Regels en toelichting vaststelling bestemmingsplan Balkbrug, bedrijventerrein Katingerveld, herziening Coevorderweg 34 (omzetten woonbestemming in bedrijfbestemming)
Tekst van het document
34
bestemmingsplan Bestemmingsplan Balkbrug, bedrijventerrein Katingerveld, herziening Coevorderweg 34 (ontwerp)
Tabel: Geprognosticeerde maximale geluidniveaus van de gehele inrichting bij gebruik van het nieuwe terrein
Conclusie Uit het onderzoek blijkt dat de maximale geluidniveaus voldoen aan de grenswaarden uit de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening en waar van toepassing ook aan de grenswaarden van de vigerende vergunning. Hiermee is bij volledige planinvulling sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Door de zonebeheerder dient de situatie bij maximale planinvulling van het nieuwe terrein planmatig nog te worden getoetst of het daadwerkelijk inpasbaar is binnen het (actuele) zonebeheer. Wanneer dit het geval is dan mag op basis van de afgegeven hogere waarden en de goede staat van onderhoud van de woningen (Coevorderweg 22-24 ) verwacht worden dat de gevelwering tenminste 20 dB(A) bedraagt en dat hiermee voldaan wordt aan de vereiste binnenwaarde van 35 dB(A) etmaalwaarde. Het aspect geluid staat de uitbreiding van FrieslandCampina, die mogelijk wordt gemaakt middels dit bestemmingsplan, dan niet in de weg.
4.5
Luchtkwaliteit
Vanaf 15 november 2007 is de wetgeving op het gebied van luchtkwaliteit gewijzigd. Deze wetswijziging is sindsdien opgenomen in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen). Deze wijziging wordt ook wel kortweg de Wet Luchtkwaliteit 2007 genoemd. In artikel 5.16 van de gewijzigde Wet milieubeheer is vastgelegd onder welke voorwaarden bestuursorganen de bevoegdheden uit lid 2 mogen uitoefenen. Als aan één van de volgende voorwaarden is voldaan, vormen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde (grenswaarde zoals vastgelegd in titel 5.2 en bijlage 2 Wet milieubeheer); een project leidt - al dan niet per saldo - niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt "niet in betekenende mate" bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, wat inhoudt dat door het project de luchtkwaliteit met minder dan 1% verslechtert; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. In de Regeling NIBM (niet in betekende mate bijdragen) is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekende mate bijdragen aan de
35
bestemmingsplan Bestemmingsplan Balkbrug, bedrijventerrein Katingerveld, herziening Coevorderweg 34 (ontwerp)
luchtverontreiniging. Dit betekent dat ontwikkelingen op dit gebied zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling voorziet op dit moment alleen in een aanpassing van de (interne) rijroute op het terrein van FrieslandCampina. Deze uitbreiding zal niet zorgen voor extra uitstoot naar de lucht omdat het aantal verkeersbewegingen niet wijzigt door de voorgenomen ontwikkeling. Dit betekent dat de uitbreiding niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging omdat er geen sprake is van een substantiële toename van het aantal verkeersbewegingen of toename van relevante emissies vanuit de uitbreiding van het bedrijventerrein. De luchtkwaliteitsaspecten vormen daarmee geen belemmering voor het project.
4.6
Verkeer
Vanuit verkeerskundig oogpunt is sprake van een positieve ontwikkeling. Door de voorgenomen ontwikkeling kunnen de drie directe ontsluitingen op de drukke N377 worden opgeheven en kan al het verkeer van FrieslandCampina via een (bestaande) ontsluiting het bedrijventerrein Kateringerveld verlaten. De gemeente heeft aangegeven dat de interne ontsluitingsweg op Katingerveld is berekend op de hoeveelheid verkeer die er gebruik van zal gaan maken. De ontwikkeling heeft geen verkeersaantrekkende werking, het totaal aantal verkeersbewegingen van en naar FrieslandCampina verandert niet ten opzichte van de huidige situatie.
4.7
Externe veiligheid
Bij Externe Veiligheid gaat het om de risico's voor de directe omgeving in het geval dat er iets mis gaat tijdens de productie, het behandelen of het vervoer van gevaarlijke stoffen. De verbonden risico's moeten binnen de perken blijven. Hiervoor worden twee soorten risico's gehanteerd: Het plaatsgebonden risico (PR) is vooral gericht op de te realiseren basisveiligheid voor burgers; Het groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is vastgelegd dat voor iedere toename in het groepsrisico een verantwoordingsplicht geldt, ongeacht of er door de wijziging een norm wordt overschreden. Voor het plaatsgebonden risico PR zijn risicocontouren (10-6) vastgesteld waarbinnen kwetsbare of beperkt kwetsbare bebouwing niet is toegestaan. Deze contouren liggen: rond inrichtingen waarin opslag/verwerking van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Gevaarlijke stoffen die worden vervoerd over de weg, het spoor, het water of per buisleiding leiden tot knelpunten voor het plaatsgebonden risico indien er langs de transportassen een 10-6 contour ligt.
36
bestemmingsplan Bestemmingsplan Balkbrug, bedrijventerrein Katingerveld, herziening Coevorderweg 34 (ontwerp)
Figuur 11 Kwetsbare objecten (groene icoontjes), risicovolle inrichtingen (rode icoontjes) met risicocontouren (zwarte gestreepte lijnen) en buisleidingen (rood gestreepte lijnen) in de omgeving van Coevorderweg 34 (blauwe punt).
Analyse De risicokaart toont dat de te slopen woning niet binnen de risicocontouren van risicovolle inrichtingen ligt. Het terrein van FrieslandCampina, waar de woning aan grenst, wordt gezien als een risicovolle inrichting, maar de risicocontour valt samen met de grens van de inrichting (van het FrieslandCampina terrein). Verder zijn er geen risicovolle transportleidingen in de directe nabijheid van het plangebied. De kwetsbare objecten die in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn, liggen niet direct grenzend aan het plangebied. Omdat de FrieslandCampina fabriek tevens geen risicocontour kent, zal de functieverandering geen negatieve effecten hebben op de kwetsbare objecten. Conclusie De functieverandering zal geen negatieve effecten hebben op kwetsbare objecten in de omgeving. Daarnaast is er geen risico voor de externe veiligheid, omdat er op of rondom het plangebied geen gevaarlijke inrichtingen of transportroutes aanwezig zijn. Externe veiligheid vormt daarmee geen belemmering om het voornemen planologisch mogelijk te maken.
37
bestemmingsplan Bestemmingsplan Balkbrug, bedrijventerrein Katingerveld, herziening Coevorderweg 34 (ontwerp)
4.8
Milieuzonering
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Om te komen tot een verantwoorde, ruimtelijk relevante toetsing in milieuhygiënisch opzicht van bedrijfsvestigingen, wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde milieuzonering. Hieronder wordt verstaan het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige functies als wonen en recreëren. Daarnaast is de milieuwetgeving van toepassing. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten. Hierin wordt per bedrijfssoort aangegeven welke milieu-invloed (in de vorm van geur, stof, geluid en gevaar) hiervan kan uitgaan en welke afstand hierbij (minimaal) in acht genomen moet worden. Hierbij onderscheidt de VNG diverse omgevingstypen. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied voor bepaalde hinder afhankelijk is van het omgevingstype. De door de VNG aangegeven afstanden hebben betrekking op een rustige woonwijk. De mate van milieuhinder bepaalt in welke van de zes milieucategorieën een bedrijfssoort is ingedeeld. Daarbij omvat categorie 1 de lichtste en categorie 6 de zwaarste vormen van bedrijvigheid.
In principe is bedrijvigheid behorende tot de categorie 1 goed te mengen met de functie wonen, dit geldt in de meeste gevallen ook voor de categorie 2-bedrijven. Het is wenselijk om de bedrijvigheid in de categorie 3 te clusteren en een zonering in acht te nemen. Vanaf categorie 4 is menging met milieugevoelige functies niet mogelijk. Analyse FrieslandCampina is voornemens om het plangebied de bestemming bedrijventerrein met functieaanduiding specifieke vorm van bedrijf – zuivelfabriek te geven, zoals op dit moment ook opgenomen voor de kaasproductielocatie (zie hieronder in de tabel de richtafstanden). Het plangebied krijgt een milieucategorie van 4.2 'melkprodukten fabrieken' (>= 55.000 t/j), bij de aanduiding specifieke vorm van bedrijf - zuivelfabriek. Voor deze milieucategorie dient een richtafstand van 300 meter in een rustige woonwijk en 100 meter in gemengd gebied gehanteerd te worden vanuit geluidshinder. Voor geluidshinder is er echter voor het bedrijventerrein Katingerveld, waarop Friesland Campina is gelegen, een geluidszonering-industrie opgenomen. Dit betekent dat voor de bestaande geluidsgevoelige objecten binnen de geluidszone een hogere waarde is vastgesteld. Met de geplande ontwikkeling veranderd de geluidsbelasting niet en blijft de huidige geluidszone ongewijzigd.
De maatgevende contour wordt dan de richtafstand voor geur, waarvoor een afstand geldt van 100 meter in een rustige woonwijk en in een gemengd gebied 50 meter. Rondom het plangebied is sprake van een gemengd gebied. De richtafstand dient gemeten te worden vanaf de grens van de bestemming die een milieubelastende functie toelaat tot de uiterste situering van de gevel van het gevoelige object, die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. De dichtstbij gelegen woning (Coevorderweg 24) ligt op circa 40 meter van het plangebied. Dit ligt binnen de richtafstand voor geur.
Echter wordt met de voorgenomen ontwikkeling een ontsluitingsweg en mogelijk gemaakt. Er vindt geen verdere uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten van FrieslandCampina plaats. Dit is geborgd door geen bouwvlak op te nemen in voorliggend plan. De voorgenomen ontwikkeling veroorzaakt geen extra geurhinder ten opzichte van de huidige situatie. De afstand tussen de fabriek van FrieslandCampina en de woningen blijft ongewijzigd en bedraagt meer dan 50 meter.
38
bestemmingsplan Bestemmingsplan Balkbrug, bedrijventerrein Katingerveld, herziening Coevorderweg 34 (ontwerp)
Conclusie Met de voorgenomen activiteit blijven de bedrijfs- en productieactiviteiten ongewijzigd en blijft de afstand tussen de fabriek van FrieslandCampina en de woning gelijk. Dat er geen uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten kan plaatsvinden binnen het plangebied, wordt gebord middels voorliggend bestemmingsplan. Hiermee wordt voldaan aan de reeds geldende maatgevende richtafstanden voor geur. Met betrekking tot geluid heeft het weghalen van de woning een positief effect voor FrieslandCampina, omdat een geluidsbelemmering wordt opgegeven. Door de sloop van de woning wordt de aanwezige beperking van de geluidsruimte voor de lange termijn opgelost.
39
bestemmingsplan Bestemmingsplan Balkbrug, bedrijventerrein Katingerveld, herziening Coevorderweg 34 (ontwerp)
Hoofdstuk 5
Wijze van bestemmen
5.1
Algemeen
5.1.1
Wat is een bestemmingsplan?
Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder et cetera) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft uit te oefenen. Dit houdt in dat: a. de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en b. de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (het overgangsrecht is hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van ‘werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden’ (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden). Een bestemmingsplan regelt derhalve: a. het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen); en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: b. het bebouwen van de gronden; c. het verrichten van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden. Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument.
Andere ruimtelijke wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Monumentenwet 1988, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet Milieubeheer en de bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van het ruimtelijke beleid. 5.1.2
Over bestemming, dubbelbestemmen en aanduiden
Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in het bijhorende regel worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: a. Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één ‘enkel’ bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In de regel van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen. b. Via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding dat betrekking heeft op een vlak op die kaart. Via een aanduiding wordt in de regels ‘iets’ geregeld. Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben.
40
bestemmingsplan Bestemmingsplan Balkbrug, bedrijventerrein Katingerveld, herziening Coevorderweg 34 (ontwerp)
5.1.3
Hoofdstukopbouwvan de regels
De regels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1. Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). 2. Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsbepalingen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsbepalingen ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden.
Alleen zo is een volledig beeld te verkrijgen van hetgeen is geregeld. 3. Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn bepalingen opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een antidubbeltelbepaling, algemene bouwregels (zo worden de bouwwerken die afwijken van de regeling in het bestemmingsplan ‘positief’ bestemd), algemene gebruiksregels, algemene afwijkings- en wijzigingsregels en algemene procedureregels (deze laatste bepaling hangt samen met de afwijkingsregels en nadere eisen in het bestemmingsplan). 4. Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.
5.2
Dit bestemmingsplan
Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. 5.2.1
Bijzonderheden in dit bestemmingsplan
Voor voorliggend bestemmingsplan zijn voor de regels en de opbouw het geldend bestemmingsplan ‘Balkbrug, bedrijventerrein Katingerveld’ (vastgesteld op 5 juli 2011) gebruikt als basis. Hierbij zijn de regels voor voorliggend bestemmingsplan toegespitst op de regels die gelden voor de bestemming 'Bedrijventerrein' en die specifiek gelden voor de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - zuivelfabriek', die ook gelden in de huidige situatie voor FrieslandCampina. Het uitgangspunt is dat dezelfde regels gaan gelden voor de uitbreiding van het FrieslandCampina terrein aan de Coevorderweg 34. Voorliggend bestemmingsplan kent de volgende bestemming: Bedrijventerrein. Het kent geen dubbelbestemmingen. Bedrijventerrein Binnen de bestemming 'Bedrijventerrein' zijn voor deze locatie bedrijven in maximaal milieucategorie 2
41
bestemmingsplan Bestemmingsplan Balkbrug, bedrijventerrein Katingerveld, herziening Coevorderweg 34 (ontwerp)
toegestaan alsmede een zuivelfabriek. In de regels wordt het bouwen van gebouwen niet mogelijk gemaakt. Er wordt ook geen bouwvlak opgenomen in de verbeelding. In de regels wordt het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde, mogelijk gemaakt met maximale bouwhoogtes. Daarnaast is in de regels een minimale afstand tot de bouwperceelsgrens voor erf- terreinafscheidingen opgenomen. Dit sluit aan op de gestelde regels uit het bestemmingsplan ‘Balkbrug, bedrijventerrein Katingerveld’ (vastgesteld op 5 juli 2011). Via de gebruiksafwijking is het mogelijk om bedrijven toe te staan die niet in de staat van bedrijfsactiviteiten voorkomt. Een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen om bedrijven uit een hogere categorie toe te staan. Aan beide bevoegdheden zijn aanvullende voorwaarden verbonden.
42
bestemmingsplan Bestemmingsplan Balkbrug, bedrijventerrein Katingerveld, herziening Coevorderweg 34 (ontwerp)
Hoofdstuk 6
6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Op grond van artikel 3.1.6 onder 1 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in het kader van de planologische planprocedure de economische uitvoerbaarheid van het plan te worden onderzocht. FrieslandCampina heeft de benodigde grond (de woning) voor de uitbreiding van een particulier aangekocht. Er is bij dit plan geen sprake van een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Er hoeft daarom geen anterieure overeenkomst te worden afgesloten. Er wordt tussen de gemeente Hardenberg en FrieslandCampina wel een planschade overeenkomst afgesloten. FrieslandCampina is eigenaar van de grond waarop de voorgenomen ontwikkeling plaats gaat vinden. Daarbij is er sprake van een uitbreiding van een bestaande inrichting, waarvan de aanlegkosten door FrieslandCampina worden gedragen. Tevens neemt FrieslandCampina de kosten op zich voor het opstellen van het bestemmingsplan, de bijbehorende onderzoeken en planschade voor rekening van de initiatiefnemer. De provincie Overijssel betaalt mee via een subsidiering van de nieuwe ontsluitingsweg voor het bedrijventerrein Katingerveld. Het kostenverhaal is hiermee anderszins verzekerd. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid van voorliggend plan voldoende aangetoond.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Pas daarna wordt de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan opgestart (artikel 3.8 Wro). Gronden binnen het plangebied zijn in eigendom van FrieslandCampina zodat de uitvoering van het plan feitelijk gerealiseerd kan worden. FrieslandCampina heeft een principeverzoek ingediend, waarop de gemeente Hardenberg heeft aangegeven medewerking te willen verlenen. Omdat de voorgenomen ontwikkeling voort komt uit de aanpassingen aan de N377 hebben de Gemeente en de Provincie aangegeven achter de voorgenomen ontwikkeling te staan. Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat een bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een ruimtelijk plan, daarbij overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van Rijk en provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Hiervoor zal het concept ontwerpbestemmingsplan aan de gebruikelijke overlegpartners van de gemeente verzonden worden.
PM Vaststellingsprocedure Nadat alle vooroverlegreacties bekend zijn, wordt een ontwerp bestemmingsplan opgesteld. Dit ontwerp bestemmingsplan is ter inzage gelegd. Het ontwerpbestemmingsplan is op @@@ gepubliceerd in het Gemeenteblad van de gemeente Hardenberg in de Staatscourant. In de periode @@ tot en met @@ heeft het ontwerp bestemmingsplan ter voldoening aan artikel 3.8. van de Wet op de ruimtelijke ordening voor een ieder ter inzage gelegen. Daarnaast is het ontwerp digitaal raadpleegbaar geweest via www.ruimtelijkeplannen.nl.
43
bestemmingsplan Bestemmingsplan Balkbrug, bedrijventerrein Katingerveld, herziening Coevorderweg 34 (ontwerp)
Beroep Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kan tegen het vaststellingsbesluit beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.
44
bestemmingsplan Bestemmingsplan Balkbrug, bedrijventerrein Katingerveld, herziening Coevorderweg 34 (ontwerp)
Bijlage bij toelichting
45
bestemmingsplan Bestemmingsplan Balkbrug, bedrijventerrein Katingerveld, herziening Coevorderweg 34 (ontwerp)
Bijlage 1 Rijroute FrieslandCampina huidige situatie
46
bestemmingsplan Bestemmingsplan Balkbrug, bedrijventerrein Katingerveld, herziening Coevorderweg 34 (ontwerp)
Bijlage 2 Ontwerp rijroute FrieslandCampina
48
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
2
2
2
1
1 2
2
rmt 2
rmt 1
1
1
2
mot 2
mot 1
watergeb.
chauff. rmo
prefab trafogebouw
berging bestemd voor silo's
chauff. rmo pompput
wei verwerking
zoutzuur
60
chloor/calcium
5.95
strempsel koel/ opslag diepvriesruimte
6.05
tunnel
1.5%
60
60
chemicaliënopslag
voorspoel 15.000L
60
CO2 Loog
15.000L
lab
c.i.p. lokaal zuur 15.000L
60
cip lokaal
60
pompput P=0.00
sluis cip lokaal
6.05
voorfabriek 1150+P
5.95
centrifugelokaal
lab.
Bridgeprojectbureau
bedieningsruimte
chem.lab. regelkamer
60
kantoor
centrifugelokaal directiekamer spreekr. archief
G. lift
Legenda
kantoor vide weiroomlokaal
hal
hal
machinekamer
centrifugelokaal
kant.
Nieuw
gang
Belijning sportveld Hekwerk 1.8M Hoog
perslokaal
entree schoorsteen
opslag kisten
Perceelsgrens
kant.TD
Opsluitband 100x200 mm
Beplanting soort 01
werkplaats indamplokaal
ketelhuis
Gras 01 Betonplaat blokverband pekellokaal
7.05
BSS keiformaat halfsteensverband
zoutsilo
nooduitgang
trafo
laadhuis 1.5%
6.90
6.83
opslag keuringskaas
overloop
waslokaal
weitanks
6.92
6.92
7.00
1.5%
verpakking
1.5%
koelcel 1
6.86
behandelruimte
6.90
P-2
0.5%
6.86
0.5%
6.88
kaaspakhuis
kaasafgifte
pallettiseerruimte
5.95
vluchtweg
6.05
koelcel
Bestaande bestrating
broeicel 1
6.93
6.93
6.90
6.35
sluis
beton 6.85
7.00
kantoor TD
6.83
kasten
1.5%
6.85
7.05
7.00
7.00
1.5%
Bestaan
6.96
Straatkolk 300x300 mm
1.5%
7.00
7.12
7.00
Tegel 600x600 mm blokverband
roldeur
roldeur
1.5%
5.95
H-steen roldeur
7.00
6.05
dienstingang
7.50
1.5%
Opsluitband 120x250 mm
gang
administratie
damestrappenhuis kleedr.
rating
kantoor
wk
de best
zuursellok.
1.5%
60
gasflessen
Zuur
lab.
7.00
loog
bestemmingsplan Bestemmingsplan Balkbrug, bedrijventerrein Katingerveld, herziening Coevorderweg 34 (ontwerp)
Bijlage 3 Soortgericht onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming
50
Nader onderzoek soorten, Coevorderweg 34 te Balkbrug Soortgericht onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming 28 oktober 2021
Kenmerk
R006-1279059DEU-V01-srb-NL
Verantwoording Titel
Nader onderzoek soorten, Coevorderweg 34 te Balkbrug
Opdrachtgever
FrieslandCampina Nederland B.V., locatie te Balkbrug
Projectleider
Sietse-Jelle Bijkerk
Auteur(s)
Dirk Eeuwes
Tweede lezer
Adrie van Hooff
Projectnummer
1279059
Aantal pagina’s
13
Datum
28 oktober 2021
Handtekening
Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.
Colofon TAUW bv Handelskade 37 Postbus 133 7400 AC Deventer T +31 57 06 99 91 1 E info.deventer@tauw.com
2/13
Kenmerk
R006-1279059DEU-V01-srb-NL
Inhoud 1
Inleiding ..................................................................................................................................... 4
2
Methode..................................................................................................................................... 5
3
2.1
Kleine marterachtigen ........................................................................................................ 5
2.2
Vleermuizen ....................................................................................................................... 6
2.3
Huismus ............................................................................................................................. 6
Resultaten en effectbepaling ..................................................................................................... 7 3.1
Steenmarter ....................................................................................................................... 7
3.2
Vleermuizen ....................................................................................................................... 9
3.2.1
Verblijfplaatsen en foerageergebied ........................................................................... 9
3.2.2
Vliegroutes ................................................................................................................ 10
3.2.3
Effectbepaling vleermuizen ....................................................................................... 11
3.3 4
5
Huismus ........................................................................................................................... 11
Conclusie ................................................................................................................................. 12 4.1
Conclusie ......................................................................................................................... 12
4.2
Ontheffing ......................................................................................................................... 12
Literatuur ................................................................................................................................. 13
3/13
Kenmerk
R006-1279059DEU-V01-srb-NL
1 Inleiding FrieslandCampina is van plan de boerderij aan Coevorderweg 34 te Balkbrug aan te kopen, de boerderij en bijbehorende schuren te amoveren, het groen te verwijderen en de locatie te herontwikkelen. TAUW heeft deze plannen getoetst aan de Wet natuurbescherming (TAUW, 2021). Hieruit bleek dat negatieve effecten door het plan op verblijfplaatsen van steenmarter, gebouwbewonende vleermuizen en huismus niet uitgesloten kunnen worden. Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen kunnen wel uitgesloten worden. In het plangebied zijn mogelijk verblijfplaatsen aanwezig van steenmarter, bunzing, hermelijn, wezel (kleine marterachtigen) en egel. De te amoveren gebouwdelen 1, 2, 3 en 5 bieden mogelijkheden voor verblijfplaatsen aan huismusnesten. De gebouwdelen 1, 2 en 3 bieden mogelijkheden voor verblijfplaatsen aan vleermuissoorten gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, meervleermuis, watervleermuis, baardvleermuis, franjestaart en tweekleurige vleermuis. TAUW heeft in 2021 soortgericht onderzoek uitgevoerd om de functie van het plangebied voor deze soorten te bepalen. Dit rapport doet verslag van dit nader onderzoek.
Figuur 1.1 Gebouwdelen plangebied
4/13
Kenmerk
R006-1279059DEU-V01-srb-NL
2 Methode 2.1
Kleine marterachtigen
Voor het onderzoek naar kleine marterachtigen (steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel) en egel zijn we uitgegaan van de ‘handreiking kleine marterachtigen’ van provincie Noord-Brabant en de Zoogdiervereniging en de ‘Brochure soortenbescherming in Overijssel’ van Provincie Overijssel. Voor het onderzoek heeft TAUW 6 cameravallen geplaatst in het plangebied voor een periode van 6 weken van 18 mei tot en met 2 juli (zie figuur 2.1). Halverwege deze periode zijn de opslagkaartjes geleegd en batterijen vervangen. Voorafgaand aan het plaatsen van de camera’s zijn de panden zowel in- als uitpandig uitgebreid gecontroleerd op de aanwezigheid van mogelijke toegangen en sporen van kleine marterachtigen en egel (uitwerpselen, krabsporen, prooiresten et cetera). Aan de hand hiervan (geen sporen binnen en buiten aangetroffen) is bepaald om alle camera’s buiten te plaatsen en voer te gebruiken om kleine marterachtigen en egels die in de omgeving van de camera’s foerageren richting de camera’s te lokken. De ervaring leert dat kleine marterachtigen en egels zich snel laten verleiden om op voer af te komen en daardoor op de camera vastgelegd worden.
Door de langdurige inzet van 6 cameravallen met voer (waardoor kleine marterachtigen en egels naar de camera’s gelokt worden), kan bepaald worden of en hoe intensief het plangebied gebruikt wordt door steenmarter, bunzing, hermelijn, wezel en egel.
Figuur 2.1 Geplaatste cameravallen
5/13
Kenmerk
2.2
R006-1279059DEU-V01-srb-NL
Vleermuizen
Het vleermuizenonderzoek is uitgevoerd conform het Vleermuizenprotocol 2021 van het Netwerk Groene Bureaus (NGB, 2021). Dit is gedaan met behulp van een batdetector (type: Petterson D240X). Een batdetector is een apparaat dat ultrasone geluiden, die een vleermuis maakt, omzet in voor de mens hoorbare tikkende geluiden. Aan de hand van het ritme en de frequentie kan worden bepaald om welke vleermuissoort het gaat. Voor het determineren van soorten wordt daarnaast gebruik gemaakt van opnameapparatuur en het programma Batsounds. Om verblijfplaatsen in kaart te brengen hebben 2 ervaren ecologen door het plangebied gelopen en gepost. Bij het rondlopen is gekeken naar vleermuisactiviteit en vleermuisgedrag tijdens deze activiteit. In totaal zijn 5 veldbezoeken uitgevoerd in de periode mei tot en met september (zie tabel 2.1). Meerdere bezoeken zijn nodig, omdat vleermuizen gebruik maken van een netwerk van verblijfplaatsen met bijbehorende foerageergebieden en vliegroutes tussen deze plekken. Door de bezoeken te spreiden wordt een beter beeld verkregen van de aanwezigheid van vleermuizen in het plangebied en hiermee van de betekenis van het plangebied voor vleermuizen. Het veldwerk is sterk weersafhankelijk en is alleen bij gunstige weersomstandigheden uitgevoerd. Dit houdt voor vleermuizen in dat er geen of weinig neerslag is en niet te veel wind.
2.3
Huismus
De inventarisatie van huismussen richt zich op het waarnemen van een volwassen individu of paar in broedbiotoop, nesten, zang van een mannetje en op gedrag dat een territorium of nest indiceert zoals o.a. transport nestmateriaal. Het ecologisch onderzoek is uitgevoerd conform de voorgeschreven onderzoeksinspanning als benoemd in het soortinventarisatieprotocol huismus (NGB, 2017). Hiervoor zijn 4 inventarisatiemomenten uitgevoerd in de periode 1 april tot en met 20 juni (zie tabel 2.1) door 1 ervaren ecoloog. Door de bezoeken te spreiden wordt een beter beeld verkregen van de aanwezigheid van huismus in het plangebied en de betekenis van het plangebied voor huismus. Het onderzoek heeft overdag plaatsgevonden tussen 2 uur na zonsopkomst en 2 uur voor zonsondergang, bij de juiste weersomstandigheden (droog, weinig wind). Ook andere functies van het leefgebied (onder andere voedselgebied en schuilmogelijkheden) zijn meegenomen.
6/13
Kenmerk
R006-1279059DEU-V01-srb-NL
Tabel 2.1 Veldbezoeken voor de nader onderzoeken Datum en tijd bezoek
Soort
Weersomstandigheden
15 mei 2019,
Vleermuizen
Helder, droog, windstil, circa 12 graden Celsius
Huismus
Halfbewolkt, droog, windkracht 2, circa 3 graden Celsius
Vleermuizen
Onbewolkt, droog, windkracht 2, circa 11 graden Celsius
Huismus
Bewolkt, droog, windkracht 2, circa 8 graden Celsius
Vleermuizen
Onbewolkt, droog, windkracht 2, circa 14 graden Celsius
Huismus
Onbewolkt, droog, windkracht 2, circa 13 graden Celsius
Huismus
Onbewolkt, droog, windkracht 1, circa 12 graden Celsius
Vleermuizen
Onbewolkt, droog, windkracht 2, circa 16 graden Celsius
Vleermuizen
Bewolkt, droog, windkracht 3, circa 16 graden Celsius
Vleermuizen
Onbewolkt, droog, windkracht 2, circa 22 graden Celsius
21.20 - 23.50 8 mei 2021 06:55 – 08:55 18 mei 2021 21:30 – 00:00 19 mei 2021 06:25 – 08:25 2 juni 2021 02:15 – 05:15 2 juni 2021 05:30 – 07:15 14 juni 2021 05:30 – 07:30 24 juni 2021 22:00 – 00:30 18 augustus 2021 20:55 – 02:00 8 september 2021 20:05 – 02:05
3 Resultaten en effectbepaling 3.1
Steenmarter
Gedurende de 6 weken dat de cameravallen ter plaatst stonden opgesteld is steenmarter maar 3 keer vastgelegd (figuur 3.1). Indien steenmarters verblijfplaatsen hebben in het plangebied, dan zouden veel waarnemingen van de soort op de camera’s zichtbaar moeten zijn. Dit is niet het geval. Ook zijn er geen verse sporen (uitwerpselen, krabsporen, prooiresten) aangetroffen tijdens de veldbezoeken. Hieruit concluderen wij dat er geen verblijfplaatsen aanwezig zijn in de gebouwen in het plangebied en hieromheen. Het plangebied betreft ook geen essentieel leefgebied voor steenmarters. Het amoveren van de gebouwen en het herinrichten van het terrein heeft daarom geen negatief effect op steenmarters.
7/13
Kenmerk
R006-1279059DEU-V01-srb-NL
Figuur 3.1 Steenmarter op de meest oostelijke cameraval (1 van de 3 waarnemingen)
Bunzing, hermelijn en wezel zijn niet op de cameravalbeelden aanwezig. Hierdoor is uit te sluiten dat deze soorten in het plangebied voorkomen. Er zijn daarom ook geen beschermde functies aanwezig in het plangebied. Negatieve effecten op bunzing, hermelijn en wezel door het voornemen zijn er daarom niet. Egel is 52 keer vastgelegd door de cameravallen. Ook tijdens de veldbezoeken voor vleermuizen zijn egels in het plangebied waargenomen (figuur 3.2). Het plangebied wordt minimaal gebruikt voor 2 adulte en 3 juveniele egels. Deze foerageren in de delen van het plangebied met groen zoals de tuin aan de zuidoostzijde en het groen aan de noordkant van het terrein. De frequentie waarmee egels zijn vastgelegd geeft een sterke indicatie dat egels verblijfplaatsen hebben in of in de directe omgeving van het plangebied. In het kader van artikel 3.10 Wnb dienen het leefgebied, verblijfplaatsen en foerageergebied voor egels niet te worden aangetast bij het voornemen. Voor het aantasten van het groen in het plangebied dient een ontheffing te worden aangevraagd bij het bevoegd gezag (Provincie Overijssel). Ontheffing wordt alleen verleend als voldoende mitigerende maatregelen worden genomen om effecten op de staat van instandhouding te voorkomen.
8/13
Kenmerk
R006-1279059DEU-V01-srb-NL
Figuur 3.2 Drie egels in het plangebied
3.2
Vleermuizen
3.2.1 Verblijfplaatsen en foerageergebied Er zijn 2 zomerverblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen tijdens het 1e bezoek. Eén zomerverblijfplaats van een laatvlieger en 1 van een gewone dwergvleermuis. De zomerverblijfplaats van de laatvlieger bevindt zich in een gat onder de dakgoot in gebouw 1 naast de hoek met gebouw 2. Hier is 1 individu invliegend waargenomen. De zomerverblijfplaats van een gewone dwergvleermuis bevindt zich achter losse planken in gebouw 3 (figuur 3.3). Hier is ook 1 individu invliegend waargenomen. Tijdens de bezoeken op 18 mei en 24 juni foerageerde 1 gewone dwergvleermuis in de zuidoostelijke tuin naast de verblijfplaats. De tuin werd enkel door 1 gewone dwergvleermuis tegelijkertijd gebruikt en is vrij klein. In de directe omgeving zijn ook erg veel alternatieve foerageergebieden aanwezig zoals de visvijver ten zuidoosten van de Coevorderweg. Daarom is de tuin geen essentieel foerageergebied voor gewone dwergvleermuizen.
9/13
Kenmerk
R006-1279059DEU-V01-srb-NL
Tijdens de 5 bezoeken zijn geen kraam, paar- en winterverblijfplaatsen van vleermuizen waargenomen.
Figuur 3.3 Functies van het plangebied voor vleermuizen
3.2.2
Vliegroutes
Er zijn 2 vliegroutes in het plangebied waargenomen. Eén aan de oostkant van het plangebied. Hier gebruiken gewone dwergvleermuizen de bomen en de gevel van de boerderij voor navigatie. De vliegroute werd gebruikt door circa 5 gewone dwergvleermuizen en 1 watervleermuis tijdens het 1e bezoek. Deze vlogen allemaal in zuidelijk richting. Tijdens de overige 4 bezoeken zijn er geen vleermuizen waargenomen die gebruik maakten van de vliegroute. De andere vliegroute bevindt zich aan de westkant van het plangebied. Daar gebruiken laatvliegers de bomen en westgevels van de boerderij voor navigatie. Deze vliegroute werd gebruikt door 3 tot 7 laatvliegers. Ter plaatse van deze vliegroute zijn ook 1 maal 1 watervleermuis en 1 ruige dwergvleermuis langsvliegend waargenomen. Vleermuizen maakten enkel gebruik van deze vliegroute tijdens het 1e en 2e bezoek. Alle individuen vlogen in noordelijke richting langs de vliegroute. Tijdens de overige 3 bezoeken zijn er geen vleermuizen waargenomen die gebruik maakten van de vliegroute.
10/13
Kenmerk
R006-1279059DEU-V01-srb-NL
Beide vliegroutes zijn geen onderdeel van lange lijnvormige elementen in het landschap en worden maar beperkt gebruikt. In de omgeving zijn veel alternatieve lijnvormige elementen aanwezig zoals bomenrijen en gebouwgevels die vleermuizen kunnen gebruiken als vliegroute. De vliegroutes betreffen daarom niet essentiële vliegroutes. Verder zijn er tijdens de bezoeken ook hoog overvliegende rosse vleermuizen waargenomen. Deze toonden geen sterke binding met het plangebied. 3.2.3 Effectbepaling vleermuizen Door de sloop van de gebouwen verdwijnen 2 zomerverblijfplaatsen. Dit is een overtreding van de Wnb, artikel 3.5, lid 4. Bij de sloop kunnen vleermuizen daarnaast verstoord of gedood worden. Dit is een overtreding van de Wnb, artikel 3.5, lid 1 en 2. Voor uitvoering van de herontwikkeling dient daarom een ontheffing te worden aangevraagd bij het bevoegd gezag (Provincie Overijssel). In vrijwel alle gevallen zijn er mitigerende maatregelen nodig.
3.3
Huismus
Er zijn geen huismussen aangetroffen bij de onderzoeken. Er zijn daarom ook geen verblijfplaatsen aanwezig in het plangebied. Negatieve effecten op huismussen door het voornemen zijn er daarom niet.
11/13
Kenmerk
R006-1279059DEU-V01-srb-NL
4 Conclusie FrieslandCampina is van plan om de locatie aan te kopen en te herontwikkelen. TAUW heeft een quickscan uitgevoerd (TAUW, 2021), gevolgd door nader onderzoek naar verblijfplaatsen van steenmarter, bunzing, hermelijn, wezel, egel, vleermuizen en huismus.
4.1
Conclusie
Uit de onderzoeken is gebleken dat het voornemen negatieve effecten heeft op egel door het aantasten van leefgebied en vleermuizen door het aantasten van 2 vleermuisverblijfplaatsen (zie figuur 3.3). Er zijn geen negatieve effecten op verblijfplaatsen van steenmarter, bunzing, hermelijn, wezel en huismus. Omdat er in het plangebied leefgebied van egels en verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn die bij het voornemen worden aangetast zijn vervolgstappen noodzakelijk. Het aanvragen van een ontheffing Wnb bij de provincie Overijssel is noodzakelijk. Hiernaast is het ook verboden om vleermuizen te verstoren. Omdat vleermuizen in het plangebied foerageren, verblijfplaatsen hebben en gebruiken voor navigatie, moet hiermee rekening worden gehouden bij het voornemen. Verlichting moet zowel tijdens de werkzaamheden als in de gebruiksfase niet aanstralen naar de omging van het plangebied. Naast maatregelen ten gunste van vleermuizen moet, zoals geconcludeerd in de natuurtoets (TAUW, 2021) ook rekening worden gehouden met algemene broedvogels tijdens de aanlegfase.
4.2
Ontheffing
Het aanvragen van een ontheffing bij de provincie Overijssel is noodzakelijk indien het leefgebied van egel en de verblijfplaatsen van vleermuizen worden aangetast. Voor een ontheffingsaanvraag is het noodzakelijk een activiteitenplan op te stellen. Hierin staat alle informatie over het voornemen, de onderzoeksresultaten en effecten op egel en vleermuizen. Een belangrijk onderdeel zijn de maatregelen die genomen moeten worden om effecten op beschermde soorten te mitigeren (voorkomen) en te compenseren (artikel 3.8, lid 5c). Daarnaast is het van belang het wettelijk belang aan te tonen van het voornemen (artikel 3.8, lid 5b). Ook moet aangetoond worden dat er geen reële alternatieven zijn om hetzelfde te bereiken, die gunstiger uitpakken voor de betreffende soorten (artikel 3.8, lid 5a).
12/13
Kenmerk
R006-1279059DEU-V01-srb-NL
5 Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, 2017. Kennisdocumenten vleermuizen, versie 1.0, juli 2017. Limpens, H., Moster, K. & Bongers, W. 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV uitgeverij, 2e druk 1997. NGB, 2017. Soortinventarisatieprotocollen (versie juli 2017) in het kader van de Wet natuurbescherming. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging (2021) Vleermuisprotocol 2021, januari 2021. www.netwerkgroenebureaus.nl en www.zoogdiervereniging.nl. TAUW, 2021. Natuurtoets Coevorderweg 34 te Balkbrug, d.d. 19 maart 2021, met kenmerk R0021279059DEU-V01-srb-NL. Provincie Noord-Brabant, 2017. Kleine marterachtigen (steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel) en egel, 11 oktober 2017 Provincie Overijssel, 2017. Geconsolideerde Verordening 2017 Provincie Overijssel, 2020. Ontwerp Actualisatie Omgevingsvisie 2019/2020 Geraadpleegde internetwebsites: • www.sovon.nl • www.verspreidingsatlas.nl • www.vleermuis.net •
www.zoogdiervereniging.nl
13/13
bestemmingsplan Bestemmingsplan Balkbrug, bedrijventerrein Katingerveld, herziening Coevorderweg 34 (ontwerp)
Bijlage 4 Activiteitenplan
64
Activiteitenplan sloop en herontwikkeling Coevorderweg 34 te Balkbrug Activiteitenplan voor egel, bunzing, hermelijn, wezel, gewone dwergvleermuis, laatvlieger in het kader van soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming 10 februari 2022
Kenmerk
R008-1279059DEU-V01-mdg-NL
Verantwoording Titel
Activiteitenplan sloop en herontwikkeling Coevorderweg 34 te Balkbrug
Opdrachtgever
FrieslandCampina Cheese & Butter BV, Balkbrug
Projectleider
Sietse-Jelle Bijkerk MSc.
Auteur(s)
Dirk Eeuwes en Roy Laurijsse
Tweede lezer
Berto Dam
Projectnummer
1279059
Aantal pagina’s
38 (exclusief bijlagen)
Datum
10 februari 2022
Handtekening
Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.
Colofon TAUW bv Handelskade 37 Postbus 133 7400 AC Deventer T +31 57 06 99 91 1 E info.deventer@tauw.com
2/38
Kenmerk
R008-1279059DEU-V01-mdg-NL
Inhoud 1
2
3
4
5
Inleiding ..................................................................................................................................... 5 1.1
Algemeen ........................................................................................................................... 5
1.2
Plangebied ......................................................................................................................... 6
1.3
Voorgenomen ontwikkeling ................................................................................................ 8
1.4
Leeswijzer .......................................................................................................................... 9
Samenvatting ecologisch onderzoek ......................................................................................... 9 2.1
Quickscan........................................................................................................................... 9
2.2
Soortgericht onderzoek beschermde soorten .................................................................. 10
2.2.1
Methode .................................................................................................................... 10
2.2.2
Resultaat ................................................................................................................... 11
Effectbeoordeling en verbodsbepalingen ................................................................................ 14 3.1
Effectbeoordeling ............................................................................................................. 14
3.2
Verbodsbepalingen .......................................................................................................... 14
Staat van instandhouding en geschiktheid omgeving ............................................................. 15 4.1
Algemeen ......................................................................................................................... 15
4.2
Staat van instandhouding egel ......................................................................................... 15
4.3
Staat van instandhouding bunzing, hermelijn en wezel ................................................... 17
4.4
Staat van instandhouding gewone dwergvleermuis ......................................................... 18
4.5
Staat van instandhouding laatvlieger ............................................................................... 21
4.6
Omgevingscheck .............................................................................................................. 24
4.6.1
Egel ........................................................................................................................... 24
4.6.2
Bunzing, hermelijn en wezel ..................................................................................... 24
4.6.3
Gewone dwergvleermuis en laatvlieger .................................................................... 24
Maatregelen, tijdelijke mitigatie en compensatie ..................................................................... 25 5.1
Algemeen ......................................................................................................................... 25
5.2
Realiseren van permanent alternatief leefgebied en verblijfplaatsen ............................... 25
5.2.1
Egel ........................................................................................................................... 25
5.2.2
Bunzing, hermelijn en wezel ..................................................................................... 28
5.2.3
Gewone dwergvleermuis en laatvlieger .................................................................... 29
5.3
Uitvoeringsmaatregelen ................................................................................................... 31
3/38
Kenmerk
6
7
R008-1279059DEU-V01-mdg-NL
Wettelijk belang en alternatieven ............................................................................................ 33 6.1
Algemeen ......................................................................................................................... 33
6.2
Wettelijk belang ................................................................................................................ 33
6.3
Overige redenen verwijderen leefgebieden ..................................................................... 36
6.4
Alternatievenafweging ...................................................................................................... 37
6.4.1
Inleiding ..................................................................................................................... 37
6.4.2
Locatie ...................................................................................................................... 37
6.4.3
Werkwijze en planning .............................................................................................. 37
Literatuur ................................................................................................................................. 38
Bijlage 1
Natuurtoets
Bijlage 2
Soortgericht onderzoek
4/38
Kenmerk
R008-1279059DEU-V01-mdg-NL
1 Inleiding FrieslandCampina Balkbrug is van plan om de aangekochte boerderij aan Coevorderweg 34 te Balkbrug en bijbehorende schuren te amoveren, een deel van het aanwezige groen te verwijderen en de locatie te herontwikkelen. TAUW heeft deze plannen in een eerder stadium getoetst (R0021279059DEU-V01-srb-NL d.d. 19 maart 2021) aan de Wet natuurbescherming en tevens aanvullend soortgericht onderzoek (R006-1279059DEU-V02-mfv-NL d.d. 11 november 2021) uitgevoerd om de functie van het plangebied voor de aanwezige soorten te bepalen. Uit het soortgerichte onderzoek is gebleken dat het voornemen negatieve effecten heeft op egel door het aantasten van essentieel leefgebied en vleermuizen door het aantasten van 2 vleermuisverblijfplaatsen. Er zijn geen negatieve effecten op verblijfplaatsen van steenmarter, bunzing, hermelijn, wezel en huismus. Voorliggend activiteitenplan geeft de onderbouwing voor de aanvraag voor een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming die nodig is voor de sloop van de boerderij en bijgebouwen en de kap van bomen en struweel.
1.1
Algemeen
Dit activiteitenplan geeft een onderbouwing voor de aanvraag voor een ontheffing van de Wet natuurbescherming (Wnb) die nodig is voor de sloop van de boerderij en bijgebouwen en de kap van bomen en struweel. Hieruit kwam naar voren dat het project geen invloed heeft op wettelijk beschermde houtopstanden en gebieden. Effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstof zijn niet te verwachten en waren geen onderdeel van het onderzoek. Invloed op onder de Wnb beschermde flora, amfibieën, reptielen, vissen, vlinders, libellen en overige ongewervelden kon worden uitgesloten. Er bleek nader onderzoek nodig naar steenmarter, kleine marterachtigen (bunzing, wezel, hermelijn), egel, vleermuizen en huismus. De aanwezigheid van en effecten op deze soort(groep)en konden niet met zekerheid worden uitgesloten. Tijdens het nader ecologisch onderzoek is het plangebied onderzocht op aanwezigheid van verblijfplaatsen en essentieel leefgebied van steenmarter, kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) en egel. Voor dit onderzoek zijn we uitgegaan van de ‘handreiking kleine marterachtigen’ van provincie Noord-Brabant (Provincie Noord-Brabant, 2017) en de Zoogdiervereniging en de ‘Brochure soortenbescherming in Overijssel’ van Provincie Overijssel (Provincie Overijssel, 2021).
Verder is onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen, essentieel foerageergebied en essentiële vliegroutes voor gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, meervleermuis, watervleermuis, baardvleermuis, franjestaart en tweekleurige vleermuis. Dit onderzoek is uitgevoerd conform het Vleermuizenprotocol 2021 van het Netwerk Groene Bureaus (NGB, 2021). Daarnaast is onderzoek gedaan naar nestplaatsen van huismus. Dit onderzoek is uitgevoerd conform de voorgeschreven onderzoeksinspanning als benoemd in het soortinventarisatieprotocol huismus (NGB, 2017).
5/38
Kenmerk
R008-1279059DEU-V01-mdg-NL
Bij het nader onderzoek zijn de volgende onder de Wnb beschermde functies binnen het plangebied geconstateerd (zie figuur 1.1 en 1.2): • Egel: essentieel leefgebied en mogelijk verblijfplaatsen • Gewone dwergvleermuis: 1 zomerverblijfplaats van 1 gewone dwergvleermuis • Laatvlieger: 1 zomerverblijfplaats van 1 laatvlieger Tijdens de werkzaamheden wordt het essentieel leefgebied van egel en de zomerverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis en laatvlieger vernietigd. Hiervoor wordt de Wnb-ontheffing aangevraagd. Aangezien provincie Overijssel van mening is dat bunzing, hermelijn en wezel ook beschermde functies in het plangebied kunnen hebben, worden deze soorten meegenomen in de ontheffingaanvraag.
1.2
Plangebied
Figuur 1.1 toont de ligging van het plangebied. Het plangebied betreft een perceel aan Coevorderweg 34 te Balkbrug in gemeente Hardenberg, provincie Overijssel. Het perceel ligt aan de noordzijde van de drukke doorlopende Coevorderweg. Tussen de twee rijbanen van de Coevorderweg staat een rij bomen. Aan de oostkant van het perceel bevindt zich het fabrieksterrein van FrieslandCampina Balkbrug. Ten noorden van het perceel bevindt zich een buitenopslag van sierbestrating. Aan de westkant van het perceel bevindt zich een grasveld.
Figuur 1.1 Plangebied (de aangekochte boerderij)
In het plangebied staat een (voormalige) boerderij met bijgebouwen, de boerderij staat al geruime tijd leeg en wordt niet meer gebruikt. Deze zijn omstreeks 1900 (BAG-viewer) gebouwd en later
6/38
Kenmerk
R008-1279059DEU-V01-mdg-NL
gerenoveerd. Gebouwdeel 1 (zie figuur 1.2) betreft de woning. Deze heeft een kelder die geen openingen naar buiten toe heeft. In de spouwmuur van de woning zitten een aantal scheuren van circa 1 centimeter breed en in de nok van het zolderdak zit een tweetal kleine gaten. Onder de dakgoot zitten mogelijk openingen naar de spouw en het dak en vanuit de dakgoot is mogelijk ruimte toegankelijk onder de dakpannen. Gebouwdeel 2 betreft de schuur. Op het zolderdeel zit een spleet van circa 2 centimeter boven een luik. In het zolderdeel van zowel gebouwdeel 1 als 2 bevinden zich houten dwarsbalken. Op het dak mist een stuk van een dakpan, waar mogelijk ruimte toegankelijk is onder de dakpannen. Gebouwdeel 3 betreft een schuur die open is aan de noordzijde en gedeeltelijk open is aan de oostzijde. Ook het dak van gebouwdeel 3 heeft houten dwarsbalken. Gebouwdeel 4 betrof een overkapping met golfplaten. Deze overkapping is inmiddels verwijderd. Gebouwdeel 5 doet dienst als opslagruimte. De buitenmuren bestaan uit damwandplaten en het dak uit golfplaten.
Figuur 1.2 Gebouwdelen plangebied
Het terrein is grotendeels verhard met klinkers. Ten noorden van het verharde deel en ten oosten van gebouwdeel 3 bevinden zich rommelhoekjes. Aan de zuid- en oostkant van gebouwdelen 1 en 2 bevindt zich een tuin met vijver. De lindes in deze tuin hebben grote holtes die naar beneden zijn ingerot. Ook op het noordzijde deel het perceel staan bomen. In één van deze bomen is een merelnest aangetroffen. Verder hangt een groot aantal nestkasten voor vogels verspreid over het terrein.
7/38
Kenmerk
1.3
R008-1279059DEU-V01-mdg-NL
Voorgenomen ontwikkeling
FrieslandCampina Balkbrug is voornemens om de gebouwen (waar asbest inzit) en een deel van het aanwezige groen (bomen en struweel) op het terrein van de boerderij te verwijderen voor een nieuw aan te leggen keerlus als onderdeel van de veiligere ontsluiting (zie figuur 1.3) van het terrein van FrieslandCampina Balkbrug. De keerlus is nodig om de vrachtwagens de ruimte te bieden om te manoeuvreren op het terrein van FrieslandCampina Balkbrug. De beoogde ontsluiting vanuit het FrieslandCampina Balkbrug terrein gaat vervolgens via de Katingerveldweg richting de Provincialeweg N377 (zie figuur 1.4). De roze lijn in figuur 1.4 geeft de nieuw aan te leggen ontsluitingsweg vanuit het terrein van FrieslandCampina Balkbrug weer. Deze komt uit op de groene lijn, een reeds bestaande weg (de Katingerveldweg). De Katingerveldweg sluit vervolgens aan op de N377. Deze aansluiting is beveiligd met verkeerslichten. De nieuwe routering verhoogt de veiligheid en doorstroming op de N377 aanzienlijk. Uit vooronderzoek uitgevoerd door gemeente, Provincie en FrieslandCampina Balkbrug is deze optie het beste alternatief gebleken, aangezien veel van de bestaande infrastuctuur gebruikt kan worden. De gemeente en de provincie zijn erg betrokken bij dit project gezien de belangen die spelen (met name op het gebied van verkeersveiligheid).
Figuur 1.3 Plantekening van beoogde ontwikkeling, in rode kader de aangekochte grond en in blauw de benodigde keerlus
8/38
Kenmerk
R008-1279059DEU-V01-mdg-NL
Figuur 1.4 Plantekening verkeerontsluiting, roze lijn is de nieuw aan te leggen ontsluitingsweg en groen is bestaande infrastructuur
Bestemmingsplan Voor de beoogde ontwikkeling is tevens het bestemmingsplan “FrieslandCampina Balkbrug” aangepast (kenmerk NL.IMRO.0160.0BPpm-0001), waarin ook nader op de onveilige situatie wordt ingegaan. In het bestemmingsplan wordt ook het belang van de beoogde ontwikkeling onderstreept door het feit dat de provincie de nieuwe routering en het sluiten van de in- en uitritten subsidieert. In hoofdstuk 6 wordt nader ingegaan op de belangen die spelen.
1.4
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 is een korte samenvatting van de eerder uitgevoerde ecologische onderzoeken gegeven. In hoofdstuk 3 zijn de effectbeoordeling en de verbodsbepalingen van de Wnb behandeld. In hoofdstuk 4 is de staat van instandhouding en geschiktheid van omgeving beschreven. In hoofdstuk 5 zijn maatregelen voorgesteld om deze effecten zoveel mogelijk te mitigeren en compenseren. Ten slotte is in hoofdstuk 6 de onderbouwing van het wettelijk belang en de alternatievenafweging uitgewerkt.
2 Samenvatting ecologisch onderzoek 2.1
Quickscan
Voor het project is een natuurtoets (R002-1279059DEU-V01-srb-NL d.d. 19 maart 2021) uitgevoerd om te bepalen welke potentiële natuurwaarden in het plangebied aanwezig zijn. Hieruit kwam naar voren dat het project geen invloed heeft op wettelijk beschermde houtopstanden en gebieden. Effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstof waren geen onderdeel van het onderzoek en zijn daardoor niet uitgesloten. Invloed op onder de Wnb beschermde flora, amfibieën, reptielen, vissen, vlinders, libellen en overige ongewervelden kon wel worden uitgesloten. Er bleek echter nader onderzoek nodig naar steenmarter, kleine marterachtigen (bunzing, wezel en hermelijn), egel, vleermuizen en huismus.
9/38
Kenmerk
2.2
R008-1279059DEU-V01-mdg-NL
Soortgericht onderzoek beschermde soorten
2.2.1 Methode Tijdens het nader ecologisch onderzoek (R006-1279059DEU-V02-mfv-NL d.d. 11 november 2021) is het plangebied onderzocht op aanwezigheid van verblijfplaatsen en essentieel leefgebied van steenmarter, kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) en egel. Voor dit onderzoek zijn we uitgegaan van de ‘handreiking kleine marterachtigen’ van provincie Noord-Brabant en de Zoogdiervereniging en de ‘Brochure soortenbescherming in Overijssel’ van Provincie Overijssel. Verder is onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen, essentieel foerageergebied en essentiële vliegroutes voor gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, meervleermuis, watervleermuis, baardvleermuis, franjestaart en tweekleurige vleermuis. Dit onderzoek is uitgevoerd conform het Vleermuizenprotocol 2021 van het Netwerk Groene Bureaus (NGB, 2021). Daarnaast is onderzoek gedaan naar nestplaatsen van huismus. Dit onderzoek is uitgevoerd conform de voorgeschreven onderzoeksinspanning als benoemd in het soortinventarisatieprotocol huismus (NGB, 2017). Om verblijfplaatsen van de vleermuizen in kaart te brengen hebben 2 ervaren ecologen door het plangebied gelopen en gepost. Bij het rondlopen is gekeken naar vleermuisactiviteit en vleermuisgedrag tijdens deze activiteit.