CConstaterende datHardenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

Regels en toelichting vaststelling bestemmingsplan Balkbrug, bedrijventerrein Katingerveld, herziening Coevorderweg 34 (omzetten woonbestemming in bedrijfbestemming)

gemeenteraad 13 september 2022, gemeente HardenbergBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Balkbrug, bedrijventerrein Katingerveld, herziening Coevorderweg 34 (omzetten woonbestemming in bedrijfbestemming)23.257 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

In totaal zijn 5 veldbezoeken uitgevoerd in de periode mei tot en met september (zie tabel 2.1). Tabel 2.1 Veldbezoeken voor vleermuizen Datum en tijd

Soort

Weersomstandigheden

Vleermuizen

Helder, droog, windstil, circa 12 graden Celsius

Vleermuizen

Onbewolkt, droog, windkracht 2, circa 11 graden Celsius

Vleermuizen

Onbewolkt, droog, windkracht 2, circa 14 graden Celsius

Vleermuizen

Onbewolkt, droog, windkracht 2, circa 16 graden Celsius

Vleermuizen

Bewolkt, droog, windkracht 3, circa 16 graden Celsius

Vleermuizen

Onbewolkt, droog, windkracht 2, circa 22 graden Celsius

bezoek 15 mei 2019, 21.20 - 23.50 18 mei 2021 21:30 – 00:00 2 juni 2021 02:15 – 05:15 24 juni 2021 22:00 – 00:30 18 augustus 2021 20:55 – 02:00 8 september 2021 20:05 – 02:05

10/38

Kenmerk

2.2.2

R008-1279059DEU-V01-mdg-NL

Resultaat

Bij het nader soortgericht onderzoek zijn de volgende onder de Wnb beschermde functies binnen het plangebied geconstateerd (zie figuur 2.1 en 2.2): •

Egel

essentieel leefgebied

• •

Gewone dwergvleermuis Laatvlieger

een zomerverblijfplaats van 1 gewone dwergvleermuis een zomerverblijfplaats van 1 laatvlieger

Egel, bunzing, hermelijn en wezel Gedurende 6 weken (18 mei 2021 tot en met 2 juli 2021) stonden 3 cameravallen ter plaatste opgesteld. Dit betroffen 1 marterbox, 1 struikrover en 1 losse camera. Egel is 52 keer vastgelegd door de cameravallen. Ook tijdens de veldbezoeken voor vleermuizen zijn egels in het plangebied waargenomen. Het plangebied wordt minimaal gebruikt door 2 adulte en 3 juveniele egels. Egels hebben territoria van 10 tot 40 hectaren. Het plangebied is onderdeel van een groter territorium. De egels in het plangebied hebben schuilplaatsen in de terreindelen met struweel zoals de tuin aan de zuidzijde en het struweel aan de noordkant van het terrein (figuur 2.1). Ook het direct aangrenzende fabrieksterrein van FrieslandCampina biedt schuilplaatsen in de vorm van dicht struweel. Verder zijn er in de direct aangrenzende percelen geen geschikte schuilplaatsen aanwezig. De delen met struweel in het plangebied en aangrenzend op het perceel van FrieslandCampina hebben daardoor een essentiële functie voor egel en betreffen daardoor essentieel leefgebied. De frequentie waarmee egels zijn vastgelegd geeft een sterke indicatie dat egels verblijfplaatsen hebben in of in de directe omgeving van het plangebied. Verder trekken de fruitbomen en het gevallen fruit in het noordelijk deel van het plangebied insecten aan.

Egels eten deze insecten waardoor de fruitbomen foerageergebied vormen voor de egels. In de omgeving van het plangebied is veel alternatief foerageergebied aanwezig in de vorm van het grasveld ten westen van het plangebied, de bosschages ten zuiden van de Coevorderweg, tuinen in de omgeving en de visvijver met volkstuintjes ten zuidoosten van de Coevorderweg. Ondanks de aanwezigheid van veel alternatief foerageergebied in de omgeving bieden de fruitbomen in het plangebied zeer geschikt en uniek foerageergebied in de directe omgeving. Deze fruitbomen vormen daarom essentieel foerageergebied voor egel. In het kader van artikel 3.10 Wnb dienen het leefgebied, verblijfplaatsen en essentieel foerageergebied voor egels niet te worden aangetast bij het voornemen. Voor het aantasten van het essentieel leefgebied dient een ontheffing te worden aangevraagd bij het bevoegd gezag (Provincie Overijssel). Ontheffing wordt alleen verleend als voldoende mitigerende maatregelen worden genomen om effecten op de staat van instandhouding te voorkomen. Deze worden nader toegelicht in hoofdstuk 5. Het onderzoek naar egel betrof tegelijkertijd ook een onderzoek naar steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel. Gedurende de 6 weken dat de cameravallen ter plaatst stonden opgesteld is steenmarter maar 3 keer vastgelegd (figuur 3.1).

Indien steenmarters verblijfplaatsen hebben in het plangebied, dan zouden veel waarnemingen van de soort op de camera’s zichtbaar moeten zijn. Dit is niet het geval. Ook zijn er geen verse sporen (uitwerpselen, krabsporen, prooiresten)

11/38

Kenmerk

R008-1279059DEU-V01-mdg-NL

aangetroffen tijdens de veldbezoeken. Hieruit concluderen wij dat er geen verblijfplaatsen aanwezig zijn in de gebouwen in het plangebied en hieromheen. Het plangebied betreft ook geen essentieel leefgebied voor steenmarters. Het amoveren van de gebouwen en het herinrichten van het terrein heeft daarom geen negatief effect op steenmarters. Een ontheffing Wnb voor steenmarter is niet nodig. Bunzing, hermelijn en wezel (kleine marterachtigen) zijn niet op de cameravalbeelden aanwezig. Op basis van dit resultaat is uitgesloten dat deze soorten in het plangebied voorkomen (TAUW, 2021b). Uit het vooroverleg met Gerard Wijnsma blijkt dat provincie Overijssel van mening is dat een onderzoeksperiode van 6 weken te kort is om het voorkomen van bunzing, hermelijn en wezel (kleine marterachtigen) uit te kunnen sluiten. Daarom is de ontheffingsaanvraag voor egel, gewone dwergvleermuis en laatvlieger uitgebreid met bunzing, hermelijn en wezel. Ervan uitgaande dat de soorten in het plangebied voorkomen kunnen deze verblijfplaatsen hebben in het dichte struweel op het terrein van FrieslandCampina (het groene deel buiten de rode lijnen van het plangebied in figuur 2.1).

Figuur 2.1 Essentieel leefgebied egel in de vorm struweel dat schuilplaatsen biedt en fruitbomen die voedsel voor egels aantrekken

Vleermuizen Er zijn 2 zomerverblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen tijdens het 1e bezoek. Eén zomerverblijfplaats van een laatvlieger en 1 van een gewone dwergvleermuis. De zomerverblijfplaats van de laatvlieger bevindt zich in een gat onder de dakgoot in gebouw 1 naast de hoek met gebouw 2. Hier is 1 individu invliegend waargenomen. De zomerverblijfplaats van een gewone dwergvleermuis bevindt zich achter losse planken in gebouw 3 (figuur 2.2). Hier is ook 1 individu invliegend waargenomen. Tijdens de bezoeken op 18 mei en 24 juni foerageerde 1 gewone dwergvleermuis in de zuidoostelijke tuin naast de verblijfplaats. De tuin werd enkel door

12/38

Kenmerk

R008-1279059DEU-V01-mdg-NL

1 gewone dwergvleermuis tegelijkertijd gebruikt en is vrij klein. In de directe omgeving zijn ook erg veel alternatieve foerageergebieden aanwezig zoals de visvijver ten zuidoosten van de Coevorderweg. Daarom is de tuin geen essentieel foerageergebied voor gewone dwergvleermuizen. Tijdens de 5 bezoeken zijn geen kraam, paar- en winterverblijfplaatsen van vleermuizen waargenomen. Er zijn 2 vliegroutes in het plangebied waargenomen. Eén aan de oostkant van het plangebied. Hier gebruiken gewone dwergvleermuizen de bomen en de gevel van de boerderij voor navigatie. De vliegroute werd gebruikt door circa 5 gewone dwergvleermuizen en 1 watervleermuis tijdens het 1e bezoek. Deze vlogen allemaal in zuidelijk richting. Tijdens de overige 4 bezoeken zijn er geen vleermuizen waargenomen die gebruik maakten van de vliegroute. De andere vliegroute bevindt zich aan de westkant van het plangebied. Daar gebruiken laatvliegers de bomen en westgevels van de boerderij voor navigatie. Deze vliegroute werd gebruikt door 3 tot 7 laatvliegers. Ter plaatse van deze vliegroute zijn ook 1 maal 1 watervleermuis en 1 ruige dwergvleermuis langsvliegend waargenomen. Vleermuizen maakten enkel gebruik van deze vliegroute tijdens het 1e en 2e bezoek. Alle individuen vlogen in noordelijke richting langs de vliegroute.

Tijdens de overige 3 bezoeken zijn er geen vleermuizen waargenomen die gebruik maakten van de vliegroute. Beide vliegroutes zijn geen onderdeel van lange lijnvormige elementen in het landschap en worden maar beperkt gebruikt. In de omgeving zijn veel alternatieve lijnvormige elementen aanwezig zoals bomenrijen en gebouwgevels die vleermuizen kunnen gebruiken als vliegroute. De vliegroutes betreffen daarom niet essentiële vliegroutes. Verder zijn er tijdens de bezoeken ook hoog overvliegende rosse vleermuizen waargenomen. Deze toonden geen binding met het plangebied. Door de sloop van de gebouwen verdwijnen 2 zomerverblijfplaatsen. Dit is een overtreding van de Wnb, artikel 3.5, lid 4. Bij de sloop kunnen vleermuizen daarnaast verstoord of gedood worden. Dit is een overtreding van de Wnb, artikel 3.5, lid 1 en 2. Voor uitvoering van de herontwikkeling dient daarom een ontheffing te worden aangevraagd bij het bevoegd gezag (Provincie Overijssel). Voorliggende rapportage voorziet in een onderbouwing van de ontheffing en in hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de mitigerende en compenserende maatregelen.

13/38

Kenmerk

R008-1279059DEU-V01-mdg-NL

Figuur 2.2 Functies van het plangebied voor vleermuizen

Overige Het plangebied heeft geen beschermde functies voor steenmarter, kleine marterachtigen en huismus.

3 Effectbeoordeling en verbodsbepalingen 3.1

Effectbeoordeling

Bij het voornemen worden het essentieel leefgebied van egel, bunzing, hermelijn en wezel in de vorm van schuilplaatsen en 2 zomerverblijfplaatsen van vleermuizen aangetast. Hiervoor zijn voldoende mitigerende maatregelen en een ontheffing Wnb nodig. Verder dient er tijdens de werkzaamheden rekening te worden gehouden met algemene broedvogels.

3.2

Verbodsbepalingen

Deze rapportage bevat maatregelen en aanpassingen aan de werkwijzen (hoofdstuk 5) waarmee negatieve effecten op individuen van de beschermde soorten zo veel als mogelijk beperkt worden. Met het nemen van deze maatregelen is het doden van individuen uitgesloten. Voor de effecten op egel, bunzing, hermelijn en wezel die niet weggenomen kunnen worden (zijnde: het vangen van dieren, het onder zich hebben van dieren, de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren beschadigen of vernielen) wordt de ontheffing aangevraagd. Ook voor de effecten op gewone dwergvleermuis en laatvlieger die niet weggenomen kunnen worden (zijnde: het verstoren van dieren, de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren beschadigen of vernielen) wordt de ontheffing aangevraagd. Het gaat hier concreet om de Wnb, artikel 3.10, lid 1a en 1b en artikel 3.6 lid 2 voor egel, bunzing, hermelijn en wezel en artikel 3.5 lid 2 en 4 voor gewone dwergvleermuis en laatvlieger.

14/38

Kenmerk

R008-1279059DEU-V01-mdg-NL

4 Staat van instandhouding en geschiktheid omgeving 4.1

Algemeen

In dit hoofdstuk zijn de resultaten uit het soortgericht onderzoek geplaatst in de context van de ecologie van de soort en de staat van instandhouding op lokaal, regionaal en nationaal niveau. Het onderzoek betreft uitsluitend de weergave van de situatie binnen en rond het plangebied, en betreft slechts een relatief kleine oppervlakte ten opzichte van geschikt habitat in de omgeving. Om de staat van instandhouding van de soorten te bepalen, is hieronder eerst gekeken naar de nationale en lokale staat van instandhouding van de betreffende soorten. Daarna is gekeken naar de aanwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en leefgebieden in de omgeving van het plangebied. Zo ontstaat een compleet beeld van de impact van de werkzaamheden.

4.2

Staat van instandhouding egel

Egel komt in Nederland voor in vrijwel alle landschappen zoals tuinen, bosranden, struweel en loofbos (liefst met ondergroei). De soort komt in Nederland algemeen voor en is een wijdverbreide soort die in heel Nederland wordt waargenomen (BIJ12, 2017). Om deze reden kan de huidige situatie van de populatieomvang worden beoordeeld als gunstig. Echter staat de egel op de rode lijst en heeft een negatieve trend in Nederland en Overijssel (Zoogdiervereniging, 2021). Het leefgebied bestaat uit een grote verscheidenheid aan landschappen, waaronder ook stedelijk gebied. Egel heeft mogelijk last van de droge zomers in de afgelopen jaren (Zoogdiervereniging, 2021). Er is daarom onduidelijkheid over de staat van leefgebieden voor egel. Gezien de onderdelen van de staat van instandhouding kan het toekomstperspectief als matig ongunstig worden beoordeeld. Tabel 4.1 geeft een overzicht van de beoordeling van de staat van instandhouding van egel. Tabel 4.1 Beoordeling staat van instandhouding egel in Nederland Beoordeling staat van instandhouding Populatie

Verspreiding

Leefgebied

Toekomst

Eindoordeel

Gunstig

Gunstig

Onbekend

Matig

Matig ongunstig

negatief

Er is geen volledig onderzoek naar de populatieopbouw van egel in Balkbrug. In de bebouwde kom van Balkbrug zijn wel enkele waarnemingen van egel geregistreerd (NDFF). Omdat egels in het onderzoek door TAUW (TAUW, 2021b) en middels incidentele waarnemingen is vastgesteld, is aannemelijk dat egel redelijk algemeen is binnen de bebouwde kom van Balkbrug. Het is dan ook aannemelijk dat de staat van instandhouding van egel in Balkbrug niet afwijkt van de staat van instandhouding op landelijk niveau. Een groot deel van de directe omgeving van het plangebied is volgebouwd met industrie. Er zijn weinig groene delen overgebleven ten noorden van de Coevorderweg ter plaatse van het plangebied. Het plangebied betreft daardoor een essentieel voor het behoud van de lokale staat van instandhouding.

15/38

Kenmerk

R008-1279059DEU-V01-mdg-NL

Figuur 4.1 Verspreiding van egel binnen Nederland in de kilometerhokken (NDFF)

Het territorium van een egelvrouw is 10 tot 20 hectare en van een egel man zelfs 20 tot 40 hectare. Deze oppervlakten worden in figuur 4.2 in de vorm van een cirkel met Coevorderweg 34 in het middelpunt weergegeven om de grootte van dergelijke territoria te visualiseren. Tijdens de werkzaamheden wordt slechts een klein deel van het leefgebied vernietigd binnen dergelijke territoria. In de nieuwe situatie worden daarnaast vervangende verblijfplaatsen en leefgebied aangeboden in de vorm van takkenrillen, egelhuisjes en fruitbomen. Daarnaast zijn er in de omgeving van het projectgebied alternatieve verblijfplaatsen voorhanden in tuinen en delen van het landschap met struwelen en takkenhopen. Hiermee is een wezenlijk effect op de staat van instandhouding van egel uitgesloten.

16/38

Kenmerk

R008-1279059DEU-V01-mdg-NL

Figuur 4.2 Grootte van territoria egel ter indicatie (zwarte cirkel = minimale territoriumgrootte egelvrouw, roze cirkel = maximale grootte vrouw en minimale man, blauwe cirkel = maximale grootte territorium man)

4.3

Staat van instandhouding bunzing, hermelijn en wezel

Bunzing, hermelijn en wezel staan op de rode lijst. Bunzing, omdat onvoldoende bekend is over de soort en hermelijn en wezel omdat de status ‘gevoelig’ is (Zoogdiervereniging). De soorten komen in vrijwel heel Nederland voor. In een straal van 2 kilometer om het plangebied zijn enkel 2 waarnemingen bekend van bunzing in de afgelopen 10 jaar (uit 2014 en 2015). De soort is destijds waargenomen in landelijk gebied op een afstand van circa 1,5 kilometer ten zuidoosten van het plangebied. Van hermelijn en wezel zijn geen waarnemingen bekend binnen dezelfde straal en de periode van 10 jaar (NDFF). Tijdens het nader onderzoek met cameravallen dat TAUW heeft uitgevoerd zijn de soorten niet waargenomen in het plangebied (TAUW, 2021b). Het is zeer onwaarschijnlijk dat de soorten beschermde functies hebben in het plangebied. Provincie Overijssel sluit het voorkomen van de soorten in het plangebied echter niet uit. Hiervan uitgaande kunnen de soorten marginaal geschikt leefgebied hebben in de vorm van schuilplaatsen in het dichte struweel op het terrein van FrieslandCampina. Aangezien de soorten vrijwel zeker niet voorkomen in het plangebied heeft het voornemen geen effect op deze soorten. Als deze er toch voorkomen wordt leefgebied in de vorm van mogelijke schuilplaatsen in struweel aangetast. De ligging langs de Coevorderweg maakt het plangebied wel minder geschikt voor de soorten.

Daarnaast en wellicht ten overvloede worden in het plangebied marterhopen aangebracht die schuil- en rustplaatsen bieden aan bunzing, hermelijn en wezel. Deze bieden verblijfplaatsen aan bunzing, hermelijn en wezel van een veel hogere kwaliteit dan

17/38

Kenmerk

R008-1279059DEU-V01-mdg-NL

het dichte struweel op het terrein van FrieslandCampina. De marterhopen zijn namelijk beter geïsoleerd en weren neerslag beter dan de struiken. Hiermee is het uitgesloten dat het voornemen een negatief effect heeft op de staat van instandhouding van bunzing, hermelijn en wezel.

4.4

Staat van instandhouding gewone dwergvleermuis

Gewone dwergvleermuis is in Nederland overwegend een gebouw bewonende soort. De soort komt in Nederland algemeen voor en is een wijdverbreide soort die in heel Nederland wordt waargenomen (BIJ12, 2017). Om deze reden kan de huidige situatie van de populatieomvang worden beoordeeld als gunstig. Uit het NEM-meetnet zoldertellingen vleermuizen blijkt dat de aantallen gewone dwergvleermuizen tussen 1996 en 2016 toeneemt. In de NEM vleermuis transecttellingen laat gewone dwergvleermuis eenzelfde positieve trend zijn. Hiermee kan ook de landelijke trend als positief beschouwd worden. Het verspreidingsgebied van de gewone dwergvleermuis beslaat heel Nederland. Het leefgebied bestaat uit een grote verscheidenheid aan landschappen, waaronder stedelijk gebied. Daarom wordt de verspreiding en het leefgebied als gunstig beoordeeld worden. Omdat alle voorgaande onderdelen van de staat van instandhouding als gunstig beoordeeld zijn en de trend positief is, kan ook het toekomstperspectief als positief beoordeeld worden. Tabel 4.2 geeft een overzicht van de beoordeling van de staat van instandhouding van gewone dwergvleermuis. Tabel 4.2 Beoordeling staat van instandhouding gewone dwergvleermuis in Nederland Beoordeling staat van instandhouding Populatie

Verspreiding

Leefgebied

Toekomst

Eindoordeel

Gunstig

Gunstig

Gunstig

Gunstig

Gunstig

Er is geen volledig onderzoek naar de populatieopbouw van gewone dwergvleermuis in Balkbrug. In de bebouwde kom van Balkbrug wel meerdere waarnemingen van uitvliegende gewone dwergvleermuizen geregistreerd (NDFF). Omdat gewone dwergvleermuizen vaker middels incidentele waarnemingen is vastgesteld, is aannemelijk dat gewone dwergvleermuis algemeen is binnen de bebouwde kom van Balkbrug. Het is dan ook aannemelijk dat de staat van instandhouding van gewone dwergvleermuis in Balkbrug niet afwijkt van de staat van instandhouding op landelijk niveau. Bovendien valt de verblijfplaats die tijdens het nader onderzoek is vastgesteld binnen de metapopulatie gewone dwergvleermuis in Balkbrug. De werkzaamheden hebben invloed op een klein onderdeel van de totale populatie.

18/38

Kenmerk

R008-1279059DEU-V01-mdg-NL

Figuur 4.3 Verspreiding van gewone dwergvleermuis binnen Nederland in de kilometerhokken (NDFF)

Tijdens de werkzaamheden wordt slechts één zomerverblijfplaats van één exemplaar vernietigd. Aangezien vleermuizen een erg groot netwerk aan zomerverblijfplaatsen hebben heeft dit een erg klein effect op het aanbod aan verblijfplaatsen. Dit wordt ondersteund door het feit dat tijdens de 6 bezoeken in het vleermuizenonderzoek (TAUW, 2021b) maar één keer een gewone dwergvleermuis invliegend in de verblijfplaats is waargenomen. In de omgeving van het projectgebied zijn voldoende alternatieve verblijfplaatsen voorhanden in de woonwijken ten noordwesten en ten zuiden van het plangebied. In figuur 4.4 zijn andere verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuizen weergegeven die zijn vastgesteld door middel van onderzoek. Gewone dwergvleermuizen hebben vaak verblijfplaatsen in gebouwen met een spouwmuur en gebruiken open stootvoegen als vliegopening. Tussen 1960 en 1975 zijn veel woningen gebouwd met een

19/38

Kenmerk

R008-1279059DEU-V01-mdg-NL

spouwmuur zonder isolatiemateriaal. In deze gevallen is er vrijwel altijd ruimte in de spouw beschikbaar voor vleermuizen via open stootvoegen. Woonwijken of delen daarvan die zijn gebouwd in deze periode bieden vaak erg geschikte verblijfplaatsen aan vleermuizen (spouw). Deze woningen zijn in grote aantallen aanwezig in de omgeving van het plangebied en zijn weergegeven in figuur 4.5. Er zijn naar verwachting ruim voldoende alternatieve verblijfplaatsen in het netwerk van gewone dwergvleermuis aanwezig in gebouwen van het juiste bouwtype (uitgevoerd met spouw en vermoedelijk zonder isolatie). De hierboven genoemde argumenten bevestigen dat er erg veel alternatieve verblijfplaatsen aanwezig zijn voor de zomerverblijfplaats in het plangebied. Het wegvallen van de verblijfplaats in het plangebied heeft hierdoor geen of nagenoeg geen effect op de gewone dwergvleermuis met een zomerverblijf in het plangebied, laat staan op de populatie gewone dwergvleermuizen in Balkbrug. Daarnaast zal de gewone dwergvleermuis vrijwel zeker eerst gebruik maken van de hem bekende verblijfplaatsen in het netwerk. De gewenningsperiode van 3 maanden voor vleermuizen aan een nieuwe verblijfplaats is daardoor niet nodig en niet zinvol. Daarnaast is een gewenningsperiode van 3 maanden niet wenselijk gezien de huidige gevaarlijke verkeerssituatie (Hoofdstuk 6).

Er wordt een permanent vervangende verblijfplaats in de vorm van een vleermuistoren aangeboden voordat de oude verblijfplaats wordt vernietigd. Een negatief effect op de staat van instandhouding van gewone dwergvleermuis is uitgesloten.

Figuur 4.4 Vastgestelde verblijfplaatsen in de omgeving (NDFF)

20/38

Kenmerk

R008-1279059DEU-V01-mdg-NL

Figuur 4.5 Woonwijken die zijn gebouwd tussen 1960 en 1975 zijn met rode rechthoek omkaderd. Het plangebied is met een rood ovaal omkaderd.

4.5

Staat van instandhouding laatvlieger

Laatvlieger is in Nederland overwegend een gebouw bewonende soort. De soort komt in Nederland algemeen voor en is een wijdverbreide soort die in heel Nederland wordt waargenomen (BIJ12, 2017). Om deze reden kan de huidige situatie van de populatieomvang worden beoordeeld als gunstig. Echter staat de laatvlieger op de rode lijst vanwege de negatieve trend (Zoogdiervereniging, 2021). Het verspreidingsgebied van laatvlieger beslaat vrijwel heel Nederland. Het leefgebied bestaat uit een grote verscheidenheid aan landschappen, waaronder stedelijk gebied. Verder is er weinig bekend over laatvlieger. Gezien de trend negatief is, kan het toekomstperspectief als matig ongunstig worden beoordeeld. Er is geen volledig onderzoek naar de populatieopbouw van laatvlieger in Balkbrug. In de bebouwde kom van Balkbrug zijn wel enkele waarnemingen van laatvlieger geregistreerd (NDFF). Omdat laatvlieger in het onderzoek door TAUW (TAUW, 2021b) en middels incidentele waarnemingen is vastgesteld, is aannemelijk dat laatvlieger redelijk algemeen is binnen de bebouwde kom van Balkbrug. Het is dan ook aannemelijk dat de staat van instandhouding van laatvlieger in Balkbrug niet afwijkt van de staat van instandhouding op landelijk niveau. Bovendien

21/38

Kenmerk

R008-1279059DEU-V01-mdg-NL

valt de verblijfplaats die tijdens het nader onderzoek is vastgesteld binnen de metapopulatie laatvlieger in Balkbrug. De werkzaamheden hebben invloed op een klein onderdeel van de totale populatie.

Figuur 4.6 Verspreiding van laatvlieger binnen Nederland in de kilometerhokken (NDFF)

Tijdens de werkzaamheden wordt slechts één zomerverblijfplaats van één exemplaar vernietigd. Aangezien vleermuizen een erg groot netwerk aan zomerverblijfplaatsen hebben heeft dit een erg klein effect op het aanbod aan verblijfplaatsen. Dit wordt ondersteund door het feit dat tijdens de 6 bezoeken in het vleermuizenonderzoek (TAUW, 2021b) maar één keer een laatvlieger invliegend in de verblijfplaats is waargenomen. In de omgeving van het projectgebied zijn voldoende alternatieve verblijfplaatsen voorhanden in de woonwijken ten noordwesten en ten zuiden van het plangebied. In figuur 4.4 zijn andere verblijfplaatsen van laatvliegers weergegeven die zijn vastgesteld door middel van onderzoek. Laatvliegers kunnen verblijfplaatsen hebben in gebouwen met een spouwmuur en gebruiken open stootvoegen als vliegopening. Tussen 1960 en 1975 zijn

22/38

Kenmerk

R008-1279059DEU-V01-mdg-NL

veel woningen gebouwd met een spouwmuur zonder isolatiemateriaal. In deze gevallen is er vrijwel altijd ruimte in de spouw beschikbaar voor vleermuizen via open stootvoegen. Woonwijken of delen daarvan die zijn gebouwd in deze periode bieden vaak erg geschikte verblijfplaatsen aan vleermuizen (spouw). Deze woningen zijn in grote aantallen aanwezig in de omgeving van het plangebied en zijn weergegeven in figuur 4.5. Daarnaast hebben laatvliegers vaak verblijfplaatsen achter gevelbetimmering. In de woonwijken om het plangebied zijn ook woningen aanwezig met dergelijke gevelbetimmeringen. Dergelijke gevelbetimmeringen bieden overigens ook geschikte verblijfplaatsen aan gewone dwergvleermuizen. Voorbeelden hiervan zijn De Omloop nummer 1 en 3 (figuur 4.7), Kolonieweg nummer 24 en 30 en Hoogeveenseweg 3. Het is niet met zekerheid te zeggen dat de gevelbetimmeringen geschikte verblijfplaatsen bieden aan laatvlieger. Samen met alle andere gebouwen van het juiste bouwtype en bouwjaar (uitgevoerd met spouw en vermoedelijk zonder isolatie) zijn er naar verwachting voldoende alternatieve verblijfplaatsen in het netwerk van laatvlieger aanwezig. De hierboven genoemde argumenten bevestigen dat er erg veel alternatieve verblijfplaatsen aanwezig zijn voor de zomerverblijfplaats in het plangebied.

Het wegvallen van de verblijfplaats in het plangebied heeft hierdoor geen of nagenoeg geen effect op de laatvlieger met een zomerverblijf in het plangebied, laat staan op de populatie laatvliegers in Balkbrug. Daarnaast zal de laatvlieger vrijwel zeker eerst gebruik maken van de hem bekende verblijfplaatsen in het netwerk. De gewenningsperiode van 3 maanden voor vleermuizen aan een nieuwe verblijfplaats is daardoor niet nodig en niet zinvol. Daarnaast is een gewenningsperiode van 3 maanden niet wenselijk gezien de huidige gevaarlijke verkeerssituatie (Hoofdstuk 6). Er wordt een permanent vervangende verblijfplaats in de vorm van een vleermuistoren aangeboden voordat de oude verblijfplaats wordt vernietigd. Een negatief effect op de staat van instandhouding van laatvliegers is uitgesloten.

Figuur 4.7 Voorbeeld van woningen ten zuiden van het plangebied met gevelbetimmering (bron: google)

23/38

Kenmerk

4.6

R008-1279059DEU-V01-mdg-NL

Omgevingscheck

Ten behoeve van voorliggend onderzoek is een extra veldbezoek uitgevoerd op 14 januari 2022 om de omgeving beter in beeld te krijgen. Hierbij is het plangebied en de direct aanliggende omgeving bezocht (o.a. de buurpercelen, de omliggende woonwijken en de aan de overkant gelegen vijver). Hierna worden de bevindingen per soort in de omgeving beschreven. 4.6.1

Egel

De directe omgeving van het plangebied is te kwalificeren als stedelijk gebied met industrie op de rand van landelijk gebied met natuurgebieden (NNN) dichtbij. De Coevorderweg doorkruist het gebied van oost naar west. Aan de zuidkant van de Coevorderweg bij het plangebied ligt een groenstrook naast een school die het plangebied met de woonwijk ten zuiden daarvan verbindt. Egels kunnen deze strook gebruiken om zich tussen leefgebieden in hun territorium te verplaatsen. Via deze woonwijk kunnen egels de visvijver ten zuidoosten van het plangebied en ten zuiden van Coevorderweg 46 bereiken. Aan de zuidkant van de visvijver grenzen volkstuintjes. De woonwijk, de visvijver en de volkstuintjes vormen zeer geschikt leefgebied voor egels. Daarbij en wellicht ten overvloede ligt het NNN op 100 meter afstand van de visvijver en volkstuintjes. Egels vinden ook hier geschikt leefgebied. 4.6.2 Bunzing, hermelijn en wezel De leefgebieden van bunzing, hermelijn en wezel zijn groot. De struiken op het terrein van FrieslandCampina zijn hier mogelijk een klein onderdeel van. Daarnaast zijn in het NNN om het plangebied heen voldoende alternatieve schuilplaatsen aanwezig in de vorm van struweel, waardoor het voornemen geen significante effecten heeft op bunzing, hermelijn en wezel.

4.6.3 Gewone dwergvleermuis en laatvlieger Voor vleermuizen is er voldoende geschikt leefgebied in de omgeving aanwezig. De woonwijk ten noordwesten en ten zuiden van het plangebied bieden geschikte verblijfplaatsen in woningen. De visvijver (zie figuur 4.8) en het opgaand groen in het NNN gebied biedt geschikt foerageergebied.

24/38

Kenmerk

R008-1279059DEU-V01-mdg-NL

Figuur 4.8 Groenstrook rondom de visvijver met opgaand groen

5 Maatregelen, tijdelijke mitigatie en compensatie 5.1

Algemeen

In dit hoofdstuk is beschreven hoe het verlies van leefgebied van egel en verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis en laatvlieger permanent worden opgevangen. Daarnaast zijn uitvoeringsmaatregelen beschreven die negatieve effecten in de aanlegfase voorkomen.

5.2

Realiseren van permanent alternatief leefgebied en verblijfplaatsen

5.2.1 Egel Tijdens het onderzoek naar egel zijn 5 egels in het plangebied waargenomen. Het plangebied betreft een klein deel van het leefgebied. De egels foerageren hier en hebben hier mogelijk verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen. In het kader hiervan worden binnen het territorium van de egels (figuur 5.1 en 5.2) alternatieve verblijfplaatsen aangeboden. In totaal worden 13 egelhuisjes (zie figuur 5.3) gerealiseerd op 5 verschillende locaties. Deze worden ingebouwd in takkenrillen of in struweel geplaatst. Bij de takkenrillen (zie figuur 5.4) kunnen egels foerageren. Figuur 5.1 geeft weer waar deze verblijfplaatsen worden gerealiseerd. Ter plaatse van groene stroken 1, 2 en 3 worden takkenrillen geplaatst met daarin egelhuisjes. In strook 1 worden ook fruitbomen geplaatst. De bomen en het gevallen fruit trekt insecten aan. Deze insecten dienen weer als prooi voor egels. In het groene vlak nummer 4 (de tuin van Coevorderweg 46) worden egelhuisjes in het struweel geplaatst. In het groene vlak nummer 5 worden egelhuisjes geplaatst

25/38

Kenmerk

R008-1279059DEU-V01-mdg-NL

in de bosschage. Dit is ook weergegeven in tabel 4.1. De egelhuisjes worden gevuld met stro, zodat egels direct een nest kunnen maken. De takkenrillen, fruitbomen, marterhopen en egelhuisjes worden gerealiseerd voor april 1 wanneer de minst kwetsbare periode van egel, bunzing, hermelijn en wezel begint (zie tabel 5.2) en voor het struweel wordt verwijderd. Een groot deel van het huidige plangebied is bestraat of bebouwd. In de huidige situatie is er circa 2400 m2 groen aanwezig. De bestrate en bebouwde delen van het plangebied hebben geen functie voor egel. In de toekomstige situatie is er circa 3.000 m2 groen aanwezig, voornamelijk in de vorm van gras (figuur 1.3). Gras is geschikt voor egel om op te foerageren. Samen met de takkenrillen, de fruitbomen en de egelhuisjes in het plangebied verminderd de kwaliteit niet. Daarnaast worden ook verblijfplaatsen van egel in de directe omgeving gerealiseerd in de vorm van egelhuisjes om het leefgebied van egel in de omgeving een kwaliteitsimpuls te geven. Er is instemming met derden, om egelhuisjes op hun terreinen te plaatsen (dit betreft gebieden 4 en 5 in figuur 5.1).

Figuur 5.1 Locaties maatregelen en compensatie, rondom het terrein van FrieslandCampina Balkbrug

26/38

Kenmerk

R008-1279059DEU-V01-mdg-NL

Figuur 5.2 Locaties maatregelen en compensaties op het terrein van de boerderij Tabel 5.1 Compenserende maatregelen Gebied

Voorzieningen

nummer 1

2

3

-

Takkenril

-

2 egelhuisjes

-

Fruitbomen

-

Takkenril

-

2 egelhuisjes

-

Marterhoop

-

Takkenril

-

2 egelhuisjes

-

Marterhoop

4

-

2 egelhuisjes

5

-

5 egelhuisjes

6

-

Vleermuistoren

27/38

Kenmerk

R008-1279059DEU-V01-mdg-NL

Figuur 5.3 Voorbeeld van een egelhuis van Vivara

Figuur 5.4 Voorbeelden van takkenrillen

5.2.2 Bunzing, hermelijn en wezel In het plangebied worden 2 marterhopen gerealiseerd die schuil- en rustplaatsen bieden aan bunzing, hermelijn en wezel. Deze worden geplaatst direct naast strook 2 en strook 3 in figuur 5.2. De marterhopen worden op betontegels gebouwd, zodat deze iets hoger liggen dan de omgeving en droog blijven bij hevige regenval. Op de tegels wordt een bodem van dun materiaal en takjes, riet of gras gemaakt. Daarop komt een kern, bestaande uit gestapelde stammen en dikke takken van 1 m hoog. In de holten die ontstaan worden vervolgens takken en twijgen gestoken. Zo wordt voorkomen dat de stapel inzakt. Vervolgens wordt de marterhoop voorzien van een isolerende laag van riet of hooi, van een 0,5 m dik. Deze laag wordt jaarlijks aangevuld om de isolatiewaarden te behouden. De marterhoop wordt naast de takkenrillen voor egels geplaatst, zodat kleine marters dekking vinden bij het binnentreden en verlaten van de marterhoop. De marterhoop is 1,5 m hoog, 2 m breed en 3 m lang. (Provincie Noord-Brabant, 2017).

28/38

Kenmerk

R008-1279059DEU-V01-mdg-NL

Figuur 5.5 Schematische weergave doorsnede van de marterhoop Tekening: Nico Jonker (Provincie Noord-Brabant, 2017)

5.2.3 Gewone dwergvleermuis en laatvlieger Ter plaatse van het paarse vlak (6) (zie figuur 5.1 en 5.2) wordt zo snel mogelijk en uiterlijk in maart 2022 een vleermuistoren (zie ter illustratie figuur 5.6) gerealiseerd. Deze vleermuistoren is geschikt voor kleine vleermuizen als gewone dwergvleermuis en voor grote vleermuizen zoals de laatvlieger. Er worden verschillende invliegopeningen gerealiseerd, waarvan ook 1 in de nok van de vleermuistoren. De ervaring leert dat laatvliegers vaak in de nok van een dak invliegen. Vanaf deze invliegopening is de zolderruimte van de vleermuistoren direct bereikbaar. De invliegopeningen zijn 25 mm breed, zodat deze geschikt zijn voor zowel gewone dwergvleermuis en laatvlieger. Deze invliegopeningen bevinden zich op een hoogte van 3 tot 4 m boven maaiveld en hebben een vrije aanvliegroute. In de vleermuistoren worden verticale parallelle platen ingebouwd, waar vleermuizen tussen kunnen kruipen. De helft van deze platen bevindt zich op 20 mm van elkaar en is daarmee geschikt voor gewone dwergvleermuizen. De andere helft van de platen bevindt zich op een afstand van 30 mm van elkaar en is daarmee geschikt voor laatvlieger (Korsten, 2012). Met de vleermuistoren wordt enkel 1 zomerverblijf van 1 gewone dwergvleermuis en 1 zomerverblijf van 1 laatvlieger gecompenseerd. De vleermuistoren zal plaats bieden aan tientallen vleermuizen.

In de vleermuistoren zullen meerdere microklimaten beschikbaar zijn. Namelijk: de noord-, oost-, west- zuidgevel en de zolder. Hierdoor biedt de vleermuistoren minimaal 4 verschillende microklimaten aan gewone dwergvleermuizen en laatvliegers. Door geïsoleerde wanden, het formaat en de massa van de vleermuistoren is de binnentemperatuur van de vleermuistoren gebufferd en zal daardoor niet snel opwarmen of afkoelen. Na de realisatie van de vleermuistoren en voor 1 april 2022 worden gebouwdelen 1, 2 en 3 (figuur 1.2) gesloopt.

29/38

Kenmerk

R008-1279059DEU-V01-mdg-NL

Figuur 5.6 Illustratie van een vleermuistoren (schematisch indicatief voorbeeld van de te bouwen vleermuistoren)

Figuur 5.7 Opbouw vleermuistoren (schematisch indicatief voorbeeld van de te bouwen vleermuistoren)

30/38

Kenmerk

R008-1279059DEU-V01-mdg-NL

Figuur 5.8 Afmetingen vleermuistoren (schematisch indicatief voorbeeld van de te bouwen vleermuistoren)

5.3

Uitvoeringsmaatregelen

De kwetsbare periode van egel, bunzing, hermelijn en wezel bestaat uit de voortplantingsperiode en de winterrust. De soorten kunnen jongen hebben vanaf juni. Daarna start de winterrust die kan duren van november tot en met maart (voornamelijk voor egel). In de winterrust zijn egels, bunzing, hermelijn en wezel kwetsbaar in periodes van vorst. Wanneer de temperatuur boven de 5 °C komt zijn de soorten mobiel en daardoor minder kwetsbaar. Gewone dwergvleermuis en laatvlieger gebruiken zomerverblijfplaatsen in de periode van april tot en met november. Vanaf maart start het algemene broedseizoen van vogels dat duurt tot medio augustus. September is met het oog op laat broedende soorten zoals houtduif ook een risico. Broedsels zijn ook beschermd buiten deze periode. Gezien deze kwetsbare perioden kunnen de werkzaamheden het beste in de periode van februari en eventueel maart 2022 worden uitgevoerd. Onder deze werkzaamheden valt de realisatie van de compenserende maatregelen uit paragraaf 5.2 en de sloop van de gebouwen en de kap van de bomen.

31/38

Kenmerk

R008-1279059DEU-V01-mdg-NL

Tabel 5.2 Kwetsbare perioden (groen = niet kwetsbaar, oranje = kwetsbaar, geel = kwetsbaar bij temperaturen onder de 5 °Ct) Locatie

J

F

M

A

M

J

J

A

S

O

N

D

Egel, bunzing, hermelijn en wezel Gewone dwergvleermuis Laatvlieger Broedvogels

Gedurende de uitvoering dient rekening te worden gehouden met het volgende: • De takkenrillen, egelhuisjes, fruitbomen, marterhopen en vleermuistoren worden gerealiseerd in februari of de 1e helft van maart 2022. • De gebouwen, bomen en struwelen worden gesloopt en gekapt in de 2e helft van maart 2022 of eerder als de takkenrillen, egelhuisjes, fruitbomen, marterhopen en vleermuistoren zijn gerealiseerd. • De kap van bomen en struweel dient te gebeuren bij temperaturen boven de 5 °C en zonder nachtvorst Voordat bomen en struweel worden gekapt en gebouwen worden gesloopt controleert een ecoloog deze op broedvogels Stobben en bladhopen worden handmatig en voorzichtig verwijderd, zodat daarin schuilende dieren niet worden gedood of beschadigd. Dieren die niet zelfstandig wegvluchten worden voorzichtig bij de takkenrillen geplaatst buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden. Het verwijderen van struweel gebeurt voorzichtig en met de hand. De bomen worden verwijderd na het verwijderen van het struweel. Egels of individuen van bunzing, hermelijn of wezel die onverhoopt bij de werkzaamheden worden aangetroffen worden voorzichtig en met de hand of een net gevangen en in een fijnmazige katten transportbox met daarin handdoeken geplaatst. Gevangen individuen worden direct verplaatst en in de egelhuisjes geplaatst aan de zuidkant van de visvijver (gebied 5 in figuur 5.1).

In de egelhuisjes is stro en voer aanwezig. Na het verplaatsen worden de dieren 1 uur gemonitord om eventueel gevaarlijke situaties voor de dieren te voorkomen. losgelaten bij de zuidoever van de visvijver ten zuidoosten van FrieslandCampina. • In de nieuw te plaatsen hekken om het plangebied wordt minimaal om de 10 m een opening bij de grond gemaakt van 13 bij 13 cm • Bij de werkzaamheden en in de permanente situatie wordt geen verlichting gericht naar opgaand groen en de vleermuistoren. Hiermee wordt verstoring van vleermuizen door middel van licht tussen zonsondergang en zonsopkomst voorkomen.

32/38

Kenmerk

R008-1279059DEU-V01-mdg-NL

6 Wettelijk belang en alternatieven 6.1

Algemeen

In de voorgaande hoofdstukken is beargumenteerd dat er een ontheffing nodig is voor het vernietigen van leefgebied en verblijfplaatsen van egel, bunzing, hermelijn, wezel en zomerverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis en laatvlieger. In dit hoofdstuk wordt aangegeven in het kader van welk wettelijk belang de ontheffing wordt aangevraagd. Ook is middels een alternatiefafweging onderbouwd dat er geen andere manier van uitvoering is die gunstiger uitpakt voor natuur en hetzelfde resultaat behaald.

6.2

Wettelijk belang

Egel, bunzing, hermelijn en wezel zijn in Nederland beschermd als nationale soort. In de Wet natuurbescherming zijn deze soorten beschermd onder artikel 3.10. Onder dit artikel kan in het belang van een ruimtelijke ingreep een ontheffing voor het vernietigen van vaste voortplantingsplaatsen en rustplaatsen worden aangevraagd. Gewone dwergvleermuis en laatvlieger zijn beschermd onder de Europese Habitatrichtlijn. In de Wet natuurbescherming zijn gewone dwergvleermuis en laatvlieger beschermd onder artikel 3.5. Onder dit artikel kan een ontheffing voor het vernietigen van verblijfplaatsen worden aangevraagd. De ontheffing voor zowel egel, bunzing, hermelijn, wezel als gewone dwergvleermuis en laatvlieger wordt aangevraagd; “In het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten.” FrieslandCampina Balkbrug wil zich in eerste instantie graag beroepen op het belang van de openbare veiligheid en dit is hierna nader toegelicht. Bij het in- en uitrijden van het terrein van FrieslandCampina Balkbrug ontstaan in de huidige situatie regelmatig zeer gevaarlijk situaties op de provinciale weg N377. FrieslandCampina Balkbrug is met haar in- en uitritten direct gelegen aan deze N377.

De vrachtwagens rijden direct vanaf de huidige toegangsweg de N377 op en af (zie figuur 6.1). Ook is een fietspad gelegen tussen de N377 en het terrein van FrieslandCampina Balkbrug (zie figuur 6.1), dat de overzichtelijkheid en veiligheid van alle weggebruikers niet verbetert. De N377 is een belangrijke regionale verkeersader met bijbehorende verkeersdrukte en een behoorlijke snelheid. De maximaal toegestane snelheid ter hoogte van FrieslandCampina Balkbrug bedraagt 50 km/uur, echter op circa 100 m van de eerste inrit is de maximaal toegestane snelheid nog 70 km/uur. Per definitie leidt dit tot een onveilige situatie, doordat het doorstromend verkeer geremd wordt bij het afslaan en opdraaien van een vrachtwagen naar en van het terrein van FrieslandCampina Balkbrug. Vrachtwagens komen namelijk tijdelijk op de drukke rijbaan of fietspad volledig stil te staan.

33/38

Kenmerk

R008-1279059DEU-V01-mdg-NL

Figuur 6.1: Overzicht verkeerssituatie ter plaatse van FrieslandCampina Balkbrug

De bestaande situatie op de N377 was gezien de verkeersdrukte en beperkte doorstroming een probleem. Derhalve heeft gemeente Hardenberg besloten om een deel van de provinciale weg te onder tunnelen om de doorstroming in Balkbrug te verbeteren (zie figuur 6.2). Door de tunnel wordt het lokale verkeer gescheiden van het doorgaande verkeer. Hierdoor behoudt het verkeer snelheden van 50 km per uur op de doorgaande weg (de praktijk leert dat ook regelmatig harder wordt gereden). Voor de ondertunneling was de kruising voorzien van stoplichten, wat een remmende werking had op het verkeer. Deze remmende werking is met de ondertunneling vervallen en heeft de gemiddelde snelheden op de N377 verhoogd. Dagelijks leveren er 34 vrachtwagens melk, halen 10 vrachtwagens wei op, 25 vrachtwagens halen kaas op en verder brengen 6 vrachtwagens ingrediënten naar de locatie. In totaal zijn dat dagelijks 150 (2 x75) potentieel gevaarlijke situaties, waarbij slachtoffers kunnen vallen. Daarnaast is de N377 ter hoogte van FrieslandCampina Balkbrug relatief smal, wat het nemen van de bocht voor vrachtverkeer moeilijk maakt en meer tijdrovender. Door de gewijzigde situatie (ondertunneling en verhoging van de doorgaande snelheid) en de vele vrachtwagens van en naar het terrein, is het nog noodzakelijker om de veiligheid rondom de in- en uitritten van FrieslandCampina Balkbrug te verbeteren.

Het niet aanpassen van de verkeerssituatie rondom de FrieslandCampina Balkbrug maakt de bestaande situatie nog onveiliger en de kans op filevorming en ongelukken dus groter.

34/38

Kenmerk

R008-1279059DEU-V01-mdg-NL

Figuur 6.2 Nieuwe situatie met ondertunneling doorgaande weg in Balkbrug en behoudt van de gemiddelde snelheid (50 km/uur)

Opgemerkt wordt dat de aan- en afvoer van grondstoffen 24/7 plaatsvindt, waardoor de gevaarlijke situaties zich ook voor kunnen doen tijdens de avond- en nachtperiode. Ook is het gevaar tijdens slechte weersomstandigheden zoals gladheid, zware regen en mist nog groter. Het risico op ongelukken in de huidige situatie is reëel (zie ook figuur 6.3). Een snelle realisatie van de nieuwe toegangsweg op het terrein van FrieslandCampina is essentieel in het verbeteren van de verkeersveiligheid en in het voorkomen van ongelukken. De ernst van de situatie is ook erkent door gemeente Hardenberg en de provincie Overijssel zelf. Zowel de gemeente als de provincie zijn voorstanders van een nieuwe ontsluiting van het bedrijventerrein. Daarnaast steunen de gemeente en de provincie het initiatief met substantiële subsidies om deze ontsluiting te realiseren.

35/38

Kenmerk

R008-1279059DEU-V01-mdg-NL

Figuur 6.3 Een impressie van de problematiek van de tunnel in de Coevorderweg

6.3

Overige redenen verwijderen leefgebieden

Binnen het aangekochte terrein is het leefgebied van egel (en misschien van bunzing, hermelijn en wezel) gelegen in enkele rommelige hoekjes met struweel van het boerderijterrein (zie paragraaf 2.2). Deze hoeken bieden tevens leefgebied aan allerlei ongedierte (bijvoorbeeld ratten). Op het fabrieksterrein waar levensmiddelen geproduceerd worden is dit onwenselijk. Verder geven deze rommelige hoeken een negatief en onverzorgd beeld van de locatie. De verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis en laatvlieger bevinden zich in de twee oude gebouwen die zich bevinden op de locatie van de nieuw geplande lus voor de ontsluiting van het terrein. In het te slopen gebouw waarbij in het dak de zomerverblijfplaats van de laatvlieger is gevonden zitten tevens grote hoeveelheden asbest. Gezien de leegstand van de boerderij is er een risico op vernieling en brandstichting van de boerderij. Dit is voor de volksgezondheid ook een onwenselijk situatie en wordt opgelost met de sloop van de boerderij.

36/38

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11776775/2