CConstaterende datHardenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting bestemmingsplan "Buitengebied Hardenberg, Kanaalweg Oost 51a Bergentheim en Rheezerveenseweg 27 Heemserveen"

gemeenteraad 20 juni 2023, gemeente HardenbergBij agendapunt: Het ongewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan "Buitengebied Hardenberg, Kanaalweg Oost 51a Bergentheim en Rheezerveenseweg 27 Heemserveen" (het slopen van landschapsontsierende bebouwing en het bouwen van een twee-onder-één-kap-woning)21.140 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

3.3.1.5 Aandachtspunten voor natuurlijke en landschappelijke kwaliteiten De natuurlijke en landschappelijke kwaliteiten in het landelijk gebied blijven voortdurend aandacht vragen. Natuur en landschap staan onder druk, vanwege de energietransitie, klimaatmaatregelen en de transitie in de landbouw. Tegelijk vormen deze ontwikkelen juist een kans om bij te dragen aan de Landstad Hardenberg en de ‘regio van het gezonde leven’. In de dialoog ‘bouw je eigen buurt’ was de zorg voor een gezonde en groene leefomgeving een speerpunt. Een goede landschappelijke en ruimtelijke inpassing van vrijkomende agrarische bebouwing is hiervan een voorbeeld. De regeling ‘Erven met kwaliteit’ (voorheen rood-voor-rood) blijft hierbij het kader. Dit sluit aan bij de landelijke trend om meer ruimtelijke kwaliteit toe te voegen in de fysieke leefomgeving. Ruimtelijke kwaliteit ziet de gemeente als “datgene wat ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is”. De provincie gebruikt deze omschrijving ook. Ambities: bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Kanaalw eg Oost 51a Bergentheim en Rheezerveensew eg 27 Heemserveen | PAGINA 29

De gemeente geeft een extra kwaliteitsimpuls aan de groene omgeving waarbij de verschillende landschappen herkenbaarder worden. Gebiedsgerichte projecten versterken enerzijds de landschappelijke relaties en biodiversiteit in het landelijk gebied zelf en anderzijds de relatie tussen het landelijk gebied en de kernen. Dit overstijgt de huidige perceelsgerichte benadering. De gemeente zoekt naar nieuwe economische dragers in het landelijk gebied om gebiedsgerichte projecten te kunnen financieren. Een voorbeeld is het bieden van ruimte aan tweede woningen. De investeringsruimte die hiermee ontstaat zet de gemeente in voor kwaliteitsverbetering van de fysieke leefomgeving van het buitengebied. De gemeente onderzoekt hoe inkomsten uit grootschalige(r) toekomstige ontwikkelingen in het landelijk gebied kunnen inzetten voor de kwaliteit van de groene leefomgeving. Denk aan koppeling van geldstromen rond de energietransitie of klimaatadaptatie. Dit kunnen ook nieuwe economische dragers in het landelijk gebied worden. De gemeente stimuleert groenblauwe diensten ter ondersteuning van de gebiedsgerichte projecten. Deze dragen bij aan nieuwe kwaliteitsimpulsen voor de groene leefomgeving. 3.3.1.6 Toetsing van het initiatief aan de gemeentelijke omgevingsvisie 'Landstad Hardenberg' Deze ontwikkeling draagt bij aan de algemene ambitie van de gemeente, namelijk kwaliteit toevoegen.

De sloop van landschapontsierende bebouwing en realisatie van toekomstbestendige woningen draagt hier aan bij. Ten aanzien van het thema 'Hardenberg in Balans' geldt dat het initiatief bijdraagt aan het vitaal houden van het landelijk gebied en de versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Daarnaast geldt voor de natuurlijke en landschappelijke kwaliteiten dat specifiek benoemd is dat het beleid 'Erven met kwaliteit' bijdraagt aan een versterking van deze kwaliteiten. Voorliggende ontwikkeling is daar een voorbeeld van. Wat betreft de te realiseren woningen aan de Kanaalweg-Oost wordt voorzien in kwalitatieve en kwantitatieve behoefte. Er zijn namelijk al concrete kopers op het oog. Daarnaast sluit het voorgenomen ontwerp goed aan op de stedenbouwkundige en functionele structuur van de omgeving. Samenvattend wordt gesteld dat het initiatief past binnen de omgevingsvisie 'Landstad Hardenberg'. 3.3.2

Visienota Buitengebied Hardenberg

3.3.2.1 Algemeen De gemeente Hardenberg heeft de hoofdlijnen van het nieuwe ruimtelijke beleid voor het totale buitengebied van de gemeente Hardenberg geformuleerd in de 'Visienota Buitengebied Gemeente Hardenberg'. De nota richt zich vooral op de realisatie van ruimtelijke kwaliteiten in het buitengebied. De ruimtelijke visie zoals vastgelegd in de visienota heeft de basis gevormd voor de bestemmingsplannen “Buitengebied Hardenberg, Reestdal en Bergentheim-Zuid” en “Buitengebied Hardenberg”. De hoofddoelen van het ruimtelijk beleid zoals verwoord in de 'Visienota Buitengebied' zijn: Op een duurzame en efficiënte wijze ruimte scheppen voor de verschillende ruimtevragende functies; Het vergroten van de leefbaarheid van het platteland; Het vergroten van de ruimtelijke kwaliteit. Deze hoofddoelen zijn in de visienota als volgt vertaald: 1. een thematische benadering van het buitengebied (8 thema's); 2. een gebiedsgerichte benadering van het buitengebied; 3. uitgangspunt hierbij: de landschapstypen en de visuele landschapskenmerken; 4. een ontwikkelingsgerichte wijze van bestemmen.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Kanaalw eg Oost 51a Bergentheim en Rheezerveensew eg 27 Heemserveen | PAGINA 30

3.3.2.2 Thematische benadering - visie De visie voor de 8 thema's wordt hierna weergegeven, in dit geval is voor het thema 'wonen' van belang. Het gemeentelijk beleid ten aanzien van het thema 'wonen' is gericht op: Behoud van een gevarieerd woningaanbod in het buitengebied, zowel qua inhoud van de woningen als qua verschijningsvorm; De afstemming van de maximale inhoudsmaat van woningen in het buitengebied op de gebiedskenmerken; Het bieden van ruime mogelijkheden voor inwoning; Het bieden van de mogelijkheid om aan vrijgekomen agrarische bedrijfsgebouwen een woonfunctie toe te kennen; waarbij ruimere mogelijkheden gelden naarmate meer oppervlakte aan landschapsontsierende bedrijfsgebouwen worden afgebroken; Het tegengaan van permanente bewoning van recreatiewoningen; Het bieden van ruimte voor opvulling van open gaten in bebouwingslinten met woningbouw of kleinschalige bedrijvigheid. 3.3.2.3 Gebiedsgerichte benadering 3.3.2.3.1 Algemeen De deelgebieden Kanaalweg-Oost 51a en Rheezerveenseweg 27 liggen binnen het gebied 'Bergentheim Zuid'. Hierna wordt op het betreffende gebied ingegaan. 3.3.2.3.2 Dedemsvaart-Zuid, Colenbranderbos, Slagharen-Oost/West, De Krim, Bergentheim Zuid Voor dit gebied geldt als landschapstype: Veenontginningslandschap.

Kenmerkend zijn de openheid, regelmaat, vlakke ligging, openstrekkende strokenverkaveling, herkenbare wijkenstructuur en bebouwing langs de ontginningsassen. De functies zijn met name gericht op landbouw en foerageergebied voor overwinterende vogels. De ontwikkelingsrichting is hoofdzakelijk gericht op landbouw. De locaties aan de Kanaalweg-Oost 51a is met een gele stip aangeduid. De locatie Rheezerveenseweg 27 is met rode stip aangeduid.

Afbeelding 3.7: Uitsnede gebiedsgerichte benadering Bergentheim-Zuid (Bron: Gemeente Hardenberg) bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Kanaalw eg Oost 51a Bergentheim en Rheezerveensew eg 27 Heemserveen | PAGINA 31

3.3.2.4 Toetsing van het initiatief aan de Visienota Buitengebied Hardenberg Door de sloop van de landschapsontsierende bebouwing en de realisatie van compensatiewoningen wordt bijgedragen aan de hoofddoelen van de visienota, die gericht zijn op het vergroten van de leefbaarheid en de ruimtelijke kwaliteit. Ook wordt bijgedragen aan enkele punten die genoemd zijn in de thematische visie omtrent wonen, te weten: het behoud van een gevarieerd woningaanbod in het buitengebied en het bieden van mogelijkheid om aan vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen een woonfunctie toe te kennen, waarbij landschapsontsierende bebouwing gesloopt wordt. Wat betreft de gebiedsgerichte benadering geldt voor beide locaties dat er sprake is van een adequate landschappelijke inpassing, aansluitend bij de kenmerken en karakteristieken van het daar voorkomende landschap. Hiervoor is een ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld. Verwezen wordt naar paragraaf 2.2, waar dit per locatie separaat is toegelicht. De gebiedsgerichte benadering voor het Vechtdal gaat met name uit van natuur en recreatie. De gebiedsgerichte benadering voor Bergentheim-Zuid gaat met name uit van landbouw. In dit geval is een nuancering mogelijk. De woningen worden in dit geval goed ingepast en vormen geen belemmering voor de doelstellingen van de betreffende deelgebieden.

Daarnaast vormen ze geen belemmering voor omliggende (agrarische) bedrijven. Samenvattend wordt geconcludeerd dat het initiatief in overeenstemming is met de Visienota Buitengebied. 3.3.3

Beleidsnotitie Erven met kwaliteit

3.3.3.1 Inleiding De gemeente Hardenberg heeft in februari 2020 de beleidsnotitie 'Erven met kwaliteit' vastgesteld. Aanleiding voor het opstellen van deze notitie is de onlangs gehouden evaluatie van het rood voor rood beleid van de gemeente Hardenberg. Dit beleid dateert uit 2006 en is, na een eerste evaluatie in 2010, in het voorjaar van 2019 opnieuw geëvalueerd. Uitkomst van deze evaluatie is, dat het beleid niet meer goed aansluit bij de huidige praktijk. Daarom is besloten om het beleid te vervangen door nieuw beleid, met ruimere toepassingsmogelijkheden. De doelstelling van het beleid blijft echter onveranderd, namelijk de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied, door de sloop van landschapsontsierende gebouwen. 3.3.3.2 Gebiedsgerichte benadering Het bestemmingsplan Buitengebied (2014) kent een gebiedsgerichte benadering. De basis hiervoor is gelegd in de visienota Buitengebied. De gebiedsgerichte benadering houdt in, dat in het ruimtelijk beleid rekening wordt gehouden met de zes verschillende landschapstypen in de gemeente, te weten de open en besloten veenontginningen, de open en besloten heideontginningen, de essen en hoevenlandschappen en de beekdalen van de Vecht en de Reest. Per landschapstype verschillen de bouw- en ontwikkelingsmogelijkheden.

Zo zijn de grootschalige, open heide- en veenontginningslandschappen aangewezen als agrarische ontwikkelingsgebieden, omdat landbouw de functie is die het best bij de gebiedskenmerken past. In de kleinschaliger gebieden wordt daarnaast ook veel ruimte geboden voor andere functies, zoals wonen, natuur en recreatie. Het beleid kent een functionele gebiedsgerichte benadering. Dat wil zeggen dat in de gebieden die primair zijn aangewezen voor de landbouw zeer terughoudend wordt omgegaan met de toepassing van rood voor rood. Daar wordt de “nee, tenzij” benadering toegepast. Het gaat dan om de gebieden die in de visienota Buitengebied zijn aangewezen als agrarisch ontwikkelingsgebied, te weten: Bergentheim-Zuid, Dedemsvaart-Zuid, Slagharen-De Krim en Westerhuizingerveld. In de overige gebieden wordt de “ja, mits” benadering toegepast. Deze benadering houdt in dat in agrarische ontwikkelingsgebieden wel schuren als landschapsontsierend kunnen worden aangemerkt maar dat in deze gebieden geen nieuwe woningen worden toegestaan, vanwege de mogelijke belemmering voor de

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Kanaalw eg Oost 51a Bergentheim en Rheezerveensew eg 27 Heemserveen | PAGINA 32

landbouwontwikkeling. 3.3.3.3 Landschapsontsierend Het belangrijkste uitgangspunt voor het bepalen van de landschapsontsierendheid van een gebouw is dat een erf niet op zichzelf staat, maar een eenheid vormt met het landschap. De eenheid tussen het erf en zijn omgeving komt tot uiting in stedenbouwkundige opzet en de landschappelijk structuur van het gebied. (hoe gaat het erf op in zijn omgeving). Per landschapstype verschilt de stedenbouwkundige opzet en de landschappelijk structuur. Of een gebouw landschapsontsierend is, moet worden bezien in relatie tot de gebiedskenmerken (uit de LIK en de welstandsnota) en wordt bepaald door een aantal kenmerken, te weten: het volume; de vorm van het gebouw; het materiaalgebruik; het kleurgebruik; de uitstraling; de situering op het erf; de passendheid bij de overige bebouwing op het erf. Daarnaast kan een gebouw ook als landschapsontsierend worden aangemerkt als het geen (potentiële) gebruikswaarde meer heeft. Een gebouw waarvan aannemelijk is gemaakt dat het niet voor andere (economische) doeleinden geschikt is heeft namelijk geen gebruikswaarde, komt leeg te staan, verloedert en wordt daarmee vanzelf landschapsontsierend. 3.3.3.4 Sloopbewijzen De gemeente gaat werken met sloopbewijzen, waarbij een sloopbewijs kan worden verkregen van minimaal 200 m2 met asbest en minimaal 300 m2 zonder asbest.

Met de invoering van sloopbewijzen wordt het mogelijk om de te slopen landschapsontsierende gebouwen, meteen of op een later moment, in te brengen in een project waarvoor sloopcompensatie nodig is. De eigenaar van de schuren ontvangt een brief, wat geldt als sloopbewijs. Hierin wordt vastgelegd hoeveel oppervlakte in aanmerking komt voor inbreng in andere projecten. Het sloopbewijs is tien jaar geldig en is verhandelbaar. Voor het verkrijgen van een sloopbewijs gelden de volgende voorwaarden. 1. Het moet gaan om landschapsontsierende gebouwen; 2. De bebouwing is bestaand, danwel maximaal 6 maanden geleden gesloopt. Dit moet door de aanvrager worden aangetoond. 3. Als de aanvraag voor een sloopbewijs door een gemachtigde wordt ingevuld moet er bij de aanvraag een volmacht worden ingediend. 4. Bij de aanvraag moet een duidelijke situatietekening worden toegevoegd met daarop de gebouwen waarop de aanvraag betrekking heeft. Het gaat zowel om de gebouwen die gesloopt worden als de gebouwen die blijven staan. 5. Eigenaren die een sloopbewijs ontvangen moeten ermee akkoord gaan dat hun contactgegevens door de gemeente beschikbaar worden gesteld aan partijen die op zoek zijn naar sloopmeters voor een ontwikkeltraject. Dit maakt het mogelijk vraag en aanbod met elkaar te verbinden. De gemeente gaat uiteraard zorgvuldig met deze gegevens om.

3.3.3.5 Inzet voor woningbouw Minimaal te slopen oppervlakte De minimale sloopoppervlakte aan landschapsontsierende gebouwen voor de bouw van een woning bedraagt 850 m2 met asbest en 1.000 m2 zonder asbest. Bij de berekening van de (minimaal) te slopen oppervlakte blijft per bestaande woning 150 m2 aan gebouwen en overkappingen buiten beschouwing, omdat deze oppervlakte als bij de woning behorend bouwwerk mag blijven staan of worden teruggebouwd en daarom niet blijvend wordt gesaneerd. Bebouwing waarop deze regeling van toepassing is, moet blijvend worden gesloopt. Dat bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Kanaalw eg Oost 51a Bergentheim en Rheezerveensew eg 27 Heemserveen | PAGINA 33

houdt in dat de mogelijkheid tot herbouw wordt wegbestemd. Dat kan bijvoorbeeld door de agrarische bestemming, met bijbehorend bouwvlak om te zetten in een woonbestemming. Voor de inrichting van het erf moet een ruimtelijke kwaliteitsplan worden gemaakt. Het aantal woningen dat mag worden gebouwd is afhankelijk van de te slopen oppervlakte aan landschapsontsierende bebouwing. Hierbij gelden de volgende maatvoeringen.

Bij combinaties van sloop met en zonder asbest wordt naar rato gerekend. Locatie nieuwbouw Deze regeling gaat in de eerste plaats uit van de bouw van de nieuwe woning(en) op het eigen erf, dat wil zeggen op het erf van de slooplocatie. Dit uitgangspunt komt voort uit de gebiedsgerichte benadering: de slooplocatie en de ontwikkellocatie moeten zo dicht mogelijk bij elkaar liggen. De bouw van de compensatiewoning moet daarom bij voorkeur op het bestaande erf plaatsvinden en als dat niet lukt in hetzelfde gebied. Deze benadering is ook opgenomen in de structuurvisie Kwaliteitsimpuls landschap. Er zijn echter slooplocaties waar de inpassing van een nieuwe woningbouwkavel ter plekke niet mogelijk of gewenst is. Bijvoorbeeld door de ligging in een agrarisch ontwikkelingsgebied, de aanwezigheid van een agrarisch bedrijf in de directe omgeving of omdat het erf er zich, door zijn opbouw, niet voor leent. Daarnaast kan de eigenaar er zelf voor kiezen om af te zien van herbouw op de eigen locatie. In die gevallen kan elders in de gemeente een bouwlocatie worden toegekend, al dan niet via de uitgifte van een sloopbewijs. De gemeente wil voorkomen dat het buitengebied “dichtslibt” met woningen. Dat zou ten koste gaan van het groene karakter van het buitengebied. Daarom wordt het uitgangspunt gehanteerd dat nieuwe bouwkavels moeten aansluiten op bestaande bebouwing.

Daarmee wordt bedoeld: een locatie op een bestaand erf in het buitengebied, in lintbebouwing of in, danwel direct aan, een dorp of buurtschap. Om landschappelijke redenen zijn echter geen nieuwe erven gewenst in het beekdallandschap en het essen- en hoevenlandschap, daar kan dus alleen op bestaande erven worden gebouwd. De begrenzing van een bestaand erf wordt bepaald door de feitelijke situatie en niet door de juridische begrenzing van de (woon)bestemming. Eén erf-gedachte Bij de erfinrichting hanteert de gemeente de één-erfgedachte. De één-erf-gedachte houdt in dat zowel de nieuwe inrichting van het erf als de nieuwe bebouwing op het erf bijdragen aan het behoud en zo mogelijk het versterken van de oude erfstructuur. Het karakter van het agrarische erf moet ook na functieverandering nog beleefbaar zijn. Vaak leidt de één-erfgedachte er toe dat er sprake is van één gezamenlijke inrit en van een centraal erf, van waaruit de verschillende woningen en bijgebouwen bereikbaar zijn, maar dat hoeft niet altijd het geval te zijn. Vanuit de één-erfgedachte moet in elk geval worden voorkomen dat er tussen de woningen schuttingen of gesloten hagen worden aangebracht, waardoor er visueel gescheiden erven ontstaan. 3.3.3.6 Motie twee- of driek apper De gemeenteraad van de gemeente Hardenberg heeft een motie aangenomen voor het realiseren van twee- of driekappers.

Als tegenprestatie voor het realiseren van een tweekapper met een gezamenlijke inhoud van 1.000 m3 is een tegenprestatie van de sloop van 1.275 m2 aan landschapontsierende bebouwing met asbeset benodigd. Voor de sloop van 425 m2 met asbest kan de extra woning dus worden toegestaan. De gemeenteraad draagt het college van B&W op om vijf pilots te doen op basis van deze regeling.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Kanaalw eg Oost 51a Bergentheim en Rheezerveensew eg 27 Heemserveen | PAGINA 34

3.3.3.7 Toetsing van het initiatief aan de beleidsnotitie 'Erven met kwaliteit' In geval van voorgenomen ontwikkeling wordt er 1.657 m2 (waarvan 303 m2 asbestvrij en 1.354 m2 met asbest) aan landschapontsierende bebouwing aan de Rheezerveenseweg 27 gesloopt. Hiervoor is op 24 maart 2021 een sloopbewijs afgegeven. Hiervan wordt 1.275 m2 aan bebouwing met asbest ingezet om een tweekapper te realiseren aan de Kanaalweg-Oost 51a, een open plek in de (planologische) bebouwde kom van Bergentheim. Op grond van de beleidsnotitie 'Erven met Kwaliteit' dient er voor het toestaan van één woning 850 m2 aan bebouwing met asbesthoudende materialen gesloopt te worden. Bij de vaststelling van dit beleid heeft de gemeenteraad echter ook een motie aangenomen waarbij zij het college opgedragen heeft om een pilot te starten waarbij op basis van de beleidsnotitie twee- of drie-onder-één-kapwoningen gerealiseerd mogen worden waarbij een gereduceerde sloopoppervlakte als voorwaarde dient. Ook dit project is als pilot aangemerkt waarbij voor een twee-onder-één-kapwoning 1,5 keer de sloopeis is gehanteerd in plaats van twee keer. Dat betekent in dit geval dat er 1.275 m2 aan bebouwing met asbesthoudende materialen wordt ingezet in plaats van 1.700 m2. Het nieuwe woonerf aan de Kanaalweg-Oost 51a wordt landschappelijk ingepast conform de daar geldende gebiedskenmerken.

Voor de locatie Rheezerveenseweg 27 wordt de aanplant van de bomenrij langs gehele westelijke perceelrand als voorwaardelijke verplichting geborgd, zodat deze ook instandgehouden dient te worden. Al met al is er sprake van een aanzienlijke verbetering van de ruimtelijke kwaliteit als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. De voorgenomen ontwikkeling is dan ook in overeenstemming met de beleidsambities van de beleidsnotitie 'Erven met Kwaliteit' en de door de gemeenteraad aangenomen motie. 3.3.4

LIK (Landschap Identiteit Kaarten)

3.3.4.1 Inleiding De gemeente heeft voor het gebied een Landschap-Identiteit-Kaart (LIK) gemaakt. In de LIK wordt de identiteit van het gebied bepaald zoals de specifieke kenmerken en kwaliteiten. Op deze wijze wil de gemeente de ruimtelijke kwaliteit van het gebied versterken. 3.3.4.2 Methodiek LIK's De gemeente Hardenberg wil regie voeren op de ontwikkeling van het landelijk gebied. Daarbij wil de gemeente een meer richtinggevende rol gaan innemen, gericht op het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Ruimtelijke kwaliteit is echter een breed begrip, dat deels subjectief van aard is. In de Visienota Buitengebied is dit gedefinieerd als “eigen identiteit”. De identiteit van het gebied komt voort uit de ontstaansgeschiedenis en de daarmee samenhangende landschapstypen. In de LIK is daarom een onderscheid gemaakt tussen de verschillende landschapstypen die in het gebied voorkomen. Vervolgens is voor het gebied een schema opgesteld, waarin een overzicht is opgenomen van de aanwezige waardevolle en storende kenmerken. Ook zijn de kansen of juist bedreigingen voor deze kenmerken omschreven. De schema's ten aanzien van de landschapstypen zijn opgenomen in het volledige LIK. Na het opstellen van de LIK's is een visie (wensbeeld) op de toekomstige ontwikkelingen gegeven.

Hierbij is rekening gehouden met de gebiedskenmerken en kwaliteiten uit de LIK's en het geldende beleid van rijk, provincie, waterschap en het gemeentelijke beleid. Hierna wordt separaat op de verschillende locaties ingegaan. 3.3.4.3 Ontwikkelingsvisie Dedemsvaart Zuid – Rheezerveen - Heemserveen. De locatie Rheezerveenseweg 27 ligt in het besloten veenontginningslandschap. De ontwikkelingsvisie voor het 'Besloten veenontginninglandschap' binnen deelgebied "Dedemsvaart Zuid – Rheezerveen - Heemserveen'' is als volgt gedefinieerd. Voor dit type landschap is een swot-analyse opgesteld waarin de sterke/zwakke punten alsmede de kansen en bedreigingen worden genoemd. Hieronder enkele sterke punten van het gebied: Bebouwing: verspreide bebouwing langs wegen Routing: strak, rechtlijnig wegenpatroon Verkaveling: rationele, lange strokenverkaveling vanaf ontginningsassen bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Kanaalw eg Oost 51a Bergentheim en Rheezerveensew eg 27 Heemserveen | PAGINA 35

Beplantingspatronen: wegbeplanting Erven: rechthoekige erven, met kopgevel naar de weg Massa/ruimte en reliëf: halfopen tot besloten landschap Grond-/landgebruik: agrarisch, bos en recreatie Functie & activiteit: diverse functies zoals landbouw, wonen en recreatie 3.3.4.4 Ontwikkelingsvisie Bergentheim-Zuid De locatie aan de Kanaalweg-Oost 51a ligt binnen het open veenontginningslandschap. De voor dit plan relevante kansen, zoals genoemd in de ontwikkelingsvisie voor het 'Bergentheim-Zuid' binnen dit deelgebied betreffen: Behoud grootschaligheid/openheid; Verbeteren herkenbaarheid wijkenstructuur; Landbouw; ruimte voor schaalvergroting, nieuwvestiging (met uitzondering van de Rauwbloksweg). 3.3.4.5 Toetsing van het initiatief aan het LIK Voorliggend plan heeft betrekking op een ontwikkeling in het kader van de beleidsnotitie 'Erven met kwaliteit', waarbij agrarisch bedrijfsbebouwing wordt gesloopt en ter compensatie twee compensatiewoningen in één bouwvolume gebouwd worden. Voor alle locaties geldt dat er sprake is van een landschappelijke inpassing conform de daar voorkomende gebiedskenmerken. Bij het opstellen van het ruimtelijk kwaliteitsplan is rekening gehouden met de uitgangspunten van het LIK. Daarnaast is er in geen geval sprake van aantasting van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende functies.

Samenvattend wordt dan ook gesteld dat het initiatief in overeenstemming is met de verschillende LIK's. 3.3.5

Welstandsnota

3.3.5.1 Inleiding De gemeenteraad heeft op 29 november 2011 de Welstandsnota Hardenberg Visie op beeldkwaliteit vastgesteld. Deze nota zet in op “het leggen van verbindingen tussen bestaande gebiedskwaliteiten en nieuwe ontwikkelingen, tussen oud en nieuw, tussen snel en traag, tussen stad en land, tussen rood en groen, tussen opbrengsten en kosten". De ambitie is een kwaliteitsontwikkeling in gang te zetten waarbij elk project bijdraagt aan de versterking van de beeldkwaliteit van de leefomgeving. Daarmee zullen de verschillende kernen zich meer onderscheiden en krijgt elke kern haar eigen kleur (terug). De gemeente wil meer vrijheid voor burgers creëren. Dit wordt bereikt door kaders te stellen 'waar het er toe doet' en andere delen van de gemeente regelvrij te maken. Een en ander komt tot uiting in de toekenning van drie niveaus (zie navolgende). Op de belangrijke plekken wordt door middel van welstand en bestemmingsplan gestuurd. De laag gewaardeerde plekken zijn welstandsvrij. Voor deze gebieden is het bestemmingsplan (of de beheersverordening) maatgevend. De Welstandsnota maakt onderscheid naar de volgende niveaus: Niveau 0 (laag): Geen eisen ten aanzien van welstand. Beeldkwaliteit wordt geregeld in het bestemmingsplan (of de beheersverordening).

Niveau 1 (midden): Specifieke ambitie ten aanzien van beeldkwaliteit, gericht op behoud van belangrijkste gebiedskenmerken van architectonische of stedenbouwkundige aard. Inzet van een globale vorm van welstand met planbegeleiding naast het bestemmingsplan (of de beheersverordening). Niveau 2 (hoog): Hoge ambitie ten aanzien van beeldkwaliteit, bij gebieden en/of locaties met een hoge architectonische en stedenbouwkundige waarde. Inzet van welstand met een intensieve vorm van planbegeleiding naast het bestemmingsplan. Het plangebied ligt in een gebied dat aangemerkt is als welstandsniveau 1. Hiervoor geldt behoud en versterking van de (cultuurhistorische) structuur met doorzichten op basis van

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Kanaalw eg Oost 51a Bergentheim en Rheezerveensew eg 27 Heemserveen | PAGINA 36

de blauw/grijze structuurdragers. Ontwikkelingen zijn hierbij passend in het ritme van het lint (maat, schaal en uitstraling). Daarnaast geldt het behoud en versterking van de individuele bebouwingskwaliteit in relatie tot de blauw/grijze structuurdragers. Als laatste geldt het behoud en versterking van de (groene) straatprofielen, voorruimtes (tuinen) en terreininrichting ter versterking van de lintbebouwing en voor verbijzonderingen in het lint. 3.3.5.2 Toetsing van het initiatief aan 'Welstandsnota' Toetsing van de definitieve bouwplannen aan de Welstandsnota vindt plaats bij de beoordeling van de omgevingsvergunning. Op voorhand worden geen belemmeringen verwacht ten aanzien van welstand. 3.3.6

Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het gemeentelijk beleid.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Kanaalw eg Oost 51a Bergentheim en Rheezerveensew eg 27 Heemserveen | PAGINA 37

Hoofdstuk 4

Milieu- en omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en het besluit milieueffectrapportage. 4.1

Geluid

4.1.1

Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 4.1.2

Situatie plangebied

4.1.2.1 Wegverkeerslawaai In artikel 74.1 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben. In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte afhankelijk is van het aantal rijstroken en van de ligging van het plangebied binnen stedelijk gebied of buitenstedelijk gebied. Voor deelgebied Rheezerveenseweg 27 geldt dat hier geen nieuwe woning wordt gerealiseerd en dat er dus geen akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd hoeft te worden voor deze locatie. De te realiseren woningen in deelgebied Kanaalweg-Oost 51 liggen binnen de wettelijke geluidszone van de Kanaalweg-Oost. Er is dan ook een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Deze is als Bijlage 2 bijgevoegd. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Onderzoeksresultaten De geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeerslawaai van de Kanaalweg-Oost bedraagt, inclusief reductie, hoogstens 53 dB. Met deze waarde wordt voldaan aan de maximale ontheffingswaarde van 53 dB uit de Wet geluidhinder. Een hogere grenswaarde is benodigd. Bron- en overdrachtsmaatregelen kunnen rekenen op bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke of financiële aard of zijn niet mogelijk. De cumulatieve geluidbelasting bedraagt hoogstens 58 dB.

Met het nemen van gevelmaatregelen met een geluidwering van minimaal 25 dB kan een binnenniveau van 33 dB worden gerealiseerd. Gelet op vorenstaande is er daarmee sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen met betrekking tot het aspect wegverkeerslawaai. Het Besluit hogere grenswaarde is als Bijlage 3 bijgevoegd.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Kanaalw eg Oost 51a Bergentheim en Rheezerveensew eg 27 Heemserveen | PAGINA 38

4.1.2.2 Railverkeerslawaai en industrielawaai Geen van de in dit bestemmingsplan betrokken locaties ligt in de nabijheid van een gezoneerd bedrijventerrein of een spoorlijn. De onderdelen industrie- en railverkeerslawaai vormen daarom geen belemmering. Voor de invloed van individuele bedrijvigheid op dit plan wordt verwezen naar paragraaf 4.5.3.2 van deze toelichting. 4.1.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat de Wet geluidhinder geen belemmering vormt voor het plan. 4.2

Bodemkwaliteit

4.2.1

Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan of wijzigingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. In dit geval is voor alle locaties een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. In de volgende paragraaf wordt dit per locatie separaat behandeld. 4.2.2

Situatie plangebied

4.2.2.1 Rheezerveenseweg 27, Heemserveen Kruse Milieu BV heeft op deze locatie een verkennend bodemonderzoek inclusief asbest uitgevoerd. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. De volledige rapportage is opgenomen in Bijlage 4. Onderzoeksresultaten In de bovengrond (BG I en BG II) en in het grondwater (PB 1) zijn lichte verontreinigingen aangetoond. De ondergrond (OG) is niet verontreinigd. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is het uitvoeren van een nader onderzoek niet noodzakelijk. Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de voorgenomen bestemmingsplanherziening, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. 4.2.2.2 Kanaalweg-Oost 51a, Bergentheim Kruse Milieu BV heeft op deze locatie een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. De volledige rapportage is opgenomen in Bijlage 5. Onderzoeksresultaten In het grondwater (PB 1) zijn enkele (zeer) licht verhoogde gehalten aangetoond. In de boven- en ondergrond (BG en OG) zijn geen verontreinigingen aangetoond. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is er geen reden om een nader onderzoek uit te voeren. Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de bestemmingsplanherziening, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico’s voor de volksgezondheid opleveren. 4.2.3

Conclusie

Het aspect bodem vormt geen bezwaar tegen de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkelingen.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Kanaalw eg Oost 51a Bergentheim en Rheezerveensew eg 27 Heemserveen | PAGINA 39

4.3

Luchtkwaliteit

4.3.1

Algemeen

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); 4.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtverontreiniging van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 4.3.1.2 Interne werking Zoals in paragraaf 4.3.1.1 is aangegeven, zijn de ontwikkelingen aan te merken als NIBM. Wel dient er sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat. 4.3.1.3 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig. 4.3.2

Situatie plangebied

Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling, in verhouding tot de categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 4.3.1.1 kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Binnen een kilometer afstand van de te realiseren compensatiewoningen aan de Kanaalweg-Oost 51a bevinden zich geen intensieve veehouderijen. Er wordt dan ook geconcludeerd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van deze compensatiewoningen. Ten aanzien van de Rheezerveenseweg 27 wordt opgemerkt dat hier sprake is van een bestaande woning die niet op kortere afstand van intensieve veehouderijen wordt gesitueerd. Van een aantasting van het woon- en leefklimaat is dan ook geen sprake. Tot bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Kanaalw eg Oost 51a Bergentheim en Rheezerveensew eg 27 Heemserveen | PAGINA 40

slot wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. 4.3.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorgenomen ontwikkeling. 4.4

Externe veiligheid

4.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

Het vervoer van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 4.4.2

Situatie in en bij het plangebied

Aan de hand van de Risicokaart is per locatie een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Uit de inventarisatie blijkt dat de verschillende locaties van de plangebieden: zich niet bevinden binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevinden binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet zijn gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet zijn gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen 4.4.3

Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het voornemen in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Kanaalw eg Oost 51a Bergentheim en Rheezerveensew eg 27 Heemserveen | PAGINA 41

4.5

Milieuzonering

4.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden.

De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. 4.5.2

Gebiedstypen

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype 'rustige woonwijk' vergelijkbaar omgevingstype. Het omgevingstype 'gemengd gebied' wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' als volgt omschreven: 'Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen.

Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.' De richtafstanden (met uitzondering van het aspect gevaar) uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Alle locaties van het plangebied liggen in het buitengebied, waar geen sprake is van sterke menging van functies. Daarom wordt in alle gevallen uitgegaan van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Onderstaande tabel geeft de richtafstanden weer voor de verschillende omgevingstypes. Milieucategor Richtafstanden tot omgevingstype Richtafstanden tot omgevingstype ie rustige woonwijk gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Kanaalw eg Oost 51a Bergentheim en Rheezerveensew eg 27 Heemserveen | PAGINA 42

3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6 4.5.3

100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Beoordeling

Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 4.5.3.1 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt aangetast. De functie 'wonen' vormt geen milieubelastende functie. In dit geval worden er uitsluitend woonfuncties gerealiseerd. Er is dan ook in alle gevallen geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omliggende functies. 4.5.3.2 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. Enkel aan de Kanaalweg-Oost 51a worden nieuwe geluidgevoelige functies opgericht. Er wordt dan ook alleen op dit deelgebied ingegaan.

In de nabijheid van deelgebied Kanaalweg-Oost 51a liggen twee milieubelastende functies. Het betreffen een basisschool (Gijsbert Karel van Hogendorpstraat 52) en een bedrijfsperceel (Van Roijensweg 13). Voor basisscholen geldt een grootste richtafstand van 30 meter voor het aspect geluid. De betreffende school ligt op circa 60 meter afstand, waarmee de richtafstand ruimschoots gehaald wordt. Omgekeerd wordt de school niet in haar bedrijfsvoering beperkt, gezien de onderlinge afstand en het feit dat er verscheidene woningen op een kortere afstand liggen. Op het bedrijfsperceel is op basis van de beheersverordening bedrijvigheid tot maximaal milieucategorie danwel de bestaande bedrijvigheid toegestaan. De milieucategorieën 1 en 2 worden over het algemeen, gezien de geringe milieubelasting, toelaatbaar geacht naast of onmiddellijk boven/onder woonbebouwing. Gelet daarop zal in het plangebied sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De bestaande bedrijfsactiviteit, is echter een zwaardere bedrijfsactiviteit en wordt op basis van de VNG-uitgave gelijkgesteld met 'Gemeentewerven (afval-inzameldepots). Deze functie valt onder milieucategorie 3.1, waarvoor een grootste richtafstand van 50 meter voor geluid geldt. De afstand tussen de compensatiekavel en het betreffende bedrijf bedraagt ruim 150 meter, waarmee de richtafstand ruimschoots gehaald wordt.

Omgekeerd wordt het bedrijf niet in haar bedrijfsvoering beperkt, aangezien er reeds woonfuncties op een kortere afstand van het bedrijf aanwezig zijn. 4.5.4

Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Kanaalw eg Oost 51a Bergentheim en Rheezerveensew eg 27 Heemserveen | PAGINA 43

4.6

Geur

4.6.1

Wet geurhinder en veehouderij & Activiteitenbesluit

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odeur per units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odeur units per kubieke meter lucht. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen. ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstand eisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv.

Op grond van het bepaalde in artikel 1 van de Wgv is een geurgevoelig object als volgt gedefinieerd: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijk bare wijze van gebruik, wordt gebruikt. De Wgv bevat een regeling (art. 14, lid 2 en 3) voor ondermeer voormalige bedrijfswoningen en compensatiewoningen in het kader van Rood voor rood. Het tweede lid van artikel 14 luidt: Voor de toepassing van de artikelen 3, 4 en 6 bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een woning die op of na 19 maart 2000 is gebouwd: op een kavel die op dat tijdstip in gebruik was als veehouderij; in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de veehouderij, en; in samenhang met de sloop van de bedrijfsgebouwen die onderdeel hebben uitgemaakt van de veehouderij; ten minste 100 meter indien de woning binnen de bebouwde kom is gelegen en ten minste 50 meter indien de woning buiten de bebouwde kom is gelegen. 4.6.2

Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Hardenberg

De Wgv maakt het voor gemeenten mogelijk om gebiedsgericht geurbeleid op te stellen. Daarmee krijgt de gemeente een instrument om de ontwikkeling van (grootschalige) veehouderijen te sturen. Gemeenten mogen bij de verordening van de normen van de Wgv afwijken (artikel 6 Wgv), binnen bepaalde grenzen. Het hanteren van afwijkende normen moet worden onderbouwd vanuit een ruimtelijke visie op de ontwikkeling van het gebied, de zogenaamde "gebiedsvisie". De gemeente Hardenberg heeft een dergelijke 'geurverordening' opgesteld en gebiedsgericht geurbeleid ontwikkeld. In de geurverordening zijn de wettelijke geurnormen (odeur) en afstanden aangepast. De geurnorm voor veehouderijen in de bufferzone rondom diverse kernen, het plangebied bevindt zich in deze bufferzone, bedraagt 8 odeurunit per kubieke meter lucht. 4.6.3

Situatie plangebied

4.6.3.1 Rheezerveenseweg 27, Heemserveen De bedrijfswoning ter plaatse van de Rheezerveenseweg 27 in Heemserveen is reeds toegestaan. Voor de woning zelf hoeft niet te worden getoetst aan geurbelasting. De geurbelasting neemt af, door het wegvallen van de agrarische bestemming.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Kanaalw eg Oost 51a Bergentheim en Rheezerveensew eg 27 Heemserveen | PAGINA 44

4.6.3.2 Industrieweg 1 Omliggende veehouderijen Binnen een straal van circa twee kilometer bevinden er zich de volgende veehouderijen met dieren waarvoor geuremissiefactoren en geurnormen van toepassing zijn.

Beoordeling woon- en leefklimaat Op basis van de aard- en omvang van de omliggende veehouderijen (de relatief beperkte geuremissie) en de grote afstand tot de te realiseren woningen, wordt een aanvaardbaar woon- en leefklimaat verwacht ter plaatse van de te realiseren woningen. Aantasting planologische rechten veehouderijen De nieuwe woningen vormen geen belemmering voor een mogelijke uitbreiding van veehouderijen. Er zijn namelijk geurgevoelige objecten die dichterbij omliggende veehouderijen liggen, waardoor de te realiseren woningen niet maatgevend zijn voor de planologische rechten van de omringende veehouderijen. 4.6.4

Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.7

Ecologie

4.7.1

Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Natuurbeschermingswet en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. 4.7.2

Gebiedsbescherming

4.7.2.1 Natura 2000-gebieden Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de sloop van voormalig agrarische bedrijfsbebouwing en het realiseren van twee compensatiewoningen. Gezien de kleinschalige aard en omvang, in combinatie met de ruime afstand tot Natura 2000-gebieden (ruim 4 kilometer) tot het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied, wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling niet voor stikstofdepositie zorgt op Natura bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Kanaalw eg Oost 51a Bergentheim en Rheezerveensew eg 27 Heemserveen | PAGINA 45

2000-gebieden. Daarnaast is er ook geen sprake directe negatieve effecten in de vorm van trillings-, geluid en/of lichthinder. Het voornemen is in het kader van de Wet natuurbescherming dan ook niet vergunningsplichtig. 4.7.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied behoort niet tot het NNN. Gronden die tot NNN behoren liggen in alle gevallen op meer dan 400 meter afstand. Gezien de aard en omvang van de ontwikkelingen en de onderlinge afstand tot het NNN is geen sprake van een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden (er is bijvoorbeeld geen sprake van areaalvermindering en het doorsnijden van structuren). 4.7.3

Soortenbescherming

4.7.3.1 Algemeen Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. 4.7.3.2 Situatie plangebied In dit geval is door BJZ.nu een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het volledige rapport is opgenomen in Bijlage 6. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Als gevolg van de beoogde werkzaamheden aan de Kanaalweg-Oost en Rheezerveenseweg worden geen vogelsoorten met jaarronde nestbescherming in de plangebieden verstoord mits de beoogde werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd worden. Voor vogels zonder jaarronde nestbescherming geldt tevens dat het bezette nest beschermd is, niet het oude. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van vogelnesten (sloop en verwijderen vegetatie) dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaats vinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten beschadigd/vernield worden.

Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in de plangebieden, maar gebruiken het wel als (niet essentieel) foerageergebied. Vermoedelijk foerageren diverse soorten rond de bomenrij aan de Kanaalweg-Oost 51a en rond de vegetatie aan de Rheezerveenseweg. Er wordt niet verwacht dat essentieel foerageergebied aangetast wordt. Beide plangebieden vormen geen verbindende schakel in een lijnvormig element. Er wordt geen negatief effect verwacht op vliegroutes. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën geldt dat ze niet (opzettelijk) gedood mogen worden. Er worden geen beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën in de plangebieden verwacht, het naleven van de zorgplicht wordt hierbij als voldoende geacht. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. 4.7.4

Conclusie

De ecologische aspecten vormen geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Kanaalw eg Oost 51a Bergentheim en Rheezerveensew eg 27 Heemserveen | PAGINA 46

4.8

Archeologie & cultuurhistorie

4.8.1

Archeologie

4.8.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 4.8.1.2 Situatie plangebied De gemeente Hardenberg heeft de archeologische verwachting verwerkt in de dubbelbestemmingen. Hierna wordt separaat per locatie ingegaan op de archeologische verwachtingen. 4.8.1.2.1 Rheezerveenseweg 27, Heemserveen De locatie aan de Rheezerveenseweg 27 is aan de westzijde (ter plaatse van de te verwijderen mestbassin) voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5'. Hiervoor geldt dat archeologisch onderzoek nodig is bij bodemingrepen groter dan 2.500 m2. Deze oppervlakte wordt met dit initiatief niet overschreden.

Een archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. 4.8.1.2.2 Kanaalweg-Oost 51a, Bergentheim De locatie aan de Kanaalweg-Oost 51 voorzien van de dubbelbestemmingen 'Waarde Archeologie 3' en 'Waarde - Archeologie 5'. Hiervoor geldt dat archeologisch onderzoek nodig is bij bodemingrepen groter dan respectievelijk 275 m2 en 2.500 m2. De beoogde compensatiewoningen en bijgebouwen worden beiden gebouwd op gronden met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5', waarvoor een onderzoeksgrens van 2.500 m2 geldt. De gestelde oppervlaktes worden met dit initiatief niet overschreden. Een archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. 4.8.2

Cultuurhistorie

4.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rek ening is gehouden” dient te bevatten. 4.8.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Overijssel, in de locaties van het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. In de directe nabijheid van de locaties van het plangebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt met betrekking tot voorliggend plan. 4.8.3

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden. bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Kanaalw eg Oost 51a Bergentheim en Rheezerveensew eg 27 Heemserveen | PAGINA 47

4.9

Verkeer en parkeren

4.9.1

Algemeen

Bij het opstellen van bestemmingsplannen moet rekening worden gehouden met de mogelijke extra verkeersgeneratie en parkeerbehoefte die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Hiervoor kunnen berekeningen worden uitgevoerd. Hierna wordt ingegaan op de verkeersgeneratie en de parkeerbehoefte. 4.9.2

Verkeersgeneratie

Met dit initiatief wordt aan de Rheezerveenseweg 27 een agrarisch bedrijf buiten werking gesteld en worden ter compensatie twee compensatiewoningen aan de Kanaalweg-Oost 51a gebouwd. Voor de locatie Rheezerveenseweg 27 geldt dat het aantal verkeersbewegingen in planologische zin af zal nemen door het buiten werking stellen van het agrarische bedrijf. Voor de Kanaalweg-oost 51a geldt dat het toevoegen van twee compensatiewoningen een dusdanige beperkte verkeersgeneratie met zich meebrengt dat er geen sprake zal zijn van negatieve effecten. De verkeersgeneratie kan eenvoudig worden afgewikkeld vanaf de betreffende locatie. Alle erven worden op een veilige wijze worden ontsloten door een overzichtelijke in- en uitrit. 4.9.3

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12830645/2