CConstaterende datHardenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting bestemmingsplan 'Buitengebied Hardenberg, Stadsfront Gramsbergen'

orienterende ronde sessie 1 10 januari 2023, gemeente HardenbergBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan ‘Buitengebied Hardenberg, Stadsfront Gramsbergen’ (het aanleggen van een stadsfront met een halve meander en recreatieve voorzieningen langs de Vecht ten noorden van Gramsbergen)14.999 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Stadsfront Gramsbergen | PAGINA 25

Figuur 9: Zones voor archeologische begeleiding Voor de realisatie van de overige werkzaamheden is geen vervolgonderzoek benodigd aangezien er geen of zeer oppervlakkig sprake is van graafwerkzaamheden die niet tot verstoring van archeologische waarden leidt. De verwachtingswaarde voor archeologie wordt wel vastgelegd in het bestemmingsplan middels een dubbelbestemming. Op deze manier is bij eventueel toekomstige werkzaamheden het belang van de bescherming van archeologische waarden voldoende geborgd. Cultuurhistorie Synthegra B.V. heeft ook cultuurhistorisch onderzoek uitgevoerd binnen het plangebied (Bijlage 1). Uit dit onderzoek blijkt dat binnen en nabij het plangebied verschillende cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Het gaat hierbij vooral om historische elementen die behoren tot het Gramsbergen uit de Late Middeleeuwen. Deze elementen hangen samen met het kasteel 'Huis van Gramsbergen' en historische elementen uit het eind van de 19e eeuw en begin van de 20e eeuw. Het betreft onder andere een oude meanderbocht van de Vecht, welke tot de kanalisatie van de Vecht rond het begin van de 20e eeuw in gebruik was. Aan deze meanderbocht lag een haventje (het 'Haventje van Valkman'). De locatie van dit haventje komt ongeveer overeen met de locatie van de halve meander.

In de onderstaande figuur is deze meanderbocht en het haventje weergegeven, samen met de ligging van de halve meander.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Stadsfront Gramsbergen | PAGINA 26

Figuur 10: Ligging halve meander t.o.v. Haventje van Valkman De ligging van de halve meander sluit aan op de voormalige meanderbochten die voor de kanalisatie van de Vecht nog aanwezig waren. Tevens sluit de ligging van de halve meander aan op de ligging van het voormalige haventje (het 'Haventje van Valkman'). Daarmee draagt de halve meander bij aan het herstellen van de historische loop van de Vecht. Iets meer ten oosten lag de stroom van de Leede, een zijtak van de Vecht, waarvan vermoed wordt dat deze de oude slotgrachten rondom Gramsbergen van water voorzag. Ook worden fundamenten van het kasteel het Huis van Gramsbergen, samen met restanten van de slotgrachten en een toevoerkanaal, verwacht in het oostelijk deel van het plangebied. In de volgende figuur zijn de cultuurhistorische elementen weergegeven op kaart, inclusief de ligging van de halve meander.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Stadsfront Gramsbergen | PAGINA 27

Figuur 11: Overzicht cultuurhistorische elementen Uit het onderzoek blijkt verder dat de restanten van het kasteel niet direct bedreigd worden door de huidige plannen. De plannen leiden kortom niet tot directe aantasting van aanwezige cultuurhistorische waarden. De plannen dragen wel bij aan het herstellen van de historische loop van de Vecht. Conclusie De plannen kunnen leiden tot verstoring van archeologische waarden. Daarom dienen de graafwerkzaamheden voor halve meander plaats te vinden onder archeologische begeleiding. Overige archeologische waarden worden niet aangetast door de plannen, maar wel voorzien van een dubbelbestemming ter bescherming in de toekomst. De plannen leiden niet tot directe aantasting van aanwezige cultuurhistorische waarden en dragen bij aan het herstellen van de historische loop van de Vecht. De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor vaststelling van het bestemmingsplan. 4.2

Bodem

Volgens het Besluit ruimtelijke ordening moet in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening worden gehouden met de bodemkwaliteit in het plangebied. Beoordeeld moet worden of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en er moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Dit kan worden aangetoond met een (historisch) bodemonderzoek. De geschiktheid van de bodem is voldoende aangetoond als uit het onderzoek blijkt dat de bodem niet verdacht is op bodemverontreinigingen er geen risico's voor het toekomstige gebruik te verwachten zijn. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is, moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Situatie plangebied Door Aveco de Bondt is een historisch bodemonderzoek / vooronderzoek uitgevoerd ter

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Stadsfront Gramsbergen | PAGINA 28

plaatse van het plangebied (Bijlage 3). Het doel van dit onderzoek is inzicht krijgen in de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen. Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek blijkt dat de locatie grotendeels onverdacht is voor de aanwezigheid van bodemverontreiniging. Locaties die verdacht zijn voor de aanwezigheid van bodemverontreiniging zijn: Voormalige meander: het is onbekend of de meander op een natuurlijke manier is dichtgeslibd of dat er mogelijk sprake is van (bodemvreemd) dempingsmateriaal; Oude Bisschopsdijk: het is onbekend of er bodemvreemd materiaal in de voormalige dijk aanwezig was. Bij de uitvoering van de werkzaamheden om de ontwikkeling te realiseren dient wel rekening te worden gehouden met de bodemkwaliteit. De bodemkwaliteit in het plangebied is op basis van het uitgevoerde vooronderzoek grotendeels onverdacht voor de aanwezigheid van (sterke) verontreinigingen. De vrijkomende grond is dus naar verwachting grotendeels herbruikbaar onder de voorwaarden van het Besluit Bodemkwaliteit. Voor verdachte locaties binnen het plangebied kan een nota bodembeheer en bodemkwaliteitskaart niet zondermeer ingezet worden. In dat geval is verkennend (water)bodemonderzoek noodzakelijk om de bodemkwaliteit inzichtelijk te maken.

Verkennend (water)bodemonderzoek is uitgevoerd door Aveco de Bondt (Bijlage 4) om de hergebruiksmogelijkheden van de vrijkomende grond te bepalen. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt het volgende: Er zijn zintuiglijk geen waarnemingen gedaan die duiden op de mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging; De hergebruiksmogelijkheden van de vrijkomende grond zijn variabel. Het grootste deel van de vrijkomende grond is niet verontreinigd en wordt als altijd toepasbaar / verspreidbaar beschouwd. Een deel van de grond is licht verontreinigd, veelal als gevolg van verhoogde gehalten arseen of PCB, en daardoor onder voorwaarden herbruikbaar; PFAS vormt geen beperking voor de hergebruiksmogelijkheden; Eventueel aanwezig asfalt is niet teerhoudend en komt dus in aanmerking voor hergebruik, net als het daaronder aanwezige funderingsmateriaal. Conclusie Gelet op de verwachte (water)bodemkwaliteit binnen het plangebied en de regels omtrent grondverzet leidt de beoogde activiteit naar verwachting niet tot belangrijke nadelige gevolgen voor de bodemkwaliteit in het gebied en de directe omgeving daarvan. De bodemkwaliteit is geschikt voor het beoogd gebruik. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor vaststelling van het bestemmingsplan. 4.3

Flora en fauna (incl. stikstof)

Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) vormt het voornaamste beleidsmatige toetsingskader. In de wet natuurbescherming zijn regels op genomen voor bescherming van soorten en gebieden. Gebiedsbescherming Natura 2000 Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Stadsfront Gramsbergen | PAGINA 29

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In het NNN geldt het 'nee, tenzij' principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Naast het NNN-beleid bestaat binnen de provincie Overijssel ook de 'zone ondernemen met natuur en water buiten NNN' (ONW). Hier zijn natuur gebonden economische ontwikkelingen mogelijk zolang zij gericht zijn op het behouden en ontwikkelen van natuuren landschapskwaliteiten. Soortenbescherming Het doel van soortenbescherming is het in stand houden en beschermen van in het wild voorkomende planten- en diersoorten. De Wnb kent zowel een zorgplicht als verbodsbepalingen. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. Voor al deze soorten geldt dat het verboden is ze opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, om eventuele eieren opzettelijk te vernielen, om de vaste voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en om beschermde plantensoorten opzettelijk te ontwortelen of te vernielen.

Hiervan kan onder andere sprake zijn bij het kappen van bomen, het slopen van gebouwen of het storten en afgraven van gronden. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij'-principe. Alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden, maar er kunnen vrijstellingen en ontheffingen (door het bevoegd gezag) worden verleend van de verbodsbepalingen. Situatie plangebied Gebiedsbescherming In de directe omgeving van het plangebied liggen geen Natura 2000-gebieden. Op ongeveer 12,6 km afstand ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Vecht- en BenedenReggegebied. De aard en omvang van het plan maakt dat de effecten beperkt blijven tot de directe omgeving. Gezien de grote afstand tot de Natura 2000-gebieden (>10km) is er geen sprake van mogelijk negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming van niet stikstof-gerelateerde effecten is daarom niet noodzakelijk. Emissie van stikstof kan over een grotere afstand tot effecten leiden, daar wordt daarom nader op ingegaan. Onderscheid wordt daarbij gemaakt in de aanlegfase en de gebruiksfase. Om de effecten te bepalen is een AERIUS-berekening uitgevoerd, deze is bijgevoegd in Bijlage 5.

Uit de berekening blijkt dat de totale stikstofemissie tijdens de realisatiefase niet leidt tot stikstofdepositie op omliggende Natura 2000gebieden. In de gebruiksfase is ten opzichte van de huidige situatie sprake van enkele wijzigingen. Het agrarische gebruik maakt grotendeels plaats voor de halve meander, de boulevard en de recreatieve voorzieningen. De toename van emissiebronnen in de gebruiksfase is dus met name gerelateerd aan de verkeersaantrekkende werking (over land en water) van de recreatieve functies die mogelijk worden gemaakt door het plan. De verkeersaantrekkende werking wordt beperkt geacht, de primaire doelgroep betreft namelijk de inwoners van Gramsbergen en omgeving zelf. Zij zullen vooral per fiets of voet naar het plangebied komen en het gebruik is seizoensgebonden. Door realisatie van het plan neemt het oppervlak agrarische grond af waarop bemesting plaats kan vinden, bemesting is een belangrijke bron voor stikstofemissie. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt tot slot op grote afstand (>10km). Gelet hierop is depositie van stikstof op nabij gelegen Natura 2000 gebieden uitgesloten en is van negatieve effecten geen sprake. Het plangebied is geen onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Nadere toetsing

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Stadsfront Gramsbergen | PAGINA 30

daaraan is dan ook niet aan de orde. Soortenbescherming Door Eelerwoude is een toetsing van de plannen uitgevoerd aan de natuurwetgeving en het natuurbeleid (Bijlage 6). Het plangebied is ingesloten tussen de Vecht ten noorden en Gramsbergen ten zuiden. Het plangebied bestaat voornamelijk uit intensief beheerde graslanden in combinatie met één voetbalveldje, enkele door kwel beïnvloedde sloten en de ruige oevers van de Vecht. Uit het onderzoek blijkt dat de ontwikkeling naar verwachting zal leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van een aantal beschermde soorten. Voor een deel van deze soorten geldt een provinciale vrijstelling. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten omdat er sprake is van een tijdelijke en plaatselijke verstoring, er voldoende leefgebied aanwezig blijft en het relatief algemene soorten betreft. Voor een aantal soorten die voorkomen in het gebied geldt geen provinciale vrijstelling. Daarvoor is vervolgonderzoek uitgevoerd (Bijlage 7) om de aanwezigheid van deze soorten nauwkeuriger vast te stellen en de eventuele effecten van het plan op deze soorten te beoordelen.

Uit dit onderzoek blijkt het volgende: Vleermuizen: Negatieve effecten op eventueel aanwezige foerageergebieden en/of vliegroutes kunnen worden voorkomen door werkzaamheden alleen uit te voeren na zonsopkomst en voor zonsondergang en door geen permanente verlichting te plaatsen langs de Vecht. Broedvogels: Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, als ook op het wegnemen van nesten van vogels. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. In veel situaties kan dit voorkomen worden door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Beekrombout: Voortplantingsbiotoop van beekrombout is niet aangetroffen binnen het plangebied. Negatieve effecten zijn derhalve op voorhand uitgesloten. Poelkikker: De poelkikker is niet binnen het plangebied vastgesteld, een negatief effect is hierom op voorhand uitgesloten. Veld- en waterspitsmuizen: Zowel veld- als waterspitsmuis zijn gedurende een intensief veldonderzoek niet vastgesteld binnen het plangebied. Potentieel geschikt leefgebied wordt niet door één of meerdere soorten gebruikt. Een negatief effect is uitgesloten.

Otter en steenmarters: Gedurende het nader onderzoek naar otter en steenmarter zijn beide soorten niet vastgesteld. Beide soorten hebben zeer grootte territoria waarvan het plangebied (mogelijk) slechts een klein onderdeel uitmaakt. Vaste rust- en verblijfplaatsen en essentieel leefgebied zijn derhalve niet aanwezig. Mogelijk zijn in de oever binnen het plangebied, of net hierbuiten wel dagrustplaatsen van otter aanwezig welke incidenteel worden gebruikt. Het nemen van enkele maatregelen is noodzakelijk om tijdelijke negatieve effecten te voorkomen. Hiervoor dient een ontheffing te worden aangevraagd bij de provincie Overijssel. Kleine marterachtigen: Tijdelijk zullen de werkzaamheden een negatief effect veroorzaken op het leefgebied en verbindingszones van één of meer soorten kleine marterachtigen. Dit is ontheffingsplichtig. Op de lange termijn heeft de geplande ontwikkeling een positief effect doordat meer structuur aanwezig is. Knoflookpad: Doordat de grens van het plangebied is gelegen op circa 1.500 meter van de geschikte voortplantingspoel wordt geschikt landbiotoop in het plangebied uitgesloten. De geplande ontwikkelingen hier zorgen hierom niet voor een negatief effect op knoflookpad. Uit het onderzoek blijkt dat voor twee soorten, de otter en kleine marterachtigen, een ontheffing Wet natuurbescherming moet worden aangevraagd bij de Provincie Overijssel.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Stadsfront Gramsbergen | PAGINA 31

De procedure voor het verkrijgen van deze ontheffing wordt gecoordineerd met het vaststellen van dit bestemmingsplan. Voor de overige soorten waarop het plan effecten kan hebben kan door middel van mitigerende maatregelen verstoring beperkt of voorkomen worden. Conclusie Negatieve effecten op bescherming van gebieden (Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland) zijn niet te verwachten. Het plan kan negatieve effecten hebben op twee soorten, de otter en kleine marterachtigen. Daarom wordt een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd, gecoördineerd met het vaststellen van dit bestemmingsplan. Geconcludeerd wordt dat met het verkrijgen van de ontheffing er geen belemmeringen zijn voor de aspecten 'flora en fauna' om het bestemmingsplan vast te stellen. 4.4

Water

In onder andere de Europese Kaderrichtlijn water, de vierde Nota Waterhuishouding en de adviezen van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw is het beleid met betrekking tot het water(beheer) vastgelegd. Het beleid is gericht op het duurzaam behandelen van water. Dit betekent onder andere het zorgdragen voor voldoende veiligheid en het verkleinen van de kans op hinder vanwege water. Dit ook in verhouding tot ontwikkelingen als de verandering van het klimaat, het dalen van de bodem en het stijgen van de zeespiegel. De relatie tussen water en ruimtelijke ordening wordt steeds belangrijker. In de nota 'Anders omgaan met water' is bepaald dat de gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen voor de waterhuishouding uitdrukkelijk moeten worden overwogen. Hiervoor wordt in ruimtelijke plannen een watertoets doorlopen. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Waterbeleid Het relevante waterbeleid is omschreven in hoofdstuk 3. Situatie plangebied Binnen het plangebied is in de huidige situatie beperkt oppervlaktewater aanwezig. Het plangebied bestaat voornamelijk uit intensief beheerde graslanden en enkele door kwel beïnvloedde ondiepe sloten en de oevers van de Vecht. De plannen vormen geen bedreiging voor de waterkwaliteit in het gebied.

De kwaliteit van het water in de halve meander wordt gewaarborgd door stilstaand water te voorkomen. Hiervoor wordt een pompinstallatie gerealiseerd die voor stroming zorgt. Het agrarisch gebruik wijzigt bovendien waardoor minder sprake is van bemesting, dit draagt positief bij aan de (grond)waterkwaliteit in het plangebied en de omgeving. Voor de aanleg van de halve meander, de bijbehorende voorzieningen en werkzaamheden is een watervergunning nodig. Deze watervergunning wordt tegelijkertijd met de procedure van onderhavig bestemmingsplan aangevraagd. Effecten van het plan Ter onderbouwing van de plannen is door het Waterschap uitvoerig onderzoek gedaan naar de hydrologische situatie en de effecten van het plan hierop. De resultaten van dit onderzoek worden hieronder samengevat. Zomer- en winterpeilen De aanleg van het Stadsfront zorgt voor een nieuwe waterhuishoudkundige situatie in het

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Stadsfront Gramsbergen | PAGINA 32

gebied. Om de toekomstige effecten op de waterpeilen inzichtelijk te maken is een oppervlaktewatermodel gebouwd. De waterstanden in de halve meander zijn ongeveer gelijk aan de waterstanden die in de Vecht optreden. In de zomerperiode wordt een ander peilbeheer op de Vecht gevoerd dan in de winterperiode, waardoor in de zomerperiode andere waterpeilen in de halve meander optreden dan in de winterperiode. De drooglegging in de zomerperiode is groter dan in de winterperiode. In de zomersituatie bedraagt de gemiddelde drooglegging 1,15 meter. Voor de wintersituatie geldt een gemiddelde drooglegging van 0,75 meter. Riooloverstort Na een extreme bui voert het water uit stedelijk gebied onder andere af via de riolering. Het rioolstelsel is voorzien van overstorten. Deze overstorten treden in werking als het riool vol is (het water onvoldoende kan afvoeren) en problemen dreigen te ontstaan in stedelijk gebied. Het stedelijk gebied van Gramsbergen heeft één overstort, overstort Goordijk/Goudenregenstraat, die uitkomt op het winterbed van de Vecht. Uit de berekening blijkt dat de waterpeilen ruim onder de drempelhoogtes van de aanwezige overstort blijven, waardoor er geen Vechtwater in het riool terug zal stromen en het riool vrij kan afwateren. Inundaties Winterbed Langs de Vecht is een zandwerende kade aanwezig, ook wel zomerkade genoemd.

Deze zomerkade zorgt er onder andere voor dat de 'iets' hogere waterstanden binnen de oevers van de Vecht blijven en niet inunderen in het Winterbed. In de toekomstige situatie zal de halve meander uitmonden in de Vecht waarbij een deel van de zomerkade doorgraven wordt en er een open verbinding ontstaat vanuit de Vecht met het Winterbed. Dit zorgt ervoor dat er eerder en mogelijk vaker inundaties in het winterbed optreden ten opzichte van voorheen. In de huidige situatie inundeert het winterbed, statistisch gezien circa één keer per jaar. In de toekomstige situatie inundeert het winterbed, op de laagste plekken, circa twee à drie keer per jaar. Hoogwaterveiligheid Het plan is getoetst op hoogwaterveiligheid. Het uitgangspunt is dat de waterstand in een T=200 situatie niet hoger mag worden. Uit de modelberekeningen is gebleken dat hogere waterstanden ontstaan in de T=200 situatie. Om te voorkomen dat deze hogere waterstanden optreden wordt er in de hoogwaterperiode geen begroeiing toegestaan en een aangepast beheer toegepast op de percelen met kruidenrijk- en faunarijk grasland. Deze percelen worden gedurende de hoogwaterperiode (1 oktober tot 1 april) een aantal keren gemaaid. Hierdoor is de weerstand in het winterbed gelijkwaardig aan de huidige situatie, waardoor dezelfde T=200 peilen worden berekend als in de huidige situatie.

Grondwaterstanden De uit te voeren werkzaamheden zorgen ook voor een verandering van de grondwaterstanden. Om de grondwaterstanden inzichtelijk te maken is een zogenaamd grondwatermodel (MIPWA) gebouwd. Met behulp van dit model is berekend wat de effecten zijn op de Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (hierna GLG) in de zomer/nazomer en de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (hierna GHG) in de winterperiode/het vroege voorjaar. De GLG in het gebied veranderd als gevolg van de werkzaamheden. Rondom het Stadsfront is in de zomerperiode sprake van een verlaging van ca. 0-30 centimeter ten opzichte van de huidige situatie. Verklaring hiervoor is dat de halve meander licht drainerend werkt. De veranderingen op de GHG laten hetzelfde beeld zien als de veranderingen op de GLG. Rondom het Stadsfront is sprake van een verlaging van ca. 0-30 centimeter ten opzichte van de huidige situatie. De verlaging van de grondwaterstand veroorzaakt mogelijk geotechnische risico's. Het waterschap heeft onderzoek laten uitvoeren om de risico's ten aanzien van zettingen, stabiliteit en onderloopsheid/piping te onderzoeken. Dit onderzoek is toegevoegd in Bijlage

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Stadsfront Gramsbergen | PAGINA 33

8. Uit het onderzoek blijkt dat in het stedelijk gebied van Gramsbergen op grotere diepte zettingsgevoelige lagen worden aangetroffen. Voor het maatgevende profiel is een zettingsberekening uitgevoerd voor een maximale daling van 0,10 m van de grondwaterstand in de zomerperiode. Uit de berekening volgt een maximale zetting van 6 millimeter in 30 jaar. De verwachte achtergrondzetting als gevolg van veroudering van de grond wordt berekend op 12 centimeter over 30 jaar. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat de impact van zettingen als gevolg van het Stadsfront verwaarloosbaar klein is. Conclusie Om het plan mogelijk te maken is een watervergunning nodig. De aanvraag hiervan wordt gecoördineerd met het vaststellen van dit bestemmingsplan. Het aspect water vormt, met het verkrijgen van de watervergunning, geen belemmering voor vaststelling van het bestemmingsplan. Conclusie De effecten van het plan op de hydrologische situatie zijn onderzocht en voldoende in beeld gebracht. Om het plan mogelijk te maken is een watervergunning nodig. De aanvraag hiervan wordt gecoördineerd met het vaststellen van dit bestemmingsplan. Het aspect water vormt, met het verkrijgen van de watervergunning, geen belemmering voor vaststelling van het bestemmingsplan. 4.5

Bedrijven en milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door bedrijven en milieuzonering. Onder bedrijven en milieuzonering wordt verstaan het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende activiteiten enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Bedrijven en milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de onderlinge afstand wordt gebruik gemaakt van de meest recente VNG-publicatie 'Bedrijven & Milieuzonering', waarin richtafstanden zijn opgenomen.

Een richtafstand wordt beschouwd als de minimaal aan te houden afstand tussen een milieubelastende activiteit en de milieugevoelige bestemming waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van milieubelastende (bedrijfs)activiteiten betreffende geluid, geur, stof en gevaar redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De genoemde maten zijn indicatief; met een goede motivering kan hiervan worden afgeweken. Situatie plangebied In dit plan worden geen nieuwe milieuhinder gevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt, zoals woningen. Ook worden geen nieuwe functies/bedrijven toegelaten die milieuhinder veroorzaken. Wel worden er mogelijkheden voor recreatie geboden binnen het plangebied. De dichtstbijzijnde woningen liggen op voldoende afstand en zullen hier geen hinder van ondervinden. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor vaststelling van het bestemmingsplan.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Stadsfront Gramsbergen | PAGINA 34

4.6

Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij productie, gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, aardgas of LPG. Het aandachtsveld van externe veiligheid richt zich op zowel inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn als het transport van gevaarlijke stoffen. Dit vervoer kan plaatsvinden over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Dit is verankerd in diverse wet- en regelgeving, zoals het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit). Situatie plangebied Binnen het plangebied worden geen Bevi-inrichtingen, andere risicovolle inrichtingen of routes voor vervoer van gevaarlijke stoffen toegestaan en worden geen nieuwe (beperkt) kwetsbare functies mogelijk gemaakt. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor vaststelling van het bestemmingsplan. 4.7

Geluid

Bij het doorlopen van een procedure op grond van artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening geldt een onderzoeksplicht voor geluid. Dit onderzoek richt zich op woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen die binnen een geluidszone van een weg, een spoorweg of een industrieterrein zijn gelegen. Situatie plangebied In dit plan worden geen nieuwe geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen en scholen en nieuwe geluidproducerende bestemmingen zoals bedrijven en hoofdweginfrastructuur mogelijk gemaakt. Het aspect geluid hoeft dan ook niet te worden onderzocht. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor vaststelling van het bestemmingsplan. 4.8

Luchtkwaliteit

Bij ieder ruimtelijke ontwikkeling moet toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit plaatsvinden. Er dient te worden vastgesteld welke gevolgen het project heeft voor de luchtkwaliteit. Met name de (toename van) autoverkeer heeft ten gevolge dat de luchtkwaliteit verslechtert. Daarnaast dient beoordeeld te worden of de luchtkwaliteit zodanig is dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. Voor het aspect 'luchtkwaliteit' zijn door de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. In deze wet zijn grenswaarden voor verschillende luchtverontreinigende stoffen opgenomen. Specifieke onderdelen van de wet zijn uitgewerkt in besluiten (AMvB's) en ministeriële regelingen. De belangrijkste zijn het Besluit en de Regeling NIBM (niet in betekenende mate bijdragen). Het Besluit NIBM staat ontwikkelingen toe wanneer de ontwikkeling 'niet in betekenende

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Stadsfront Gramsbergen | PAGINA 35

mate' bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij 3% van de grenswaarden genoemd voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) in de Wet milieubeheer. Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet milieubeheer vindt niet plaats. Situatie plangebied Met het bestemmingsplan worden geen activiteiten mogelijk gemaakt die leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Grenswaarden ten aanzien van luchtkwaliteit worden dan ook niet door dit plan overschreden. Het bestemmingsplan staat bovendien geen functies toe waarvoor toetsing aan de luchtkwaliteit ter plaatse van belang is. Het plan zal mogelijk een zeer geringe verkeersaantrekkende werking hebben. Deze toename is dusdanig beperkt dat dit niet zal leiden tot overschrijdingen van de grenswaarden bij omliggende gevoelige functies. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor vaststelling van het bestemmingsplan. 4.9

M.e.r.-beoordeling

Bij ruimtelijke plannen en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu dient te worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage (m.e.r.) is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. Het wettelijk kader voor de m.e.r. is hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) en het daarbij behorende Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In het Besluit m.e.r. is geregeld voor welke plannen en besluiten daadwerkelijk een m.e.r.-procedure doorlopen moet worden. Bij het toetsen van plannen en besluiten aan het Besluit m.e.r. zijn er drie mogelijkheden: 1. M.e.r.-plicht: voor (onderdelen van) het plan of besluit is het uitvoeren van een m.e.r. verplicht; 2. M.e.r.-beoordelingsplicht: voor (onderdelen van) het plan of besluit moet eerst worden beoordeeld of het uitvoeren van een m.e.r. verplicht is; 3. Vormvrije m.e.r.-beoordeling: het plan of het besluit omvat een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit, maar deze activiteit ligt (ruim) beneden de in daarvoor in het Besluit m.e.r. opgenomen indicatieve drempelwaarden.

Bij een m.e.r.beoordelingsplicht en een vormvrije m.e.r.beoordeling moet het bevoegd gezag een besluit nemen over de m.e.r.plicht voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan. Situatie plangebied De activiteiten die het bestemmingsplan mogelijk maakt komen voor als activiteit in kolom 1 van de D-lijst van het Besluit m.e.r. Het gaat om: Categorie D9: In de D-lijst onder 9 wordt een landinrichtingsproject dan wel wijziging of uitbreiding daarvan aangemerkt als een relevante activiteit waarvoor beoordeeld moet worden of een MER noodzakelijk is, indien wordt voldaan aan de genoemde drempelwaarden. Bijbehorende drempelwaarde: “In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een functiewijziging met een oppervlakte van 125 hectare of meer van water, natuur, recreatie of landbouw of vestiging van een glastuinbouwgebied of bloembollenteeltgebied van 50 hectare of meer.” Categorie D16.1: In de D-lijst onder 16.1 wordt aangemerkt dat voor de ontginning dan wel wijziging of uitbreiding van de ontginning van steengroeven of dagbouwmijnen, met inbegrip van de winning van oppervlaktedelfstoffen uit de landbodem (anders dan

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Stadsfront Gramsbergen | PAGINA 36

bedoeld onder D 16.2), moet worden beoordeeld of een MER noodzakelijk is, indien wordt voldaan aan de genoemde drempelwaarde van 12,5 hectare of meer. Dit project omvat de aanleg van een stadsfront met een halve meander en de (gedeeltelijke) herinrichting van de omliggende gronden, ter grootte van circa 6,5 hectare. Aan de drempelwaarde voor een landinrichtingsproject (125 hectare of meer) wordt niet voldaan. De ontgronding die plaatsvindt voor de realisatie van het stadsfront heeft een oppervlak van circa 3 hectare. Derhalve wordt ook niet aan deze drempelwaarde (12,5 hectare) voor een verplichte m.e.r.-beoordeling voldaan. Het plan is dus niet m.e.r.-beoordelingsplichtig. Voor dit project is een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling uitgevoerd (Bijlage 9). Deze (vormvrije) m.e.r.-beoordeling heeft geleid tot de conclusie dat geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt. Conclusie Op basis van de uitgevoerde (vormvrije) m.e.r.-beoordeling heeft het college van burgemeester en wethouders besloten dat geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt. Dit besluit is opgenomen als Bijlage 10. 4.10

Niet-gesprongen explosieven

Door Explosive Clearance Group (ECG) is een vooronderzoek uitgevoerd naar de mogelijke aanwezigheid van niet-gesprongen explosieven (Bijlage 11). Uit dit onderzoek blijkt dat er geen sprake is van een feitelijk verdacht gebied. Conclusie Het onderzochte gebied is als onverdacht beoordeeld. Er is derhalve geen verder onderzoek nodig. 4.11

Vogelgriep

Sovon Vogelonderzoek Nederland en Wageningen University & Research hebben onderzoek gedaan naar de effecten van de beoogde plannen op het risico op insleep van vogelgriepvirus op pluimveebedrijven in de omgeving van het plangebied (Bijlage 12). In het onderzoek wordt aangegeven dat het risico op insleep van vogelgriep op commerciële pluimvee-bedrijven rond Gramsbergen als zeer laag wordt ingeschat. Ingeschat wordt dat door de realisatie van de Vechtrijk Gramsbergen fase 1 (waaronder het Stadsfront) het risico op insleep van het vogelgriepvirus op deze pluimvee-bedrijven niet of nauwelijks zal toenemen. De veranderingen in de aantallen overwinterende watervogels rond Gramsbergen zullen naar verwachting gering zijn. Tevens is er sprake van een vrij grote buffer van ten minste 900 m zonder commerciële pluimveebedrijven rondom het plangebied. Conclusie Bij de voorbereiding van dit bestemmingsplan is voldoende rekening gehouden met de gevolgen van een mogelijke uitbraak van vogelgriep. Als gevolg van de beoogde plannen neemt het risico op insleep van het vogelgriepvirus op pluimvee-bedrijven in de omgeving van het plangebied niet of nauwelijks toe.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Stadsfront Gramsbergen | PAGINA 37

Hoofdstuk 5

Uitvoerbaarheid

In dit hoofdstuk wordt de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid beschreven. 5.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.1.1

Inspraak

Belanghebbenden/belangstellenden zijn tijdens verschillende inloopbijeenkomsten in de gelegenheid geweest om zich te informeren over de plannen. Enkele wensen uit de omgeving hebben aanleiding gegeven om de plannen op detail wat te wijzigen. Dit heeft zich uiteindelijk vertaald in het voorliggend ontwerp. Inspraak op een voorontwerp bestemmingsplan wordt daarom achterwege gelaten. 5.1.2

Overleg

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moet overleg plaatsvinden met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Het bestemmingsplan is voor vooroverleg voorgelegd aan de provincie Overijssel, daarop is geen reactie ontvangen. 5.1.3

Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft gelijktijdig met de ontwerp-watervergunning, de ontwerp-ontheffing Wet natuurbescherming (soorten), de ontwerp-Ontgrondingsvergunning en de ontwerp-omgevingsvergunning(en) ter inzage gelegen vanaf donderdag 18 augustus. Iedereen heeft daarmee de gelegenheid gehad om de plannen in te zien en een zienswijze in te dienen. Op het ontwerp bestemmingsplan zijn in totaal 7 zienswijzen ingediend. Een reactie op de zienswijzen is gegeven in de zienswijzennota (Bijlage 13). Een aantal zienswijzen geeft aanleiding om het bestemmingsplan gewijzigd vast te stellen. Deze en eventuele ambtshalve wijzigingen zijn omschreven in de zienswijzennota. 5.2

Economische uitvoerbaarheid

Financiële uitvoerbaarheid Een bestemmingsplan moet economisch uitvoerbaar zijn, waardoor het plan inzicht moet geven in de financiële uitvoerbaarheid. De gemeente Hardenberg draagt de kosten voor de uitvoering van het plan. Voor het project is budget gereserveerd. Daarmee is het plan economisch uitvoerbaar. Exploitatieplan Dit bestemmingsplan maakt geen bouwplan als bedoeld in afdeling 6.4 Wet ruimtelijke ordening mogelijk. Op basis van de Grondexploitatiewet (afdeling 6.4 Wet ruimtelijke ordening) hoeft in dit geval geen exploitatieplan vastgesteld te worden.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Stadsfront Gramsbergen | PAGINA 38

Hoofdstuk 6 6.1

Juridische regeling

Procedure bestemmingsplan

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn wettelijke regels voor de bestemmingsplanprocedure vastgelegd. Hierin zijn de volgende fasen onderscheiden: Voorbereidingsfase Door het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Hardenberg is, overeenkomstig artikel 1.3.1. van het Bro kennis gegeven van het voornemen om het bestemmingsplan te wijzigen. Kennisgeving heeft plaatsgevonden op 16 maart 2022. Het indienen van zienswijzen is in deze fase niet mogelijk. Terinzageleggingsfase Na de aankondiging in het elektronisch Gemeenteblad en in plaatselijk blad De Toren wordt het ontwerp bestemmingsplan voor een periode van 6 weken ter inzage gelegd. In deze periode kan iedereen een zienswijze op het ontwerp bestemmingsplan indienen. Vaststellingsfase Na de termijn voor de ter inzage legging wordt het plan voor vaststelling voorgelegd aan de gemeenteraad, zo nodig met aanpassingen. Beroepsfase Na de vaststelling van het bestemmingsplan wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt en wordt het vastgestelde bestemmingsplan ter inzage gelegd. 6.2

Plansystematiek

Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn de Wro, het Bro en de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP2012) toegepast. De SVBP2012 bevat een aantal juridische regels die moeten worden opgevolgd. In het Bro is een formulering opgenomen ten aanzien van de antidubbeltelregel en het overgangsrecht. Deze teksten zijn neergelegd in de planregels. 6.3

Toelichting op de regels

Deze paragraaf bevat een beschrijving van de bestemmingen, waarbij per bestemming het doel of de doeleinden worden aangegeven. Daarnaast wordt in deze paragraaf ingegaan op de overige regels uit het bestemmingsplan. Conform SVBP2012 zijn de regels onderverdeeld in vier hoofdstukken. Voor de regels is zoveel mogelijk aangesloten bij het bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg. Voor de bestemming 'Groen' is aangesloten bij het bestemmingsplan Molengoot Hardenberg'. Voor de bestemming 'Verkeer' is zoveel mogelijk aangesloten bij de beheersverordening Gramsbergen. Hoofdstuk1 Inleidende regels Hoofdstuk 1 van de regels bevat de inleidende regels, waaronder de begrippen en de wijze van meten. Artikel 1: Begrippen

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Stadsfront Gramsbergen | PAGINA 39

In artikel 1 van de regels worden waar nodig de in de regels gebruikte begrippen verklaard. Dit is alleen het geval wanneer begrippen niet op voorhand voor een eenduidige uitleg, conform normaal spraakgebruik, vatbaar zijn. Artikel 2: Wijze van meten De wijze waarop maten, afstanden en dergelijke gemeten moeten worden, is opgenomen in artikel 2. Hoofdstuk2 Bestemmingsregels Hoofdstuk 2 van de regels bevat de bestemmingsregels voor het gehele plangebied. Artikel 3: Agrarisch met waarden - Beekdallandschap De gronden binnen deze bestemming zijn bestemd voor permanent grasland. Er is geen bouwvlak aanwezig, waardoor er geen bouwmogelijkheden zijn voor agrarische bedrijven. Om de waterveiligheid in het plangebied te garanderen, is als aanvullende voorwaarde opgenomen dat de belangen van de waterveiligheid primair zijn ten opzichte van de belangen van de andere toegestane functies. De agrarische gronden zijn eveneens bestemd voor het instandhouden van de aanwezige natuur- en landschapswaarden zoals beschreven beschreven in de LIK. De landschapsbestemmingen zorgen voor planologische bescherming van de bestaande gebiedskenmerken en bepalen mede de ruimtelijke inpasbaarheid van de toekomstige ontwikkelingen. Toegestaan zijn voorzieningen voor extensieve openluchtrecreatie, zoals fiets- en voetpaden en picknickplaatsen.

Vergunningstelsel Er is een 'omgevingsvergunningplicht' opgenomen voor werken en werkzaamheden die de waarden van het gebied mogelijk negatief kunnen beïnvloeden. Het gaat om een zogenaamd 'aanlegvergunningenstelsel'. Het vergunningenstelsel is afgestemd op de specifieke kwaliteiten van het landschapstype. Werkzaamheden die worden uitgevoerd overeenkomstig het inrichtingsplan behorende bij dit bestemmingsplan zijn vrijgesteld van een vergunningplicht omdat de uitvoerbaarheid hiervan reeds middels dit bestemmingsplan is aangetoond. Wijzigingsbevoegdheid Via een wijzigingsbevoegdheid is het mogelijk natuurontwikkeling en water mogelijk te maken op het moment dat het agrarische gebruik beëindigd is. Artikel 4: Groen De gronden binnen deze bestemming zijn bestemd voor groenvoorzieningen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, voet-/fietspaden, recreatief medegebruik, agrarisch medegebruik en voorzieningen van algemeen nut. Artikel 5: Verkeer De gronden binnen deze bestemming zijn bestemd voor verkeer- en verblijfsvoorzieningen, fiets- en voetpaden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, water en openbare nutsvoorzieningen. Artikel 6: Water Dit artikel beschermt de halve meander, inclusief de taluds en schouwpaden. Hier mogen alleen bouwwerken ten dienste van de bestemming worden opgericht met een maximale hoogte van 6 m.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Stadsfront Gramsbergen | PAGINA 40

Artikel 7: Waarde - Archeologie 5 De gemeente Hardenberg kent een eigen archeologiebeleid, waarin een indeling is gemaakt in categorie 1 tot en met 5. De gemeente heeft per categorie voorbeeldplanregels opgesteld. Dit archeologiebeleid is in dit bestemmingsplan overgenomen. Bij ingrepen met een oppervlakte groter dan 2500 m2 en een diepte van meer dan 50 cm kunnen een archeologisch onderzoek en een omgevingsvergunning vereist zijn. Als aangetoond kan worden dat de betreffende gronden geroerd zijn en de trefkans op archeologische waarden gering is, dan kan afgezien worden van een archeologisch (veld)onderzoek en is geen omgevingsvergunning nodig voor het uitvoeren van werken. Hoofdstuk3 Algemene regels Hoofdstuk 3 van de bestemmingsregels omvat de algemene regels. De algemene regels gelden in het algemeen voor het gehele bestemmingsplan en staan min of meer los van de specifieke bestemmingsregels en worden om die reden altijd in een apart hoofdstuk opgenomen. Artikel 8: Anti-dubbeltelregel De antidubbeltelregel is een verplichte standaardbepaling die voor dit plangebied weinig betekenis heeft. Artikel 9: Algemene bouwregels In dit artikel zijn specifieke bouwregels opgenomen voor bouwwerken welke worden gebouwd in de nabijheid van de bestemming water.

Artikel 10: Algemene gebruiksregels In dit artikel is een standaardbepaling over parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheid opgenomen. Artikel 11: Algemene afwijkingsregels De algemene afwijkingsregels bieden enige flexibiliteit als het gaat om het afwijken van in het plan opgenomen maten en bieden ruimte om bepaalde voorzieningen te kunnen realiseren. Artikel 12: Algemene wijzigingsregels In dit artikel zijn de regels opgenomen op grond waarvan het college van Burgemeester en Wethouders bevoegd is het plan te wijzigen. Artikel 13: Overige regels In de Overige regels wordt ingegaan op de werking van bestaande wettelijke regelingen en de welstandstoets bij de bouw van gebouwen. Dit bestemmingsplan staat het gebruik van de gronden en gebouwen als seksinrichting niet toe. Dit bestemmingsplan verzet zich niet tegen het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van evenementen, als bedoeld in de Algemene Plaatselijke Verordening. Wel moet men over een evenementenvergunning beschikken. Hoofdstuk4 Overgangs- en slotregels In Hoofdstuk 4 zijn, overeenkomstig de in het Bro voorgeschreven formulering van het overgangsrecht en de SVBP2012, de overgangs- en slotregels in de afsluitende artikelen 14 en 15 van de regels opgenomen.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Stadsfront Gramsbergen | PAGINA 41

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12229730/2