CConstaterende datHardenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting bestemmingsplan 'Hardenberg, Marslanden II, schoolgebouw en sportvelden'

gemeenteraad 21 februari 2023, gemeente HardenbergBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 'Hardenberg, Marslanden II, schoolgebouw en sportvelden'14.624 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

BESTEMMINGSPLAN HARDENBERG, MARSLANDEN II, SCHOOLGEBOUW EN SPORTVELDEN

VASTGESTELD

Opdrachtgever Contactpersoon Coördinatie ontwerp en bestemmingsplan Projectleiding Gemeente Hardenberg Projectnummer

Hardenberg, Marslanden II, schoolgebouw en sportvelden

Inhoudsopgave

Toelichting

3

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Plangebied 1.3 Geldend juridisch-planologisch kader 1.4 Leeswijzer

4 4 4 6 7

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie

8 8 8

Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid

14 14 17 22

Hoofdstuk 4 Randvoorwaarden 4.1 Erfgoed 4.2 Bodem 4.3 Ecologie 4.4 Externe veiligheid 4.5 Geluid 4.6 Lichthinder 4.7 Luchtkwaliteit 4.8 Milieuzonering 4.9 Verkeer en parkeren 4.10 Water 4.11 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

24 24 26 27 29 31 32 34 35 37 40 41

Hoofdstuk 5 Juridische toelichting 5.1 Algemeen 5.2 Bestemmingsregels

42 42 42

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

45 45 45

bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, schoolgebouw en sportvelden | PAGINA 2

Toelichting

bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, schoolgebouw en sportvelden | PAGINA 3

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

De wijk Marslanden in Hardenberg krijgt steeds meer inwoners. Doordat de wijk blijft groeien, wonen er ook steeds meer kinderen die naar de basisschool gaan. Veel kinderen die in Marslanden wonen gaan naar OBS De Kern en CBS Marsweijde. Deze scholen zijn samen met andere functies gevestigd in gebouw De Matrix. Beide scholen in De Matrix kennen capaciteitsproblemen. Het tekort aan ruimte wordt nu tijdelijk opgelost met tijdelijke huisvesting naast De Matrix. Om de groei van het aantal basisschoolleerlingen op te vangen worden aan de noordkant van Marslanden een nieuw schoolgebouw en een kinderdagverblijf gerealiseerd. Daarnaast worden aan de oostkant van het schoolgebouw twee hockeyvelden aangelegd voor de hockeyers van hockeyclub GZG. De hockeyclub blijft groeien en heeft behoefte aan een extra veld. De Boshoek, waar de hockeyclub nu nog gevestigd is, heeft te weinig capaciteit. Het ter plaatse geldende bestemmingsplan laat de voorgenomen activiteiten niet toe. Hierdoor is een nieuw bestemmingsplan vereist. Een bestemmingsplan met toelichting moet aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin. 1.2

Plangebied

Het plangebied ligt in het het buitengebied van de gemeente Hardenberg. De locatie bestaat nu nog uit agrarische grond en bevindt zich aan de noordelijke rand van Hardenberg. Op dit moment wordt rondom het plangebied de wijk Marslanden gerealiseerd. De planlocatie zal ook deel uitmaken van deze wijk. De wijdere omgeving van het plangebied bestaat (naast Hardenberg) uit Gramsbergen, Collendoorn, Rheezerveen en Rheeze. Deze dorpen liggen verspreid in het buitengebied van de gemeente. Op de navolgende afbeeldingen is de ligging van het plangebied weergegeven.

bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, schoolgebouw en sportvelden | PAGINA 4

Figuur 1.1. Plangebied bevindt zich in het zwarte kader (bron: topotijdreis.nl).

Figuur 1.2. Plangebied bevindt zich in het zwarte kader (bron: topotijdreis.nl). Het plangebied heeft de kadastrale aanduiding gemeente Ambt-Hardenberg, sectie O, nummers 2341 en 2343. De oppervlakte is circa 66.330 m2. Het plangebied wordt aan de

bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, schoolgebouw en sportvelden | PAGINA 5

noord- en oostzijde begrensd door agrarische gronden. Aan de zuidelijke en westelijke zijde vormen de Havermarsweg en de Plaggenmarsweg de grens. 1.3

Geldend juridisch-planologisch kader

Voor het plangebied gelden de volgende juridisch-planologische regelingen: bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg 1989 (vastgesteld op 26 april 1989); bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, artikel 30 WRO 1991 (vastgesteld op 28 februari 1991); bestemmingsplan Facetherziening parkeren Hardenberg (vastgesteld op 17 juli 2018). De navolgende figuur bevat een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan uit 1989. De navolgende tekst geeft weer wat de geldende regels zijn van de bestemmingsplannen en in hoeverre deze regels een conflict opleveren met het voorgenomen plan.

Figuur 1.3. Uitsnede geldend bestemmingsplan, het plangebied bevindt zich in het rode kader (bron: ruimtelijkeplannen.nl). Bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg 1989 Ten eerste maken de gronden deel uit van het 'Bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg 1989'. Op basis van dat bestemmingsplan hebben de gronden de bestemming 'Agrarisch'. De betreffende agrarische gronden mogen niet worden gebruikt voor de gewenste educatieve en sportieve functie. Ook is bebouwing op de gronden niet toegestaan. Om deze reden wordt voorliggend bestemmingsplan opgesteld. Bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, artikel 30 WRO 1991 Het 'Bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, artikel 30 WRO 1991' dat in 1991 is vastgesteld, betreft op een aantal punten een herziening van het eerstgenoemde bestemmingsplan. Die wijzigingen hadden ook invloed op het plangebied. Echter, nu ook na deze partiële herziening ter plaatse de bestemming 'Agrarisch' geldt en die agrarische bestemming het planvoornemen niet toelaat, is het noodzakelijk om af te wijken van het bestemmingsplan. Om deze reden wordt voorliggend bestemmingsplan opgesteld.

bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, schoolgebouw en sportvelden | PAGINA 6

Bestemmingsplan Facetherziening parkeren Hardenberg Het derde en meest recente bestemmingsplan dat ter plaatse geldt, heeft betrekking op de parkeerregels in de gemeente Hardenberg. Op basis van de regels van dit plan wordt bij het beoordelen van een aanvraag omgevingsvergunning voor gebruik, bouwen of afwijken onder andere getoetst of de betreffende activiteit voorziet in voldoende parkeergelegenheid. In dit voorliggende bestemmingsplan zullen die regels worden overgenomen en dus zal er geen sprake zijn van strijdigheid met de 'Facetherziening parkeren Hardenberg'. 1.4

Leeswijzer

Voorliggende toelichting kent 6 hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk komt in Hoofdstuk 2 de beschrijving van de ontwikkeling aan de orde. Hoofdstuk 3 bevat het beleidskader. Het daaropvolgende hoofdstuk behandelt de toetsing aan de omgevingsaspecten (Hoofdstuk 4). Hoofdstuk 5 bevat de juridische vormgeving en Hoofdstuk 6 gaat ten slotte in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, schoolgebouw en sportvelden | PAGINA 7

Hoofdstuk 2 2.1

Planbeschrijving

Huidige situatie

Ten zuiden van het plangebied is de nieuwe woonwijk De Cirkel II bijna klaar. Ten westen wordt op dit moment de woonwijk de Marshoogte ontwikkeld. Ten oosten en ten noorden van het plangebied liggen nu nog landbouwgronden.

Figuur 2.1. Luchtfoto. Het plangebied ligt op de kruising van twee oude landelijke wegen. Dit zijn de Havermarsweg die de zuidgrens is van het plangebied en de Plaggemarsweg die de westelijke grens vormt. Langs deze twee landelijke wegen staat een doorgaande en dubbele bomenrij, die zorgt voor een groene landelijke sfeer. 2.2

Toekomstige situatie

In navolgende figuur is het plangebied in een rood kader aangegeven.

bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, schoolgebouw en sportvelden | PAGINA 8

Figuur 2.2. DO-126 school-sportlocatie schetsscenario d.d. 6 september 2021 (bron: gemeente Hardenberg). 2.2.1

De ligging

In de toekomstige situatie liggen de nieuwe school en de hockeyvelden centraal in de nieuwe wijk Marslanden.

bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, schoolgebouw en sportvelden | PAGINA 9

Figuur 2.3. Conceptschets voor Marslanden II uit structuurvisie Marslanden II 2008, de gele ster markeert de schoollocatie (bron: gemeente Hardenberg). De school ligt op de kruising van drie ruimtelijke dragers van de wijk. Deze ruimtelijke dragers zijn drie robuuste doorgaande langzaam verkeersroutes. Twee routes zijn de bestaande bomenlanen Havermarsweg en Plaggemarsweg. Deze oude landwegen worden snelle en herkenbare fietsroutes door de wijk en sluiten goed aan op de wandel- en fietsroutes in het buitengebied. De derde langzaam verkeersroute ligt er feitelijk ook al. Dat is de Van Coeverdenstraat. Vanaf de Markt in het centrum is het een supersnelle fietsverbinding naar Marslanden. Via een fraaie brug over de Vecht, een tunnel onder de N34 en de Schoutenhof loopt de Koehierdesteeg/Van Coeverdenstraat straks in één lijn door tot aan de schoollocatie en sluit aan op de kruising van de Havermarsweg en de Plaggemarsweg. Voor de school en de hockeyvelden is het een perfecte, centraal gelegen locatie. De vindbaarheid, de bereikbaarheid en de verkeersveiligheid zijn optimaal. 2.2.2

Het programma

Dit bestemmingsplan werkt, zoals reeds vermeld, een divers programma uit van maatschappelijke functies. Hierbij wordt opgemerkt dat de gemeente de betreffende gronden in eigendom heeft en dus zelf uitgeeft. De gemeente houdt dus controle over de ontwikkeling van het plangebied. In het plangebied komen een school voor het basisonderwijs, een voorziening voor kinderopvang en sportvoorzieningen, bestaande uit twee hockeyvelden en bijbehorende voorzieningen. Naast die voorzieningen zal ook ruimte zijn voor groen, zoals de windsingels rondom de hockeyvelden, het groen tussen het schoolplein, de school en het parkeren. Afhankelijk van het totale ontwerp, het eventuele dubbelgebruik van parkeerplaatsen en het eventueel gestapeld bouwen van de school kan de benodigde bruto oppervlakte sterk variëren. In het meest recente schetsscenario voor de school-sportlocatie van 6 september 2021 (DO126) is voor het schoolgebouw circa 2.000 m2 opgenomen. Voor de buitensport zijn twee volledige hockeyvelden, een half hockeyveld en een speelveld voor de buurt getekend. Tussen de sportvelden is ruimte gereserveerd voor en clubhuis van circa 700 m2 en voor een initiatief voor buitensport/fitness van circa 350 m2 . Ruimte reserveringen voor de toekomst De oppervlakte die in het voorliggende plan is bestemd voor maatschappelijke functies, is groter dan de nu benodigde ruimte voor de school en sport.

Dat is een bewuste keuze zodat ook in de toekomst aan eventuele nieuwe vraagstukken of expansievragen tegemoet kan worden gekomen. 2.2.3

Planopzet

De planopzet van de school, het clubhuis, de hockeyvelden en andere sportvoorzieningen wordt bepaald door de situering op de kruising van drie ruimtelijke dragers van de nieuwe wijk. Deze ruimtelijke dragers zijn de Van Coeverdenstraat, de Havermarsweg en de Plaggemarsweg. In de nieuwe wijk zijn deze wegen autovrij en belangrijke langzaam verkeersroutes. Deze routes starten of eindigen bij de school. De Koehierdesteeg is één lange zichtlijn door de wijk, die loopt vanaf de brug over de Vecht tot aan het schoolgebouw. Voor de auto wordt de locatie bereikbaar vanaf de noordzijde. De strikte scheiding tussen autoverkeer en langzaam verkeer in de directe omgeving van de school en de sportvoorzieningen is een ander belangrijk uitgangspunt.

bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, schoolgebouw en sportvelden | PAGINA 10

Figuur 2.4. Verkeersontsluiting (bron: Inpassingsstudie schoollocatie 20210112).

Figuur 2.5. Kruising Plaggemarsweg en Havermarsweg (bron: Google Street view).

bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, schoolgebouw en sportvelden | PAGINA 11

Figuur 2.6. Uitsnede uit DO-126-school-sportlocatie_schetsscenario d.d. 6-9-2021 (Bron: gemeente Hardenberg). De basisschool en de kinderopvang worden bij voorkeur ondergebracht in één gebouw. Dit gebouw kan één- of tweelaags zijn. De parkeerplaatsen en parkeerruimte voor de kiss & ride worden gedeeld met de sportvoorzieningen. Het grootste bouwvolume, de school, wordt geplaatst in de zuidhoek van het plangebied, in de binnenhoek van de kruising van de Havermarsweg en de Plaggemarsweg. Vervolgens zijn van west naar oost het parkeerterrein en de hockeyvelden gesitueerd. Aansluitend bij de school komt aan de noordwestzijde het schoolplein. Ten noordwesten van het schoolplein is ruimte voor de uitbreiding van de school of andere maatschappelijke voorzieningen. Het clubhuis van de hockey en eventuele andere sportgebouwen worden geplaatst in de strook tussen de buitensportvelden. Deze strook wordt een groene toegangsweg voor deze sportgebouwen. De strook biedt voldoende ruimte voor toekomstige uitbreidingen van de sportgebouwen. Het fietsparkeren is dichtbij de betreffende voorzieningen, de parkeervoorziening is al dan niet overdekt en is volledig gescheiden van het autoparkeren.

bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, schoolgebouw en sportvelden | PAGINA 12

2.2.4

Openbare ruimte en bebouwing

De Havermarsweg en de Plaggemarsweg zijn de ruimtelijke structuurdragers voor de school, de hockey- locatie en andere sportvoorzieningen. De ruimtelijke continuïteit en kwaliteit van deze dragers door de hele wijk dient zo veel mogelijk in stand te blijven en waar mogelijk te worden versterkt. Dat betekent dat het profiel van deze wegen over de hele route zoveel mogelijk hetzelfde moet zijn en dat ook de berm langs deze wegen, dat is de afstand van de weg tot de uitgeefbare grond, overal dezelfde is. Dit versterkt de ruimtelijke kwaliteit van deze routes. Gebouwen langs deze routes, zoals de school, representeren zich aan deze routes. De Van Coeverdenstraat is de andere belangrijk langzaam verkeersroute voor de locatie. Deze route is één lange zichtlijn door de wijk die loopt vanaf de brug over de Vecht tot aan het schoolgebouw. Het schoolgebouw is op grote afstand te zien. Het schoolgebouw wordt een oriëntatiepunt voor de hele wijk. 2.2.5

Beeldkwaliteit

De gemeentelijke welstandsnota voorziet niet in beleidsregels voor het uiterlijk van gebouwen op deze locatie. Daarom zijn voor deze locatie beeldkwaliteitsegels opgesteld, die in een aparte notitie als Bijlage 1 bij de toelichting is gevoegd. Deze notitie wordt als apart besluit vastgeteld door de gemeenteraad en zal na vaststelling door de raad onderdeel uitmaken van de welstandsnota en biedt hiermee voor de Welstandscommissie het toetsingskader voor de bouwaanvragen voor de locatie.

bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, schoolgebouw en sportvelden | PAGINA 13

Hoofdstuk 3

Beleidskader

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht geworden. De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. De NOVI bevat de hoofdzaken van het beleid voor de fysieke leefomgeving. Uit de Omgevingswet volgt dat al het strategische beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, én het nieuwe strategische beleid op het beleidsterrein van de fysieke leefomgeving worden opgenomen in de NOVI. Het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4, 2001) en de Rijksnatuurvisie 2014 gaan op in en worden vervangen door de NOVI en het bijbehorende Nationaal Milieubeleidskader. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervalt geheel, behalve paragraaf 4.9 Caribisch Nederland en Caribische Exclusieve Economische Zone. De NOVI geldt verder als wijziging van enkele onderdelen van het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP) op grond van de Waterwet. In zijn totaliteit kent de NOVI 21 nationale belangen en opgaven die het verder uitwerkt.

Die opgaven zijn niet meer op zichzelf staand op te lossen, maar grijpen in elkaar. Met de NOVI zoekt het Rijk een perspectief om de grote opgaven aan te pakken, om Nederland mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Om die reden worden binnen de NOVI prioriteiten gesteld. De NOVI stelt daarbij een integrale aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisatie, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen werkt het Rijk aan de 4 prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. Duurzaam economisch groeipotentieel; 3. Sterke en gezonde steden en regio's; 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; en 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgeving-inclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden. Met de NOVI presenteert het Rijk een integrale, op samenwerking gerichte aanpak.

De NOVI geeft een gebiedsgericht afwegingskader en sturende visie in een, gericht op het realiseren van een gezond, leefbaar, herkenbaar en economische sterk Nederland. Toetsing en conclusie Het plangebied ligt niet in een gebied waarvoor de NOVI gerichte belangen of opgaven kent. Om die reden kan verdere toetsing aan de NOVI achterwege blijven.

bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, schoolgebouw en sportvelden | PAGINA 14

3.1.2

Ladder voor duurzame verstedelijking

3.1.2.1 Toetsingskader De Ladder voor duurzame verstedelijking (Ladder) is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik, met een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Sinds augustus 2012 is de Ladder toegevoegd aan artikel 3.1.6 van het Bro en vervolgens op 1 oktober 2012 in werking getreden. Op 1 juli 2017 is het Bro gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Hiervoor is een handreiking opgesteld. De Ladder is geen op zichzelf staand instrument maar is onderdeel van de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de minister van Infrastructuur en Waterstaat. De betreffende minister zorgt ervoor dat decentrale overheden over de juiste instrumenten beschikken voor een zorgvuldige benutting van de ruimte. Onderdeel hiervan is het voorkomen van overprogrammering, het faciliteren van groei, het anticiperen op stagnatie en het leefbaar houden van krimpregio's. De Ladder is onder andere van toepassing op bouwplannen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij het bepalen óf en hoe de Ladder moet worden toegepast zijn de volgende aspecten van belang: 1. Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling? 2. Is de stedelijke ontwikkeling nieuw? 3. Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied? 4. Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling? 5.

Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied? In het navolgende worden de hierboven genoemde aspecten beschreven en afgewogen. 3.1.2.2 Onderzoek 1. Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling? De nieuwe handreiking begint met de vraag om wat voor plan het gaat. In dit geval betreft het 'overige stedelijke functies'. Als een plan met overige functies wordt aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet de Ladder worden toegepast. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Een accommodatie met een maatschappelijke functie, zoals een school, wordt aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling. Voorgenomen planologische mogelijkheid betreft de bouw van een basisschool, een kinderdagverblijf en twee sportvelden met bijbehorende voorzieningen aan de rand van de wijk Marslanden in het buitengebied. Daarmee is sprake van een stedelijke ontwikkeling. 2. Is de stedelijke ontwikkeling nieuw? De vervolgvraag is of de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is. De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd.

In voorliggend geval is er sprake van de bouw van een basisschool, een kinderdagverblijf en twee sportvelden met bijbehorende voorzieningen op een locatie waar in de huidige situatie nog geen bebouwing aanwezig is. De omvang van het gehele plan betreft circa 3 hectare. Dit plan dient als nieuwe stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt. 3. Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied? Wanneer sprake is van een stedelijke ontwikkeling (vraag 1) die ook nieuw is (vraag 2) moet de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving bevatten van de behoefte aan de ontwikkeling die het plan mogelijk maakt. De behoefte wordt bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de ontwikkeling. Daarbij zijn aard en omvang van de betreffende ontwikkeling(gen) bepalend voor het schaalniveau waarop de behoefte moet

bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, schoolgebouw en sportvelden | PAGINA 15

worden afgewogen. Gezien het gaat om een overige functie is het ruimtelijk verzorgingsgebied de gemeente. Ten aanzien van het ruimtelijke verzorgingsgebied wordt hier verwezen naar paragraaf 3.3 (Gemeentelijk beleid). Uit de betreffende paragraaf blijkt dat het ruimtelijk verzorgingsgebied voornamelijk bestaat uit de gemeente Hardenberg zelf en dan meer specifiek de wijk Marslanden. 4. Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling? Wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. De behoefte wordt bepaald aan de hand van het ruimtelijk verzorgingsgebied van de ontwikkeling. Het ruimtelijk verzorgingsgebied is gerelateerd aan de aard en omvang van de ontwikkeling. Daarbij moet inzichtelijk worden gemaakt: dat het plan geen zodanige leegstand tot gevolg zal hebben; dat de ontwikkeling niet tot een onaanvaardbare situatie zal leiden uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. Veel kinderen die in Marslanden wonen gaan naar OBS De Kern en CBS Marsweijde. Deze scholen zijn samen met andere functies gevestigd in gebouw De Matrix. Beide scholen in De Matrix kennen capaciteitsproblemen. Het tekort aan ruimte wordt nu tijdelijk opgelost met tijdelijke huisvesting naast De Matrix. Tegelijkertijd blijft de wijk Marslanden zich ontwikkeling.

Om die groei en de huidige krapte op te vangen is voorliggend planvoornemen voor een school met kinderdagverblijf noodzakelijk. De hockeyclub GZG heeft eenzelfde probleem: de hockeyclub blijft op haar huidige locatie groeien en heeft behoefte aan meer velden. De Boshoek, waar de hockeyclub nu nog gevestigd is, biedt onvoldoende ruimte voor die gewenste groei. 5. Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied? Vervolgvraag is of de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied ligt. Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur". De voorgenomen ontwikkeling bevindt zich buiten bestaand stedelijk gebied. De gronden zijn op dit moment onbebouwd en in gebruik als agrarische cultuurgrond. Als een ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied is gepland, moet volgens artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro gemotiveerd worden waarom niet binnen bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Daarbij spelen de beschikbaarheid en geschiktheid van locaties binnen bestaand stedelijk gebied een rol.

Voor de functies die in dit plan mogelijk worden gemaakt is het van belang dat deze centraal gelegen zijn en het liefst te voet of per fiets goed en veilig bereikbaar zijn. Daarom is het belangrijk dat de locatie op korte afstand ligt van de wijk en er weinig drukke wegen overgestoken moeten worden. Gelet hierop is in of in de directe omgeving van de wijk Marslanden geen terrein beschikbaar en geschikt voor de functies die dit bestemmingsplan mogelijk maakt. Het terrein sluit wel zoveel mogelijk aan bij het bestaand stedelijk gebied. Daarnaast is het zo dat het terrein weliswaar nu buiten het bestaand stedelijk gebied ligt, maar deel uitmaakt van de ontwikkeling van het hele gebied tot aan de Eugenboersdijk en de Collendoornerdijk, wat het gehele gebied tot stedelijk gebied zal maken. En ervoor zorgt dat de voorzieningen in de toekomst centraal in de wijk gelegen zijn. De ontwikkeling van dit gehele gebied is opgenomen in de Structuurvisie Marslanden fase II (zie paragraaf 3.3.2). Verder is voor het meer noordelijk gelegen terrein al een bestemmingsplan vastgesteld in april 2021 ('Bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, Havezate Es'), dat ruimte biedt aan woningen. Het plangebied zelf en de omgeving in zijn geheel zal deel uitmaken van de wijk Marslanden en het stedelijk gebied van Hardenberg.

Hiermee is in voldoende mate de behoefte voor de locatie buiten bestaand stedelijk gebied

bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, schoolgebouw en sportvelden | PAGINA 16

onderbouwd. 3.1.2.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er voldaan wordt aan het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening en de Ladder voor duurzame verstedelijking geen belemmering oplevert. 3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie Overijssel

De Omgevingsvisie Overijssel is het integrale provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving van Overijssel. In 2017 zijn de Omgevingsvisie en -verordening Overijssel 2017 vastgesteld. Naar aanleiding van monitoring en evaluaties zijn de Omgevingsvisie en -verordening op onderdelen geactualiseerd. De 'Actualisatie Omgevingsvisie en -verordening' is op 13 november 2019 vastgesteld door Provinciale Staten van Overijssel en in werking getreden op 1 december 2019. Het provinciaal beleid voorziet primair in de ontwikkeling van woningbouw in bebouwd gebied of in aansluiting op de kernen. De rust en de ruimte van het buitengebied bieden echter ook andere aantrekkelijke woonmilieus, waar mensen goed en plezierig wonen, nu en in de toekomst. De ambitie van de provincie met betrekking tot de invulling van de woonomgeving is gericht op: Passend en flexibel aanbod van woonmilieus (typen woningen en woonomgeving) die voorzien in de vraag (kwantitatief en kwalitatief). 3.2.2

Omgevingsverordening Overijssel

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. 3.2.3

Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

3.2.3.1 Inleiding Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan haar ambities, gebruikt de provincie het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel. In dit uitvoeringsmodel staan de stappen of, waar en hoe centraal. Bij een initiatief voor bijvoorbeeld woningbouw, een nieuwe bedrijfslocatie, toeristisch-recreatieve voorzieningen, natuurontwikkeling, et cetera kan aan de hand van deze drie stappen bepaald worden of een initiatief binnen de geschetste visie voor Overijssel mogelijk is, waar het past en hoe het uitgevoerd kan worden.

bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, schoolgebouw en sportvelden | PAGINA 17

Figuur 3.1. Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel). 3.2.3.2 Of - generiek e beleidskeuzes Maatschappelijke opgaven zijn leidend in het handelen. Allereerst is het dan ook de vraag of er een maatschappelijke opgave is. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van EU, Rijk of provincie. Denk aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen. Maar ook aan beleidskeuzes om overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantorenlocaties – en daarmee grote financiële en maatschappelijke kosten – te voorkómen. In de Omgevingsvisie zijn de provinciale beleidskeuzes vastgelegd. De generieke beleidskeuzes zijn vaak normstellend. Dit betekent dat ze opgevolgd moeten worden: het zijn randvoorwaarden waarmee iedereen rekening moet houden vanwege zwaarwegende publieke belangen. De normstellende beleidskeuzes zijn vastgelegd in de omgevingsverordening. In heel Overijssel is een aantal beleidskeuzes van toepassing op nagenoeg alle thema’s en locaties. Dit zijn: integraliteit; toekomstbestendigheid; concentratiebeleid; (boven)regionale afstemming; zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. Samen geven deze beleidskeuzes invulling aan de Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking.

Deze Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking geeft een nadere invulling aan de stappen die gemeenten in de onderbouwing van nieuwe stedelijke ontwikkelingen op grond van de Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening) moeten doorlopen. De Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking geeft een nadere invulling aan de vraag hoe de behoefte moet worden bepaald, zowel in de stedelijke als in de groene omgeving, en op welke wijze de regionale afstemming vorm gegeven moet worden.

bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, schoolgebouw en sportvelden | PAGINA 18

3.2.3.3 Waar - ontwikkelingsperspectieven In de visie op de ruimte in Overijssel worden zes ontwikkelingsperspectieven onderscheiden: drie voor de Groene Omgeving en drie voor de Stedelijke Omgeving. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden.

Figuur 3.2. Ontwikkelingsperspectief met in het rode kader het plangebied (bron: provincie Overijssel). Het plangebied ligt in de Groene Omgeving, in het 'Ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap' en aan de rand van 'Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken'. Ten aanzien van het ontwikkelingsperspectief 'Ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap' geldt dat in dit ontwikkelingsperspectief de ambitie Voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen voorop staat. Daarnaast gelden de ruimtelijke kwaliteitsambities zichtbaar en beleefbaar mooi landschap, sterke ruimtelijke identiteiten als merken voor Overijssel, continu en beleefbaar watersysteem. Door nieuwe initiatieven zorgvuldig in te passen en aan te sluiten op de dragende structuren van een gebied kan het karakter en het onderscheid met andere gebieden versterkt worden. Het is daarbij de kunst om vormen van grondgebruik, bebouwingsvormen en infrastructuur zo te ordenen dat naast het karakter ook de samenhang in het gebied wordt versterkt en nieuwe kwaliteiten (kunnen) ontstaan. Zorgvuldige arrangementen van bebouwing, versterking van landschappelijke structuren en het beheer van kenmerkende landschapselementen horen daar vanzelfsprekend bij.

Daarnaast bevindt zoals gezegd het plangebied zich aan de rand van het ontwikkelingsperspectief 'Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken'. Voor steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken die als zodanig zijn aangewezen door de provincie geldt dat deze altijd mogen bouwen voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen, inclusief lokaal gewortelde bedrijvigheid, mits onderbouwd en regionaal afgestemd. Herstructurering en transformatie van de woon-, werk-, voorzieningen- en mixmilieus moeten deze steden en dorpen vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieus versterken. Herstructurering en transformatie bieden kansen om te anticiperen

bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, schoolgebouw en sportvelden | PAGINA 19

op klimaatverandering (bijvoorbeeld door ruimte voor groen, natuur en water te reserveren). Het is van belang om de stedelijke ontwikkeling altijd af te stemmen op de kenmerken van het watersysteem, bijvoorbeeld in laaggelegen gebieden bij bouw- en evacuatieplannen rekening houden met risico's op overstroming of wateroverlast. Herstructurering en transformatie kunnen ook bijdragen aan de energietransitie (door het nemen van energie-efficiënte maatregelen en/of het opwekken van duurzame energie door bijvoorbeeld het aanwezige dakoppervlak te benutten). 3.2.3.4 Hoe - gebiedskenmerken De provincie wil nieuwe ruimtelijke opgaven verbinden met bestaande gebiedskenmerken. De gebiedskenmerken spelen zo een belangrijke rol bij de vraag hoe een initiatief invulling kan krijgen. Onder gebiedskenmerken worden de ruimtelijke kenmerken van een gebied of een gebiedstype verstaan die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype. De gebiedskenmerken worden in vier lagen onderscheiden: 1. de natuurlijke laag; 2. de laag van het agrarisch cultuurlandschap; 3. de stedelijke laag; 4. de laag van de beleving. 1. Natuurlijke laag - Beekdalen en natte laagtes In de natuurlijke laag bevindt het plangebied zich in het beekdalenlandschap. Het Overijsselse zandlandschap is van oorsprong kletsnat. In de laagtes van het zandgebied verzamelde zich het water.

Hier ontwikkelden zich moerassen en broekbossen, waar het water in de loop van het seizoen geleidelijk uit weg sijpelde naar de lager gelegen delen, naar de beken en rivieren. De ambitie is de beekdalen als functionele en ruimtelijke dragende structuren van het landschap betekenis te geven. Ruimte voor water, continuïteit van het systeem zijn leidend. Tevens is de ambitie afwenteling van wateroverlast op stroomafwaarts gelegen gebieden te voorkomen door het beeksysteem als eenheid te beschouwen en het vasthouden van water te bevorderen. Als ontwikkelingen plaats vinden in of in de directe nabijheid van beekdalen en natte laagtes, dan dragen deze bij deze ambitie. Die ambities zijn uitgangspunten bij (her)inrichting.

Figuur 3.3. Uitsnede kaartlaag 'Natuurlijke laag' met in het rode kader het plangebied (bron: provincie Overijssel).

bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, schoolgebouw en sportvelden | PAGINA 20

2. Laag van het agrarisch cultuurlandschap - maten- en flierenlandschap In de laag van het agrarisch cultuurlandschap bevindt het plangebied zich in het maten- en flierenlandschap. Kenmerkend voor dit type landschap betreft het laaggelegen kleinschalig landschap dat zich langs de beken, in de natuurlijke laagten heeft ontwikkeld. Het matenen Flierenlandschap is veelal de contramal van het essenlandschap en het oude hoevenlandschap en was daar functioneel aan verbonden. De ambitie is s dit landschapstype weer herkenbaar te maken, en de samenhang met de esdorpen en erven weer betekenis te geven. Als ontwikkelingen plaatsvinden in of nabij het maten- en flierenlandschap, dan dragen deze bij aan versterking van het historische lineaire landschap met open 'kamers' en coulissen, aan accentuering van de overgang naar hogere gronden, de toegankelijkheid, de beleefbaarheid en het vasthouden van water.

Figuur 3.4. Uitsnede kaartlaag 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap' met in het rode kader het plangebied (bron: provincie Overijssel). 3. Stedelijke laag Het bestemmingsplan ligt in het buitengebied van Hardenberg. In de stedelijke laag zijn voor het plangebied geen aanduidingen opgenomen. Deze laag is niet relevant voor het plangebied. Delen van de wijk Marslanden zijn echter wel onderdeel van de aanduiding 'stedelijke laag'. Als ontwikkelingen plaatsvinden in dit gebied, dan voegt nieuwe bebouwing zich in de aard, maat en het karakter van het grotere geheel (patroon van onder andere wooneenheden en parken), maar is als onderdeel daarvan wel herkenbaar. De groenstructuur is onderdeel van het wijkontwerp. 4. Laag van de beleving In de laag van de beleving is voor het plangebied geen specifieke aanduiding opgenomen.

bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, schoolgebouw en sportvelden | PAGINA 21

3.2.3.5 Afweging De locatie ligt in landelijk gebied maar sluit direct aan op stedelijk gebied. Steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken mogen altijd bouwen voor de lokale behoefte aan onder andere wonen, mits onderbouwd en regionaal afgestemd. Dit planvoornemen voorziet daarin. Zoals ook uit paragraaf 3.3 (Gemeentelijk beleid) zal blijken en reeds is besproken in subparagraaf 3.1.2 (Ladder voor duurzame verstedelijking), komt dit planvoornemen tegemoet aan de lokale behoefte. De mate waarin dit initiatief wordt ingepast bleek al uit paragraaf 2.2 (Toekomstige situatie). Uit die paragrafen blijkt dat rekening wordt gehouden met het ontwikkelingsperspectief en de gebiedskenmerken. De nieuwe bebouwing voegt zich naar de aard, de maat en het karakter van de bestaande bebouwing in Hardenberg en meer specifiek: Marslanden. Het plan is in overeenstemming met de doelstellingen, onder andere wat betreft landschap, zoals geformuleerd in de 'Structuurvisie Marslanden fase II' (zie paragraaf 3.3.2). 3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Omgevingsvisie Landstad Hardenberg

Beleidskader De Omgevingsvisie vertelt het verhaal van Hardenberg. Hoe de gemeente veranderde van plattelandsgemeente tot een sterk streekcentrum. Hoe een nieuw platteland hand in hand is gegaan met economische groei, bruisende centra, een sterke maakindustrie en stedelijke voorzieningen met een regionaal verzorgingsgebied. Die voortdurende groei en aanwezigheid van stedelijke voorzieningen zijn uniek voor een grensgemeente. De Omgevingsvisie schetst de opgaven en de koers die de gemeente samen met inwoners, bedrijfsleven en overheden wil varen. De Omgevingsvisie staat voor de beweging die de gemeente wil maken. Met behoud van het goede en respect voor het bestaande wordt de schaalsprong gemaakt die nodig is om de kwaliteiten te behouden én te benutten. Met aan boord een open houding en een belofte tot samenwerking. De 29 kernen van de gemeente kennen een sterke hiërarchie. Hardenberg en Dedemsvaart hebben een regionale en bovenlokale functie en bijbehorende voorzieningen. Bergentheim, Balkbrug, Gramsbergen en Slagharen vormen de middengroep met alleen basisvoorzieningen. De andere 23 kernen hebben het karakter van een plattelandskern. De 2 hoofdkernen (Hardenberg en Dedemsvaart) zijn vooral in trek als woonlocatie, ook voor huishoudens van buiten de gemeente. De (woon)dorpen en buurtschappen zijn vooral gewild bij de lokale bevolking en rustzoekers van buitenaf.

Toetsing De ontwikkeling voorziet voor de inwoners van Hardenberg (en meer specifiek: de (toekomstige) inwoners van Marslanden) in school- en sportvoorzieningen. Ten aanzien van die ontwikkeling geldt dat de gemeente in de Omgevingsvisie geen specifieke ambities formuleert. Wel past het in de ambitie om te blijven bouwen aan de gemeente en de stad Hardenberg. In 'stad' Hardenberg is in Marslanden plaats voor uitbreiding met nieuwe woningen. Bij woningen moet ook voorzien worden in voorzieningen. Dit planvoornemen voorziet daarin. Tevens merkt de gemeente op dat de structuurvisie 'Structuurvisie Marslanden fase II' zijn werking blijft behouden. Het maakt in die zin deel uit van de Omgevingsvisie. Meer over deze structuurvisie in paragraaf 3.3.2. Conclusie De ontwikkeling van het schoolgebouw en sportvelden sluit aan bij de ambities en opgaven zoals geformuleerd in de Omgevingsvisie. De ontwikkeling is hiermee in lijn met de Omgevingsvisie.

bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, schoolgebouw en sportvelden | PAGINA 22

3.3.2

Structuurvisie Marslanden fase II

Beleidskader Op 21 oktober 2008 stelde de gemeenteraad van Hardenberg de 'Structuurvisie Marslanden fase II' vast. In deze Structuurvisie Marslanden fase II spreekt de gemeente Hardenberg zich uit over de verdere ontwikkeling (en afronding) van de woonwijk Marslanden tot 3.500 woningen. Begin jaren 90 werd het initiatief genomen voor deze woonwijk, in 1997 zijn de eerste plannen door de raad vastgesteld en in 2000 werd de eerste woning opgeleverd. De delen van Marslanden I zijn inmiddels uitontwikkeld en er was een visie noodzakelijk voor Marslanden II. Concreet geeft de structuurvisie invulling aan een nieuwe toekomst voor het gebied met de volgende doelstelling: "Het realiseren van een kwalitatief hoogwaardige en duurzame woonwijk om tegemoet te komen aan de lokale en regionale woningbehoefte tot 2030-2035 en om de doorstroming op de woningmarkt in Hardenberg te bevorderen, waarbij zo goed mogelijk kan worden voorzien in de toekomstige woonwensen, en waarbij wordt ingespeeld op de kansen en beperkingen die water, natuur, landschap en cultuurhistorie bieden." Wat betreft voorzieningen wordt dit door de gemeente op meerdere locaties mogelijk gemaakt. De bouw van een onderwijsvoorziening voor het basisonderwijs en aansluitende diensten buiten de bestaande school is een optie waar rekening mee dient te worden gehouden.

En wat betreft buitensportaccommodaties is Marslanden aangewezen op de sportterreinen van de Boshoek en de Kruserbrink, en naar verwachting in de toekomst op de sportboulevard voor zwemmen en atletiek. Toetsing Voorliggend planvoornemen betreft een uitwerking van de door de gemeente geformuleerde ambities voor de Marslanden fase II. Voorliggend plan maakt een basisschool en aansluitende diensten mogelijk buiten de bestaande scholen aan de westzijde van Marslanden. Zoals reeds in de paragraaf 1.1 (Aanleiding) opgemerkt kennen de bestaande scholen capaciteitsproblemen. Om die reden is het nodig om in de wijk Marslanden te voorzien in aanvullende onderwijsfaciliteiten. Ook voor de sportvoorzieningen is men op dit moment nog aangewezen op faciliteiten buiten de wijk. Voorliggend plan maakt buitensportvoorzieningen in de woonwijk mogelijk en voorziet daarmee in een behoefte om dicht bij huis te kunnen sporten. Conclusie Voorliggend plan past in de ambities van de gemeente zoals uiteengezet in de 'Structuurvisie Marslanden Fase II'. De structuurvisie vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen.

bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, schoolgebouw en sportvelden | PAGINA 23

Hoofdstuk 4

Randvoorwaarden

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet de gemeente in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving opnemen van de wijze waarop de belangen van natuur en milieu, cultuurhistorische, landschappelijke en archeologische waarden, de waterhuishouding en andere waarden bij het plan zijn betrokken. Dit hoofdstuk van de toelichting gaat in op de doorwerking van deze aspecten in het bestemmingsplan. 4.1

Erfgoed

Toetsingskader De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2022 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). 4.1.1

Archeologie

Toetsing Ter plaatse van de gronden van dit bestemmingsplan gelden geen archeologische waarden. In de gemeentelijke verwachtingenkaart (waarvan hieronder een uitsnede) heeft het plangebied een lage en middelmatige archeologische verwachting. Er is dus geen sprake van een hoge archeologische waarde. De daaraan gekoppelde archeologische beleidskaart geeft aan dat archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is.

bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, schoolgebouw en sportvelden | PAGINA 24

Figuur 4.1. Uitsnede archeologische beleidskaart met in het rode kader het plangebied (bron: gemeente Hardenberg). Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 4.1.2

Cultuurhistorie

Toetsingskader Als gevolg van het rijksbeleid ten aanzien van de monumentenzorg, is per 1 januari 2012 een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening van kracht. De wijziging betreft artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a, als gevolg waarvan alle cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk dienen te worden mee gewogen bij het vaststellen van ruimtelijke plannen. Dit betekent dat in aanvulling op de archeologische aspecten ook de overige cultuurhistorische waarden moeten worden betrokken in het onderzoek. Toetsing Ten aanzien van cultuurhistorie in de provincie heeft de provincie Overijssel de cultuurhistorische waardenkaart opgesteld. Met behulp van de kaart is het mogelijk om in de gehele provincie te onderzoeken welke cultuurhistorische waarden een bepaald gebied heeft. Uit deze kaart volgt dat de planlocatie deel uitmaakt van de 'Vechtstreek' en het 'Vechtdal'. Behalve deze twee gebiedtypen zijn in het plangebied zelf geen specifieke cultuurhistorische waarden aanwezig. Er bevinden zich in het plangebied zelf geen rijks- of gemeentelijke monumenten. Ook van andere cultuurhistorische waarden is binnen het plangebied of in de omgeving van het plangebied geen sprake. Dit blijkt ook uit subparagraaf 3.2.3 (Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel). Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan.

Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, schoolgebouw en sportvelden | PAGINA 25

4.2

Bodem

Toetsingskader Voor de beoordeling van de bodemkwaliteit vormen de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit het toetsingskader. Gestreefd wordt naar een duurzaam gebruik van de bodem. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Het uitgangspunt wat betreft de bodem in het plangebied is dat de kwaliteit ervan zodanig moet zijn dat er geen risico's zijn voor de volksgezondheid bij het gebruik van het plangebied voor de voorgenomen functie. Toetsing Onderzoeksbureau Sigma Bouw en Milieu heeft op 10 januari 2022 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De volledige rapportage van het onderzoek is opgenomen als Bijlage 2 Bodemonderzoek. De onderzoekslocatie betreft een onbebouwd en onverhard perceel dat in gebruik is als agrarische grond. Op basis van de topografische kaarten is te herkennen dat op perceel O 2341 tussen 1904 en 1929 een gebouw stond (vermoedelijk een schuur). Voor het overige is de onderzoekslocatie in het verleden voor zover te beoordelen niet eerder bebouwd geweest. Op topografische kaarten tussen 1850 en 1902 is over de onderzoekslocatie een pad te herkennen. Er is geen informatie beschikbaar omtrent eventueel (voormalige) potentieel bodembedreigende activiteiten/calamiteiten (verbranding afval, opslag van gevaarlijke stoffen et cetera) op de onderzoekslocatie.

De onderzoekslocatie is in eerste aanleg als milieuhygiënisch "onverdacht" aangemerkt. Door het plangebied loopt een sloot. Ook rondom de onderzoekslocatie lopen sloten. De slootbodems (waterbodem) en sliblagen vallen buiten de scope van het verkennend bodemonderzoek. Voor de in het plangebied aanwezige sloten is geen waterbodemonderzoek volgens NEN-5720 en protocol 2003 uitgevoerd. Grond Op basis van zintuiglijke waarnemingen zijn in het opgeboorde bodemmateriaal geen bodemvreemde afwijkingen of asbestverdacht materiaal waargenomen (indicatieve waarneming). De boven- en ondergrondmengmonsters bevatten geen van de onderzochte componenten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarde en/of detectiewaarde. Het uitgevoerde onderzoek PFAS stoffen in de bovengrond heeft tot doel om een indicatief inzicht te verkrijgen in de eventuele aanwezigheid van PFAS in de bovengrond. Uit het onderzoek komt naar voren dat de waarden iets verhoogd zijn ten opzichte van de bepalingsgrens. De gemeten gehalten overschrijden de toepassingsnorm voor landbouw/natuur (bij toepassing op landbodem, buiten een grondwaterbeschermingsgebied) niet. Grondwater Het grondwater, ter plaatse van verschillende peilbuizen, bevat een verhoogd gehalte barium en koper (zware metalen) ten opzichte van de streefwaarde. De verhoogd gemeten gehalten koper (zware metalen) in het grondwater t.p.v.

de peilbuizen 5 en 6 overschrijden de tussenwaarde. De matig verhoogd gemeten gehalten koper (zware metalen) in het grondwater ter plaatse van de peilbuizen 5 en 6 is niet direct te relateren aan het bekende bodemgebruik van de locatie. Daarnaast is er voor zover bekend geen aanwijsbare bron aanwezig. Er is op basis van de bekende gegevens voor zover bekend geen reden te verwachten dat de verhoogd gemeten gehalten koper (zware metalen) te relateren zijn aan historische bedrijfsactiviteiten of de aanwezigheid van bodemvreemd materiaal in de

bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, schoolgebouw en sportvelden | PAGINA 26

ondergrond. Ten aanzien van het voorkomen van verhoogde gehaltes zware metalen in het grondwater kan worden opgemerkt dat dergelijke verhoogde gehaltes op tal van onverdachte locaties in Nederland regelmatig voorkomen. De gehaltes worden vaak in verhoogde mate aangetoond zonder dat daarbij sprake is van een verontreinigingsbron. De verhoogde gehaltes zware metalen kunnen o.a. worden veroorzaakt door wisselende milieuomstandigheden in de bodem alsmede door diverse bodemprocessen. Zo kan het onvoldoende herstelde evenwicht tussen grond en grondwater ten tijde van de bemonstering een mogelijke oorzaak zijn van het verhoogd voorkomen van zware metalen. Conclusie Het grondwater ter plaatse van de peilbuizen 5 en 6 bevat onder andere een verhoogd gehalte koper (zware metalen) ten opzichte van de tussenwaarde. Aanvullend onderzoek in de vorm van een herbemonstering en heranalyse van het grondwater wordt in dit geval aanbevolen. Voor het overige bevat de grond en het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie enkele stoffen verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarde respectievelijk de streefwaarde. Deze lichte verontreinigingen overschrijden de tussenwaarde niet en geven daardoor geen formele aanleiding tot het instellen van een nader onderzoek. Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek blijkt dat de locatie niet geheel vrij is van bodemverontreiniging.

Advies Omgevingsdienst IJsselland De bovengenoemde rapportage bodemonderzoek is voor advies voorgelegd aan de Omgevingsdienst IJsselland. De Omgevingsdienst concludeert dat het onderzoek inhoudelijk akkoord is. Er zijn vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen voor de geplande bestemming voor het terrein als sportcomplex en school. Wel wordt aanbevolen voorafgaand aan het dempen van de watergang de kwaliteit van de waterbodem te bepalen. Verder adviseert de Omgevingsdienst om grond die vrijkomt (bij de ontwikkeling van het terrein) op het terrein zelf te verwerken. Voor de afvoer en de toepassing van de vrijkomende grond gelden de regels uit het Besluit Bodemkwaliteit en de nota Bodembeheer IJsselland. Het volledige advies van de Omgevingsdienst is als Bijlage 3 opgenomen. 4.3

Ecologie

4.3.1

Toetsingskader

Voor het plangebied is de volgende wet- en regelgeving op het gebied van natuurbescherming relevant: de Wet natuurbescherming (Wnb) en de provinciale Omgevingsvisie en -verordening. De Wnb is op 1 januari 2017 in werking getreden en betreft zowel soortenbescherming als bescherming van (Europese) natuurgebieden. In de Wnb is de bescherming van specifieke natuurgebieden geregeld. Het betreft de Natura 2000-gebieden, die een internationale bescherming genieten. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningsplichtig. Relevant daarbij is dat de Wnb een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied. Om de uitvoerbaarheid van het plan te toetsen, is een inventarisatie van natuurwaarden uitgevoerd voor de projectlocatie. Het rapport dat naar aanleiding hiervan is opgesteld is opgenomen als Bijlage 4 (Beknopte natuurtoets) bij deze toelichting.

bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, schoolgebouw en sportvelden | PAGINA 27

4.3.2

Toetsing

Soortenbescherming Als gevolg van de plannen gaat geen leefgebied van beschermde diersoorten verloren. Er gaan geen jaarrond beschermde nesten van vogels of vleermuisverblijfplaatsen verloren als gevolg van het verwijderen van de greppel en groenstrook tussen de twee agrarische percelen. Nader onderzoek naar beschermde soorten is dan ook niet nodig. Bij uitvoering van het plan kan het gebied minder geschikt worden als foerageergebied voor vogels met jaarrond beschermde nesten, zoals buizerd en sperwer. In de directe omgeving van het plangebied is in ruime mate alternatief en deels bovendien hoogwaardiger foerageergebied voor deze soorten aanwezig. Negatieve effecten op vogels met jaarrond beschermde nesten door verlies van foerageergebied treden niet op. Voor de overige vogelsoorten geldt dat, indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen worden uitgevoerd, in gebruik zijnde nesten van algemene vogelsoorten kunnen worden verstoord of vernietigd. Dit is bij wet verboden. Vernietiging of verstoring van in gebruik zijnde nestplaatsen kan voorkomen worden door bij de planning en uitvoering van de werkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen. Een standaardperiode voor het broedseizoen is er niet; van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Voor de meeste vogels geldt dat het broedseizoen ongeveer van 15 maart tot 15 juli duurt.

Het gebied zal naar verwachting na de ontwikkeling van het gebied niet ongeschikt worden voor de te verwachten algemene vleermuissoorten en marterachtigen die zowel in open gebied als in bebouwd gebied foerageren. Bovendien is in de directe omgeving van het plangebied in ruime mate alternatief foerageergebied voor deze soortgroepen aanwezig. Negatieve effecten op het foerageergebied van vleermuizen en marterachtigen treden niet op. De bomenrijen grenzend aan de zuid- en westrand van het plangebied zijn mogelijk onderdeel van een vliegroute voor vleermuizen. Negatieve effecten op vleermuizen kunnen worden voorkomen door bij de bouw geen werkzaamheden te verrichten in de schemering of in de nacht. Ook wordt geadviseerd om verstoring van de vliegroute te voorkomen door tijdens de aanlegfase geen verlichting in te zetten die lichtuitstraling veroorzaakt op de bomenrijen die onderdeel kunnen zijn van een vliegroute. Als gevolg van de ontwikkelingen kunnen tot slot enkele verblijfplaatsen van algemene amfibieën en grondgebonden zoogdiersoorten worden verstoord en vernietigd. Ook kunnen hierbij enkele exemplaren worden gedood. De te verwachten algemene soorten worden niet in hun voortbestaan bedreigd en vallen in de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ontwikkelingen van de provincie Overijssel. Voor deze soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd.

Wel geldt voor deze soorten de zorgplicht van de Wnb. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet in en grenst niet direct aan het Natura 2000-gebied Vecht- en Beneden- Reggegebied en is van dit gebied gescheiden door graslanden, wegen en bebouwing. Hierdoor kunnen negatieve effecten, zoals verstoring door trillingen, licht of geluid, worden uitgesloten. Als gevolg van de werkzaamheden kan in de aanleg- en gebruiksfase wel sprake zijn van een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Daarom is een AERIUS-berekening gemaakt. Deze berekening is opgenomen als Bijlage 5 (AERIUS-berekening) bij deze toelichting. Uit de berekening blijkt dat er door de stikstofdepositie van de aanleg- en gebruiksfase geen negatief effect optreedt in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). Een vergunning van de Wnb is in het kader van de stikstofdepositie niet nodig. Gezien de terreinomstandigheden, de afstand tot beschermde gebieden, de inrichting van het tussenliggende gebied en de aard van de ontwikkeling, kunnen met betrekking tot het voorgenomen plan negatieve effecten op het NNN worden uitgesloten. Het plan is niet in strijd met het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid.

bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, schoolgebouw en sportvelden | PAGINA 28

4.3.3

Conclusie

Voor een toetsing aan de soortenbescherming van de Wnb is, op basis van het uitgevoerde veldbezoek (d.d. 12 mei 2021) en het raadplegen van bronnen, gelet op de aard van het plan, een voldoende beeld van de natuurwaarden ontstaan. Op basis van de stikstofberekening is bepaald of een vergunning van de Wnb nodig is voor uitvoering van het plan. Uit die berekening blijkt dat er geen negatief effect optreedt in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). Een nadere analyse van het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid is niet noodzakelijk. De ontwikkeling is op het punt van provinciaal ruimtelijk natuurbeleid niet in strijd met de provinciale ruimtelijke verordening. 4.4

Externe veiligheid

Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is verschillende wet- en regelgeving van toepassing. Voor inrichtingen is dit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), voor transportroutes het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en voor hogedruk aardgastransportleidingen het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen het beleidskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Op 27 oktober 2004 zijn het Bevi en de Regeling externe veiligheid inrichtingen van kracht geworden. In het Bevi zijn risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot inrichtingen met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Toetsing Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkómen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport (onder andere van gevaarlijke stoffen). Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen of omstandigheden.

Risicobronnen kunnen worden onderscheiden in risicovolle inrichtingen (onder andere lpg-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen (via wegen, spoorwegen, waterwegen) en leidingen (onder andere aardgas, vloeibare brandstof). Om voldoende ruimte te scheppen tussen de risicobron en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten), moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen. Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans dat een persoon die (onafgebroken aanwezig en onbeschermd) op een bepaalde plaats overlijdt als gevolg van een calamiteit met een inrichting of een transportmodaliteit. Het GR bestaat uit de cumulatieve kans per jaar dat een groep van een bepaalde omvang overlijdt als gevolg van een calamiteit met een inrichting of een transportmodaliteit.

bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, schoolgebouw en sportvelden | PAGINA 29

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12347149/3