CConstaterende datHardenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting bestemmingsplan 'Buitengebied Hardenberg, Nevengeul De Haandrik - Gramsbergen'

orienterende ronde sessie 1 10 januari 2023, gemeente HardenbergBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 'Buitengebied Hardenberg, Nevengeul De Haandrik - Gramsbergen’16.373 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Nevengeul De Haandrik - Gramsbergen | PAGINA 25

Hoofdstuk 4 4.1

Milieu- en omgevingsaspecten

Archeologie en cultuurhistorie

In het Europese Verdrag van Malta, ondertekend door een groot aantal EU-landen, waaronder ook Nederland, is de veiligstelling van het (Europese) archeologische erfgoed als doelstelling opgenomen. In 1998 is dit verdrag goedgekeurd door het Nederlandse parlement. Ter implementatie van het Verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving is in 2007 de Wet op de archeologische monumentenzorg in werking getreden. Dit is een aanpassingswet waarmee de Monumentenwet 1988 gewijzigd is op het onderdeel archeologie. Door middel van de gewijzigde Monumentenwet moet het archeologisch erfgoed in de bodem bescherming krijgen in het ruimtelijke ordeningsbeleid. Als gevolg van Europese en nationale wetgeving stellen rijk en provincies zich op het standpunt dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologisch erfgoed moet worden omgegaan. De meeste ingrepen in de ruimtelijke ordening vinden plaats op gemeentelijk niveau. De Monumentenwet verplicht gemeenten bij het opstellen van ruimtelijke plannen rekening te houden met de in hun bodem aanwezige waarden. Op plankaarten geeft de gemeente voor het eigen grondgebied aan waar zich bekende archeologische vindplaatsen bevinden. Voor het overige gebied gelden verwachtingswaarden. De kern van de huidige archeologiewetgeving behelst bescherming van waardevolle oudheidkundige resten in de bodem.

Bij ruimtelijke ingrepen op locaties met vindplaatsen moeten de aanwezige resten intact blijven. Wanneer verstoring onvermijdelijk is, dient oudheidkundig bodemonderzoek plaats te vinden. De informatie van de bij bodemonderzoek onderzochte resten wordt behouden door middel van documentatie. Voor gebieden waar reële verwachtingen bestaan ten aanzien van archeologische waarden, die bedreigd worden door ruimtelijke ingrepen, moet inventariserend onderzoek plaatsvinden om uit te maken of daadwerkelijk waardevolle archeologische resten aanwezig zijn. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Situatie plangebied Archeologie Synthegra B.V. heeft een archeologisch bureauonderzoek in combinatie met een cultuurhistorisch onderzoek uitgevoerd binnen het plangebied (Bijlage 1). Uit dit onderzoek blijkt dat de oeverwallen van de meanderbochten van de Vecht een middelhoge tot hoge archeologische verwachting kennen. Het gaat hierbij om hogere delen in het landschap die zeer geschikt waren voor bewoning. De lagere komgebieden en riviervlakten van de Vecht waren juist natter en minder geschikt voor bewoning. Deze gebieden kennen daarom een lage archeologische verwachting. Archeologische waarden worden vooral verwacht op de oeverwallen.

Door het graven van de nevengeul zal de bodem waarschijnlijk tot ver in het archeologisch waardevolle niveau worden verstoord. Eventueel aanwezige archeologische waarden kunnen daarbij verloren gaan. Daarom is ook nog een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd binnen het plangebied (Bijlage 2). Het onderzoek is uitgevoerd door het uitvoeren van handboringen. De opgeboorde grond is geinspecteerd op de aanwezigheid van archeologische indicatoren.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Nevengeul De Haandrik - Gramsbergen | PAGINA 26

Op basis van de resultaten van het booronderzoek kunnen archeologische resten in het te graven tracé van de nevengeul aanwezig zijn. De aard van de te verwachten archeologische resten maakt dat deze slecht met prospectief onderzoek zijn te vangen, of het nu om boorof gravend prospectief onderzoek gaat. Daarom wordt geadviseerd om de werkzaamheden onder archeologische begeleiding uit te voeren. De gebieden waarop dit advies van toepassing is zijn hieronder op kaart weergegeven. In de regels is de archeologische begeleiding geborgd.

Voor de realisatie van de overige werkzaamheden is geen vervolgonderzoek benodigd aangezien er geen of zeer oppervlakkig sprake is van graafwerkzaamheden die niet tot verstoring van archeologische waarden leidt. De verwachtingswaarde voor archeologie wordt wel vastgelegd in het bestemmingsplan middels een dubbelbestemming. Op deze manier is bij eventueel toekomstige werkzaamheden het belang van de bescherming van archeologische waarden voldoende geborgd. Cultuurhistorie Synthegra B.V. heeft ook cultuurhistorisch onderzoek uitgevoerd binnen het plangebied (Bijlage 1). Het Vechtgebied kent een rijke historie. Nabij het plangebied vond één van de meest bekende historische episode plaats van deze regio, namelijk de Slag bij Ane in juli 1227. De bisschop van Utrecht, Otto van der Lippe, wilde met zijn leger een opstand van de Drenten onder leiding van de burggraaf Rudolf III van Coevorden de kop indrukken. Deze twee kampen troffen elkaar in de omgeving van Holthone/Ane, waarbij het leger van Rudolf III een gevecht uitlokte in een moerassig gebied. De paarden en de zwaar gepantserde ridders van het bisschoppelijke leger zakten daardoor weg, waardoor de tegenpartij de kans had om Otto van der Lippe een nederlaag toe te brengen, waarbij de bisschop en vele edelen het met de dood moesten bekopen.

Het leger vluchtte zuidwaarts langs de Vecht, waarbij deze door de Drenten werden achtervolgd. Later in de Napoleontische periode werden er in de omgeving van Gramsbergen schansen aangelegd als onderdeel van de Loozensche verdedigingslinie. Binnen het plangebied zijn hiervan weinig resten aanwezig, met uitzondering van de mogelijke aanwezigheid van de schans de Batterij De Haandrik. bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Nevengeul De Haandrik - Gramsbergen | PAGINA 27

Op basis van uitgebreid bureau- en veldonderzoek zijn diverse cultuurhistorische elementen binnen en rondom het plangebied geïdentificeerd. Het gaat hierbij vooral om historische elementen die behoren tot het Gramsbergen uit de Late Middeleeuwen, welke samenhangen met het kasteel het Huis van Gramsbergen en historische elementen uit het eind van de 19e en begin van de 20e eeuw net voor de kanalisatie van de Vecht. Het betreft onder andere de Oude Bisschopsdijk, waarvan alleen nog ondergrondse restanten te verwachten zijn. In het centrum zijn verder (restanten van) het voetveer naar de Klokhenne en afwateringssloten met een stuw te verwachten. Ook dit voetveer is al niet meer aanwezig. Cultuurhistorische waarden bevinden zich dus vooral ondergronds. De cultuurhistorische waarden zijn weergegeven op de volgende afbeelding, waarop tevens de ligging van de nevengeul is geprojecteerd.

Zoals te zien in bovenstaande figuur is bij de ligging van de geul rekening gehouden met de aanwezige cultuurhistorische waarden. De geul ligt buiten de ligging van het Huis van Gramsbergen en het NAD-kamp. De geul sluit verder aan op de voormalige ligging van sloten. De plannen leiden niet tot directe aantasting van aanwezige cultuurhistorische waarden, daarentegen bieden bieden de plannen mogelijkheden om de historie van het landschap in de plannen te incorporeren. In het rapport van Synthegra zijn hiertoe aanbevelingen gedaan. Conclusie De plannen kunnen leiden tot verstoring van archeologische waarden. Daarom dienen de graafwerkzaamheden voor de nevengeul plaats te vonden onder archeologische begeleiding. Overige archeologische waarden worden niet aangetast door de plannen, maar wel voorzien van een dubbelbestemming ter bescherming in de toekomst. De plannen leiden niet tot directe aantasting van aanwezige cultuurhistorische waarden. De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor vaststelling van het bestemmingsplan.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Nevengeul De Haandrik - Gramsbergen | PAGINA 28

4.2

Bodem

Volgens het Besluit ruimtelijke ordening moet in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening worden gehouden met de bodemkwaliteit in het plangebied. Beoordeeld moet worden of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en er moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Dit kan worden aangetoond met een (historisch) bodemonderzoek. De geschiktheid van de bodem is voldoende aangetoond als uit het onderzoek blijkt dat de bodem niet verdacht is op bodemverontreinigingen er geen risico's voor het toekomstige gebruik te verwachten zijn. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is, moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Situatie plangebied Door Aveco de Bondt is een historisch bodemonderzoek / vooronderzoek uitgevoerd ter plaatse van het plangebied (Bijlage 3). Het doel van het vooronderzoek is inzicht krijgen in de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen. Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek blijkt dat de locatie grotendeels onverdacht is voor de aanwezigheid van bodemverontreiniging.

Locaties die verdacht zijn voor de aanwezigheid van bodemverontreiniging zijn: Voormalige meander: het is onbekend of de meander op een natuurlijke manier is dichtgeslibd of dat er mogelijk sprake is van (bodemvreemd) dempingsmateriaal; Oude Bisschopsdijk: het is onbekend of er bodemvreemd materiaal in de voormalige dijk aanwezig was. Bij de uitvoering van de werkzaamheden om de ontwikkeling te realiseren dient wel rekening te worden gehouden met de bodemkwaliteit. De bodemkwaliteit in het plangebied is op basis van het uitgevoerde vooronderzoek grotendeels onverdacht voor de aanwezigheid van (sterke) verontreinigingen. De vrijkomende grond is dus naar verwachting grotendeels herbruikbaar onder de voorwaarden van het Besluit Bodemkwaliteit. Voor verdachte locaties binnen het plangebied kan een nota bodembeheer en bodemkwaliteitskaart niet zondermeer ingezet worden. In dat geval is verkennend (water)bodemonderzoek noodzakelijk om de bodemkwaliteit inzichtelijk te maken. Verkennend (water)bodemonderzoek is uitgevoerd door Aveco de Bondt (Bijlage 3) om de hergebruiksmogelijkheden van de vrijkomende grond te bepalen. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt het volgende: Er zijn zintuiglijk geen waarnemingen gedaan die duiden op de mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging; De hergebruiksmogelijkheden van de vrijkomende grond en slib zijn variabel.

Het grootste deel van de vrijkomende grond en slib is niet verontreinigd en wordt als altijd toepasbaar / verspreidbaar beschouwd. Een deel van de grond en slib is licht verontreinigd, veelal als gevolg van verhoogde gehalten arseen en daardoor onder voorwaarden (beperkter) herbruikbaar; PFAS vormt geen beperking voor de hergebruiksmogelijkheden; Eventueel aanwezig asfalt is niet teerhoudend en komt dus in aanmerking voor hergebruik. In het onderliggende funderingsmateriaal is asbest aangetroffen, waardoor daar vervolgonderzoek is geadviseerd. Conclusie De bodemkwaliteit is naar verwachting geschikt voor het beoogd gebruik. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Nevengeul De Haandrik - Gramsbergen | PAGINA 29

4.3

Flora en fauna (incl. stikstof)

Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) vormt het voornaamste beleidsmatige toetsingskader. In de wet natuurbescherming zijn regels op genomen voor bescherming van soorten en gebieden. Gebiedsbescherming Natura 2000 Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid (NNN). Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In het NNN geldt het 'nee, tenzij' principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Naast het NNN-beleid bestaat binnen de provincie Overijssel ook de 'zone ondernemen met natuur en water buiten NNN' (ONW). Hier zijn natuur gebonden economische ontwikkelingen mogelijk zolang zij gericht zijn op het behouden en ontwikkelen van natuuren landschapskwaliteiten.

Soortenbescherming Het doel van soortenbescherming is het in stand houden en beschermen van in het wild voorkomende planten- en diersoorten. De Wnb kent zowel een zorgplicht als verbodsbepalingen. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. Voor al deze soorten geldt dat het verboden is ze opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, om eventuele eieren opzettelijk te vernielen, om de vaste voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en om beschermde plantensoorten opzettelijk te ontwortelen of te vernielen. Hiervan kan onder andere sprake zijn bij het kappen van bomen, het slopen van gebouwen of het storten en afgraven van gronden. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij'-principe. Alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden, maar er kunnen vrijstellingen en ontheffingen (door het bevoegd gezag) worden verleend van de verbodsbepalingen. Situatie plangebied Gebiedsbescherming Natura 2000 In de directe omgeving van het plangebied liggen geen Natura 2000-gebieden. Op ongeveer 12,6 km afstand ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Vecht- en BenedenReggegebied'. De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maakt dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of in de zeer directe zone eromheen beperkt blijven.

Gezien de afstand tot de Natura 2000-gebieden (>10km) is er geen sprake van mogelijk negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Een

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Nevengeul De Haandrik - Gramsbergen | PAGINA 30

toetsing op grond van de Wet natuurbescherming van niet stikstof-gerelateerde effecten wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Ten aanzien van stikstof wordt onderscheid gemaakt in de aanlegfase en de gebruiksfase. Om de effecten te bepalen is een AERIUS-berekening uitgevoerd, deze is bijgevoegd in Bijlage 5. Uit de berekening blijkt dat de totale stikstofemissie tijdens de realisatiefase niet leidt tot stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden. In de gebruiksfase is ten opzichte van de huidige situatie zeer beperkt sprake van wijzigingen. Op dit moment kennen de gronden namelijk al een agrarisch gebruik en dat gebruik blijft na realisatie van de Nevengeul ook voortbestaan, met een andere gebiedsindeling. Per saldo neemt door de realisatie van de nevengeul de hoeveelheid agrarisch oppervlak af. Eventuele emissies door agrarische voertuigen, bemesting en beweiding zijn in de plansituatie dus vergelijkbaar of lager dan de bestaande situatie. Het plan kent verder geen verkeersaantrekkende werking en op de nevengeul kan niet door motorbootjes gevaren worden. Geconcludeerd kan dus worden dat ten opzichte van de bestaande situatie niet meer, en eerder minder, sprake zal zijn van emissies van stikstof. Negatieve effecten door dit plan op Natura 2000-gebieden zijn dus niet te verwachten.

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied valt deels binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het plan voorziet in een herverdeling van de ligging van NNN-gronden. In de onderstaande figuur is de bestaande verdeling van NNN-gronden weergegeven. De gronden bevinden zich in het oostelijk en westelijk deel van het plangebied. Het totale oppervlak aan NNN-gronden betreft 170.222m2.

In de volgende figuur is de toekomstige verdeling van NNN-gronden weergegeven (lichtgroen). De gronden bevinden zich in het oostelijk deel van het plangebied, een strook ten zuiden van de nevengeul en aan weerszijden van de nevengeul. Het totale oppervlak aan NNN-gronden betreft 170.222m2.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Nevengeul De Haandrik - Gramsbergen | PAGINA 31

Per saldo blijft het oppervlak aan NNN-gronden dus gelijk. Middels dit bestemmingsplan worden de gronden tevens van een passende bestemming voorzien. Bij de herverdeling van de NNN-gronden is in het veld gekeken wat de huidige natuurwaarden zijn van de percelen die nu binnen het NNN vallen. Omdat er nog geen bijzondere natuurwaarden zijn waargenomen is het mogelijk om de NNN-begrenzing aan te passen. Dit inrichtingsplan biedt bovendien meerwaarde omdat er sprake is van meer aaneengesloten natuur in plaats van losse snippers. Het inrichtingsplan wat nu voorligt draagt bij aan de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN en daarmee ook aan een robuuster NNN. Het plangebied valt ook deels binnen de 'zone ondernemen met natuur en water buiten NNN' (ONW). Binnen dit gebied is extensief agrarisch natuurbeheer mogelijk conform de beheeradviezen behorend bij natuurdoeltype N12.02. Dit wordt in de planregels vastgelegd. Soortenbescherming Door Eelerwoude is een toetsing van de plannen uitgevoerd aan de natuurwetgeving en het natuurbeleid (Bijlage 6). Het plangebied is ingesloten tussen de Vecht ten noorden en Gramsbergen ten zuiden. Het plangebied bestaat voornamelijk uit intensief beheerde graslanden, enkele door kwel beïnvloedde sloten en de ruige oevers van de Vecht.

Uit het onderzoek blijkt dat de ontwikkeling naar verwachting zal leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van een aantal beschermde soorten. Voor een deel van deze soorten geldt een provinciale vrijstelling. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten omdat er sprake is van een tijdelijke en plaatselijke verstoring, er voldoende leefgebied aanwezig blijft en het relatief algemene soorten betreft. Voor een aantal soorten die voorkomen in het gebied geldt geen provinciale vrijstelling. Hiervoor is nader onderzoek uitgevoerd en een effectenbeoordeling om te bezien of het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming benodigd is. Dit nader onderzoek met projectplan is toegevoegd aan Bijlage 7. De conclusies zijn als volgt: Vleermuizen: Negatieve effecten op eventueel aanwezige foerageergebieden en/of vliegroutes kunnen worden voorkomen door werkzaamheden alleen uit te voeren na zonsopkomst en voor zonsondergang en door geen permanente verlichting te plaatsen langs de Vecht. Grondgebonden zoogdieren: Zowel veld- als waterspitsmuis zijn gedurende een

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Nevengeul De Haandrik - Gramsbergen | PAGINA 32

intensief veldonderzoek niet vastgesteld binnen het plangebied. Potentieel geschikt leefgebied wordt niet door één of meerdere soorten gebruikt. Een negatief effect is uitgesloten. Het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. Gedurende het nader onderzoek naar otter en steenmarter zijn beide soorten niet vastgesteld. Voor steenmarter is het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk. Voor otter wordt mogelijk, tijdelijk de functionaliteit van de dagrustplaatsen aangetast, dit is ontheffingplichtig. Hiervoor dient een ontheffing te worden aangevraagd bij de provincie Overijssel. Kortom, tijdelijk zullen de werkzaamheden een negatief effect veroorzaken op het leefgebied en verbindingszones van één of meer soorten kleine marterachtigen. Dit is ontheffingsplichtig. Op de lange termijn heeft de geplande ontwikkeling een positief effect doordat meer structuur aanwezig is. Broedvogels: Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, als ook op het wegnemen van nesten van vogels. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

In veel situaties kan dit voorkomen worden door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Amfibieën: Een negatief effect op knoflookpad is niet op voorhand uit te sluiten. Knoflookpad is lastig vast te stellen of uit te sluiten, voor landbiotoop is dit onmogelijk. Hierom wordt een ontheffing aangevraagd voor het mogelijk aantasten van landbiotoop van knoflookpad tijdens het graven van de nevengeul. In dat kader worden diverse mitigerende en compenserende maatregelen getroffen. Ongewervelden: Voortplantingsbiotoop van beekrombout is gedurende het nader onderzoek niet aangetroffen binnen het plangebied. Negatieve effecten zijn derhalve op voorhand uitgesloten. De poelkikker is niet binnen het plangebied vastgesteld, een negatief effect is hierom op voorhand uitgesloten. Het project heeft mogelijk een positief effect op poelkikker en amfibieën in het algemeen omdat nieuwe, geschiktere waterelementen worden gegraven binnen het plangebied. Het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat in het plangebied diverse beschermde soorten voorkomen waarop het project effect heeft.

Voor diverse soorten is het effect beperkt tot verlies van leefgebied, maar is geen invloed op de gunstige staat van instandhouding omdat het effect tijdelijk is en er voldoende leefgebied aanwezig blijft. Voor andere, meer beschermde soorten, zijn negatieve effecten soms te voorkomen door hiermee rekening te houden in de uitvoering van de werkzaamheden. Voor deze soorten zijn belangrijke nadelige effecten door de activiteit dus niet aan de orde of relatief eenvoudig te voorkomen. Voor een aantal soorten (Otter, kleine marterachtigen en knoflookpad) is een ontheffing Wet natuurbescherming nodig. Hiervoor is een projectplan opgesteld ten behoeve van het verkrijgen van een ontheffing Wnb. In dat kader worden diverse mitigerende en compenserende maatregelen getroffen. De procedure voor het verkrijgen van de ontheffing Wnb wordt gecoördineerd met onderhavige bestemmingsplanprocedure. Gelet hierop kan geconcludeerd worden dat voldoende onderzoek is gedaan naar flora en fauna binnen het plangebied en hieruit blijkt dat de plannen, met inbegrip van het verkrijgen van de ontheffing Wnb en de daaraan gekoppelde voorwaarden, uitvoerbaar wordt geacht. Conclusie Negatieve effecten op bescherming van gebieden (Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland) zijn niet te verwachten.

Het plan kan negatieve effecten hebben op een aantal bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Nevengeul De Haandrik - Gramsbergen | PAGINA 33

soorten: de otter, kleine marterachtigen en de knoflookpad. Daarom wordt een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd, gecoördineerd met het vaststellen van dit bestemmingsplan. Geconcludeerd wordt dat met het verkrijgen van de ontheffing er geen belemmeringen zijn voor de aspecten 'flora en fauna' om het bestemmingsplan vast te stellen. 4.4

Water

In onder andere de Europese Kaderrichtlijn water, de vierde Nota Waterhuishouding en de adviezen van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw is het beleid met betrekking tot het water(beheer) vastgelegd. Het beleid is gericht op het duurzaam behandelen van water. Dit betekent onder andere het waarborgen van voldoende veiligheid en het beperken van de kans op hinder vanwege water. Dit ook in verhouding tot ontwikkelingen als de verandering van het klimaat, het dalen van de bodem en het stijgen van de zeespiegel. De relatie tussen water en ruimtelijke ordening wordt steeds belangrijker. In de nota 'Anders omgaan met water' is bepaald dat de gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen voor de waterhuishouding uitdrukkelijk moeten worden overwogen. Hiervoor wordt in ruimtelijke plannen een digitale watertoets doorlopen. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Waterbeleid Het relevante waterbeleid is omschreven in hoofdstuk 3. Situatie plangebied Binnen het plangebied is de huidige situatie beperkt oppervlaktewater aanwezig. Het plangebied bestaat voornamelijk uit intensief beheerde graslanden en enkele door kwel beïnvloedde ondiepe sloten en de oevers van de Vecht.

De werkzaamheden voorzien niet in activiteiten die ene bedreiging vormen voor de waterkwaliteit in het gebied. Het agrarisch gebruik wijzigt bovendien waardoor geen sprake meer is van bemesting, dit draagt positief bij aan de (grond)waterkwaliteit in het plangebied en de omgeving. Omdat het plan de aanleg of wijzigingen van een waterstaatswerk betreft dat geïnitieerd wordt door de beheerder zelf is een projectplan waterwet opgesteld. Tegelijkertijd met de procedure van onderhavig bestemmingsplan wordt de procedure voor de vaststelling van het projectplan waterwet doorlopen. In het projectplan waterwet zijn de hydrologische situatie en de effecten van het plan hierop beschreven. Effecten van het plan Ter onderbouwing van de plannen is door het Waterschap onderzoek gedaan naar de hydrologische situatie en de effecten van het plan hierop. De resultaten van dit onderzoek worden hieronder samengevat. Zomer- en winterpeilen De uit te voeren maatregelen zorgen voor een verandering van de oppervlaktewaterstanden, de grondwaterstanden en de extreme waterstanden. In deze paragraaf zijn de optredende effecten beschreven en de gevolgen die deze effecten hebben op de omgeving. De afvoer in de Nevengeul zal fluctueren tussen de 0,5 kuub per seconde in een droge zomerperiode en maximaal 4 kuub per seconde indien er voldoende water door de Vecht wordt afgevoerd (winterperiode).

Door de verschillende afvoeren worden andere waterpeilen berekend in de zomerperiode en winterperiode. De drooglegging in de zomerperiode is groter dan in de winterperiode. In de zomersituatie bedraagt de gemiddelde drooglegging 1,15 meter. Voor

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Nevengeul De Haandrik - Gramsbergen | PAGINA 34

de wintersituatie geldt een gemiddelde drooglegging van 0,75 meter. Riooloverstort Na een extreme bui voert het water uit stedelijk gebied onder andere af via de riolering. Het rioolstelsel is voorzien van overstorten. Deze overstorten treden in werking als het riool vol is (het water onvoldoende kan afvoeren) en problemen dreigen te ontstaan in stedelijk gebied. Het stedelijk gebied van Gramsbergen heeft één overstort, overstort Goordijk/Goudenregenstraat, die uitkomt op het winterbed van de Vecht. Uit de berekening blijkt dat de waterpeilen ruim onder de drempelhoogtes van de aanwezige overstort blijven, waardoor er geen Vechtwater in het riool terug zal stromen en het riool vrij kan afwateren. Inundaties winterbed Op delen langs de Vecht is een zandwerende kade aanwezig ook wel zomerkade genoemd. Deze zomerkade zorgt er onder andere voor dat de 'iets' hogere waterstanden binnen de oevers van de Vecht blijven en niet inunderen in het Winterbed. In de toekomstige situatie zal de nevengeul uitmonden in de Vecht waarbij een deel van de zomerkade doorgraven wordt en er een open verbinding ontstaat vanuit de Vecht met het Winterbed. Dit zorgt ervoor dat er eerder en mogelijk vaker inundaties in het winterbed optreden ten opzichte van voorheen. In de huidige situatie inundeert het winterbed, statistisch gezien circa één keer per jaar.

In de toekomstige situatie inundeert het winterbed, op de laagste plekken, circa twee à drie keer per jaar. De inundaties treden met name op langs de Nevengeul, omdat daar de laagste plekken in het maaiveld aanwezig zijn. De toegenomen inundaties leveren geen belemmeringen op voor het goed functioneren van het watersysteem. Hoogwaterveiligheid Het plan is getoetst op hoogwaterveiligheid. Het uitgangspunt is dat de waterstand in een T=200 situatie niet hoger mag worden. In de eerste berekening is uitgegaan van begroeiing langs de Nevengeul en van kruidenrijk- en faunarijk grasland (index natuur en landschap N12.02) op de percelen met bestemming 'natuur' en 'landbouw met beperkingen'. Door de toename van weerstanden worden hogere waterstanden in de T=200 situatie berekend. Om te voorkomen dat deze hogere waterstanden optreden wordt er in de hoogwaterperiode geen begroeiing toegestaan langs de Nevengeul en een aangepast beheer toegepast op de percelen met kruidenrijk- en faunarijk grasland. Deze percelen worden gedurende de hoogwaterperiode (1 oktober tot 1 april) een aantal keren gemaaid. Hierdoor is de weerstand in het winterbed gelijkwaardig aan de huidige situatie, waardoor dezelfde T=200 peilen worden berekend als in de huidige situatie. Grondwaterstanden De uit te voeren werkzaamheden zorgen ook voor een verandering van de grondwaterstanden.

Om de grondwaterstanden inzichtelijk te maken is een zogenaamd grondwatermodel (MIPWA) gebouwd. Met behulp van dit model is berekend wat de effecten zijn op de Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (hierna GLG) in de zomer/nazomer en de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (hierna GHG) in de winterperiode/het vroege voorjaar. De GLG in het gebied veranderd als gevolg van de werkzaamheden: In het bovenstroomse deel van de nevengeul, nabij de Haandrik, wordt de GLG in de zomerperiode hoger (ca. 0-20 centimeter) ten opzichte van de huidige situatie. Verklaring voor de verhoging van de GLG op deze locatie is dat de huidige zomerpeilen op de Vecht lager zijn dan de toekomstige peilen van de Nevengeul. In het middengedeelte van de nevengeul zijn geen veranderingen op de GLG berekend In het benedenstroomse gedeelte van de nevengeul, nabij Gramsbergen, is sprake van een verlaging van de GLG in de zomerperiode (ca. 0-30 centimeter) ten opzichte van de huidige situatie. Verklaring voor deze verlaging is dat de nevengeul licht drainerend werkt. bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Nevengeul De Haandrik - Gramsbergen | PAGINA 35

De veranderingen op de GHG laten hetzelfde beeld zien als de veranderingen op de GLG. Ook hier is te zien dat in het bovenstroomse deel van de nevengeul een verhoging optreed (ca. 0-20 centimeter). In het middengedeelte worden geen veranderingen berekend en in het benedenstroomse deel van de nevengeul wordt een verlaging berekend (ca. 0-30 centimeter). De verhoging dan wel verlaging van de grondwaterstand veroorzaakt mogelijk geotechnische risico's. Het waterschap heeft onderzoek laten uitvoeren om de risico's ten aanzien van zettingen, stabiliteit en onderloopsheid/piping te onderzoeken. Dit onderzoek is toegevoegd in Bijlage 8. Hierbij zijn drie locaties onderscheiden: Conclusie Locatie A (stedelijk gebied Gramsbergen): Op grotere diepte worden zettingsgevoelige lagen aangetroffen. Voor het maatgevende profiel is een zettingsberekening uitgevoerd voor een maximale daling van 0,10 m van de grondwaterstand in de zomerperiode. Uit de berekening volgt een maximale zetting van 6 millimeter in 30 jaar. De verwachte achtergrondzetting als gevolg van de natuurlijke veroudering van de grond wordt berekend op 12 centimeter over 30 jaar. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat de impact van zettingen als gevolg van de aanleg van de Nevengeul verwaarloosbaar klein is.

Conclusie Locatie B (spoordijk): Zettingen onder de spoordijk als gevolg van de verlaging van de grondwaterstand in de zomerperiode zijn dermate klein dat deze geen risico vormen. Ook wordt het risico op het optreden van onderloopsheid/piping door de verlaging van de zomergrondwaterstand niet vergroot en kan worden uitgesloten. Het onderzoek en de uitkomst daarvan is voorgelegd aan en besproken met ProRail. Conclusie Locatie C (spoordijk): Een verhoging van de grondwaterstand in de winterperiode heeft een minimale impact op de stabiliteit van het grondlichaam van de spoordijk. Op basis van de huidige inzichten in de ondergrond van de spoordijk is de impact zodanig klein dat deze als verwaarloosbaar beschouwd kan worden. Het onderzoek en de uitkomst daarvan is voorgelegd aan en besproken met ProRail. Conclusie De effecten van het plan op de hydrologische situatie zijn onderzocht en voldoende in beeld gebracht. Om het plan mogelijk te maken dient een projectplan waterwet te worden vastgesteld. Deze procedure wordt gecoördineerd met de procedure voor de vaststelling van dit bestemmingsplan. Het aspect water vormt, met het vaststellen van het projecplan waterwet, geen belemmering voor vaststelling van het bestemmingsplan. 4.5

Bedrijven en milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door bedrijven en milieuzonering. Onder bedrijven en milieuzonering wordt verstaan het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende activiteiten enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Bedrijven en milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de onderlinge afstand wordt gebruik gemaakt van de meest recente

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Nevengeul De Haandrik - Gramsbergen | PAGINA 36

VNG-publicatie 'Bedrijven & Milieuzonering', waarin richtafstanden zijn opgenomen. Een richtafstand wordt beschouwd als de minimaal aan te houden afstand tussen een milieubelastende activiteit en de milieugevoelige bestemming waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van milieubelastende (bedrijfs)activiteiten betreffende geluid, geur, stof en gevaar redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De genoemde maten zijn indicatief; met een goede motivering kan hiervan worden afgeweken. Situatie plangebied In dit plan worden geen nieuwe milieuhinder gevoelige bestemmingen, zoals woningen en scholen en nieuwe milieuhinder veroorzakende functies mogelijk gemaakt. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 4.6

Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij productie, gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, aardgas of LPG. Het aandachtsveld van externe veiligheid richt zich op zowel inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn als het transport van gevaarlijke stoffen. Dit vervoer kan plaatsvinden over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Dit is verankerd in diverse wet- en regelgeving, zoals het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit). Situatie plangebied Binnen het plangebied worden, met uitzondering van een hoge druk aardgasleiding, geen Bevi-inrichtingen, andere risicovolle inrichtingen of routes voor vervoer van gevaarlijke stoffen toegestaan en worden geen nieuwe (beperkt) kwetsbare functies mogelijk gemaakt. De hoge druk aardgasleiding is reeds aanwezig en wordt positief bestemd en voorzien van een beschermingszone.

De realisatie van de nevengeul vormt geen belemmering voor de aanwezigheid/bescherming van de hoge druk aardgasleiding, hierover is reeds afstemming geweest met de leidingenbeheerder. Hiermee is het aspect externe veiligheid voldoende verantwoord. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 4.7

Geluid

Bij het doorlopen van een procedure op grond van artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening geldt een onderzoeksplicht voor geluid. Dit onderzoek richt zich op woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen die binnen een geluidszone van een weg, een spoorweg of een industrieterrein zijn gelegen. Situatie plangebied In dit plan worden geen nieuwe geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen en scholen en nieuwe geluidproducerende bestemmingen zoals bedrijven en hoofdweginfrastructuur mogelijk gemaakt. Het aspect geluid hoeft dan ook niet te worden onderzocht. Conclusie bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Nevengeul De Haandrik - Gramsbergen | PAGINA 37

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 4.8

Luchtkwaliteit

Bij ieder ruimtelijke ontwikkeling moet toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit plaatsvinden. Er dient te worden vastgesteld welke gevolgen het project heeft voor de luchtkwaliteit. Met name de (toename van) autoverkeer heeft ten gevolge dat de luchtkwaliteit verslechtert. Daarnaast dient beoordeeld te worden of de luchtkwaliteit zodanig is dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. Voor het aspect 'luchtkwaliteit' zijn door de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. In deze wet zijn grenswaarden voor verschillende luchtverontreinigende stoffen opgenomen. Specifieke onderdelen van de wet zijn uitgewerkt in besluiten (AMvB's) en ministeriële regelingen. De belangrijkste zijn het Besluit en de Regeling NIBM (niet in betekenende mate bijdragen). Het Besluit NIBM staat ontwikkelingen toe wanneer de ontwikkeling 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij 3% van de grenswaarden genoemd voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) in de Wet milieubeheer. Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet milieubeheer vindt niet plaats.

Situatie plangebied Met het bestemmingsplan worden geen activiteiten mogelijk gemaakt die leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Grenswaarden ten aanzien van luchtkwaliteit worden dan ook niet door dit plan overschreden. Het bestemmingsplan staat bovendien geen functies toe waarvoor toetsing aan de luchtkwaliteit ter plaatse van belang is. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 4.9

M.e.r.-beoordeling

Bij ruimtelijke plannen en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu dient te worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage (m.e.r.) is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. Het wettelijk kader voor de m.e.r. is hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) en het daarbij behorende Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In het Besluit m.e.r. is geregeld voor welke plannen en besluiten daadwerkelijk een m.e.r.-procedure doorlopen moet worden. Bij het toetsen van plannen en besluiten aan het Besluit m.e.r. zijn er een drietal mogelijkheden: 1. M.e.r.-plicht: voor (onderdelen van) het plan of besluit is het uitvoeren van een m.e.r. verplicht; 2. M.e.r.-beoordelingsplicht: voor (onderdelen van) het plan of besluit moet eerst worden beoordeeld of het uitvoeren van een m.e.r. verplicht is; 3. Vormvrije m.e.r.-beoordeling: het plan of het besluit omvat een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit, maar deze activiteit ligt (ruim) beneden de in daarvoor in het Besluit m.e.r. opgenomen indicatieve drempelwaarden. Bij een m.e.r.beoordelingsplicht en een vormvrije m.e.r.beoordeling moet het bevoegd

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Nevengeul De Haandrik - Gramsbergen | PAGINA 38

gezag een besluit nemen over de m.e.r.plicht voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan. Situatie plangebied De activiteiten die het bestemmingsplan mogelijk maakt komen voor als activiteit in kolom 1 van de D-lijst van het Besluit m.e.r. Het gaat om: Categorie D9: In de D-lijst onder 9 wordt een landinrichtingsproject dan wel wijziging of uitbreiding daarvan aangemerkt als een relevante activiteit waarvoor beoordeeld moet worden of een MER noodzakelijk is, indien wordt voldaan aan de genoemde drempelwaarden. Bijbehorende drempelwaarde: “In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een functiewijziging met een oppervlakte van 125 hectare of meer van water, natuur, recreatie of landbouw of vestiging van een glastuinbouwgebied of bloembollenteeltgebied van 50 hectare of meer.” Categorie D16.1: In de D-lijst onder 16.1 wordt aangemerkt dat voor de ontginning dan wel wijziging of uitbreiding van de ontginning van steengroeven of dagbouwmijnen, met inbegrip van de winning van oppervlaktedelfstoffen uit de landbodem (anders dan bedoeld onder D 16.2), moet worden beoordeeld of een MER noodzakelijk is, indien wordt voldaan aan de genoemde drempelwaarde van 12,5 hectare of meer. Dit project omvat de aanleg van een nevengeul en de herinrichting van de omliggende gronden.

Aan de drempelwaarde voor een landinrichtingsproject (125 hectare of meer) wordt niet voldaan. De ontgronding die plaatsvindt voor de realisatie van de nevengeul heeft een oppervlak van circa 6,5 hectare. Derhalve wordt ook niet aan deze drempelwaarde (12,5 hectare) voor een verplichte m.e.r.-beoordeling voldaan. Het plan is dus niet m.e.r.-beoordelingsplichtig. Voor dit project is een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling uitgevoerd (Bijlage 9). Deze (vormvrije) m.e.r.-beoordeling heeft geleid tot de conclusie dat geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt. Conclusie Op basis van de uitgevoerde (vormvrije) m.e.r.-beoordeling heeft het college van burgemeester en wethouders besloten dat geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt. Dit besluit is opgenomen als Bijlage 10. 4.10

Niet-gesprongen explosieven

Door Explosive Clearance Group (ECG) is een vooronderzoek uitgevoerd naar de mogelijke aanwezigheid van niet-gesprongen explosieven (Bijlage 11). Uit dit onderzoek blijkt dat er geen sprake is van een feitelijk verdacht gebied. Conclusie Het onderzochte gebied is als onverdacht beoordeeld. Er is derhalve geen verder onderzoek nodig.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Nevengeul De Haandrik - Gramsbergen | PAGINA 39

4.11

Vogelgriep

Sovon Vogelonderzoek Nederland en Wageningen University & Research hebben onderzoek gedaan naar de effecten van de beoogde plannen op het risico op insleep van vogelgriepvirus op pluimveebedrijven in de omgeving van het plangebied (Bijlage 12). In het onderzoek wordt aangegeven dat het risico op insleep van vogelgriep op commerciële pluimvee-bedrijven rond Gramsbergen als zeer laag wordt ingeschat. Ingeschat wordt dat door de realisatie van de Vechtrijk Gramsbergen fase 1 (waaronder het Stadsfront) het risico op insleep van het vogelgriepvirus op deze pluimvee-bedrijven niet of nauwelijks zal toenemen. De veranderingen in de aantallen overwinterende watervogels rond Gramsbergen zullen naar verwachting gering zijn. Tevens is er sprake van een vrij grote buffer van ten minste 900 m zonder commerciële pluimveebedrijven rondom het plangebied. Conclusie Bij de voorbereiding van dit bestemmingsplan is voldoende rekening gehouden met de gevolgen van een mogelijke uitbraak van vogelgriep. Als gevolg van de beoogde plannen neemt het risico op insleep van het vogelgriepvirus op pluimvee-bedrijven in de omgeving van het plangebied niet of nauwelijks toe.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Nevengeul De Haandrik - Gramsbergen | PAGINA 40

Hoofdstuk 5

Uitvoerbaarheid

In dit hoofdstuk wordt de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid beschreven. 5.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.1.1

Inspraak

Belanghebbenden/belangstellenden zijn tijdens verschillende inloopbijeenkomsten in de gelegenheid geweest om zich te informeren over de plannen. Enkele wensen uit de omgeving hebben aanleiding gegeven om de plannen op detail wat te wijzigen. Dit heeft zich uiteindelijk vertaald in het voorliggend ontwerp. Inspraak op een voorontwerp bestemmingsplan wordt daarom achterwege gelaten. 5.1.2

Overleg

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moet overleg plaatsvinden met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Het bestemmingsplan is voor vooroverleg voorgelegd aan de provincie Overijssel. De reactie van de gemeente Provincie Overijssel is verwerkt in de plannen. 5.1.3

Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft gelijktijdig met het ontwerp-projectplan Waterwet, de ontwerp-ontheffing Wet natuurbescherming (soorten), de ontwerp-Ontgrondingsvergunning en de ontwerp-omgevingsvergunning ter inzage gelegen vanaf donderdag 18 augustus 2022. Iedereen heeft daarmee de gelegenheid gehad om de plannen in te zien en een zienswijze in te dienen. Op het ontwerp bestemmingsplan zijn in totaal 4 zienswijzen ingediend. Een reactie op de zienswijzen is gegeven in de zienswijzennota (Bijlage 13). Geen van de zienswijzen geeft aanleiding tot aanpassingen in het plan. Ambtshalve is er reden om het bestemmingsplan gewijzigd vast te stellen. De wijzigingen zijn beschreven in de zienswijzennota. 5.2

Economische uitvoerbaarheid

Financiële uitvoerbaarheid Een bestemmingsplan dient economisch uitvoerbaar te zijn, waardoor het plan inzicht moet geven in de financiële uitvoerbaarheid. Het Waterschap Vechtstromen draagt de kosten voor de uitvoering van de herinrichting. Voor het project is budget gereserveerd. Daarmee is het plan economisch uitvoerbaar. Exploitatieplan Dit bestemmingsplan maakt geen bouwplan als bedoeld in afdeling 6.4 Wet ruimtelijke ordening mogelijk. Op basis van de Grondexploitatiewet (afdeling 6.4 Wet ruimtelijke ordening) hoeft in dit geval geen exploitatieplan vastgesteld te worden.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Nevengeul De Haandrik - Gramsbergen | PAGINA 41

Hoofdstuk 6 6.1

Juridische regeling

Procedure bestemmingsplan

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn wettelijke regels voor de bestemmingsplanprocedure vastgelegd. Hierin zijn de volgende fasen onderscheiden: Voorbereidingsfase Door het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Hardenberg is, overeenkomstig artikel 1.3.1. van het Bro kennis gegeven van het voornemen om het bestemmingsplan te wijzigen. Kennisgeving heeft plaatsgevonden op 16 maart 2022. Het indienen van zienswijzen is in deze fase niet mogelijk. Terinzageleggingsfase Na de aankondiging in het elektronisch Gemeenteblad en in plaatselijk blad De Toren wordt het ontwerp bestemmingsplan voor een periode van 6 weken ter inzage gelegd. In deze periode kan iedereen een zienswijze op het ontwerp bestemmingsplan indienen. Vaststellingsfase Na de termijn voor de ter inzage legging wordt het plan voor vaststelling voorgelegd aan de gemeenteraad, zo nodig met aanpassingen. Beroepsfase Na de vaststelling van het bestemmingsplan wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt en wordt het vastgestelde bestemmingsplan ter inzage gelegd. 6.2

Plansystematiek

Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn de Wro, het Bro en de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP2012) toegepast. De SVBP2012 bevat een aantal juridische regels die moeten worden opgevolgd. In het Bro is een formulering opgenomen ten aanzien van de antidubbeltelregel en het overgangsrecht. Deze teksten zijn neergelegd in de planregels. 6.3

Toelichting op de regels

Deze paragraaf bevat een beschrijving van de bestemmingen, waarbij per bestemming het doel of de doeleinden worden aangegeven. Daarnaast wordt in deze paragraaf ingegaan op de overige regels uit het bestemmingsplan. Conform SVBP2012 zijn de regels onderverdeeld in vier hoofdstukken. Voor de regels is zoveel mogelijk aangesloten bij het bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg. Hoofdstuk1 Inleidende regels Hoofdstuk 1 van de regels bevat de inleidende regels, waaronder de begrippen en de wijze van meten. Artikel 1: Begrippen In artikel 1 van de regels worden waar nodig de in de regels gebruikte begrippen verklaard. Dit is alleen het geval wanneer begrippen niet op voorhand voor een eenduidige uitleg,

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Nevengeul De Haandrik - Gramsbergen | PAGINA 42

conform normaal spraakgebruik, vatbaar zijn. Artikel 2: Wijze van meten De wijze waarop maten, afstanden en dergelijke gemeten moeten worden, is opgenomen in artikel 2. Hoofdstuk2 Bestemmingsregels Hoofdstuk 2 van de regels bevat de bestemmingsregels voor het gehele plangebied. Artikel 3: Agrarisch met waarden - Beekdallandschap De gronden binnen deze bestemming zijn bestemd voor permanent grasland, waarbij bemesten en beweiden plaats vinden conform de beheeradviezen behorend bij natuurdoeltype N12.02. Er is geen bouwvlak opgenomen waardoor er geen bouwmogelijkheden zijn voor agrarische bedrijven. Om de waterveiligheid in het plangebied te garanderen, is als aanvullende voorwaarde opgenomen dat de belangen van de waterveiligheid primair zijn ten opzichte van de belangen van de andere toegestane functies. Vergunningstelsel Er is een 'omgevingsvergunningplicht' opgenomen voor werken en werkzaamheden die de waarden van het gebied mogelijk negatief kunnen beïnvloeden. Het gaat om een zogenaamd 'aanlegvergunningenstelsel'. Het vergunningenstelsel is afgestemd op de specifieke kwaliteiten van het landschapstype. Werkzaamheden die worden uitgevoerd overeenkomstig het inrichtingsplan behorende bij dit bestemmingsplan zijn vrijgesteld van een vergunningplicht omdat de uitvoerbaarheid hiervan reeds middels dit bestemmingsplan is aangetoond.

Wijzigingsbevoegdheid Via een wijzigingsbevoegdheid is het mogelijk natuurontwikkeling en water mogelijk te maken op het moment dat het agrarische gebruik beëindigd is. Artikel 4: Natuur - Beekdallandschap Deze bestemming is toegekend aan de bestaande en nieuwe natuur. Hier mogen geen gebouwen worden opgericht, maar wel bouwwerken ten dienste van de bestemming tot 3 meter hoog. De gronden zijn eveneens bestemd voor het instandhouden van de aanwezige natuur- en landschapswaarden. Via een afwijkingsmogelijkheid en hieraan gekoppelde voorwaarden kunnen gebouwen als schuilgelegenheden en bergingen worden gebouwd. Voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden binnen deze gronden is een omgevingsvergunning vereist (voormalig aanlegvergunningstelsel). Normaal gebruik en onderhoud is van deze bepalingen uitgesloten, evenals het werken volgens het bijgevoegde inrichtingsplan, omdat de uitvoerbaarheid hiervan reeds middels dit bestemmingsplan is aangetoond. Artikel 5: Water Dit artikel beschermt de aanwezige watergangen en -partijen, inclusief de taluds en schouwpaden. Hier mogen alleen bouwwerken ten dienste van de bestemming worden opgericht met een maximale hoogte van 6 m. Deze bestemming maakt eveneens de aanleg van de nevengeul mogelijk. Artikel 6: Leiding - Gas Een gasleiding die het gebied doorkruist is positief bestemd via de dubbelbestemming 'Leiding - Gas'.

De bescherming van deze leiding vindt onder andere plaats via de omgevingsvergunning (voormalige aanlegvergunning). Binnen de dubbelbestemming valt ook de belemmeringenstrook voor het onderhoud van de leidingen. De belemmeringenstrook bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Nevengeul De Haandrik - Gramsbergen | PAGINA 43

bedraagt vijf meter aan weerszijden van de buisleidingen gemeten vanuit het hart van de buisleiding. Artikel 7: Waarde - Archeologie 4 De gemeente Hardenberg kent een eigen archeologiebeleid, waarin een indeling is gemaakt in categorie 1 tot en met 5. De gemeente heeft per categorie voorbeeldplanregels opgesteld. Dit archeologiebeleid is in dit bestemmingsplan overgenomen. Bij ingrepen met een oppervlakte groter dan 500 m2 en een diepte van meer dan 50 cm kunnen een archeologisch onderzoek en een omgevingsvergunning vereist zijn. Als aangetoond kan worden dat de betreffende gronden geroerd zijn en de trefkans op archeologische waarden gering is, dan kan afgezien worden van een archeologisch (veld)onderzoek en is geen omgevingsvergunning nodig voor het uitvoeren van werken. Artikel 8: Waarde - Archeologie 5 De gemeente Hardenberg kent een eigen archeologiebeleid, waarin een indeling is gemaakt in categorie 1 tot en met 5. De gemeente heeft per categorie voorbeeldplanregels opgesteld. Dit archeologiebeleid is in dit bestemmingsplan overgenomen. Bij ingrepen met een oppervlakte groter dan 2500 m2 en een diepte van meer dan 50 cm kunnen een archeologisch onderzoek en een omgevingsvergunning vereist zijn.

Als aangetoond kan worden dat de betreffende gronden geroerd zijn en de trefkans op archeologische waarden gering is, dan kan afgezien worden van een archeologisch (veld)onderzoek en is geen omgevingsvergunning nodig voor het uitvoeren van werken. Hoofdstuk3 Algemene regels Hoofdstuk 3 van de bestemmingsregels omvat de algemene regels. De algemene regels gelden in het algemeen voor het gehele bestemmingsplan en staan min of meer los van de specifieke bestemmingsregels en worden om die reden altijd in een apart hoofdstuk opgenomen. Artikel 9: Anti-dubbeltelregel De antidubbeltelregel is een verplichte standaardbepaling die voor dit plangebied weinig betekenis heeft. Artikel 10: Algemene bouwregels In dit artikel zijn specifieke bouwregels opgenomen voor bouwwerken welke worden gebouwd in de nabijheid van de bestemming water. Artikel 11: Algemene gebruiksregels In dit artikel is een standaardbepaling over parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheid opgenomen. Artikel 12: Algemene afwijkingsregels De algemene afwijkingsregels bieden enige flexibiliteit als het gaat om het afwijken van in het plan opgenomen maten en bieden ruimte om bepaalde voorzieningen te kunnen realiseren. Artikel 13: Algemene wijzigingsregels In dit artikel zijn de regels opgenomen op grond waarvan het college van Burgemeester en Wethouders bevoegd is het plan te wijzigen.

Artikel 14: Overige regels In de Overige regels wordt ingegaan op de werking van bestaande wettelijke regelingen en de welstandstoets bij de bouw van gebouwen. Dit bestemmingsplan staat het gebruik van de gronden en gebouwen als seksinrichting niet toe.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Nevengeul De Haandrik - Gramsbergen | PAGINA 44

Dit bestemmingsplan verzet zich niet tegen het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van evenementen, als bedoeld in de Algemene Plaatselijke Verordening. Wel moet men over een evenementenvergunning beschikken. Hoofdstuk4 Overgangs- en slotregels In Hoofdstuk 4 zijn, overeenkomstig de in het Bro voorgeschreven formulering van het overgangsrecht en de SVBP2012, de overgangs- en slotregels in de afsluitende artikelen 15 en 16 van de regels opgenomen.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Nevengeul De Haandrik - Gramsbergen | PAGINA 45

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12229642/2