Regels en toelichting bestemmingsplan 'Slagharen, herontwikkeling Herenstraat 45-47'
Tekst van het document
gevelmaatregelen worden getroffen met een wering van minimaal 2 dB wordt een binnenniveau van 33 dB gerealiseerd. Met het vaststellen van de benodigde hogere waarde ten aanzien van de geluidbelasting ten gevolge van de Herenstraat en het nemen van extra gevelmaatregelen met een gevelwering van 2 dB is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen en appartementen. 4.1.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat, mits een hogere grenswaarde wordt verleend, de Wet geluidhinder geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.2
Bodemkwaliteit
4.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijn NEN 5740. In voorliggend geval is door Kruse ter plaatse een verkennend en nader (asbest) bodemonderzoek (NEN 5740, NEN 5707 en NTA 5755) verricht. De resultaten en de conclusies van deze onderzoek zijn hierna opgenomen. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar het onderzoeksrapport die in Bijlage 1 bij deze toelichting zijn opgenomen. 4.2.2
Situatie plangebied
Verkennend (asbest)bodemonderzoek Met uitzondering van boring 2 (0.2-0.7 m-mv) zijn de overige monsters niet of slechts licht verontreinigd met parameters uit het NEN 5740 standaard-pakket. De licht verhoogde gehalten geven geen aanleiding voor nader bodemonderzoek. Het mengmonster van de bovengrond BG II is niet verontreinigd met PFAS. Het sterk verhoogde kopergehalte in boring 2 gaf aanleiding voor een nader bodemonderzoek (zie hoofdstuk 8 van de rapportage). Van de totaal 4 mengmonsters van de fijne fractie zijn er 3 niet asbesthoudend. Het gewogen asbestgehalte in MM FF - 02 is hoger dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Om meer inzicht te krijgen in de bron van de asbesthoudende grond heeft aanvullend asbest onderzoek plaatsgevonden (zie hoofdstuk 5 van de rapportage). Nader bodemonderzoek (koper) Uit het nader bodemonderzoek blijkt dat de omvang van de koperverontreiniging in voldoende mate is vastgelegd. De monsters ten behoeve van de horizontale afperking zijn niet of slechts zeer licht verontreinigd met koper. Op basis van de beschikbare gegevens wordt de omvang van de totale koperverontreiniging in geschat op circa 25 m3 (circa 50 m2 x 0.5 meter), waarvan circa 10 m3 (circa 20 m2 x 0.5 meter) sterk verontreinigd is. Saneringsmaatregelen zijn alleen noodzakelijk wanneer in de sterk verontreinigde grond wordt gewerkt of wordt gebouwd.
Er zijn bij het huidig gebruik geen blootstellingsrisico’s; de sterk verontreinigde grondlaag bevindt zich onder de klinkerverharding (met daaronder schoon ophoogzand). Voorafgaande aan een sanering dient een plan van aanpak te worden opgesteld, die ter goedkeuring voorgelegd moet worden aan het bevoegd gezag (gemeente
bestemmingsplan Slagharen, herontw ikkeling Herenstraat 45-47 | PAGINA 29
Hardenberg). Het saneren van sterk verontreinigde grond mag alleen door erkende bedrijven worden uitgevoerd. Het verminderen of verplaatsen van de sterke koperverontreiniging is niet toegestaan, zonder toestemming van het bevoegd gezag. Aanvullend en nader asbestonderzoek Uit het aanvullend asbestonderzoek (zie hoofdstuk 5) blijkt dat de inspectiegaten 2A en 14A de bron zijn van het asbestgehalte in MM FF - 02. De inspectiegaten 4A en 15A zijn asbestvrij. Op het terreindeel waar de gaten 2A en 14A zijn gelegen is een nader asbestonderzoek verricht (zie hoofdstuk 6 en 7 van de rapportage). Uit de resultaten van het nader asbestonderzoek blijkt dat de omvang van de sterke asbestverontreiniging in voldoende mate in kaart gebracht is. De asbestverontreiniging is vermoedelijk niet perceelsgrensoverschrijdend. De omvang van de asbestverontreiniging binnen de onderzoekslocatie wordt geschat op circa 90 m3 (circa 270 m2 x 0.30 meter). Om de sterke asbestverontreiniging geheel te ontgraven zal meer grond afgevoerd moeten worden (waaronder een deel van het ophoogzand). Er is sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging (voor een asbestverontreiniging geldt geen omvangcriterium). Om het terreindeel geschikt te maken voor toekomstig gebruik dient de sterk met asbest verontreinigde grond te worden gesaneerd.
Voorafgaande aan de sanering dient een BUSmelding te worden opgesteld, die voorgelegd dient te worden aan het bevoegd gezag (provincie Overijssel). Het saneren van sterk verontreinigde bodemlagen mag alleen door erkende bedrijven worden verricht. Doorlatendheidonderzoek Uit het doorlatendheidonderzoek (zie hoofdstuk 8) blijkt dat de bodem op het zuidwestelijke terreindeel geschikt is voor infiltratie. Opgemerkt dient te worden dat elders op het terrein leemlagen worden aangetroffen vanaf 1.6 m-mv. Hier kunnen de mogelijkheden voor bodeminfiltratie minder of zelfs ongeschikt zijn. Slotconclusie Uit milieukundig oogpunt is er, na sanering van de asbestverontreiniging en de koperverontreiniging ter plekke van boring 2, geen bezwaar tegen de bestemmingsplanwijziging en de nieuwbouwplannen, aangezien de overige vastgestelde verontreinigingen geen risico’s voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt, na sanering, geschikt geacht voor het toekomstige gebruik (wonen met tuin). 4.2.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat, mits de benodigde saneringen worden uitgevoerd, het aspect bodem geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.3
Luchtkwaliteit
4.3.1
Algemeen
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. In bijlage 2 van de Wet milieubeheer staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Op grond van de Wet milieubeheer, gelet op artikel 5.16 lid 4 Wet Milieubeheer geldende de volgende regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);
bestemmingsplan Slagharen, herontw ikkeling Herenstraat 45-47 | PAGINA 30
4.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 4.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.
Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig. 4.3.2
Situatie plangebied
In paragraaf 4.3.1.1 zijn voorbeelden van de lijst met categorieën van gevallen opgenomen, die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Gelet op de aard en omvang van dit project in vergelijking met de voorgenoemde categorieën, kan worden aangenomen dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tevens wordt opgemerkt dat deze ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 4.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorgenomen ontwikkeling. 4.4
Externe veiligheid
4.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid;
bestemmingsplan Slagharen, herontw ikkeling Herenstraat 45-47 | PAGINA 31
het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszones en plasbrandaandachtsgebieden). Het transporteren van gevaarlijke stoffen per buisleiding is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 4.4.2
Situatie in en bij het plangebied
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 4.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven. Het plangebied is met de blauwe omlijning aangegeven.
Afbeelding 4.1: Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart.nl) Uit de inventarisatie blijkt dat uitsluitend ten westen van het plangebied een risicobron aanwezig is. Ter plaatse van deze inrichting is een bovengrondse propaantank aanwezig. Uit nadere analyse van de risicobron volgt dan bij de hiervoor genoemde bronnen de plaatsgebonden risicocontour ten hoogste 10 meter bedraagt (PR 10-6 afstand voor het Propaantank). Aangezien de afstand van het plangebied tot de risicobron ruim 367 meter bedraagt, is een nadere verantwoording niet noodzakelijk.
bestemmingsplan Slagharen, herontw ikkeling Herenstraat 45-47 | PAGINA 32
4.4.3
Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid. 4.5
Milieuzonering
4.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.
De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 4.5.2
Gebiedstypen
Volgens de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een 'rustige woonwijk' of een 'gemengd gebied'. Een 'rustige woonwijk' is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype 'rustige woonwijk' vergelijkbaar omgevingstype. Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Qua omgevingstype is het plangebied aan te merken als 'gemengd gebied' dit vanwege het feit dat er sprake is van functiemenging. Direct naast het plangebied komt detailhandel, woningen en maatschappelijke bestemmingen voor.
Milieucategor Richtafstanden tot omgevingstype Richtafstanden tot omgevingstype ie rustige woonwijk gemengd gebied
bestemmingsplan Slagharen, herontw ikkeling Herenstraat 45-47 | PAGINA 33
1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
4.5.3
Beoordeling
0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
4.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Er dient bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 4.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie ‘wonen’ is niet milieubelastend voor de omgeving. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. 4.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. In de omgeving van het plangebied zijn een aantal milieubelastende functies aanwezig waarmee rekening moet worden gehouden. In de onderstaande tabel zijn de bestemmingen benoemd welke eventueel van invloed kunnen zijn op het plangebied.
Tevens is aangegeven onder welke categorie de functies in de bestemming valt, welke richtafstand voor het omgevingstype gemengd gebied geadviseerd wordt en wat de afstand van deze bestemmingen tot de woningen in het plangebied is. Functie Categorie Richtafstand gemengd Daadwerkelijke afstand in gebied in meters meters (bestemmingsvlak bouwvlak) Basisschool de 2 10 12 Vonder Veenstraat 2 Fitness 2 10 80 Veenstraat 1 Tandartsenpraktijk 1 0 13 Anton Geerdesplein 8 Fitness 2 10 98 Anton Geerdesplein 5 Huisartsenpraktijk 1 0 62 Anton Geerdesplein 6 Motorfietsreparatie 2 10 24 Herenstraat 78
bestemmingsplan Slagharen, herontw ikkeling Herenstraat 45-47 | PAGINA 34
Fietsenwinkel Herenstraat 82 Detailhandel (bloemist) Herenstraat 49
2
10
30
1
0
7
De dichtstbijzijnde milieubelastende functies zijn gelegen buiten de richtafstanden. Dit betekent dat de beoogde woningen en appartementen in het plangebied geen hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. Daarom wordt geconcludeerd dat ter plaatse van het plangebied sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omgekeerd resulteert de voorgenomen ontwikkeling niet in een beperking voor de bedrijvigheid van omliggende bedrijven. 4.5.4
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 4.6
Ecologie
4.6.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebiedsen soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuur Netwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 4.6.2
Gebiedsbescherming
4.6.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 29 mei 2019 (zie: AbRS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603 en ECLI:NL:RVS:2019:1604) besloten dat het Programma Aanpak Stikstof (hierna: PAS) niet gebruikt mag worden als basis om toestemming te verlenen voor activiteiten die leiden tot een stikstoftoename ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen en soorten in Natura 2000-gebieden. Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied is 'Vecht en Beneden-Regge' op een afstand van circa 11,1 kilometer. Om de gevolgen van de gewenste ontwikkeling wat betreft stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in kaart te brengen is een AERIUS-berekening door BJZ.nu uitgevoerd. Deze is in bijlage 3 bij deze toelichting bijgevoegd. In de komende alinea worden de belangrijkste conclusies uiteengezet. Voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase is geen sprake van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j.
Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. Tot slot wordt opgemerkt dat, vanwege de ruime afstand van het plangebied tot Natura 2000-gebieden, op voorhand wordt geconcludeerd dat het voornemen door geluid, licht of trillingen geen negatieve effecten veroorzaakt voor Natura 2000-gebieden.
bestemmingsplan Slagharen, herontw ikkeling Herenstraat 45-47 | PAGINA 35
4.6.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij' - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het NNN. De dichtstbijzijnde gronden die zijn aangemerkt als NNN liggen op circa 3,1 kilometer van het plangebied. Gezien de afstand tot het NNN en de aard en omvang van de ontwikkeling wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. 4.6.3
Soortenbescherming
4.6.3.1 Algemeen Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. 4.6.3.2 Situatie plangebied In het kader van voorliggende ontwikkeling is door Alcedo Natuurprojecten een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten uit het onderzoek opgenomen. Voor het volledige rapport wordt verwezen naar bijlage 4 bij deze toelichting. Tijdens het veldbezoek zijn er geen jaarrond beschermde nesten van vogels aangetroffen. Ten aanzien van de voorgenomen plannen is het niet noodzakelijk vervolgonderzoek uit te voeren volgens kennisdocumenten huismus of gierzwaluw. Daarnaast is het ten aanzien van de voorgenomen plannen is niet noodzakelijk vervolgonderzoek uit te laten voeren volgens het vleermuisprotocol 2017, omdat kan worden uitgesloten dat er ter plaatse vaste verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. De onderzochte locatie ligt op meer dan 3 kilometer afstand van Natuurnetwerk Overijssel en op meer dan 3 kilometer afstand van een N2000 gebied, maar de aard van de geplande werkzaamheden is van dien aard dat de kernwaarden van NN Overijssel niet zal worden aangetast.
De aanvraag voor een ontheffing inzake de Wnb bij Provincie Overijssel is niet noodzakelijk. Aangezien is gebleken dat de onderzochte locatie zeer arm is aan vogelsoorten zoals huismussen, wordt geadviseerd voorzieningen te treffen in de nieuwbouw die er toe leiden dat deze geschikt wordt voor bewoning door huismussen. Dat kan door middel van vogelvides in de dakrand of door middel van plaatsing van mussenkasten (inbouw) aan de gevel. Tevens wordt geadviseerd om ook voor vleermuizen speciale inbouwkasten te plaatsen. 4.6.4
Conclusie
Er is geen nader ecologisch onderzoek vereist en er hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden om de werkzaamheden uit te mogen voeren, overeenkomstig wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden. Het aspect ecologie vormt dan ook geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
bestemmingsplan Slagharen, herontw ikkeling Herenstraat 45-47 | PAGINA 36
4.7
Archeologie & cultuurhistorie
4.7.1
Archeologie
4.7.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 4.7.1.2 Situatie plangebied De gemeente Hardenberg heeft de archeologische verwachting verwerkt in de dubbelbestemmingen in de beheersverordening. Ten aanzien van de locatie aan de Herenstraat 45-47 geldt dat hier geen dubbelbestemming zijn opgenomen. Voor deze locaties is een archeologisch onderzoek dan ook niet noodzakelijk. 4.7.2
Cultuurhistorie
4.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 4.7.2.2 Situatie plangebied Het plangebied zelf kent geen bijzondere cultuurhistorische waarden. In de nabijheid van het plangebied bevinden zich tevens geen rijks- of gemeentelijke monumenten. 4.7.3
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat in het kader van dit plan geen sprake is van negatieve effecten op de archeologische en cultuurhistorische waarden. 4.8
Besluit milieueffectrapportage
4.8.1
Algemeen
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en
bestemmingsplan Slagharen, herontw ikkeling Herenstraat 45-47 | PAGINA 37
D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. 4.8.2
Situatie plangebied
4.8.2.1 Passende beoordeling Met dit bestemmingsplan wordt voorzien in het realiseren van 48 woningen met bijbehorende voorzieningen. Gelet op de ruime afstand tot Natura-2000 gebieden alsmede de resultaten uit het stikstofonderzoek (zie ook 4.6.2.1) wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van de aantasting van de instandhoudingsdoelstelingen van een Natura-2000 gebied. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8, lid 1 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk, aangezien er geen significante negatieve effecten zijn te verwachten. Er is dus geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. 4.8.2.2 Drempelwaarde Besluit m.e.r. Voor de ontwikkeling is een aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling opgesteld. Uit deze aanmeldnotitie is gebleken dat ten gevolge van het plan geen significant negatieve effecten op de omgeving zullen optreden. Voor een uitgebreide beschrijving van de milieueffecten wordt verwezen naar de aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling, opgenomen in bijlage 5 van deze toelichting. 4.8.3
Conclusie
Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Er zijn eveneens geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.
bestemmingsplan Slagharen, herontw ikkeling Herenstraat 45-47 | PAGINA 38
Hoofdstuk 5
Wateraspecten
5.1
Vigerend beleid
5.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 5.1.2
Rijksbeleid
Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 5.1.3
Provinciaal beleid
In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 5.1.4
Waterschap Vechtstromen
Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het algemeen bestuur van waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 7 oktober het 'Waterbeheerplan 2016-2021' vastgesteld. In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2016 tot 2021) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op: voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte; beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem; het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties.
bestemmingsplan Slagharen, herontw ikkeling Herenstraat 45-47 | PAGINA 39
5.2
Waterparagraaf
5.2.1
Algemeen
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 5.2.2
Watertoetsprocedure
Algemeen Het Waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De digitale watertoets heeft geleid dat de zogenaamde 'normale procedure' van de watertoets van toepassing is. In dit kader is in december (2020) contact geweest met het waterschap. Het waterschap heeft hierin advies uitgebracht ten aanzien van de invulling van de waterparagraaf. Hier is in deze paragraaf rekening mee gehouden. Het watertoetsresultaat is opgenomen in Bijlage 6 bij deze toelichting. Hierna wordt ingegaan op de waterhuishoudkundige aspecten in het plangebied. Waterhuishoudkundige aspecten plangebied Algemeen Het plangebied is gelegen in de bebouwde kom van Slagharen. De locatie bevindt zich niet binnen een grondwaterbeschermings-, intrek- of waterwingebied. Grondwater Binnen het plangebied zijn geen gevallen van grondwateroverlast bekend. Oppervlaktewater In de huidige situatie is geen oppervlaktewater aanwezig en het plan voorziet niet in de aanleg van nieuw oppervlaktewater. Hemelwater Het schoonhemelwater wordt zoveel mogelijk in het plangebied vastgehouden en met een overstort afgevoerd. De definitieve uitwerking van de omgang met het hemelwater wordt bij de uitvoering nader uitgewerkt. Gedacht wordt aan infiltratiekratten of infiltratievoorzieningen ter plaatse van de groenelementen in het plangebied.
Afvalwater Het afvalwater wordt net als in de huidige situatie afgevoerd naar de riolering. Het rioolstelsel wordt dusdanig uitgevoerd dat het afvalwater van het toekomstige aantal vervuilingseenheden kan worden afgevoerd. Dit temeer doordat ter plaatse van het plangebied tevens functies komen te vervallen.
bestemmingsplan Slagharen, herontw ikkeling Herenstraat 45-47 | PAGINA 40
Hoofdstuk 6 6.1
Juridische aspecten en planverantwoording
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is. 6.2
Opzet van de regels
6.2.1
Algemeen
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. Hoofdstuk 1 Inleidende regels; 2. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels; 3. Hoofdstuk 3 Algemene regels; 4. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels. 6.2.2
Inleidende regels
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd. Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. 6.2.3
Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bouwhoogte, goothoogte
bestemmingsplan Slagharen, herontw ikkeling Herenstraat 45-47 | PAGINA 41
etc.); Afwijken van de bouwregels: onder welke voorwaarde(n) mag afgeweken worden van de aangegeven bouwregels. Specifieke gebruiksregels: welk gebruik van gronden en opstallen in ieder geval strijdig zijn of onder welke voorwaarden toegestaan zijn; Afwijken van de gebruiksregels: onder welke voorwaarde(n) mag afgeweken worden van de aangegeven bestemming en/of specifieke gebruiksregels. In paragraaf 6.3 worden de bestemmingen nader toegelicht en wordt aangegeven waarom voor bepaalde gronden voor de desbetreffende bestemming is gekozen. 6.2.4
Algemene regels
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: Artikel 4 Anti-dubbeltelregel Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van (bijvoorbeeld) een maximaal bebouwingspercentage. Artikel 5 Algemene afwijkingsregels In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. Artikel 6 Overige regels In dit artikel worden de overige regels beschreven, waaronder de afstemming met de welstand en APV, uitsluiting van seksinrichtingen en de verplichting om voldoende parkeerplaatsen aan te leggen. 6.2.5
Overgangs- en slotregels
In Hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In het overgangsrecht is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd. 6.3
Verantwoording van de regels
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes onderbouwd. Woongebied (Artikel 3) Het gehele plangebied is bestemd als Woongebied. Gronden met deze bestemming zijn onder meer bestemd voor het wonen en tevens voor aan huis verbonden beroepen, verkeers- en verblijfsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, openbare nutsvoorzieningen, groenvoorzieningen, speelvoorzieningen en water. Ten aanzien van de bouwregels is onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouwen, bijgebouwen en overkappingen, bouwwerken, geen gebouw zijnde en gebouwen/bouwwerken ten behoeve van openbare nutsvoorzieningen.
De voorgenomen aaneengebouwde woningen en appartementen zijn allen voorzien van een eigen bouwvlak met bijbehorende maatvoeringseisen. Zo is per bouwvlak bepaald hoeveel
bestemmingsplan Slagharen, herontw ikkeling Herenstraat 45-47 | PAGINA 42
woningen in het bouwvlak zijn toegestaan en welke maximale goot- en bouwhoogten er gelden. Daarnaast zijn ten aanzien van de overige gebouwen en bouwwerken tevens maatvoeringseisen opgenomen.
bestemmingsplan Slagharen, herontw ikkeling Herenstraat 45-47 | PAGINA 43
Hoofdstuk 7
Economische uitvoerbaarheid
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggende geval wordt een exploitatieovereenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente, met daarin o.a. ook afspraken over inrichting openbare ruimte en overdracht openbare ruimte aan gemeente.
bestemmingsplan Slagharen, herontw ikkeling Herenstraat 45-47 | PAGINA 44
Hoofdstuk 8 8.1
Vooroverleg, inspraak en zienswijzen
Vooroverleg
Op grond van artikel 3.1.1 Bro is vooroverleg vereist met het waterschap en met de diensten van de provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. 8.1.1
Het Rijk
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 8.1.2
Provincie Overijssel
Het bestemmingsplan wordt in het kader van het vooroverleg naar de provincie toegezonden. 8.1.3
Waterschap Vechtstromen
Zoals in Hoofdstuk 5 aangegeven heeft de watertoets plaats gevonden via de website www.dewatertoets.nl. Deze toets resulteerde in een ‘normale procedure’. Het bestemmingsplan zal in het kader van het vooroverleg worden voorgelegd aan het waterschap. 8.2
Inspraak
Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In het voorliggende geval wordt geen voorontwerp ter inzage gelegd. De buurt is door middel van een brief op de hoogte gesteld van de ontwikkelingen aan de Herenstraat. Eventuele belanghebbenden kunnen reageren op de voorgenomen ontwikkeling.
8.3
Zienswijzen
Deze paragraaf wordt ingevuld na afloop van de ter inzage legging van het ontwerpbestemmingsplan.
bestemmingsplan Slagharen, herontw ikkeling Herenstraat 45-47 | PAGINA 45
bestemmingsplan Slagharen, herontw ikkeling Herenstraat 45-47 | PAGINA 46
Bijlagen bij de toelichting
bestemmingsplan Slagharen, herontw ikkeling Herenstraat 45-47 | PAGINA 47
Bijlage 1
Bodemonderzoek
bestemmingsplan Slagharen, herontw ikkeling Herenstraat 45-47 | PAGINA 48
VERKENNEND EN NADER (ASBEST)BODEMONDERZOEK conform NEN 5740, NEN 5707 en NTA 5755
Herenstraat 45-47 - Slagharen
Opdrachtgever: BJZ.NU BV Locatie: Herenstraat 45-47 7776 AH Slagharen Januari 2021
Kruse Milieu BV Adres: Huyerenseweg 33 7678 SC Geesteren
Internet: info@krusegroep.nl www.krusegroep.nl
Tel: 0546 - 63 96 63 Bankgegevens: KvK: 06068751 ABN AMRO: BTW-nr: NL 8019.25.125.B01 NL34ABNA0501538739
Rapport Verkennend en Nader (Asbest)bodemonderzoek conform NEN 5740, NEN 5707 en NTA 5755 Herenstraat 45-47 - Slagharen
Opdrachtgever: BJZ.NU BV Twentepoort Oost 16a 7609 RG Almelo
Locatie: Herenstraat 45-47 7776 AH Slagharen Projectcode: 20072216 Rapportagedatum: 14 januari 2021 Auteur: ing. J.L. Kienstra
Kruse Milieu BV
INHOUD Pagina 1
Inleiding
1
2 2.1 2.2 2.3
Locatiegegevens Beschrijving huidige situatie Vooronderzoek Bodemsamenstelling en geohydrologie
3 3 3 4
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5
Uitvoering bodemonderzoek Onderzoeksstrategie Veldwerkzaamheden Analyses Toetsing chemische analyses Toetsing asbestanalyses
5 5 6 6 7 8
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7
Resultaten Algemeen Veldwerkzaamheden Resultaten en toetsing van de chemische analyses Bespreking resultaten chemische analyses Resultaten van de asbestanalyses Bespreking resultaten asbestanalyses Herbemonstering grondwater
9 9 9 12 13 14 14 14
5.1 5.2 5.3 5.4
Aanvullend asbestonderzoek Inleiding en strategie Veldwerkzaamheden aanvullend asbestonderzoek Resultaten van de asbestanalyses aanvullend asbestonderzoek Bespreking asbestanalyses aanvullend asbestonderzoek
16 16 16 17 17
6.1 6.2 6.3 6.4 6.5
Nader asbestonderzoek Onderzoeksstrategie (fase 1) Analyses (fase 1) Veldwerkzaamheden (fase 1) Resultaten asbestanalyses nader onderzoek (fase 1) Bespreking resultaten asbestanalyses (fase 1)
18 18 18 18 19 20
7.1 7.2 7.3 7.4 7.5
Nader asbestonderzoek (fase 2) Onderzoeksstrategie nader asbestonderzoek (fase 2) Analyses (fase 2) Veldwerkzaamheden (fase 2) Resultaten asbestanalyses nader onderzoek (fase 2) Bespreking resultaten asbestanalyses (fase 2)
21 21 21 21 22 22
8.1 8.2 8.3 8.4 8.5
Uitvoering nader bodemonderzoek (koper) Conceptueel model nader bodemonderzoek Onderzoeksstrategie nader bodemonderzoek (koper) Veldwerkzaamheden nader bodemonderzoek (koper) Resultaten van de chemische analyses nader bodemonderzoek (koper) Bespreking resultaten chemische analyses nader bodemonderzoek (koper)
23 23 23 23 24 25
3
4
5
6
7
8
Kruse Milieu BV
Project: 20072216
9
Resultaten doorlatendheidonderzoek
26
10
Samenvatting, conclusies en aanbevelingen
27
11
Literatuur en bronvermelding
31
Bijlagen I Regionale ligging locatie Boorplan verkennend bodemonderzoek Kruse Milieu BV, januari 2021 Boorplan nader (asbest)bodemonderzoek Kruse Milieu BV, januari 2021 II Boorstaten en legenda boorstaten III Resultaten chemische analyses en toetsing chemische analyses IV Resultaten asbestanalyses en concentratieberekeningen V Resultaten k-waardebepaling VI Verklaring van enkele gebruikte termen en afkortingen Kruse Milieu BV
Project: 20072216
1
Inleiding
Dit rapport beschrijft het verkennend en nader (asbest)bodemonderzoek, dat in opdracht van BJZ.NU BV op het terrein aan de Herenstraat 45-47 in Slagharen door Kruse Milieu BV is uitgevoerd. De aanleiding van dit onderzoek is de bestemmingsplanwijziging en de geplande woningbouw. Het bodemonderzoek is noodzakelijk in het kader van de bestemmingsplanwijziging en de aanvraag van de omgevingsvergunning. Hiervoor dient de milieukundige kwaliteit van de bodem bekend te zijn. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een standaard vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN 5725. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat de bovengrond verdacht is voor de aanwezigheid van asbest. In verband met het mogelijke gebruik van PFAS-houdend blusschuim tijdens een brand in 1999 wordt de (oorspronkelijke) bovengrond beschouwd als verdacht voor PFAS. Voor de mogelijke aanleg van een infiltratieriool zal de doorlatendheid van de bodem (k-waarde) op 1 plek worden bepaald (zie hoofdstuk 6). Aanleiding voor het nader (asbest)bodemonderzoek wordt gevormd door de resultaten van het verkennend (asbest)bodemonderzoek, waarbij in de bovengrond van boring 2 een sterk verhoogd kopergehalte is aangetoond en in het mengmonster van de fijne fractie MM FF - 02 het gewogen asbestgehalte de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek overschrijdt.
De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN 5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond” - de aanvulling NEN 5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016; - NEN 5725, “Bodem. Leidraad bij het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend, oriënterend en nader onderzoek”, NNI Delft, oktober 2017; - NEN 5707 + C2, “Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond”, NNI Delft, december 2017; - NEN 5897, “Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat” NNI Delft, augustus 2015; - NTA 5755, "Bodem - Landbodem. Strategie voor het uitvoeren van nader onderzoek Onderzoek naar de aard en omvang van bodemverontreiniging", NNI Delft, juli 2010. De doelstelling van het onderzoek op een onverdachte locatie is aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs gesproken geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of het freatisch grondwater.
De doelstelling van het onderzoek op de (asbest)verdachte locatie is vast te stellen of de vooronderstelde verontreinigingskern ook daadwerkelijk op de vermoede plaats aanwezig is en in hoeverre de verontreinigende stoffen in de grond en het freatisch grondwater respectievelijk de achtergrond-, norm- en de streefwaarden overschrijden. Het veldwerk is uitgevoerd in november en december 2020 conform BRL SIKB 2000 en de protocollen 2001, 2002 en 2018 waarvoor Kruse Milieu BV is gecertificeerd. Hierbij wordt verklaard dat Kruse Milieu BV financieel en juridisch onafhankelijk is van de opdrachtgever. In dit rapport worden de resultaten besproken van het veld- en het laboratoriumonderzoek. De gemeten gehalten in de grond worden vergeleken met de achtergrondwaarden (AW 2000) en de interventiewaarden om vast te stellen of er al dan niet verontreinigingen aanwezig zijn. De in het grondwater gemeten gehalten worden vergeleken met de streef- en interventiewaarden. Kruse Milieu BV
Project: 20072216
Pagina 1 van 31
Tevens worden de resultaten met betrekking tot asbest vergeleken met de wetgeving inzake asbest in bodem en puin, welke door de ministeries van SZW en I&M is vastgesteld. In het beleid is voor asbest een restconcentratienorm en een interventiewaarde opgenomen.
Kruse Milieu BV
Project: 20072216
Pagina 2 van 31
2
Locatiegegevens 2.1
Beschrijving huidige situatie
Algemeen De onderzoekslocatie is gelegen aan de Herenstraat 45-47, binnen de bebouwde kom van Slagharen. Het centrale punt binnen het te onderzoeken terrein heeft de RD-coördinaten x = 233.858 en y = 516.496. Het terrein is kadastraal bekend als: gemeente Ambt-Hardenberg, sectie W, nummers 271, 272 en 1153. De Herenstraat bevindt zich ten zuidwesten van de onderzoekslocatie. Bebouwing en verharding Binnen de onderzoekslocatie staat een pand, dat tot voor kort gebruikt werd door de Zwarte Markt (detailhandel). Het omliggende terrein is grotendeels in gebruik als parkeerterrein (klinkerverharding) en een deel is begroeid met gras. Inpandig bevinden zich een verkoopruimte, een kantoor, een keuken en toiletgroepen. Het pand is voorzien van een betonvloer. Onderzoekslocatie In het kader van de geplande bestemmingsplanwijziging en de aanvraag van de omgevingsvergunning is een bodemonderzoek noodzakelijk. De onderzoekslocatie omvat circa 7700 m². In bijlage I zijn de regionale ligging van de locatie weergegeven en is het boorplan opgenomen. 2.2
Vooronderzoek
In het vooronderzoek komt naast informatie uit het huidige gebruik het vroegere gebruik van het terrein aan de orde evenals de vraag of er in het verleden reeds bodemonderzoeken zijn verricht op het terrein. Het vroegere gebruik van het terrein is van belang, omdat bronnen van verontreiniging aanwezig geweest kunnen zijn. Er is navraag gedaan bij de opdrachtgever, de eigenaar en de gemeente Hardenberg. De volgende informatie is verzameld: - De onderzoekslocatie heeft al jaren de huidige bestemming (detailhandelsbedrijven). Het huidige pand dateert van 1999. Daarvoor was het terrein bebouwd met een voormalige school (landbouw- en huishoudschool), die dateerde van circa 1960. Sinds 1989 werd de voormalige school in gebruik genomen door de Zwarte Markt. Voor 1960 was het terrein in gebruik als landbouwgrond. In 1999 is het oude (school)pand afgebrand en is het huidige pand gebouwd. Op kadastraal perceel 271 was tot medio jaren ’80 van de vorige eeuw een woning aanwezig. Ten oosten van deze woning bevond zich een onverhard landweggetje, dat de kadastrale percelen 271 en 1153 doorkruiste. - Er waren, zover bekend, geen (onderhouds)werkplaatsen in gebruik in de landbouwschool. Voor zover bekend hebben er geen verdachte activiteiten plaatsgevonden. - Er zijn geen gegevens bekend van een voormalige brandstoftank op de onderzoekslocatie.
Op het zuidwestelijke deel van de voormalige school was voorheen een CV-ruimte aanwezig. Wanneer er een brandstoftank heeft gelegen dan is de verwachting dat deze in de nabijheid van de CV-ruimte was gelegen. - Voor zover bekend is de onderzoekslocatie in het verleden niet opgehoogd en hebben er geen dempingen van lager gelegen delen of sloten plaatsgevonden. Na de brand in 1999 is het terrein geheel heringericht, waarbij een groot deel van de bovengrond is afgevoerd en een deel is hergebruikt op het onverharde deel van het terrein. - Het is niet bekend in hoeverre de brand (en het eventuele gebruik van blusschuim) in 1999 de bodemkwaliteit heeft beïnvloed. Ook is niet bekend of er asbest is vrijgekomen tijdens de brand. Gezien het hoogteverschil van het toen grotendeels verharde terrein is het aannemelijk dat het bluswater is weggestroomd in zuidwestelijke richting (richting de Herenstraat). Kruse Milieu BV
Project: 20072216
Pagina 3 van 31
- Voor zover bekend bevinden zich geen asbesthoudende beschoeiingen of sloopafval direct naast of op de onderzoekslocatie. Tevens is de locatie niet gelegen aan een asbestweg. - Er is nog niet eerder een bodemonderzoek uitgevoerd op het terrein. - De volgende onderzoeken zijn in de directe omgeving van de onderzoekslocatie verricht: Verkennend bodemonderzoek, Anton Geerdesplein 8 en 9 te Slagenharen, ECO-Reest, opdrachtnummer 070722 d.d. 12 juli 2007 Uit de resultaten van dit onderzoek bleek het volgende; Bovengrond (zintuiglijk schoon): niet verontreinigd; Bovengrond (zwak puinhoudend): licht verontreinigd met PAK; Ondergrond: niet verontreinigd Grondwater: niet onderzocht. Verkennend bodemonderzoek, Herenstraat 78 te Slagenharen, Sigma, projectnummer 09M4775 d.d. 11 mei 2009 Uit de resultaten van dit onderzoek bleek het volgende; Bovengrond: niet verontreinigd; Ondergrond: niet verontreinigd Grondwater: niet verontreinigd. 2.3
Bodemsamenstelling en geohydrologie
Op basis van literatuurstudie is de onderstaande regionale geohydrologische situatie afgeleid: - Het maaiveld bevindt zich circa 10 meter boven NAP; - De morfologie van het gebied rondom de onderzoekslocatie is niet direct beïnvloed door de ligging van stuwwallencomplexen; - Vanaf maaiveld tot circa 38 meter diepte bestaat de bodem uit fijne en grove zanden van de formaties Boxtel, Drente, Drachten en Urk. - Onder het eerste watervoerende pakket is tot circa 42 meter diepte een eerste kleiige eenheid van de Formatie van Peize aanwezig; - Het tweede watervoerend pakket is onder te verdelen in een bovenste ‘grof’ en een onderste ‘fijn’ pakket. De voornamelijk plio-peistocene afzettingen behoren tot de formaties van Peize, Waalre en Oosterhout. Het pakket zet zich door tot een diepte van circa 140 meter -NAP; - Het freatisch grondwater bevindt zich op circa 1.5 meter min maaiveld. Volgens de Grondwaterkaart van Nederland stroomt het freatisch grondwater in noordoostelijke richting; - In de directe omgeving bevindt zich geen waterwingebied. Het terrein is niet in een grondwaterbeschermingsgebied gelegen; - Op circa 1 kilometer ten (zuid)oosten van de onderzoekslocatie stroomt de Lutterhoofdwijk. De invloed van deze watergang op de lokale stand en stromingsrichting van het freatische grondwater is bij ons bureau niet bekend.
Kruse Milieu BV
Project: 20072216
Pagina 4 van 31
3
Uitvoering bodemonderzoek 3.1
Onderzoeksstrategie
De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN 5707 + C2, “Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond”, NNI Delft, december 2017; - NEN 5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, januari 2009; - NEN 5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016. De onderzoeksstrategie alsmede het boorplan zijn afgestemd met de Omgevingsdienst IJsselland. In de normen NEN 5740 en NEN 5707 zijn voor onverdachte en verdachte locaties richtlijnen gegeven voor een systematisch veldonderzoek, de bemonsteringsstrategie en de uit te voeren analyses. De gekozen onderzoeksstrategie is voldoende intensief voor het verkrijgen van inzicht in de bodemkwaliteit ten behoeve van de omgevingsvergunning, bestemmingsplanwijziging of eigendomsoverdracht. De hypothese "onverdachte locatie" uit norm NEN 5740 (niet-lijnvormige locatie, ONV-NL), verdacht uit norm NEN 5707 (verdacht, heterogeen verdeeld, VED-HE) worden voor de onderzoekslocatie gebruikt. Beide strategieën worden gecombineerd. De boringen tot 0.5 meter diepte worden vervangen door inspectiegaten.
Met het oogpunt op een mogelijke ondergrondse HBO-tank wordt op verzoek van de Omgevingsdienst IJsselland nabij de voormalige CV-ruimte een diepe boring uitgevoerd. Alle boringen worden doorgezet tot ongeroerde grond. In verband met de brand in 1999 en het mogelijk gebruik van PFAS-houdend blusschuim wordt 1 mengmonster van de (oorspronkelijke) bovengrond aanvullend op PFAS onderzocht. Ter plekke van de betonverharding in het pand worden, in afwijking van norm NEN 5707 boringen van 120 mm verricht. Er wordt geen significante invloed op de analyseresultaten verwacht als gevolg van deze afwijking op de richtlijnen. Tijdens het veldwerk zal visueel worden gelet op de aanwezigheid van asbestverdacht materiaal op en in de bodem. Voor de mogelijke aanleg van een infiltratieriool zal de doorlatendheid van de bodem (k-waarde) op 1 plek worden bepaald (zie hoofdstuk 9). Bij percentages bodemvreemd materiaal van meer dan 50% is er geen sprake van bodem. Eventuele funderingslagen (asfalt- en puingranulaat) vallen buiten de scope van dit onderzoek. Het opgeboorde materiaal wordt wel beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. In geval er sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal/puin is norm NEN 5897+C2 van toepassing: “Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat” NNI Delft, december 2017.