het plan moet worden beschouwd als een nibm-project. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project. 4.8

Milieuzonering

Toetsingskader Indien door middel van een project nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk blijft. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mag men omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden aantasten door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Het aspect milieuzonering is dus tweeledig. Bedrijven worden ingedeeld in milieucategorieën met behulp van de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering (2009)' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG). Deze publicatie biedt een handreiking ten behoeve van de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau en geeft informatie over de milieukenmerken van verschillende typen bedrijven. Op basis van de milieukenmerken van de verschillende typen bedrijven en inrichtingen wordt een indicatie van de afstanden gegeven, die als gevolg van deze kenmerken moeten worden aangehouden tussen de diverse omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur

bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, schoolgebouw en sportvelden | PAGINA 35

liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningen, horeca en kleine bedrijven. De informatie heeft geen betrekking op individuele bedrijven, maar op bedrijfstypen. Dit betekent dat een concrete situatie altijd in de context moet worden bekeken: binnen bepaalde bedrijfstypen kunnen zich grote verschillen voordoen; concrete milieu-informatie over een specifiek bedrijf heeft meer waarde dan algemene informatie; de afstanden hebben betrekking op de afstand tot een rustige woonwijk; bij andere gebiedsfuncties kunnen dus andere afstanden mogelijk zijn; afdoende milieuhygiënische maatregelen bij de bron, bij de overdracht of bij de ontvanger, kunnen een kortere afstand eventueel mogelijk maken. De onderstaande toetsing bevat een onderdeel dat aandacht besteedt aan bedrijven en functies in de omgeving die al dan niet hinder kunnen ondervinden van de nieuwe ontwikkeling alsook in hoeverre de nieuwe ontwikkeling al dan niet hinder kan ondervinden als gevolg van bedrijven en functies in de omgeving. Toetsing Gebiedstype Ten eerste is het noodzakelijk om te bepalen van welk type gebied er bij dit planvoornemen sprake is. Ten aanzien van het hanteren van richtafstanden is immers van belang of sprake is van het gebiedstype 'rustige woonwijk' of 'gemengd gebied'.

Het plangebied bestaat in de huidige situatie nog uit agrarische grond. Op deze grond wordt het planologisch gezien mogelijk om een school en twee sportvelden te realiseren. Ondanks dat aan de noord- en oostzijde ook in de toekomstige situatie sprake zal zijn van agrarische gronden is het plangebied te classificeren als een 'rustige woonwijk'. De onderstaande tekst zal om die reden uitgaan van een 'rustige woonwijk'. Hinderveroorzakende bedrijven en functies in de omgeving In de omgeving van het projectgebied zijn verschillende (agrarische) bedrijven aanwezig. In zijn totaliteit zijn in de omgeving de volgende functies aanwezig. Ten aanzien van de diverse landbouwactiviteiten wordt opgemerkt dat het ter plaatse gaat om nu nog buitengebied c.q. grens van het buitengebied. Dat betekent dat er in de omgeving uiteenlopende agrarische bedrijfsvoering plaatsvindt. Dat resulteert ook in uiteenlopende richtafstanden. Op basis van de VNG-brochure betreft de hoogste richtafstand 200 m. In deze straal van 200 m van het plangebied bevindt zich geen agrarisch bedrijf. De agrarische bedrijfsvoering in de omgeving vormt dus geen belemmering. Tot slot ligt ook op circa 600 m afstand het vakantiepark 'PonyParkCity'. Op basis de VNG-publicatie geldt voor een vakantiepark een richtafstand van 50 m in verband met geluid (milieucategorie 3.1). Aan deze afstand wordt ruim voldaan.

Hinder als gevolg van het onderhavige plan Tweede vraag betreft of in of nabij het plangebied functies aanwezig zijn die als gevolg van het planvoornemen hinder zouden kunnen ondervinden. Voor die vraag is het van belang om helder te hebben in welke planologische mogelijkheden dit bestemmingsplan voorziet. In zijn totaliteit biedt voorliggend bestemmingsplan ruimte aan de volgende functies. Functie

Richtafstand VNG

School voor basisonderwijs Veldsportcomplex (met verlichting)

30 meter 50 meter

Hinderaspec Afstand tot meest t nabijgelegen woning (±) geluid 35 meter geluid 80 meter

bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, schoolgebouw en sportvelden | PAGINA 36

Clubhuis c.q. kantine

10 meter

Buitensport/fitness Kinderdagverblijf

30 meter 30 meter

geur, geluid en gevaar geluid geluid

170 meter 190 meter 35 meter

Voor alle bovenstaande functies geldt dat ze op voldoende afstand liggen. Daarbij wordt opgemerkt dat de bovengenoemde feitelijke afstanden de afstanden zijn tot de meest nabijgelegen woningen buiten het plangebied. Die woningen bevinden zich ten oosten van het plangebied en zijn feitelijk nog niet gebouwd maar planologisch gezien wel mogelijk. De betreffende woningen bevinden zich op 30 m afstand, gemeten vanaf bestemmingsgrens 'Woongebied' tot bestemmingsgrens 'Maatschappelijk'. Daarmee liggen de woningen op voldoende afstand, zeker nu de feitelijke afstand groter zal zijn. Ten aanzien van de woningen aan de zuidzijde geldt dat deze op een grotere afstand liggen: circa 70 m. Verder geldt bij de bovenstaande afstanden dat die door de regels van dit bestemmingsplan worden gewaarborgd. Doordat de regels de bovenstaande functies niet in het gehele plangebied mogelijk maken (de sportvelden zijn bijvoorbeeld alleen mogelijk op gronden die als zodanig zijn aangeduid) wordt ervoor gezorgd dat de bovenstaande functies op voldoende afstand liggen van gevoelige functies buiten het plangebied. Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de planologische ontwikkelingen die dit bestemmingplan mogelijk maakt. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 4.9

Verkeer en parkeren

Ontsluiting Het plangebied wordt op dit moment ontsloten via de Plaggenmarsweg en Havermarsweg. De Havermarsweg sluit aan op de oostelijk gelegen Eugenboersdijk die even verderop aansluit op de provinciale weg N34. Bezoekers en personeel richting de school, het kinderdagverblijf en de sportvelden kunnen op die manier snel vanaf de doorgaande weg N34 het plangebied bereiken. Tegelijkertijd hoeft het autoverkeer niet door de woonwijk. In de toekomst zal aan de noordzijde van de planlocatie een nieuwe weg worden aangelegd. Deze weg is echter pas noodzakelijk als het omliggende gebied ook tot ontwikkeling komt. Wat betreft fietsontsluiting is de planlocatie zeer goed bereikbaar voor omwonenden. Door de aanwezigheid van een brug tussen de Plaggenmarsweg/Havermarsweg en de Van Coeverdenstraat kan fietsverkeer vanuit de wijk de locatie goed bereiken. Ook voor de woningen aan de westzijde geldt dat deze via bruggetjes de Plaggenmarsweg kunnen bereiken om zo bij het plangebied te komen. Op de navolgende figuur is de ontsluiting voor zowel automobilisten als fietsers weergegeven.

bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, schoolgebouw en sportvelden | PAGINA 37

Figuur. 4.3. Verkeersontsluiting Verkeer Voor een inschatting van de verkeersgeneratie van een plan kan normaliter worden aangesloten bij de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren; Van parkeerkencijfers naar parkeernormen' (2018). Voor onderhavig plan is dat wat betreft verkeer echter niet mogelijk nu de CROW-publicatie geen cijfers bevat voor basisonderwijs en sportvelden. Om die reden is gebruikgemaakt van de rekentool als opgenomen in Bijlage 6 (Rekentool verkeersgeneratie & parkeren) bij deze toelichting. Daaruit volgt dat de verkeersgeneratie als gevolg van het planvoornemen er als volgt uitziet: Functie Basisschool Kinderdagverblijf Active fit Sportvelden Totaal

Verkeersgeneratie 394 ritten 116 ritten 96 ritten 120 ritten 726 ritten

In totaal is sprake van 726 ritten per etmaal. Dit aantal is ter plaatse goed af te wikkelen op de bestaande en aan te leggen wegenstructuur. Autoparkeren CROW-normering De gemeentelijk 'Parkeernormennota 2017' geeft aan dat in de gemeente aansluiting moet worden gezocht bij de minimale CROW-norm voor het gebied 'weinig stedelijk' en het betreffende gebiedskenmerk. Volgens de gemeente moet Marslanden worden gezien als 'schil centrum'. In de navolgende tabel is de minimale parkeerbehoefte weergegeven. De parkeerbehoefte voor de basisschool en het kinderdagverblijf is berekend met behulp van de Rekentool Verkeersgeneratie & Parkeren, zie Bijlage 6 (Rekentool verkeersgeneratie & parkeren) bij deze toelichting. Functie Basisschool

Omvang 10 leslokalen

Minimale norm Berekening d.m.v. rekentool

Toepassing 58

bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, schoolgebouw en sportvelden | PAGINA 38

Sportvelden Kinderdagverblijf Active fit Totale behoefte

2 sportvelde 13 per netto hectare n 250 m2 Berekening d.m.v. rekentool 800 m2 4,0

20 12 32 122

Uit de bovenstaande tabel volgt dat er een minimale parkeerbehoefte bestaat van 122 parkeerplaatsen. Daarnaast geldt dat dubbelgebruik de hoeveelheid benodigde parkeerplaatsen kan beperken. Dubbelgebruik Om te voorkomen dat de piekbelastingen van de parkeerbehoefte van de ontwikkelingen leiden tot onnodig veel ruimtebeslag, is gekeken in hoeverre er sprake kan zijn van dubbelgebruik. De hockeyvelden worden niet gebruikt als de school haar piekbelasting kent tijdens het brengen en halen. Dat betekent dat het parkeren voor de sportvelden, afhankelijk van het tijdstip, kan plaatsvinden op de parkeerplaatsen-locatie van de school. In de CROW staan de aanwezigheidspercentages per functie per moment van de week. Hiermee wordt voor deze momenten de parkeerbehoefte per voorziening berekend. Het moment in de week waarop de totale parkeerbehoefte het grootst is, wordt het maatgevende (drukste) moment genoemd. De netto parkeerbehoefte wordt bepaald door de parkeerbehoefte op dit maatgevende moment te vermeerderen met het aantal parkeerplaatsen dat niet in aanmerking komt voor dubbelgebruik. Ten aanzien van de voorgenomen ontwikkelingen zijn de aanwezigheidspercentages als onderstaand. Functies

Sportfunctie buiten Dagonderwijs Kinderdagverblijf Active fit

Werkdag

Zaterdag

Zonda g Ochten Midda Avon Nach Midda Avon Midda d g d t g d g 25% 25% 50% 0% 100% 25% 100% 100% 100% 0% 0% 0% 0% 0% 100% 100% 0% 0% 0% 0% 0% 50% 50% 100% 0% 100% 100% 100%

Bovenstaande aanwezigheidspercentages resulteren in een dubbelgebruik van 122 parkeerplaatsen. Dat maakt dat voor de gehele ontwikkeling 61 parkeerplaatsen nodig zijn. De hele ontwikkeling voorziet in 122 parkeerplaatsen. Daarmee is dus sprake van ruim voldoende parkeergelegenheid ter plaats. Conclusie Op basis van de vorenstaande parkeerbalans is sprake van voldoende parkeergelegenheid in het plangebied voor de parkeerbehoefte als gevolg van het voornemen. Fietsparkeren Voorts moet ter plaatse ook ruimte zijn voor het stallen van fietsen. Vanwege de ligging in de wijk Marslanden is het plangebied goed per fiets bereikbaar. Hierdoor is er wel noodzaak om te voorzien in voldoende stallingsmogelijkheden voor fietsen. Voor de fietsparkeernorm verwijst de gemeentelijke 'Parkeernormennota 2017' naar de parkeerkencijfers zoals opgenomen in de publicatie 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie', CROW-publicatie 317 uit oktober 2012. Op basis van de publicatie is de navolgende berekening uitgevoerd. Berekeningen fietsparkeren Functie Omvang

Norm

Toepassing

bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, schoolgebouw en sportvelden | PAGINA 39

Basisschool

Tot 260 leerlingen

5 fietsparkeerplaatsen per 10 leerlingen Vanaf 260 leerlingen 0,4 fietsparkeerplaatsen per 10 leerlingen Kinderdagverblijf 250 m2 ± 50% fiets Fitnesslocatie/sport 800 m2 4 fietsparkeerplaatsen per 100 zaal m2 bvo Sportvelden 1,5 hectare netto 61 fietsparkeerplaatsen per terrein hectare Totaal

130 10 20 32 92 284

Uit de bovenstaande berekening volgt dat in het plangebied in totaal behoefte is aan 284 stallingsmogelijkheden voor fietsen. In het gebied wordt, op verschillende plekken, voldoende parkeergegelenheid gerealiseerd. 4.10

Water

4.10.1 Toetsingskader Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet bij ruimtelijke plannen een waterparagraaf worden opgenomen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder verbouwen nieuwbouwplannen, wordt getoetst welke consequenties deze plannen hebben voor de waterhuishouding en hoe in de plannen wordt omgegaan met aspecten van water. Het projectgebied ligt binnen het beheersgebied van waterschap Vechtstromen. Via de Digitale Watertoets is Waterschap Vechtstromen op 6 juli 2021 van het voorliggende initiatief formeel op de hoogte gebracht. Het resultaat van de watertoets is als Bijlage 7 (Watertoets) bij deze toelichting bijgevoegd. Het resultaat van de watertoets is dat de normale procedure gevolgd moet worden. 4.10.2 Toetsing Naar aanleiding van De Watertoets laat het waterschap Vechtstromen weten dat de volgende uitgangspunten gehanteerd moeten worden bij het planvoornemen: er moet sprake zijn van voldoende waterberging in het plan. Voor Marslanden II zijn daar al uitgangspunten voor geformuleerd; hemelwaterafvoer moet bovengronds en zo min mogelijk via buizen plaatsvinden. Op die manier zijn eventuele vervuilingen gemakkelijk traceerbaar en op te lossen; voordat het hemelwater wordt geloosd op oppervlaktewater, dient het een berm/grasstrook van minimaal 3 meter breedte te passeren.

Of nog beter, via een zogenoemde wadi met een overloop, zodat er ook nog infiltratie plaatsvindt; de aanleghoogte van school en sportvelden. Met name voor het vloerpeil van de school moet rekening worden gehouden met een veiligheidsmarge boven de maximale waterstanden in het oppervlaktewater. De sportvelden zouden bij extreme neerslagsituaties eventueel nog mogen inunderen en deel uitmaken van de waterberging. De waterstanden kunnen flink fluctueren, omdat via een stuw bij veel neerslag het peil kunstmatig extra hoog wordt gestuwd om water te bergen. De bovenstaande uitgangspunten zijn verwerkt in het voorliggend plan dan wel in de ontwikkeling van Marslanden. Zo wordt aan de noordzijde van het plangebied een wadi aangelegd als onderdeel van de uitwerking van Marslanden. 4.10.3 Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de planologische ontwikkelingen die dit bestemmingplan mogelijk maakt.

bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, schoolgebouw en sportvelden | PAGINA 40

4.11

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Toetsingskader Op 1 april 2011 is het Besluit milieueffectrapportage gewijzigd door het 'Besluit reparatie en modernisering milieueffectrapportage' en is bepaald dat de grenswaarden voor een m.e.r.-beoordelingsplicht indicatief zijn. Het bevoegd gezag moet bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, nagaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling (85/337/EEG). In het kader hiervan is een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of een activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden ligt, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt. Uit deze toets kunnen twee conclusies volgen: belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten of belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uitgesloten.

In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig, in het andere geval moet een m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Toetsing In onderdeel D11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r. zijn de drempelwaarden voor 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen' opgenomen. De drempelwaarde is 100 hectare of meer. De beoogde ontwikkeling uit voorliggend bestemmingsplan blijft naar schaal en omvang ruimschoots onder de drempelwaarden van de activiteiten zoals opgenomen in onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. Omdat de gemeente zelf initiatiefnemer is van het voorliggende plan hoeft er geen aanmeldnotitie te worden opgesteld. Voordat het bestemmingsplan als ontwerp in procedure gaat moet het bevoegd gezag een beslissing nemen over de vraag of het opstellen van een m.e.r. al dan niet noodzakelijk is. Conclusie Het college van Burgemeester en Wethouderss heeft op grond van de in hoofdstuk 4 onderzochte milieuaspecten geconcludeerd dat er geen sprake is van belangrijke nadelige milieueffecten.

De beslissing van het college is als bijlage bij de toelichting gevoegd.

bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, schoolgebouw en sportvelden | PAGINA 41

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische toelichting

Algemeen

Het beleid en de planuitgangspunten, zoals verwoord in de vorige hoofdstukken, hebben in de regels van dit bestemmingsplan hun juridische vertaling gekregen in de vorm van bestemmingen. Deze paragraaf bespreekt de juridische vormgeving van het bestemmingsplan. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bevat de regeling voor de opzet en de inhoud van een ruimtelijk plan. In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is deze regeling verder uitgewerkt. Het bestemmingsplan bestaat uit: een verbeelding van het plangebied, zowel analoog als digitaal, waarin alle bestemmingen van de gronden worden aangewezen; de regels waarin de bestemmingen worden beschreven en waarbij per bestemming het doel wordt of de doeleinden worden genoemd. Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro is het verplicht om een bestemmingsplan te vergezellen van een toelichting. Deze toelichting geeft aan welke gedachte aan het plan ten grondslag ligt, wat de uitkomsten van verrichtte onderzoeken zijn, wat het resultaat is van de overleggen en tot slot doet het verslag van de georganiseerde inspraak bij het plan. Hiermee voldoet het bestemmingsplan aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wro en het Bro. Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012.

De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplan te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden. Het bestemmingsplan met de daarbij behorende toelichting wordt langs elektronische weg vastgelegd en ook in die vorm vastgesteld, tegelijk met een analoge versie van het bestemmingsplan. Als de digitale en analoge versie tot interpretatieverschillen leiden, is de digitale versie leidend. Hieronder worden de aanwezige planregels puntsgewijs besproken. 5.2

Bestemmingsregels

5.2.1

Inleidende regels

Dit onderdeel bestaat uit de begrippen (Artikel 1) en de wijze van meten (Artikel 2). Deze artikelen geven aan wat in de regels onder bepaalde begrippen moet worden verstaan en hoe moet worden gemeten bij de toepassing van de bouwregels of sommige gebruiksregels van het plan. Dit is alleen het geval wanneer begrippen niet op voorhand voor een eenduidige uitleg, in overeenstemming met normaal spraakgebruik, vatbaar zijn. De gemeente heeft bindende afspraken over planregels opgesteld. Deze zijn aangepast in overeenstemming de eisen van de SVBP2012. Alle begrippen worden in alfabetische volgorde opgenomen, met uitzondering van de eerste begrippen 'plan' en 'bestemmingsplan'. Voor de begrippen is aansluiting gezocht bij andere bestemmingsplannen in de gemeente Hardenberg. Voor de wijze van meten geldt hetzelfde.

bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, schoolgebouw en sportvelden | PAGINA 42

5.2.2

Bestemmingsregels

Groen De bestemming 'Groen' is opgenomen ter plaatse van de te realiseren groenvoorzieningen in het plangebied. Gronden met deze bestemming zijn onder meer bestemd voor groenvoorzieningen, openbare nutsvoorzieningen en de daarbij behorende bouwwerken en voorzieningen. Ter plaatse zijn gebouwen ten behoeve van het openbare nut en speelvoorzieningen toegestaan. Daarnaast zijn bouwwerken, geen gebouwen toegestaan. Maatschappelijk De bestemming 'Maatschappelijk' is bedoeld om het planvoornemen zelf mogelijk te maken: de school en de sportvelden. De regels bepalen door middel van een aanduiding waar de sportvelden zijn toegestaan. De bouwregels zijn vervolgens ruim opgezet: slechts een bebouwingspercentage en een bouwhoogte zijn opgenomen wat betreft maatvoering. Binnen de maatschappelijke bestemming zijn ook (sociaal)medische voorzieningen zoals een een huisartsen-, fysiotherapie- of tandartspraktijk mogelijk. 5.2.3

Algemene regels

De algemene regels bestaan uit de volgende regels: Anti-dubbeltelregel De 'Anti-dubbeltelregel' is op basis van artikel 3.2.4 van het Bro. Het betreffende besluit schrijft voor dat de tekst van artikel 3.2.4 van het Bro één op één in een bestemmingsplan wordt overgenomen. Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksregels (Artikel 6) is aangegeven welke specifieke vormen van gebruik in elk geval strijdig zijn met de bestemming. Algemene afwijkingsregels In de algemene afwijkingsregels (Artikel 7) is een aantal bepalingen opgenomen die het mogelijk maken om het plan op ondergeschikte punten aan te passen. Omdat dit zich niet beperkt tot één bestemming, maar bij diverse bestemmingen gewenst of noodzakelijk kan blijken, zijn deze regels in beginsel op alle bestemmingen van toepassing. Het verlenen van een omgevingsvergunning met afwijking mag geen automatisme zijn. Het verlenen van de vergunning wordt zorgvuldig afgewogen en gemotiveerd. Overige regels In de overige regels (Artikel 8) is de regeling voor parkeergelegenheid en los- en laadmogelijkheden opgenomen.

Daarnaast is in de overige regels geregeld dat het plan zich niet verzet tegen het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van evenementen met een maximum van 3 evenementen per jaar en een duur van ten hoogste vijftien dagen per evenement, mits, voor zover noodzakelijk, een omgevingsvergunning op basis van de APV is verleend. 5.2.4

Overgangs- en slotregels

In dit hoofdstuk zijn het overgangsrecht en de slotregel opgenomen. Voor de redactie van het overgangsrecht geldt het Bro. Dit besluit schrijft dwingend voor hoe het overgangsrecht moet luiden. Bebouwing die niet voldoet aan de regels van is onder het overgangsrecht gebracht. Een geringe uitbreiding van de bebouwing met 10 procent wordt mogelijk gemaakt. Het gebruik van gronden en bebouwing dat in strijd is met dit nieuwe bestemmingsplan op het tijdstip van inwerkingtreding, mag in beginsel worden voortgezet. Wijziging van dit strijdige gebruik is verboden, indien de afwijking van het plan wordt vergroot. Indien het strijdige gebruik, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer

bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, schoolgebouw en sportvelden | PAGINA 43

dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. Tot slot bevat hoofdstuk 3 de slotregel waarin is aangegeven hoe het bestemmingsplan kan worden aangehaald.

bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, schoolgebouw en sportvelden | PAGINA 44

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

De gemeente Hardenberg is initiatiefnemer van dit bestemmingsplan. De kosten die gepaard gaan met het plan worden door de gemeente Hardenberg gedragen. Het plan is economisch uitvoerbaar. 6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 19 mei 2022 zes weken ter inzage gelegen. En is gepubliceerd in het huis-aan-huis-blad De Toren en in het Gemeenteblad. Er zijn in deze perioed twee zienswijzen ingediend. Deze zijn in een afzonderlijke zienswijzennota samengevat en van commentaar voorzien.

bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, schoolgebouw en sportvelden | PAGINA 45

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12347149/3