Regels en toelichting bestemmingsplan 'Buitengebied Hardenberg, Geert Migchelsweg 18a, Slagharen'
Tekst van het document
Filterstelling (m-mv)
Grondwaterstand (m-mv)
pH (-)
EC (μS/cm)
Troebelheid (NTU)
Toestroming
1
2.8 - 3.8
1.80
7.0
150
41
Goed
De waarden voor de pH en de EC worden normaal geacht. In het grondwatermonster is een hogere troebelheid gemeten dan voor natuurlijke troebelheid verwacht wordt (≥10 NTU). De peilbuis heeft voldoende rusttijd gehad na plaatsing (minimaal een week). Ook is de peilbuis zorgvuldig en met een voldoende laag debiet afgepompt waardoor aangenomen wordt dat er geen sprake is geweest van een verstoord bodemevenwicht tijdens monsterneming, en dat de gemeten waarde voor troebelheid een natuurlijke oorzaak heeft. 4.3
Resultaten en toetsing van de chemische analyses
In algemene zin dient opgemerkt te worden dat indien de analyses van de grondmonsters zijn uitgevoerd op mengmonsters, dit kan betekenen dat de gehaltes hoger kunnen zijn in de individuele monsters. De analyseresultaten en de toetsingstabellen zijn weergegeven in bijlage III. Bij de toetsing van de analyseresultaten aan de landelijke achtergrondwaarden en de interventiewaarden worden deze eerst omgerekend naar een gestandaardiseerde meetwaarde (GSSD). Bij de toetsing van de grondresultaten wordt daarbij gebruik gemaakt van de gemeten percentages lutum en organische stof in de grond(meng)monsters. De analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters zijn volgens BoToVa getoetst aan de achtergrond-, streef- en interventiewaarden. In de bovengrond (BG II en BG III) en in het grondwater zijn enkele van de onderzochte stoffen in (zeer) licht verhoogde concentraties aangetoond. Deze zijn weergegeven in tabel 5. In de bovengrond (BG I) en de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten gemeten. Tabel 5: Verhoogde concentraties (mg/kg droge stof of μg/l).
1
Monster
Component
Gemeten concentratie
GSSD
Achtergrondwaarde1 of Streefwaarde
Interventiewaarde
BG II
Lood PCB
61 0.026
89.86 * 0.0461 *
80 0.02
530 1
BG III
Zink
93
206.5 *
140
720
AW2000
Kruse Milieu BV
Project: 20004416
Pagina 11 van 21
Vervolg tabel 5: Verhoogde concentraties (mg/kg droge stof of μg/l).
1
Monster
Component
Peilbuis 1
Barium Koper Zink
Gemeten concentratie
GSSD
Achtergrondwaarde1 of Streefwaarde
Interventiewaarde
190 19 120
190 * 19 * 120 *
50 15 65
625 75 800
AW2000
In de vierde kolom van tabel 5 wordt het toetsingsresultaat overeenkomstig BoToVa als volgt aangeduid: concentratie kleiner of gelijk aan AW of S; * concentratie groter dan AW of S en kleiner of gelijk aan T; ** concentratie groter dan T en kleiner of gelijk aan I; *** concentratie groter dan I. 4.4
Bespreking resultaten chemische analyses
Zoals in de vorige paragraaf is weergegeven, zijn er enkele verontreinigingen aangetoond. In deze paragraaf worden mogelijke verklaringen gegeven voor de analyseresultaten. Bovengrond - BG II en BG III - Lood, zink en PCB Zoals reeds beschreven in paragraaf 3.1, zijn verontreinigingen in de grond met metalen niet ongebruikelijk op locaties, waar al tientallen jaren sprake is geweest van bebouwing en bewoning. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is het uitvoeren van een nader onderzoek niet noodzakelijk. Grondwater - Peilbuis 1 - Barium, koper en zink De zeer licht verhoogde gehalten aan barium, koper en zink in het grondwater zijn waarschijnlijk te wijten aan plaatselijk (natuurlijk) verhoogde achtergrondwaarden. In de ondergrond zijn roesthoudende lagen waargenomen, wat duidt op de natuurlijke aanwezigheid van metalen in de bodem. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is het uitvoeren van een nader onderzoek niet noodzakelijk. 4.5
Resultaten van de asbestanalyses
In bijlage IV zijn de analyserapporten en de concentratieberekening van het asbestonderzoek opgenomen. De gewogen asbestgehalten zijn in tabel 6 weergegeven. Tabel 6: Gewogen asbestconcentratie (mg/kg droge stof). Component
Gewogen asbestconcentratie
Achtergrondwaarde
Interventiewaarde
Gat 1A, 11, 12, 14 en 15
Asbest
n.a.
-
100
Gat 2, 3, 6 en 7
Asbest
n.a.
-
100
Gat 4 en 5
Asbest
n.a.
-
100
Gat 8
Asbest
313
-
100
Gat 9
Asbest
160
-
100
Gat A1, A2 en A3
Asbest
11
-
100
Gat B1, B2 en B3
Asbest
9.7
-
100
Inspectiegat
Kruse Milieu BV
Project: 20004416
Pagina 12 van 21
Vervolg tabel 6: Gewogen asbestconcentratie (mg/kg droge stof). Inspectiegat
Component
Gewogen asbestconcentratie
Achtergrondwaarde
Interventiewaarde
Gat C1 en C2
Asbest
4.6
-
100
Gat D1, D2 en D3
Asbest
19
-
100
Gat E1, E2 en E3
Asbest
n.a.
-
100
Gat F1, F2 en F3
Asbest
2.4
-
100
In de derde kolom van tabel 6 wordt de volgende codering toegepast: n.a. : Geen asbest aangetoond. Normaal : Het gehalte is lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Onderstreept : Overschrijding van de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Vet : Overschrijding van de interventiewaarde. 4.6
Bespreking resultaten asbestanalyses
Zoals in paragraaf 4.5 is weergegeven, is er in de inspectiegaten 8 en 9 asbest aangetoond in een gehalte hoger dan de interventiewaarde. Het asbestgehalte wordt voornamelijk veroorzaakt door de visueel aangetroffen asbesthoudende materialen in de grove fractie (>20 mm). In de fijne fractie van inspectiegat 8 is geen asbest aangetoond en in de fijne fractie van inspectiegat 9 is asbest aangetoond in een gehalte ruim lager dan de toetsingswaarde voor een nader asbestonderzoek. In de mengmonsters van de fijne fractie van de overige inspectiegaten op het terrein is geen asbest aangetoond. Op basis van de resultaten en de visuele waarnemingen wordt aangenomen dat er op 2 terreindelen een asbestverontreiniging aanwezig is in de bovengrond. Aangezien de gewogen asbestgehalten in inspectiegat 8 en 9 de interventiewaarde overschrijden, is een nader asbestonderzoek uitgevoerd. Het nader asbestonderzoek wordt beschreven in hoofdstuk 5. Ter plaatse van de druppelzones A, B, C, D en F is de toplaag asbesthoudend, maar de gewogen asbestgehalten zijn ruim lager dan de toetsingswaarde voor een nader asbestonderzoek. Ter plaatse van druppelzone E is de toplaag niet asbesthoudend.
Kruse Milieu BV
Project: 20004416
Pagina 13 van 21
5
Nader asbestbodemonderzoek
Omdat de gewogen asbestgehalten in de inspectiegaten 8 en 9 de interventiewaarde overschrijden, is een nader asbestbodemonderzoek uitgevoerd om de omvang van de twee verontreinigingen in de bovengrond vast te stellen. 5.1
Onderzoeksstrategie
In het nader onderzoek asbest wordt standaard uitgegaan van het graven van proefsleuven. In plaats van inspectiesleuven worden in dit nader asbestonderzoek inspectiegaten gegraven. Vanwege de verwachte kleinschaligheid (oppervlakte van circa 100 m2) van de asbestverontreinigingen is de gekozen onderzoeksstrategie voldoende om inzicht te krijgen in de omvang de van de aangetoonde asbestverontreinigingen. Tevens is de verontreiniging visueel goed waarneembaar; op basis van het verkennend bodemonderzoek kan aangenomen worden dat visueel asbestvrije grond niet verontreinigd is met asbest. De gekozen onderzoeksstrategie heeft geen (aantoonbare) negatieve invloed op de betrouwbaarheid van het onderzoeksresultaat. De norm NEN 5707 (paragraaf 7.1) staat toe om in dit soort gevallen af te wijken van de richtlijnen. De onderzoeksstrategie is voorgelegd aan de Omgevingsdienst IJsselland. In de bovengrond ter plaatse van inspectiegat 8 zijn in de grove fractie (>20 mm) 2 stukken asbesthoudende vlakke plaat aangetroffen (106 gram). In het verleden heeft op dit deel van het terrein een berging gestaan, deze is enkele jaren geleden gesloopt (circa 2017). Vermoedelijk is bij de sloop van het gebouw het asbest in de bodem terecht gekomen. In de fijne fractie (<20 mm) is geen asbest aangetoond.
De omvang van de verontreiniging blijft vermoedelijk beperkt tot de bovengrond ter plaatse van de voormalige schuur. De verontreiniging in de bodem ter plaatse van inspectiegat 9 is vermoedelijk alleen aanwezig tussen de twee stallen. In het verkennend bodemonderzoek is alleen hier sterk puinhoudende grond aangetroffen en is asbesthoudend materiaal aangetroffen in de grove fractie (>20 mm). Vermoedelijk is bij de bouw van de meest zuidelijke stal in 1983 de bodem tussen de stallen aangevuld met asbesthoudende grond. Ter plaatse van beide deellocaties worden 6 inspectiegaten gegraven, gecodeerd als inspectiegat 21 t/m 26 ter plaatse van de verontreiniging tussen de stallen en als inspectiegat 31 t/m 36 ter plaatse van de voormalige berging. Per deellocatie wordt één mengmonster van de fijne fractie samengesteld van de zintuiglijk schone ondergrond (verticale afperking) en worden twee mengmonsters van de fijne fractie samengesteld voor de horizontale afperking. De minimale afmeting van een inspectiegat bedraagt 0.3x0.3 meter. Elk inspectiegat wordt gegraven of doorgeboord tot de ongeroerde bodemlaag. Het opgegraven materiaal wordt gezeefd over 20 mm. De grove fractie wordt visueel geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen.
Kruse Milieu BV
Project: 20004416
Pagina 14 van 21
5.2
Veldwerkzaamheden nader asbestonderzoek
De veldwerkzaamheden zijn in juli 2020 uitgevoerd door de heren J. Hartman (veldwerker), R. Veltmaat (veldwerker) en N. Pepping (assistent veldwerker). De veldwerkers zijn conform BRL SIKB 2000 gecertificeerd en erkend (certificaatnummer K44441/08). Op 6 juli 2020 zijn in totaal 7 inspectiegaten gegraven, gecodeerd als gat 20 tot en met 26. Op 14 juli 2020 zijn in totaal 6 inspectiegaten gegraven, gecodeerd als gat 31 tot en met 36. De situering van de monsterpunten is weergegeven op de situatieschets van bijlage I. Tijdens de boorwerkzaamheden is de bodemopbouw beschreven en is de grond zintuiglijk beoordeeld op eventuele aanwezigheid van verontreinigingen. De boorbeschrijvingen zijn weergegeven in bijlage II. De verontreiniging tussen de schuren blijkt tot een grotere diepte aanwezig te zijn dan op voorhand werd aangenomen. Ter plaatse van de inspectiegaten 22 en 24 is de bodem tot een diepte van gemiddeld 1.3 meter geroerd met puin en asbest (vlakke plaat en golfplaat). Er zijn bodemvreemde materialen waargenomen, deze zijn weergegeven in tabel 7. Door de veldwerker zijn visueel asbestverdachte materialen waargenomen in de bodem ter plaatse van inspectiegaten 1A, 2A en 9A. Tabel 7: Weergave bodemvreemde materialen. Boring
Diepte (m-mv)
20
0 - 0.4
Sporen puin en sporen asbest (8 gram golfplaat)
21
0 - 0.5
Sporen puin en sporen asbest (10 gram vlakke plaat)
22
0 - 1.15
Matig baksteen, resten metaal en sporen asbest (5 gram dakbeschot en 14 gram golfplaat)
23
0 - 0.2 0.2 - 1.05 1.05
Sporen puin Zwak puinhoudend Gestaakt op puin
24
0 - 0.5
Sterk puinhoudend en resten asbest (31 gram dakbeschot en 44 gram golfplaat) Sterk puinhoudend en resten asbest (12 gram golfplaat en 19 gram vlakke plaat)
0.5 - 1.5
Waarneming
25
0 - 0.23
Volledig puin en resten asbest (60 gram vlakke plaat en 6 gram golfplaat)
26
0 - 0.25
Matig puinhoudend
31
0 - 0.6
Matig puinhoudend
32
0 - 0.5
Zwak puinhoudend
33, 34 en 35
0 - 0.4
Sporen puin
36
0 - 0.6
Sporen puin
Op basis van de zintuiglijke waarnemingen, bodemsamenstelling en/of geografische positie van de boringen zijn de (meng)monsters samengesteld, zoals in tabel 8 staat omschreven.
Kruse Milieu BV
Project: 20004416
Pagina 15 van 21
Tabel 8: Samenstelling mengmonsters asbestanalyses. (Meng)monster
Boringnummer
Traject (diepte in m -mv)
Motivatie
MM FF - Gat 22+24
22 24
1.15 - 1.5 1.5 - 2.0
Verticale afperking
MM FF - Gat 20+21
20 21
0 - 0.4 0 - 0.5
MM - Gat 20
20
0 - 0.4
MVM - Gat 21
21
0 - 0.5
25
0 - 0.23
Horizontale afperking
FF - Gat 26
26
0 - 0.25
Horizontale afperking
MM FF - Gat 31+32
31 en 32
0.6 - 0.8
Verticale afperking
MM FF - Gat 33+34
33 en 34
0 - 0.6
Horizontale afperking
MM FF - Gat 35+36
35 en 36
0 - 0.6
Horizontale afperking
FF - Gat 25 (puin) MVM - Gat 25
Horizontale afperking
In bijlage IV zijn de analyserapporten van het asbestonderzoek en de concentratieberekeningen opgenomen. De gewogen asbestgehalten zijn weergegeven in tabel 9. Tabel 9: Gewogen asbestgehalten (mg/kg droge stof). Component
Gewogen asbestconcentratie
Achtergrondwaarde
Interventiewaarde
Gat 20
Asbest
17
-
100
Gat 21
Asbest
13
-
100
Gat 22 en 24 (ondergrond)
Asbest
n.a.
-
100
Gat 25 (puinweg)
Asbest
87
-
100
Gat 26
Asbest
1.0
-
100
Gat 31 en 32 (ondergrond)
Asbest
n.a.
-
100
Gat 33, 34, 35 en 36
Asbest
n.a.
-
100
Inspectiegat
In de derde kolom van tabel 9 wordt de volgende codering toegepast: n.a. : Geen asbest aangetoond. Normaal : Het gehalte is lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Onderstreept : Overschrijding van de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Vet : Overschrijding van de interventiewaarde.
Kruse Milieu BV
Project: 20004416
Pagina 16 van 21
5.3
Resultaten nader asbestbodemonderzoek
In de inspectiegaten 20 en 21 is asbest aangetoond, de gewogen asbestgehalten zijn ruim lager dan de toetsingswaarde voor een nader asbestonderzoek. De gewogen asbestgehalten worden veroorzaakt door de aangetroffen asbesthoudende materialen in de grove fractie; in de fijne fractie is geen asbest aangetoond. Ter plaatse van inspectiegat 25 zijn in het puin visueel asbesthoudende materialen aangetroffen. Het gewogen asbestgehalte is lager dan de interventiewaarde, maar overschrijdt de toetsingswaarde voor een nader asbestbodemonderzoek. Aangezien de puinweg voor meer dan 50% uit bodemvreemd materiaal bestaat, voldoet deze niet aan de definitie bodem en valt deze buiten de scope van het bodemonderzoek. Indien meer inzicht is gewenst in de kwaliteit van de puinverharding met betrekking tot asbest, dient deze conform norm NEN 5897+C2, “Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat”, onderzocht te worden. De verontreiniging tussen de 2 meest zuidelijke stallen op het erf is in voldoende mate afgeperkt. In de inspectiegaten voor de afperking zijn geen of slechts zeer lage gehalten aan asbest aangetoond. De omvang van de verontreiniging wordt in noordelijke en zuidelijke richting afgeperkt door de stallen en de mestkelder tussen de stallen.
In westelijke richting is de verontreiniging afgeperkt door de inspectiegaten 20 en 21 en in oostelijke richting door de puinweg (inspectiegat 25) en inspectiegat 26. Ter plaatse van de verontreiniging is het bijgebouw van de toekomstige woning gepland. In het kader van de nieuwbouw en de voorgenomen herontwikkeling van het erf is sanering van de verontreiniging noodzakelijk. De omvang van de verontreiniging wordt geschat op circa 110 m2 x 1.3 meter = circa 145 m3. In de mengmonsters van de fijne fractie voor de afperking van de verontreiniging ter plaatse de voormalige berging is geen asbest aangetoond. In de bovengrond van de voormalige berging zijn asbesthoudende stukken vlakke plaat aanwezig in de grove fractie (>20 mm). In de fijne fractie is geen asbest aangetoond. De voormalige berging is rond 2017 gesloopt en vermoedelijk zijn hierbij asbesthoudende materialen in de bovengrond terecht gekomen. Omdat de verontreiniging waarschijnlijk na 1993 is ontstaan, is er sprake van een geval van zorgplicht. In het kader hiervan en de voorgenomen herontwikkeling van het erf, is sanering van de verontreiniging noodzakelijk. De omvang van deze verontreiniging wordt geschat op circa 90 m2 x 0.5 meter = 45 m3. Er dient voorkomen te worden dat er vermenging ontstaat met schone grond.
Tevens mag de verontreinigde grond niet worden verminderd of verplaatst zonder toestemming van het bevoegd gezag (provincie Overijssel). Een eventuele sanering van de grond dient dit in overleg met het bevoegd gezag te geschieden.
Kruse Milieu BV
Project: 20004416
Pagina 17 van 21
6
Samenvatting, conclusies en aanbevelingen
Algemeen In opdracht van BJZ.NU is in een verkennend en nader asbestbodemonderzoek de bodem onderzocht op een terreindeel ter grootte van circa 4450 m² aan de Geert Migchelsweg 18A in Slagharen. De onderzoekslocatie betreft een voormalig agrarisch erf en is deels bebouwd met een woning en stallen en deels onverhard (gras). De aanleiding van het bodemonderzoek is de voorgenomen nieuwbouw van een woning met bijgebouw ter plaatse van de te slopen stallen. Resultaten veldwerk De bovengrond van het terrein is als verdacht beschouwd voor de aanwezigheid van asbest. Aan weerszijden van 3 te slopen schuren is sprake van een asbestverdachte druppelzone. Het overige deel van het terreindeel wordt als onverdacht beschouwd. Er is 1 boring verricht tot een diepte van 3.8 meter en afgewerkt tot peilbuis. Tevens zijn in totaal 33 inspectiegaten gegraven. Voor het nader asbestbodemonderzoek zijn in totaal 13 inspectiegaten gegraven. Gebleken is dat de bodem voornamelijk bestaat uit matig fijn zand. In de bovengrond zijn plaatselijk sporen puin aangetroffen. Ter plaatse van 2 inspectiegaten zijn in de bodem asbestverdachte materialen aangetroffen. Op het deel van het terrein tussen de 2 zuidelijke stallen zijn asbesthoudende materialen opgeslagen (golfplaten en vlakke plaat). Rondom deze opslag zijn op het maaiveld asbestverdachte materialen aangetroffen.
Het freatische grondwater is in peilbuis 1 aangetroffen op 1.80 meter min maaiveld. Resultaten chemische analyses Op basis van de resultaten van de chemische analyses kan het volgende worden geconcludeerd: - de bovengrond (BG I) is niet verontreinigd; - de bovengrond (BG II) is zeer licht verontreinigd met lood en PCB; - de bovengrond (BG III) is zeer licht verontreinigd met zink; - de ondergrond is niet verontreinigd; - het grondwater is (zeer) licht verontreinigd met barium, koper en zink. Resultaten asbestanalyses Op basis van de resultaten van de asbestanalyses kan het volgende worden geconcludeerd: Verkennend asbestbodemonderzoek: - MM FF - 01 bevat geen asbest; - MM FF - 02 bevat geen asbest; - MM FF - 03 bevat geen asbest; - Inspectiegat 8 bevat asbest, het gehalte is hoger dan de interventiewaarde; - Inspectiegat 9 bevat asbest, het gehalte is hoger dan de interventiewaarde; - Druppelzone A (MM FF - A) bevat asbest, het gehalte is ruim lager dan de toetsingswaarde voor een nader asbestonderzoek; - Druppelzone B (MM FF - B) bevat asbest, het gehalte is ruim lager dan de toetsingswaarde voor een nader asbestonderzoek; - Druppelzone C (MM FF - C) bevat asbest, het gehalte is ruim lager dan de toetsingswaarde voor een nader asbestonderzoek; - Druppelzone D (MM FF - D) bevat asbest, het gehalte is ruim lager dan de toetsingswaarde voor een nader asbestonderzoek; -
Druppelzone E (MM FF - E) bevat geen asbest; - Druppelzone F (MM FF - F) bevat asbest, het gehalte is ruim lager dan de toetsingswaarde voor een nader asbestonderzoek;
Kruse Milieu BV
Project: 20004416
Pagina 18 van 21
Nader asbestbodemonderzoek: - inspectiegaten 20 en 21 bevatten asbest, het gehalte is ruim lager dan de toetsingswaarde voor een nader asbestonderzoek; - inspectiegaten 22 en 24 (ondergrond) bevatten geen asbest; - inspectiegat 25 (puinweg) bevat asbest, het gehalte is lager dan de interventiewaarde; - inspectiegat 26 bevat asbest, het gehalte is ruim lager dan de toetsingswaarde voor een nader asbestonderzoek; - inspectiegaten 31 en 32 (ondergrond) bevatten geen asbest; - inspectiegaten 33, 34, 35 en 36 bevatten geen asbest. Hypothese De hypothese “onverdachte locatie” dient te worden verworpen, aangezien enkele overschrijdingen van de achtergrond- en streefwaarden zijn aangetoond. De hypothese “verdacht van aanwezigheid van asbest” wordt gehandhaafd, omdat er sprake is van 2 asbestverontreinigingen en er ter plaatse van 5 druppelzones asbest is aangetoond. Conclusies en aanbevelingen Verkennend bodemonderzoek: In de bovengrond en in het grondwater zijn enkele (zeer) lichte verontreinigingen aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is er geen reden om een nader onderzoek uit te voeren. Verkennend en nader asbestbodemonderzoek: Tussen de 2 zuidelijke stallen op het erf is een sterke asbestverontreiniging aanwezig.
Tot een diepte van gemiddeld 1.3 meter is de bodem puin- en asbesthoudend. De omvang van de verontreiniging wordt geschat op circa 110 m2 x 1.3 meter = circa 145 m3. Ter plaatse van de verontreiniging is het bijgebouw van de toekomstige woning gepland. In het kader van de nieuwbouw en de voorgenomen herontwikkeling van het erf is sanering van de verontreiniging noodzakelijk. Op het noordelijke deel van het erf is rond 2017 een berging gesloopt en vermoedelijk zijn hierbij asbesthoudende materialen in de bovengrond terecht gekomen. De omvang van de verontreiniging wordt geschat op circa 90 m2 x 0.5 meter = 45 m3. Omdat de verontreiniging mogelijk na 1993 is ontstaan, is er sprake van een geval van zorgplicht. In het kader hiervan en de voorgenomen herontwikkeling van het erf is sanering van de verontreiniging noodzakelijk. Er dient voorkomen te worden dat er vermenging ontstaat met schone grond. Tevens mag de verontreinigde grond niet worden verminderd of verplaatst zonder toestemming van het bevoegd gezag (provincie Overijssel). Een eventuele sanering van de grond dient dit in overleg met het bevoegd gezag te geschieden. In de puinweg op het oostelijke deel van het erf zijn visueel asbesthoudende materialen aangetroffen (inspectiegat 25). Het gewogen asbestgehalte is lager dan de interventiewaarde, maar overschrijdt de toetsingswaarde voor een nader asbestbodemonderzoek.
Aangezien de puinweg voor meer dan 50% uit bodemvreemd materiaal bestaat, voldoet deze niet aan de definitie bodem en valt deze buiten de scope van het bodemonderzoek. Indien meer inzicht is gewenst in de kwaliteit van de puinverharding met betrekking tot asbest, dient deze conform norm NEN 5897+C2, “Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat”, onderzocht worden. Kruse Milieu BV
Project: 20004416
Pagina 19 van 21
Slotconclusie Uit milieukundig oogpunt is er, na sanering van de asbestverontreinigingen, geen bezwaar tegen de voorgenomen herontwikkeling van het erf aangezien de overige vastgestelde (zeer) lichte verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt na sanering geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin). Standaard slotopmerkingen Het volgende dient opgemerkt te worden: gezien het verkennende karakter van dit onderzoek is het, ondanks de zorgvuldigheid waarmee het is uitgevoerd, altijd mogelijk dat eventueel lokaal voorkomende verontreinigingen niet zijn ontdekt. Hoewel voldaan wordt aan de geldende weten regelgeving, wordt tijdens een verkennend of nader bodemonderzoek een beperkt aantal boringen, inspectiegaten of inspectiesleuven verricht. Vermeld dient tevens te worden dat op basis van voorliggend onderzoek geen conclusies kunnen worden getrokken omtrent de bodemkwaliteit van andere terreindelen of aangrenzende percelen. Tenslotte dient in acht genomen te worden dat elk bodemonderzoek een momentopname is. Eventuele toekomstige calamiteiten (bijvoorbeeld brand of morsing van bodemvreemde vloeistoffen), sloopwerkzaamheden of bouwrijp maken en aanvoer van grond van elders kunnen de bodemkwaliteit (sterk) beïnvloeden.
Kruse Milieu BV
Project: 20004416
Pagina 20 van 21