CConstaterende datHardenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

Stikstofnotitie

gemeenteraad 13 september 2022, gemeente HardenbergBij agendapunt: Ontwerp verklaring van geen bedenkingen in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor het ruimtelijk mogelijk maken van een inrichting voor het wassen van grind, de opslag hiervan en het verhandelen van zand en grind afkomstig van elders en het (om)bouwen van de installatie en voorzieningen die hiervoor nodig zijn op het perceel plaatselijk bekend Gemeente Hardenberg, kadastraal bekend Ambt-Hardenberg, sectie G, nummer 2962 (352396)13.281 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

6.

U moet bij uitvoering van de ontgronding met de aanvullende bepalingen in het goedgekeurde werkplan rekening houden. Bij wezenlijke wijzigingen in de uitvoering als voorzien in het goedgekeurde werkplan moet het werkplan worden aangepast. Het herziene werkplan dient zo spoedig mogelijk ter goedkeuring aan gedeputeerde staten te worden voorgelegd. Alvorens met het ontgraven van zand wordt begonnen, moet u de Laag teelaarde over de volle diepte in den droge ontgraven. Deze teelaarde moet u in depot brengen op de plaats(en) die in het goedgekeurde werkplan zijn vastgelegd.

:7

8. Teelaarde mag u niet afvoeren tenzij blijkt dat dit materiaal niet gebruikt hoeft te worden ten behoeve van de afwerking dan wel inrichting van het terrein van vergunning, zoals is vastgelegd in het werkplan. 9. Buiten de insteek van het in deze vergunning aangegeven te ontgronden terrein mag u - anders dan ten behoeve van de afwerking en inrichting de bestaande terreinhoogte niet verlagen. Indien dit onverhoopt toch plaatsvindt (bijvoorbeeld door afkalving), moet u het terrein onverwijld weer aanvullen tot de oorspronkelijke hoogte. Tevens moet u maatregelen treffen om herhaling te voorkomen. Een en ander ten genoegen van of namens gedeputeerde staten. 10.Indien blijkt dat als gevolg van de ontgrondingswerkzaamheden een nadelig hydrologisch effect op de omgeving ontstaat, moet u op eerste aanwijzing en tot genoegen van of namens gedeputeerde staten maatregelen ter compensatie van dit nadelige effect treffen. 11.Op eerste aanwijzing van of namens gedeputeerde staten moet u hoogtemerken plaatsen. Deze hoogtemerken moeten de hoogte aangeven ten opzichte van N.A.P., duidelijk zichtbaar zijn en voor verstoring zijn veilig gesteld. 12.Op eerste aanwijzing van of namens gedeputeerde staten moet u in de zandwinpias ten minste 1 N.A.P.-peilschaal plaatsen; de peilschaal moet bevestigd zijn op een paal die deugdelijk is geïnstalleerd en goed worden onderhouden.

De waterstand moet vanaf de oever zijn af te lezen. 13.Van het terrein van vergunning mag u geen enkel gebruik maken (of gedogen) dat niet noodzakelijk is in verband met de ontgrondingswerkzaamheden. 14.a. Calamiteiten die schade kunnen veroorzaken aan het milieu en dergelijke binnen het terrein van vergunning of in de directe omgeving, moet u onmiddellijk melden bij het "Milieuklachtennummer", telefoonnummer (038) 422 11 32 (dag en nacht bereikbaar) of het bureau Ontgrondingen (tijdens kantooruren). (Als voorbeeld kan hierbij gedacht worden aan lekkages van chemische stoffen of aardolieprodukten, waterverontreiniging, instorten van een waterkering et cetera); b. u bent vervolgens verplicht zo spoedig mogelijk maatregelen te treffen om de schade als gevolg van de calamiteit te herstellen en om herhaling in de toekomst te voorkomen. Deze maatregelen moet u ter goedkeuring aan gedeputeerde staten voorleggen. Om de schade zoveel mogelijk te beperken, kunnen door of namens gedeputeerde staten zonodig voorlopige maatregelen worden opgelegd, waaronder het tijdelijk stilleggen van de ontgrondingswerkzaamheden. Dit in afwachting van verdere maatregelen, volgens de betrokken (milieu-)regelgeving voor te schrijven door het bevoegd gezag.

15.Het storten, verwerken of bewaren van afvalstoffen (waaronder puin) en elk ander aan het normale gebruik onttrokken materiaal is verboden, tenzij een wettelijke (milieu-)regeling dit toelaat.

16.Het is verboden grondspecie en/of grind van elders aan te voeren. Ontheffingsaanvragen zullen onder meer worden beoordeeld tegen de achtergrond van het belang voor de exploitatie van de zandwinning en de milieurisico's. 17.Bij een redelijk vermoeden van verontreiniging van de oorspronkelijk aanwezige of eventueel aangevoerde grondspecie en/of grind, kunnen door of namens gedeputeerde staten - op uw kosten - de noodzakelijke monsters worden onderzocht. Ook kunnen door of namens gedeputeerde staten maatregelen worden getroffen conform voorwaarde 14.b, indien de uitslagen van het monsteronderzoek daartoe noodzaken. 18.Alle materialen of gemaakte tijdelijke voorzieningen, die niet meer functioneel in gebruik zijn, moet u zo spoedig mogelijk van het terrein van vergunning afvoeren. Ten minste 3 maanden voor de vervaldatum moeten alle materialen en/of tijdelijke voorzieningen op of in het terrein van vergunning zijn verwijderd. 19.Voor het uitvoeren van controlemetingen door of namens gedeputeerde staten moet u zo nodig personeel en het gereedschap en/of materieel zonder recht van verrekening ter beschikking stellen. 20.Op eerste aanwijzing van of namens gedeputeerde staten moet u door een erkend en onafhankelijk adviesbureau een hoogte- c.q. dieptemeting van de zandwinning laten uitvoeren.

21.Indien u de ontgrondingswerkzaamheden voortijdig beëindigt, wordt door of namens gedeputeerde staten bepaald hoe en wanneer het terrein vergunning moet worden opgeleverd. • 72. Ter bescherming van de bij daze vergunning in het geding zijnde belangen, kunnen zo nodig door of namens gedeputeerde staten nadeee voorzieningen worden geëist. U moet op uw kosten hieraan voldoen binnen een door of namens gedeputeerde staten te stellen termijn. 23.Op verzoek van of namens gedeputeerde staten moet u redelijkerwijs medewerking verlenen aan archeologisch en/of ander wetenschappelijk onderzoek binnen het terrein van vergunning. 24.U bent verplicht al het mogelijke te doen om, met het oog op een zuinig gebruik van de winbare oppervlekcedelfstoffen, een effectieve scheiding in grind-, zand- en grondsoorten te bewerkstelligen. Dit dient u zo nodig te realiseren door middel van (een combinatie van) classificeer-, breek- en wastechnieken, waardoor de diverse bouwgrondstoffen (-mengsels) een zo hoogwaardig mogelijke aanwending kunnen krijgen. Ontheffing van deze verplichting kan slechts, na een schriftelijk en gemotiveerd verzoek van u, door of namens gedeputeerde staten worden verleend.

9

25. Indien en voor zover daar moverende redenen voor zijn, kunnen door of namens gedeputeerde staten nadere voorwaarden worden opgelegd met betrekking tot de jaarlijks af te zetten hoeveelheden beton- en metselzand. Van een dergelijk jaarlijks winplafond kan om stringente bedrijfseconomische redenen ontheffing door of namens gedeputeerde staten worden verleend. 26. Op verzoek van of namens gedeputeerde staten moet u een schriftelijke opgave verstrekken van de in een vastgestelde tijdsperiode hoeveelheden afgevoerde oppervlaktedelfstoffen en de totale restvoorraad. Deze opgave moet waar mogelijk worden gespecificeerd naar de verschillende geproduceerde zand- en grondsoorten. BIJZONDERE VOORWAARDEN 27. Binnen het kadastrale perceel Vriezenveen, sectie P, nummer 7 (het terrein van de asfaltcentrale) mogen geen ontgrondingswerkzaamheden worden uitgevoerd dan nadat hiervoor schriftelijk toestemming is verleend door of namens gedeputeerde staten. Dit met uitzondering van ontgrondingswerkzaamheden voor de milieusanering van de bodem. 28. De bodem van de waterplas moet u zo vlak mogelijk opleveren, op een niveau niet dieper dan 3 m - N.A.P.. Beneden dit niveau mag niet worden ontgrond. 29. Bij zandwinning door middel van een zuiger moet u het proceswater rechtstreeks terugleiden in de zandwinplas. 30.

Tot de insteek van de diepe winning, zoals deze op de bijbehorende situatietekening is aangegeven, moet een talud worden aangehouden, zoals is vastgelegd in het, bij de aanvraag behorende, "Landschapsinrichtingsplan zandwinning Westerhaar", d.d. 21 februari 1996, van Adviesburo Bijkerk. Vánaf de insteek van de diepe winning moet een ongeroerd talud worden aangehouden, niet steiler dan 1 (verticaal) op 3 (horizontaal). Voor het gedeelte ten oosten van de woning Sibculoseweg 102, zoals op de bijbehorende situatietekening is aangegeven, moet een ongeroerd talud worden aangehouden niet steiler dan 1 (verticaal) op 4 (horizontaal). 31. U moet binnen het terrein van vergunning de bermen van bedrijfswegen, de gronddepots, de te sparen randstroken en het in bewerking zijnde terrein vrijhouden van schadelijke onkruiden. 32. Wanneer geen toezicht op het terrein van vergunning aanwezig is. moet de inrit met slot en sleutel gesloten zijn. 33. Op eerste aanzegging van of namens gedeputeerde staten moet u (een gedeelte van) het terrein van vergunning afwerken en inrichten overeenkomstig het bij de aanvraag behorende "Landschapsinrichtingsplan zandwinning Westerhaar", d.d. 21 februari 1996, van Adviesburo Bijkerk.

10

34. Al het transport van en naar het terrein van vergunning mag uitsluitend gaan via het in het goedgekeurde werkplan vastgelegde ontsluitingspunt. 35. Op eerste aanwijzing door of namens gedeputeerde staten moet u een stabiliteitsonderzoek met betrekking tot de aan te houden taluds door

een erkend en onafhankelijk adviesbureau laten uitvoeren. Op grond van de uitkomsten van dit onderzoek kunnen gedeputeerde staten u de redelijkerwijs noodzakelijke maatregelen opdragen, die op uw kosten moeten worden uitgevoerd. GELDIGHEIDSTERMIJN 36. Indien het terrein van vergunning geheel volgens bovengenoemde

voorwaarden en conform het afwerkings- en beplantingsplan is opgeleverd, vervalt de ontgrondingsvergunning.van rechtswege; deze vervaldatum wordt (vooralsnog) bepaald op 1 januari 2006, welke datum zonodig kan worden gewijzigd. Indien het terrein van vergunning reeds voor deze vervaldatum geheel tot genoegen van of namens gedeputeerde staten is opgeleverd, vervalt de ontgrondingsvergunning op deze eerdere datum van rechtswege.

37.Voor zover bovenbedoelde oplevering niet voor de vervaldatum kan worden gerealiseerd, moet u ten minste 3 maanden voor deze vervaldatum een aanvraag tot wijziging daarvan bij gedeputeerde staten indienen. Na ontvangst van deze aanvraag tot wijziging blijft de vergunning (ook na de vervaldatum) geldig, totdat daarop onherroepelijk door gedeputeerde staten is beslist.

b.

Deze beschikking met de daarbij behorende situetietekening, te zenden aan de aanvrager. Afschrift van deze beschikking met de daarbij behorende situatietekening te zenden aan: 1. burgemeester en wethouders van Vriezenven, Postbus 57. 7670 A8 Vriezenveen; 2 burgemeester en wethouders van Hardenberg, Postbus ',00. 7.770 8A Hardenberg; 3. het bestuur van het waterschap Regge en Dinkel, Postbus 5006, 7600 GA Almelo; 4 Waterleiding maatschappij Overijssel N.V., Postbus 10005, 8000 CA Zwolle; 5. N.V. Regionaal Energiebedrijf Ijsselmij Hoogeveen, Postbus 6, 6. 7

7900 AA Hoogeveen; N.V. Regionaal Energiebedrijf IJ sselmij Hengelo. Postbus 5, 7550 AA Hengelo; Koninklijke filegebouw Stevin B.V., Postbus 609, 8000 AP Zwolle.

11

V.

Voorts afschrift van deze beschikking met de daarbij behorende situatietekening te zenden aan: 1. Politie Twente, Afdeling Milieu Ondersteuning, Raadhuisstraat 6, 7595 AL Weerselo; 2. Inspectie van de volksgezondheid belast met het toezicht op de hygiëne van het milieu, Postbus 7009, 8007 HA Zwolle; 3. de Rijksdienst voor het oudheidkundig bodemonderzoek, p/a de heer dr. A.D. Verlinde, Kerkstraat 1, 3811 CV Amersfoort; 4. de inspecteur der Registratie en Successie, Postbus 10060, 8000 GB Zwolle; 5. de districtsgeoloog van de Rijks Geologische Dienst in Overijssel, Postbus 511, 8000 AM Zwolle.

VI.

U te wijzen op het bepaalde in artikel 16, eerste lid, van de Ontgrondingenwet: "Beschikkingen tot verlening, wijziging of intrekking van een vergunning treden niet in werking dan nadat zij onherroepelijk zijn geworden".

VII.

Belanghebbenden te wijzen op het navolgende: Binnen 6 weken ingaand op de dag na de datum van verzending van de bovenstaande beschikking, kunnen belanghebbenden daartegen een beroepschrift indienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA te 's-Gravenhage, telefoonnummer (070) 362 48 71. Het beroepschrift dient te worden ondertekend en bevat ten minste: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de beschikking waartegen het beroep is gericht; d. de gronden van het beroep. Verder dient zo mogelijk een afschrift van de beschikking, waarop het geschil betrekking heeft, te worden overgelegd. Voor de behandeling van een beroepschrift is griffierecht verschuldigd Voor inlichtingen over de beroepsprocedure kunt u zich wenden tot de provinciaal medewerker die bij de beschikking is vermeld of tot de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te 's-Gravenhage.

VIII.

Te besluiten om deze beschikking voor 6 weken toe te voegen aan de ter inzage gelegde stukken in het betrokken gemeentehuis en in het provinciehuis, en hiervan openbare kennisgeving te doen (zie bijgevoegd afschrift advertentieformUlier).

Gedeputeerde staten van Overijssel,

voorzitter,

griffier,

Nota van afd./bur. Datum Auteur Nota in overeenstemming met afd. Afwijkende opvatting (zie tekst nota) van afd. Kopie nota verzonden aan afd.

MWA/0 : 25 11 1996 : Breure

: MDI

Onderwerp : Behoort bij agenda nr. Ontgrondingsvergunning tot beperkte uitbreiding en MWA 96/2710 afwerking ontgronding Westerhaar conform korte termijnbeleid beton- en metselzand Overijssel. Conclusies: Gedeputeerde staten besluiten, conform het korte termijnbeleid beton- en metselzand Overijssel (juni 1995) en het recente ontwerp-besluit op de aanvraag ter zake, een ontgrondingsvergunning te verlenen tot een laatste beperkte uitbreiding en afwerking van de ontgronding Westerhaar in de gemeenten Vriezenveen en Hardenberg (zie verder bijgevoegde concepten).

Samenvatting (ten behoeve van openbare besluitenlijst): Gedeputeerde staten besluiten, conform het korte termijnbeleid beton- en metselzand Overijssel en het recente ontwerp-besluit op de aanvraag ter zake, een ontgrondingsvergunning te verlenen tot een laatste beperkte uitbreiding en afwerking van de ontgronding Westerhaar (gemeenten Vriezenveen en Hardenberg).

Inhoud nota: Op 8 juli 1996 is van de huidige vergunninghouder, de heer A. Aalderink te Sibculo, de aanvraag bij uw college ingekomen voor een ontgrondingsvergunning voor een laatste beperkte uitbreiding gevolgd door eindafwerking van de bestaande ontgronding Westerhaar (gemeenten Vriezenveen en Hardenberg). Deze aanvraag past uitdrukkelijk in het korte termijnbeleid beton- en metselzand van uw college met instemming van de 2 betrokken gemeenten (zie Beleidsnotitie beton- en metselzand- en kalkzandsteenzandvoorziening in Overijssel na 2000, juni 1995, ad 3.1). Het gaat hier immers om: - een laatste uitbreiding voor een productieperiode van circa 10 jaar omwille van de continuïteit van de beton- en metselzandvoorziening, totdat de operationalisering van het lange termijnbeleid ter zake een feit kan zijn, welke operationalisering omstreeks 2005 kan worden verwacht; - een tevens meer landschappelijk verantwoorde eindafwerking van het totale ontgrondingsgebied Westerhaar in het stuwwalgebied Kloosterhaar-Westerhaar; dit is gebaseerd op een in opdracht van aanvrager door Adviesburo Bijkerk opgesteld landschapsinrichtingsplan van het ontgrondingenresidu en zijn omgeving. Uw college heeft bijgevolg op 17 oktober 1996 een positief ontwerp-besluit op deze aanvraag doen uitgaan.

Dit ontwerp-besluit heeft niet tot reacties van derden geleid, zodat nu tot vergunningverlening (onder intrekking van de geldende ontgrondingsvergunning) kan worden overgegaan. Gezien het bovenstaande adviseert de afdeling uw college dan ook bovenvermelde conclusies te aanvaarden.

MEMO AAN VAN DATUM BETREFT

: : : :

Alfred Slaat en Thomas Nusselein Rachid Benhadi & Yasemin Demirci 3 juni 2022 Slaat/Omgevingsvergunning; beantwoording vervolgvragen

1. Inleiding In de e-mail van 2 juni 2022 van Bodien Bartels (gemeente Hardenberg) worden twee vervolgvragen gesteld naar aanleiding van de op 25 mei 2022 aangeleverde informatie. Wij reageren daarop als volgt. Vervolgvraag 1: met welke milieutoestemming moet worden gerekend? Slaat beschikt over een viertal milieutoestemmingen die tot op de dag van vandaag nog steeds gelden. Het betreft de volgende milieutoestemmingen: 1. een oprichtingsvergunning d.d. 24 augustus 1993 verleend op grond van de Hinderwet voor het oprichten en in werking hebben van een zand- en grindwinningsbedrijf; 2. een veranderingsvergunning d.d. 8 januari 1997 verleend voor het uitbreiden van de zandwinning aan de Sibculoseweg. 3. een veranderingsvergunning d.d. 9 januari 2002 voor het veranderen van de inrichting met de aanleg van een tweede zanddepot en aanvoer en verkoop van zand afkomstig van buiten de inrichting; en 4. een ambtshalve wijziging en aanvulling van de milieuvergunningen d.d. 2 februari 2004. De laagst vergunde situatie kan ontleend worden aan de vergunning uit 1993. Dat is ook wat de provincie (zie de eerder toegezonden overwegingen uit de uitspraak van de rechtbank) heeft vastgesteld.

De veranderingsvergunningen van 8 januari 1997 en van 9 januari 2002 (opvolgend op de oprichtingsvergunning van 24 augustus 1993) zien immers op een uitbreiding van de inrichting (en bevatten om die reden geen lagere stikstofuitstoot dan de vergunning uit 1993). Wij lichten dit toe: - de veranderingsvergunning van 8 januari 1997 ziet op een uitbreiding van een zand- en grindwinplaats tezamen met een daarbij behorend depot. Het gaat om een gebundelde winplaats voor ophoogzand en grind voor de regio, waar tevens winkelverkoop aan derden mogelijk is. Uit de aanvraag blijkt dat de zandwinplaats al langere tijd in werking is en zal worden uitgebreid; - de veranderingsvergunning van 9 januari 2002 ziet eveneens op een uitbreiding. Deze uitbreidingsvergunning ziet op het veranderen van de inrichting met de aanleg van een tweede zanddepot en daarnaast op aanvoer en verkoop van zand afkomstig van buiten de inrichting. Uit deze vergunning blijkt dat de activiteiten van de hele inrichting met name zandwinning, op- en overslag van zand ten behoeve van verkoop aan

Pagina 2

derden en onderhoud van eigen materieel en een werkplaats betreffen. De bestaande activiteiten zijn ongewijzigd gebleven. De inrichting is uitgebreid met de aanleg van een tweede zanddepot en de aan- en afvoer van zand, afkomstig van derden. Op de tweede plaats heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: ‘gedeputeerde staten’) tot op heden het (onveranderde) standpunt ingenomen dat 10 juni 1994 als referentiedatum moet worden gehanteerd voor het Natura 2000-gebied ‘Engbertsdijksvenen’. Dit hebben wij uitgebreid in ons memo van 24 mei 2022 uiteengezet. Wij hebben daarbij onder andere gewezen op de ingenomen standpunten in het verweerschrift van 29 september 2021 met kenmerk 09-002544 en zaaknummer Z-HZ-WNB-2019-003078-000012. Gelet op het voorgaande zijn de AERIUS-berekeningen gebaseerd op de bedrijfsvoering die mogelijk was onder de Hinderwetvergunning van 24 augustus 1993. Met het voorgaande en het eerdere memo van 24 mei 2022 is genoegzaam gemotiveerd en toegelicht waarom de vergunde situatie uit 1993 als referentie te gelden heeft. Vervolgvraag 2: stikstofruimte uit de Hinderwetvergunning van 1993 Voordat wij overgaan tot een beantwoording van de gestelde vervolgvraag, zetten wij eerst beknopt het juridische kader uiteen.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ‘de Afdeling’) mag in de beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied rekening worden gehouden met bestaande toestemmingen op de relevante referentiedata. De relevante referentiedata betreffen de data waarop de Vogelrichtlijn dan wel de Habitatrichtlijn van toepassing werden op het betreffende gebied. De vergunde situatie op de referentiedatum kan worden ontleend aan hetgeen is vergund krachtens de Wet milieubeheer of de daaraan voorafgaande Hinderwet (kort samengevat: milieutoestemmingen).1 Het gaat er daarbij om of op de referentiedatum een vergunning aanwezig was die recht gaf op bedrijfsvoering met een bepaalde depositieruimte.2 In de gevallen waarin de (exacte) omvang van de stikstofruimte niet kan worden vastgesteld op basis van de milieutoestemming die aanwezig was op de referentiedatum, volgt uit de rechtspraak van de Afdeling dat in een dergelijk geval aan de hand van andere stukken c.q. documenten aannemelijk kan worden gemaakt wat de uitgangssituatie was ten tijde van de verleende milieutoestemmingen op de referentiedata. 3 Ter illustratie wordt bijvoorbeeld gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 30 september 2015

1 AbRS 31 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL9656. 2 AbRS 20 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ1649. 3 AbRS 30 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3070, r.o. 4.2; AbRS 15 juli 2015,

ECLI:NL:RVS:2015:2259, AbRS 24 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1946 en AbRS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2449.

Pagina 3

(ECLI:NL:RVS:2015:3070). Op grond van de milieumelding kon niet de exacte omvang van de uitgangssituatie ten tijde van de referentiedata worden vastgesteld. Om de exacte omvang te bepalen, greep het bevoegd gezag daarom terug op de eerder verleende vergunning krachtens de Hinderwet. De Afdeling acht dit juist en overweegt als volgt: “4.2. Uit de stukken blijkt dat op de relevante referentiedata een toestemming bestond op grond van de melding van 24 maart 1994 in het kader van het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer. Uit het verhandelde ter zitting blijkt voorts dat het college deze melding als uitgangspunt heeft genomen bij de beoordeling van de vraag of de aangevraagde situatie leidt tot een toename van de stikstofdepositie. (…) Wat betreft de bestaande rechten op basis van het Bmm overweegt de Afdeling als volgt. In dit geval doet zich de bijzonderheid voor dat van deze melding slechts de bouwtekening voor de bouwaanvraag van de nieuwe jongveestal beschikbaar is. Om de uitgangssituatie ten tijde van de referentiedata te kunnen vaststellen, heeft het college aan de hand van de destijds op het perceel aanwezige stalruimte bezien welke soorten en aantallen dieren binnen de veehouderij konden worden gehouden.

Volgens het college is uit de tekening behorende bij de aanvraag van de Hinderwetvergunning en de plattegrondtekening behorende bij de bouwaanvraag te herleiden dat het aannemelijk is dat ten tijde van de referentiedata op het perceel stalruimte aanwezig was voor 71 melk- en kalfkoeien, 54 stuks vrouwelijk jongvee en 3 paarden. Het college heeft dit voorts gecontroleerd aan de hand van luchtfoto’s uit 1996. Mob en Leefmilieu hebben geen gegevens overgelegd waaruit blijkt dat deze aanname onjuist is. Gelet op het voorgaande heeft het college in dit geval in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat ten tijde van de referentiedata toestemming bestond voor het houden van voornoemde dieraantallen.” (onderstreping onzerzijds, RB/YD).4

Kortom, als de exacte omvang van de uitgangssituatie op de referentiedatum niet is vast te stellen op basis van de milieutoestemming ten tijde van de referentiedatum, mag teruggegrepen worden op andere documenten c.q. bescheiden c.q. bewijsstukken. Daarbij kan het onder andere gaan om hetgeen eerder is vergund op grond van de Hinderwet dan wel de Wet milieubeheer, indien daaruit de omvang van de bedrijfsvoering (en daarmee de stikstofruimte) kan worden ontleend. De vraagstelling dient dan ook te worden beantwoord met inachtneming van dit uiteengezette juridische kader. Bij besluit van 24 augustus 1993 (kenmerk: H91089) heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vriezenveen een oprichtingsvergunning op grond van de Hinderwet verleend aan het zand- en grindbedrijf Aalderink gevestigd aan de Sibculoseweg 102 te (7676 PD) Westerhaar-Vriezenveensewijk voor het oprichten en in werking hebben van een zand- en grindwinningsbedrijf. Deze vergunning is voor onbepaalde tijd verleend. 4 AbRS 30 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3070.

Pagina 4

Uit de aanvraag van 23 juli 1992 blijkt dat de vergunning ziet op het oprichten en in werking hebben van een “Zandwinning/grindbedrijf”. Bij de opgave van de voorgenomen activiteiten is als activiteit genoemd “winnen van zand en grindbedrijf” aangegeven. Verwezen wordt naar de volgende printscreen:

Bron: aanvraagformulier van 23 juli 1992, p. 1.

Op basis van deze milieutoestemming kan – gelet op het hiervoor uiteengezette juridische kader – aannemelijk worden gemaakt wat de bedrijfsvoering, en daarmee dus de omvang van het bestaande gebruik, was ten tijde van de relevante referentiedatum. Uit de vergunningvoorschriften blijkt – in ieder geval – dat verschillende activiteiten plaatsvinden die ofwel zelf rechtstreeks gepaard gaan met stikstofemissie (en dus stikstofdepositie) ofwel indirect (bijvoorbeeld door het verkeer dat die activiteiten genereren) stikstofemissie en -depositie veroorzaken. Zo moesten er regelmatig afvalstoffen worden afgevoerd, maar ook de opslag, het lossen en verplaatsen van zand en grind e.d., het in gebruik hebben van een mobiele installatie (met verbrandingsmotoren!) voor het scheiden van zand en grind etc. Hierna volgen enkele printscreens van de relevante vergunningvoorschriften.

Pagina 5

Afvalstoffen

Bron: beschikking van het college van burgemeester en wethouders van Vriezenveen van 24 augustus 1993 met kenmerk: H91089, p. 1-2.

Opslag van zand en grind e.d.

Bron: beschikking van het college van burgemeester en wethouders van Vriezenveen van 24 augustus 1993 met kenmerk: H91089, p. 14.

Pagina 6

Mobiele installatie voor scheiden van zand en grind

Bron: beschikking van het college van burgemeester en wethouders van Vriezenveen van 24 augustus 1993 met kenmerk: H91089, p. 14.

Bij de stukken bij de vergunning is nadien in 1995 ook een bodemonderzoekrapport bijgevoegd. In een brief van 27 november 1995 (kenmerk: MAB 95/3324) van het college van gedeputeerde staten van Overijssel wordt in dit kader onder andere vermeld dat de verplaatsing van de zeefinstallatie is besproken. Hieruit kan worden afgeleid dat de Hinderwetvergunning d.d. 24 augustus 1993 ook ziet op het in werking hebben van een zeefinstallatie:

Bron: brief van het college van gedeputeerde staten van Overijssel van 27 november 1995 met kenmerk: MAB 95/3324, p. 1.

Slaat heeft de uitgangspunten die ten grondslag liggen aan de AERIUS-berekening van 24 mei 2022 (met AERIUS-kenmerk RpiGt7wbJfVA) overigens reeds toegelicht in de notitie ‘Uitgangspunten stikstofberekeningen A.J. Slaat Zand en Grind B.V., Westerhaar’ van 24 mei 2022. In deze notitie is uitdrukkelijk dat voor de AERIUSberekening van de vergunde situatie (1993) alleen twee shovels (van 113 kW en 84 kW) voor drie verschillende activiteiten zijn gemodelleerd, omdat deze concreet

Pagina 7

staan benoemd in de Hinderwetvergunning van 1993.5 In de berekening van de vergunde situatie is er bijvoorbeeld zelfs voor gekozen om (vracht)verkeer – hoewel verkeersbewegingen onlosmakelijk verbonden zijn met de vergunde situatie – buiten beschouwing te laten. Dit is bewust gedaan, omdat de activiteit niet concreet staat benoemd in de genoemde Hinderwetvergunning van 1993, zoals is aangegeven in de notitie. Zelfs op basis van deze conservatieve berekening is geen sprake van een toename van stikstofdepositie op (stikstofgevoelige) Natura 2000gebieden.

5

Zie bijlage met tekeningnr. 92-BA-01 blad 1 bij de Hinderwetvergunning uit 1993.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11719690/3