Ruimtelijke onderbouwing BOPA Hardenberg, Marslanden (flexwoningen)
Tekst van het document
5.3
Conclusie Waterbelangen
Met de voorgenomen activiteit worden de waterbelangen in voldoende mate beschermd.
5.4
Klimaatadaptatie
In deze paragraaf is de kwetsbaarheid van het projectgebied voor hittestress, wateroverlast, droogte en overstromingen beoordeeld. Door klimaatverandering neemt de kans op wateroverlast, hitte, droogte en overstromingen toe. Het KNMI heeft scenario’s opgesteld waarin duidelijk wordt gemaakt hoe deze toename er naar verwachting in de toekomst uit ziet. Een vergrote kans op wateroverlast, hitte, droogte en overstromingen levert risico’s op voor veiligheid, gezondheid en economie. Ruimtelijke aanpassing om deze risico’s tegen te gaan noemen we klimaatadaptatie. Hierna wordt ingegaan op de relevante thema’s. 5.4.1
Hitte
5.4.1.1 Algemeen Klimaatverandering leidt in Nederland tot meer zomerse en tropische dagen. In dichtbebouwde gebieden met veel verstening is op warme dagen de opwarming het hardst te merken. In gebieden met veel groen (ook stedelijk) is deze opwarming door evapotranspiratie en schaduw minder waarneembaar. Bij warme nachten is er kans op hittestress. Langdurige blootstelling aan hoge temperaturen zorgt voor gezondheidsrisico's. Langdurig aanhoudende hitte kan leiden tot klachten als vermoeidheid, concentratieproblemen en hoofdpijn. Er bestaat ook risico op uitdroging en oververhitting. In Nederland stijgt tijdens hittegolven de sterfte met 12%. In buurten met veel verharding is minder verdamping door planten, waardoor het warmer kan worden. In de stad is het doorgaans warmer dan in het omringende landelijk gebied. Dit wordt het stadseffect of stedelijk hitte-eiland effect genoemd. Dit effect is 's nachts het sterkst aanwezig: de warmte blijft tussen gebouwen hangen. Gebieden met slecht geïsoleerde woningen en met kwetsbare groepen zijn bijvoorbeeld gevoeliger. De meest gevoelige mensen voor hittegerelateerde ziekten en sterfte zijn ouderen boven de 75 en chronisch zieken, met name als zij hart-, ademhaling- en nieraandoeningen hebben. In de beleidskaders zijn voor het thema hitte geen normen opgenomen. 5.4.1.2
Situatie projectgebied
In voorliggend geval is het projectgebied gelegen naast de (toekomstige) bebouwde kom van de Marslanden in Hardenberg. Hierbij wordt opgemerkt dat het niet om een typische bebouwde kom gaat zoals bij een gemiddeld dorp of stad. Het projectgebied grenst aan het buitengebied waarbij er veel sprake is van open landschap en relatief weinig bebouwing en verharding. Het projectgebied is daarmee relatief weinig gevoelig voor hittestress. Wel wordt aangeraden om bij de inrichting van het projectgebied, waar mogelijk, hittestress te voorkomen. Hittestress in de gebouwde omgeving kan op verschillende manieren worden tegengegaan. Hierna zijn als aanvulling enkele mogelijke strategieën en maatregelen om hittestress te verminderen: • •
Vergroenen van de gebouwde omgeving. Plant bomen, struiken en groene daken om schaduw te creëren en het oppervlak te koelen door verdamping. Groene oppervlakken absorberen minder warmte dan harde oppervlakken zoals beton en asfalt; Houd er rekening mee in het stedelijk ontwerp van het projectgebied. Dit kan onder andere inhouden dat gebouwen worden geplaatst op een manier die schaduw creëert op de buitenruimten in het projectgebied;
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
25
Hardenberg, Marslanden (50 modulaire woningen) Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) • • •
Houd in het bouwplan rekening met bouwmaterialen met een lage warmteabsorptie, zoals lichte kleuren of speciale coatings die minder warmte vasthouden. Dit helpt de temperatuur van gebouwen en oppervlakken te verlagen. Houd rekening met de stand van de zon ten opzichte van de bebouwing. Om zoninval te beperken kan gedacht worden aan het beperken van glas of het aanbrengen van zonnewering of zonwerende materialen op de zuidzijde. Het aanleggen van waterbergende maatregelen kan zorgen voor verkoeling en daarmee effectief zijn in het bestrijden van hittestress.
5.4.1.3 Conclusie Het projectgebied is relatief weinig gevoelig voor hittestress. In de beleidskaders zijn voor hitte zijn geen normen opgenomen, hittestress vormt daarom geen belemmerend effect voor deze ontwikkeling. 5.4.2
Wateroverlast
5.4.2.1 Algemeen De komende jaren wordt naast hitte en droogte ook steeds meer wateroverlast verwacht. Sinds het begin van de vorige eeuw is het ruim 25% natter geworden in Nederland. Deze neerslag valt met name in de zomer: de intensiteit van hoosbuien neemt zichtbaar toe en hevige buien vallen vaker. De algemene trend voor Nederland is dat de zomerse hoosbuien heviger worden en de winters natter. In Nederland zien we steeds vaker dat de extreem hete periodes gepaard gaan met hevige regenbuien. Hevige neerslag over een korte periode kan lokaal zorgen voor wateroverlast. Dit type wateroverlast komt het meest voor bij wolkbreuken in de zomer. Een groot deel van de Nederlandse straten en pleinen kunnen bij hevige buien onder water komen te staan. De meeste schade treedt op wanneer het water (over de stoepen) gebouwen instroomt. Ook zijn er gezondheidsrisico’s als er vervuild water op straat blijft staan: bij gemengde riolen kan regenwater zich mengen met niet-gezuiverd water. De voorkeursvolgorde voor omgaan met hemelwater is als volgt: benutten en besparen, vasthouden en infiltreren, bergen, afvoeren. Het doel is dat neerslag niet leidt tot waterschade aan gebouwen, boven- en ondergrondse infrastructuur en voorzieningen. Kwetsbare en vitale functies en voorzieningen blijven beschikbaar.
5.4.2.2 Situatie projectgebied Om de mogelijke risico’s voor wateroverlast nu en in de toekomst in beeld te brengen kan gebruik gemaakt worden van de Klimaateffectatlas. Op basis van de Klimaateffectatlas is het projectgebied niet gevoelig voor wateroverlast. Dit komt echter omdat er in de huidige situatie nog weinig tot geen bebouwing aanwezig is ter plaatse van het projectgebied. Bij de uitbreiding van de Marslanden dient er rekening gehouden te worden met het aspect hemelwaterberging. Indien er voldaan wordt aan de desbetreffende waterbergingseis vindt er netto geen verslechtering plaats van de gevoeligheid voor wateroverlast. Het projectgebied blijft dan, net als in de huidige situatie, redelijk ongevoelig voor wateroverlast. Wel wordt aangeraden om, conform de landelijke richtlijn, het vloerpeil van de nieuwe gebouwen minstens 0,2 meter hoger aan te leggen dan het laagste punt van de rijbaan in het straat/wegprofiel ter plaatse. Op deze manier kan waterschade in gebouwen voorkomen worden. 5.4.2.3 Conclusie Wateroverlast door piekbuien vormt geen belemmerend effect voor deze ontwikkeling.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
26
Hardenberg, Marslanden (50 modulaire woningen) Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) 5.4.3
Droogte
5.4.3.1 Algemeen Droogte is het uitzakken van grondwater door een combinatie van neerslagtekort en verdamping door een periode van hoge temperaturen. Wanneer het grondwater uitzakt, kan dit negatieve gevolgen hebben voor de stabiliteit van bebouwing, voor bomen en voor openbaar groen. Om droogte in verhard gebied tegen te gaan, is het belangrijk om voldoende infiltratiegebieden te realiseren. Hierdoor kan het water ten tijde van langdurige regen de grondwaterstand op peil brengen. Dit soort gebieden zijn gemakkelijk te realiseren door het gebruik van groen (bomen, heggen, verschillende grassen en halfverharding) op zowel openbare plekken alsook op particuliere gronden. Wanneer hier geen rekening mee wordt gehouden in het plan, zal in plaats van infiltratie in de bodem, het hemelwater worden afgevoerd via de riolering, waardoor het grondwaterpeil niet wordt aangevuld en tijdens drogere periodes meer schade wordt veroorzaakt. Een ander effect van droogte is (toenemende) bodemdaling. Toenemende droogte kan de processen van bodemdaling versterken. Dat kan verschillende gevolgen hebben, zoals een groter risico op overstromingen of schade aan funderingen en gebouwen. 5.4.3.2 Situatie projectgebied Rondom het projectgebied zijn voldoende onbebouwde gronden aanwezig om er voor te zorgen dat voldoende water in de bodem kan infiltreren en de grondwaterstand bij kan vullen.
Het projectgebied is daarmee relatief weinig gevoelig voor droogte. Gezien de tijdelijkheid van de modulaire woningen wordt geconcludeerd dat het aspect bodemdaling geen significante belemmering vormt voor de realisatie van de ontwikkeling. 5.4.3.3 Conclusie Droogte vormt geen belemmerend effect voor deze ontwikkeling. 5.4.4
Overstromingsrisico
5.4.4.1 Algemeen Nederland is kwetsbaar voor de gevolgen van klimaatverandering, waaronder overstromingen. Door klimaatverandering stijgt de zeespiegel en neemt de neerslag (met name in de winter) toe. Zonder aanvullende inspanning zou klimaatverandering er voor zorgen dat de kans op overstroming toeneemt. De snelheid van de zeespiegelstijging is onzeker. Klimaatadaptatie is een belangrijk onderdeel van het waterveiligheidsbeleid. Het Nationaal Waterbeheer Programma 2022-2027 gaat uitvoerig in op het beleid en maatregelen rondom klimaatadaptatie. Hiervoor bouwt het Rijk voort op bestaande strategieën, zoals de overstromingsrisicobenadering en meerlaagsveiligheid. Uiterlijk in 2050 moeten de primaire waterkeringen aan de aangescherpte wettelijke normen voldoen. Ook wordt gewerkt aan het versterken van regionale keringen. In het Nederlandse waterveiligheidsbeleid is rekening gehouden met klimaatverandering door de belasting op de dijk voor hoge waterstanden elke 6 tot 12 jaar te beoordelen. Waterkeringen worden sinds 1 januari 2017 beoordeeld op basis van normen in termen van overstromingskansen: bijvoorbeeld eens per 100.000 jaar per dijktraject. In deze normering is het effect van verwachte klimaatverandering opgenomen. Op plekken waar klimaatverandering leidt tot hogere waterstanden worden maatregelen getroffen om de dijken veilig te houden.
5.4.4.2 Situatie projectgebied In voorliggend geval ligt het projectgebied aan de rand van de Marslanden in Hardenberg. Hardenberg bevindt zich in binnendijks gebied en niet in de directe nabijheid van een waterkering.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
Hardenberg, Marslanden (50 modulaire woningen) Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) In het kader van zeespiegelstijging zijn door het KNMI de KNMI’14 scenario’s voor 2050 opgesteld. In deze scenario’s loopt de zeespiegelstijging uiteen van 15 tot 40 cm voor de Noordzeekust. In het kader van de voorliggende ontwikkeling wordt ter plaatse van het projectgebied gekeken naar de zeespiegelstijging op basis van het W H-scenario voor 2050. Dit betreft het warme scenario met droge zomers en natte winters. Op basis van hetzelfde WH-scenario kan ook de plaatsgebonden overstromingskans berekend worden. Op basis van het WH-scenario is de plaatsgebonden overstromingskans ter plaatse van het projectgebied niet opgenomen. Het overstromingsrisico is hiermee nihil en neemt niet toe als gevolg van de klimaatverandering. Het aspect overstromingen in het kader van klimaatadaptatie vormt dan ook niet een belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Verder wordt opgemerkt dat het thema ‘overstromingsrisico’ een taak is voor het Rijk. Het beheer en onderhoud van de waterkeringen is dan ook niet een verantwoordelijkheid die kan worden afgewenteld op dergelijke lokale initiatieven. 5.4.4.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect overstromingen in het kader van deze ontwikkeling dan ook geen nadere aandacht behoeft. 5.4.5
Conclusie klimaatadaptatie
Het aspect klimaatadaptatie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
Hardenberg, Marslanden (50 modulaire woningen) Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
HOOFDSTUK 6 6.1
WAARBORGEN VAN DE VEILIGHEID
Wettelijk kader
In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crisis. De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • • • •
Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.
Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen de aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat wordt gedaan met voorschriftengebieden. Voor een project dient een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het project kwetsbare gebouwen worden toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl). 6.2
Situatie projectgebied
De risico's ten aanzien van externe veiligheid zijn te zien in onderstaande afbeelding. Het projectgebied is aangegeven met de rode ster.
Afbeelding 6.1
Uitsnede risicokaart (Bron: ev-signaleringskaart.nl)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
Hardenberg, Marslanden (50 modulaire woningen) Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
In de omgeving van het projectgebied, zijn geen buisleidingen of risicobronnen aanwezig. Ook ligt het niet in een aandachtsgebied of veiligheidszone. 6.3
Conclusie
Vanuit het aspect externe veiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
Hardenberg, Marslanden (50 modulaire woningen) Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
HOOFDSTUK 7
BESCHERMING VAN LANDSCHAPPELIJKE EN
STEENBOUWKUNDIGE WAARDEN EN CULTUREEL ERFGOED
7.1
Cultureel erfgoed
7.1.1 Kader Bij het beschermen van cultureel erfgoed moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan instructieregels voor de gemeente. Deze gaan over: • • • • • •
beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; verplaatsing van beschermde monumenten; gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; aantasting van de omgeving van een beschermd monument; aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; in stand houden van archeologische monumenten.
De aspecten cultuurhistorie (monumenten) en archeologie worden hierna uitgewerkt. 7.1.2
Cultuurhistorie
Onder cultuurhistorische waarden worden alle gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. 7.1.2.1 Situatie projectgebied Er bevinden zich binnen het gebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. In de directe nabijheid van de locatie is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. 7.1.2.2 Conclusie Het aspect cultuurhistorie is geen belemmering met betrekking tot het plan. 7.1.3 Archeologie In de Erfgoedwet staat een archeologische zorgplicht wanneer de bodem wordt verstoord. Er is dan onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat er archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. 7.1.3.1 Situatie projectgebied Door Laagland Archeologie is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Het rapport is als bijlage 5 bijgevoegd. Het bureauonderzoek had tot doel een archeologisch verwachtingsmodel op te stellen. Centraal staat daarbij de vraag of en zo ja welke archeologische resten (complextype, datering, diepteligging en gaafheid) in het gebied kunnen worden verwacht. Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek geldt een lage verwachting voor alle archeologische perioden.
Er worden geen (intacte) archeologische resten verwacht of de kans hierop is erg klein. Wel zijn er aanwijzingen dat door het gebied een oude geul liep. Deze wordt nader onderzocht, maar ligt buiten het gebied waar de beoogde woningen geplaatst zullen worden. Om deze reden kunnen er binnen het projectgebied 50 tijdelijke woningen geplaatst worden. 7.1.3.2 Conclusie Het aspect archeologie is geen belemmering voor het plan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Hardenberg, Marslanden (50 modulaire woningen) Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
7.2
Bescherming van stedenbouwkundige waarden
7.2.1
Wettelijk kader Ladder voor duurzame verstedelijking
De Ladder is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Voor de toetsing aan de ladder is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de begrippen: • •
'bestaand stedelijk gebied' is 'het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'. Een 'stedelijke ontwikkeling' is de 'ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is'.
Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat 'voldoende substantieel' is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak (ECLI:NL:RVS:2017:1724) over de Ladder. De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen. 7.2.2 Toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking Het plan voorziet in het plaatsen van 50 modulaire tijdelijke woningen. De Ladder is onder andere van toepassing op bouwplannen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij het bepalen óf en hoe de Ladder moet worden toegepast zijn de volgende aspecten van belang: 1. Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling? Het toevoegen van 50 woningen wordt gezien als een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in de Ladder voor duurzame verstedelijking. 2. Is de stedelijke ontwikkeling nieuw? De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. Er wordt gebouwd op een locatie waar momenteel nog geen bebouwing aanwezig is. Er wordt daarom als nieuwe stedelijke ontwikkeling gezien. 3.
Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied? Ten aanzien van het ruimtelijke verzorgingsgebied wordt hier verwezen naar het regionale en gemeentelijk beleid. Hieruit blijkt dat het ruimtelijk verzorgingsgebied voornamelijk bestaat uit de gemeente Hardenberg zelf en de omliggende regio. 4. Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling? De behoefte wordt bepaald aan de hand van het ruimtelijk verzorgingsgebied van de ontwikkeling. Het ruimtelijk verzorgingsgebied is gerelateerd aan de aard en omvang van de ontwikkeling. Er is veel vraag naar huurwoningen voor jongeren/starters, mensen die vanwege persoonlijke omstandigheden met spoed een woning zoeken en statushouders. In de regionale en gemeentelijke visies op het wonen komt de behoefte ook naar voren. In de regionale woonvisie is bepaald dat de behoefte in West-Overijssel tot 2030 bestaat uit minimaal 24.255 woningen. Daarnaast geldt er een extra ambitie van circa 12.000 tot 14.000 woningen, waarmee de totale opgave uitkomt op circa 35.000 tot 40.000 woningen. De Marslanden is in de Woonagenda West-Overijssel aangewezen als een uitbreidingsproject. Omdat Hardenberg als groeigemeente wordt aangemerkt, is het aannemelijk om te stellen dat een aanzienlijk deel van de regionale behoefte in de gemeente Hardenberg dient te worden gerealiseerd. Er is daarmee sprake van een kwantitatieve behoefte.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
Hardenberg, Marslanden (50 modulaire woningen) Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) Voor de Marslanden geldt dat er behoefte is aan een gevarieerd programma, met een mix van verschillende woningtypen voor verschillende doelgroepen. Voor de toekomst wil de gemeente jongeren behouden. En is er een toename van het eenpersoonshuishoudens en de behoefte aan huurwoningen. De gemeente Hardenberg richt zich met name op starters, het in beweging krijgen van doorstromers en geschikte woningen voor senioren. Door de 50 tijdelijke woningen wordt ingespeeld op de vraag. Er is grote behoefte aan deze huurwoningen. 5. Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied? Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur". De voorgenomen ontwikkeling bevindt zich buiten bestaand stedelijk gebied. De gronden zijn op dit moment onbebouwd en in gebruik als agrarische cultuurgrond. Wel zijn de gronden deels bestemd voor een maatschappelijke functie. Het projectgebied sluit zoveel mogelijk aan bij het bestaand stedelijk gebied.
Het maar onderdeel uit van de ontwikkeling van het hele gebied tot aan de Eugenboersdijk en de Collendoornerdijk, wat het gehele gebied tot stedelijk gebied zal maken. En ervoor zorgt dat de tijdelijke woningen in de toekomst centraal in de wijk liggen. Tot slot zijn de 50 modulaire woningen voor een periode van 15 jaar bedoeld. Hiermee is in voldoende mate de behoefte voor de locatie buiten bestaand stedelijk gebied onderbouwd. Het voornemen voldoet daarmee aan de instructieregels uit artikel 5.129g van het Bkl.
7.3
Bescherming van landschappelijke waarden
7.3.1
Wettelijk kader
Voor de bescherming van het landschap geldt het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen een onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. In artikel 1.2 lid 1 sub g Omgevingswet staat dat 'landschappen' een onderdeel zijn van het fysieke leefomgeving. Het landschapsbeleid kan door Rijk, provincie of gemeente in een omgevingsvisie zijn vastgelegd. 7.3.2
Structuurvisie Marslanden II
De structuurvisie Marslanden II vormde de eerste aanzet tot een verdere stedenbouwkundige uitleg aan de noordwestkant van Hardenberg. De structuurvisie als document met de stedenbouwkundige visie vormt de basis voor de plannen voor Marslanden fase II. Marslanden sluit aan op de landelijke omgeving van 't Heemse en Collendoorn, en onderscheidt zich van andere woonmilieus en het stadscentrum binnen Hardenberg. In Marslanden komt een synergie tot stand tussen de stedelijke sfeer van het stadscentrum en de landelijke sfeer van 't Heemse en van Collendoorn. De overgang van stad naar land wordt in Marslanden vormgegeven. Binnen Marslanden komt een verscheidenheid aan woonmilieus tot stand, die in onderlinge samenhang deze overgang van stad naar land geleidelijk tot stand brengen. De hoofdplanstructuur van Marslanden wordt gevormd door het landschappelijk raamwerk. De buitenranden presenteren zich naar hun omgeving, deze randen vormen het gezicht van Marslanden. Het binnengebied van het raamwerk is opgebouwd uit verkeersruimten en groenzones die de deelgebieden van elkaar scheiden. Het stedenbouwkundige ontwerp voor Marslanden is dus opgebouwd uit verschillende woonsferen binnen dit landschappelijk raamwerk.
Elk van de 'woonmilieus' heeft een eigen stedenbouwkundige opzet, de wijze van verkaveling, met als gevolg dat elke woonbuurt een eigen, typerende korrelstructuur kent, die met de verkavelingswijze samenhangt. 7.3.3
Toetsing
De tijdelijke woningen worden gerealiseerd ten noorden van het school- en sportcomplex. De gronden zijn aangewezen als woongebied. Dit zal in de toekomst midden in de wijk Marslanden liggen. De landschappelijke karakter is vertaald in de verschillende delen van de wijk. Elke woonmilieu krijgt zijn eigen karakter. De tijdelijke woningen zullen hier op aansluiten.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
Hardenberg, Marslanden (50 modulaire woningen) Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
7.4
Ruimtelijke kwaliteit en welstand
7.4.1
Algemeen
De gemeente Hardenberg vindt het belangrijk dat bouwplannen voor gebouwen in de stad, het dorp en het buitengebied van goede kwaliteit zijn. En dat deze passen in het huidige beeld. De gemeente wil meer vrijheid voor burgers creëren. Dit wordt bereikt door kaders te stellen 'waar het er toe doet' en andere delen van de gemeente regelvrij te maken. Een en ander komt tot uiting in de toekenning van drie niveaus. 7.4.2
Situatie projectgebied
Het gebied ligt binnen het laatste welstandsniveau (0). Onder dit niveau vallen alle gebieden waarvoor het beleid gericht is op het handhaven van de aanwezige basiskwaliteit. Er is hierbij veel vrijheid voor de aanvrager. De kwaliteiten worden niet meer door welstandbeleid beschermd. De kwaliteiten van het openbaar gebied beïnvloeden met name de ruimtelijke kwaliteit. Deze gebieden zijn welstandsvrij. Er vindt geen welstandsbegeleiding of beoordeling plaats. 7.4.3
Toetsing aan de welstandsnota
Voor verschillende woonmilieus binnen de Marslanden gelden verschillende beeldkwaliteitsplannen. Deze zijn opgesteld om te voorkomen dat binnen de nieuwe woongebieden welstandvrij gebouwd gaat worden. Ook voor het school- en sportpark is een beeldkwaliteitsplan opgesteld. De 50 tijdelijke woningen zullen in de lijn gerealiseerd worden.
7.5
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat het voornemen in voldoende mate rekening houdt met de bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden. En tevens met de ruimtelijke kwaliteit.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
Hardenberg, Marslanden (50 modulaire woningen) Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
HOOFDSTUK 8 8.1
NATUURBESCHERMING
Algemeen
De natuur maakt onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. Bij natuurbescherming gaat het om de bescherming van gebieden en de bescherming van soorten. In dit hoofdstuk komt aan de orde hoe dit plan rekening houdt met de bescherming hiervan.
8.2
Gebiedsbescherming
8.2.1
Natura 2000-gebieden
8.2.1.1 Wettelijk kader Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. In deze gebieden worden dieren, planten en hun leefomgeving beschermd. Activiteiten die significante negatieve gevolgen kunnen hebben voor deze gebieden worden gedefinieerd als een Natura 2000-activiteiten. Deze activiteiten zijn op basis van artikel 5.1 lid e van de Omgevingswet vergunningplichtig. 8.2.1.3 Situatie projectgebied Het projectgebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Vecht- en Beneden-Reggegebied’ ligt op circa 8 kilometer afstand van het projectgebied. Met voorgenomen ontwikkeling worden 50 tijdelijke woningen gebouwd. Daarom is er een stikstofonderzoek gedaan. De volledige rapportage is in bijlage 6 van deze onderbouwing weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste onderzoeksresultaten beschreven. Onderzoeksresultaten Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van een stikstofdepositie met mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project betreft, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, geen Natura 2000-activiteit en is gezien artikel 5.1 van de Omgevingswet niet vergunningsplichtig. 8.2.2
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
8.2.2.1 Wettelijk kader Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In het NNN geldt het 'nee, tenzij'principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. De bescherming van het NNN kent geen externe werking. 8.2.2.2 Situatie projectgebied Het projectgebied ligt niet het NNN. Het dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Nederland ligt op circa 1 kilometer afstand van het projectgebied. Daarom kan worden gesteld dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijk kenmerken en waarden van het NNN als gevolg van de voorliggende ontwikkeling. 8.2.3 Conclusie Dit plan leidt niet tot negatieve effecten op beschermde gebieden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
Hardenberg, Marslanden (50 modulaire woningen) Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
8.3
Soortenbescherming
8.3.1
Wettelijk kader
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. Dit zijn flora- en fauna-activiteiten. Bij een activiteit is het nodig om te controleren of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dit zijn. Er zijn maar weinig activiteiten waarbij vooraf al is uit te sluiten dat ze een flora- en fauna-activiteit tot gevolg hebben. Hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bepaalt wanneer een vergunning nodig is. 8.3.2
Situatie projectgebied
In het kader van voorliggende ontwikkeling is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Dit rapport is als Bijlage 7 opgenomen. Hierna volgen de resultaten: Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten: De inrichting en het gevoerde beheer maken het projectgebied ongeschikt als groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het projectgebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk bezetten grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Het projectgebied wordt door vogels, vleermuizen en amfibieën uitsluitend benut als foerageergebied. Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en een vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield, als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Voor de grondgebonden zoogdieren, die een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het projectgebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen of vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen’. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt geen vrijstelling.
Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood. 8.3.3 Conclusie Dit plan leidt niet tot negatieve effecten op beschermde soorten.
8.4
Conclusie
Het plan leidt niet tot negatieve effecten op de natuur.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
Hardenberg, Marslanden (50 modulaire woningen) Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
HOOFDSTUK 9
BEHOUDEN VAN DE STAAT EN WERKING VAN INFRASTRUCTUUR
EN VOORZIENINGEN
9.1 Beperkingengebieden 9.1.1 Algemeen Een beperkingengebiedactiviteit is een activiteit die de functie van een maatschappelijk belangrijk werk of object kan verstoren. Dit zijn bijvoorbeeld wegen, spoorwegen, luchthavens en waterstaatswerken (rivieren etc.). Voorbeelden van beperkingengebiedactiviteiten zijn het plaatsen van een reclamebord naast een snelweg of het bouwen op een zeedijk. Om de functie van het werk of object te beschermen, gelden er beperkingen in een aangewezen gebied daaromheen. Het bevoegd gezag wijst dat gebied op kaart aan. De beperkingen gelden voor activiteiten in dit gebied (het beperkingengebied). 9.1.2 Situatie projectgebied Het projectgebied wordt aan de zuidzijde begrensd door de Steenanjer. Deze weg heeft geen beperkingsgebied. 9.1.3 Conclusie Het projectgebied ligt niet binnen een beperkingsgebied.
9.2 Kabels en leidingen 9.2.1 Algemeen Ondergrondse kabels en leidingen zijn belangrijk voor het transport van data, elektriciteit en stoffen zoals gas en water. Sommige ondergrondse (hoogspannings)leidingen kunnen een risico opleveren voor de omgeving. 9.2.2 Situatie projectgebied In Hoofdstuk 6 is al ingegaan op mogelijke buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Hieruit blijkt dat er geen buisleidingen aanwezig zijn. Daarnaast zal voorafgaand aan de bouw van de woningen een Klic-melding worden gedaan. Hiermee wordt voorkomen dat kabels en leidingen tijdens de bouw van de woningen worden beïnvloed. 9.2.3 Conclusie Het projectgebied heeft in deze fase geen nadelige gevolgen op kabels en leidingen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
Hardenberg, Marslanden (50 modulaire woningen) Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
HOOFDSTUK 10 10.1
MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
Algemeen
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen. In kolom 1 staan de projecten opgesomd. In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is. In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer beoordelingsplicht geldt. Kolom 4 bevat tot slot de besluiten die betrekking hebben op de projecten waarvoor de project-mer-(beoordelings)plicht geldt.
10.2
Situatie projectgebied
Het project gaat uit van het plaatsen van 50 tijdelijke woningen. Op basis van kolom 1 van bijlage V Ob valt dit onder een 'stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen' (J11). Beoordeeld moet worden of het project aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Als dat het geval is moet een milieueffectrapport worden gemaakt. Of het project aanzienlijke milieueffecten kan hebben moet worden beoordeeld aan de hand van de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn, dat wil zeggen: de kenmerken van het project, de plaats van het project en de potentiële effecten. De kernmerken van het project betreffen het toevoegen van 50 tijdelijke woningen op een agrarische en maatschappelijke perceel. De plaats van het project betreft de noordzijde van een school- en sportpark binnen de wijk Marslanden. De kenmerken van het project betreffen het veranderen van een agrarische functie in een woonfunctie. De plaats van het project betreft een bestaand en een voormalig boerenerf. Door BJZ.nu is een aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling opgesteld. Deze is als bijlage 8 toegevoegd. Hieruit blijkt dat de milieueffecten als gevolg van de ontwikkeling beperkt zijn. Er is geen sprake van een bijzondere omstandigheid die het opstellen van een milieueffectrapport noodzakelijke maakt.
10.3
Conclusie
Dit plan brengt geen negatieve effecten op het milieu met zich mee. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
Hardenberg, Marslanden (50 modulaire woningen) Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
HOOFDSTUK 11 11.1
UITVOERBAARHEID
Economische uitvoerbaarheid
Overheden zijn verplicht om de kosten van een ontwikkeling te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. In dit geval is een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hierin is verzekerd dat het risico op nadeelcompensatie voor rekening van de initiatiefnemer komt. De gemeentelijke kosten zijn hier ook in opgenomen. Het kostenverhaal voor de gemeente is hiermee volledig verzekerd.
11.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
11.2.1 Participatie Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief. Voor het plan is door de gemeente een participatieplan opgesteld. In dit geval is er het project concreet. De behoefte is groot naar deze huurwoningen. Ook het type woning, vorm en situering staat vast. In dit geval de participatie vooral gericht geweest op het informeren van de omwonenden en betrokkenen. In voorliggend geval is er een inloopbijeenkomst geweest over het plan. Van de inloopbijeenkomst is een participatieverslag beschikbaar. Uit de inloopbijeenkomst komt vooral naar voren dat omwonenden bezorgd zijn over de verkeersveiligheid en ontsluiting. Bij de inrichting van de wegen wordt er rekening gehouden met de toekomstige inrichting (verkeersdrempels etc.) van de Marslanden. Het perceel van de modulaire woningen zal gezamenlijk met de sportvoorzieningen en school groen worden ingericht. De opmerkingen die zijn gemaakt worden daarbij meegenomen. Ook zijn er zorgen over de toekomstige bewoners van de 50 tijdelijke woningen.
De woningen zullen worden verhuurd aan een mix van starters, statushouders en spoedzoekers.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
Hardenberg, Marslanden (50 modulaire woningen) Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
HOOFDSTUK 12
EVENWICHTIGE TOEDELING VAN FUNCTIES AAN LOCATIES
Uit de voorgaande hoofdstukken blijkt dat er in voorliggende ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40
Hardenberg, Marslanden (50 modulaire woningen) Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
BIJLAGEN BIJ DE RUIMTELIJKE ONDERBOUWING
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
41
Hardenberg, Marslanden (50 modulaire woningen) Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
Bijlage 1
Akoestisch onderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
42
Hardenberg, Marslanden (50 modulaire woningen) Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
Bijlage 2
Bodemonderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
43
Hardenberg, Marslanden (50 modulaire woningen) Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
Bijlage 3
Lichthinderonderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
44
Hardenberg, Marslanden (50 modulaire woningen) Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
Bijlage 4
Watertoetsresultaat
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
45
Hardenberg, Marslanden (50 modulaire woningen) Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
Bijlage 5
Archeologisch bureauonderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
46
Hardenberg, Marslanden (50 modulaire woningen) Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
Bijlage 6
Aerius berekening
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
47
Hardenberg, Marslanden (50 modulaire woningen) Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
Bijlage 7
Quickscan Flora en Fauna
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
48
Hardenberg, Marslanden (50 modulaire woningen) Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
Bijlage 8
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
49