CConstaterende datHardenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke onderbouwing - Cort van der Lindenstraat, Bergentheim (geanonimiseerd)

gemeenteraad 7 oktober 2025, gemeente HardenbergBij agendapunt: Adviesaanvraag over de bouw van 28 beneden- en bovenwoningen aan de Cort van der Lindenstraat in Bergentheim16.145 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling past binnen de relevante gemeentelijke beleidskaders.

BJZ. nu Ruimtelijke plannen en advies

23

Herontwikkeling Cort van der Lindenstraat Onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)

HOOFDSTUK 4

BESCHERMING GEZONDHEID EN HET MILIEU

Bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties houdt het bevoegd gezag op basis van afdeling 5. 1. 4 van het Bkl rekening met het beschermen van de gezondheid en het milieu waaronder in ieder geval begrepen: ,

• • • •

geluid; bodemkwaliteit; de kwaliteit van de buitenlucht; trillingen.

In voorliggend initiatief is het onderwerp ‘lichthinder’ buiten beschouwing gelaten omdat het voornemen plaatsvindt binnen de bebouwde kom van Bergentheim. In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze het voornemen rekening houdt met bovenstaande onderwerpen. ,

4. 1

Geluid door activiteiten

4. 1. 1

Algemeen

Voor het beschermen van de gezondheid en het milieu staan in het Bkl regels voor het beheersen van geluid door wegen spoorwegen en industrieterreinen. Ook zijn er regels opgenomen voor de bescherming van geluidgevoelige gebouwen. Geluid afkomstig van wegen spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3. 20 Bkl). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen (artikel 3. 20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7. 11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3. 20 Bkl). ,

,

,

Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. In dat kader zijn de regels in paragraaf 22. 3. 4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn de waarden bepaald (artikel 22. 57). 4. 1. 2

Situatie projectgebied

Een woning wordt aangemerkt als een geluidsgevoelig object. In de nieuwe situatie zal sprake zijn van 28 geluidsgevoelige objecten waarvan 16 reeds mogelijk werden gemaakt middels de ‘woondoeleinden’ bestemming in de beheersverordening. De woningen liggen binnen het geluidsaandachtsgebied van de omliggende wegen rondom het projectgebied. ,

Wegverkeerslawaai Voor de woningen in voorliggend projectgebied is geen onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd. Aangenomen kan worden dat de woningen zullen voldoen aan de geluidsnormen die de gemeente heeft benoemd in het omgevingsplan. De woningen zullen dan ook voldoen aan de maximale binnenwaarde van 33 dB. In het omgevingsplan staat dat de geluidsbelasting op de gevel van een woning maximaal 70 dB mag bedragen. Het maximaal langtijdgemiddelde wordt in het omgevingsplan gesteld op 50 dB. Om de geluidsbelasting op het projectgebied in te schatten is de Atlas Leefomgeving geraadpleegd. Een uitsnede van de geluidskaart van de Atlas wordt weergeven in afbeelding 4. 1. Volgens de Atlas Leefomgeving bedraagt de hoogste geluidsbelasting overdag 50 dB ’s nachts bedraagt de hoogste geluidsbelasting 40 dB. Hiermee wordt voldaan aan zowel het maximaal geluidsniveau als het maximale langtijdgemiddelde uit het omgevingsplan. Tijdens de bouwaanvraag dient onderbouwd te worden welke maatregelen aan de gevel zullen worden toegepast waarmee zowel overdag als in de nacht het geluid aan de gevel van 50 dB en 40 dB naar 33 dB kan worden verminderd. ,

BJZ. nu Ruimtelijke plannen en advies

24

Herontwikkeling Cort van der Lindenstraat Onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)

Afbeelding 4. 1

Uitsnede van de geluidskaart (Bron: Atlas Leefomgeving)

Spoorweglawaai en industrielawaai Het projectgebied ligt niet in de buurt of binnen een geluidsaandachtsgebied van een spoorweg of een geluidsgezoneerd industriegebied. Een akoestisch onderzoek naar railverkeerslawaai en industrielawaai is dan ook niet noodzakelijk geacht. 4. 1. 3

Conclusie

De voorgenomen activiteiten houden in voldoende mate rekening met het aspect geluid.

4. 2

Bodemkwaliteit

4. 2. 1 Algemeen Het beschermen van de bodemkwaliteit is een onderdeel bij de afweging van de aspecten van de fysieke leefomgeving. Ter bescherming van de bodemkwaliteit zijn instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is opgenomen in paragraaf 5. 1. 4. 5 Bkl. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de kwaliteit van de bodem. 4. 2. 2

Situatie projectgebied

In voorliggend onderzoek is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd conform de richtlijnen NEN 5725 en 5740 door Sigma Geo- en milieutechniek. De resultaten van het verkennend bodemonderzoek worden hieronder toegelicht. Het volledige bodemonderzoek is aan deze BOPA toegevoegd als Bijlage 1. Verkennend bodemonderzoek

BJZ. nu Ruimtelijke plannen en advies

25

Herontwikkeling Cort van der Lindenstraat Onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) Tijdens het verkennend bodemonderzoek is plaatselijk een verhoogd gehalte koper aangetroffen. De waarden voldoen aan de middenklasse en voldoen aan de bodemkwaliteitsklasse ‘wonen’. In de ondergrond en in het grondwater zijn geen verhoogde gehalten gemeten. Op basis van deze resultaten wordt geconcludeerd dat ten aanzien van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geen belemmeringen zijn voor het beoogde gebruik van het projectgebied. ,

4. 2. 3

Conclusie

Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4. 3

Luchtkwaliteit

Algemeen 4. 3. 1 Voor de bescherming van de luchtkwaliteit zijn instructieregels opgenomen in paragraaf 5. 1. 4. 1 van het Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Locaties met hoge concentraties stikstofdioxide en/of fijnstof zijn aangemerkt als aandachtsgebied. Vooral in en vlakbij een aandachtsgebied moeten overheden toetsen aan de omgevingswaarden. Dit is niet nodig indien een activiteit niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Volgens het Bkl dragen de volgende projecten niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging: • woningen: 1. 500 met een enkele ontsluitingsweg; • woningen: 3. 000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100. 000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. • Er zijn een paar situaties die de overheid nog wel in het hele land moet beoordelen. Dit zijn: een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; • • de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter. Of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt; •

4. 3. 2

de aanleg van een auto(snel)weg. Situatie projectgebied

Het voornemen in de sloop van de huidige bebouwing en het bouwen van 28 woningen. In de vorige paragraaf zijn voorbeelden gegeven van projecten die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. De omvang van dit plan is veel kleiner dan deze voorbeelden. Het plan draagt dan ook in niet betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. 4. 3. 3

Conclusie

Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4. 4

Geur

4. 4. 1

Algemeen

In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2. 1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten de mengvoederindustrie horeca rioolwaterzuiveringsinstallaties slachterijen en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb’s. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. ,

,

,

,

,

Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk

BJZ. nu Ruimtelijke plannen en advies

26

Herontwikkeling Cort van der Lindenstraat Onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: ,

• • • •

Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22. 3. 6. 2 Bruidsschat); Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22. 3. 6. 3 Bruidsschat); Geur door andere agrarische activiteiten zoals o. a. het opslaan van vaste mest champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22. 3. 6. 4 Bruidsschat); Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22. 3. 6. 5 Bruidsschat). ,

,

Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8. 5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5. 1. 4. 6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: • • • •

4. 4. 2

Geurnormen in het omgevingsplan Rekenen Afstandseisen Randvoorwaarden Situatie projectgebied

In dit geval worden 28 woningen gebouwd midden in de kern Bergentheim. Woningen worden gezien als geurgevoelige gebouwen. Binnen een straal van 750 m rondom het projectgebied bevinden zich geen (intensieve) agrarische bedrijven. Gezien de ligging van het projectgebied in de kern van Bergentheim is een onderzoek naar geur niet noodzakelijk geacht. Geconcludeerd wordt dat ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 4. 4. 3

Conclusie

Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4. 5

Trillingen

4. 5. 1

Algemeen

Het omgevingsaspect trillingen is geregeld in paragraaf 22. 3. 5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22. 88 en 5. 87a van de Bruidsschat. ,

BJZ. nu Ruimtelijke plannen en advies

27

Herontwikkeling Cort van der Lindenstraat Onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4. 2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22. 88 van de bruidsschat die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen ,

,

opgenomen.

Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen wegen vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen. ,

,

Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 01. Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt kan een quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven. ,

,

,

,

4. 5. 2

Situatie projectgebied

Het projectgebied ligt op ruim 350 m afstand van het dichtbij zijnde spoor. Binnen het projectgebied hoeft dan ook geen nader onderzoek plaats te vinden naar trillinghinder. 4. 5. 3

Conclusie

Het aspect 'trillingen' vormt geen belemmering voor dit plan.

4. 6

Gezondheid

4. 6. 1

Algemeen

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: •

•

het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?) het bevorderen van de gezondheid zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid). ,

Conform artikel 1. 3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid geur trillingen luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. Ook omwonenden en rondom het project ,

,

,

,

BJZ. nu Ruimtelijke plannen en advies

28

Herontwikkeling Cort van der Lindenstraat Onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van een activiteit optreedt. 4. 6. 2

Situatie projectgebied

Voor voorliggend initiatief is in deze onderbouwing zo goed mogelijk afgewogen op welke manieren de ontwikkeling invloed zal hebben en beïnvloed wordt door omliggende activiteiten zonder dat de gezondheid van de nieuwe bewoners of de omliggende bewoners negatief wordt beïnvloed. In deze onderbouwing is dit bereikt door te onderbouwen dat bij alle relevante milieuparagrafen een evenwichtige toedeling van functies aan locaties plaatsvindt. Vanuit dit oogpunt kan geredeneerd worden dat de kwaliteit van de leefomgeving door de beoogde activiteit verbetert dan wel niet (onevenredig) verslechtert. 4. 6. 3

Conclusie

Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.

BJZ. nu Ruimtelijke plannen en advies

29

Herontwikkeling Cort van der Lindenstraat Onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)

HOOFDSTUK 5

BESCHERMEN VAN DE WATERBELANGEN

Op basis van paragraaf 5. 1. 3 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het beschermen van de waterbelangen. In dit hoofdstuk wordt daarom ingegaan op het effect van de ontwikkeling op de waterhuishouding.

5. 1

Vigerend beleid

5. 1. 1

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan) kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. ,

,

Rijksbeleid

5. 1. 2

Het Nationaal Water Programma 2022–2027 (vastgesteld op 18 maart 2022) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. ,

Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering; We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte; Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht.

• • •

Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water zoals de scheepvaart de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies waaronder de opgaven voor windenergie natuurontwikkeling duurzame visserij scheepvaart en zandwinning in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven om te gaan met de uitdagingen van ons water ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027. ,

,

,

,

,

,

,

,

5. 1. 3

Provinciaal beleid

In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren de veiligheid de grondwaterbescherming bestrijding van wateroverlast de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. ,

,

,

5. 1. 4

,

,

,

Beleid waterschap Vechtstromen

Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel Vechtstromen Vallei en Veluwe Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. ,

,

,

Het algemeen bestuur van waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 15 december 2021 het 'Waterbeheerplan 2022-2027 vastgesteld. In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2022-2027) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid voldoende water schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op: ,

,

BJZ. nu Ruimtelijke plannen en advies

30

Herontwikkeling Cort van der Lindenstraat Onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) • • • •

Voorkomen of beperken van overstromingen wateroverlast en droogte; Beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en Het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem; Het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties. ,

Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050 die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Daarbij kan gaan om zowel nieuw beleid als staand beleid en maatregelen. Voor het nieuwe beleid dat nog niet is vastgesteld door dagelijks en/of algemeen bestuur en waarbij het participatieproces nog niet voltooid is heeft het waterbeheerprogramma een agenderende functie. Dit betekent dat invulling van de inhoud van dit nieuwe beleid buiten de scope van het waterbeheerprogramma ligt. ,

,

,

5. 2

Wateraspecten

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de ontwikkeling rekening wordt gehouden met het aspect water. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets. Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid wateroverlast tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering omgang met hemelwater lozingen op oppervlaktewater). In deze paragraaf wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. ,

,

,

5. 3

,

,

Watertoetsproces en waterhuishouding projectgebied

In het kader van het voorliggend initiatief is een watertoets uitgevoerd. De beantwoording van de vragen heeft geleid tot het verzoek om contact op te nemen met het waterschap. Het voornemen is vervolgens aan het waterschap voorgelegd. Ter plaatse van het projectgebied is enkel een gemengd rioolstelsel aanwezig. Het is dan ook van belang dat zo veel mogelijk hemelwater ter plekke wordt vastgehouden en zo min mogelijk water in het gemengd riool wordt afgevoerd. Wel dient naar een maximalisatie van hemelwaterinfiltratie en waterberging gestreefd te worden. Het waterschap adviseert dan ook de parkeerplaatsen waterdoorlatend te realiseren met mogelijk daar onder een substraat waarin water kan worden geborgen en vertraagd kan worden afgevoerd. Het waterschap concludeert op basis van het huidige plannen dat geen bergingseis opgenomen hoeft te worden. Ten slotte is belangrijk dat het vloerpeil van de woningen hoger worden gerealiseerd dan 30 cm. ,

Bij voorliggend initiatief is voldoende ruimte om het hemelwater in de groenvoorzieningen te realiseren. De verharding binnen het projectgebied blijft nagenoeg ongewijzigd. Het plan heeft een geringe invloed op de waterhuishouding. Samenvattend wordt een overzicht gegeven over de relevante thema’s wat betreft water: •

•

•

Hemelwater: het regenwater zal worden opgevangen binnen het projectgebied. De ingetekende groenvoorzieningen bieden hier voldoende ruimte voor. In het midden van het projectgebied en aan de oostzijde wordt een wadi aangelegd met voldoende bergingscapaciteit om al het hemelwater binnen het projectgebied op te vangen. Afvalwater: de nieuwe woningen zullen op het bestaande riool worden aangesloten (gemengd stelsel). In voorliggend plan gaat het om een toename van 12 woningen in vergelijking met de bestaande situatie. De riolering van het projectgebied heeft voldoende capaciteit om deze toename te faciliteren. Oppervlaktewater: er is geen sprake van open water binnen het projectgebied. Dit is dus verder niet van toepassing. BJZ. nu Ruimtelijke plannen en advies

31

Herontwikkeling Cort van der Lindenstraat Onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) •

•

5. 4

Wateroverlast en bebouwing: bij de bouw van de woningen wordt rekening gehouden met de eisen om eventueel wateroverlast tegen te gaan. Het vloerpeil van de woningen op de begane grond zal hoger liggen dan 30 cm. Waterkwaliteit: Er worden tijdens de bouw- en gebruiksfase geen materialen gebruikt die de waterkwaliteit verminderen.

Conclusie

Met de voorgenomen activiteit worden de waterbelangen in voldoende mate beschermd.

BJZ. nu Ruimtelijke plannen en advies

32

Herontwikkeling Cort van der Lindenstraat Onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)

HOOFDSTUK 6

6. 1

WAARBORGEN VAN DE VEILIGHEID

Algemeen

In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden rampen of crises. De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5. 1. 2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: ,

• • • •

Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. ,

Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5. 12 t/m 5. 15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. ,

Voor een project dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het project kwetsbare gebouwen worden toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4. 2. 14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl).

6. 2

Situatie in en bij het projectgebied

De risico's ten aanzien van externe veiligheid zijn te zien in onderstaande afbeelding. Het projectgebied is aangegeven met de rode omlijning.

BJZ. nu Ruimtelijke plannen en advies

33

Herontwikkeling Cort van der Lindenstraat Onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)

Afbeelding 6. 1

Risico’s externe veiligheid (Bron: ev-signaleringskaart. nl)

Ten westen van het projectgebied is een spoorlijn aanwezig waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Hier gaan enkele aandachtsgebieden vanuit waaronder een explosieaandachtsgebied en een gifwolkaandachtsgebied. Het projectgebied ligt in zijn geheel buiten alle aandachtsgebieden van het spoor. Tevens zijn in de omgeving geen anderen bronnen bekend van waaruit een aandachtsgebied uitgaat. ,

6. 3

Conclusie

Met de voorgenomen activiteiten wordt de omgevingsveiligheid in voldoende mate gewaarborgd.

BJZ. nu Ruimtelijke plannen en advies

34

Herontwikkeling Cort van der Lindenstraat Onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)

HOOFDSTUK 7

7. 1

LANDSCHAPPELIJKE EN STEDENBOUWKUNDIGE WAARDEN

Algemeen

In artikel 1. 3 van de Omgevingswet is het voorzien in 'een goede omgevingskwaliteit' opgenomen in de centrale doelstelling. Dit laat het belang zien van aspecten als erfgoed architectuur stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van de natuur en het landschap. De landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit maken daarom integraal onderdeel uit van de taak van overheden om in een omgevingsplan te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor de landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit zijn in afdeling 5. 1. 5 instructieregels opgesteld. De waardering van deze kwaliteiten verschilt per gebied. In dit hoofdstuk zal worden ingegaan op de landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteiten ter plaatse van het projectgebied. ,

7. 2

Ladder voor duurzame verstedelijking

7. 2. 1

Algemeen

,

De Ladder is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. De instructieregel in artikel 5. 129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. Artikel 8. 0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij de toetsing aan de ladder worden beide onderdelen van de Ladder meegenomen: de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling; bij een ontwikkeling buiten stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen het bestaande stedelijk gebied in de behoefte te voorzien zijn verkend.

• •

Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen ‘bestaand stedelijk gebied’ en een ‘stedelijke ontwikkeling’. bestaand stedelijk gebied betreft het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen dienstverlening bedrijvigheid detailhandel of horeca alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen stedelijk groen en infrastructuur. ,

,

,

,

,

Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein een zeehaventerrein een woningbouwlocatie kantoren een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. ,

,

,

,

Artikel 5. 129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak (ECLI:NL:RVS:2017:1724) over de Ladder. De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen maar stelt wel 'in beginsel' grenzen. ,

Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling verminderd met het aanbod in planologische besluiten ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit). ,

BJZ. nu Ruimtelijke plannen en advies

35

Herontwikkeling Cort van der Lindenstraat Onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) 7. 2. 2

Toetsing van het voornemen aan de Ladder voor duurzame verstedelijking

Wanneer een plan voorziet in woningen niet meer dan 11 woningen dan kan dit niet worden gezien als een stedelijke ontwikkeling. Een uitgangspunt hiervoor is de rechtsuitspraak ‘ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921’. 1.

Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling?

Het toevoegen van 12 woningen wordt gezien als een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in de Ladder voor duurzame verstedelijking. 2.

Is de stedelijke ontwikkeling nieuw?

De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was of kon worden gerealiseerd. Er worden meer woningen teruggebouwd dan in de huidige situatie aanwezig zijn op de locatie. De ontwikkeling wordt daarom als nieuwe stedelijke ontwikkeling gezien. ,

3.

Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied?

Ten aanzien van het ruimtelijke verzorgingsgebied wordt hier verwezen naar het regionale en gemeentelijk beleid. Hieruit blijkt dat het ruimtelijk verzorgingsgebied voornamelijk bestaat uit woningzoekenden uit Bergentheim zelf en de gemeente Hardenberg. 4.

Is er behoefte

aan

de voorgenomen ontwikkeling?

De behoefte wordt bepaald aan de hand van het ruimtelijk verzorgingsgebied van de ontwikkeling. Het ruimtelijk verzorgingsgebied is gerelateerd aan de aard en omvang van de ontwikkeling. Er is veel vraag naar huurwoningen voor jongeren/starters op de woningmarkt en senioren. In de regionale en gemeentelijke visies op het wonen komt de behoefte ook naar voren. In de gemeentelijke woonvisie is bepaald dat woningbouwontwikkeling dient plats te vinden volgende de verdeling 30-40-30 waarbij 30% van de woningbouw dient te bestaan uit sociale huur 40% bestaat uit de betaalbare koop en middenhuur en 30% wordt gebouwd voor het hoge segment. De gemeente heeft met woningcorporatie Vechtdal Wonen een prestatieovereenkomst gesloten om tot 2030 voldoende woningen te bouwen zodat voldaan wordt aan de 30% sociale huur. De uitbreiding met 950 woningen tot 2030 bedraagt gemiddeld 30% van het totale nieuwbouwprogramma in de gemeente Hardenberg. ,

,

,

In de regionale woonvisie is bepaald dat de behoefte in West-Overijssel tot 2030 bestaat uit minimaal 24. 255 woningen. Daarnaast geldt er een extra ambitie van circa 12. 000 tot 14. 000 woningen waarmee de totale opgave uitkomt op circa 35. 000 tot 40. 000 woningen. In de Woonagenda West-Overijssel wordt Hardenberg als groeigemeente aangemerkt. Het is aannemelijk om te stellen dat een aanzienlijk deel van de regionale behoefte in de gemeente Hardenberg dient te worden gerealiseerd. Er is daarmee sprake van een kwantitatieve behoefte. ,

Voor de toekomst wil de gemeente jongeren behouden. Daarnaast is er een toename van het eenpersoonshuishoudens en de behoefte aan huurwoningen. De gemeente Hardenberg richt zich met name op starters het in beweging krijgen van doorstromers en geschikte woningen voor senioren. Door de herontwikkeling van het projectgebied wordt gebouwd voor deze specifieke woningbehoefte. ,

5.

Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied?

Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt: " bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen dienstverlening bedrijvigheid detailhandel of horeca alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen stedelijk groen en infrastructuur." ,

,

,

,

,

De voorgenomen ontwikkeling bevindt zich binnen bestaand stedelijk gebied. De gronden zijn op dit moment in gebruik door 16 bungalowwoningen. Het projectgebied is daarmee aan te merken als bestaand stedelijk gebied en bij de indeling die het projectgebied op dit moment heeft. Het voornemen voldoet daarmee aan de instructieregels uit artikel 5. 129g van het Bkl.

BJZ. nu Ruimtelijke plannen en advies

36

Herontwikkeling Cort van der Lindenstraat Onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)

7. 3

Archeologie en Cultuurhistorie

Artikel 5. 130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. ,

Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten archeologische monumenten stads- en dorpsgezichten cultuurlandschappen en voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1. 1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. ,

,

,

,

,

Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. 7. 3. 1

Archeologie

Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen waardoor de vindplaatsen behouden blijven of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. ,

,

,

Het projectgebied wordt aangeduid als ‘Geen onderzoek (lage verwachting)’ op de Archeologische beleidskaart Hardenberg. Daarnaast worden de nieuwe woningen nagenoeg teruggebouwd op de slooplocatie. Om deze redenen wordt niet verwacht dat ter plaatse van het projectgebied archeologische waarden te verwachten zijn in de bodem. Een archeologisch onderzoek is voor voorliggende ontwikkeling niet uitgevoerd.

Afbeelding 7. 1

Uitsnede van de archeologische beleidskaart gemeente Hardenberg (Bron: Gemeente Hardenberg)

BJZ. nu Ruimtelijke plannen en advies

37

Herontwikkeling Cort van der Lindenstraat Onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) 7. 3. 2

Cultuurhistorie

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het projectgebied gelegen werelderfgoed. ,

Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5. 130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over: • • • • • •

ontsiering beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; verplaatsing van beschermde monumenten; gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; aantasting van de omgeving van een beschermend monument; aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. ,

Er bevinden zich in het projectgebied of in de directe omgeving geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten of andere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor het initiatief. 7. 3. 3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het voornemen in voldoende mate rekening houdt met de bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden.

BJZ. nu Ruimtelijke plannen en advies

38

Herontwikkeling Cort van der Lindenstraat Onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)

HOOFDSTUK 8

BESCHERMING VAN DE NATUUR

In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Voor deze aspecten zijn diverse regels opgenomen in het Bkl. ,

8. 1

Gebiedsbescherming

8. 1. 1

Natura 2000-gebieden

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000gebieden aan. Op grond van artikel 2. 43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. ,

Als er naar aanleiding van projecten plannen en activiteiten afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten mogelijkerwijs significante effecten optreden dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000gebieden hebben een externe werking zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. ,

,

,

,

,

,

Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen kan het plan worden vastgesteld indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: ,

,

• • •

8. 1. 2

Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. ,

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee tenzij'principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. ,

8. 1. 3

Situatie projectgebied

Het projectgebied bevindt zich op circa 17 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Nederland gebied. Er is dus geen sprake van een ontwikkeling in of nabij het NNN. Het project gaat niet gepaard met aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. ,

Het projectgebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Vecht- en Beneden-Reggegebied’ ligt op circa 4 kilometer van het projectgebied. Het Natura 2000-gebied ‘Engbertsdijksvenen’ ligt op circa 5 km afstand. Om de mogelijke stikstofdepositie op deze gebieden te onderzoeken is door BJZ. nu een stikstofberekening uitgevoerd met behulp van de AERIUS-calculator. In bijlage 2 bij deze onderbouwing is dit onderzoek met de resultaten opgenomen. In onderstaande tekst worden de resultaten beschreven.

BJZ. nu Ruimtelijke plannen en advies

39

Herontwikkeling Cort van der Lindenstraat Onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 000 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000gebieden gezien artikel 5. 1 van de Omgevingswet niet vergunningplichtig. ,

,

,

Soortenbescherming

8. 2

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving maar ook van fysieke maatregelen die bescherming vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2. 18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: ,

,

,

,

,

• •

aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn. er soorten

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. 8. 2. 2

Situatie projectgebied

Voorliggend initiatief voorziet in de sloop van de huidige bebouwing en bouwwerkzaamheden ten behoeve van de nieuwe woningen. In het natuurwaardenonderzoek wordt geconcludeerd dat bij deze werkzaamheden mogelijk het leefgebied van vleermuizen wordt aangetast. De opstallen toegankelijk zijn voor vleermuizen door de aanwezigheid van kieren in de panden. Het is aannemelijk dat er bij sloopwerkzaamheden verblijfplaatsen verloren gaan of dat aanwezige vleermuizen verstoord of gedood worden. De initiatiefnemer beschikt over een Soortenmanagementplan (SMP) waarmee een generieke ontheffing onderdeel uitmaakt voor een aantal van de regelmatig aangetroffen soorten bij een ecologisch onderzoek waaronder de vleermuis. ,

,

De initiatiefnemer kan op dit onderwerp aansluiting vinden bij de generieke ontheffing voor vleermuizen en met het SMP mitigerende maatregelen nemen. Het SMP bevat werkwijzen waarmee wordt voorkomen dat tijdens de sloop vleermuizen worden verstoord of gedood. Daarnaast worden in de bouwvergunning maatregelen opgenomen die het leefgebied en de schuilplekken herstellen die met de sloop verloren gaan. Geconcludeerd wordt dat hiermee in voldoende mate rekening wordt gehouden en voldoende compenserende maatregelen worden genomen ter bescherming van de vleermuis en het leefgebied van deze soort. Het volledige natuurwaardenonderzoek is toegevoegd aan deze BOPA in bijlage 3.

8. 3

Conclusie

Het voornemen leidt niet tot negatieve effecten op de natuur.

BJZ. nu Ruimtelijke plannen en advies

40

Herontwikkeling Cort van der Lindenstraat Onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)

HOOFDSTUK 9

BEHOUDEN VAN DE STAAT EN WERKING VAN

INFRASTRUCTUUR EN VOORZIENINGEN

9. 1

Infrastructuur en openbare ruimte

9. 1. 1

Algemeen

Op basis van de instructieregels zoals opgenomen in paragraaf 5. 1. 7 en 5. 1. 8 houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het behoeden van de staat en werking van infrastructuur en het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. In deze paragraaf wordt ingegaan op de verkeerssituatie en parkeerbehoefte van het projectgebied. 9. 1. 2

Verkeer en parkeren

Bij nieuwe ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die ontstaat. De gemeente Hardenberg beschikt over een eigen parkeernota (Parkeernormennota Hardenberg 2018). In deze nota wordt gebruikt gemaakt van de kencijfers zoals opgenomen in de publicatie 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie publicatie 317 (oktober 2012)' van het CROW (inmiddels vervangen door publicatie 381 december 2018). ,

,

In de parkeernota wordt aangegeven dat op de gemeente Hardenberg een stedelijkheidsgraad van het type 'weinig stedelijk' van toepassing is. Op basis van de 'Parkeernormennota Hardenberg 2018' wordt het projectgebied aangemerkt als 'rest bebouwde kom'. Over het algemeen wordt in de gemeente Hardenberg uitgegaan van de lage parkeernorm uit de CROW uitgave. Qua functie verstedelijkingsgraad stedelijke zone parkeernorm en verkeersgeneratie worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: ,

,

,

Verstedelijkingsgraad: ‘weinig stedelijk’; Stedelijke zone: ‘rest bebouwde kom’; Functie: huur etage sociale huur 75 tot 100 m 2; huur etage sociale huur < 75 m 2

• • •

,

,

,

,

,

,

Parkeerbehoefte Op basis van de voorgenoemde uitgangspunten kan de parkeerbehoefte worden berekend. Aangezien de woningen vallen binnen het type middelduur en goedkoop wordt dit aangehouden in de berekening. In voorliggend geval ontstaat het volgende overzicht: Woningtype

Aantal woningen

Parkeerbehoefte

,

Parkeerbehoefte per woning 09 ,

14

127

,

08

14

96

huur etage sociale huur 75 tot 100 m 2 huur etage sociale huur < 75 m 2 Totaal ,

,

, ,

,

,

,

227, (afgerond 23)

Bij voorliggende woningbouwontwikkeling worden 12 woningen toegevoegd bovenop het bestaande aantal. Het parkeren voor de bestaande woningen (16) is al opgelost in de omgeving. Voor de extra 12 woningen worden er 12 extra parkeerplaatsen aangelegd (6 aan de Cort van de Lindenstraat en 6 aan de Kerkweg). Hiermee wordt ruim voldaan aan het benodigde aantal parkeerplaatsen. Opgemerkt wordt dat omwonenden tijdens de participatiemomenten hebben aangegeven dat parkeren aan de G. K. van Hogendorpstraat een probleem kan worden vanwege de nabijgelegen school. In goed overleg met de school en omwonenden is een verkeersbesluit genomen waarmee in de ochtend- en middagspits van halen en brengen de verkeerssituatie rondom de school wordt geregeld. Dit wordt gedaan door middel van een BJZ. nu Ruimtelijke plannen en advies

41

Herontwikkeling Cort van der Lindenstraat Onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) hekwerk en pylonen waarmee een beoogde rijroute (tijdelijk) gereden dient te worden. Hiermee wordt getracht de verkeerssituatie enigszins te verbeteren zonder dat meer parkeerruimte gecreëerd wordt. Dit is mogelijk doordat het is toegestaan om op de rijbaan stil te staan (30 km/h-zone en geen parkeerverbod). ,

,

Uit het participatieverslag blijkt dat de omwonenden al een verbetering zagen met betrekking tot de verkeerssituatie. Geconcludeerd wordt dat het aspect ‘parkeren’ geen belemmering oplevert voor de gewenste ontwikkeling. Verkeersgeneratie en ontsluiting Op basis van de genoemde uitgangspunten ontstaat ten aanzien van de verkeersgeneratie het volgende overzicht. Verkeersgeneratie toekomstige situatie: Woningtype

Aantal woningen

Verkeersgeneratie

,

Verkeersgeneratie per woning 34 ,

14

476

,

33

14

462

huur etage sociale huur 75 tot 100 m 2 huur etage sociale huur < 75 m 2 Totaal ,

,

, ,

,

,

,

938, verkeersbewegingen

Op basis van het vorenstaande worden resulteren de te realiseren woningen in een verkeersgeneratie van afgerond 94 verkeersbewegingen per weekdagetmaal. Dit bedraagt een toename van rond de 46 verkeersbewegingen per weekdagetmaal. De omliggende wegen rondom het projectgebied zijn van voldoende capaciteit om deze toename eenvoudig en veilig af te kunnen wikkelen. 9. 1. 3

Conclusie

Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de staat en werking van de infrastructuur en de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte. Het voornemen voldoet vanuit deze aspecten aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

BJZ. nu Ruimtelijke plannen en advies

42

Herontwikkeling Cort van der Lindenstraat Onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)

HOOFDSTUK 10

MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

10. 1 Wettelijk kader Een milieueffectrapportage (m. e. r. ) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m. e. r. is te vinden in afdeling 16. 4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of merbeoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: • • • •

In kolom 1 staan de projecten opgesomd; In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt; Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend.

Bij de project-mer-beoordeling is een mededeling nodig aan het bevoegd gezag. Deze mededeling bevat een beschrijving van de eisen die zijn opgenomen in artikel 11. 10 van het Omgevingsbesluit en bijlage III van de Europese m. e. r. -richtlijn. Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieueffecten met de bijbehorende motivering op in het besluit en voor zover hier sprake van is in het ontwerp van het besluit (artikel 11.11 lid 2 Omgevingsbesluit). ,

,

,

,

,

In de motivering van de beslissing (art. 11. 11 lid 3 Omgevingsbesluit) wordt in ieder geval verwezen 1. 2.

naar:

de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn; en als is beslist dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt: a. 1˚. de kenmerken en maatregelen bedoeld in artikel 11.10 derde lid als degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en b. 2˚. het moment waarop die maatregelen moeten zijn gerealiseerd. ,

,

,

Kenmerken en maatregelen als bedoeld in artikel 11.10 lid 3 Ob. ,

Bij een mededeling als bedoeld in artikel 16.45 eerste lid project uit te voeren in ieder geval een beschrijving van: ,

1.

,

van

de wet verstrekt degene die voornemens is het ,

het project met in ieder geval een beschrijving van: a. de fysieke kenmerken van het gehele project en als dat van toepassing is van sloopactiviteiten; b. de locatie van het project met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn; de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project; en voor zover er informatie over deze effecten beschikbaar is: de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project ten gevolge van: a. de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen; en b. het gebruik van natuurlijke bronnen waaronder bodem land water en biodiversiteit. ,

,

,

,

2. 3.

,

10. 2

,

,

Situatie projectgebied

Voorliggend initiatief voorziet in het toevoegen van 12 woningen en wordt daarmee gezien als een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in het Omgevingsbesluit Bijlage V onder J11. Voor voorliggend initiatief is een vormvrije aanmeldnotitie opgesteld waarin de potentiële gevolgen en effecten van de ontwikkeling worden toegelicht. De vormvrije m. e. r. beoordeling is toegevoegd aan deze BOPA als bijlage 4.

BJZ. nu Ruimtelijke plannen en advies

43

Herontwikkeling Cort van der Lindenstraat Onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)

10. 3

Conclusie

Gelet op de beoordeling van de bovengenoemde kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. ,

BJZ. nu Ruimtelijke plannen en advies

44

Herontwikkeling Cort van der Lindenstraat Onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)

HOOFDSTUK 11

UITVOERBAARHEID

11. 1

Economische uitvoerbaarheid

11. 1. 1

Algemeen

In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Vastgesteld moet kunnen worden dat er geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden. Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. ,

,

Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8. 13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is artikel 8. 14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8. 15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13. 12 Ow). Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten verhaald worden is de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie (zie artikel 8. 13 aanhef en sub a Ob). Er zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen. ,

,

11. 1. 2

Situatie projectgebied

In dit geval is een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hierin is verzekerd dat het risico op nadeelcompensatie voor rekening van de initiatiefnemer komt. De gemeentelijke kosten zijn hier ook in opgenomen. Het kostenverhaal voor de gemeente is hiermee volledig verzekerd.

11. 2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

11. 2. 1

Participatie

Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving maar ook op de mensen die daar wonen werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief. De gemeenteraad van Hardenberg heeft besloten dat woningbouwprojecten niet een van de onderwerpen is waar verplichte participatie wordt toegepast. ,

,

In voorliggend geval heeft de initiatiefnemer het voornemen reeds besproken met de omwonenden in de ontwerpende fase door informatieavonden te organiseren. Het doel van het leggen van contact met de buurt was om de omwonenden belanghebbenden en andere geïnteresseerden te betrekken bij het project zodat er meer draagvlak is en het voornemen past bij de omgeving. Periodiek hebben ook overleggen met Plaatselijk Belang Bergentheim plaatsgevonden. ,

,

Het Plaatselijk Belang Bergentheim heeft enthousiast gereageerd op het voornemen. Tijdens de verschillende inloopbijeenkomsten werd het voorlopige ontwerp gepresenteerd. Tijdens de bijeenkomsten was ruimte voor omwonenden om in gesprek te gaan en was er de mogelijkheid om aandachtspunten en opmerkingen kenbaar te maken. Er waren ongeveer 30 mensen aanwezig. Deze aandachtspunten en opmerkingen zijn meegenomen in het ontwerpproces. Waar mogelijk en nodig zijn de opmerkingen meegenomen in het definitieve ontwerp. Het definitieve ontwerp zal gepresenteerd worden in een tweede bijeenkomst. Indien tijdens deze tweede

BJZ. nu Ruimtelijke plannen en advies

45

Onderbouwing bijeenkomst veel discussie ontstaat met

omwonenden.

De

aandachtspunten e e e

die

naar

voren

behoeve

ten

wordt bekeken

kwamen

tijdens

een

Herontwikkeling Cort van der Lindenstraat buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)

vervolgacties nodig zijn ten aanzien

de informatieavonden

van

de participatie

betreffen:

_ Privacy van bewoners van (geanonimiseerd) _ Belemmering van de zon ter plaatse van (geanonimiseerd) Voldoende

Op alle punten

parkeerplaatsen

neemt

voor

initiatiefnemer actie

De initiatiefnemer komt

28 auto's, in combinatie om

te komen

bij participatieverslag is bijgevoegd bij voorliggende

_E

of

van

BJZ.nu ruimtelijke plannen en

advies

nog terug

de omwonenden

tot een

met

de school

oplossing of er vindt

op deze aandachtspunten. motivering als Bijlage 5.

Het

nader onderzoek

plaats.

volledige

BJZ.nu

Ruimtelijke plannen

en

advies

46

Herontwikkeling Cort van der Lindenstraat Onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)

HOOFDSTUK 12

EVENWICHTIGE TOEDELING VAN FUNCTIES AAN LOCATIES

Uit de voorgaande hoofdstukken blijkt dat er in voorliggende ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

BJZ. nu Ruimtelijke plannen en advies

47

Herontwikkeling Cort van der Lindenstraat Onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)

BIJLAGEN BIJ DE RUIMTELIJKE ONDERBOUWING

Bijlage 1

Verkennend Bodemonderzoek

Bijlage 2

Aerius berekening

Bijlage 3

Natuurwaardenonderzoek flora en fauna

Bijlage 4

Aanmeldnotitie vormvrije m. e. r. - beoordeling

Bijlage 5

Participatieverslag

BJZ. nu Ruimtelijke plannen en advies

48

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15951571/1