Toelichting bestemmingsplan 'Gramsbergen, volkstuinen Oostermaatsteeg'
Tekst van het document
Bodemkwaliteit
Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het projectgebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Verkennend (water)bodemonderzoek Het ingenieursbureau MUG heeft een (water)bodemonderzoek uitgevoerd voor het plangebied. De rapportage is als bijlage 6 opgenomen in deze toelichting. Uit het rapport blijkt dat tijdens het veldwerk geen bijzonderheden voordeden.
In de opgeboorde grond van boring 02 is sterk kooldeeltjes houdende grondlaag aangetroffen(van 0,35 - 0,55 m-mv). Verder zijn in de grond geen bijzonderheden waargenomen. Uit de analyse van de grond blijkt dat in een deel van de bovengrond matig verhoogde gehalten met arseen zijn aangetoond (boven de voormalige tussenwaarde). Verder zijn in de grond geen verhoogde gehalten aangetoond. In de somparameters van PFOS en PFOA zijn waarden aangetoond boven de detectielimit. Er zijn geen overige PFAS-stoffen gehalten aangetoond boven de detectielimit. De gehalten aan PFOS en PFOA blijven beneden de landelijke achtergrondwaarden. Op basis van het 'Tijdelijk handelingskader' volgt dat de grond op basis van het gehalte aan PFOS en PFOA vrij toepasbaar is boven- en onder grondwaterniveau. De grond is niet vrij toepasbaar in grondwaterbeschermingsgebieden. Bij toepassingen in grondwaterbeschermingsgebieden dient de ontvangende bodem van ten minste dezelfde kwaliteit te zijn. Analytisch grondwater In het grondwater is een sterk verhoogde concentratie aan arseen gemeten (boven de interventiewaarde). Uit de analyse van de waterbodem blijkt dat in het slib een licht verhoogde gehalten is aangetoond met minerale olie. Dit gehalte wordt vermoedelijk veroorzaakt door dat de sloot onderdeel is van een overstort.
Het slib is beoordeeld als 'klasse industrie' voor toepassing op landbodem en als 'Klasse A' voor toepassing in een oppervlaktewaterlichaam. Daarnaast is het slib beoordeeld als verspreidbaar op een aangrenzend perceel en
bestemmingsplan Gramsbergen, volkstuinen Oostermaatsteeg | PAGINA 26
als verspreidbaar in zoet oppervlakte-waterlichaam. Vanwege het voorkomen van lichte bodemverontreinigingen wordt in de rapportage geconcludeerd dat de resultaten niet in overeenstemming met zijn de vooraf gestelde hypothese dat de locatie als onverdacht beschouwd kan worden. De aangetroffen gehalten aan arseen zijn afkomstig van sporen gley (roestverschijnselen) en vermoedelijk van natuurlijke oorsprong. In het verleden zijn op basis van de toelaatbare dagelijkse inname (TDI) maximale waarden voor arseen in de bodem vastgesteld. Op basis van deze waarde bedraagt de waarden voor risico's bij moestuinen met kinderen 50 mg/kg ds en bij moestuinen zonder kinderen 90 mg/kg ds. Deze zijn afkomstig uit het RIVM rapport 'Handreiking voor de risicobeoordeling van arseen in de bodem voor de particuliere groenteteelt, 2017-0177'. De aangetoonde gehalten aan arseen zijn in de bovengrond plaatselijk iets hoger (51 en 57 mg/kg ds) dan de waarde bij toekomstige gebruik als moestuin met kinderen. In de onderzoeksrapportage worden op basis van het RIVM rapport een aantal aanbevelingen gedaan om de ingestie van grond (via hand-mond contact) zoveel mogelijk te beperken: daarbij wordt gedacht aan voorlichting(bewustmaking), bijvoorbeeld door het goed afspoelen (grondresten) van de geoogste groente of het dragen van handschoenen.
daarnaast kan overwogen worden om geen kinderen toe te laten bij de moestuinen om op deze wijze ingestie van grond bij kinderen te beperken. verder wordt vanwege de sterk verhoogde concentratie aan arseen in het grondwater geadviseerd om het grondwater op de locatie niet te gebruiken voor het besproeien van de tuinen. Aanvullend bodemonderzoek Arseen Oostermaatsteeg Naar aanleiding van het verkennend (water)bodemonderzoek is aanvullend onderzoek uitgevoerd om meer inzicht te krijgen in de verspreiding van de gehalten aan arseen in de bovengrond en of de bodem op locatie geschikt is voor het beoogde gebruik als moestuin. Hetgeen vormt de aanleiding tot onderhavig onderzoek. Het onderzoek is als bijlage 7 opgenomen in de toelichting van dit bestemmingsplan. Uit de resultaten van het nader bodemonderzoek blijkt dat de humeuze boven- en ondergrond (0,0-0,7 m -mv) ter plaatse van de onderzoeklocatie plaatselijk licht tot sterk verontreinigd is met arseen. Op basis van het vooronderzoek en door de aanwezigheid van roest- en ijzeroerhoudende bodemlagen in de humeuze boven- en ondergrond kan ervan worden uitgegaan dat het gemeten gehalte aan arseen een natuurlijke oorsprong heeft. In de ongeroerde ondergrond (0,5-1,0 m -mv) zijn geen verhoogde gehalten met arseen aangetoond boven de achtergrondwaarde.
In de humeuze boven- en ondergrond is sprake van een heterogene verontreiniging met arseen. Dit wil zeggen dat ruimtelijk gezien geen onderscheidt gemaakt kan worden tussen licht, matig en/of sterk verontreinigde grond. De gehele humeuze boven- en ondergrond dient daarom als sterk verontreinigd te worden beschouwd. De gemeten concentratie aan arseen in het grondwater tijdens onderhavig onderzoek (58 ug/l) ligt rond de interventiewaarde van 60 ug/l. Gemiddeld genomen is ter plaatse van de onderzoeklocatie sprake van sterk met arseen verontreinigd grondwater. Op basis van het vooronderzoek kan ervan worden uitgegaan dat de gemeten concentratie aan arseen in het grondwater een natuurlijke oorsprong heeft. Omdat de gemeten gehalten aan arseen in de grond en in het grondwater van nature voorkomen hoeft in deze 'natuurlijke' situaties volgens de Wet bodembescherming geen sanering plaats te vinden. Ondanks dat er onzekerheid bestaat over de hoogte van een veilige gezondheidskundige grenswaarde (humane risicogrens) voor arseen wordt geconcludeerd dat op basis van de beschikbare onderzoeksgegevens en uitgevoerde risicobeoordelingen vermoedelijk geen
bestemmingsplan Gramsbergen, volkstuinen Oostermaatsteeg | PAGINA 27
sprake zal zijn van onaanvaardbare humane risico's voor het bodemgebruik moestuinen/volkstuinen. Ook voldoen de aangetoonde gehalten in de grond aan de huidige criteria voor duurzame geschiktheid uit de risicotoolbox van het RIVM. Hierbij wordt wel opgemerkt dat de berekende blootstelling voor het gebruik moestuin met veel gewasconsumptie de door het RIVM in 2017 vastgestelde achtergrondblootstelling van volwassen van in de winkel gekochte producten (inclusief consumptie van groente en fruit) overschrijdt. Ook wordt opgemerkt dat de berekende blootstelling voor het grondwater de humane risicogrens benadert (blootstelling bedraagt 87 % van de risicogrens). Aanbevolen wordt de onderzoeksresultaten en de risicobeoordeling voor te leggen aan de GGD en advies te vragen over de mate van te verwachten gezondheidseffecten bij het voorgenomen toekomstige gebruik van de locatie als moestuin/volkstuin en te nemen maatregelen om blootstelling te voorkomen/beperken. Hierbij kan gebruik gemaakt worden van de door het RIVM opgestelde gebruiksadviezen voor de consumptie van zelf geteelde groenten op arseen houdende grond (RIVM briefrapport 2017-0177).
Indien het voornemen bestaat het met arseen verontreinigde grondwater ongezuiverd te gaan gebruiken als beregeningswater voor de moestuinen dan wordt geadviseerd aanvullend onderzoek uit te voeren naar de gewasopname van arseen uit het beregeningswater. Partijkeuring van grond in depo De gemeente Hardenberg is voornemens om het voorliggende perceel ten behoeve van het volkstuincomplex op te hogen. Daarvoor wordt een partij met grond gebruikt dat in depot ligt op een locatie aan de Oostermaatsteeg. De grond zal ook worden toegepast als aanvulgrond in de wijk Garstlanden. In opdracht van de gemeente Hardenberg is een partijkeuring van grond in depot uitgevoerd op een perceel gelegen aan de Oostermaatsteeg te Gramsbergen. Het onderzoek is als bijlage 8 opgenomen in de toelichting van dit bestemmingsplan. Uit het onderzoek blijkt dat in de partij met grond een maximaal licht verhoogd gehalte met arseen is aangetoond. De hypothese dat de partij grond van nature verhoogde gehalten aan arseen kan bevatten is hiermee bevestigd. Behoudens het licht verhoogde gehalte aan arseen zijn in de partij geen gehalten met parameters uit het standaard stoffenpakket aangetoond boven de achtergrondwaarde. In de partij zijn PFAS-gehalten aangetoond die de rapportagegrens van 0,1 ìg/kg ds overschrijden. Het gemiddeld gemeten gehalte aan PFAS ligt beneden de landelijke achtergrondwaarden.
Op basis van het vooronderzoek en zintuiglijke waarnemingen (geen bodemvreemde bijmengingen aangetroffen) is de partij onverdacht op het voorkomen van asbest. Op basis van de voorgenoemde resultaten kunnen de volgende conclusies worden getrokken: de partij is altijd toepasbaar op landbodem; de partij is toepasbaar in een grootschalige toepassing op landbodem; de partij is onverdacht op het voorkomen van asbest. Bij toetsing aan het handelingskader PFAS gelden er bij toepassing op landbodem beperkingen in grondwaterbeschermingsgebieden. Gezondheidskundige beoordeling GGD Naar aanleiding van de aanwezigheid van arseen in de bodem een gezondheidskundige beoordeling van de risico's gevraagd van de GGD IJsselland. Het advies van de GGD is als bijlage 9 opgenomen in de toelichting van dit bestemmingsplan. In de gezondheidskundige risicobeoordeling wordt aangegeven dat GGD IJsselland het uitgangspunt hanteert dat de blootstelling aan arseen vanuit de bodem in ieder geval niet
bestemmingsplan Gramsbergen, volkstuinen Oostermaatsteeg | PAGINA 28
hoger zou moeten zijn dan de achtergrondblootstelling aan arseen. Als gezondheidskundige risicowaarden gaat de GGD uit van 50 mg/kg ds. In haar overweging neemt de GGD mee dat : op het perceel aan de Oostermaatsteeg drie monsters de gezondheidskundige grenswaarde overschrijden (resp. 50, 52 en 53 mg/kg ds). De gemiddelde concentratie arseen in alle bodemmonsters is 29 mg/kg ds; een moestuin gemiddeld groter is dan enkel het punt waar het bodemmonster is genomen; er nog 1.000 m3 grond op het perceel gebracht met bodemkwaliteit Landbouw/Natuur (max. achtergrondwaarde 20 mg/kg ds). Dit zal voor enige menging en verdunning van de concentratie arseen in de bodem zorgen; moestuinieren ook verschillende positieve effecten heeft op de gezondheid van mensen, zoals toename van beweging, afname van stress en (meer) sociale contacten; De concentratie arseen in de bodem aan de Oostermaatsteeg overschrijdt op sommige punten de gezondheidskundige risicowaarde. Echter, op basis van de andere uitgangspunten ziet GGD IJsselland geen onaanvaardbaar gezondheidsrisico met betrekking tot arseen. Wel adviseert de GGD IJsselland de gemeente Hardenberg om met de inrichting en verkaveling van het perceel rekening te houden met het ruimtelijk patroon van de gevonden concentraties arseen. Bijvoorbeeld door gemeenschappelijke voorzieningen te bouwen op de hoogst belaste punten.
Ook wordt geadviseerd een duidelijk punt in te richten waar men handen kan wassen. Bewatering Het bodemonderzoek laat zien dat de concentratie arseen in het grondwater (2,0-3,0 m-mv) verhoogd is, en de interventiewaarde benaderd. Het is op het moment onduidelijk hoe de bewatering van de moestuin wordt ingericht. Vooruitlopend adviseert GGD IJsselland om te overwegen geen grondwater te onttrekken voor bewatering, maar bijvoorbeeld de opslag en het gebruik van regenwater te stimuleren. Handelingsperspectieven Als de bodem veel arseen bevat, kan het verminderen van grondingestie helpen de blootstelling te reduceren. Dat kan door een slimme terreininrichting, voorlichting (bewustmaking), het wassen van handen en groenten en eventueel het dragen van handschoenen. Communicatie In geval van de aanwezigheid van arseen in de bodem is goede communicatie belangrijk. Het gaat om een kankerverwekkende stof, waarvan de algemeen perceptie is dat het zeer giftig is. Voor veel mensen is het niet altijd duidelijk dat de risico's van een stof worden bepaald door de mate van blootstelling. Bovendien zijn velen zich niet bewust dat we door onze dagelijkse voedselconsumptie al worden blootgesteld aan arseen. GGD IJsselland adviseert de gemeente om met de toekomstige bewoners in gesprek te gaan over de gevonden verhoogde achtergrondwaarden. De GGD kan de gemeente daarbij ondersteunen.
Conclusie Het aspect bodem levert, met in achtneming van de aanbevelingen van de GGD IJsselland, geen belemmeringen op voor de ontwikkeling.
bestemmingsplan Gramsbergen, volkstuinen Oostermaatsteeg | PAGINA 29
4.6
Luchtkwaliteit
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.1 weergegeven. Tabel 4.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof Toetsing van Grenswaarde stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ 24-uurgemiddelde concentratie max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/ m³ fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie 25 µg /m³ Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.
Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. Onderzoek De beoogde ontwikkeling leidt tot een toename van verkeer van 5 mvt/etmaal (weekdaggemiddelde). Hierbij wordt uitgegaan van een aandeel vrachtverkeer van 0%. Uit de nimb-tool blijkt dat deze verkeerstoename zorgt voor een toename van het gehalte stikstof in de lucht van 0,0 µg/m³ en van fijn stof van 0,0 µg/m³ (zie figuur 4.3). Beide toenames blijven beneden de 1,2 µg/m³. Het plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht. Er wordt voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk.
bestemmingsplan Gramsbergen, volkstuinen Oostermaatsteeg | PAGINA 30
Figuur 4.3: Berekening NIBM-tool In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2021 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de N34, direct ten noordwesten van het plangebied. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2021 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2020; 16,2 µg/m³ voor NO2, 15,0 µg/m³ voor PM10 en 7,7 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6,0 dagen. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar leefklimaat. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar leefklimaat. 4.7
Externe veiligheid
Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Onderzoek Aan de hand van de risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het projectgebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde.
In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico);
bestemmingsplan Gramsbergen, volkstuinen Oostermaatsteeg | PAGINA 31
zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het aantal mensen in het gebied zal zeer beperkt toenemen als gevolg van de ontwikkeling. Dit is deels omdat slechts 28 tuinen gerealiseerd worden en niet alle gebruikers tegelijkertijd aanwezig zullen zijn. Overigens zullen de gebruikers voornamelijk in hun vrije tijd aanwezig zijn (in avonden en in het weekend). Tevens is tuinieren een seizoens- en weerafhankelijke activiteit waardoor de gebruikers er maar gedurende een gedeelte van het jaar zullen zijn. Volkstuinen vallen niet onder de kwetsbare of (beperkt) kwetsbare objecten zoals wordt beschreven in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Dit betekent dat het opstellen van een verantwoording van het groepsrisico niet van toepassing is. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.8
Archeologie en cultuurhistorie
4.8.1
Algemeen
Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening dient in de toelichting bij elk ruimtelijk plan een beschrijving te worden gegeven van de aanwezige cultuurhistorische en archeologische waarden van het plangebied. 4.8.2
Cultuurhistorie
Zoals uit de atlas van Overijssel blijkt is in het plangebied geen bebouwing aanwezig die is aangewezen als gemeentelijk of rijksmonument. Er zijn in en rond het plangebied ook geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig die speciale regeling in het bestemmingsplan behoeven.
bestemmingsplan Gramsbergen, volkstuinen Oostermaatsteeg | PAGINA 32
Afbeelding 4.4 - uitsnede Atlas van Overijssel Conclusie Het aspect cultuurhistorische aspect vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. 4.8.3
Archeologie
Op grond van de Erfgoedwet moet in ruimtelijke plannen rekening gehouden worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Archeologisch onderzoek De gemeente Hardenberg heeft haar archeologische verwachtingskaart doorvertaald in het bestemmingsplan “Buitengebied Hardenberg”. Op basis van het geldende bestemmingsplan is het plangebied, sprake van archeologische dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5'. Voor dergelijke gronden geldt een archeologische onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan 2.500 m2 en dieper dan 50 cm. De aanleg van het volkstuincomplex komt niet aan deze drempels. Archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.
Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. 4.9
Kabels en leidingen
In of nabij het plangebied zijn geen kabels en leidingen aanwezig die in het kader van dit bestemmingsplan een planologische regeling behoeven.
bestemmingsplan Gramsbergen, volkstuinen Oostermaatsteeg | PAGINA 33
4.10
Milieueffectrapportage
Beleid en Normstelling In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden. In de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient onderzocht te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling: Voor de ontwerp-bestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op: 1. de kenmerken van het project, 2. de plaats van het project en 3. de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen.
Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden. Onderzoek en conclusie De beoogde ontwikkeling is gelet op de aard en omvang niet echt aan te merken als een stedelijke ontwikkeling. Het plangebied behoudt haar groene functie met aanvullende functie 'volkstuinen'. Daarbij blijkt dat de afstand tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden Engbertsdijkvenen en Vecht- en Beneden-Reggegebied respectievelijk 12,4 km en 12,5 km bedraagt en de afstand tot het dichtstbijzijnde NNN -gebied bedraagt 0,9 km (zie paragraaf 4.3). Er is geen passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) vereist. Tevens blijkt uit de voorgaande paragrafen dat de milieu gerelateerde waarden niet onevenredig worden geschaad als gevolg van de verplaatsing van het volkstuincomplex. Bovenstaande punten leiden samen tot de conclusie dat er een m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk is.
bestemmingsplan Gramsbergen, volkstuinen Oostermaatsteeg | PAGINA 34
Hoofdstuk 5 5.1
Wijze van bestemmen
Algemene juridische opzet
In dit hoofdstuk worden, voor zover dit nodig en wenselijk wordt geacht, de van het bestemmingsplan deel uitmakende regels van een nadere toelichting voorzien. De regels behorende bij dit bestemmingsplan geven inhoud aan de aangegeven bestemming. Ze geven aan waarvoor de gronden en opstallen gebruikt mogen worden en wat en hoe er gebouwd mag worden. De regels van het onderhavige bestemmingsplan zijn ingedeeld in vier hoofdstukken, conform de systematiek in de SVBP2012, versie 1.3.1 (Standaard vergelijkbare bestemmingsplannen 2012), te weten: 1. Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat twee artikelen. In artikel 1 zijn de begrippen omschreven die worden gehanteerd in het plan en die een eenduidige omschrijving behoeven. In artikel 2 is bepaald hoe de diverse maten, als bouwhoogte, goothoogte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken worden gemeten. 2. Bestemmingsregels In dit hoofdstuk worden regels gegeven voor de binnen het plangebied toegestane functies. Per bestemming zijn de doeleinden c.q. de toegelaten gebruiksvormen van de gronden aangegeven. In beginsel is iedere vorm van bebouwing, die past binnen de desbetreffende bestemming tot een bepaalde omvang rechtstreeks (dus zonder eventuele afwijkingsvergunningen of wijzigingen) toegestaan.
Indien wordt voldaan aan de voorgeschreven maatvoering (bebouwingspercentage, bouwhoogte en dergelijke) en wordt gebouwd op de aangegeven plaats, kan hiervoor in de regel zonder meer omgevingsvergunning worden verleend. In het geval van bijbehorende bouwwerken (voorheen: aanbouwen, uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen) kan in bepaalde gevallen zonder omgevingsvergunning worden gebouwd (zie artikel 2 en 3, Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht). 3. Algemene regels Hier zijn onder andere bepalingen ten aanzien van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken opgenomen. 4. Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat de overgangsregels en de slotregel. Het overgangsrecht dient om bouwwerken en gebruiksvormen, die in het verleden legaal zijn gerealiseerd maar nu afwijken van het nieuwe plan, (voorlopig) gehandhaafd respectievelijk voortgezet mogen worden. Zolang voldaan wordt aan de overgangsregels, worden deze bouwwerken en gebruiksvormen gedoogd. In de slotregel is bepaald wat de officiële naam van het plan is. 5.2
Bestemmingsregels
In het voorliggende bestemmingsplan worden de gronden voorzien van de bestemming 'Recreatie - Volkstuin'. Ter plaatse zijn de gronden bestemd voor een volkstuincomplex met teeltondersteunende voorzieningen en de bijbehorende voorzieningen, zoals (afschermende) groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Ook de bestaande Oostermaatsteeg is opgenomen in de bestemming (i.c. bestaande
bestemmingsplan Gramsbergen, volkstuinen Oostermaatsteeg | PAGINA 35
verkeers-, verblijfs- en nutsvoorzieningen). In de bouwregels zijn de toegestane bouwwerken en andere bouwwerken gemaximeerd. 5.3
Dubbelbestemming
In dit geval is ook de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' uit het geldend bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg overgenomen. De gronden met deze bestemmingen zijn, naast de andere bestemming, bedoeld voor het behoud en bescherming van gebieden met een archeologische verwachtingswaarde. Een omgevingsvergunningstelsel voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden beschermt de archeologische waarde van de grond.
bestemmingsplan Gramsbergen, volkstuinen Oostermaatsteeg | PAGINA 36
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Op grond van het bepaalde in artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening is de gemeenteraad verplicht bij de vaststelling van een ruimtelijk plan een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In het bestemmingsplan 'Gramsbergen, volkstuinen Oostermaatsteeg' is een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voorzien. In afwijking van het bepaalde in artikel 6.12, lid 1 Wet ruimtelijke ordening bepaalt lid 2 van dit artikel dat de gemeenteraad kan besluiten bij de vaststelling van het bestemmingsplan geen exploitatieplan vast te stellen indien: het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd (bijvoorbeeld via gronduitgifte, een anterieure overeenkomst over grondexploitatie); het niet noodzakelijk is een tijdvak voor de exploitatie, dan wel een fasering in de uitvoering van werken, werkzaamheden, maatregelen en bouwplannen vast te stellen; het stellen van eisen voor de werken en werkzaamheden voor het bouwrijp maken van het exploitatiegebied, de aanleg van nutsvoorzieningen en het inrichten van de openbare ruimte in het exploitatiegebied, dan wel het stellen van regels omtrent het uitvoeren van die werkzaamheden, dan wel een uitwerking van de regels met betrekking tot de uitvoerbaarheid niet nodig is.
Het voorliggend bestemmingsplan voorziet niet in een bouwplan. De gronden worden door de gemeente in pacht of bruikleen aan de volkstuinvereniging gegeven. Hiervoor betalen zij een vergoeding. 6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1
Communicatie
Door de gemeente is voornemens om, vooruitlopend op publicatie van het ontwerp van het bestemmingsplan, de direct aanwonenden een brief te sturen over deze ontwikkeling. Mochten ze vragen hebben dan kunnen ze contact opnemen. 6.2.2
Vooroverleg ex artikel 3.1.1. Bro
In het kader van de watertoets heeft een digitale watertoets plaatsgevonden via de website www.dewatertoets.nl. De uitkomsten van deze watertoets hebben geleid tot de 'normale procedure'. In het kader daarvan is advies ingewonnen bij het waterschap (zie paragraaf 4.4). Gelet op het vorenstaande wordt het voeren van nader vooroverleg met het waterschap Vechtstromen niet noodzakelijk geacht. Het ontwerp-bestemmingsplan wordt, gezien het ondergeschikte karakter van de beoogde ontwikkeling, gelijktijdig met de publicatie van het ontwerp-bestemmingsplan voorgelegd aan de provincie Overijssel. 6.2.3
Zienswijzen
Het ontwerp van het bestemmingsplan 'Gramsbergen, volkstuinen Oostermaatsteeg' heeft vanaf 7 december 2023 gedurende zes weken ter inzage gelegen. De terinzagelegging van de ontwerpbestemmingsplan en de mogelijkheid tot het indienen
bestemmingsplan Gramsbergen, volkstuinen Oostermaatsteeg | PAGINA 37
van zienswijzen is bekendgemaakt in het gemeenteblad, het huis-aan-huisblad De Toren en op de gemeentelijke website. Het bestemmingsplan kon digitaal worden ingezien op de website www.ruimtelijkeplannen.nl en op papier, na afspraak, bij de Publieksdienst in het gemeentehuis in Hardenberg. Er zijn geen zienswijze ontvangen. De terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan geeft geen aanleiding tot (ambtelijke) aanpassingen van de verbeelding of planregels. 6.2.4
Vastgesteld bestemmingsplan
Het plan is door de gemeenteraad vastgesteld. Tegen de vaststelling is beroep mogelijk bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
bestemmingsplan Gramsbergen, volkstuinen Oostermaatsteeg | PAGINA 38