Regels en toelichting bestemmingsplan 'Slagharen, herontwikkeling Herenstraat 45-47'
Tekst van het document
Bij het verkennend bodemonderzoek worden de volgende uitgangspunten in acht genomen: - in door mensen bewoonde gebieden kunnen door jarenlang gebruik van de grond verhoogde gehalten aan PAK en/of zware metalen voorkomen. Deze worden over het algemeen aangeduid als lokale achtergrondwaarden. Deze gehalten zijn vaak gerelateerd aan het voorkomen van puin- en/of kooldeeltjes in de bodem - in humeuze of veenhoudende bodems worden regelmatig verhoogde gehalten minerale olie waargenomen. Deze gehalten worden veroorzaakt door humuszuren en overig organisch materiaal, dat van nature aanwezig is en door een florisilbehandeling niet geheel wordt verwijderd. Tijdens chemische analyses worden deze verbindingen gedetecteerd als de zware fractie van minerale olie (C27 tot C40). Kruse Milieu BV
Project: 20072216
Pagina 5 van 31
Bij veenbodems betreft het gehalten van 50 tot 100 mg/kg droge stof; bij humeuze bodemlagen gaat het om bijdrages van 10 tot 50 mg/kg droge stof. Deze gehalten kunnen worden beschouwd als natuurlijke achtergrondwaarden - in het grondwater kunnen van nature verhoogde gehalten aan zware metalen en fenolen voorkomen. Deze worden doorgaans aangeduid als natuurlijke achtergrondwaarden. Een voorbeeld wordt gevormd door (sterk) verhoogde arseengehalten in gebieden, die zeer ijzerrijk zijn. Door kwel kunnen bij hoge grondwaterstanden eveneens verhoogde gehalten aan arseen in de grond ontstaan. Ook deze gehalten kunnen worden beschouwd als natuurlijke achtergrondwaarden. 3.2
Veldwerkzaamheden
Bij de boringen en monsternemingen is gewerkt volgens de geldende NEN- en NPRvoorschriften, alsmede conform BRL SIKB 2000 en de protocollen 2001, 2002 en 2018, waarvoor Kruse Milieu BV is gecertificeerd. Op basis van een oppervlakte van circa 7700 m² worden in totaal 19 boringen verricht, waarvan 13 tot 0.50 meter en 6 tot 2.0 meter diepte of tot de grondwaterspiegel. De boringen tot 0.5 mmv worden, met uitzondering van de inpandige boringen, vervangen door inspectiegaten. Er worden 2 diepe boringen overeenkomstig NEN 5766 afgewerkt met peilbuizen ten behoeve van het meten van het grondwaterpeil en het nemen van grondwatermonsters. Van elk inspectiegat en/of boring wordt de samenstelling van de bodem beschreven volgens NEN 5104. Het opgeboorde materiaal wordt tevens beoordeeld door zintuiglijke waarneming op verontreinigingskenmerken zoals afwijkende geur en/of kleur. 3.3
Analyses
De chemische analyses worden uitgevoerd door Eurofins Analytico BV te Barneveld, een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium voor analyses conform de AS3000-protocollen. De asbestmonsters worden onderzocht door Eurofins Omegam in Amsterdam, een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium voor vezelonderzoek. Voor het uitvoeren van deze analyses worden in dit verkennend onderzoek 9 grondmengmonsters (waarvan 4 mengmonsters van de fijne fractie) samengesteld en er worden 2 grondwatermonsters genomen. De samenstelling van de mengmonsters vindt plaats op basis van de zintuiglijke waarnemingen, de bodemopbouw en/of posities van de boringen. De samenstelling van de mengmonsters staat vermeld in paragraaf 4.2 in tabel 3. De monsters worden volgens de voorschriften uit NEN 5740 en NEN 5707 onderzocht. In tabel 1 is weergegeven welke chemische analyses worden uitgevoerd. Tabel 1: Analysepakket per (meng)monster Monster
Analysepakket
Bovengrond (2x) Ondergrond (2x)
Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, PCB, PAK (10), organisch stof, lutum en droge stof
Bovengrond (1x)
Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, PCB, PAK (10), PFAS, organisch stof, lutum en droge stof
Kruse Milieu BV
Project: 20072216
Pagina 6 van 31
Vervolg tabel 1: Analysepakket per (meng)monster Monster
Analysepakket
Bovengrond (4x)
Asbest en droge stof
Grondwater (2x)
Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, vluchtige aromaten (BTEX), naftaleen, styreen en gechloreerde koolwaterstoffen (oplosmiddelen standaardpakket), zuurgraad (pH), elektrisch geleidingsvermogen (EC) en troebelheidsmeting
Algemene opmerkingen - Op de grondmengmonsters wordt standaard een florisilbehandeling uitgevoerd om verstoring van de analyse op minerale olie door natuurlijke humuszuren tegen te gaan. - De zuurgraad (pH), het elektrisch geleidingsvermogen (EC) en troebelheidsmeting, van het grondwater worden in het veld gemeten. Filtratie van het grondwater voor de metalenanalyse vindt eveneens in het veld plaats. 3.4
Toetsing chemische analyses
De resultaten van de chemische analyses uit het bodemonderzoek worden beoordeeld aan de hand van de gecorrigeerde achtergrond-, streef- en interventiewaarden voor verontreinigingen in de bodem uit de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en tabel 1 van bijlage B, Regeling bodemkwaliteit van het ministerie van I&M. De achtergrondwaarden voor grond zijn vastgelegd in de Regeling bodemkwaliteit (Staatsblad, 22 november 2012). De interventiewaarden voor grond en grondwater zijn vastgelegd in de Circulaire bodemsanering. De toetsing aan de eisen in de Wet Bodembescherming en de Circulaire Bodemsanering is beoogd om te beoordelen of er sprake is van een ernstig gevaar voor de volksgezondheid en/of het milieu. Hierbij worden de volgende waarden onderscheiden: achtergrondwaarde (AW) voor grond: het niveau waarbij sprake is van een duurzame kwaliteit van de grond; bij overschrijding wordt gesproken van een lichte verontreiniging; streefwaarde (S) voor grondwater: het niveau waarbij sprake is van een duurzame kwaliteit van het grondwater; bij overschrijding wordt gesproken van een lichte verontreiniging; interventiewaarde bodem (I): het niveau waarbij de functionele eigenschappen van de bodem voor mens, plant of dier ernstig verminderd zijn of ernstig bedreigd worden; bij overschrijding wordt gesproken van een sterke verontreiniging.
tussenwaarde (T): Gelijk aan het gemiddelde van de achtergrond- of streefwaarde en de interventiewaarde, dus (A+I)/2 (grond) of (S+I)/2 (grondwater). Wanneer bij een verkennend onderzoek een component met concentratie boven deze waarde wordt gevonden is in principe een nader onderzoek nodig. Bij de toetsing van de analyseresultaten aan de landelijke achtergrondwaarden en de Interventiewaarden worden deze eerst omgerekend naar een gestandaardiseerde meetwaarde (GSSD). Bij de toetsing van de grondresultaten wordt daarbij gebruik gemaakt van de gemeten percentages lutum en organische stof in de grond(meng)monsters. De analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters zijn volgens BoToVa getoetst aan de achtergrond-, streef- en interventiewaarden. Het toetsingsresultaat is overeenkomstig BoToVa als volgt aangeduid: Kruse Milieu BV
Project: 20072216
Pagina 7 van 31
* ** ***
concentratie kleiner of gelijk aan AW of S; concentratie groter dan AW of S en kleiner of gelijk aan T; concentratie groter dan T en kleiner of gelijk aan I. concentratie groter dan I.
Een locatie wordt als verontreinigd beschouwd als de GSSD groter is dan de achtergrondwaarde of streefwaarde. Voor een aantal stoffen kan de rapportagegrens bepalend zijn voor de achtergrondwaarde of streefwaarde. De locatie wordt niet verontreinigd verklaard als geen van de onderzochte stoffen in de bodem aanwezig is met een concentratie hoger dan de achtergrondwaarde of streefwaarde. De resultaten van eventuele PFAS-analyses worden getoetst aan de achtergrondwaarden in de landbodem genoemd in het “Tijdelijk Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie” (geactualiseerde versie 2 juli 2020) van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, alsmede aan de sinds 5 maart 2020 door het RIVM afgeleide INEV’s (Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreinigingen) voor de stoffen PFOS, PFOA en GenX in grond en grondwater. 3.5
Toetsing asbestanalyses
De resultaten van eventuele asbestanalyses worden getoetst aan de wetgeving inzake asbest in bodem en puin welke door de ministeries van SZW en I&M is vastgesteld. In het beleid is voor asbest een restconcentratienorm en een interventiewaarde opgenomen. De restconcentratienorm beschrijft de concentratie asbest, waaronder hergebruik nog is toegestaan. De interventiewaarde beschrijft de concentratie asbest in bodem, waarboven in principe gesaneerd dient te worden. Voor asbest is de restconcentratienorm gelijk aan de interventiewaarde en deze waarde bedraagt 100 mg/kg gewogen asbest. De gewogen concentratie asbest is gelijk aan de concentratie serpentijnasbest, vermeerderd met 10 maal de concentratie amfiboolasbest. Voor puinverhardingen dient de asbestconcentratie te worden getoetst aan de normen uit het Besluit Asbestwegen Wet Milieugevaarlijke Stoffen (WMS). Hierin wordt tevens een restconcentratie van 100 mg/kg gewogen asbest genoemd. Bij een asbestgehalte groter dan de helft van de interventiewaarde is bij een verkennend asbestonderzoek een nader onderzoek asbest verplicht. De hoogste bepaalde waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend. Bij een nader asbestonderzoek wordt getoetst aan de interventiewaarde.
Alleen indien in het verkennend bodemonderzoek de onderzoeksintensiteit (hoeveelheid geïnspecteerde grond in de gaten en het aantal analyses) op hetzelfde niveau zit als het nader asbestonderzoek, dan is een directe toetsing aan de interventiewaarde mogelijk. Indien overschrijding van de restconcentratienorm plaatsvindt, dan dienen werkzaamheden met de betreffende bodem/puinverharding plaats te vinden onder asbestcondities. Bij asbestconcentraties lager dan de restconcentratienorm zijn geen aanvullende maatregelen noodzakelijk bij be- en verwerking van de grond of puinverharding.
Kruse Milieu BV
Project: 20072216
Pagina 8 van 31
4
Resultaten 4.1
Algemeen
In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van de veldwerkzaamheden en de analyseresultaten. De uitgevoerde veldwerkzaamheden en waarnemingen, de samenstelling van de mengmonsters en de grondwatergegevens worden beschreven in paragraaf 4.2. De resultaten van de chemische analyses worden weergegeven in paragraaf 4.3 en in paragraaf 4.4 worden de resultaten besproken. De resultaten van de asbestanalyses worden weergegeven en besproken in paragraaf 4.5. 4.2
Veldwerkzaamheden
De veldwerkzaamheden zijn in november 2020 uitgevoerd door de heren J. Hartman, R. Veltmaat en N. Pepping. De veldwerkers zijn conform BRL SIKB 2000 gecertificeerd en erkend (certificaatnummer K44441/08). Op 11 november 2020 zijn na het inspecteren van het maaiveld, in totaal 14 inspectiegaten gegraven met behulp van een schep en 5 inpandige grondboringen verricht. Er zijn 6 monsterpunten doorgeboord tot de ondergrond. Er zijn 2 diepe boringen afgewerkt tot peilbuis. Boring 1 is niet afgewerkt tot peilbuis, aangezien tot 5.0 m-mv geen grondwater aanwezig was (leembodem). De peilbuis is derhalve verplaatst naar boring 6. De situering van de monsterpunten is weergegeven op de situatieschets van bijlage I. Opgemerkt dient te worden dat het maaiveld, vanwege de aanwezigheid van beton, klinkers en gras, niet (goed) geïnspecteerd kon worden. Er is sprake van een indicatieve maaiveldinspectie. Eventuele kleine asbestverdachte fragmenten kunnen hierdoor niet zijn opgemerkt. De weersomstandigheden tijdens de inspectie waren goed (goed zicht, geen neerslag). Door de veldwerkers zijn visueel geen asbestverdachte materialen op het maaiveld en op of in de bodem waargenomen. De situering van de monsterpunten is weergegeven op de situatieschets van bijlage I.
Tijdens de boorwerkzaamheden is de bodemopbouw beschreven en is de grond zintuiglijk beoordeeld op eventuele aanwezigheid van verontreinigingen. De boorbeschrijvingen zijn weergegeven in bijlage II. De bodemopbouw ter plaatse van de onderzoekslocatie bestaat globaal uit fijn zand met vanaf circa 1.8 meter diepte sterk zandig leem. In de boven- en ondergrond zijn roest- en oerhoudende lagen aangetroffen. Er zijn bodemvreemde materialen waargenomen. Deze zijn in tabel 2 opgenomen. Door de veldwerkers zijn visueel geen asbestverdachte materialen in de bodem waargenomen. Tabel 2: Weergave bodemvreemde materialen. Monsterpunt Diepte (m-mv) Waarneming 2
0.20 - 0.70 0.70 - 1.00
Sporen sintels en sporen baksteen Sporen baksteen
3
0.45 - 1.15 1.15 - 1.75
Sporen baksteen Zwak baksteenhoudend
4
0.40 - 0.70 0.70 - 1.05
Sporen baksteen en sporen hout Sporen baksteen
Kruse Milieu BV
Project: 20072216
Pagina 9 van 31
Vervolg tabel 2: Weergave bodemvreemde materialen. Monsterpunt Diepte (m-mv) Waarneming 5
0.60 - 0.85
Sporen baksteen
6
0 - 0.20 0.85 - 1.00
Sporen baksteen Matig baksteenhoudend
7
0.75 - 1.00
Sporen baksteen
10
0 - 0.13
Matig puinhoudend
13
0 - 0.20
Matig puinhoudend
14
0.35 - 0.70
Sporen baksteen
15
0.20 - 0.80
Sporen baksteen
17
0.40 - 0.75
Sporen baksteen
18
0.30 - 0.50
Sporen baksteen
19
0.25 - 0.55
Sporen beton
K1
0.90 - 1.50
Sporen baksteen
Op basis van de zintuiglijke waarnemingen, bodemsamenstelling en/of geografische positie van de boringen zijn de (meng)monsters samengesteld, zoals in tabel 3 staat omschreven. In verband met de bodemsamenstelling en de visuele waarnemingen zijn extra analyses verricht. Tabel 3: Samenstelling (meng)monsters. Analyse
(Meng)monster
Monsterpunt
Traject (diepte in m -mv)
BG I (zintuiglijk schoon)
1 8 9 en 12 16
0.33 - 0.83 0.34 - 0.80 0.31 - 0.65 0.08 - 0.58
NEN 5740 Standaard-pakket
BG II (puinhoudend)
3 4 5 6 14 15 17 18
0.45 - 0.95 0.50 - 0.70 0.60 - 0.85 0 - 0.20 0.35 - 0.70 0.20 - 0.70 0.40 - 0.75 0.30 - 0.80
NEN 5740 Standaard-pakket + PFAS
BG III (matig puinhoudend)
10 13
0 - 0.13 0 - 0.20
NEN 5740 Standaard-pakket
Boring 2 (0.2-0.7 m-mv) (sintels en baksteen)
2
0.20 - 0.70
NEN 5740 Standaard-pakket
Kruse Milieu BV
Project: 20072216
Pagina 10 van 31
Vervolg tabel 3: Samenstelling (meng)monsters. (Meng)monster
Monsterpunt
Traject (diepte in m -mv)
Analyse
OG I (zintuiglijk schoon)
1 2 4 6 8 11 13 16
1.35 - 1.80 1.00 - 1.25 1.05 - 1.50 1.25 - 1.60 0.80 - 1.00 0.80 - 1.00 0.70 - 1.00 0.70 - 0.90
NEN 5740 Standaard-pakket
OG II (baksteenhoudend)
2 3 4 6
0.70 - 1.00 1.15 - 1.65 0.70 - 1.05 0.85 - 1.00
NEN 5740 Standaard-pakket
OG III (zintuiglijk schoon)
1 4 5 5 6
1.80 - 2.00 1.50 - 2.00 0.85 - 1.35 1.50 - 1.90 1.25 - 1.60
NEN 5740 Standaard-pakket
MM FF - 01 (sporen puin)
3 7 18 19
0.45 - 0.85 0.75 - 1.00 0.30 - 0.50 0.25 - 0.55
Asbest
MM FF - 02 (sporen puin)
2 4 14 15
0.20 - 0.70 0.40 - 0.70 0.35 - 0.70 0.25 - 0.75
Asbest
MM FF - 03 (sporen puin)
5 6 6 7
0.60 - 0.85 0 - 0.20 0.85 - 1.00 0.75 - 1.00
Asbest
MM FF - 04 (matig puinhoudend)
10 13
0 - 0.13 0 - 0.20
Asbest
De boringen 2 en 6 zijn doorgezet tot 3.1 m-mv en 3.2 m-mv. Wanneer het grondwater werd bereikt, werd een zuigerboor gebruikt om een PVC-peilbuis te kunnen plaatsen. Een peilbuis bestaat uit een filter met een lengte van 1.0 meter, gekoppeld aan een blinde stijgbuis. Ter hoogte van het filter, met een diameter van 28 x 32 mm, is filtergrind in het boorgat gestort. Rondom het filter is een filterkous aangebracht. Er is bentoniet in het boorgat gestort om directe indringing van hemelwater in het filter tegen te gaan. De rest van het boorgat is opgevuld met het oorspronkelijke bodemmateriaal. Vervolgens zijn de peilbuizen doorgepompt. Op 19 november 2020 zijn de peilbuizen bemonsterd. Het voorpompen en bemonsteren heeft conform NEN 5744 plaatsgevonden met een laag debiet (tussen 100 en 500 ml/min). Er is op toegezien dat de grondwaterstand tijdens het voorpompen niet meer dan 50 cm is gedaald en dat er is bemonsterd met hetzelfde (of lager) debiet als waarmee is voorgepompt (bemonstering maximaal 200 ml/min in verband met vluchtige stoffen). De grondwatergegevens staan weergegeven in tabel 4.
Kruse Milieu BV
Project: 20072216
Pagina 11 van 31
Tabel 4: Weergave gegevens grondwater. Filterstelling Grondwater(m-mv) stand (m-mv)
pH (-)
EC (μS/cm)
Troebelheid (NTU)
PB 2
2.10 - 3.10
1.50
6.5
530
530
Slecht, niet belucht
PB 6
2.20 - 3.20
1.30
6.2
460
224
Slecht, niet belucht
Peilbuis
Toestroming
De waarden voor de pH en de EC worden voor de peilbuizen normaal geacht. In de grondwatermonsters is een hogere troebelheid gemeten dan voor natuurlijke troebelheid verwacht wordt (≥10 NTU). De peilbuizen hebben voldoende rusttijd gehad na plaatsing (minimaal een week). Ook zijn de peilbuizen zorgvuldig en met een voldoende laag debiet afgepompt waardoor aangenomen wordt dat er geen sprake is geweest van een verstoord bodemevenwicht tijdens monsterneming, en dat de gemeten waarde voor troebelheid een natuurlijke oorzaak heeft (zwevende stoffen als lutum of silt in het grondwater). Zwevende delen kunnen leiden tot verhoogde meetwaarden in het grondwater als gevolg van matrixstoringen bij de analyse en aben adsorptie organische verbindingen en zware metalen aan deze zwevende delen. 4.3
Resultaten en toetsing van de chemische analyses
In algemene zin dient opgemerkt te worden dat indien de analyses van de grondmonsters zijn uitgevoerd op mengmonsters, dit kan betekenen dat de gehaltes hoger kunnen zijn in de individuele monsters. De analyseresultaten en de toetsingstabellen zijn weergegeven in bijlage III. Bij de toetsing van de analyseresultaten aan de landelijke achtergrondwaarden en de interventiewaarden worden deze eerst omgerekend naar een gestandaardiseerde meetwaarde (GSSD). Bij de toetsing van de grondresultaten wordt daarbij gebruik gemaakt van de gemeten percentages lutum en organische stof in de grond(meng)monsters. De analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters zijn volgens BoToVa getoetst aan de achtergrond-, streef- en interventiewaarden. In de bovengrond (BG II), Boring 2 (0.2-0.7), in de ondergrond (OG II) en in het grondwater (PB 2 en PB 6) zijn verhoogde concentraties aangetoond. Deze zijn weergegeven in tabel 5. In de bovengrond (BG I en BG III), de ondergrond (OG I en OG III) zijn geen verhoogde gehalten gemeten. De bovengrond BG II is niet verontreinigd met PFAS. Tabel 5: Verhoogde concentraties (mg/kg droge stof of μg/l). Gemeten concentratie
GSSD
PAK
1.7
1.708 *
1.5
40
Boring 2 (0.2-0.7 m-mv)
Koper Kwik Lood Zink PAK
120 0.12 98 190 6.6
221.5 *** 0.1671 * 144.9 * 410.2 * 6.675 *
40 0.15 50 140 1.5
190 36 530 720 40
Ondergrond OG II
Zink PAK
78 1.9
161.3 * 1.885 *
140 1.5
720 40
Monster
Component
Bovengrond BG II
Kruse Milieu BV
Project: 20072216
Achtergrond- Interventiewaarde1 of waarde Streefwaarde
Pagina 12 van 31
Vervolg tabel 5: Verhoogde concentraties (mg/kg droge stof of μg/l).
1
Gemeten concentratie
GSSD
Achtergrondwaarde1 of streefwaarde
Interventiewaarde
Peilbuis 2
Barium Koper Lood Zink
360 44 47 310
360 ** 44 * 47 ** 310 *
50 15 15 65
625 75 75 800
Peilbuis 6
Barium Zink
250 130
250 * 130 *
50 65
625 800
Monster
Component
AW2000
In de vierde kolom van tabel 5 wordt het toetsingsresultaat overeenkomstig BoToVa als volgt aangeduid: concentratie kleiner of gelijk aan AW of S; * concentratie groter dan AW of S en kleiner of gelijk aan T; ** concentratie groter dan T en kleiner of gelijk aan I; *** concentratie groter dan I. 4.4
Bespreking resultaten chemische analyses
Zoals in de vorige paragraaf is weergegeven, zijn enkele verontreinigingen aangetoond. In deze paragraaf worden mogelijke verklaringen gegeven voor de analyseresultaten. Boven- en ondergrond - BG II, Boring 2 (0.2-0.7) en OG II - koper, kwik, lood, zink en PAK Zoals reeds beschreven in paragraaf 3.1, zijn verontreinigingen in de grond met metalen en PAK niet ongebruikelijk op locaties, waar al tientallen jaren sprake is geweest van bebouwing (en bewoning). Oorzaak voor de licht verhoogde gehalten in BG II, Boring 2 (0.2-0.7) en in OG II wordt gezocht in de waargenomen bodemvreemde materialen (puin, baksteen en sintels). De sintel- en baksteenhoudende bovengrond van boring 2 (0.2-0.7) is tevens sterk verontreinigd met koper. Om inzicht te krijgen in de omvang van de koperverontreiniging is een nader bodemonderzoek verricht. Het nader bodemonderzoek staat beschreven in hoofdstuk 8. Grondwater - Peilbuis PB2 en PB6 - Barium, koper, lood en zink De licht tot matig verhoogde gehalten aan barium en zink in het grondwater zijn waarschijnlijk te wijten aan plaatselijk (natuurlijk) verhoogde achtergrondwaarden. In de boven- en ondergrond zijn roest- en oerhoudende lagen waargenomen, wat duidt op de natuurlijke aanwezigheid van metalen in de bodem. De oorzaak voor het licht verhoogde kopergehalte en het matig verhoogde loodgehalte in het grondwater in PB2 zijn niet direct te verklaren.
Er is geen aantoonbare relatie tussen de koperverontreiniging in de bovengrond van boring 2 het licht verhoogde kopergehalte in het grondwater. In de ondergrond van boring 2 zijn geen verhoogde kopergehalten gemeten. Vanwege de matig verhoogde gehalten met barium en lood is het grondwater in peilbuis 2 herbemonsterd. De resultaten hiervan worden besproken in paragraaf 4.7.
Kruse Milieu BV
Project: 20072216
Pagina 13 van 31
4.5
Resultaten van de asbestanalyses
In bijlage IV zijn de analyserapporten van het asbestonderzoek opgenomen. De gewogen asbestgehalten staan vermeld in tabel 6. Tabel 6: Gewogen asbestconcentratie (mg/kg droge stof). Inspectiegat
Component
Gewogen asbestconcentratie
Toetsingswaarde nader Interventieasbestonderzoek waarde
MM FF - 01
Asbest
n.a.
50
100
MM FF - 02
Asbest
73
50
100
MM FF - 03
Asbest
n.a.
50
100
MM FF - 04
Asbest
n.a.
50
100
In de derde kolom van tabel 6 wordt de volgende codering toegepast: n.a. : Geen asbest aangetoond. Normaal : Het gehalte is lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Onderstreept : Overschrijding van de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Vet : Overschrijding van de interventiewaarde. 4.6
Bespreking resultaten asbestanalyses
Zoals in paragraaf 4.5 is weergegeven, is in de mengmonsters van de fijne fractie van MM FF - 01, MM FF 03 en MM FF - 04 geen asbest aangetoond. In het mengmonster van de fijne fractie van MM FF - 02 is asbest aangetoond in een gehalte hoger dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Omdat de inspectiegaten 2, 4, 14 en 15 over een relatief groot gebied zijn verspreid, is inzicht in de bron van de asbestverontreiniging gewenst, zodat de omvang van de ruimtelijke eenheid, waarin een eventueel nader asbestonderzoek moet worden verricht, beter bepaald kan worden. Derhalve zijn in een aanvullend asbestonderzoek de 4 gaten opnieuw gegraven. De resultaten van het aanvullend asbestonderzoek staan omschreven in hoofdstuk 5. 4.7 Herbemonstering grondwater Naar aanleiding van de matig verhoogde barium- en loodgehalten in het grondwater in peilbuis 2 is besloten een herbemonstering van het grondwater uit te voeren om eventuele meetfouten uit te sluiten. Derhalve is de peilbuis op 11 december 2020 opnieuw bemonsterd. Het voorpompen en bemonsteren heeft conform NEN 5744 plaatsgevonden met een laag debiet (tussen 100 en 500 ml/min). Er is op toegezien dat de grondwaterstand tijdens het voorpompen niet meer dan 50 cm is gedaald en dat er is bemonsterd met hetzelfde (of lager) debiet) als waarmee is voorgepompt (bemonstering maximaal 200 ml/min in verband met vluchtige stoffen).
De grondwatergegevens staan weergegeven in tabel 7. Tabel 7: Weergave gegevens grondwater. Peilbuis
Filterstelling (m-mv)
Grondwaterstand (m-mv)
pH (-)
EC (μS/cm)
Troebelheid (NTU)
Toestroming
PB 2
2.10 - 3.10
1.40
6.6
620
168
Goed
Kruse Milieu BV
Project: 20072216
Pagina 14 van 31
pH-waarden tussen 5.5 en 7.5, EC-waarden tussen 100 en 1000 μS/cm en een NTU-waarde <10 worden als normaal beschouwd. In het grondwatermonster is een hogere troebelheid gemeten dan voor natuurlijke troebelheid verwacht wordt (≥10 NTU). De peilbuis heeft voldoende rusttijd gehad na plaatsing (minimaal een week). Ook is de peilbuis zorgvuldig en met een voldoende laag debiet afgepompt waardoor aangenomen wordt dat er geen sprake is geweest van een verstoord bodemevenwicht tijdens monsterneming, en dat de gemeten waarde voor troebelheid een natuurlijke oorzaak heeft (zwevende stoffen als lutum of silt in het grondwater). Zwevende delen kunnen leiden tot verhoogde meetwaarden in het grondwater als gevolg van matrixstoringen bij de analyse en ab- en adsorptie organische verbindingen en zware metalen aan deze zwevende delen. In bijlage III is het analyserapport opgenomen. De gemeten barium- en loodgehalten zijn weergegeven in tabel 8. Tabel 8: Gemeten barium- en loodgehalten (μg/l). Monster
Component
Grondwater, PB2
Barium Lood
Gemeten concentratie
GSSD
Streefwaarde
Interventiewaarde
100 3.5
100 * 3.5 -
50 15
625 75
De matig verhoogde barium- en loodgehalten ten tijde van de eerste bemonstering worden niet bevestigd. Er is mogelijk sprake van een meetfout tijdens de eerste meting. Omdat de standstill periode van de peilbuis langer is (circa 4 weken), wordt de tweede meting als het meest representatief beschouwd. Nader grondwateronderzoek is niet noodzakelijk.
Kruse Milieu BV
Project: 20072216
Pagina 15 van 31
5
Aanvullend asbestonderzoek 5.1 Inleiding en strategie
De onderzoeksstrategie is afgestemd met de Omgevingsdienst IJsselland. De aanleiding voor het aanvullend asbestonderzoek wordt gevormd door de analyseresultaten van mengmonster MM FF - 02. In dit mengmonster overschrijdt het gewogen asbestgehalte de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek (gemeten is 73 mg/kg d.s.). Omdat de 4 inspectiegaten (2, 4, 14 en 15) over een groot gebied verspreid liggen, is inzicht in de bron van de asbestverontreiniging gewenst, zodat de omvang van de ruimtelijke eenheid waarin het nader asbestonderzoek moet worden verricht, beter bepaald kan worden. Een gewogen asbestgehalten lager dan 50 mg/kg d.s. geeft geen reden om geen nader asbestonderzoek uit te voeren. Om de bron (of bronnen) van de asbestverontreiniging te bepalen worden de gaten 2, 4, 14 en 15 separaat bemonsterd en separaat geanalyseerd op asbest. Deze gaten worden gecodeerd als 2A, 4A, 14A en 15A. 5.2 Veldwerkzaamheden aanvullend asbestonderzoek De veldwerkzaamheden zijn in november 2020 uitgevoerd door de heren R. Veltmaat en N. Pepping. De veldwerkers zijn conform BRL SIKB 2000 gecertificeerd en erkend (certificaatnummer K44441/08). Op 19 november 2020 zijn in totaal 4 inspectiegaten gegraven met behulp van een schep. De situering van de inspectiegaten is weergegeven op de situatieschets van bijlage I.
Tijdens de boorwerkzaamheden is de bodemopbouw beschreven en is de grond zintuiglijk beoordeeld op eventuele aanwezigheid van verontreinigingen. De boorbeschrijvingen zijn weergegeven in bijlage II. De bodemopbouw ter plaatse van de onderzoekslocatie bestaat tot maximaal 0.80 meter diepte voornamelijk uit matig fijn zand. Er zijn bodemvreemde materialen waargenomen (zie tabel 9). Door de veldwerker zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen. Tabel 9: Weergave bodemvreemde materialen. Monsterpunt
Diepte (m-mv) Waarneming
2A
0.20 - 0.70
Zwak puinhoudend
4A
0.40 - 0.60
Zwak puinhoudend
14A
0.35 - 0.70
Resten baksteen
15A
0.20 - 0.50
Sporen baksteen
Op basis van de zintuiglijke waarnemingen, bodemsamenstelling en/of geografische positie van de monsterpunten zijn onderstaande (meng)monsters geanalyseerd, zoals in tabel 10 staat omschreven.
Kruse Milieu BV
Project: 20072216
Pagina 16 van 31
Tabel 10: Geanalyseerde monsters. (Meng)monster
Boringnummer
Traject (diepte in m-mv)
Analyse
FF - Gat 2A
2A
0.20 - 0.70
Asbest
FF - Gat 4A
4A
0.40 - 0.60
Asbest
FF - Gat 14A
14A
0.35 - 0.70
Asbest
FF - Gat 15A
15A
0.20 - 0.50
Asbest
5.3 Resultaten van de asbestanalyses aanvullend asbestonderzoek In bijlage V zijn de analyserapporten en de concentratieberekeningen van het aanvullend asbestonderzoek opgenomen. In tabel 11 zijn de gewogen asbestconcentraties weergegeven. Tabel 11: Gewogen asbestconcentraties (mg/kg droge stof). Component
Gewogen asbestconcentratie
Inspectiegat 2A
Asbest
29
50
100
Inspectiegat 4A
Asbest
n.a.
50
100
Inspectiegat 14A
Asbest
13
50
100
Inspectiegat 15A
Asbest
n.a.
50
100
Monster
Toetingswaarde nader Interventieasbestonderzoek waarde
In de derde kolom van tabel 11 wordt de volgende codering toegepast: n.a. : Geen asbest aangetoond. Normaal : Het gehalte is lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Onderstreept : Overschrijding van de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Vet : Overschrijding van de interventiewaarde. 5.4 Bespreking asbestanalyses aanvullend asbestonderzoek De bron van het gewogen asbestgehalte in MM FF - 02 zijn de asbesthoudende inspectiegaten 2A en 14A. De inspectiegaten 4A en 15A zijn niet asbesthoudend. Vermoedelijk zijn bij de sloop van de voormalige woning medio jaren ‘80 van de vorige eeuw resten asbest in de bodem terechtgekomen. Het nader asbestonderzoek richt zich op het terreindeel waarin de gaten 2A en 14A zich bevinden. Het nader asbestonderzoek staat beschreven in hoofdstuk 6.
Kruse Milieu BV
Project: 20072216
Pagina 17 van 31
6
Nader asbestonderzoek 6.1
Onderzoeksstrategie (fase 1)
De onderzoeksopzet gaat uit van NEN 5707, “Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond”, NNI Delft, december 2017. De onderzoeksstrategie en het graafplan zijn afgestemd met de Omgevingsdienst IJsselland. Het terreindeel waar het nader asbestonderzoek wordt uitgevoerd, heeft een oppervlakte van maximaal 1000 m². Er is sprake van 1 ruimtelijke eenheid (RE). Formeel dienen 5 inspectiesleuven te worden gegraven. Omdat het asbest waarschijnlijk heterogeen verspreid is en visueel niet zichtbaar is kan worden volstaan met het graven van inspectiegaten, waarbij 1 sleuf wordt vervangen door 2 gaten (dus totaal worden 10 gaten gegraven). Het graven van gaten vergroot de trefkans om een eventuele bron te traceren. De gaten worden ruimtelijk verdeeld binnen de RE. De verticale afperking zal pas plaatsvinden wanneer gewogen asbestgehalten worden aangetoond hoger dan de interventiewaarden. Hiervoor zal een mengmonster worden samengesteld van de bodemlaag onder de asbestverdachte laag. Het nader asbestonderzoek richt zich op de aard van de asbestverontreiniging en de eventuele horizontale afperking van de asbestverontreiniging binnen de onderzoekslocatie. Hiervoor worden minimaal 10 inspectiegaten gegraven. Ten behoeve van horizontale afperking van de asbestverontreiniging worden minimaal 5 asbestanalyses (grond) verricht.
De minimale afmeting van een inspectiegat bedraagt 0.3x0.3 meter. Het opgegraven materiaal wordt gezeefd over 20 mm. Visuele waarnemingen kunnen aanleiding geven voor het graven van extra inspectiegaten. 6.2
Analyses (fase 1)
De asbestanalyses worden verricht door Eurofins Omegam te Amsterdam, een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium voor vezelonderzoek. Het minimaal aantal uit te voeren asbestanalyses staat vermeld in tabel 12. Tabel 12: Asbestanalyses. Monster
Analyse
Motivatie
Fijne fractie (5x)
Asbest en droge stof
Bepalen aard en de eventuele omvang van de asbestverontreiniging.
6.3
Veldwerkzaamheden (fase 1)
De veldwerkzaamheden zijn op 11 december 2020 uitgevoerd door de heren J. Hartman en N. Pepping. Er zijn in totaal 10 inspectiegaten gegraven. In de inspectiegaten G9 en G10 zijn visueel asbestverdachte fragmenten (golfplaat) waargenomen. De visuele waarnemingen zijn in tabel 13 weergegeven.
Kruse Milieu BV
Project: 20072216
Pagina 18 van 31
Tabel 13: Weergave bodemvreemde materialen. Monsterpunt
Diepte (m-mv)
Waarneming
G1
0.32 - 0.90
Sporen puin
G2
0.80 - 1.20
Sporen puin
G3
0.26 - 0.50
Sporen baksteen
G4
0.35 - 0.90
Sporen baksteen
G5
0.35 - 0.90
Sporen baksteen
G6
0.35 - 0.70
Sporen baksteen
G7
0.33 - 0.80
Sporen baksteen
G8
0.33 - 0.80
Sporen baksteen
G9
0.35 - 0.60 0.60 - 0.80
Matig baksteenhoudend, 1 asbestverdacht fragment (golfplaat) Sporen baksteen
G10
0.30 - 0.60
Sterk puinhoudend, 1 asbestverdacht fragment (golfplaat)
Op basis van de visuele waarnemingen zijn de monsters geanalyseerd, zoals in tabel 14 staat weergegeven. Tabel 14: Weergave geanalyseerde monsters. Monster
Afkomstig uit monsterpunten
Traject (m-mv)
G1 G2
0.32 - 0.90 0.80 - 1.25
MM FF - Gat G3 en G4
G3 G4
0.26 - 0.50 0.35 - 0.90
MM FF - Gat G5 en G6
G5 G6
0.35 - 0.90 0.35 - 0.70
MM FF - Gat G7 en G8
G7 en G8
0.33 - 0.80
MM FF - Gat G9 en G10
G9 G10
0.35 - 0.60 0.30 - 0.60
MVM - G9
G9
0.35 - 0.60
MVM - G10
G10
0.30 - 0.60
MM FF - Gat G1 en G2
6.4
Motivatie
Bepalen gewogen asbestgehalte
Resultaten asbestanalyses nader onderzoek (fase 1)
In bijlage IV zijn de analyserapporten en de concentratieberekeningen van het asbestonderzoek opgenomen. De gewogen asbestconcentraties zijn weergegeven in tabel 15.
Kruse Milieu BV
Project: 20072216
Pagina 19 van 31
Tabel 15: Gewogen asbestconcentraties (mg/kg droge stof). Monster
Component
Gewogen asbestconcentratie
Interventiewaarde
MM FF - Gat G1 en G2
Asbest
7.6
100
MM FF - Gat G3 en G4
Asbest
n.a.
100
MM FF - Gat G5 en G6
Asbest
n.a.
100
MM FF - Gat G7 en G8
Asbest
n.a.
100
Inspectiegat G9
Asbest
186
100
Inspectiegat G10
Asbest
155
100
In de derde kolom van tabel 15 wordt de volgende codering toegepast: n.a. : Geen asbest aangetoond. Normaal : Het gehalte is lager dan de interventiewaarde. Vet : Overschrijding van de interventiewaarde. 6.5
Bespreking resultaten asbestanalyses (fase 1)
De omvang van de sterke asbestverontreiniging binnen de onderzoekslocatie is niet in voldoende mate in kaart gebracht; de gaten G9 en G10 zijn sterk asbesthoudend. Het gewogen asbestgehalte wordt voornamelijk bepaald door de asbesthoudende fijne fractie. In de overige mengmonsters is geen asbest aangetoond of de gewogen asbestgehalten zijn ruim lager dan de interventiewaarde. De noordwestelijke afperking van de asbestverontreiniging heeft niet in voldoende mate plaatsgevonden. Verder nader asbestonderzoek (fase 2) is noodzakelijk om de omvang van de verontreiniging verder in kaart te brengen. De 2e fase van het nader asbestonderzoek staat beschreven in hoofdstuk 7.
Kruse Milieu BV
Project: 20072216
Pagina 20 van 31
7
Nader asbestonderzoek (fase 2)
De sterk verhoogde asbestgehalten in G9 en G10 geven aanleiding voor de 2e fase van het nader asbestonderzoek. 7.1
Onderzoeksstrategie nader asbestonderzoek (fase 2)
Om de omvang van de asbestverontreiniging verder in kaart te brengen worden 6 inspectiegaten gegraven (G11 tot en met G16). Er worden minimaal 3 asbestanalyses verricht ten behoeve van de horizontale afperking. Tevens wordt een mengmonster van de ondergrond geanalyseerd ten behoeve van de verticale afperking. 7.2
Analyses (fase 2)
De asbestanalyses worden verricht door Eurofins Omegam te Amsterdam, een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium voor vezelonderzoek. Het minimaal aantal uit te voeren asbestanalyses staat vermeld in tabel 16. Tabel 16: Asbestanalyses. Monster
Analyse
Motivatie
Fijne fractie (3x)
Asbest en droge stof
Verdere horizontale afperking asbestverontreiniging.
Fijne fractie (1x)
Asbest en droge stof
Verticale afperking
7.3
Veldwerkzaamheden (fase 2)
De veldwerkzaamheden zijn op 8 januari 2021 uitgevoerd door de heer R. Veltmaat. Er zijn in totaal 8 inspectiegaten gegraven. In de inspectiegaten G11, G13 en G14 zijn visueel asbestverdachte fragmenten (golfplaat) waargenomen. Aangenomen wordt dat deze sterk asbesthoudend zijn. Ter plekke van de asbesthoudende gaten G11, G13 en G14 is een monster genomen ten behoeve van de verticale afperking van de asbestverontreiniging. De visuele waarnemingen zijn in tabel 17 weergegeven. De verdachte laag is in gat G12, G17 en G18 niet aangetroffen. Tabel 17: Weergave bodemvreemde materialen. Monsterpunt
Diepte (m-mv)
G11
0.30 - 0.55
Zwak puinhoudend, sporen asbest
G13
0.30 - 0.60
Sterk puinhoudend, matig asbesthoudend (golfplaat)
G14
0.10 - 0.55
Sterk puinhoudend, matig asbesthoudend (vlakke en golfplaat)
G15
0.25 - 0.35
Zwak puinhoudend
G16
0.15 - 0.25
Zwak puinhoudend
G17
0.70 - 0.90
Sporen baksteen
G18
0.80 - 1.20
Sporen baksteen
Kruse Milieu BV
Waarneming
Project: 20072216
Pagina 21 van 31
Op basis van de visuele waarnemingen zijn de monsters geanalyseerd, zoals in tabel 18 staat weergegeven. Tabel 18: Weergave geanalyseerde monsters. Monster
Afkomstig uit monsterpunten
Traject (m-mv)
G12
0.3 - 0.50
Horizontale afperking noordoostzijde (kadastrale grens)
MM FF - Gat G15 en G16
G15 G16
0.25 - 0.35 0.15 - 0.25
Horizontale afperking westzijde
MM FF - Gat G17 en G18
G17 G18
0.70 - 0.90 0.80 - 1.20
Horizontale afperking noordzijde
MM FF - OG
G11 G13 G14
0.55 - 1.00 0.60 - 0.90 0.55 - 1.05
Verticale afperking
FF - Gat 12
7.4
Motivatie
Resultaten asbestanalyses nader onderzoek (fase 2)
In bijlage IV zijn de analyserapporten van het asbestonderzoek opgenomen. Uit de analyseresultaten blijkt dat in de mengmonsters ten behoeve van de verticale en horizontale afperking geen asbest is aangetoond. 7.5
Bespreking resultaten asbestanalyses (fase 2)
De omvang van de sterke asbestverontreiniging is in voldoende mate in kaart gebracht. De asbestverontreiniging is vermoedelijk niet perceelsgrensoverschrijdend. De omvang van de asbestverontreiniging binnen de onderzoekslocatie wordt geschat op circa 90 m3 (circa 270 m2 x 0.30 meter). Om de sterke asbestverontreiniging te ontgraven zal meer grond afgevoerd moeten worden (waaronder een deel van het ophoogzand). Er is sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging (voor een asbestverontreiniging geldt geen omvangcriterium). Om het terreindeel geschikt te maken voor toekomstig gebruik dient de sterk met asbest verontreinigde grond te worden gesaneerd. Voorafgaande aan de sanering dient een BUSmelding te worden opgesteld, die voorgelegd dient te worden aan het bevoegd gezag (provincie Overijssel). Het saneren van sterk verontreinigde bodemlagen mag alleen door erkende bedrijven worden verricht.
Kruse Milieu BV
Project: 20072216
Pagina 22 van 31
8
Uitvoering nader bodemonderzoek (koper)
De onderzoeksopzet gaat uit van NTA 5755, "Bodem - Landbodem. Strategie voor het uitvoeren van nader onderzoek - Onderzoek naar de aard en omvang van bodemverontreiniging". 8.1 Conceptueel model nader bodemonderzoek Tabel 19: Conceptueel model in tabelvorm. Oorzaak van de De sterke koperverontreiniging in boring 2 bevindt zich in de bodemlaag verontreiniging van 0.2 tot 0.7 m-mv. De koperverontreiniging houdt vermoedelijk deels verband met de waargenomen bodemvreemde materialen (met name sintels). Omdat er na 1987 geen calamiteiten of werkzaamheden hebben plaatsgevonden, waarbij koper in de bodem kan zijn terecht gekomen, wordt de koperverontreiniging beschouwd als een historische verontreiniging. Bodemgebruik Het terreindeel, waar de koperverontreiniging zich bevindt, is thans verhard met klinkers met daaronder zintuiglijk schoon ophoogzand. Bodemopbouw De bodemopbouw ter plaatse van de onderzoekslocatie is globaal als volgt: tot maximaal 2.0 meter min maaiveld (m-mv) is overwegend matig fijn zand aanwezig. Vanaf 2.0 m-mv bevindt zich leem. Omvang van de De omvang van de koperverontreiniging is niet bekend, maar wordt gering verontreiniging geacht. De verontreiniging dient in eerste instantie alleen horizontaal te worden afgeperkt.
De bodemlagen van 1.0 tot 1.75 m-mv uit boring 2 zijn opgenomen in de mengmonsters van de ondergrond OG I en OG II; deze zijn niet verontreinigd met koper. Ernst van de Er kan op voorhand niet worden vastgesteld of er wel of niet sprake is van verontreiniging een geval van ernstige bodemverontreiniging. Mogelijk is er sprake van een puntbron van (zeer) beperkte omvang.
8.2 Onderzoeksstrategie nader bodemonderzoek (koper) De onderstaande werkzaamheden worden verricht in het kader van het nader bodemonderzoek naar de omvang van de koperverontreiniging in de bodemlaag van 0.2 tot 0.7 m-mv van boring 2. De verticale afperking heeft reeds in voldoende mate plaatsgevonden. Ten behoeve van de horizontale afperking van de verontreiniging worden 4 boringen uitgevoerd tot circa 1.5 meter diepte. Er wordt doorgeboord tot de ongeroerde ondergrond. De boringen worden gecodeerd als 21 tot en met 24. Als stopcriterium voor het nader onderzoek wordt een kopergehalte gehanteerd van maximaal de tussenwaarde. 8.3 Veldwerkzaamheden nader bodemonderzoek (koper) De veldwerkzaamheden zijn in december 2020 uitgevoerd door de heren J. Hartman en N. Pepping. De veldwerkers zijn conform SIKB BRL 2000 gecertificeerd en erkend (certificaatnummer K44441/08). Er zijn op 11 december 2020 ten behoeve van de horizontale afperking van de koperverontreiniging in totaal 4 boringen verricht met behulp van een Edelmanboor, tot maximaal 1.55 meter diepte.
Kruse Milieu BV
Project: 20072216
Pagina 23 van 31
Tijdens de boorwerkzaamheden is de bodemopbouw beschreven en is de grond zintuiglijk beoordeeld op eventuele aanwezigheid van verontreinigingen. De boorbeschrijvingen zijn weergegeven in bijlage II. De bodemopbouw is globaal als volgt: tot maximaal 2.20 meter min maaiveld (m-mv) is overwegend matig fijn zand aangetroffen. In de ondergrond zijn leem- en veenlagen aangetroffen Er zijn plaatselijk bodemvreemde materialen waargenomen, die in tabel 20 staan weergegeven. Er is visueel geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. In boring 24 zijn geen bodemvreemde materialen waargenomen. Tabel 20: Weergave bodemvreemde materialen. Monsterpunt
Diepte (m-mv)
Waarneming
21
0.20 - 0.55
Sporen baksteen
22
0.23 - 0.80
Sporen baksteen
23
0.55 - 1.55
Sporen baksteen
Op basis van en ter verificatie van de zintuiglijke waarnemingen, bodemsamenstelling en/of de geografische positie van de boringen zijn de grondmonsters geanalyseerd, zoals is weergegeven in tabel 21. Tabel 21: Geanalyseerde grondmonsters. Boring
Monster
Traject (diepte in m-mv)
Boring 21 (0.2-0.55)
21
0.20 - 0.55
Boring 22 (0.3-0.8)
22
0.30 - 0.80
Boring 23 (0.55-1.05)
23
0.55 - 1.05
Boring 24 (0.25-0.65)
24
0.25 - 0.65
8.4
Doel
Horizontale afperking
Resultaten van de chemische analyses nader bodemonderzoek (koper)
De analyseresultaten en toetsingstabellen zijn weergegeven in bijlage III. De gemeten kopergehalten staan in tabel 22 weergegeven. Tabel 22: Gemeten kopergehalten (mg/kg droge stof). Monster
Component
Gemeten concentratie
GSSD
Achtergrondwaarde
Interventiewaarde
Boring 21 (0.2-0.55)
Koper
5.8
11.68 -
40
190
Boring 22 (0.3-0.8)
Koper
21
41.04 *
40
190
Boring 23 (0.55-1.05)
Koper
<5.0
6.774 -
40
190
Boring 24 (0.25-0.65)
Koper
12
22.5 -
40
190
In de vierde kolom van tabel 22 wordt het toetsingsresultaat overeenkomstig BoToVa als volgt aangeduid: concentratie kleiner of gelijk aan AW of S; * concentratie groter dan AW of S en kleiner of gelijk aan T; ** concentratie groter dan T en kleiner of gelijk aan I; *** concentratie groter dan I. Kruse Milieu BV
Project: 20072216
Pagina 24 van 31
8.5 Bespreking resultaten chemische analyses nader bodemonderzoek (koper) Uit de analyseresultaten blijkt dat de afperking van de sterke koperverontreiniging in boring 2 in voldoende mate heeft plaatsgevonden. De monsters ten behoeve van de horizontale afperking zijn niet of slechts zeer licht verontreinigd met koper. Op basis van de beschikbare gegevens wordt de omvang van de totale koperverontreiniging in geschat op circa 25 m3 (circa 50 m2 x 0.5 meter), waarvan circa 10 m3 (circa 20 m2 x 0.5 meter) sterk verontreinigd is. De geschatte achtergrond- en interventiewaardecontouren zijn weergegeven in het boorplan in bijlage I (detailtekening). Saneringsmaatregelen zijn alleen noodzakelijk wanneer in de sterk verontreinigde grond wordt gewerkt of wordt gebouwd. Er zijn bij het huidig gebruik geen blootstellingsrisico’s; de sterk verontreinigde grondlaag bevindt zich onder de klinkerverharding (met daaronder schoon ophoogzand). Voorafgaande aan een sanering dient een plan van aanpak te worden opgesteld, die ter goedkeuring voorgelegd moet worden aan het bevoegd gezag (gemeente Hardenberg). Het saneren van sterk verontreinigde grond mag alleen door erkende bedrijven worden uitgevoerd. Het verminderen of verplaatsen van de sterke koperverontreiniging is niet toegestaan, zonder toestemming van het bevoegd gezag.
Kruse Milieu BV
Project: 20072216
Pagina 25 van 31
9
Resultaten doorlatendheidonderzoek
De locatie van het monsterpunt (gecodeerd als K1) voor de k-waarde bepaling is door de opdrachtgever aangegeven en is weergegeven in het boorplan in bijlage I. De omgekeerde boorgatmethode wordt gebruikt om de waterdoorlatendheid te meten van grondlagen, welke zich boven de grondwaterstand bevinden. Daartoe wordt er een gat geboord tot in de te meten laag en wordt gemeten hoe snel het water zakt. Aangezien de meting boven het grondwater geschiedt, dient het gat te worden gevuld met water voor het meten van de waterdoorlatendheid. De waterdoorlatendheid wordt berekend met de volgende formule
In de formule worden de volgende symbolen gebruikt: k = doorlaatfactor in m/sec; r = straal van het boorgat in meter; h(t1) = verschil tussen bodemgat en waterstand bij begin meting in meter; h(tn) = verschil tussen bodemgat en waterstand bij einde meting in meter; tn - t1 = tijdsduur van de meting in seconden. Op basis van de boorstaat kan gesteld worden dat de bodem ter plaatse van meetpunt K1 bestaat uit matig fijn tot matig grof zand en leem bestaat. Tot maximaal 1.5 m-mv zijn bodemvreemde materialen waargenomen (sporen baksteen). Na het plaatsen van de filters is de buis volledig gevuld met water, waarna periodiek de grondwaterstand is gemeten gedurende een periode van maximaal 10 minuten. De meting is in duplo uitgevoerd. De resultaten van deze metingen zijn opgenomen in bijlage V. De gemiddelde doorlatendheid van de bodem ter plekke van meetpunt K1 is 1.9 m/dag. De doorlatendheid wordt als goed geclassificeerd bij een k-waarde tussen 1 en 10 m/dag. Geconcludeerd kan worden dat de bodem ter plekke van het onderzochte meetpunt K1 geschikt is voor infiltratie. Opgemerkt dient te worden dat elders op het terrein leemlagen worden aangetroffen vanaf 1.6 m-mv. Hier kunnen de mogelijkheden voor bodeminfiltratie minder of zelfs ongeschikt zijn.
Kruse Milieu BV
Project: 20072216
Pagina 26 van 31
10
Samenvatting, conclusies en aanbevelingen
Algemeen In opdracht van BJZ.NU BV is in een verkennend en nader (asbest)bodemonderzoek de bodem onderzocht op het terrein ter grootte van circa 7700 m² aan de Herenstraat 45-47 in Slagharen. De onderzoekslocatie is deels bebouwd en deels verhard (klinkers). Het bodemonderzoek is noodzakelijk in het kader van de bestemmingsplanwijziging en de aanvraag van de omgevingsvergunning in het kader van de geplande woningbouw. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een standaard vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN 5725. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat de bovengrond verdacht is voor de aanwezigheid van asbest. De ondergrond en het grondwater op de locatie is onverdacht voor chemische componenten. In verband met het mogelijke gebruik van PFAS-houdend blusschuim tijdens de brand in 1999 wordt de (oorspronkelijke) bovengrond beschouwd als verdacht voor PFAS. Aanleiding voor het nader (asbest)bodemonderzoek wordt gevormd door de resultaten van het verkennend (asbest)bodemonderzoek, waarbij in de bovengrond van boring 2 een sterk verhoogd kopergehalte is aangetoond en in het mengmonster van de fijne fractie MM FF - 02 het gewogen asbestgehalte de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek overschrijdt. Resultaten veldwerk In totaal zijn er 26 inspectiegaten gegraven en 10 boringen verricht, waarvan er 2 zijn afgewerkt tot peilbuis.
Van de 26 inspectiegaten zijn 10 inspectiegaten gegraven ten behoeve van het nader asbestonderzoek. Van de 10 grondboringen zijn 4 grondboringen verricht ten behoeve van het nader bodemonderzoek, met betrekking tot de koperverontreiniging in boring 2. Tevens is op 1 plek de doorlatendheid (k-waarde) bepaald van de ondergrond. Gebleken is dat de bodem globaal bestaat uit matig fijn zand met vanaf circa 2.0 meter leem. In de boven- en ondergrond zijn roest- en oerhoudende lagen aangetroffen. Er zijn plaatselijk bodemvreemde materialen waargenomen. Door de veldwerkers zijn visueel asbestverdachte materialen in de bodem waargenomen ter plekke van de inspectiegaten G9 en G10. Het freatische grondwater in de peilbuizen is gemiddeld aangetroffen op 1.40 meter min maaiveld. Resultaten Op basis van de resultaten kan het volgende worden geconcludeerd: Onderzoekslocatie - Bovengrond BG I is niet verontreinigd; - Bovengrond BG II is zeer licht verontreinigd met PAK. BG II is niet verontreinigd met PFAS; - Bovengrond BG III is niet verontreinigd; - Boring 2 (0.2-0.7 m-mv) is sterk verontreinigd met koper en licht verontreinigd met kwik, lood, zink en PAK; - Ondergrond OG I is niet verontreinigd; - Ondergrond OG II is (zeer) licht verontreinigd met zink en PAK.
- Ondergrond OG III is niet verontreinigd; - Grondwater PB 2 is matig verontreinigd met barium en lood en licht verontreinigd met koper en zink; - Grondwater PB 2 (herbemonstering) is licht verontreinigd met barium en niet verontreinigd met lood; - Grondwater PB 6 is licht verontreinigd met barium, nikkel en zink.
Kruse Milieu BV
Project: 20072216
Pagina 27 van 31
Verkennend asbestonderzoek - MM FF - 01 is niet asbesthoudend; - MM FF - 02 bevat asbest in een gehalte boven de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek; - MM FF - 03 is niet asbesthoudend; - MM FF - 04 is niet asbesthoudend. Aanvullend asbestonderzoek - Inspectiegat 2A is asbesthoudend in een gehalte lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek; - Inspectiegat 4A is niet asbesthoudend; - Inspectiegat 14A is asbesthoudend in een gehalte lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek; - Inspectiegat 15A is niet asbesthoudend. Nader asbestonderzoek (fase 1) - MM FF - Gat G1 en G2 is asbesthoudend in een gehalte lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek; - MM FF - Gat G3 en G4 is niet asbesthoudend; - MM FF - Gat G5 en G6 is niet asbesthoudend; - MM FF - Gat G7 en G8 is niet asbesthoudend; - Inspectiegat G9 is sterk asbesthoudend; - Inspectiegat G10 is sterk asbesthoudend. Nader asbestonderzoek (fase 2) - FF - Gat 12 is niet asbesthoudend; - MM FF - Gat G15 en G16 is niet asbesthoudend; - MM FF - Gat G17 en G18 is niet asbesthoudend; - MM FF - OG is niet asbesthoudend. Nader bodemonderzoek (koper) - Boring 21 (0.2-0.55) is niet verontreinigd met koper; - Boring 22 (0.3-0.8) is zeer licht verontreinigd met koper; - Boring 23 (0.55-1.05) is niet verontreinigd met koper; - Boring 24 (0.25-0.65) is niet verontreinigd met koper.
Hypothese De hypothese "onverdachte locatie" dient te worden verworpen, aangezien er overschrijdingen van de achtergrond-, interventie- en streefwaarden zijn aangetoond. De hypothese “verdacht van aanwezigheid van asbest” voor de onderzoekslocatie dient te worden geaccepteerd aangezien plaatselijk asbest is aangetoond. Conclusies en aanbevelingen Verkennend (asbest)bodemonderzoek Met uitzondering van boring 2 (0.2-0.7 m-mv) zijn de overige monsters niet of slechts licht verontreinigd met parameters uit het NEN 5740 standaard-pakket. De licht verhoogde gehalten geven geen aanleiding voor nader bodemonderzoek. Het mengmonster van de bovengrond BG II is niet verontreinigd met PFAS. Het sterk verhoogde kopergehalte in boring 2 gaf aanleiding voor een nader bodemonderzoek (zie hoofdstuk 8). Van de totaal 4 mengmonsters van de fijne fractie zijn er 3 niet asbesthoudend. Het gewogen asbestgehalte in MM FF - 02 is hoger dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Om meer inzicht te krijgen in de bron van de asbesthoudende grond heeft aanvullend asbest onderzoek plaatsgevonden (zie hoofdstuk 5). Kruse Milieu BV
Project: 20072216
Pagina 28 van 31
Nader bodemonderzoek (koper) Uit het nader bodemonderzoek blijkt dat de omvang van de koperverontreiniging in voldoende mate is vastgelegd. De monsters ten behoeve van de horizontale afperking zijn niet of slechts zeer licht verontreinigd met koper. Op basis van de beschikbare gegevens wordt de omvang van de totale koperverontreiniging in geschat op circa 25 m3 (circa 50 m2 x 0.5 meter), waarvan circa 10 m3 (circa 20 m2 x 0.5 meter) sterk verontreinigd is. Saneringsmaatregelen zijn alleen noodzakelijk wanneer in de sterk verontreinigde grond wordt gewerkt of wordt gebouwd. Er zijn bij het huidig gebruik geen blootstellingsrisico’s; de sterk verontreinigde grondlaag bevindt zich onder de klinkerverharding (met daaronder schoon ophoogzand). Voorafgaande aan een sanering dient een plan van aanpak te worden opgesteld, die ter goedkeuring voorgelegd moet worden aan het bevoegd gezag (gemeente Hardenberg). Het saneren van sterk verontreinigde grond mag alleen door erkende bedrijven worden uitgevoerd. Het verminderen of verplaatsen van de sterke koperverontreiniging is niet toegestaan, zonder toestemming van het bevoegd gezag. Aanvullend en nader asbestonderzoek Uit het aanvullend asbestonderzoek (zie hoofdstuk 5) blijkt dat de inspectiegaten 2A en 14A de bron zijn van het asbestgehalte in MM FF - 02. De inspectiegaten 4A en 15A zijn asbestvrij.
Op het terreindeel waar de gaten 2A en 14A zijn gelegen is een nader asbestonderzoek verricht (zie hoofdstuk 6 en 7). Uit de resultaten van het nader asbestonderzoek blijkt dat de omvang van de sterke asbestverontreiniging in voldoende mate in kaart gebracht is. De asbestverontreiniging is vermoedelijk niet perceelsgrensoverschrijdend. De omvang van de asbestverontreiniging binnen de onderzoekslocatie wordt geschat op circa 90 m3 (circa 270 m2 x 0.30 meter). Om de sterke asbestverontreiniging geheel te ontgraven zal meer grond afgevoerd moeten worden (waaronder een deel van het ophoogzand). Er is sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging (voor een asbestverontreiniging geldt geen omvangcriterium). Om het terreindeel geschikt te maken voor toekomstig gebruik dient de sterk met asbest verontreinigde grond te worden gesaneerd. Voorafgaande aan de sanering dient een BUSmelding te worden opgesteld, die voorgelegd dient te worden aan het bevoegd gezag (provincie Overijssel). Het saneren van sterk verontreinigde bodemlagen mag alleen door erkende bedrijven worden verricht. Doorlatendheidonderzoek Uit het doorlatendheidonderzoek (zie hoofdstuk 8) blijkt dat de bodem op het zuidwestelijke terreindeel geschikt is voor infiltratie. Opgemerkt dient te worden dat elders op het terrein leemlagen worden aangetroffen vanaf 1.6 m-mv.
Hier kunnen de mogelijkheden voor bodeminfiltratie minder of zelfs ongeschikt zijn. Slotconclusie Uit milieukundig oogpunt is er, na sanering van de asbestverontreiniging en de koperverontreiniging ter plekke van boring 2, geen bezwaar tegen de bestemmingsplanwijziging en de nieuwbouwplannen, aangezien de overige vastgestelde verontreinigingen geen risico’s voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt, na sanering, geschikt geacht voor het toekomstige gebruik (wonen met tuin).
Kruse Milieu BV
Project: 20072216
Pagina 29 van 31
Standaard slotopmerkingen Het volgende dient opgemerkt te worden: gezien het verkennende karakter van dit onderzoek is het, ondanks de zorgvuldigheid waarmee het is uitgevoerd, altijd mogelijk dat eventueel lokaal voorkomende verontreinigingen niet zijn ontdekt. Hoewel voldaan wordt aan de geldende weten regelgeving, wordt tijdens een verkennend of nader bodemonderzoek een beperkt aantal boringen, inspectiegaten of inspectiesleuven verricht. Vermeld dient tevens te worden dat op basis van voorliggend onderzoek geen conclusies kunnen worden getrokken omtrent de bodemkwaliteit van andere terreindelen of aangrenzende percelen. Tenslotte dient in acht genomen te worden dat elk bodemonderzoek een momentopname is. Eventuele toekomstige calamiteiten (bijvoorbeeld brand of morsing van bodemvreemde vloeistoffen), sloopwerkzaamheden of bouwrijp maken en aanvoer van grond van elders kunnen de bodemkwaliteit (sterk) beïnvloeden.
Kruse Milieu BV
Project: 20072216
Pagina 30 van 31
11
Literatuur en bronvermelding
Informatie van de gemeente Hardenberg Verkennend bodemonderzoek, Anton Geerdesplein 8 en 9 te Slagenharen, ECO-Reest, opdrachtnummer 070722 d.d. 12 juli 2007 Verkennend bodemonderzoek, Herenstraat 78 te Slagenharen, Sigma, projectnummer 09M4775 d.d. 11 mei 2009 NEN 5725, “Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek”, NNI Delft, oktober 2017 NEN 5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, januari 2009 NEN 5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016 NEN 5707+C2, “Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond”, NNI Delft, december 2017 De kamerbrief “Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie”, Ministerie van I en W, 8 juli 2019 De kamerbrief “Aanpassing tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie”, Ministerie van I en W, geactualiseerde versie 2 juli 2020 Document “Indicatieve niveaus voor ernstige bodem- en grondwaterverontreinigingen (INEV’s) voor de stoffen PFOS, PFOA en GenX, RIVM, 15 januari 2020 Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013, Ministerie van I&M Topografische
kaarten, kaartblad 22 B, Topografische Dienst Kadaster Grondwaterkaart van Nederland, TNO Grondwater en Geo-Energie, Delft Archief Kruse Milieu BV www.overijssel.nl www.ahn.nl www.topotijdreis.nl www.dinoloket.nl
Kruse Milieu BV
Project: 20072216
Pagina 31 van 31
Bijlage I Regionale ligging locatie Boorplan verkennend (asbest)bodemonderzoek Kruse Milieu BV, januari 2021 Boorplan nader (asbest)bodemonderzoek Kruse Milieu BV, januari 2021
Herenstraat 45-47 te Slagharen
Topografische kaart
Kruse Milieu BV Kaartmateriaal: Topografische dienst Kadaster
Projectnummer: 20072216
Schaal: 1:25000
Bijlage: I
Kaartblad: 22 B
BJZ.NU BV
20
Herenstraat 45-47 7776 AH Slagharen
3 18
Da
Verkennend en nader (asbest) bodemonderzoek
st
16
rg
1
ra at
10 6 beton
gras
14
9 5
55
7
gras 47
53A
1
13
8
11
beton
51
12
4 4A
49
vml. schoolgebouw
K1
3
berging
He
vml. CV-ruimte
beton 45
re ns t ra at
17 19
84
15 15A
parkeerplaats
14 14A
18 parkeerplaats 82
= Onderzoekslocatie = Grens ruimtelijke eenheid (zie detailtekening) = Toekomstige bebouwing = Toekomstige wegen/parkeerplaatsen 80 = Kadastrale grens = Boring tot 0.5 meter diepte = Inspectiegat 30x30x50 cm = Boring tot 1.0 meter diepte = Boring tot 1.5/2.0 meter diepte = Peilbuis
2 2A
0 9
16
8
43A
25
Kruse Milieu BV Huyerenseweg 33 7678 SC Geesteren Veldwerker: JH/RV/NP
Projectcode Schaal Datum
0546 - 639663 www.krusegroep.nl Tekenaar: JK
: 20072216 : 1:500 (A3-formaat) : Januari 2021
12
BJZ.NU BV Herenstraat 45-47 7776 AH Slagharen
4 4A
beton G18
Verkennend en nader (asbest)bodemonderzoek K1
G13
G17 3
berging G14 G10
vml. CV-ruimte
45
G12
G15
G11 G16
17
G9
19
geschatte interventiewaardecontour asbestverontreiniging
14
15
G8
parkeerplaats
14A 15A G7 G6
18 geschatte interventiewaardecontour koperverontreiniging
21
G4
22
parkeerplaats
G1 geschatte achtergrondwaardecontour koperverontreiniging
2 G5
2A 24 23 G2
He re ns
G3
tr a at
9
= Onderzoekslocatie = Grens ruimtelijke eenheid = Toekomstige bebouwing = Toekomstige wegen/parkeerplaatsen = Kadastrale grens = Boring tot 0.5 meter diepte = Inspectiegat 30x30x50 cm = Boring tot 1.0 meter diepte = Boring tot 1.5/2.0 meter diepte = Peilbuis
16
8
12.5
0
Kruse Milieu BV Huyerenseweg 33 7678 SC Geesteren
Tel: 0546 - 639663 www.krusegroep.nl
Veldwerker: JH/RV/NP/BD
43A
Projectcode Schaal Datum
Tekenaar: JK
: 20072216 : 1:250 (A3-formaat) : December 2020
Bijlage II Boorstaten
1
3
bet on, m aaiveld
0
0
0
-15
1
isolat iem at eriaal -21
50
1
bet onvloer
50 2
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, licht bruin, sporen bakst een, geroerd
-135 3
zand, uit erst fijn, m at ig silt ig, m at ig hum eus, donker zwart , bruin
3 150
-180 4 200
zand, zeer fijn, zwak silt ig, neut raal bruin, rood, m at ig oer
31x30cm , zand, m at ig fijn, zwak silt ig, licht bruin, sporen bakst een, geroerd -50
100 2
150
-8
30x31cm , zand, m at ig fijn, zwak silt ig, licht beige, ophoogzand -45
-33
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, licht beige 100
klinker, m aaiveld
0
4
-115
zand, m at ig grof, zwak silt ig, zwak grindig, donker bruin, zwak bakst een, geroerd -175
leem , st erk zandig, donker grijs, grijs
200 -200
-210
t ype in sp e ct ie g a t dat um 1 1 -1 1 -2 0 2 0 boorm eest er J. H a r t m a n
leem , st erk zandig, licht grijs 250
4
300
klinker, m aaiveld
0
0 1
350
2
50
3 400 4 100
-8
31x30cm , zand, m at ig fijn, zwak silt ig, licht beige, ophoogzand -40
31x30cm , zand, zeer fijn, zwak silt ig, m at ig hum eus, donker bruin, beige, sporen zand, sporen bakst een, sporen hout , geroerd -50
450
5
zand, zeer fijn, zwak silt ig, m at ig hum eus, donker bruin, beige, sporen zand, sporen bakst een, sporen hout
6
zand, uit erst fijn, m at ig silt ig, m at ig hum eus, donker zwart , bruin, sporen bakst een
150 500
-500
geen grondwat er t ype g r on d b or in g dat um 1 1 -1 1 -2 0 2 0 boorm eest er J. H a r t m a n