CConstaterende datHardenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting bestemmingsplan 'Hardenberg, bedrijventerrein Broeklanden-Zuid fase 3'

gemeenteraad 16 april 2024, gemeente HardenbergBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 'Hardenberg, bedrijventerrein Broeklanden-Zuid, fase 3' en beeldkwaliteitsplan 'Broeklanden-Zuid fase 3'14.534 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

PFAS-onderzoek De gehalten aan PFAS in de mengmonsters MM-01, MM-02, MM-03, MM-04, MM-05, MM-06, MM-07 en MM-A overschrijden de achtergrondwaarden uit het 'Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie' niet. Aanbevelingen Bovenstaande betekent dat de hypothese 'grootschalig onverdachte locatie' dient te worden verworpen, aangezien overschrijdingen van de achtergrond-, streef-, tussen- en interventiewaarden zijn aangetoond. In de ondergrond OG X en in alle grondwatermonsters zijn enkele zeer lichte tot sterke

bestemmingsplan Hardenberg, bedrijventerrein Broeklanden-Zuid fase 3 | PAGINA 24

verontreinigingen aangetoond. Voor mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4. In de mengmonsters van de bovengrond en van de ondergrond (met uitzondering van OG X, tweede meting) zijn geen verontreinigingen aangetoond. Om eventueel meetfouten uit te sluiten, is de ondergrond OG X opnieuw geanalyseerd. Uit de tweede analyse blijkt dat OG X niet verontreinigd is met zware metalen. Aangezien de monsters, welke zijn opgenomen in de ondergrond OG X, zintuiglijk schoon zijn en gelijkwaardig zijn aan de overige ondergrondse monsters, worden de analyseresultaten van de tweede meting meer representatief geacht. De licht verhoogde gehalten tijdens de eerste meting berusten mogelijk op een meetfout. De plaatselijk matig tot sterk verhoogde gehalten met arseen en koper in het grondwater worden beschouwd als natuurlijk of plaatselijk verhoogde achtergrondwaarden. Het is dan ook niet noodzakelijk om over te gaan tot een nader grondwateronderzoek. In de ondergrond zijn plaatselijk leem- of zandige leemlagen aangetroffen. Dit kan mogelijk invloed hebben op de toekomstige infiltratievoorzieningen ten behoeve van het afkoppelen van het hemelwater. Conclusie Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen het voorgenomen initiatief, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico’s voor de volksgezondheid opleveren.

De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (industrie en retentiegebied). 4.3

Bedrijven en milieuzonering

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient erop toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), anderzijds tussen functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). Die afstand moet niet onnodig groot zijn, omwille van efficiënt ruimtegebruik. Bij het toestaan van nieuwe bedrijven of andere milieubelastende functies dient rekening gehouden te worden met de milieuruimte die in de toekomst nodig is en dient beoordeeld te worden of ter plaatse van in de nabijheid gelegen gevoelige functies, zoals woningen, sprake blijft van een adequaat woon- en leefmilieu. Bij het bepalen hiervan kunnen de richtlijnen in de VNG-handreiking 'Bedrijven en milieuzonering 2009' worden gehanteerd. Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied).

Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt getoetst conform: VNG-handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009); Wet milieubeheer. Een richtafstand uit de VNG-handreiking kan worden beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden

bestemmingsplan Hardenberg, bedrijventerrein Broeklanden-Zuid fase 3 | PAGINA 25

uitgesloten. In geval van een gemengd gebied kan worden gewerkt met een verkleinde richtafstand. Situatie plangebied De voorgenomen ontwikkeling betreft niet een gevoelige functie. Er wordt namelijk een bedrijventerrein mogelijk gemaakt waar bedrijven t/m milieucategorie 3.2 zich kunnen vestigen. Het gaat om een locatie in het buitengebied. Het gebiedstype 'rustig buitengebied' is dus van toepassing. Voor bedrijven in de milieucategorie 3.2 geldt een maximale richtafstand van 100 meter. Rond het bedrijventerrein zijn verschillende gevoelige functies gevestigd, die allemaal woningen betreffen. De dichtstbijzijnde woningen zijn gelegen ten westen van het bedrijventerrein. De afstand tussen de woonbestemming en het bedrijventerrein bedraagt minimaal 105 meter. De richtafstand van 100 meter wordt daarmee niet overschreden. De andere woningen zijn gelegen op grotere afstand en vormen geen belemmering voor het beoogde bedrijventerrein. Hiermee wordt aangenomen dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van deze gevoelige functies. Andersom is er geen sprake van een belemmering voor de beoogde nieuwe functie. De omliggende woningen liggen op zodanige afstand dat de voorgeschreven richtafstand niet wordt overschreden en de toekomstige bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd.

Conclusie Gelet op het voorgaande wordt aangenomen dat het bedrijventerrein niet wordt belemmerd in de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden en dat bij de omliggende gevoelige functies sprake is van een goed woon- en leefklimaat. In de planregels van het bestemmingsplan is een binnenplanse afwijking opgenomen. Met deze afwijking is het mogelijk om met een omgevingsvergunning een bedrijf met een hogere categorie toe te staan. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning voor het desbetreffende bedrijf wordt nader getoetst aan de normen uit het Activiteitenbesluit. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.4

Geluid

Op grond van de Wet geluidhinder geldt rond wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/uur, rond spoorwegen en rond inrichtingen die 'in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken', een geluidzone. Bij de ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze geluidzones of bij bepaalde veranderingen aan de weg zelf (zoals het verhogen van de maximumsnelheid of het uitbreiden van het aantal rijstroken), moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de voorkeursgrenswaarden die in de wet zijn vastgelegd. Situatie plangebied In het voorliggende geval is sprake van de realisatie van een bedrijventerrein. Het wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai zijn niet van belang, aangezien er geen nieuwe geluidsgevoelige objecten worden gerealiseerd. Er hoeft niet getoetst te worden aan de Wet geluidhinder. In paragraaf 4.3 (Bedrijven en milieuzonering) is reeds nader ingegaan op de (akoestische) invloed van het bedrijventerrein op omliggende geluidsgevoelige objecten. Het bestaande bedrijventerrein Broeklanden-Zuid is een gezoneerd industrieterrein conform de Wet geluidhinder (Wgh) Voor dit bedrijventerrein is rondom het bedrijventerrein een

bestemmingsplan Hardenberg, bedrijventerrein Broeklanden-Zuid fase 3 | PAGINA 26

geluidszone vastgelegd. Daarbij is rekening gehouden met de gefaseerde ontwikkeling van het bedrijventerrein Broeklanden. Voor onderhavig bestemmingsplan is het niet noodzakelijk deze geluidscontour aan te passen. Onderhavige uitbreiding is namelijk al meegenomen in het onderzoek op basis waarvan de 50 dB(A) geluidcontour in 2019 is vastgelegd (zie bijlage 3). Ten behoeve van het voorliggende bestemmingsplan is nogmaals beoordeeld of de beoogde uitbreiding past binnen de geluidcontour. Het nieuwe onderzoek is als bijlage 4 in de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen. Geconstateerd wordt dat met de ontwikkeling van het Broeklanden Zuid fase 3 de invulling van 'Broeklanden-Zuid' wordt afgerond. Voor dit deelgebied is de resterende geluidverkaveling van fase 1 door de omgevingsdienst te Zwolle gecontroleerd op inpasbaarheid binnen de in fase 2 (2019) vastgestelde 50 dB(A) geluidcontour en de vastgestelde hogere grenswaarden op woningen gelegen binnen de zone. In het onderzoek wordt geconcludeerd dat het deelgebied 'Broeklanden-Zuid' fase drie past binnen het zonebeheersmodel en de van kracht zijnde hogere grenswaarden en de 50 dB(A) geluidcontour niet worden overschreden.

Wat betreft het bronvermogen voor milieucategorie 4, welke uitsluitend bij afwijking kan worden toegestaan, geldt dat wanneer een afwijkingsvoorwaarde is opgenomen moet worden aangetoond dat aan het berekende bronvermogen kan worden voldaan. Conclusie De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor het plan. 4.5

Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, LPG en munitie. Sinds een aantal jaren is er wetgeving over externe veiligheid om de burger niet onnodig aan te hoge risico's bloot te stellen. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het externe veiligheidsbeleid heeft vorm gekregen in de risicobenadering. Er wordt getoetst aan twee verschillende normen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Ten aanzien van het plaatsgebonden risico geldt een kans van 10-6 als grenswaarde. Dit betekent dat binnen de zogenaamde PR 10-6-contour geen nieuwe kwetsbare objecten mogen worden toegestaan. Voor ontwikkeling van nieuwe beperkt kwetsbare objecten geldt deze norm als streefwaarde. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het onderscheid tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. In het kader van het aspect externe veiligheid is de Atlas van de Leefomgeving geraadpleegd.

In navolgende figuur 4.1 is een uitsnede van de risicokaart opgenomen.

bestemmingsplan Hardenberg, bedrijventerrein Broeklanden-Zuid fase 3 | PAGINA 27

Figuur 4.1 Uitsnede risicokaart met aanduiding plangebied (blauwe ster) (bron: Atlas Leefomgeving) Situatie plangebied Risico relevante inrichtingen Uit de Atlas volgt dat op circa 500 meter ten noordwesten van het plangebied een inrichting is gevestigd. Het plangebied bevindt zich buiten de risicocontour van het plaatsgebonden risico. Verder bevindt zich circa 650 meter ten noorden van het plangebied een inrichting, Ook in dit geval is het plangebied niet in de risicocontour gelegen. Tot slot ligt nog een inrichting op circa 1,4 kilometer afstand ten noordwesten van het plangebied. Het plangebied is niet gelegen binnen de risicocontour van deze inrichting. Gelet op de bereikbaarheid van het bedrijventerrein, wordt aangenomen dat bij eventuele rampen de hulpdiensten het plangebied goed kunnen bereiken. Daarnaast worden de aanwezigen personen geacht zichzelf in veiligheid te kunnen brengen door het plangebied te ontvluchten. Uit de Atlas volgt dat in directe omgeving van het plangebied geen andere risicovolle inrichtingen zijn gesitueerd. Tot slot wordt met de beoogde ontwikkeling geen nieuwe risicovolle inrichting en gevoelige functies mogelijk gemaakt. Weg vervoer gevaarlijke stoffen Er zijn geen (water)wegen in de omgeving van het plangebied die zijn aangewezen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Wel ligt op circa 1,1 kilometer ten westen van het plangebied een spoorlijn die is aangewezen als route voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Gezien de grote afstand tot het plangebied worden geen belemmeringen verwacht. Buisleidingen Uit de Atlas blijkt dat op circa 1,7 kilometer ten westen van het plangebied een buisleiding aanwezig is. Het gaat hier om een ondergrondse hogedruk gastransportleiding van Gasunie. Het plangebied ligt op zodanige afstand van de buisleiding, dat deze geen belemmering vormt voor het planvoornemen.

bestemmingsplan Hardenberg, bedrijventerrein Broeklanden-Zuid fase 3 | PAGINA 28

Conclusie Het project is in overeenstemming met de wet- en regelgeving over externe veiligheid. 4.6

Cultuurhistorie

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in een ruimtelijk plan een beschrijving opgenomen moet worden van de wijze waarop met de aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. Het plangebied ligt niet in een gebied met aangewezen cultuurhistorische waarden. Wel kunnen de structuren en kenmerken van het landschap als cultuurhistorisch waardevol worden aangemerkt. Situatie plangebied Het plangebied ligt volgens het vigerende bestemmingsplan op de grens van een veenontginningslandschap en een heideontginnigslandschap. Dit type landschap kan worden gekarakteriseerd als een vlak, grootschalig en rechtlijnig gebied met half-transparante linten van bebouwing en boombeplantingen. De bebouwing en beplanting is geconcentreerd aan de ontginningsbasis. Ten behoeve van turfwinning zijn kanalen gegraven, die nu deels zijn gedempt. De hoofdstructuur van Broeklanden-Zuid sluit aan op het onderliggende landschap, zodat de herkenbaarheid van deze historische landschappelijke laag gehandhaafd blijft. Er is ingezet op inpassing in het landschap. De bestaande landschappelijke elementen zoals de verkavelingsrichting, de waterlopen, et cetera, worden gerespecteerd. De oriëntatie/rooilijn van de bebouwing wordt gerelateerd aan de huidige verkavelingsrichting. Conclusie Er is geen sprake van onaanvaardbare negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden. 4.7

Archeologie

Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Deze wet vervangt zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed: 1. Monumentenwet 1988; 2. Wet verzelfstandiging rijksmuseale diensten; 3. Wet tot behoud van cultuurbezit; 4. Wet tot teruggave cultuurgoederen uit bezet gebied; 5. Uitvoeringswet UNESCO-verdrag 1970; 6. Regeling materieel beheer museale voorwerpen. De Erfgoedwet hanteert de beschermingsniveaus zoals die in de oude regelingen golden. Voor de vergunningverlening van een beschermd archeologisch monument, het verbod op beschadigen, het vernielen van een rijksmonument of de bescherming van stads- en dorpsgezichten, geldt dat de huidige situatie in de Monumentenwet 1988 van kracht blijft tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Deze regels blijven dus gelden en zijn ongewijzigd overgenomen in de Erfgoedwet. Doelstelling van de wetten is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen.

De gehanteerde uitgangspunten zijn: archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren (behoud in situ); in ruimtelijke ordening (planvorming) al rekening houden met archeologische waarden; de bodemverstoorder betaalt archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen. Gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden.

bestemmingsplan Hardenberg, bedrijventerrein Broeklanden-Zuid fase 3 | PAGINA 29

Situatie plangebied Voor het plangebied geldt geen dubbelbestemming met betrekking tot archeologie. Bij de totstandkoming van het vigerende bestemmingsplan is reeds archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het gehele gebied is vervolgens vrijgegeven door middel van een selectiebesluit van het bevoegd gezag. Een archeologisch onderzoek is derhalve niet nodig. Wanneer bij de werkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen, geldt op grond van artikel 53 van de Erfgoedwet een meldingsplicht. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het plan. 4.8

Water

Voor het geldende bestemmingsplan 'Hardenberg, bedrijventerrein Broeklanden-Zuid' is een uitgebreide waterparagraaf opgesteld. In het daarbij behorende stedenbouwkundig plan wordt op hoofdlijnen ingegaan op de waterhuishoudkundige aspecten binnen het gehele plan 'Bedrijventerrein Broeklanden-Zuid', waar dit bestemmingsplan onderdeel van is. De memo is als bijlage 6 toegevoegd aan het bestemmingsplan. De uitgangspunten voor de waterhuishouding zijn sindsdien niet gewijzigd. De uitgangspunten van de memo gelden dus ook voor dit bestemmingsplan. Op basis van deze uitgangspunten is voor het gehele bedrijventerrein (inclusief onderhavig plan) in samenspraak met het waterschap Vechtstromen een-waterhuishoudkundig plan opgesteld. Dit plan is opgenomen in bijlage 7. Op dit moment wordt het waterhuishoudkundig plan gerealiseerd. Omdat onderhavig plan onderdeel is van het waterhuishoudkundig plan, is het niet noodzakelijk het aspect water in dit bestemmingsplan verder uit te werken. 4.8.1

Doorwerking in dit bestemmingsplan

De groenblauwe zone heeft in het geldende bestemmingsplan 'Hardenberg, bedrijventerrein Broeklanden-Zuid' de bestemming ‘Groen-Waterberging’ gekregen. De voormalige bedrijfsbestemming worden in dit bestemmingsplan eveneens voorzien van de bestemming 'Groen-Waterberging' om op die manier de waterbergende functie van dit gebied planologisch veilig te stellen. 4.9

Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer (Wm) zijn kwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Titel 5.2 Wm Luchtkwaliteitseisen wordt kortweg aangeduid als de Wet luchtkwaliteit. Doel van de wet is om mens en milieu bescherming te bieden tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Voor de gezondheid van de mens is een goede luchtkwaliteit van groot belang, daarom zijn in de Wet milieubeheer grenswaarden opgenomen voor een aantal stoffen die als verontreiniging in de lucht voorkomen. In de praktijk richt de aandacht zich vooral op de stoffen stikstofdioxide en fijnstof. Van deze stoffen komen in Nederland concentraties voor die in de buurt van de grenswaarde liggen. Voor de overige stoffen genoemd in de Wet milieubeheer komen de concentraties niet in de buurt van de grenswaarde. De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate, ofwel niet in betekenende mate (NIBM), leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit.

bestemmingsplan Hardenberg, bedrijventerrein Broeklanden-Zuid fase 3 | PAGINA 30

Daarnaast worden er bestemmingen genoemd die extra gevoelig zijn voor luchtvervuiling, de zogenaamde 'gevoelige bestemmingen'. Uiteraard moet niet alleen bij gevoelige bestemmingen, maar bij alle projecten sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening. Gelet hierop moet afgewogen worden of het aanvaardbaar is een bepaald project op een bepaalde plaats te realiseren. Hierbij speelt de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol, ook als het project zelf niet of nauwelijks bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Situatie plangebied De ontwikkeling kan, gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een project dat 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor niet noodzakelijk. Er behoeft dus niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Conclusie Aanvullend onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit is niet noodzakelijk nu het onderhavige initiatief kan worden aangemerkt als NIBM-project. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor dit bestemmingsplan. 4.10

Ecologie

Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet heeft de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet vervangen. Doel is om met één wet en minder regels de wet makkelijker te kunnen toepassen. Vanaf 1 januari 2017 bepalen de provincies wat wel en niet mag in hun natuurgebieden. Ook zorgen de provincies vanaf deze datum voor vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren, zoals het IJsselmeer. De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden. Ter bescherming van deze Natura 2000-gebieden voorziet de Wet natuurbescherming in een vergunningsregime voor het realiseren of verrichten van projecten en andere handelingen die de natuurlijke kenmerken van een aangewezen Natura 2000-gebied kunnen aantasten. Voorts voorziet de Wet natuurbescherming in de bescherming van planten- en diersoorten binnen en buiten de beschermde natuurgebieden. Het uitgangspunt is dat beschermde planten- en diersoorten geen schade mogen ondervinden. Voor het uitvoeren van werkzaamheden in de openbare ruimte is het niet altijd nodig een vrijstelling of een ontheffing aan te vragen.

Voor onder andere reguliere werkzaamheden of ruimtelijke ontwikkelingen geldt een vrijstelling voor beschermde soorten op voorwaarde dat gehandeld wordt volgens een goedgekeurde gedragscode. Verder worden vrijstellingsregelingen op de nationaal beschermde soorten per provincie vastgesteld. Wanneer het onmogelijk is schade aan streng beschermde planten en dieren tijdens ruimtelijke ontwikkelingen en inrichting te voorkomen, moet altijd een ontheffing worden aangevraagd. De voorwaarden verbonden aan een vrijstelling of een ontheffing zijn afhankelijk van de status van de planten- en diersoorten die in het plangebied voorkomen. Zorgplicht Voorts geldt bij uitvoering van werkzaamheden te allen tijde de algemene zorgplicht (artikel 1.11 Wet natuurbescherming). Deze schrijft voor dat nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel als mogelijk voorkomen moeten worden. Dit betekent dat wanneer tijdens uitvoering van de werkzaamheden een algemeen beschermde soort als konijn, veldmuis of gewone pad wordt aangetroffen, zij de ruimte en tijd moet krijgen een veilig heenkomen te zoeken. Indien nodig kunnen aangetroffen exemplaren verplaatst worden naar een naastgelegen ruimte waar geen werkzaamheden uitgevoerd worden.

bestemmingsplan Hardenberg, bedrijventerrein Broeklanden-Zuid fase 3 | PAGINA 31

Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied verbinden. In het NNN liggen onder andere bestaande natuurgebieden en alle Natura 2000-gebieden. Het NNN is op provinciaal niveau uitgewerkt en middels ruimtelijke nota's en verordeningen voorzien van juridische doorwerking. In sommige provincies bestaan er naast het NNN ook nog andere groene zones die een zekere mate van bescherming genieten. 4.10.1 Gebiedsbescherming Met betrekking tot gebiedsbescherming is de ligging van de aangewezen Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN-gebieden) van belang. Tijdens de bureaustudie, die is opgenomen in de natuurtoets, zijn geen vormen van gebiedsbescherming naar voren gekomen die direct betrekking hebben op het plangebied. Het plangebied valt niet onder de EHS/NNN of Natura 2000 en is niet aangewezen als ganzenfoerageergebied of weidevogelgebied. Echter, doordat het onduidelijk is welke werkzaamheden exact in het plangebied gaan plaatsvinden, is het niet uit te sluiten dat stikstofdepositie een effect gaat hebben op het op circa 4 km afstand gelegen Natura 2000-gebied 'Engbertsdijksvenen '.

Stikstofdepositie Om te berekenen hoe hoog de stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied zal zijn als gevolg van de ontwikkeling, is met de AERIUS-calculator een berekening uitgevoerd. Deze berekening is bijgevoegd in bijlage 8. Zoals eerder beschreven in deze toelichting wordt het bedrijventerrein in de basis niet aangesloten op het gas, het bedrijventerrein zal hierdoor emissiearm zijn. Zekerheidshalve zijn in de stikstofdepositieberekening twee varianten onderzocht, namelijk een bedrijventerrein aangesloten op het gas en een variant van een bedrijventerrein die niet is aangesloten op het gas. Dat neemt niet weg dat individuele bedrijven met een gasvraag een verzoek kunnen doen om een aansluiting. In die gevallen zullen de bedrijven door middel van een stikstof berekening moeten aantonen dat er geen gevolgen zijn op de relevante gebieden. Om dit te borgen zijn in de planregels regels opgenomen. Uit de stikstofdepositieberekening blijkt dat de gebruiksfase van het bedrijventerrein in de stikstof arme variant niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebieden ten opzichte van de referentiesituatie (bemest bouwland). Bij de aanlegfase van het bedrijventerrein wordt niet een toename in de stikstofdepositie op enige Natura 2000-gebied verwacht.

Daarom kan worden gesteld dat het bestemmingsplan inpasbaar is vanuit het aspect stikstofdepositie, mits wordt gekozen voor de duurzame variant. 4.10.2 Soortenbescherming Op grond van de Wet natuurbescherming geldt een algemeen verbod op het verstoren en vernietigen van beschermde plantensoorten, beschermde diersoorten en hun vaste rust- of verblijfplaats. Onder voorwaarden is ontheffing van deze verbodsbepalingen mogelijk. Voor soorten die vermeld staan in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn en een aantal Rode Lijst-soorten zijn deze voorwaarden zeer streng. Voor het geldende bestemmingsplan 'Broeklanden-Zuid' zijn meerdere onderzoeken uitgevoerd. Onderhavig plangebied was onderdeel van deze onderzoeken. Uit deze onderzoeken blijkt dat met betrekking tot soortenbescherming het plan in enige mate zal leiden tot de verstoring van diverse algemene soorten die momenteel in het plangebied

bestemmingsplan Hardenberg, bedrijventerrein Broeklanden-Zuid fase 3 | PAGINA 32

verblijven. Van de op grond van Wet natuurbescherming beschermde soorten blijkt geen sprake te zijn van verstoring van beschermde soorten. Geconcludeerd wordt dat sprake is van een neutraal milieueffect voor wat betreft gebiedsbescherming en een neutraal effect voor wat betreft soortenbescherming. Er is geen sprake van een relevant negatief effect. Sinds het uitvoeren van deze onderzoeken is het gebied volop in ontwikkeling ten behoeve van het bedrijventerrein. Het plangebied zelf is in gebruik ten behoeve van landbouw. Gezien het intensieve gebruik van deze gronden worden vaste verblijfplaatsen en essentieel leefgebied zodoende niet verwacht in het plangebied. 4.11

Verkeer en parkeren

4.11.1 Verkeer Onderhavig plangebied wordt ontsloten via het aangrenzende bedrijventerrein Broeklanden-Zuid fase 2. Ten behoeve van dit bedrijventerrein is een nieuwe infrastructuur aangelegd. Het bedrijventerrein Broeklanden-Zuid en onderhavig plangebied worden in het noorden aangesloten op de Duitslandweg ter hoogte van de rotondes richting de Zwedenweg en de Denemarkenweg. De aansluitingen in het noorden zijn beschikbaar voor alle typen van gemotoriseerd verkeer. Vanuit de rotondes ‘prikken’ twee interne ontsluitingswegen het plangebied in en vormen zij samen een lus. Door de afstand tussen de twee rotondes ontstaat er voldoende maat voor een flexibele verkaveling. Het fietsverkeer kan gebruik blijven maken van de ongelijkvloerse fietsverbinding, gerealiseerd aan de noordzijde van de Duitslandweg, die een verbinding maakt met het vrij liggende fietspad langs de Duitslandweg. Fietsers behouden daardoor de mogelijkheid om vanaf de Kanaalweg-Oost onder het viaduct door te fietsen en via deze verbinding het fietspad langs de Duitslandweg te bereiken, en vice versa. In het zuiden wordt het plangebied ontsloten op de Broekdijk. De ontsluiting op de Broekdijk is alleen bedoeld voor autoverkeer en fietsers. De ontsluiting aan de noordzijde en op de Broekdijk zijn reeds gerealiseerd.

Toekomstige verkeersintensiteiten Door de aanleg van het bedrijventerrein is sprake van een toename van het aantal verkeersbewegingen op de omliggende wegen. Bij het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de kencijfers voor verkeersgeneratie per type werkmilieu uit CROW publicatie 381, tabel A8. Voor de te onderzoeken functies (hoogwaardige maakindustrie ) is aansluiting gezocht bij respectievelijk de werkmilieus voor 'hoogwaardig bedrijventerrein'. Voor het bepalen van verkeersgeneratie is gekeken naar zowel de totale verkeersintensiteiten per etmaal als naar de voertuigverdeling. Werkmilieu

netto (ha)

Hoogwaardig 12 bedrijventerrei n

Licht (mvt/etmaal) 2.088

midden (mvt/etmaal) 196

Zwaar (mvt/etmaal) 212

Totaal (mvt/etmaal) 2.496

De huidige verkeersbewegingen in het plangebied worden gevormd door enkele agrarische bedrijfsactiviteiten. De toename van de extra verkeersbewegingen op de omliggende wegen (met name de Duitslandweg) kan binnen het huidige verkeersbeeld en -profiel op deze wegen worden verwerkt.

bestemmingsplan Hardenberg, bedrijventerrein Broeklanden-Zuid fase 3 | PAGINA 33

4.11.2 Parkeren Op grond van de gemeentelijke Parkeernormennota Hardenberg (17 juli 2018) moet de parkeerbehoefte in beginsel op eigen terrein worden opgevangen. In de nota zijn voor verschillende functies parkeernormen opgenomen. Deze normen variëren afhankelijk van het gebied waarbinnen het plangebied ligt. In de Parkeernormennota is uitgegaan van één stedelijkheidsgraad (weinig stedelijk gebied) voor de gehele gemeente Hardenberg. De planlocatie ligt binnen de toekomstige bebouwde kom. Er is geen sprake van een ‘centrum’ of van een ‘schil van een centrum’. Voor het gebiedstype wordt derhalve uitgegaan van ‘rest bebouwde kom'. In de Parkeernormennota is voor de parkeernormen aansluiting gezocht bij CROW. De parkeernormen variëren in deze publicatie op basis van de concrete functie van het bedrijf. Zo gelden voor arbeidsintensieve bedrijven hogere parkeernormen per 100 m2 bruto-vloeroppervlak dan voor bijvoorbeeld arbeidsextensieve bedrijven. In de regels van dit bestemmingsplan is vastgelegd dat aanvragen voor omgevingsvergunningen moeten worden getoetst aan de actuele beleidsregels waarin parkeernormen zijn vastgelegd. Op dit moment vormt de genoemde Parkeernormennota Hardenberg dus het actuele toetsingskader. Gezien de omvang van de uit te geven kavels is het mogelijk om de benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein aan te leggen.

bestemmingsplan Hardenberg, bedrijventerrein Broeklanden-Zuid fase 3 | PAGINA 34

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische toelichting

Inleiding

Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, digitaal en analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden. Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden. 5.2

Opzet en toelichting regels

De bestemmingen die in dit bestemmingsplan voorkomen zijn afgestemd op de regeling uit het bestemmingsplan 'Bedrijventerreinen'. Hierbij geldt dat de regeling voor het plangebied is toegespitst op dit initiatief, waarbij de randvoorwaarden uit het beleidskader, de planologische randwaarden als uitgangspunt gelden. De regels van het bestemmingsplan 'Hardenberg, bedrijventerrein Broeklanden-Zuid fase 3' zijn opgebouwd conform de door de SVBP 2012 voorgeschreven systematiek en omvatten inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels de overgangs- en slotregels. 5.2.1

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

De inleidende regels bestaan uit de volgende artikelen. 5.2.1.1 Begrippen In de begripsregels worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsregels worden opgenomen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. 5.2.1.2 Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen, wordt in de 'wijze van meten' uitleg gegeven over wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Dit artikel geeft aan hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte van gronden en bouwwerken wordt gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Ook voor de 'wijze van meten' worden in de SVBP 2012 richtlijnen gegeven.

bestemmingsplan Hardenberg, bedrijventerrein Broeklanden-Zuid fase 3 | PAGINA 35

5.2.2

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

5.2.2.1 Opbouw bestemmingen De gronden van het gehele plangebied hebben een positieve bestemming. Een positieve bestemming betekent dat het gebruik van de gronden voor de verschillende bestemmingen direct mogelijk is. Bovendien betekent het dat oprichting van gebouwen direct mogelijk is nadat burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning hebben verleend, welke dient te voldoen aan onder meer de regels van het bestemmingsplan, het Bouwbesluit 2012 en de Bouwverordening. De opbouw van de bestemmingen ziet er in beginsel als volgt uit: Bestemmingsomschrijving; Bouwregels; Afwijken van de bouwregels; Specifieke gebruiksregels; Afwijken van de gebruiksregels; Wijzigingsbevoegdheid. 5.2.2.2 Bestemmingen In het bestemmingsplan 'Hardenberg, bedrijventerrein Broeklanden-Zuid fase 3' komen verschillende enkelbestemmingen voor. De gronden krijgen de bestemming 'Bedrijventerrein' en 'Groen-Waterberging'. Er zijn geen dubbelbestemmingen opgenomen. Hieronder volgt een beschrijving van de in het plan opgenomen bestemmingen. Bedrijventerrein De belangrijkste bestemming in dit bestemmingsplan is de bestemming 'Bedrijventerrein'. Binnen de bestemming ‘Bedrijventerrein’ is een maximale milieucategorie toegestaan. Bij afwijking is het mogelijk om bedrijven uit een hogere milieucategorie toe te staan.

Gezien de beleidsmatige taakstelling voor het bedrijventerrein zijn bijvoorbeeld bedrijven die vallen onder artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht (grote lawaaimakers) toegestaan. Bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen kunnen bij afwijking worden toegestaan, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van nabijgelegen gronden. Voor gebouwen geldt dat deze de rooilijn niet mogen overschrijden. Voor gebouwen geldt een maximum bouwhoogte die op de verbeelding is aangeduid met de aanduiding ‘maximum bouwhoogte (m)’. Het bebouwingspercentage dat geldt voor een bouwperceel is op de verbeelding opgenomen met de aanduiding ‘maximum bebouwingspercentage (%)’. Groen De bestemming 'Groen-' is opgenomen ten behoeve van het structurele groen dat aanwezig is in het plangebied. Binnen deze bestemming mogen geen gebouwen worden gerealiseerd.

Groen-Waterberging De bestemming 'Groen-Waterberging' is opgenomen ten behoeve van het structurele groen dat aanwezig is in het plangebied en de waterberging. Binnen deze bestemming mogen geen gebouwen worden gerealiseerd. Wel is binnen deze bestemming grondgebonden agrarisch gebruik toegestaan, alsmede het behoud en beheer van de natuurlijke en landschappelijke waarden van de gronden. Dit is alleen mogelijk ter plaatse van de aanduiding 'Agrarisch'.

bestemmingsplan Hardenberg, bedrijventerrein Broeklanden-Zuid fase 3 | PAGINA 36

5.2.3

Hoofdstuk 3 Algemene regels

5.2.3.1 Anti-dubbeltelregel Een anti-dubbeltelregel wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein ook nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. De opgenomen anti-dubbeltelregel is gelijkluidend aan de in het Besluit ruimtelijke ordening voorgeschreven formulering. 5.2.3.2 Overige algemene regels Voor het hele plangebied geldt een aantal algemene regels. Het gaat hier om algemene bouw- en gebruiksregels. Mogelijkheden om af te wijken van het bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen en procedureregels worden behandeld. 5.2.4

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

5.2.4.1 Overgangsregel In deze regels wordt het overgangsrecht, zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening en de Wabo, overgenomen. 5.2.4.2 Slotregel Tenslotte wordt de slotregel opgenomen, ook zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening. Deze regel geeft aan hoe het plan kan worden aangehaald.

bestemmingsplan Hardenberg, bedrijventerrein Broeklanden-Zuid fase 3 | PAGINA 37

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

De economische uitvoerbaarheid van een plan wordt in eerste instantie bepaald door de financiële haalbaarheid ervan. Daarnaast is de grondexploitatieregeling uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang. Deze regeling bepaalt dat de gemeente de door haar gemaakte kosten kan verhalen. Het kostenverhaal heeft dus ook invloed op de haalbaarheid van het plan. Financiële haalbaarheid In aanloop van dit bestemmingsplan is door de gemeenteraad een grondexploitatie vastgesteld. De kosten die gemaakt moeten worden voor de aankoop van de gronden en plankosten worden hierdoor gedekt. Grondexploitatie Artikel 6.12 lid 2 Wet ruimtelijke ordening (hierna: 'Wro') bepaalt dat de gemeenteraad, als er sprake is van één of meerdere aangewezen bouwplannen, verplicht is een exploitatieplan vast te stellen indien: het verhaal van kosten van grondexploitatie niet anderszins is verzekerd; het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c 4°, respectievelijk 5° Wro noodzakelijk is; het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, respectievelijk b, c of d Wro noodzakelijk is. De gronden in het plangebied zijn door de gemeente Meppel aangekocht. Het kostenverhaal vindt plaats via de gronduitgifte.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De resultaten uit de bestemmingsplanprocedure geven inzicht in de maatschappelijke uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Met dit bestemmingsplan zijn overigens geen grote maatschappelijke belangen gemoeid. 6.2.1

Inspraak

Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In het voorliggende geval is geen voorontwerp bestemmingsplan ter inzage gelegd door het college van Burgemeester en Wethouders. 6.2.2

Vooroverleg

Een conceptversie van het ontwerp-bestemmingsplan is door de provincie beoordeeld. De provincie heeft aangegeven het plan in te kunnen stemmen. Voor het gehele bedrijventerrein (inclusief onderhavig plan) is in samenspraak met het waterschap Vechtstromen een-waterhuishoudkundig plan opgesteld.Het waterschap is meegenomen in de inrichting van het gebied. 6.2.3

Zienswijzen

Het ontwerp van het bestemmingsplan 'Hardenberg, bedrijventerrein Broeklanden-Zuid fase 3' heeft vanaf 19 oktober 20123 gedurende zes weken ter inzage gelegen. De terinzagelegging van de ontwerpbestemmingsplan en de mogelijkheid tot het indienen

bestemmingsplan Hardenberg, bedrijventerrein Broeklanden-Zuid fase 3 | PAGINA 38

van zienswijzen is bekendgemaakt in het gemeenteblad, het huis-aan-huisblad De Toren en op de gemeentelijke website. Het bestemmingsplan kon digitaal worden ingezien op de website www.ruimtelijkeplannen.nl en op papier, na afspraak, bij de Publieksdienst in het gemeentehuis in Hardenberg. Er is één zienswijze ontvangen. De zienswijze is binnen de daarvoor gestelde termijn ingekomen en dus tijdig ingediend. De zienswijze is in de notitie zienswijze samengevat en voorzien van een gemeentelijke reactie. De 'Notitie over de zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan 'Hardenberg, bedrijventerrein Broeklanden-Zuid fase 3'' is als bijlage 9 opgenomen in de toelichting van dit bestemmingsplan. De zienswijze geeft geen aanleiding tot (ambtelijke) aanpassingen van de verbeelding of planregels. 6.2.4

Vastgesteld bestemmingsplan

Het plan is door de gemeenteraad vastgesteld. Tegen de vaststelling is beroep mogelijk bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

bestemmingsplan Hardenberg, bedrijventerrein Broeklanden-Zuid fase 3 | PAGINA 39

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13916381/1