Toelichting bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Haarweg tussen 24 en 28 en Brinkweg 2/2a Bergentheim
Tekst van het document
Als ontwikkelingen plaats vinden in de agrarische ontginningslandschappen, dan dragen deze bij aan behoud en versterking van de dragende lineaire structuren van lanen, bosstroken en waterlopen en ontginningslinten met erven en de kenmerkende ruimtematen. Toetsing van het initiatief aan de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap' Zoals blijkt uit hoofdstuk 2 en het erfinrichtingsplan in Bijlage 1 van dit bestemmingsplan worden de plangebieden aan de Brinkweg en de Haarweg (waar nodig) landschappelijk ingepast en wordt met name aan de Brinkweg de bestaande inpassing zoveel mogelijk behouden conform de ter plaatse aanwezige gebiedskenmerken. Ten aanzien van de Brinkweg geldt dat de bestaande beplanting behouden blijft. Het voornemen gaat daarmee gepaard met een kwaliteitsimpuls en draagt bij aan de gebiedskenmerken van de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap'. 3. De 'Laag van de beleving' Beide plangebieden zijn op gebiedskenmerkenkaart in de “Laag van beleving” aangemerkt bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Haarw eg tussen 24 en 28 en Brinkw eg 2/2a Bergentheim | PAGINA 30
als “Donkerte”. In afbeelding 3.5 is een uitsnede van de kaart met betrekking tot de laag van beleving opgenomen. De plangebieden zijn met het rode ster indicatief weergegeven.
Afbeelding 3.5 Laag van Belevening 'Donkerte'' (Bron: Provincie Overijssel) Donkerte De donkere gebieden geven een indicatie van de ‘buitengebieden’ van Overijssel. De donkere gebieden zijn de gebieden waar het ‘s nachts nog echt donker is, waar je de sterrenhemel kunt waarnemen. Het zijn de relatief ‘luwe’ dun bewoonde gebieden met een lage gebruiksdruk. De ambitie is de huidige ‘donkere’ gebieden, ten minste zo donker te houden, maar bij ontwikkelingen ze liever nog wat donkerder te maken. Dit betekent op praktisch niveau terughoudend zijn met verlichting van bijvoorbeeld wegen of bedrijventerreinen en verkennen waar deze ‘s nachts uit kan of anders lichtbronnen selectiever richten. Toetsing van het initiatief aan de 'Laag van de beleving' In voorliggend geval is sprake van het planologisch wegbestemmen van twee agrarische bedrijven en het (na voldoende sloop van m²) terugbouwen van drie compensatiewoningen op het perceel aan de Haarweg 24-28. Ten eerste wordt gesteld dat lichtuitstraling inherent is aan een woonfunctie, ook in het buitengebied. Er is echter, door het wegbestemmen van een agrarisch bedrijf en door het slopen van agrarische schuren, geen sprake van een onevenredige toename een (kunst)licht in het buitengebied. Onnodige verlichting wordt ter plaatse van de nieuwe woonkavels zoveel mogelijk voorkomen.
Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de “Laag van de beleving”. 3.2.5
Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het provinciaal beleid zoals genoemd in de Omgevingsvisie Overijssel en is verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Haarw eg tussen 24 en 28 en Brinkw eg 2/2a Bergentheim | PAGINA 31
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Beleidsnotitie Erven met kwaliteit
3.3.1.1 Inleiding De gemeente Hardenberg heeft in februari 2020 de beleidsnotitie 'Erven met kwaliteit' vastgesteld. Aanleiding voor het opstellen van deze notitie is de onlangs gehouden evaluatie van het rood voor rood beleid van de gemeente Hardenberg. Dit beleid dateert uit 2006 en is, na een eerste evaluatie in 2010, in het voorjaar van 2019 opnieuw geëvalueerd. Uitkomst van deze evaluatie is, dat het beleid niet meer goed aansluit bij de huidige praktijk. Daarom is besloten om het beleid te vervangen door nieuw beleid, met ruimere toepassingsmogelijkheden. De doelstelling van het beleid blijft echter onveranderd, namelijk de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied, door de sloop van landschapsontsierende gebouwen. 3.3.1.2 Gebiedsgerichte benadering Het bestemmingsplan Buitengebied (2014) kent een gebiedsgerichte benadering. De basis hiervoor is gelegd in de visienota Buitengebied. De gebiedsgerichte benadering houdt in, dat in het ruimtelijk beleid rekening wordt gehouden met de zes verschillende landschapstypen in de gemeente, te weten de open en besloten veenontginningen, de open en besloten heideontginningen, de essen en hoevenlandschappen en de beekdalen van de Vecht en de Reest. Per landschapstype verschillen de bouw- en ontwikkelingsmogelijkheden.
Zo zijn de grootschalige, open heideen veenontginningslandschappen aangewezen als agrarische ontwikkelingsgebieden, omdat landbouw de functie is die het best bij de gebiedskenmerken past. In de kleinschaliger gebieden wordt daarnaast ook veel ruimte geboden voor andere functies, zoals wonen, natuur en recreatie. Het beleid kent een functionele gebiedsgerichte benadering. Dat wil zeggen dat in de gebieden die primair zijn aangewezen voor de landbouw zeer terughoudend wordt omgegaan met de toepassing van rood voor rood. Daar wordt de “nee, tenzij” benadering toegepast. Het gaat dan om de gebieden die in de visienota Buitengebied zijn aangewezen als agrarisch ontwikkelingsgebied, te weten: Bergentheim-Zuid, Dedemsvaart-Zuid, Slagharen-De Krim en Westerhuizingerveld. In de overige gebieden wordt de “ja, mits” benadering toegepast. Deze benadering houdt in dat in agrarische ontwikkelingsgebieden wel schuren als landschapsontsierend kunnen worden aangemerkt maar dat in deze gebieden geen nieuwe woningen worden toegestaan, vanwege de mogelijke belemmering voor de landbouwontwikkeling. 3.3.1.3 Landschapsontsierend Het belangrijkste uitgangspunt voor het bepalen van de landschapsontsierendheid van een gebouw is dat een erf niet op zichzelf staat, maar een eenheid vormt met het landschap.
De eenheid tussen het erf en zijn omgeving komt tot uiting in stedenbouwkundige opzet en de landschappelijk structuur van het gebied. (hoe gaat het erf op in zijn omgeving). Per landschapstype verschilt de stedenbouwkundige opzet en de landschappelijk structuur. Of een gebouw landschapsontsierend is, moet worden bezien in relatie tot de gebiedskenmerken (uit de LIK en de welstandsnota) en wordt bepaald door een aantal kenmerken, te weten: het volume; de vorm van het gebouw; het materiaalgebruik; het kleurgebruik; de uitstraling;
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Haarw eg tussen 24 en 28 en Brinkw eg 2/2a Bergentheim | PAGINA 32
de situering op het erf; de passendheid bij de overige bebouwing op het erf. Daarnaast kan een gebouw ook als landschapsontsierend worden aangemerkt als het geen (potentiële) gebruikswaarde meer heeft. Een gebouw waarvan aannemelijk is gemaakt dat het niet voor andere (economische) doeleinden geschikt is heeft namelijk geen gebruikswaarde, komt leeg te staan, verloedert en wordt daarmee vanzelf landschapsontsierend. 3.3.1.4 Sloop en aantal woningen Voor de toepassing van het beleid Erven met kwaliteit geldt het uitgangspunt dat per locatie alle landschapsontsierende gebouwen worden gesloopt en alle bijbehorende erfverhardingen, mestplaten, kuilvoersilo’s e.d. worden opgeruimd. Bij de berekening van de (minimaal) te slopen oppervlakte blijft per bestaande woning 150 m2 aan gebouwen en overkappingen buiten beschouwing, omdat deze oppervlakte als bij de woning behorend bouwwerk mag blijven staan of worden teruggebouwd en daarom niet blijvend wordt gesaneerd. Bebouwing waarop deze regeling van toepassing is, moet blijvend worden gesloopt. Dat houdt in dat de mogelijkheid tot herbouw wordt wegbestemd. Dat kan bijvoorbeeld door de agrarische bestemming, met bijbehorend bouwvlak om te zetten in een woonbestemming. Voor de inrichting van het erf moet een ruimtelijke kwaliteitsplan worden gemaakt.
Het aantal woningen dat mag worden gebouwd is afhankelijk van de te slopen oppervlakte aan landschapsontsierende bebouwing. Hierbij gelden de volgende maatvoeringen:
3.3.1.5 Locatie nieuwbouw Deze regeling gaat in de eerste plaats uit van de bouw van de nieuwe woning(en) op het eigen erf, dat wil zeggen op het erf van de slooplocatie. Dit uitgangspunt komt voort uit de gebiedsgerichte benadering: de slooplocatie en de ontwikkellocatie moeten zo dicht mogelijk bij elkaar liggen. De bouw van de compensatiewoning moet daarom bij voorkeur op het bestaande erf plaatsvinden en als dat niet lukt in hetzelfde gebied. Deze benadering is ook opgenomen in de structuurvisie Kwaliteitsimpuls landschap. Er zijn echter slooplocaties waar de inpassing van een nieuwe woningbouwkavel ter plekke niet mogelijk of gewenst is. Bijvoorbeeld door de ligging in een agrarisch ontwikkelingsgebied, de aanwezigheid van een agrarisch bedrijf in de directe omgeving of omdat het erf er zich, door zijn opbouw, niet voor leent. Daarnaast kan de eigenaar er zelf voor kiezen om af te zien van herbouw op de eigen locatie. In die gevallen kan elders in de gemeente een bouwlocatie worden toegekend, al dan niet via de uitgifte van een sloopbewijs. De gemeente wil voorkomen dat het buitengebied “dichtslibt” met woningen. Dat zou ten koste gaan van het groene karakter van het buitengebied. Daarom wordt het uitgangspunt gehanteerd dat nieuwe bouwkavels moeten aansluiten op bestaande bebouwing.
Daarmee wordt bedoeld: een locatie op een bestaand erf in het buitengebied, in lintbebouwing of in, danwel direct aan, een dorp of buurtschap. Om landschappelijke redenen zijn echter geen nieuwe erven gewenst in het beekdallandschap en het essen- en hoevenlandschap, daar kan dus alleen op bestaande erven worden gebouwd. De begrenzing van een bestaand erf wordt bepaald door de feitelijke situatie en niet door de juridische begrenzing van de (woon)bestemming.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Haarw eg tussen 24 en 28 en Brinkw eg 2/2a Bergentheim | PAGINA 33
3.3.1.6 Eén erf-gedachte Bij de erfinrichting hanteert de gemeente de één-erfgedachte. De één-erf-gedachte houdt in dat zowel de nieuwe inrichting van het erf als de nieuwe bebouwing op het erf bijdragen aan het behoud en zo mogelijk het versterken van de oude erfstructuur. Het karakter van het agrarische erf moet ook na functieverandering nog beleefbaar zijn. Vaak leidt de één-erfgedachte er toe dat er sprake is van één gezamenlijke inrit en van een centraal erf, van waaruit de verschillende woningen en bijgebouwen bereikbaar zijn, maar dat hoeft niet altijd het geval te zijn. Vanuit de één-erfgedachte moet in elk geval worden voorkomen dat er tussen de woningen schuttingen of gesloten hagen worden aangebracht, waardoor er visueel gescheiden erven ontstaan. 3.3.1.7 Toetsing van het initiatief aan de beleidsnotitie 'Erven met kwaliteit' In voorliggend geval wordt er voldoende oppervlakte aan m² gesloopt (zie ook paragraaf 1.1), en worden de drie compensatiewoningen ter plaatse van de Haarweg tussen 24 en 26 en achter 26/26i gerealiseerd. De te slopen schuren hebben geen gebruikswaarde meer en zijn voorzien van asbest. Daarmee zijn ze als landschapsontsierend aan te merken. Aangezien het op de slooplocatie aan de Brinkweg vanwege geurcontouren niet wenselijk is om terug te bouwen, is het wenselijk de kavels te verplaatsen. De locatie is gevonden aan de Haarweg te Bergentheim.
De totale oppervlakte aan sloopmeters maakt dat drie compensatiewoningen gerealiseerd kunnen worden (zie ook paragraaf 1.1). Bij de besluitvorming door de raad in 2020 is middels een motie opgeroepen om onder voorwaarde extra lintbebouwing toe te staan aan de Haarweg als hier voldoende landschapsontsierende bebouwing voor wordt gesloopt. Het gemeentelijk beleid in deze beoogt dat de bestaande (cultuurhistorische) kwaliteit een belangrijke rol speelt bij de uitstraling en uitdraging van de karakteristiek van het gebied. De gemeente heeft hiervoor de Landschapsidentiteitskaarten als beleidskader. Binnen de beleidsnotitie ‘Erven met kwaliteit’ wordt eveneens de mogelijkheid middels een pilot onderzocht voor het toevoegen van woningen aan lintbebouwing. Lintbebouwing is een langgestrekte strook bebouwing die binnen de gemeente Hardenberg met name in de veenontginningen en in mindere mate in de heideontginningen voorkomt. Daarom is de Haarweg aan te merken als passende locatie voor de compensatiewoningen. Bovendien wordt hier tevens een agrarisch bedrijf buiten werking gesteld en een compensatiewoning gebouwd. Hierdoor kunnen drie aansluitende woningen in het lint worden toegevoegd. Het uitgangspunt is dat vrijstaande woningen moeten worden gebouwd, in landelijke bouwstijl met dominante kapvormen, (1/3 deel staande gevel en 2/3 dakvlak, ofwel het agrarisch silhouet).
Rijenbouw of hoogbouw is niet acceptabel. Dit uitgangspunt zal ook binnen het plangebied toe te passen zijn. Inzoomend op het plangebied aan en langs de Haarweg, dan valt op dat vanaf het zuiden er een lintbebouwing is ontstaan van oorspronkelijke twee/één kappers. Deze zijn in de loop van de jaren vervangen door vrijstaande woningen. Echter staan er nog twee halve woningen die de oorpsronkelijke (sobere) bouwstijl goed weergeven. De nieuwe woningen kennen eveneens een divers maar landelijk beeld dat aansluit op het uitgangpunt vanuit de buurtschappennota. Ter hoogte van het plangebied gaat de lintbebouwing over in boerenerven. Daarbij is het ook belangrijk dat bij de uitvoering onderscheid gemaakt wordt tussen het bouwen aansluitend op het lint en het bouwen op een boerderij. Dit komt tot uiting in de positie van de woning (of aan de weg, of juist verder van de weg achter de boerderij). De erven langs de Haarweg kenmerken zich door een eenduidige opbouw van een bescheiden siertuin aan de straatzijde en naast de woningen. De noordzijde is meer groen ingericht met bomen/struweel. De woningen staan niet op gelijke afstand van de weg. In verband met geluid kunnen de woningen niet meer zo dicht op de weg gebouwd worden als van oorsprong bedoelt was.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Haarw eg tussen 24 en 28 en Brinkw eg 2/2a Bergentheim | PAGINA 34
Voor de locaties (Haarweg en Brinkweg) is een ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld, zie hiervoor ook Hoofdstuk 2 en bijlage 1. Hierbij is de locatie aan een landschappelijke en stedenbouwkundige toets onderworpen. In dit bestemmingsplan is aangetoond dat er ter plaatse van de locatie sprake is van een milieutechnisch wenselijke situatie (zie hoofdstuk 4) en het is eveneens passend om ter plaatse nieuwe woningen in het lint toe te voegen. Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de beleidsnotitie 'Erven met kwaliteit'. 3.3.2
Omgevingsvisie Landstad Hardenberg
3.3.2.1 Algemeen Sinds 2021 beschikt de gemeente Hardenberg over een eigen omgevingsvisie. In deze visie is het verhaal van de gemeente Hardenberg voor het heden en de komende 20 jaar uitgewerkt. Deze omgevingsvisie is samengesteld met participatie van vele stakeholders uit allerlei sectoren. In de visie komt alles samen in het verhaal van de gemeente tot 2040. Het verhaal heet 'Landstad Hardenberg'. Hierin is de functie voor de hele regio verder uitgebouwd. De rode draad in de gemeente is als volgt: De gemeente en samenleving zijn verbonden. De Hardenbergers hebben altijd de blik naar buiten. Ze zien voortdurend kansen. Door een goede samenwerking tussen inwoners, overheid en bedrijfsleven benutten we de kansen die zich voordoen. De gemeente speelt in op toekomstige veranderingen, veert mee, verbindt en investeert waar nodig. De kernen zijn onderling sterk verbonden. Platteland en stad raken steeds meer verweven. De gemeente combineert de kracht van het platteland met een compleet stedelijk voorzieningenniveau. Voor een grensgemeente is dat een unieke prestatie. De gemeente zoekt de regionale verbinding. Hardenberg is onderdeel van de regio Zwolle. Daarnaast zijn er sterke verbindingen met Twente en Drenthe. 3.3.2.2 Ambitie Hardenberg staat voor grote uitdagingen. Een groeiende bevolking en economie zijn voor een grensregio niet vanzelfsprekend. Integendeel.
Dit vraagt om blijvende inspanningen en investeringen. De gemeente kan niet doorbouwen zoals het groot is geworden. Het gebruik van het platteland verandert. Dat vraagt om ontwikkeling van bebouwing die samengaat met ruimtelijke kwaliteit, landschap en natuur. Stad en land vullen elkaar steeds meer aan en houden elkaar in balans. Samen vertellen zij het verhaal van de functieverandering van het Hardenbergse platteland. Of-of-denken maakt plaats voor en-en-denken. De gemeente wil de kwaliteiten van het buitengebied versterken door stedelijke elementen aan te brengen. Tegelijkertijd blijft de gemeente werken aan het binnenstedelijk woon- en leefklimaat met vitale en bruisende centra in Hardenberg en Dedemsvaart. De gemeente Hardenberg staat niet op zichzelf. Sociale, maatschappelijke en economische relaties zijn steeds (boven)regionaler. Hardenberg wordt steeds afhankelijker van de omliggende regio’s. Omgekeerd geldt hetzelfde. De gemeente speelt daar op in. Per opgave kiest de gemeente het juiste schaalniveau voor de aanpak en samenwerking. De gemeente gaat ‘spelen met schalen’. De gemeente staat voor een nieuwe schaalsprong. Om deze schaalsprong te kunnen maken zijn vier uitgangspunten opgesteld. a. de groei vasthouden en doortrekken; b. kwaliteiten toevoegen wordt belangrijker; c. ruimte als troefkaart; d. bereikbaarheid en samenwerking als randvoorwaarden.
De groei vasthouden De gemeente blijft inzetten op groei van de economie en de werkgelegenheid. Hardenberg streeft naar een positieve arbeidsmarktbalans. Dit past bij onze positie als streekcentrum. De omvang en samenstelling van de beroepsbevolking geeft nu voldoende basis voor een bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Haarw eg tussen 24 en 28 en Brinkw eg 2/2a Bergentheim | PAGINA 35
compleet stedelijk voorzieningenniveau. Dat wil de gemeente in de toekomst ook zo houden. Een stabiele bevolkingsgroei is daarom een voorwaarde. Net als het behouden van de concurrerende economie. Volgens de prognoses groeit onze bevolking tot 2040. Tot 2050 groeit ook het aantal huishoudens, en daarmee de woningbehoefte. Terwijl de bevolking groeit, neemt de beroepsbevolking geleidelijk af door vergrijzing. Dit kan Hardenberg positief beïnvloeden door jonge gezinnen en startende huishoudens aan te trekken. Dit is gunstig voor de omvang van de beroepsbevolking en het voorzieningenniveau. De Regio Zwolle krijgt van het Rijk een groeiopgave van naar verwachting 40.000 tot 60.000 woningen in 2040. Hiervan kan en wil de gemeente in ieder geval 1.000 woningen voor haar rekening nemen. Kwaliteiten toevoegen wordt belangrijker Groei is geen doel op zich maar moet bijdragen aan welvaart en welzijn van onze inwoners. De gemeente bouwt bestaande kwaliteiten uit en voegt nieuwe toe aan de leefomgeving en economie. Zo wil de gemeente haar inwoners binden en vertrokken Hardenbergers verleiden om terug te keren. De gemeente schept een gunstig vestigingsklimaat voor nieuwe bedrijven. Nieuwbouw is hiervoor niet voldoende. Verbeteringen in het woon, leef- en werkklimaat werken als een vliegwiel voor de lokale welvaart en het welzijn van de inwoners. Dit noemt met brede welvaart.
De brede welvaart wordt bereikt door in te spelen op de trends en ontwikkelingen die de samenleving beïnvloeden, zoals: klimaatontwikkelingen, energietransitie, transities in de landbouw, circulaire economie, aandacht voor voeding en levensstijl en demografische ontwikkelingen. Ruimte als troefkaart Ruimte is de troefkaart. In Hardenberg krijg je veel voor weinig. Er is kwaliteit van leven. De Brede Welvaartsindicator 2019 laat een hoge woontevredenheid zien. Een kwaliteit die in Nederland steeds schaarser wordt. Hiermee onderscheiden we ons. Nu en in de toekomst. Dit doet Hardenberg door werk te maken van leefbaarheid: de gemeente versterkt landbouw en natuur; de gemeente verbeterd het leef- en woonmilieu (groen, water, schoon, veilig, ruimte); de gemeente zorgt voor een passend woningaanbod en versterkt de sociale samenhang; de gemeente houdt het voorzieningenniveau op peil. Bereikbaarheid en samenwerking als randvoorwaarden Hardenberg is de op één na grootste gemeente in zowel de regio Zwolle als de Dutch TechZone. Beide samenwerkingsverbanden zijn belangrijk om onze ambities en opgaven te realiseren. Vooral voor de bereikbaarheid en de economie. En daarmee ook voor onderwijs en scholing. Hardenberg moet daarom uitgroeien tot een netwerkgemeente bij uitstek. Dit vraagt om intensivering van de samenwerkingsrelaties, specifiek met de regio Zwolle.
Goede bereikbaarheid is hierbij een belangrijke voorwaarde. De gemeente zet zich in voor snelle verbindingen met Twente en Zwolle. 3.3.2.3 Thema's De visie is vertaald in vier thema's voor ontwikkeling. Dit betreffen de volgende: 1. Hardenberg in balans: over de verscheidenheid van het landelijk gebied; 2. Hardenberg voor elkaar: over stedelijke ontwikkeling, een vitale samenleving en leefbare kernen; 3. Hardenberg knooppunt: over een vitale economie en goede bereikbaarheid; 4. Hardenberg duurzaam: over de energietransitie, klimaatadaptatie en een circulaire economie. Binnen elk thema heeft de gemeente ambities en staat de gemeente voor opgaven. Samen vormen ze de agenda voor toekomstige samenwerkingen. In dit geval is met name het thema 'Hardenberg in balans' relevant, aangezien deze gaat over het landelijk gebied, waar het plangebied onderdeel van is. bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Haarw eg tussen 24 en 28 en Brinkw eg 2/2a Bergentheim | PAGINA 36
Hardenberg in Balans Ten aanzien van dit thema's heeft de gemeente zes ambities opgesteld, dit betreffen de volgende: 1. De gemeente houdt het landelijk gebied vitaal; 2. De gemeente behoud en versterkt natuur en landschap, economie en samenleving: 3. De gemeente maakt ruimte voor klimaatadaptatie en de energietransitie met aandacht voor de kwaliteit, het gebruik en de waarden in het landelijk gebied; 4. De gemeente benaderd ontwikkelopgaven en vraagstukken gebiedsgericht; 5. De gemeente stimuleert nieuwe samenwerkingsvormen en strategische partnerschappen tussen ondernemers, onderzoek, onderwijs en overheden; 6. De gemeente zorgt voor passend hergebruik van vrijkomende agrarische bebouwing. 3.3.2.4 Opgaven per gebied De gemeente zet zich al lang in om ontwikkelingen in het buitengebied bij te laten dragen aan versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het beleid beschrijft daarom voor elk landschapstype de belangrijkste gebiedskenmerken en ontwikkelingsrichtingen. Bij het maken van dit beleid waren zowel bewoners als professionals betrokken. De resultaten zijn vastgelegd in Landschap-Identiteit-Kaarten (LIK’s). Deze vormen de natuurlijke onderlegger voor ontwikkelvisies voor verschillende deelgebieden. In dit geval ligt het plangebied in een gemengd gebied. Dit zijn de besloten heide- en veenontginningen en het brede beekdallandschap stroomopwaarts van Hardenberg.
De gemeente geeft hier ruimte aan de landbouw. De gemeente maakt functietransformaties van vrijkomende agrarische bebouwing mogelijk. De gemeente richt ook op behoud en aanvulling van passende landschapselementen zoals bosjes en singels. 3.3.2.5 Aandachtspunten voor natuurlijke en landschappelijke kwaliteiten De natuurlijke en landschappelijke kwaliteiten in het landelijk gebied blijven voortdurend aandacht vragen. Natuur en landschap staan onder druk, vanwege de energietransitie, klimaatmaatregelen en de transitie in de landbouw. Tegelijk vormen deze ontwikkelen juist een kans om bij te dragen aan de Landstad Hardenberg en de ‘regio van het gezonde leven’. In de dialoog ‘bouw je eigen buurt’ was de zorg voor een gezonde en groene leefomgeving een speerpunt. Een goede landschappelijke en ruimtelijke inpassing van vrijkomende agrarische bebouwing is hiervan een voorbeeld. De regeling ‘Erven met kwaliteit’ (voorheen rood-voor-rood) blijft hierbij het kader. Dit sluit aan bij de landelijke trend om meer ruimtelijke kwaliteit toe te voegen in de fysieke leefomgeving. Ruimtelijke kwaliteit ziet de gemeente als “datgene wat ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is”. De provincie gebruikt deze omschrijving ook. Ambities: De gemeente geeft een extra kwaliteitsimpuls aan de groene omgeving waarbij de verschillende landschappen herkenbaarder worden.
Gebiedsgerichte projecten versterken enerzijds de landschappelijke relaties en biodiversiteit in het landelijk gebied zelf en anderzijds de relatie tussen het landelijk gebied en de kernen. Dit overstijgt de huidige perceelsgerichte benadering. De gemeente zoekt naar nieuwe economische dragers in het landelijk gebied om gebiedsgerichte projecten te kunnen financieren. Een voorbeeld is het bieden van ruimte aan tweede woningen. De investeringsruimte die hiermee ontstaat zet de gemeente in voor kwaliteitsverbetering van de fysieke leefomgeving van het buitengebied. De gemeente onderzoekt hoe inkomsten uit grootschalige(r) toekomstige ontwikkelingen in het landelijk gebied kunnen inzetten voor de kwaliteit van de groene leefomgeving. Denk aan koppeling van geldstromen rond de energietransitie of klimaatadaptatie. Dit kunnen ook nieuwe economische dragers in het landelijk gebied worden. De gemeente stimuleert groenblauwe diensten ter ondersteuning van de bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Haarw eg tussen 24 en 28 en Brinkw eg 2/2a Bergentheim | PAGINA 37
gebiedsgerichte projecten. Deze dragen bij aan nieuwe kwaliteitsimpulsen voor de groene leefomgeving. Gebieden die voor extra kwaliteitsimpulsen in aanmerking komen is onder andere het gebied in Bergentheim. Het gaat daarbij om het toevoegen van landschapselementen in de kleinschalige landschappen. 3.3.2.6 Toetsing van het initiatief aan de gemeentelijke omgevingsvisie 'Landstad Hardenberg' Deze ontwikkeling draagt bij aan de algemene ambitie van de gemeente om kwaliteit toe te voegen. Door de sloop van vervallen gebouwen en realisatie van toekomstbestendige woningen wordt hier aan bijgedragen. Ten aanzien van het thema 'Hardenberg in Balans' geldt dat het initiatief bijdraagt aan het vitaal houden van het landelijk gebied en de versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Voor wat betreft de gebiedsgerichte opgaven geldt dat het gemengd gebied van Bergentheim zich uitstekend leent voor functietransformaties van vrijkomende agrarische erven in combinatie met aanvullende passende landschapsmaatregelen. Het sluit hier naadloos op aan. Tot slot geldt voor de natuurlijke en landschappelijke kwaliteiten dat specifiek benoemd is dat het beleid 'Erven met kwaliteit' bijdraagt aan een versterking van deze kwaliteiten. Onderhavige ontwikkeling is daar een voorbeeld van. Ook wordt de compensatiewoning gezien als nieuwe economische drager van het landelijk gebied.
Samenvattend wordt gesteld dat het initiatief past binnen de omgevingsvisie 'Landstad Hardenberg'. 3.3.3
Visienota Buitengebied Hardenberg
3.3.3.1 Algemeen De gemeente Hardenberg heeft de hoofdlijnen van het nieuwe ruimtelijke beleid voor het totale buitengebied van de gemeente Hardenberg geformuleerd in de 'Visienota Buitengebied Gemeente Hardenberg'. De nota richt zich vooral op de realisatie van ruimtelijke kwaliteiten in het buitengebied. De ruimtelijke visie zoals vastgelegd in de visienota heeft de basis gevormd voor de bestemmingsplannen “Buitengebied Hardenberg, Reestdal en Bergentheim-Zuid” en “Buitengebied Hardenberg”. De hoofddoelen van het ruimtelijk beleid zoals verwoord in de 'Visienota Buitengebied' zijn: Op een duurzame en efficiënte wijze ruimte scheppen voor de verschillende ruimtevragende functies; Het vergroten van de leefbaarheid van het platteland; Het vergroten van de ruimtelijke kwaliteit. Deze hoofddoelen zijn in de visienota als volgt vertaald: 1. een thematische benadering van het buitengebied (8 thema's); 2. een gebiedsgerichte benadering van het buitengebied; 3. uitgangspunt hierbij: de landschapstypen en de visuele landschapskenmerken; 4. een ontwikkelingsgerichte wijze van bestemmen. 3.3.3.2 Thematische benadering De visie voor de 8 thema's wordt hierna weergegeven, in dit geval is het thema 'wonen' van belang. Hierna wordt op deze thema's ingegaan.
Wonen Het gemeentelijk beleid ten aanzien van het thema 'wonen' is gericht op: Behoud van een gevarieerd woningaanbod in het buitengebied, zowel qua inhoud van de woningen als qua verschijningsvorm; De afstemming van de maximale inhoudsmaat van woningen in het buitengebied op de gebiedskenmerken; Het bieden van ruime mogelijkheden voor inwoning;
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Haarw eg tussen 24 en 28 en Brinkw eg 2/2a Bergentheim | PAGINA 38
Het bieden van de mogelijkheid om aan vrijgekomen agrarische bedrijfsgebouwen een woonfunctie toe te kennen; waarbij ruimere mogelijkheden gelden naarmate meer oppervlakte aan landschapsontsierende bedrijfsgebouwen worden afgebroken; Het tegengaan van permanente bewoning van recreatiewoningen; Het bieden van ruimte voor opvulling van open gaten in bebouwingslinten met woningbouw of kleinschalige bedrijvigheid. 3.3.3.3 Gebiedsgerichte benadering - Vechtdal Beide locaties van het plangebied liggen binnen het Vechtdal. Landschapskenmerken zijn onder andere veel bosgebied, houtwallen, een verspreid bebouwingspatroon, kronkelende wegen, veel meanders van de Vecht, herkenbare zomer- en winterdijken en in Rheeze/Diffelen schaalvergroting door ruilverkaveling. Het gebied is grotendeels onderdeel van het NNN en er is veel recreatie te vinden. Agrarische bedrijven richtten zich met name op veeteelt. Tot slot heeft de Vecht een belangrijke waterafvoerende functie. De ontwikkelingsrichting van dit gebied richt zich op water, biodiversiteit, (verbrede) landbouw, recreatie en toerisme. In afbeelding 3.6 is een uitsnede van de visiekaart weergegeven, waarop de locatie met een gele ster is aangeduid.
Afbeelding 3.6: Uitsnede visiekaart Visienota Buitengebied (Bron: Gemeente Hardenberg) 3.3.3.4 Toetsing van het initiatief aan de Visienota Buitengebied Hardenberg Door de sloop van een veelvoud aan landschapsontsierende bebouwing en de realisatie van drie compensatiewoningen aan de Haarweg tussen 24 en 28 wordt bijgedragen aan de hoofddoelen van de visienota, die gericht zijn op het vergroten van de leefbaarheid en de ruimtelijke kwaliteit. Wat betreft de gebiedsgerichte benadering geldt dat er sprake is van een adequate landschappelijke inpassing, aansluitend bij de kenmerken en karakteristieken van het daar voorkomende landschap. Hiervoor is een ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld (zie hiervoor Hoofdstuk 2 en bijlage 1 zodat de ontwikkeling op een adequate wijze wordt ingepast in het landschap. De bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Haarw eg tussen 24 en 28 en Brinkw eg 2/2a Bergentheim | PAGINA 39
omliggende gebiedskenmerken zijn hierbij leidend geweest. In deze toelichting wordt ook aangetoond dat de ontwikkeling geen belemmering met zich meebrengt voor omliggende functies en dat het milieubelang zorgvuldig is afgewogen. Met het initiatief wordt aangesloten bij het perspectief om op duurzaam en efficiënte wijze ruimte te scheppen voor de verschillende functies. Tevens wordt door sloop van vervallen bebouwing de leefbaarheid van het platteland vergroot. Samenvattend wordt geconcludeerd dat het initiatief in overeenstemming is met de Visienota Buitengebied.
3.3.4 LIK (Landschap Identiteit Kaart) en Ontwikkelingsvisie - Rheeze - Diffelen en omgeving 3.3.4.1 Inleiding De gemeente heeft voor het gebied een Landschap-Identiteit-Kaart (LIK) gemaakt. In de LIK wordt de identiteit van het gebied bepaald zoals de specifieke kenmerken en kwaliteiten. Op deze wijze wil de gemeente de ruimtelijke kwaliteit van het gebied versterken. Het plangebied (hier is met name de bouwlocatie aan de Haarweg 24-28 van belang) ligt in het beekdallandschap. Dit is in afbeelding 3.7 weergegeven. Deze locatie is met de gele ster aangegeven.
Afbeelding 3.7: Uitsnede LIK (Bron: Gemeente Hardenberg)
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Haarw eg tussen 24 en 28 en Brinkw eg 2/2a Bergentheim | PAGINA 40
3.3.4.2 Methodiek LIK's De gemeente Hardenberg wil regie voeren op de ontwikkeling van het landelijk gebied. Daarbij wil de gemeente een meer richtinggevende rol gaan innemen, gericht op het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Ruimtelijke kwaliteit is echter een breed begrip, dat deels subjectief van aard is. In de Visienota Buitengebied is dit gedefinieerd als “eigen identiteit”. De identiteit van het gebied komt voort uit de ontstaansgeschiedenis en de daarmee samenhangende landschapstypen. In de LIK is daarom een onderscheid gemaakt tussen de verschillende landschapstypen die in het gebied voorkomen. Deze landschapstypen zijn op een overzichtskaart opgenomen (zie de figuur 4.7). Vervolgens is voor het gebied een schema opgesteld, waarin een overzicht is opgenomen van de aanwezige waardevolle en storende kenmerken. Ook zijn de kansen of juist bedreigingen voor deze kenmerken omschreven. De schema's ten aanzien van de landschapstypen zijn opgenomen in het volledige LIK. 3.3.4.3 Ontwikkelingsvisie Rheeze - Diffelen en omgeving Na het opstellen van de LIK's is een visie (wensbeeld) op de toekomstige ontwikkelingen gegeven. Hierbij is rekening gehouden met de gebiedskenmerken en kwaliteiten uit de LIK's en het geldende beleid van rijk, provincie, waterschap en het gemeentelijke beleid.
Na het opstellen van de LIK's is een visie (wensbeeld) op de toekomstige ontwikkelingen gegeven. Hierbij is rekening gehouden met de gebiedskenmerken en kwaliteiten uit de LIK's en het geldende beleid van het rijk, provincie, waterschap en eigen gemeentelijk beleid. De ontwikkelingsvisie voor het 'Beekdallandschap' binnen deelgebied 'Rheeze Diffelen en omgeving' richt zich op de volgende punten: aanleg pad langs de Vecht; Vechtstructuur gebruiken als recreatieve structuur (passieve watersport en dergelijke); ontwikkel kwelmoerassen; agrarisch natuurbeheer. 3.3.4.4 Toetsing van het initiatief aan het LIK Het voornemen voorziet in een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit door het treffen van landschapsmaatregelen ter plaatse van de nieuw te bouwen woningen en ziet eveneens op het behouden van de landschappelijke bestaande inpassing ter plaatse van de slooplocatie aan de Brinkweg 2/2a te Bergentheim. Voor het bepalen van de landschapsmaatregelen is een ruimtelijke kwaliteitsplan opgesteld, waarbij de landschappelijke kenmerkende waarden als uitgangspunt hebben gediend. De landschapsmaatregelen bestaat uit het aanplanten van gebiedseigen beplanting. Opgemerkt wordt dat het LIK is gekoppeld aan de regels ter bescherming van de landschappelijke kenmerkende waarden. Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met het LIK 'Rheeze-Diffelen en omgeving'. 3.3.5
Welstandsnota Buitengebied
3.3.5.1 Inleiding De gemeente Hardenberg heeft op 3 december 2013 de Welstandsnota voor het buitengebied opgesteld. In aansluiting op de welstandsnota voor de kernen is er in deze nota voor het buitengebied eveneens gekozen voor verschillende niveaus van welstand. De locatie van de compensatiewoning aan de Hardenbergerweg 16 te Brucht ligt binnen het welstandsgebied 'Veen-ontginningen'. Voor dit gebied geldt welstandsniveau 1. Belangrijk voor dit gebied zijn onder meer de volgende punten: Behouden helder onderscheid tussen voor(wonen) en achter(werken) in situering en architectuur. Sturen op: schoonheid van de moderne landbouw Behouden; heldere volumes (boog-,serre-, zadelkap) Versterken: statige voorhuizen met oog voor detail. Sturen op: donker kleurgebruik met voldoende reliëf.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Haarw eg tussen 24 en 28 en Brinkw eg 2/2a Bergentheim | PAGINA 41
3.3.5.2 Toetsing van het initiatief aan de Welstandsnota Voor de in dit bestemmingsplan betrokken locaties is een ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld. De bouwplannen worden aan de welstandscommissie voorgelegd. 3.3.6
Bestemmingsplan "Buitengebied Hardenberg"
3.3.6.1 Algemeen In het bestemmingsplan "Buitengebied Hardenberg" is in artikel 59.6 een afwijkingsbevoegdheid opgenomen waarbinnen de splitsing van voormalige boerderijen wordt mogelijk gemaakt. In dit geval is er sprake van het splitsen van een voormalige boerderij. Deze afwijkingsmogelijkheid wordt in dit bestemmingsplan meegenomen voor de bestaande woning aan de Haarweg 26/26i. Hierna wordt getoetst aan de voorwaarden van de afwijkingsbevoegdheid voor allereerst woningsplitsing en vervolgens de wijzigingsbevoegdheid in het kader van het rood voor rood beleid. 3.3.6.2 Afwijkingsbevoegdheid woningsplitsing Artikel 59.6 Woningsplitsing voormalige boerderij Bij omgevingsvergunning kan binnen de verschillende bestemmingen wonen worden afgeweken van de regels omtrent het toegestane aantal woningen per bouwperceel, voor het toestaan van: a. één woning extra, indien de bestaande inhoud van de aaneengesloten bebouwing meer dan 1.000 m3 bedraagt, met inachtneming van het bepaalde in c tot en met i; b. twee woningen extra, indien de bestaande inhoud van de aaneengesloten bebouwing meer dan 1.500 m3 bedraagt, met inachtneming van het bepaalde in c tot en met i; c. de extra woning mag/de extra woningen mogen uitsluitend worden gerealiseerd binnen de aaneengesloten bebouwing van een voormalige boerderij, te weten de woonruimte met aangrenzende deel of soortgelijke inpandige ruimte; d.
de uiterlijke verschijningsvorm van de voormalige boerderij moet in stand blijven; e. de gezamenlijke inhoud van de woningen mag niet meer bedragen dan de bestaande inhoud van de aaneengesloten bebouwing; f. de extra woning dient/de extra woningen dienen te passen binnen het gemeentelijk woningbouwprogramma; g. er mag geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en/of van de functie van aangrenzende bestemmingen; h. op geen van de gevels van een extra woning mag, bij voltooiing, de geluidsbelasting vanwege een weg of spoorweg de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder overschrijden; i. inpassing op het erf en in het landschap op zorgvuldige wijze plaatsvindt, aan de hand van een ruimtelijke kwaliteitsplan. Toetsing: Hierna wordt separaat aan de genoemde voorwaarden getoetst: a. er wordt in dit geval een inwoonsituatie getransformeerd naar een extra reguliere woning. De inhoud van de aaneengesloten bebouwing bedraagt namelijk ruim meer dan 1.000 m3; b. n.v.t. c. de extra woning (reguliere woning in plaats van inwoning) wordt binnen de bestaande aaneengesloten bebouwing van de voormalige boerderij gerealiseerd; d. de uiterlijke verschijningsvorm van de voormalige boerderij blijft onveranderd. e. de gezamenlijke inhoud van de woningen bedraagt niet meer dan de bestaande inhoud van de aaneengesloten bebouwing; f.
de extra woning wordt gerealiseerd voor de lokale behoefte en past dan ook binnen het
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Haarw eg tussen 24 en 28 en Brinkw eg 2/2a Bergentheim | PAGINA 42
gemeentelijke woonprogramma, er is reeds sprake van concrete bewoning; g. er is geen sprake van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en/of de functie van de aangrenzende bestemmingen. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar paragrafen 4.5 en 4.6. h. er is geen sprake van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder op de voorgevel van de woning. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar paragraaf 4.1; i. de te splitsen woning wordt, als onderdeel van het gehele vernieuwde erf (in het kader van Rood voor Rood) ruimtelijk ingepast aan de hand van een ruimtelijk kwaliteitsplan. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar paragraaf 2.2.3.3. Geconcludeerd wordt dat wordt voldaan aan de voorwaarden van de genoemde afwijkingsbevoegdheid. 3.3.7
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het gemeentelijk beleid.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Haarw eg tussen 24 en 28 en Brinkw eg 2/2a Bergentheim | PAGINA 43
Hoofdstuk 4
Milieu- en omgevingsaspecten
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, Besluit milieueffectrapportage en de waterparagraaf. Opgemerkt wordt dat met name voor de compensatiekavels aan de Haarweg tussen 24 en 28 de relevante milieuaspecten gelden. Uitsluitend daar waar relevant wordt op de slooplocatie aan de Brinkweg 2/2a te Bergentheim in gegaan.
4.1
Geluid
4.1.1
Wettelijk kader
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. 4.1.2
Situatie plangebied
4.1.2.1 Industrielawaai en railverkeerslawaai Industrielawaai Het plangebied aan de Haarweg is niet gelegen binnen de zone van een gezoneerd bedrijventerrein. Daarom wordt niet nader op het aspect industrielawaai ingegaan. In paragraaf 4.5 en 4.6 wordt nader ingegaan op de in de omgeving aanwezige (individuele) bedrijvigheid. Railverkeerslawaai Vanwege een wijziging van de Wet milieubeheer gelden sinds 1 juli 2012 de zogenoemde ‘geluidproductieplafonds’ voor hoofdspoorwegen en rijkswegen. Een geluidproductieplafond geeft de toegestane geluidproductie (geluidwaarde in Lden) vanwege een weg of spoorweg aan. Hiermee wordt een onbelemmerdere groei van geluidshinder tegengegaan. Referentiepunten bevinden zich langs weerszijden van een rijksweg of hoofdspoorweg. Op elke referentiepunt geldt een geluidproductieplafond. De ligging van de referentiepunten (in rijkdriehoekscoördinaten) is opgenomen in het geluidregister. Als vuistregel geldt dat de referentiepunten op circa 50 meter van de buitenste rijstrook c.q. het buitenste spoor en op een onderlinge afstand van circa 100 meter liggen. De hoogte van de referentiepunten bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Haarw eg tussen 24 en 28 en Brinkw eg 2/2a Bergentheim | PAGINA 44
bedraagt 4 meter boven het maaiveld. De geluidproductieplafonds zijn, evenals andere van belang zijnde informatie zoals brongegevens en relevante besluitinformatie, opgenomen in het geluidregister. In dit geluidsregister zijn eventuele van toepassing zijnde plafondcorrectie(s) voor spoorwegen al verwerkt. De verantwoordelijkheid voor het vaststellen van en het toezicht op de naleving van de gpp’s op de referentiepunten ligt bij de Minister van Infrastructuur en Waterstaat. De verantwoordelijkheid voor de naleving rust op de beheerder van de betreffende infrastructuur. Op basis van deze geluidproductieplafonds zijn de breedtes van de geluidzones gedefinieerd (artikel 1.4a van het Besluit geluidhinder). De geluidzones zijn te beschouwen als aandachtsgebieden of onderzoeksgebieden. In onderstaande tabel zijn de zonebreedtes op basis van de gpp’s weergegeven.
Nader onderzoek naar dit aspect wordt in dit geval buiten beschouwing gelaten, omdat het dichtsbijzijnde gpp-punt een waarde van 62,9 kent. De bijbehorende breedte van de geluidszone is 300 meter. De afstand van de dichtstbijzijnde spoorlijn tot aan het plangebied aan de Haarweg 24-28 is circa 650 meter afstand. Nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. 4.1.2.2 Wegverkeerslawaai De Wet geluidhinder (Wgh) stelt eisen ten aanzien van de geluidsbelasting van geluidsgevoelige functies. Woningen worden aangemerkt als een geluidsgevoelig object. Op basis van artikel 77 van de Wet geluidhinder (Wgh) dient bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden ingesteld. Het akoestisch onderzoek bepaalt de geluidsbelasting aan de gevel van de geluidsgevoelige bestemming die vanwege de weg wordt ondervonden. Het onderzoek is alleen noodzakelijk als de geluidsgevoelige bestemming binnen de wettelijke geluidszone van de weg gelegen is. In artikel 74.1 van de Wgh is aangegeven dat een weg een zone heeft die zich uitstrekt vanaf de as van de weg tot de volgende breedte aan weerszijden van de weg:
De hiervoor geldende zones gelden niet voor: wegen die zijn aangeduid als woonerf (art. 74.2); wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (artikel 74.2). In voorliggend geval is door BJZ.nu een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het volledige onderzoeksrapport is in bijlage 2 opgenomen. Hierna wordt op de bevindingen ingegaan. Aan de Haarweg 24 tot 28 worden drie woningen gerealiseerd. Opgemerkt wordt dat de inwoonsituatie welke wordt getransformeerd naar een reguliere woning niet wordt meegenomen in dit onderzoek, het betreft namelijk een reeds bestaande woonsituatie. Het bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Haarw eg tussen 24 en 28 en Brinkw eg 2/2a Bergentheim | PAGINA 45
plangebied aan de Haarweg ligt binnen de wettelijke zone van de Fliersdijk en de Haarweg. De geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeerslawaai van de Haarweg bedraagt 48 dB. Met deze waarde wordt voldaan aan de voorkeurswaarde van de Wgh. De geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeerslawaai van de Fliersdijk bedraagt 29 dB. Met deze waarde wordt ruimschoots voldaan aan de voorkeurswaarde van de Wgh. Omdat voor alle woningen en wegen aan de voorkeurswaarde wordt voldaan, is er geen hogere waarde benodigd. Er is dan ook sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect wegverkeerslawaai. Tot slot wordt opgemerkt dat op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder, het niet noodzakelijk is om de geluidsbelasting op de bestaande woningen te toetsen. 4.1.3
Conclusie
De Wet geluidhinder vormt in voorliggend geval geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.2
Bodem
4.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Dit gebeurt doorgaans aan de hand van een actueel bodemonderzoek conform de richtlijnen NEN 5740. In dit geval is op beide locaties een bodemonderzoek uitgevoerd door Dumea (voorheen Agri-Terra). Voor de Haarweg is dit gedaan omdat aangetoond dient te worden dat de bodem geschikt is voor de nieuwe woningen. Voor de Brinkweg is dit gedaan om in beeld te brengen of de bodemkwaliteit past bij de nieuwe bestemming, de functie 'wonen'. 4.2.2
Situatie plangebied
In voorliggend geval is door Dumea (moment van uitvoering Agri-Terra) ter plaatse van de Haarweg tussen 24 en 26 (de twee compensatiewoningen vanaf de Brinkweg), ter plaatse van de Haarweg 26/26i (compensatiewoning op hetzelfde perceel) als aan de Brinkweg 2/2a verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De volledige rapportage's zijn bijgevoegd in bijlage 3 en Bijlage 4 deze toelichting. Hieronder worden de belangrijkste resultaten kort weergegeven. Bodemonderzoek Haarweg 24-26. Op deze locatie gelegen op het perceel tussen de Haarweg 24-26 te Bergentheim, kadastraal bekend gemeente: Ambt-Hardenberg, Sectie: AB, nummer(s): 472 is op 8 juni mei 2021 een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 uitgevoerd. De onderzoekslocatie bestaat, en heeft voor zover bekend, altijd uit landbouwgrond bestaan. In zowel de bovengrond (BM1 en BM2) als in de ondergrond (OM1) zijn geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster PB1 WM1 is een lichte verhoging barium aangetroffen. Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik.
Bodemonderzoek Haarweg 26/26i Op de locatie gelegen aan de Haarweg 26/26i te Bergentheim, kadastraal bekend gemeente: Ambt- Hardenberg, Sectie: AB, nummer(s): 1295 is op 7 juni 2021 een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 en 5707 uitgevoerd.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Haarw eg tussen 24 en 28 en Brinkw eg 2/2a Bergentheim | PAGINA 46
Verkennend bodemonderzoek NEN5740 Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn boringen en inspectiegaten uitgevoerd ten behoeve van een bodemonderzoek conform de NEN5740 en NEN5707. Gehele locatie In de bovengrondmengmonsters BM1 t/m BM4 zijn geen verhogingen aangetroffen. In de grondwatermonsters Pb1wm1 en Pb2wm1 zijn eveneens geen verhogingen aangetroffen. Op basis van onderhavig onderzoek wordt voor dit onderdeel een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt voor dit onderdeel geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Verkennend bodemonderzoek NEN5707 "asbest in bodem" Tijdens de maaiveld- inspectie zijn ter plaatse van de onderzoekslocatie geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Gehele locatie Ter plaatse van de locatie zijn meerdere inspectiegaten gegraven, bemonsterd en geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest. In de bovengrondmengmonsters mm1 t/m mm4 is analytisch geen asbest aangetroffen. Op basis van onderhavig onderzoek wordt voor dit onderdeel een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt voor dit onderdeel geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Druppelzone Ter plaatse van de druppelzone zijn twee inspectiesleuven gegraven en is er een mengmonster samengesteld.
Op het maaiveld is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. In het mengmonster van dz1 is analytisch geen asbest aangetroffen. Bodemonderzoek Brinkweg 2/2a. Op de locatie gelegen aan de Brinkweg 2 en 2a te Bergentheim, kadastraal bekend gemeente: Ambt-Hardenberg, Sectie: AC, nummer(s): 1410, 2001 en 2002 is op 13 en 14 september 2021 een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 en 5707 uitgevoerd. Verkennend bodemonderzoek NEN5740 Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn boringen en inspectiegaten uitgevoerd ten behoeve van een bodemonderzoek conform de NEN5740 en NEN5707. Gehele locatie In het bovengrondmengmonster BM1 is een lichte verhoging PAK 10 VROM aangetroffen. In de bovengrondmengmonsters BM2 en BM3 zijn geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster Pb4wm1 zijn geen verhogingen aangetroffen. Voormalige dieseltank In het bovengrondmengmonster BM4 zijn geen olie gerelateerde verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster Pb1wmw is een lichte verhoging benzeen en xylenen (som) aangetroffen. Voormalige dieseltank In het bovengrondmengmonster BM5 zijn geen olie gerelateerde verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster Pb4wm1 zijn geen verhogingen aangetroffen. Op basis van onderhavig onderzoek wordt voor dit onderdeel een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht.
De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt voor dit onderdeel geschikt geacht voor het beoogde gebruik. bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Haarw eg tussen 24 en 28 en Brinkw eg 2/2a Bergentheim | PAGINA 47
Verkennend bodemonderzoek NEN5707 "asbest in bodem" Tijdens de maaiveld- inspectie zijn ter plaatse van de onderzoekslocatie geen asbestverdachte materialen op het maaiveld aangetroffen. Gehele locatie Ter plaatse van de locatie zijn meerdere inspectiegaten gegraven, bemonsterd en geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest. In de mengmonsters MM1, MM2 en MM3 is analytisch geen asbest aangetoond. Druppelzones In de mengmonsters van de druppelzones is analytisch geen asbest aangetoond. Op basis van onderhavig onderzoek wordt voor dit onderdeel een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt voor dit onderdeel geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn boringen en inspectiegaten uitgevoerd ten behoeve van een bodemonderzoek conform de NEN5740 en NEN5707. Gehele locatie In de bovengrondmengmonsters BM2, BM3 en BM4 zijn geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster PB1 WM1 is een verhoging barium aangetroffen. Ter plaatse van de gedempte sloot zijn geen verhogingen aangetroffen. Tevens zijn in de diepere lagen geen bijzonderheden waargenomen. Ter plaatse van de lichte olievlek (monster 21-1) zijn geen olie gerelateerde verhogingen aangetroffen. Voormalige dieseltank In het bovengrondmengmonster BM1 is een lichte verhoging minerale olie aangetroffen.
In het grondwatermonster PB1 WM1 zijn geen olie gerelateerde verhogingen aangetroffen. Op basis van onderhavig onderzoek wordt voor dit onderdeel een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt voor dit onderdeel geschikt geacht voor het beoogde gebruik. 4.2.3
Conclusie
De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.3
Luchtkwaliteit
4.3.1
Beoordelingskader
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Haarw eg tussen 24 en 28 en Brinkw eg 2/2a Bergentheim | PAGINA 48
4.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 4.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.
Woningen en ziekenhuizen/klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 4.3.2
Situatie plangebied
4.3.2.1 Externe werking Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling, betreffende de planologische toevoeging van drie woningen, in verhouding tot de categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 4.3.1.1 kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. 4.3.2.2 Interne werking Op basis van de "grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland", welke is gepubliceerd door het Rijksinstituut Volksgezondheid en Milieu, zijn op schaal van km2 de gemiddelde achtergrondconcentraties van diverse luchtverontreinigende stoffen aangegeven. Uit raadpleging van deze kaarten blijkt dat aan de grenswaarden voor NO2 en PM10 en de blootstellingsconcentratieverplichting voor PM2,5 ruimschoots voldaan wordt. Ook aan de advieswaarden van de van de WHO voor de achtergrondconcentratie van alle parameters wordt ruimschoots voldaan. 4.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Haarw eg tussen 24 en 28 en Brinkw eg 2/2a Bergentheim | PAGINA 49
4.4
Externe veiligheid
4.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
Het vervoer van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 4.4.2
Situatie plangebied
Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 4.1 is een uitsnede van de Risicokaart weergegeven. Hierin is het plangebied Haarweg tussen 24 en 28 aangegeven met de blauwe cirkel.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Haarw eg tussen 24 en 28 en Brinkw eg 2/2a Bergentheim | PAGINA 50
Afbeelding 4.1 Uitsnede risicokaart (Bron: Risicokaart) Uit de inventarisatie blijkt dat de locatie niet binnen het invloedgebied van risicovolle inrichtingen is gelegen. Ten westen van het plangebied liggen aan aantal gasleidingen. De afstand tussen de gasleidingen en het plangebied bedraagt echter bijna 800 meter. De buisleiding bevindt zich hiermee op een afstand van circa 800 meter van de woonbestemming. Voor de buisleiding geldt een plaatsgebonden risicocontour van 40 meter en een groepsrisico-aandachtsgebied van 70 meter. Daarmee is een nadere verantwoording van het groepsrisico niet noodzakelijk. Gelet op de grote afstand, worden belemmeringen op voorhand uitgesloten. Resumerend blijkt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. 4.4.3