Toelichting bestemmingsplan 'Hardenberg, bedrijventerrein Broeklanden-Zuid fase 3'
Tekst van het document
Hardenberg, bedrijventerrein Broeklanden-Zuid fase 3
Inhoudsopgave
Toelichting
3
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer
4 4 4 5 6
Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied 2.1 Broeklanden zuid fase 2 en 3 2.2 Kuilenweg 1 en Kuilenweg 4 2.3 Beeldkwaliteitsplan
7 7 9 9
Hoofdstuk 3 Beleid 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid
10 10 14 17
Hoofdstuk 4 Randvoorwaarden 4.1 Milieueffectrapportage/m.e.r.-beoordeling 4.2 Bodem 4.3 Bedrijven en milieuzonering 4.4 Geluid 4.5 Externe veiligheid 4.6 Cultuurhistorie 4.7 Archeologie 4.8 Water 4.9 Luchtkwaliteit 4.10 Ecologie 4.11 Verkeer en parkeren
23 23 23 25 26 27 29 29 30 30 31 33
Hoofdstuk 5 Juridische toelichting 5.1 Inleiding 5.2 Opzet en toelichting regels
35 35 35
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
38 38 38
bestemmingsplan Hardenberg, bedrijventerrein Broeklanden-Zuid fase 3 | PAGINA 2
Toelichting
bestemmingsplan Hardenberg, bedrijventerrein Broeklanden-Zuid fase 3 | PAGINA 3
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
De gemeente Hardenberg heeft al enkele jaren plannen om het bedrijventerrein Broeklanden-Zuid aan de zuidzijde uit te breiden. Het was oorspronkelijk het plan om het gehele gebied van 38 hectare in één bestemmingsplan juridisch-planologisch te regelen. In 2018-2019 is echter op basis van een behoefteraming besloten om het bedrijventerrein op te splitsen in twee ontwikkelfases, fase 2 en 3. Voor fase 2 is in 2019 het bestemmingsplan 'Hardenberg, bedrijventerrein Broeklanden-Zuid' vastgesteld en deze is volop in ontwikkeling. De bedrijfskavels binnen fase 2 zijn bijna allemaal verkocht of gereserveerd en worden momenteel gerealiseerd. Op het bestaande bedrijventerrein is nu weinig ruimte voor nieuwe bedrijven, terwijl hier wel vraag naar is vanuit de markt. Voor de economische ontwikkeling van Hardenberg is zowel op de korte als op de lange termijn behoefte aan ruimte voor nieuwe bedrijvigheid. In het vigerende bestemmingsplan is in de landschappelijke inpassing rekening gehouden met een toekomstige uitbreiding. Echter, om het gebruik van de gronden agrarisch voort te kunnen zetten zijn de gronden bestemd met een agrarische bestemming. Hierdoor is de beoogde uitbreiding van het bedrijventerrein in strijd met het geldende bestemmingsplan. Met dit bestemmingsplan wordt de ontwikkeling van 'Broeklanden-Zuid fase 3' juridisch-planologisch mogelijk gemaakt.
In ditzelfde bestemmingsplan ('Hardenberg, bedrijventerrein Broeklanden-Zuid'), zijn twee losse woonpercelen. Deze gronden en opstal zijn in eigendom van de gemeente Hardenberg. Met de huidige gebruikers zijn tijdelijke afspraken gemaakt, omdat de gemeente Hardenberg voornemens is deze twee bedrijfsbestemmingen weg te bestemmen. Door het wegbestemming wordt ,met name vanuit akoestische aspect ruimte creëert voor het bedrijventerrein. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin. 1.2
Ligging plangebied
Het plangebied betreft de agrarisch gronden ten zuiden van het bestaande bedrijventerrein Broeklanden-Zuid fase 2. Globaal wordt het gebied begrensd door: Broeklanden-Zuid fase 2; Kanaalweg-Oost; Broekdijk; Kuilenweg. De twee bedrijfsbestemmingen zijn gelegen aan de Kuilenweg 1 en Kuilenweg 4. In figuur 1.1 is de (globale) ligging van het plangebied weergegeven.
bestemmingsplan Hardenberg, bedrijventerrein Broeklanden-Zuid fase 3 | PAGINA 4
Figuur 1.1 Ligging plangebied (bron: Pdok, bewerking Rho Adviseurs) 1.3
Vigerend bestemmingsplan
Het plangebied is gelegen in het bestemmingsplan 'Hardenberg, bedrijventerrein Broeklanden-Zuid' dat is vastgesteld op 12 februari 2019 door de gemeenteraad van Hardenberg. In het bestemmingsplan heeft het plangebied grotendeels de bestemming 'Agrarisch met waarden - besloten veenontginningslandschap'. Het betreft onbebouwde agrarische gronden die zijn bestemd ten behoeve van agrarisch grondgebruik. Binnen deze bestemming zijn geen (bedrijfs)gebouwen toegestaan. De twee bedrijfspercelen zijn voorzien van de bestemming 'Bedrijventerrein' met de functieaanduiding 'Bedrijf tot en met categorie 2', waarbinnen uitsluitend bedrijven in de categorie 1 en 2 uit de staat van bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan. Ter plaatse van de bestaande bedrijfswoningen is de functieaanduiding 'Bedrijfswoning' opgenomen. In figuur 1.2 is een uitsnede van het vigerende bestemmingsplan opgenomen.
bestemmingsplan Hardenberg, bedrijventerrein Broeklanden-Zuid fase 3 | PAGINA 5
Figuur 1.2 Uitsnede vigerende bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl, bewerking Rho Adviseurs) De uitbreiding van het bedrijventerrein past niet binnen het vigerende bestemmingsplan. Tevens is de gemeente voornemens de twee woningen aan de Kuilenweg 1 en 4 te slopen en daarvoor in de plaats groen en agrarisch gebruik mogelijk te maken. Een herziening van het bestemmingsplan is dan ook noodzakelijk om de planontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin. Tenslotte geldt voor het bestemmingsplan 'Facetherziening parkeren Hardenberg', dat op 17 juli 2018 is vastgesteld door de gemeenteraad van Hardenberg en regels bevat over het parkeren en laden en lossen op eigen terrein. De regels uit het facetplan zijn overgenomen in onderhavig bestemmingsplan. 1.4
Leeswijzer
Deze toelichting is opgebouwd uit 6 hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk de bestaande ruimtelijke en toekomstige situatie voor het plangebied beschreven. In hoofdstuk 3 wordt het beleidskader geschetst op Rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau. Hoofdstuk 4 gaat in op de planologische en milieutechnische aspecten van dit bestemmingsplan. In hoofdstuk 5 wordt de planologisch-juridische opzet van het plan behandeld. De economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van dit plan komen aan bod in hoofdstuk 6.
bestemmingsplan Hardenberg, bedrijventerrein Broeklanden-Zuid fase 3 | PAGINA 6
Hoofdstuk 2
Beschrijving plangebied
2.1
Broeklanden zuid fase 2 en 3
2.1.1
Algemeen
Broeklanden-Zuid Het plangebied wordt onderdeel van het bedrijventerrein Broeklanden-Zuid. Broeklanden-Zuid ligt tussen het kanaal Almelo-De Haandrik, de Broeklandenweg, de Duitslandweg, het Veldpad, de Kuilenweg en de Broekdijk. Broeklanden-Zuid bestaat uit 2 fases, namelijk fase 2 en 3. Fase 1 is de noordoost hoek van Broeklanden Zuid (Moderna en Salomons) en volledig gerealiseerd. Voor fase 2 is in 2019 het bestemmingsplan 'Hardenberg, bedrijventerrein Broeklanden-Zuid' opgesteld en deze is volop in ontwikkeling. De bedrijfskavels binnen fase 2 zijn bijna allemaal verkocht of gereserveerd en worden momenteel gerealiseerd. Voor het bestemmingsplan 'Hardenberg, bedrijventerrein Broeklanden-Zuid' is een uitgebreid stedenbouwkundig plan en inpassingsplan opgesteld. In deze plannen is rekening gehouden met de uitbreiding Broeklanden-Zuid fase 2. In de volgende paragraaf wordt dan ook de inpassing van het gehele bedrijventerrein Broeklanden-Zuid beschreven. 2.1.2
Inpassing
Behalve met het realiseren van de eerste bedrijfskavels, is de gemeente Hardenberg begonnen met het uitvoeren van de landschappelijke inpassing van Broeklanden-Zuid. Deze inpassing, is in het geldende bestemmingsplan toegestaan. Met dit bestemmingsplan worden geen aanpassingen voorgesteld. Rondom het gehele bedrijventerrein (fase 2 en 3), in een gebied van bijna 19 hectare, wordt een groene schil gerealiseerd. Tevens wordt in dit groengebied circa 100.000 m3 ruimte vrijgemaakt ten behoeve van waterberging. Met deze derde en laatste fase wordt aan de zuidzijde een extra strook gereserveerd voor een groene landschappelijke inpassing. Groen- en waterstructuur De kaarsrechte landbouwgronden aan de randen van het plangebied veranderen door de ontwikkeling van Broeklanden in forse groenblauwe zones. Laanbeplanting aan één zijde van de weg zorgt voor een groene aankleding van het bedrijventerrein. De bestaande bomensingel langs de Kuilenweg blijft behouden. Beplanting aan de oost-, zuid- en westzijde zorgen samen met de oeverinrichting van de waterpartijen voor afscherming van de 'achterkanten' van het bedrijventerrein en voor een geleidelijke overgang naar de omgeving. De gehele groene zone aan de westzijde wordt robuust vormgegeven, om een goede afscherming te kunnen creëren tussen de woningen aan de overzijde van het kanaal.
Waterstructuur Binnen de groenstructuur wordt een robuust watersysteem gerealiseerd, waarbij tevens rekening wordt gehouden met een ruimtereservering voor voldoende waterbergend vermogen. In het stedenbouwkundig plan zijn op twee locaties grote bergingsmogelijkheden opgenomen: één in het westen en één in het oosten. Het idee is dat het water in twee vergelijkbare delen afgevoerd en geborgen kan worden. De centrale watergang heeft een belangrijke functie voor de waterafvoer. Daarnaast vormt de watergang een van de weinige mogelijkheden om differentiatie of verbijzondering aan te kunnen brengen aan het bedrijventerrein, waardoor de aantrekkelijkheid van het terrein
bestemmingsplan Hardenberg, bedrijventerrein Broeklanden-Zuid fase 3 | PAGINA 7
versterkt wordt. Landschappelijke structuur De hoofdstructuur van Broeklanden-Zuid sluit aan op het onderliggende landschap, zodat de herkenbaarheid van deze historische landschappelijke laag gehandhaafd blijft. Ingezet wordt op inpassing in het landschap. De bestaande landschappelijke elementen, zoals de verkavelingsrichting, waterlopen, et cetera, vormen het ruimtelijk casco van het plan. De oriëntatie/rooilijn van de bebouwing wordt gerelateerd aan de huidige verkavelingsrichting. Behalve een bergende functie heeft het water langs de Duitslandweg ook een stedenbouwkundige functie ter geleiding van de zichtzone. De geprojecteerde watergang zal aansluiten op de waterpartijen bij Broeklanden en Kop van Broeklanden. De navolgende afbeelding bevat een suggestie voor het profiel van de watergang en aanliggende bermen. Een verdere kwantitatieve en technische uitwerking van de waterstructuur is opgenomen in bijlage 7.
Figuur 2.1 Stedenbouwkundig ontwerp bedrijventerrein Broeklanden-Zuid (donkerpaarse kavels), met een doorkijk naar een mogelijk toekomstige ontwikkeling van de gronden ten zuiden van het bedrijventerrein (lichtpaarse kavels) (SAB, 5 oktober 2018) Aanvullend op dit stedenbouwkundig ontwerp uit 2018 is besloten om aan de zuidzijde van het bedrijventerrein een extra groene zone, van 4.700m² op te nemen. Deze zone wordt van de 'uitgeefbare' gronden gehaald, en geeft het bedrijventerrein een extra groene uitstraling, waarbij de randen grenzend aan het buitengebied door de robuuste groen- en blauwstructuur een representatieve uitstraling verzorgen. In het beeldkwaliteitsplan, zie paragraaf 2.3 en bijlage 1 zijn richtlijnen en ambities opgenomen over deze zone.
bestemmingsplan Hardenberg, bedrijventerrein Broeklanden-Zuid fase 3 | PAGINA 8
2.2
Kuilenweg 1 en Kuilenweg 4
In het geldende bestemmingsplan 'Hardenberg, bedrijventerrein Broeklanden-Zuid' zijn de percelen Kuilenweg 1 en Kuilenweg 4 reeds bestemd met de bestemming 'Bedrijf'. Deze twee percelen zijn in het bezit van de gemeente Hardenberg en worden momenteel tijdelijk bewoond. Met onderhavig plan is ervoor gekozen deze locaties op termijn te slopen. De Kuilenweg 1 en 4 gaan mee in de groen- en waterstructuur die rondom het bedrijventerrein wordt aangelegd. Voor de Kuilenweg 4 wordt het nog wel mogelijk gemaakt om de bestaande agrarische bedrijfsvoering die hier plaatsvindt te handhaven. 2.3
Beeldkwaliteitsplan
Voor het geldende bestemmingsplan 'Hardenberg, bedrijventerrein Broeklanden-Zuid' is een beeldkwaliteitsplan opgesteld. De uitgangspunten van dit beeldkwaliteitsplan zijn ook van toepassing op onderhavig bestemmingsplan. In het beeldkwaliteitsplan zijn op detailniveau de beeldkwaliteitseisen voor de gebouwen, erven, erfscheidingen en reclame-uitingen voor fase 2 beschreven. Op fase 3 zijn deze eisen ook van toepassing. Omdat in het beeldkwaliteitsplan fase 3 niet is opgenomen. Is beeldkwaliteitsplan voor fase 2 is in een eigen document vertaald naar fase 3. zie hiervoor bijlage 1. Aanvragen voor omgevingsvergunningen binnen de grenzen van het bedrijventerrein zullen worden getoetst aan dit beeldkwaliteitsplan. Voor onderhavig plangebied moet worden aangesloten op 'Zone 2 regulier gebied'. Daarnaast wordt het nieuwe beeldkwaliteitsplan (bijlage 1) een derde zone 'Broekdijk' aan de beeldregie toegevoegd. Het stedenbouwkundig plan vormt het raamwerk voor de verkaveling in het plangebied. De planstructuur is hierin gebaseerd op traditionele patronen en vertaalt zich in een overzichtelijk industriegebied. Het plangebied heeft een eenvoudige verkaveling, passend bij de eenvoud van het ontginningslandschap. De verkaveling van het plangebied reageert op het landschap en op de verkaveling in het tegenovergelegen bedrijventerrein.
Het industriegebied 'Broeklanden-Zuid' kent twee zones, waaraan verschillende eisen van beeldkwaliteit worden toegekend. Dit zijn de kavels van de belangrijke stedenbouwkundige rand aan de Duitslandweg en de kavels in het reguliere gebied. De kavels in het reguliere gebied zijn door een forse groene rand niet of nauwelijks zichtbaar vanaf de Duitslandweg of vanuit het landelijk gebied. De ambities voor beeldkwaliteit zijn hier minder hoog. Functionele architectuur met zorgvuldige erfafscheidingen is hier het uitgangspunt. De verkaveling is flexibel. Hierdoor kan het voorkomen dat bouwwerken in verschillende zones gepositioneerd zijn. In dat geval is het hoogste niveau van beeldregie leidend.
bestemmingsplan Hardenberg, bedrijventerrein Broeklanden-Zuid fase 3 | PAGINA 9
Hoofdstuk 3
Beleid
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is op 11 september 2020 door de minister vastgesteld. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. De NOVI geeft richting en helpt bij het kiezen voor slimme combinaties van functies en bij het vaststellen van specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. De NOVI helpt om hier nu mee aan de slag te gaan en beslissingen niet uit te stellen of door te schuiven. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal, wat zeggen wil dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid, gemaakt moeten worden. De NOVI richt zich op vier opgaven: 1. 2. 3. 4.
Ruimte voor klimaatadaptatie en energiestrategie; Duurzaam, economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, zoals zeespiegelstijging, hogere rivierafvoeren, wateroverlast en langere perioden van droogte. Nederland is in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, bijvoorbeeld voldoende groen en ruimte voor wateropslag in onze steden. Voordeel is dat daarmee tegelijk de leefomgevingskwaliteit verbeterd wordt en het kansen biedt voor de natuur. In 2050 heeft Nederland een duurzame energievoorziening. Dit vraagt om ruimte, onder meer voor windmolens en zonnepanelen. Wind op zee heeft de voorkeur, maar ook op het land zijn windmolens nodig. Door deze zoveel mogelijk te clusteren voorkomen we versnippering over het landschap en benutten we de ruimte zo efficiënt mogelijk. Voorwaarde is steeds dat bewoners goed betrokken worden bij en invloed hebben op het gebruik en waar dit mogelijk is, meeprofiteren in de opbrengsten. De aanleg van zonneparken in het landschap moet zoveel mogelijk worden beperkt. Het Rijk plaatst bij voorkeur zoveel mogelijk zonnepanelen op daken en gevels.
Het Rijk zet zich in voor ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Dit vraagt om goede verbindingen via weg, spoor, lucht, water en digitale netwerken en een nauwe samenwerking met
bestemmingsplan Hardenberg, bedrijventerrein Broeklanden-Zuid fase 3 | PAGINA 10
onze internationale partners, zowel met onze directe buren als met andere landen in Europa en wereldwijd, ook op defensieterrein. Ingezet wordt op een sterk en innovatief vestigingsklimaat met een goede quality of life: een leefomgeving die de inwoners volop voorzieningen biedt op het gebied van wonen, bewegen, recreëren, ontmoeten en ontspannen. Belangrijk is wel dat de economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. Daarbij wordt ingezet op het gebruik van duurzame energiebronnen en op verandering van productieprocessen, zodat we niet langer afhankelijk zijn van eindige, fossiele bronnen. 3. Sterke en gezonde steden en regio's Vooral in steden en stedelijke regio's zijn nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Dit vraagt om optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Tegelijk willen we de leefbaarheid en klimaatbestendigheid in steden en dorpen verbeteren. Schonere lucht, voldoende groen en water en genoeg publieke voorzieningen waar mensen kunnen bewegen (wandelen, fietsen, sporten, spelen), ontspannen en samenkomen. Daarbij hoort een uitstekende bereikbaarheid en toegankelijkheid, ook voor mensen met een lichamelijke beperking. Gestreefd wordt naar een toename van de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid.
Dit betekent dat het voorafgaand aan de keuze voor nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daaraan stellen en welke extra maatregelen genomen moeten worden wanneer voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio's geborgd. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. Dit levert ook een noodzakelijke positieve bijdrage aan het verbeteren van de biodiversiteit. Bodemdaling moet worden aangepakt. Verhoging van het waterpeil is in bepaalde veenweidegebieden op termijn noodzakelijk. Met de betrokken regio's en gebruikers wordt afgesproken waar en hoe dit zorgvuldig zal gebeuren. In alle gevallen wordt ingezet op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan. Voorliggend bestemmingsplan speelt in op het thema 'Duurzaam economisch groeipotentieel'.
Locaties van nieuwe kantoren, bedrijventerreinen en (groot)winkelbedrijven moeten passen bij het verkeers- en vervoersnetwerk en goed zijn afgestemd op de vraag van bedrijven, om zo de economische vitaliteit en kwaliteit en de aantrekkelijkheid van stad en land te versterken. 3.1.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
Zorgvuldig ruimtegebruik is het uitgangspunt van de (Rijks)overheid. Om dit principe beter te borgen is sinds 2012 de Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening. Sinds 1 juli 2017 luidt de formulering van de Ladder in artikel 3.1.6. lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro): 'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.'
bestemmingsplan Hardenberg, bedrijventerrein Broeklanden-Zuid fase 3 | PAGINA 11
Op grond van de Ladder moeten de volgende punten worden geadresseerd: 1. Nagegaan moet worden of het bij de nieuwe ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt door het bestemmingsplan, gaat om een nieuwe stedelijke ontwikkeling; 2. Indien het gaat om een nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet worden onderbouwd waarom daadwerkelijk voldoende vraag is naar deze ontwikkeling; 3. Indien voldoende vraag is naar de nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet de vraag worden beantwoord of de ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied (of bestaande bebouwing) kan worden gerealiseerd. Nieuwe stedelijke ontwikkeling De laddertoets is alleen van toepassing op nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 Bro wordt 'een stedelijke ontwikkeling' gedefinieerd als 'een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. In het Bro is geen minimale ondergrens vastgesteld. Hiervoor biedt de jurisprudentie meer duidelijkheid; in beginsel vanaf 12 extra woningen en/of een ruimtebeslag van 400-500 m². Er is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als het nieuwe bestemmingsplan meer bebouwing mogelijk maakt, of indien er naar aard en omvang een zodanige functiewijziging plaatsvindt dat sprake is van een stedelijke ontwikkeling.
Voor de voorgenomen ontwikkelingen wordt voor de uitbreiding van het bedrijventerrein van 12 hectare mogelijk gemaakt. Daarmee is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, zodat het nieuwe bestemmingsplan ladderplichtig is. Gemotiveerd dient te worden dat er behoefte is aan de uitbreiding van het bedrijventerrein. Binnen of buiten bestaand stedelijk gebied Voor ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied is een extra motivering vereist. In artikel 1.1.1 Bro wordt 'bestaand stedelijk gebied' gedefinieerd als 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'. In de provinciale verordening is het plangebied aangewezen als 'Bedrijventerreinen (nieuwe situatie)', zie hiervoor paragraaf 3.2.2. Hierdoor kan worden gesteld dat het plangebied onderdeel uitmaakt van het bestaand stedelijk gebied van Hardenberg. Ruimtelijk gezien is dit ook een logische afronding van de bestaande bedrijventerreinen 3.1.2.1 Onderbouwing Behoefte De gemeente Hardenberg maakt plannen voor de ontwikkeling van de bedrijventerreinen Broeklanden Zuid 3, Heemserpoort en Rollepaal Oost. Voor de drie plannen worden door de gemeente drie nieuwe bestemmingsplannen opgesteld.
Onderdeel van deze bestemmingsplannen is een onderbouwing van het plan aan de hand van de criteria uit de wettelijk verankerde Ladder voor duurzame verstedelijking. In dit kader is voor de drie bedrijventerreinen, waaronder de onderhavige ontwikkeling, een laddertoets opgesteld. Dit rapport is opgenomen in bijlage 2. Onder regie van de provincie Overijssel worden op dit moment nieuwe regionale programmeringsafspraken gemaakt met de gemeenten in de regio West-Overijssel, waar de gemeente Hardenberg deel van uitmaakt, over de (her)ontwikkeling van bedrijventerreinen. Dat proces bevindt zich in de afrondende fase tijdens de oplevering van dit bestemmingsplan en de laddertoets. De nieuwe regionale programmeringsafspraken zijn onder andere gericht op het kwantitatief en kwalitatief in evenwicht houden van vraag en aanbod van bedrijfsgrond in de regio. In de
bestemmingsplan Hardenberg, bedrijventerrein Broeklanden-Zuid fase 3 | PAGINA 12
afspraken zijn, op basis van de actuele provinciale behoefteraming bedrijventerreinen, de voorgenomen ontwikkelingen door de gemeenten als 'groen', 'oranje' of 'rood' aangeduid. De voorgenomen ontwikkeling van Broeklanden Zuid 3 heeft in de regionale programmeringsafspraken de status 'groen'. Er is dus sprake van regionale afstemming. In de laddertoets wordt voor Broeklanden Zuid 3 het volgende geconcludeerd: Broeklanden Zuid 3 moet ruimte bieden aan alle soorten bedrijven met een kavelomvang groter dan 1 hectare, inclusief 'XL-bedrijven' met een kavelomvang groter dan 3 hectare die zich op bovenregionaal niveau oriënteren voor een vestigingslocatie. Concreet hebben al vier bedrijven met een individuele omvang groter dan 3 hectare en een totale gezamenlijke omvang van ongeveer 24,5 hectare netto bedrijventerrein de intentie uitgesproken om zich te vestigen op Broeklanden Zuid 3. Er wordt verwacht dat Broeklanden Zuid 3 een subregionale marktregio zal bedienen. Dit omvat bedrijven die gevestigd zijn in de gemeente Hardenberg, maar ook bedrijven uit andere gemeenten in het Overijsselse Vechtdal, de interprovinciale Dutch Tech Zone (samenwerking tussen Hardenberg, Coevorden, Emmen en Hoogeveen) of de nabijgelegen Noord-Twentse gemeente Twenterand.
Voor kleinere bedrijven (kleiner dan 3 hectare) zal dit beperkt blijven tot de gemeenten Hardenberg, Dalfsen, Ommen, Twenterand en Coevorden. De verwachting binnen de marktregio van Broeklanden Zuid 3 is een totale grootschalige vraag (groter dan 3 hectare in Overijssel, groter dan 2 hectare in Drenthe) van 171 hectare (laag) tot 322 hectare (hoog) tot en met 2040. Dit omvat de grootschalige vraag die is geschat voor de regio's West-Overijssel, Zuidwest-Drenthe en Zuidoost-Drenthe. Binnen deze kaders zijn provinciale en regionale ruimtelijk-economische keuzes, beschikbaarheid van aanbod, goede acquisitie en/of toevalstreffers grotendeels bepalend voor de mate waarin deze vraag daadwerkelijk wordt gefaciliteerd in of rondom Hardenberg. Voor het kleinere vraagsegment (groter dan 1 hectare) wordt een vraag van 17 hectare (laag) tot 80 hectare (hoog) tot en met 2040 verwacht. Tegenover deze vraag staat een grootschalig aanbod van 207,2 hectare en een aanbod in het kleinere segment van 56,9 hectare. Dit resulteert in een behoefte van -/- 36 hectare (laag) tot 115 hectare (hoog) in het grotere segment, exclusief mogelijk nog enkele tientallen hectares aan aanvullende vraag. Voor het kleinere segment leidt dit tot een behoefte van -/- 30 hectare (laag) tot 23 hectare (hoog).
Hieruit kan geconcludeerd worden dat er voldoende behoefte is voor de ontwikkeling van Broeklanden Zuid 3 (13,0 hectare). Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het met name belangrijk dat deze ontwikkeling ook een plek krijgt in de regionale programmering en dat er, mede op die manier, afstemming plaatsvindt met buurgemeenten. Gezien de andere ontwikkelingen, met name de voorgenomen ontwikkeling van Heemserpoort, en de concrete lokale interesse, verwachten we dat Broeklanden Zuid 3 de meeste waarde kan toevoegen, voornamelijk voor bedrijven in het grootschalige segment. Op basis van de laddertoets, zie bijlage 2, kan geconcludeerd worden dat er voldoende behoefte is en dat de ladder van duurzame verstedelijking geen belemmering vormt voor dit bestemmingsplan. 3.1.3
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
3.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), ook wel de AMvB Ruimte genoemd, is op 22 augustus 2011 vastgesteld en in oktober 2012 aangevuld. Het Barro heeft als doel om vanuit een concreet nationaal belang een goede ruimtelijke ordening te bevorderen. De AMvB is het inhoudelijke beleidskader van het Rijk waaraan ruimtelijke besluiten op provinciaal en gemeentelijk niveau moeten voldoen. Dat betekent dat de AMvB regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden. Daarnaast kan zij aan de
bestemmingsplan Hardenberg, bedrijventerrein Broeklanden-Zuid fase 3 | PAGINA 13
gemeente opdragen om in de toelichting op een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren. De algemene regels bewerkstelligen dat nationale ruimtelijke belangen doorwerken op lokaal niveau. Inhoudelijk gaat het om nationale belangen die samenhangen met het beschermen van ruimtelijke functies. Het besluit bevat alleen díe nationale ruimtelijke belangen die via het stellen van regels aan de inhoud of de toelichting van bestemmingsplannen (of daarmee vergelijkbare besluiten), beschermd kunnen worden. 3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie Overijssel
De Omgevingsvisie is een integrale visie waarin de beleidsambities en doelstellingen staan die van provinciaal belang zijn voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van Overijssel. Het uitgangspunt richt zich op het jaar 2030. De visie biedt kaders in de vorm van ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Daarbinnen krijgen gemeenten, waterschappen, maatschappelijke organisaties en andere initiatiefnemers mogelijkheden om ruimtelijke ontwikkelingen te realiseren. De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn verwerkt in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. Deze beleidsthema's worden benaderd vanuit de overkoepelende rode draden duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit. Duurzame ontwikkeling voorziet in de behoefte van de huidige generatie, zonder voor toekomstige generaties de mogelijkheden in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien. Ruimtelijke kwaliteit is datgene wat de ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is. Ruimtelijke kwaliteit gaan vooral over 'goed': mooi, functioneel en toekomstbestendig. Sociale kwaliteit gaat over het welzijn of 'goed voelen' van de mens. In de omgevingsvisie gaat het over het welzijn van de mens in relatie tot de fysieke leefomgeving. 3.2.2
Omgevingsverordening
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Daarbij gaat het om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Een van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken, is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor onderwerpen waarvoor de provincie er waarde aan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. 3.2.3
Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:
bestemmingsplan Hardenberg, bedrijventerrein Broeklanden-Zuid fase 3 | PAGINA 14
Of - generieke beleidskeuzes; Waar - ontwikkelingsperspectieven; Hoe - gebiedskenmerken. Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht. 3.2.3.1 Of- generieke beleidskeuzes Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een maatschappelijke opgave. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van de Europese Unie, het Rijk of de provincie. Denk hierbij aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater of droge voeten te kunnen garanderen. Andere generieke beleidskeuzes betreffen het voorkomen van overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantoorlocaties. Ook wordt in deze fase de zogenaamde 'Overijsselse Ladder voor duurzame verstedelijking' gehanteerd. Deze Overijsselse Ladder geeft een nadere invulling aan de vraag hoe de behoefte moet worden bepaald, zowel in de stedelijke als in de groene omgeving, en op welke wijze aan de regionale afstemming vorm gegeven moet worden. Integraliteit, toekomstbestendigheid, concentratiebeleid, (boven)regionale afstemming en zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik zijn beleidskeuzes die invulling geven aan de Overijsselse Ladder voor duurzame verstedelijking. Voor specifieke gebieden in Overijssel geldt dat niet alle initiatieven mogelijk zijn.
Dit heeft te maken met zwaarwegende publieke belangen. Gebiedsspecifieke beleidskeuzes om de zwaarwegende publieke belangen te waarborgen zien op reservering voor waterveiligheid en beperking wateroverlast, drinkwater/grondwaterbeschermingsgebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de Nationale Landschappen en het provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen. 3.2.3.2 Waar- ontwikkelingsperspectieven Indien in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toetsing aan de ontwikkelingsperspectieven plaats. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat op welke plek ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, worden ze consistent vertaald in de ontwikkelingsperspectieven. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend en bieden de nodige flexibiliteit voor de toekomst.
3.2.3.3 Hoe- gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is, of hier behoefte aan is, waar deze past in de ontwikkelingsvisie en hoe deze uitgevoerd kan worden. Afbeelding 3.1 geeft dit schematisch weer.
bestemmingsplan Hardenberg, bedrijventerrein Broeklanden-Zuid fase 3 | PAGINA 15
Afbeelding 3.1 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (bron: Provincie Overijssel) 3.2.4
Toetsing aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel, ontstaat globaal het volgende beeld. 3.2.4.1 Of - generiek e beleidskeuzes Bij de afweging van de in de eerste fase 'generieke beleidskeuzes' zijn met name de artikelen 2.1.3 en artikel 2.3.2 van de Omgevingsverordening Overijssel van belang. Op deze artikelen wordt hierna nader ingegaan. Artikel 2.1.3: zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik In stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag vanwege bouwen en verharden op de groene omgeving leggen, voorzien bestemmingsplannen alleen wanneer aannemelijk is gemaakt: dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaand bebouwd gebied en deze ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt zou kunnen worden gemaakt door bijvoorbeeld herstructurering of transformatie; dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut.
In de Omgevingsverordening Overijssel is het begrip 'bestaand bebouwd gebied' nader gedefinieerd als 'de gronden binnen steden en dorpen die benut kunnen worden voor stedelijke functies op grond van geldende bestemmingsplannen en op grond van voorontwerp-bestemmingsplannen, voor zover de provinciale diensten daarover schriftelijk een positief advies hebben uitgebracht in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro'.
bestemmingsplan Hardenberg, bedrijventerrein Broeklanden-Zuid fase 3 | PAGINA 16
Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening Overijssel Het plangebied is onderdeel van de kern Hardenberg. De uitbreidingslocatie is een logische keuze die aansluit op het bestaande bedrijventerrein Broeklanden-Zuid. Op basis van de omgevingsvisie is het plangebied aangewezen als 'Bedrijventerreinen (nieuwe situatie)'. Voor de locatie wordt al jaren beoogd deze te ontwikkelen ten behoeve van het bedrijventerrein. Met de ontwikkeling wordt voorzien in een stedenbouwkundige passende afronding van het bedrijventerrein Broeklanden Zuid. Tenslotte is het redelijkerwijs (gezien de omvang) niet te verwachten of wenselijk dat de behoefte binnen de bestaande kern wordt opgevangen. Hiermee kan worden gesproken van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en is het bestemmingsplan in overeenstemming met artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening Overijssel. Artikel 2.3.2 Realisatie nieuw bedrijventerrein 1. Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in de mogelijkheid tot het realiseren van nieuw bedrijventerrein als de behoefte daaraan is aangetoond door middel van actueel onderzoek bedrijventerreinen. 2. In bestemmingsplannen wordt in maximaal 80% van de behoefte aan nieuwe bedrijventerreinen, zoals vastgesteld in het kader van actueel onderzoek bedrijventerreinen, voorzien. 3.
In bestemmingsplannen van gemeenten waarvoor afspraken bedrijventerreinen van toepassing zijn, mag - in afwijking van lid 2 - in een hoger percentage dan 80% worden voorzien, met een maximum van 100% van de behoefte zoals vastgesteld in het kader van de afspraken bedrijventerreinen. 4. De behoefte aan nieuw bedrijventerrein zoals bedoeld in lid 1 wordt geacht te zijn aangetoond als realisatie daarvan past binnen de geldende afspraken bedrijventerrein zoals die zijn gemaakt tussen gemeente en provincie op basis van regionale afstemming. 5. Wanneer de realisatie van nieuw bedrijventerrein niet past binnen geldende afspraken bedrijventerreinen of wanneer er voor de gemeente geen afspraken bedrijventerreinen gelden, dan moet de behoefte aan nieuwe bedrijventerreinen aangetoond worden door middel van actueel onderzoek bedrijventerreinen waarop de instemming is verkregen van zowel de gemeenten in de regio als Gedeputeerde Staten. 6. In afwijking van het bepaalde in lid 5 geldt de eis dat gemeenten in de regio moeten hebben ingestemd niet voor buurgemeenten die gelegen zijn buiten de provincie Overijssel. In dat geval moet zijn aangetoond dat afstemmingsoverleg heeft plaatsgevonden. Toetsing van het initiatief aan artikel 2.3.2 van de Omgevingsverordening Overijssel In paragraaf 3.1.2 is de behoefte op basis van de Ladder van duurzame verstedelijking gemotiveerd.
Hieruit blijkt dat de ontwikkeling past binnen de gemaakte afspraken met de regio. 3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Omgevingsvisie Landstad Hardenberg
Sinds 2021 beschikt de gemeente Hardenberg over een eigen omgevingsvisie, waarin zij haar visie voor de komende twintig jaren heeft uitgewerkt. Deze omgevingsvisie is samengesteld in samenwerking met vele stakeholders uit diverse sectoren en heet 'Landstad Hardenberg'. In de visie wordt de functie van de hele regio verder uitgebouwd. De gemeente en samenleving zijn verbonden. De Hardenbergers hebben de blik naar buiten en zien voortdurend kansen. Door een goede samenwerking tussen inwoners, overheid en bedrijfsleven benutten we de kansen die zich voordoen. De gemeente speelt in op toekomstige veranderingen, veert mee, verbindt en investeert waar nodig. De kernen zijn onderling sterk verbonden. Platteland en stad raken steeds meer verweven. De gemeente combineert de kracht van het platteland met een compleet
bestemmingsplan Hardenberg, bedrijventerrein Broeklanden-Zuid fase 3 | PAGINA 17
stedelijk voorzieningenniveau. Voor een grensgemeente is dat een unieke prestatie. De gemeente zoekt de regionale verbinding. Hardenberg is onderdeel van de regio Zwolle. Daarnaast zijn er sterke verbindingen met Twente en Drenthe. Ambitie Hardenberg staat voor grote uitdagingen. Een groeiende bevolking en economie zijn voor een grensregio niet vanzelfsprekend. Integendeel, dit vraagt om blijvende inspanningen en investeringen. De gemeente kan niet doorbouwen zoals het groot is geworden. Het gebruik van het platteland verandert. Dit vraagt om ontwikkeling van bebouwing die samengaat met ruimtelijke kwaliteit, landschap en natuur. Stad en land vullen elkaar steeds meer aan en houden elkaar in balans. Samen vertellen zij het verhaal van de functieverandering van het Hardenbergse platteland. 'Of-of-denken' maakt plaats voor 'en-en-denken'. De gemeente wil de kwaliteiten van het buitengebied versterken door stedelijke elementen aan te brengen. Tegelijkertijd blijft de gemeente werken aan het binnenstedelijk woon- en leefklimaat met vitale en bruisende centra in Hardenberg en Dedemsvaart. De gemeente Hardenberg staat niet op zichzelf. Sociale, maatschappelijke en economische relaties zijn steeds (boven)regionaler. Hardenberg wordt steeds afhankelijker van de omliggende regio’s, omgekeerd geldt hetzelfde. De gemeente speelt hier op in.
Per opgave kiest de gemeente het juiste schaalniveau voor de aanpak en samenwerking. De gemeente gaat ‘spelen met schalen’. De gemeente staat voor een nieuwe schaalsprong. Om deze schaalsprong te kunnen maken, zijn vier uitgangspunten opgesteld: Groei vasthouden en doortrekken; Kwaliteiten toevoegen wordt belangrijker; Ruimte als troefkaart; Bereikbaarheid en samenwerking als randvoorwaarden. Deze visie is vertaald in vier thema's voor ontwikkeling: Hardenberg in balans: over de verscheidenheid van het landelijk gebied; Hardenberg voor elkaar: over stedelijke ontwikkeling, een vitale samenleving en leefbare kernen; Hardenberg knooppunt: over een vitale economie en goede bereikbaarheid; Hardenberg duurzaam: over de energietransitie, klimaatadaptatie en een circulaire economie. Binnen elk thema heeft de gemeente ambities en staat de gemeente voor opgaven. Samen vormen ze de agenda voor toekomstige samenwerkingen. In dit geval is met name het thema 'Hardenberg knooppunt' relevant. Het thema 'Hardenberg knooppunt' is onderverdeeld in vier verschillende paragrafen: Een vitale economie, nu en in de toekomst; Onze arbeidsmarkt: toekomstgericht en regionaal; Naar een nieuwe economie; Mobiliteit. In voorliggend geval is vooral de paragraaf 'Een vitale economie' van belang.
Een vitale economie Door de strategische ligging is Hardenberg een logistieke hotspot; een scharnier- en zwaartepunt voor vervoersstromen in het noordoosten van het land. De gemeente participeert in de Euroterminal Emmen-Coevorden-Hardenberg, een schakel in het vervoer van containers uit Duitsland per spoor naar Rotterdam. Productiestructuur afhankelijk van bedrijventerreinen De bedrijvendynamiek is naar verhouding beperkt. Zowel het aantal faillissementen als het aantal startende ondernemers is lager dan gemiddeld. Het huidige midden- en kleinbedrijf
bestemmingsplan Hardenberg, bedrijventerrein Broeklanden-Zuid fase 3 | PAGINA 18
is belangrijk voor een vitale economie, zowel nu als voor de toekomst. Ook het aantrekken van nieuwe ondernemingen is van belang. Hardenberg is vooral een gemeente van agrarische productieruimte en bedrijventerreinen, minder van kantoorlocaties. Groeiende bedrijven hebben daardoor vaak een grote ruimtebehoefte. De afgelopen jaren zijn er veel hectares aan bedrijventerrein bijgekomen. In de afgelopen twintig jaar gaf de gemeente jaarlijks gemiddeld zes hectare bedrijventerrein uit; in een paar piekjaren was dit veel meer. Gelet op de economische structuur, de bedrijvendynamiek en de gemeentelijke ambitie zal dit de komende jaren zo blijven. De Nederlandse economie verandert. Trends als de circulaire economie en smart-industry zorgen voor een toenemende ruimtevraag. Externe investeerders overwegen een vestiging in Hardenberg. Hun ruimtevraag is vaak aanzienlijk. Daarom moet ook in de toekomst voldoende uitgeefbaar bedrijventerrein en voldoende zachte plancapaciteit zijn. De gemeente wil daarom tijdig inspelen op de actuele, kwalitatieve vraag vanuit de markt. Een van opgaven zoals opgenomen in de omgevingsvisie luidt als volgt: 'We moeten voortdurend blijven beschikken over voldoende goede werklocaties'. De bestaande voorraad moet aan de eisen van de tijd blijven voldoen. Voor nieuwe vraag is nieuwe ruimte nodig.
Op korte termijn zetten we zachte plancapaciteit om naar harde plancapaciteit. Dit staat in de 'bestuursovereenkomst programmering bedrijventerreinen West-Overijssel 2019-2022'. Het gaat om: 15 hectare woon-werkkavels in Heemserpoort, Hardenberg; 12 hectare zware bedrijvigheid in Broeklanden II (Zuid), Hardenberg; 10 hectare in Dedemsvaart (nader uit te werken). Binnen de omgevingsvisie is duurzaamheid en dan met name energietransitie en klimaatadapatie een groot thema waar de gemeente Hardenberg de aankomende jaar op inzet. Energietransitie In de omgevingsvisie staan meerdere ambities en opgaven beschreven. Hiermee wil gemeente Hardenberg in 2030 voldoen aan de landelijke opgave om de CO2-uitstoot met 49% terug te brengen. Het Klimaatakkoord gaat voor 2050 uit van een afname van de CO2-uitstoot van 95%. Dit betekent dat Hardenberg in 2050 een duurzame en fossielvrije energievoorziening heeft. Klimaatadaptatie Bij maatregelen om effecten van klimaatverandering tegen te gaan heeft elke partij zijn eigen rol. Dit verschilt per soort maatregel: Droogte heeft vooral veel invloed op landbouw en natuur. Het waterschap is hierbij aan zet. Indien de benodigde maatregelen om extra ruimtebeslag vragen, speelt de gemeente een rol bij de afwegingen hierover; Hittestress wordt vooral op lokaal niveau aangepakt.
De gemeente betrekt inwoners bij keuzes rondom de inrichting van de buitenruimte. Inwoners worden aangemoedigd zelf actie te ondernemen, bijvoorbeeld door het vergroenen van de tuin (operatie Steenbreek); Bij het tegengaan van wateroverlast binnen de bebouwde kom onderneemt de gemeente zelf actie, zo nodig samen met het waterschap. In het landelijk gebied neemt het waterschap initiatief; Bij hoge waterstanden in de Vecht nemen overstromingsrisico’s toe. De dijken langs de Vecht zijn nu zo hoog en sterk dat het minder dan eens per 200 jaar tot een overstroming zou mogen leiden. Vanuit het Deltaprogramma (hoogwaterbeschermingsprogramma) houdt het waterschap de sterkte en hoogte van de dijken in de gaten. Elke 12 jaar worden de dijken getoetst en als het nodig is
bestemmingsplan Hardenberg, bedrijventerrein Broeklanden-Zuid fase 3 | PAGINA 19
verbeterd. Zo ‘groeien’ de dijken mee met de klimaatontwikkeling. 3.3.1.1 Toetsing Omgevingsvisie Onderhavige ontwikkeling past bij de ambitie om tijdig in te spelen op de actuele, kwalitatieve vraag van de markt naar meer bedrijventerreinen. In de omgevingsvisie is onderhavige locatie dan ook opgenomen om het 'zachte plan' om te zetten naar een harde plancapaciteit. In het kader van duurzaamheid is besloten het nieuwe bedrijventerrein niet aan te sluiten op gas. Tevens wordt binnen de planregels ruimte geboden voor duurzame energieopwekking en voor de opslag hiervan. Onderhavig plan borduurt voort op het bestemmingsplan 'Hardenberg, bedrijventerrein Broeklanden-Zuid'. Net zoals op het bestaande bedrijventerrein Broeklanden-Zuid, wordt in Broeklanden-Zuid fase 3 parkmanagement ingevoerd. Bij de verkoop van grond verplicht de gemeente deelname aan parkmanagement. Uitgangspunt hierbij is dat parkmanagement van, voor en door de ondernemers wordt vormgegeven.Met als doel het realiseren van gezamenlijke beheer en onderhoud voor een duurzame inrichting van het park (bedrijventerrein).
Bij nieuwvestiging van bedrijven of bij aanvragen voor omgevingsvergunningen op het gebied van bijvoorbeeld milieu of bouwen, zal de gemeente het betrokken bedrijf actief informeren over duurzame bouwmogelijkheden, mogelijkheden tot duurzame bedrijfsvoering, energiebesparing, energieopwekking en eventuele andere duurzaamheidsaspecten. Zoals beschreven in paragraaf 2.1 is voor het 'moederplan' een robuuste groenstructuur en watersysteem gerealiseerd, waarbij tevens rekening is gehouden met een ruimtereservering voor voldoende waterbergend vermogen. In het stedenbouwkundig plan zijn op twee locatie grote bergingsmogelijkheden opgenomen: één in het westen en één in het oosten. Het idee is dat het water in twee vergelijkbare delen afgevoerd en geborgen kan worden. Met onderhavig plan aan de zuidzijde van het plangebied een extra groene zone met opgaand groen gerealiseerd. Hierdoor wordt de landschappelijk inpassing extra versterkt. Geconcludeerd wordt dat het initiatief hiermee naadloos aansluit op de ambities zoals verwoord in de gemeentelijke omgevingsvisie 'Landstad Hardenberg'. 3.3.2
Bedrijventerreinenvisie 2010
In mei 2010 heeft de gemeente Hardenberg een bedrijventerreinenvisie vastgesteld. Bij het opstellen van deze visie is gebruikgemaakt van de geschetste kaders uit het landelijke, provinciaal en gemeentelijk beleid ten aanzien van bedrijventerreinen. De visie beschrijft dat vanaf 2000 de werkgelegenheid sterk is gestegen, waardoor nieuwe bedrijventerreinen noodzakelijk zijn. Het economisch profiel van Hardenberg kent veel bedrijven uit de maakindustrie en productie die geconcentreerd in de kernen van Hardenberg en Dedemsvaart aanwezig zijn. Hardenberg is het stedelijk centrum van Noordoost-Overijssel. De gemeente Hardenberg heeft dan ook een belangrijke streekfunctie en een relatief groot verzorgingsgebied. Dit is onder andere bereikt door de proactieve houding van het gemeentebestuur en de ondernemersvriendelijke opstelling. De gemeente doet er alles aan om in de toekomst deze streekfunctie te behouden. Het gaat daarbij om het geheel van wonen, werken en voorzieningen. In het huidige collegeprogramma vertaalt dit zich voor bedrijvigheid in: het realiseren van een zo aantrekkelijk mogelijk ondernemersklimaat voor ondernemers; zorgen voor voldoende bedrijventerreinen zodat aan iedere vraag kan worden voldaan. De vraag moet daarbij wel passen binnen de aard en schaal en het profiel van de Hardenbergse economie.
Ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid zijn daarbij heel belangrijk, zowel bij nieuwe als
bestemmingsplan Hardenberg, bedrijventerrein Broeklanden-Zuid fase 3 | PAGINA 20
bestaande terrein. 3.3.3
Regionale Energiestrategie
De Regionale Energiestrategie (RES) 1.0 van West-Overijssel is tot stand gekomen na een intensief samenwerkingsproces waarbij gemeenten, provincie en waterschappen de bijdrage aan de energietransitie hebben vastgesteld. Hierbij hebben zij zich intensief laten adviseren door de netbedrijven Enexis, Coteq/Cogas en RENDO. Binnen het plangebied zijn in de RES geen zoekgebieden voor wind en zonne-energie aangewezen. Wel ligt het plangebied nabij een 5-kilometerzonezoekgebied 'Wind'. Het plangebied ligt buiten dit zoekgebied. In dit bestemmingsplan is het dan ook niet noodzakelijk hier rekening mee te houden. In de RES 2.0 wordt vooral gewerkt aan de uitvoering van de RES 1.0. Er wordt gekeken naar wat in 2030 gerealiseerd moet zijn en op basis hiervan wordt bepaald wat gereed moet zijn op 1 juli 2023. Dit is het moment dat de RES 2.0 wordt ingediend bij de NPRES. De RES 2.0 dient op hoofdlijnen twee doelen: monitoring van de voortgang van de ambities enerzijds, anderzijds het verder uitwerken van vraagstukken en opgaven. 3.3.4
Waterplan Hardenberg
Het water in Hardenberg staat niet op zichzelf. Het water (zowel aan het oppervlak als in de grond) is onderdeel van grotere watersystemen, beginnend in Duitsland en eindigend in het Zwarte Water. Het is daarom van belang te weten welke knelpunten en kansen op dit stroomgebiedniveau spelen en welke consequenties dit voor het watersysteem in Hardenberg heeft. De belangrijkste uitgangspunten van het beleid bij deze uitvoering zijn het niet afwentelen op benedenstroomse gebieden (bijvoorbeeld dat het overtollige water in buurgemeenten niet tot extra problemen mag leiden) en het principe van water ‘vasthouden - bergen - afvoeren’. Bij water gaat het niet alleen om de hoeveelheid water, maar ook om schoon water. Ook hiervoor geldt dat gemeente Hardenberg niet alleen in staat is om het water (weer) schoon te krijgen. Veel van de vervuiling in het water komt vanuit Duitsland en vanuit Drenthe naar Hardenberg toe. Dit vraagt om internationale oplossingen. De gemeente Hardenberg draagt ook bij aan de watervervuiling en zal moeten bijdragen aan het verminderen ervan. Het plangebied grenst aan een bestaand bedrijventerrein en ligt volgens de provinciale verordening in de bebouwde kom. Echter, gezien het huidige gebruik van het gebied 'Agrarisch' kan het gebied worden getypeerd als ‘Buitengebied’. Het buitengebied is doorgaans relatief hooggelegen.
In vrijwel het gehele gebied treedt infiltratie van regenwater op. Dit regenwater komt na verloop weer als kwelwater naar boven in het Vechtdal. In de afgelopen twee eeuwen is het drainagestelsel ten behoeve van de landbouw enorm uitgebreid met kanalen, sloten en vaarten. Een deel van het kanalensysteem heeft een transportfunctie (zoals het kanaal Almelo-De Haandrik). 3.3.4.1 Toetsing Waterplan Hardenberg Het beleid van hogere overheden werkt door in het beleid van lagere overheden. Op basis van dit beleid zijn de uitgangspunten voor de toekomstige waterhuishouding in het plangebied beschreven. Bij de ontwikkeling van het huidige bedrijventerrein Broeklanden-Zuid is een waterberging voorzien. In het ontwerp is langs de randen van het terrein ruimte gereserveerd voor waterberging. Voor de inhoudelijke behandeling hiervan wordt verwezen naar de waterparagraaf (paragraaf 4.8).
bestemmingsplan Hardenberg, bedrijventerrein Broeklanden-Zuid fase 3 | PAGINA 21
3.3.5
Beleidsplan archeologie
Met de per 1 september 2007 van kracht geworden Wet op de archeologische monumentenzorg wordt een eigen verantwoordelijkheid van gemeenten ten aanzien van archeologie verwacht. De gemeente Hardenberg wil de besluitvorming zoveel mogelijk zelf ter hand nemen, om zo min mogelijk afhankelijk te zijn van mogelijke interventies van het Rijk of de provincie. Het gaat de gemeente Hardenberg om een zeer zorgvuldige omgang met het bodemarchief. Die omvang vindt echter niet meer plaats in een isolement van besluitvorming door alleen archeologen, maar in een arena waarbij ook gekeken wordt naar de realisatie van de planvorming, het voorkomen van mogelijke vertraging, de kosten van een opgraving, benuttingsmogelijkheden en andere aspecten. Kortom: besluitvorming over de omgang met het Hardenbergse bodemarchief in maatschappelijke context met een duidelijke bestuurlijke, en dus ook politieke verantwoordelijkheid. Vanaf 30 juni 2009 geldt het 'Beleidsplan Archeologie' van de gemeente Hardenberg samen met de bijbehorende 'Archeologische Beleidskaart'. Op deze kaart staan aangegeven: de Rijksmonumenten: hierop is de monumentenverordening van toepassing.
waardering van het gemeentelijk grondgebied op basis van de verwachtingswaarde archeologie: bij een 'Waarde - Archeologie 1 t/m 5' op de kaart dient op de plankaart een archeologische bestemming of aanduiding te worden opgenomen met bijbehorende bestemmingsplanregels. Voor deze gebieden geldt een hoge of middelhoge verwachtingswaarde van de archeologie. 3.3.5.1 Toetsing beleidsplan archeologie In paragraaf 4.7 wordt nader ingegaan op het aspect archeologie met betrekking tot het plangebied. Voorliggend bestemmingsplan is in lijn met het gemeentelijk archeologiebeleid.
bestemmingsplan Hardenberg, bedrijventerrein Broeklanden-Zuid fase 3 | PAGINA 22
Hoofdstuk 4
4.1
Randvoorwaarden
Milieueffectrapportage/m.e.r.-beoordeling
Beleid en normstelling In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan-merplichtig, project-merplichtig of merbeoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit mer-drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Onderzoek en conclusie Op basis van categorie D11.3 van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage is het vaststellen van een bestemmingsplan voor de aanleg van een bedrijventerrein van 75 hectare of meer een mer-beoordelingsplichtig besluit. Het voornemen betreft de realisatie van bedrijventerrein Noord III met een oppervlak van 12 hectare. Het gebied wordt een regulier bedrijventerrein. Uitgangspunt is dat daar bedrijven tot en met milieucategorie 3.2 mogen worden gevestigd. De ontwikkeling valt ruim onder de drempelwaarde van 75 hectare. Dit betekent dat geen sprake is van een mer-beoordeling, maar van een zogenaamde 'vormvrije mer-beoordeling'.
Vanaf 7 juli 2017 kan dit niet meer in de vorm van een paragraaf in de toelichting, maar moet door de initiatiefnemer een 'aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling worden opgesteld. Dit is alleen niet aan de orde indien het bevoegd gezag zelf initiatiefnemer is. Bij dit bestemmingsplan is geen ‘aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling’ opgesteld. De gemeente is zelf initiatiefnemer via de verkoop van de gronden. De milieuaspecten zijn in dit hoofdstuk uitgebreid onderzocht. 4.2
Bodem
In algemene zin geldt dat bij nieuwe ontwikkelingen onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. In het kader van een nieuw bestemmingsplan dient te worden aangetoond dat de bodem geschikt is (of geschikt te maken is) voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Dit vloeit voort uit artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is, moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is.
bestemmingsplan Hardenberg, bedrijventerrein Broeklanden-Zuid fase 3 | PAGINA 23
Onderzoek In het kader van het vigerende bestemmingsplan is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De onderzoeksrapportage is als bijlage 5 bij de toelichting van dit bestemmingsplan bijgevoegd. De onderzoekslocatie is onbebouwd en grotendeels onverhard (braak). Er liggen diverse grond- en zanddepots op het terrein. Deze depots zijn afkomstig van de aanleg van met name waterpartijen binnen en nabij de onderzoekslocatie. Het te onderzoeken terrein is momenteel deels in gebruik als landbouwgrond. Het verkennend bodemonderzoek dient inzicht te geven in de milieukundige kwaliteit van de bodem. Voorafgaand aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN5725 'Aanleiding A: opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van het uit te voeren bodemonderzoek'. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat de onderzoekslocatie als onverdacht kan worden beschouwd. Mogelijk zijn er van nature verhoogde chroom- en arseengehalten aanwezig in de bodem. In totaal zijn tijdens het veldwerk 184 boringen verricht, waarvan er 53 zijn doorgezet in de diepere ondergrond. Er zijn 30 diepe boringen afgewerkt tot peilbuis. Gebleken is dat de bodem globaal bestaat uit zeer tot matig fijn, zwak tot matig ziltig zand. Plaatselijk zijn er sterkzandige leemlagen aangetroffen. In de boven- en ondergrond zijn oer- en roesthoudende lagen aangetroffen.
Er zijn geen bodemvreemde materialen waargenomen. Door de veldwerkers zijn visueel geen asbestverdachte materialen op het maaiveld of in de bodem waargenomen. In de ondergrond van de boringen 6 en 7 zijn leemlagen aanwezig. Dit heeft vermoedelijk veroorzaakt dat op kavels 7 en 8 water op het maaiveld is blijven staan. Het freatische grondwater in de peilbuizen is aangetroffen op gemiddeld 0.8 m-mv. Op basis van de resultaten van de analyses kan het volgende worden geconcludeerd. Verkennend bodemonderzoek de bovengrond (BG I tot met BG XIV en A - BG I en A- BG II) is niet verontreinigd; de ondergrond (OG I tot en met OG IV en OG XI tot en met OG XIV en A - OG I en A OG II) is niet verontreinigd; de ondergrond OG X is licht verontreinigd met kobalt, koper, kwik, lood en zink; heranalyse ondergrond OG X: OG X is niet verontreinigd met zware metalen; het grondwater (PB 1 tot en met PB 27 en PB A1, PB A2 en PB A3) is plaatselijk zeer licht tot sterk verontreinigd met arseen, barium, cadmium, chroom, koper, nikkel en zink. Het matig verhoogde kopergehalte in PB 8 wordt gezien als plaatselijk verhoogde achtergrondwaarde. De matig tot sterk verhoogde arseengehalten worden beschouwd als natuurlijk verhoogde achtergrondwaarden.