CConstaterende datHardenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

Motivering Rollepaal Oost

gemeenteraad 30 juni 2026, gemeente HardenbergBij agendapunt: Besluit tot wijziging van het omgevingsplan voor Rollepaal Oost41.160 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

15 alinea's met “economie”: 311 313 325 350 445 515 522 524 525 526 532 545 588 885 896

278

Concept

(van 15-6-2026 17:20)

Concept

figuur 2.11 - uitsnede stedenbouwkundig plan - zicht vanuit het landschap Stedenbouwkundig plan

Ten zuiden en ten oosten van het plangebied ligt het buitengebied wat voor het grootste deel bestaat uit een open polderlandschap met een aantal woonerven. Om het uitzicht van deze woningen zo min mogelijk te verstoren wordt in het stedenbouwkundig plan ter afscherming voorzien in een grondwal. Lichthinder vanuit het bedrijventerrein dient vermeden te worden. In het stedenbouwkundig plan wordt uitgegaan van een grondwal van 3 meter hoog. In combinatie met dichte, deels in de winter groenblijvende, bosschages is dit voldoende om lichtoverlast voldoende te beperken voor omwonenden. De wal wordt niet voorzien van een scherm, omdat dit voor een barrièrewerking zorgt voor fietsers, wandelaars en dieren.

2.2.1.5 Inrichting openbare ruimte (IOR) De openbare ruimte op Rollepaal Oost wordt bepaald door de aanwezigheid van veel water en groen, door de strakke structuren en de brede groene rand van het bedrijventerrein. De bestaande waterstructuren in het gebied worden behouden. In het 'Stedenbouwkundig plan, inrichting openbare ruimte en beeldkwaliteit Rollepaal Oost' wordt in het onderdeel 'Inrichting Openbare Ruimte' de vormgeving en materiaalkeuze van deze openbare ruimte verder toegelicht. Hier zal bij de verdere uitwerking rekening mee moeten worden gehouden.

2.2.1.6 Toegankelijkheid openbare ruimte In het omgevingsplan is de toegankelijkheid van de openbare ruimte geregeld als onderdeel van de bredere fysieke leefomgeving. De openbare ruimten moeten toegankelijk zijn voor mensen met een beperking, zoals rolstoelgebruikers en slechtzienden. Dat betekent dat er gekeken dient te worden naar aspecten als minimale breedte van trottoirs, geleidelijnen voor blinden en slechtzienden, hoogteverschillen en drempels, inrichting van bushaltes en oversteekplaatsen, toegankelijke banken, verlichting en openbare toiletten.

279

Concept

(van 15-6-2026 17:20)

Voor Rollepaal Oost geldt dat de fiets- en voetpaden vrijliggend en gelijkvloers worden uitgevoerd. De kruisingen met de wegen worden helder gemarkeerd. De fietspaden zijn door het materiaal- en kleurgebruik herkenbaar. De fiets- en wandelpaden over de grondwal worden uitgevoerd met een halfverharding, beiden met een eigen materialisering en kleur. De overgangen naar de paden op de grondwal zijn geleidelijk; er wordt niet voorzien in trappen. In het 'Stedenbouwkundig plan, inrichting openbare ruimte en beeldkwaliteit Rollepaal Oost' wordt in het onderdeel 'Inrichting Openbare Ruimte' verder ingegaan op de vormgeving en wordt de materiaalkeuze van deze openbare ruimte verder toegelicht.

Concept

2.2.1.7 Duurzaamheidsaspecten Voor het duurzaam inrichten van het bedrijventerrein Rollepaal Oost zijn enkele duurzaamheidsprincipes van toepassing. Deze principes hebben te maken met duurzaam bouwen, maar ook met duurzaam ruimtegebruik, terreinbeheer en duurzaam omgaan met energie en fysieke stromen. Voor het bestaande bedrijventerrein Rollepaal zijn, mede aan de hand van de provinciale kwalitatieve ambities en de gemeentelijke duurzaamheidsvisie, duurzaamheidsdoelstellingen opgesteld. Voor Rollepaal Oost wordt in het 'Stedenbouwkundig plan, inrichting openbare ruimte en beeldkwaliteit Rollepaal Oost' hierop aangesloten. In paragraaf 7.5 'Duurzaamheid en klimaatadaptatie' is een en ander verder uitgewerkt en toegelicht. Duurzame inrichting en klimaatadaptief ontwerp Bij de inrichting van het bedrijventerrein wordt veel aandacht besteed aan een duurzame en groene omgeving. In het midden en aan de randen van het gebied wordt een groenstructuur gewaarborgd. Deze groenzone krijgt niet alleen een esthetische functie, maar dient ook als ruimte voor een langzaam verkeersroute. Aan de west- en zuidzijde worden twee entrees aangelegd die speciaal bedoeld zijn voor voetgangers en fietsers. Om de impact van klimaatverandering op het terrein te beperken, wordt een sterke groen-blauwe structuur gerealiseerd door zoveel mogelijk groen toe te voegen en wadi’s aan te leggen.

Dit draagt bij aan een klimaatadaptief ontwerp, wat noodzakelijk is in een tijd waarin we te maken hebben met extremere weersomstandigheden. Hevige stormen, intensievere regenval en periodes van droogte vragen om een doordachte inrichting van de leefomgeving. Naast het opvangen van klimaatveranderingen heeft groen nog tal van andere voordelen. Door de aanplant van bomen, struiken, gevelgroen, bloemen en kruiden wordt niet alleen verkoeling gecreëerd in de stedelijke omgeving, maar wordt ook het energieverbruik teruggedrongen. Bovendien helpt groen bij de opname van CO2 en de productie van zuurstof. De vertraging van regenwaterafvoer draagt bij aan het voorkomen van wateroverlast, terwijl de biodiversiteit wordt bevorderd. Tot slot heeft een groene omgeving een positief effect op de gezondheid en het welzijn van mensen. Het nodigt uit tot bewegen, vermindert stress en draagt bij aan een prettige werkomgeving. Door deze duurzame en natuurvriendelijke inrichting wordt het bedrijventerrein niet alleen toekomstbestendig, maar ook een aangename plek voor zowel mens als natuur. Duurzaam beheren In het BKP wordt parkmanagement als samenwerkingsverband voorgesteld om het beheer op het bedrijvenpark duurzaam te regelen. Hierbij wordt gedacht aan afvalstromen en hergebruik op het terrein, gebruik van grijs water en gezamenlijke inkoop van duurzame grondstoffen en producten.

Water na een hevige regenbui Door klimaatverandering nemen hevige regenbuien en wateroverlast toe. Bij nieuwbouw ontstaat meer verhard oppervlak, waardoor water moeilijker weg kan. Om overlast te minimaliseren, kan waterberging worden geïntegreerd in openbaar groen en op kavels. Dit biedt tevens de kans om opgeslagen water te hergebruiken tijdens droogte. Zowel maatregelen in de openbare ruimte als op particuliere percelen spelen hierin een rol. De inrichting van terreinen, afwatering en het type dak (zoals grasdaken) beïnvloeden hoe water wordt opgevangen en afgevoerd. Temperatuur op zomerse dagen

280

Concept

(van 15-6-2026 17:20)

Door de aanleg van verharde wegen en meer bebouwing zal de temperatuur op zomerse dagen stijgen. Door de juiste keuzes te maken in het ontwerp kan dit effect geminimaliseerd worden, zoals het inpassen van groenstroken, bomen en water. Het is daarom belangrijk dat er genoeg groen en voldoende ruimte is voor water(berging). Ook het toepassen van halfverharding in plaats van volledig gesloten bestrating kan een bijdrage leveren. Ophogen terrein Het ophogen van een geheel bedrijventerrein is niet wenselijk. Hoewel water hier op zandgrond goed infiltreert, lijkt het voor de waterberging toch noodzakelijk het terrein in zijn geheel enigszins op te hogen. Uitgangspunt is dat er zo min mogelijk opgehoogd wordt.

Concept

Bedrijfskavels en duurzaam bouwen In het 'Stedenbouwkundig plan, inrichting openbare ruimte en beeldkwaliteit Rollepaal Oost' worden de volgende uitgangspunten ter inspiratie benoemd: a. voeg zoveel mogelijk beplanting toe op de kavel; b. zet in op (zichtbare) duurzaamheidsmaatregelen, zoals groene gevels; c. het toepassen van groene daken levert een bijdrage aan zowel biodiversiteit als aan wateropvang en -afvoer. Het kan ingezet worden voor watercompensatie; d. door zoveel mogelijk toepassen van een open verharding op de ondergrond wordt het regenwater snel geabsorbeerd in de ondergrond; e. het toepassen van zonnepanelen en andere duurzaamheidsmaatregelen, zoals bijvoorbeeld windwokkels, dragen bij aan een duurzame inrichting. In de beeldkwaliteitseisen ten aanzien van gebouwen worden suggesties gedaan waar rekening mee gehouden kan worden. In paragraaf 7.4 'Ruimtelijke kwaliteit en welstand' is een en ander verder uitgewerkt en toegelicht.

2.2.2 Borgen geluidproductieplafond rondom Rollepaal Het bestaande bedrijventerrein Rollepaal is een industrieterrein in de zin van de Omgevingswet. Het in het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg opgenomen bestemmingsplan Dedemsvaart (zie paragraaf 1.3.2) laat activiteiten toe die in aanzienlijke mate geluid veroorzaken. Het is de bedoeling dat ook op de uitbreiding van dit industrieterrein met het gebiedsdeel Rollepaal Oost zulke activiteiten die in aanzienlijke mate geluid veroorzaken mogen plaatsvinden. Daarmee zal dus met het wijzigen van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg waarmee de uitbreiding van het industrieterrein met Rollepaal Oost ook de begrenzing van het industrieterrein veranderen. Rond het bestaande industrieterrein geldt ook na het in werking treden van de Omgevingswet op 1 januari 2024 de geluidzone die op grond van de voormalige Wet geluidhinder is vastgesteld. Op grond van het overgangsrecht van de Omgevingswet blijft deze zone in stand totdat deze met een wijziging van het omgevingsplan wordt opgeheven en vervangen door het systeem van geluidproductieplafonds. Dit systeem van geluidproductieplafonds komt met het in werking treden van de Omgevingswet in de plaats van het systeem van de geluidzone op grond van de voormalige Wet geluidhinder.

De 'ouderwetse' geluidzone blijft op grond van het overgangsrecht in stand zolang er sprake is van een 'bestaand' industrieterrein. De uitbreiding van het industrieterrein Rollepaal met Rollepaal Oost maakt dat er geen sprake meer is van een 'bestaand industrieterrein'. Dit brengt met zich mee dat met het wijzigen van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg waarmee de uitbreiding mogelijk wordt gemaakt, ook de 'ouderwetse' geluidzone moet worden vervangen door het systeem van geluidproductieplafonds. Ook deze omzetting wordt met deze wijziging van het omgevingsplan geregeld. In paragraaf 5.2 van deze motivering wordt dit nog verder toegelicht.

3 Beleidskader en instructieregels 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.1.1 Beleidskader De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is op 11 september 2020 door de minister vastgesteld. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende

281

Concept

(van 15-6-2026 17:20)

dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten: a. ruimte voor klimaatadaptatie en energiestrategie; b. duurzaam economisch groeipotentieel; c. sterke en gezonde steden en regio's; d. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Concept

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: a. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, zoals zeespiegelstijging, hogere rivierafvoeren, wateroverlast en langere perioden van droogte. Nederland is in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt maatregelen in de leefomgeving, bijvoorbeeld voldoende groen en ruimte voor wateropslag in onze steden. Voordeel is dat daarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd wordt en het kansen biedt voor natuur. In 2050 heeft Nederland een duurzame energievoorziening. Dit vraagt ruimte, onder meer voor windmolens en zonnepanelen. Wind op zee heeft de voorkeur, maar ook op land zijn windmolens nodig. Door deze zoveel mogelijk te clusteren, voorkomen we versnippering over het landschap en benutten we de ruimte zo efficiënt mogelijk. Voorwaarde is steeds dat bewoners echt goed betrokken zijn en invloed hebben op het gebruik en waar dat kan, meeprofiteren in de opbrengsten.

b.

De aanleg van zonneparken in het landschap moeten zoveel mogelijk worden beperkt. Het Rijk plaatst bij voorkeur eerst zoveel mogelijk zonnepanelen op daken en gevels. Het Rijk zet zich in voor het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Dit vraagt goede verbindingen via weg, spoor, lucht, water en digitale netwerken en een nauwe samenwerking met onze internationale partners, zowel met onze directe buren als met andere landen in Europa en over de wereld, ook op defensieterrein. Ingezet wordt op een sterk en innovatief vestigingsklimaat met een goede quality of life: een leefomgeving die de inwoners volop voorzieningen biedt op het gebied van wonen, bewegen, recreëren, ontmoeten en ontspannen.

c.

Belangrijk is wel dat de economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. Daarbij wordt ingezet op het gebruik van duurzame energiebronnen en op verandering van productieprocessen, zodat we niet langer afhankelijk zijn van eindige, fossiele bronnen. Sterke en gezonde steden en regio's Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Tegelijk willen we de leefbaarheid en klimaatbestendigheid in steden en dorpen verbeteren. Schonere lucht, voldoende groen en water en genoeg publieke voorzieningen waar mensen kunnen bewegen (wandelen, fietsen, sporten, spelen), ontspannen en samenkomen. Daarbij hoort een uitstekende bereikbaarheid en toegankelijkheid, ook voor mensen met een handicap.

d.

Er wordt naar gestreefd dat de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid verder toeneemt. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio's geborgd. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. Dit levert ook een noodzakelijke positieve bijdrage aan het verbeteren van de biodiversiteit. Bodemdaling moet worden aangepakt. Verhoging van het waterpeil is in bepaalde veenweidegebieden op termijn noodzakelijk. Met de betrokken regio's en gebruikers wordt afgesproken waar en hoe dit zorgvuldig zal gebeuren. In alle gevallen wordt ingezet op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische

282

Concept

(van 15-6-2026 17:20)

waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan.

3.1.1.2 Toetsing aan beleid De voorgenomen ontwikkeling speelt in ieder geval in op het thema 'Duurzaam economisch groeipotentieel'. Locaties van nieuwe kantoren, bedrijventerreinen en (groot)winkelbedrijven moeten passen bij het verkeers- en vervoersnetwerk, goed afgestemd zijn op de vraag van bedrijven, en zo de economische vitaliteit en de kwaliteit en aantrekkelijkheid van stad en land versterken. In de volgende hoofdstukken van de voorliggende motivering en in het MER wordt hier nader op ingegaan.

3.1.1.2 Nationale Omgevingsvisie Extra (NOVEX)

Concept

3.1.2.1 Beleidskader De NOVEX is een uitvoeringsprogramma van het Rijk dat gericht is op het versnellen en integreren van ruimtelijke opgaven in 17 aangewezen NOVEX-gebieden. Hoewel Hardenberg geen NOVEX-gebied is, zijn de uitgangspunten van NOVEX ook relevant voor andere regio?s, zeker bij majeure ruimtelijke ingrepen zoals de uitbreiding van bedrijventerreinen. NOVEX benadrukt voor bedrijventerreinen de volgende uitgangspunten: a. ruimtelijke integratie van economische functies met andere maatschappelijke opgaven (zoals energie, klimaat, mobiliteit); b. versnelling van planvorming door betere samenwerking tussen overheden; c. gebruik van gebiedsgerichte aanpak en programmatische sturing; d. ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid als randvoorwaarde voor uitbreiding. Hoewel Dedemsvaart buiten de NOVEX-gebieden valt, kunnen de volgende NOVEX-principes beleidsmatig onderbouwend zijn: a. gebiedsgericht werken: de uitbreiding moet passen binnen de regionale ontwikkelstrategie van Overijssel en de gemeentelijke omgevingsvisie van Hardenberg; b. versnelling en afstemming: samenwerking met provincie, waterschap en netbeheerders is cruciaal voor tijdige realisatie; c. ruimtelijke kwaliteit: de uitbreiding moet bijdragen aan een toekomstbestendig bedrijventerrein, met aandacht voor klimaatadaptatie, energie-infrastructuur en landschappelijke inpassing.

3.1.2.2 Toetsing aan beleid Hoewel Dedemsvaart niet is aangewezen als een NOVEX-gebied is de uitbreiding van het bedrijventerrein in Dedemsvaart in lijn met NOVEX: a. verantwoording van de locatiekeuze (zie paragraaf 2.2.1.2 'Locatiekeuze'); b. afstemming met bovenlokale belangen (zie paragraaf 11.2 'Maatschappelijke uitvoerbaarheid'); c. duurzame inrichting en meervoudig ruimtegebruik (zie paragraaf 7.4 'Ruimtelijke kwaliteit en welstand' en 7.5 'Duurzaamheid en klimaatadaptatie').

3.1.3 Nota Ruimte (ontwerp) 3.1.3.1 Beleidskader De ontwerp-Nota Ruimte is de nieuwe Nationale Omgevingsvisie en vervangt de NOVI. Het document biedt richtinggevende kaders voor ruimtelijke ontwikkeling tot 2050 en is bindend voor het Rijk, richtinggevend voor andere overheden. De Nota hanteert een integrale benadering van maatschappelijke opgaven zoals economie, energie, klimaat, water, bodem en leefomgevingskwaliteit. Relevantie voor bedrijventerreinen Bedrijventerreinen worden in de Nota Ruimte erkend als essentieel voor: a. werkgelegenheid en innovatie; b. circulaire economie en energietransitie; c. ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat. Het Rijk zet in op de bescherming van bestaande terreinen, intensiever gebruik en op strategische uitbreiding, mits ruimtelijk zorgvuldig ingepast en afgestemd op regionale behoefte. Regionale strategie: VISTA - Versterken

283

Concept

(van 15-6-2026 17:20)

Dedemsvaart ligt in een regio met de VISTA-strategie ‘Versterken’. Dit betekent dat uitbreiding beleidsmatig verdedigbaar is indien: a. er regionale economische vraag is en een tekort aan uitgeefbare kavels; b. de uitbreiding bijdraagt aan circulaire bedrijvigheid, energie-infrastructuur en duurzame inrichting; c. de locatie goed ontsloten is via bestaande infrastructuur (weg, spoor, energie); d. er rekening wordt gehouden met het water- en bodemsysteem, klimaatadaptatie en milieuzonering. Ruimtelijke principes

Concept

De Nota Ruimte hanteert drie leidende principes: a. meervoudig ruimtegebruik: combineren van functies waar mogelijk; b. gebiedskenmerken centraal: afstemmen op landschappelijke, ecologische en culturele waarden; c. voorkomen van afwenteling: geen negatieve effecten op andere functies of toekomstige generaties.

3.1.3.2 Toetsing aan beleid De uitbreiding van het bedrijventerrein in Dedemsvaart is in lijn met de ontwerp-Nota Ruimte: a. er is een duidelijke economische onderbouwing is (zie paragraaf 7.2 'Ladder voor duurzame verstedelijking'; b. de ontwikkeling wordt duurzaam en klimaatadaptief vormgegeven (zie paragraaf 7.5 'Duurzaamheid en klimaatadaptatie'); c. er wordt zorgvuldig wordt omgegaan met ruimtelijke kwaliteit, infrastructuur en milieueffecten (zie hoofdstukken 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 10 van de voorliggende motivering).

3.1.4 Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie 3.1.4.1 Beleidskader In het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie staan alle projecten en maatregelen die ervoor gaan zorgen dat Nederland in 2050 waterrobuust en klimaatbestendig is ingericht. Het plan is ingevuld voor de komende zes jaar en voor de zes jaar daarna op hoofdlijnen. Het biedt ook een doorkijk tot 2050. Het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie is onderdeel van het jaarlijkse Deltaprogramma. Hierin staat hoe gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk het proces van ruimtelijke adaptatie willen versnellen en intensiveren. Daarvoor zijn zeven ambities in dit deltaplan opgenomen. Het deltaplan geeft aan welke doelen de partijen nastreven, hoe ze daaraan gaan werken en hoe ze de resultaten in beeld brengen. Bij het deltaplan hoort een actieplan met concrete acties en maatregelen. De overheden werken met elkaar samen in 42 werkregio's.

3.1.4.2 Toetsing aan beleid Ten behoeve van de voorliggende wijziging van het omgevingsplan is de beoogde ontwikkeling getoetst aan de relevante instructie,- en beoordelingsregels uit het Bkl. Navolgend wordt een aantal van de relevante instructie- en beoordelingsregels beknopt weergegeven.

3.1.5 Algehele conclusie rijksbeleid Het plan is niet in strijd met het Rijksbeleid.

3.2 Regels en instructieregels Rijk 3.2.1 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) 3.2.1.1 Regels en instructieregels In het Besluit kwaliteit leefomgeving staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en de decentrale overheden, waaronder de gemeente in het omgevingsplan. In het Bkl worden in hoofdstuk 5 instructieregels gegeven aan de gemeente voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

3.2.1.2 Toetsing aan regels

284

Concept

(van 15-6-2026 17:20)

Algemeen Ten behoeve van de voorliggende wijziging van het omgevingsplan is de beoogde ontwikkeling getoetst aan de relevante instructie,- en beoordelingsregels uit het Bkl. Navolgend wordt een aantal van de relevante instructie- en beoordelingsregels beknopt weergegeven.

3.2.1.2.1 Dienstenrichtlijn

Concept

Een omgevingsplan dient te voldoen aan de Dienstenrichtlijn (artikel 5.1a Bkl). De Dienstenrichtlijn (Richtlijn 2006/123/EG) heeft tot doel het vrije verkeer van diensten op de interne markt te vergemakkelijken en stelt daartoe eisen aan de lidstaten. De Dienstenrichtlijn is van toepassing op diensten, hieronder valt bijvoorbeeld de vestiging van detailhandel, dienstverlening, horeca en kantoren. De Dienstenrichtlijn stelt dat er niet zomaar nadere eisen kunnen worden gesteld aan diensten die zich mogen vestigen. Uit de ontwikkelde jurisprudentie is gebleken dat het stellen van eisen mogelijk is, maar dat deze eisen wel moeten worden onderbouwd volgens de systematiek van de Dienstenrichtlijn. Dit is neergelegd in artikel 15 lid 3 van de Dienstenrichtlijn. Die bepaling luidt als volgt: 'De lidstaten controleren of de in lid 2 bedoelde eisen aan de volgende voorwaarden voldoen: a. discriminatieverbod:

b.

de eisen maken geen direct of indirect onderscheid naar nationaliteit of, voor vennootschappen, de plaats van hun statutaire zetel; noodzakelijkheid:

c.

de eisen zijn gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang; evenredigheid: de eisen moeten geschikt zijn om het nagestreefde doel te bereiken; zij gaan niet verder dan nodig is om dat doel te bereiken en dat doel kan niet met andere, minder beperkende maatregelen worden bereikt.

Toetsing aan de instructieregels In de voorliggende wijziging van het omgevingsplan zijn ten aanzien van diensten op Rollepaal Oost de volgende vestigingsbeperkingen opgenomen: a. zakelijke dienstverlening wordt op Rollepaal Oost niet mogelijk gemaakt; b. binnen de toegestane bedrijfsactiviteiten worden uitsluitend (ondergeschikte) kantoren toegestaan ten behoeve van de bedrijfsactiviteit; c. zelfstandige horeca wordt op Rollepaal Oost niet mogelijk gemaakt; d. ondergeschikte horeca ten dienste van een bedrijfsactiviteit wordt uitsluitend toegestaan gericht op het verstrekken van (eenvoudige) etenswaren en dranken aan de reguliere gebruikers van het bedrijf, zoals een kantine; e. (grootschalige) detailhandel is op het bedrijventerrein niet mogelijk. f. ondergeschikte detailhandel ten dienste van een bedrijfsactiviteit is wel mogelijk. Ad a. discriminatieverbod Voor deze vestigingsbeperkingen is het discriminatieverbod niet aan de orde; de maatregel discrimineert niet naar nationaliteit of statutaire vestigingsplaats. Ad b. noodzakelijkheid Vanuit het noodzakelijkheidscriterium volgt de eis dat een maatregel noodzakelijk moet zijn vanwege een dwingende reden van algemeen belang om de vestigingsbeperking op te leggen (het doel). Dit volgt doorgaans uit het vastgestelde beleid. In Hardenberg is in dat opzicht de 'Omgevingsvisie Landstad Hardenberg' richtinggevend: a.

Door de strategische ligging is Hardenberg een logistieke hotspot in de regio. De sterk ontwikkelde agribusiness en industriesector vormen de kern van de gemeentelijke economie b. Hardenberg streeft ernaar om bovenregionale bedrijven met een grote ruimtevraag (vooral in de maakindustrie) te kunnen bedienen om zo uit te kunnen groeien tot een van de werkgelegenheidsmotoren in Oost Nederland. Daarnaast wil Hardenberg ruimte maken voor de uitbreiding van lokale bedrijven en logistieke bedrijven in de regio. In paragraaf 3.6 en 7.2 komt dit aan de orde. c. Om ondernemers aan te trekken moet Hardenberg voortdurend aandacht hebben voor het aanbieden van een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Daarbij wordt uitgegaan van de eigen onderscheidende

285

Concept

(van 15-6-2026 17:20)

d.

waarden, zoals beschikbare ruimte, speerpuntsectoren, kwalitatief goede maatschappelijke, culturele, commerciële en onderwijsvoorzieningen, een goede bereikbaarheid, aantrekkelijke omgeving en een doenersmentaliteit. een vitaal centrumgebied in Hardenberg en Dedemsvaart

De omgevingsvisie is verder uitgewerkt in andere documenten, zoals opgenomen in paragraaf 3.6. De omgevingsvisie en het beleid dat in andere documenten is opgenomen, wordt als volgt naar Rollepaal Oost vertaald:

Concept

Het is van belang dat de bestaande voorraad in Hardenberg blijft voldoen aan de eisen van de tijd. Voor nieuwe vraag is nieuwe ruimte nodig. Voor Rollepaal is het van belang om gronden primair beschikbaar te hebben voor bedrijvigheid. De uitbreiding Rollepaal Oost draagt bij als de bedrijvigheid wordt gecombineerd met dienstverlening, horeca en kantoren als ondersteuning hiervan en dus in beperkte omvang. Uit de Omgevingsvisie en vastgestelde bestemmingsplannen voor de centrumgebieden, de woonwijken en bedrijventerreinen die deel uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, blijkt dat Hardenberg de vitaliteit van de locaties van groot belang acht en daarin heldere keuzes maakt waar welke functies zijn toegestaan. Het gaat dan om enerzijds de binnenstad bedoeld voor dienstverlening en horeca en anderzijds bijvoorbeeld bedrijventerreinen en percelen langs hoofdroutes voor zelfstandige kantoren. Door deze zorgvuldige toedeling van functies aan gebieden en locaties behoudt Hardenberg een vitale en herkenbare stedelijke structuur. Dit wordt vertaald in het in beperkte mate en als ondergeschikt toestaan van dienstverlening, horeca en kantoren op Rollepaal Oost. Uit het voorgaande volgt dat het opnemen van de voorgestelde vestigingsbeperkingen in de regeling van het omgevingsplan noodzakelijk is. Ad c.

evenredigheid Uit het evenredigheidscriterium volgt dat een vestigingsbeperking als maatregel aan het volgende moet voldoen: 1. de maatregel is aantoonbaar geschikt en effectief om het doel te bereiken; 2. de maatregel wordt coherent en systematisch nagestreefd/toegepast; 3. de maatregel gaat niet verder dan nodig om het doel te bereiken; 4. het doel kan niet met andere, minder vergaande maatregelen met betrekking tot het beperken van de mogelijkheden binnen het omgevingsplan, worden bereikt. Ad 1. De maatregel is aantoonbaar geschikt en effectief om het doel te bereiken a. Het opnemen van de vestigingsbeperkingen zoals die deel gaan uitmaken van de regeling in het omgevingsplan, is uitermate geschikt en effectief om het doel van om het concept van het businesspark te bereiken. Primair gaat het om vestiging van grootschalige bedrijvigheid. Dan is het logisch om de vestigingsmogelijkheden voor andere functies te beperken. b. De paragrafen 3.6 en 7.2, bevatten hiervoor de onderbouwing met specifieke gegevens, zoals door de jurisprudentie vereist. Ad 2. De maatregel wordt coherent en systematisch nagestreefd/toegepast a. In Hardenberg is het gebruikelijk dat bedrijventerreinen hoofdzakelijk voor bedrijvigheid worden bestemd.

Tegelijkertijd wordt dit gecombineerd met het aanwijzen van bijvoorbeeld specifieke dienstverlenings- en kantoorlocaties binnen de bedrijventerreinen met als ruimtelijk motief de inpasbaarheid in de omgeving. Op de aangewezen locaties passen deze functies bij uitstek in de stedelijke structuur. Ook voor dienstverlenings- en kantoorlocaties elders in de stad, zoals in de binnenstad en op Haardijk, zorgt de gemeente voor een heldere stedelijke structuur. Horeca is toegestaan in het centrum van Hardenberg en Dedemsvaart en op enkele specifieke locaties. b. In de bestemmingsregelingen voor bedrijventerreinen die deel uitmaken van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan is het binnen de gemeente gebruikelijk dat voor afwijkende functies een specifieke regeling is opgenomen. In het bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Bruchterweg - Nieuwe Haven' bijvoorbeeld in artikel 3 Bedrijf, lid 1 voor zelfstandige kantoor- en detailhandelfuncties en maatschappelijke voorzieningen een aparte aanduiding met bijbehorende regeling opgenomen. Vergelijkbare bepalingen met een aanduiding zijn opgenomen in de bestemming Bedrijventerrein (artikel 7.1) van het bestemmingsplan Dedemsvaart. Zelfstandige kantoren zijn op het bestaande deel van het bedrijventerrein Rollepaal ook niet toegestaan.

286

Concept

(van 15-6-2026 17:20)

Het opnemen van vestigingsbeperkingen voor dienstverlening, kantoren en horeca wordt in het omgevingsplan voor bedrijventerreinen in Hardenberg coherent en systematisch toegepast. Ad 3. De maatregel gaat niet verder dan nodig om het doel te bereiken De vestigingsbeperkingen voorkomt dat een belangrijk deel van Rollepaal Oost voor vestiging van andere functies dan bedrijvigheid wordt benut, terwijl juist reservering voor die bedrijvigheid nodig is. Tevens waarborgen de vestigingsbeperkingen dat die andere functies op de daarvoor bestemde locaties elders in Hardenberg of Dedemsvaart worden gesitueerd. De maatregel gaat dan ook niet verder dan nodig is.

Concept

Ad 4. Het doel kan niet met andere, minder vergaande maatregelen met betrekking tot het beperken van de mogelijkheden binnen het omgevingsplan, worden bereikt Er zijn geen flankerende maatregelen denkbaar in de sfeer van het aantrekkelijker maken van het centrumgebied of een kantorenpark als tegelijkertijd de deur wordt opengezet voor zelfstandige horeca- of kantorenvestiging op Rollepaal Oost. In jurisprudentie is het beginsel aanvaard dat flankerende maatregelen ontoereikend zijn om te voorkomen dat functies zich elders vestigen buiten de aangewezen locaties als die mogelijkheid wordt geboden. Het doel kan dan ook niet met andere, minder vergaande maatregelen met betrekking tot het beperken van de mogelijkheden binnen het omgevingsplan, worden bereikt. Conclusie De reservering voor grootschalige bedrijvigheid in combinatie met beperkte toelaatbaarheid van dienstverlening, horeca en kantoren is evenredig. De reservering voor bedrijvigheid in combinatie met beperkte toelaatbaarheid van dienstverlening, horeca en kantoren voldoen aan het discriminatieverbod, het noodzakelijksheidscriterium en evenredigheidscriterium in artikel 15, derde lid onder a, b en c van de Dienstenrichtlijn.

3.2.1.2.2 Waarborgen van veiligheid Op grond van het Bkl moet in een omgevingsplan rekening worden gehouden met risico's van branden, rampen en crises, zoals bepaald in de Wet veiligheidsregio's. Bovendien dient er rekening te worden gehouden met brandvoorschriftengebied en explosievoorschriftengebied, aangezien deze aspecten voorkomen in het plangebied. Toetsing aan de instructieregels In hoofdstuk 4 'Waarborgen van de veiligheid' wordt beschreven op welke wijze in de voorliggende wijziging van het omgevingsplan rekening wordt gehouden met de diverse risico's zoals bepaald in de Wet veiligheidsregio's. Waar nodig wordt in de regels van het omgevingsplan grenswaarden opgenomen voor het plaatsgebonden risico van toegestane activiteiten op het bedrijventerrein. Tevens wordt rekening gehouden met een brandaandachtsgebied vanwege de mogelijke vestiging van een waterstoftankstation op het nieuwe bedrijventerrein. Een en ander wordt nader toegelicht in hoofdstuk 4 'Waarborgen van de veiligheid' van deze motivering.

3.2.1.2.3 Waarborgen geluid Geluidsproductieplafonds Op grond van het Bkl wordt de begrenzing van een geluidgezoneerd industrieterrein, waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, vastgelegd in het omgevingsplan. Daarnaast bevat het omgevingsplan regels over activiteiten gericht op het voldoen aan de geluidproductieplafonds die als omgevingswaarden zijn vastgesteld voor een geluidgezoneerd industrieterrein. Toetsing aan de instructieregels In de regels behorende bij dit omgevingsplan worden de geluidproductieplafonds als omgevingswaarde vastgesteld. Bovendien bevat het plan regels over activiteiten gericht op het voldoen aan de geluidproductieplafonds. In paragraaf 5.2 'Geluid' wordt hier verder op ingegaan.

287

Concept

(van 15-6-2026 17:20)

Verhoging van de verkeersintensiteit Als de wijziging van een omgevingsplan een verhoging van de verkeersintensiteit op een weg of spoorweg veroorzaakt dan dient op grond van het Bkl ervoor gezorgd te worden dat de geluidstoename op geluidgevoelige gebouwen niet meer bedraagt dan 1,5 dB. Toetsing aan de instructieregels In paragraaf 5.2 'Geluid' wordt ingegaan op de toename van het geluid op omliggende woningen en andere geluidgevoelige bebouwing.

Concept

3.2.1.2.4 Waarborgen bodemkwaliteit Op grond van het Bkl worden normen vastgesteld voor de aanvaardbare bodemkwaliteit bij de bouw van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Het omgevingsplan kan verschillende normen bevatten voor de toelaatbare bodemkwaliteit op bodemgevoelige locaties, afhankelijk van het gebied of de gebruiksfunctie. Toetsing aan de instructieregels In de regels behorende bij de wijziging van dit omgevingsplan wordt de bodemkwaliteit als omgevingswaarde vastgesteld. In paragraaf 5.4 'Bodemkwaliteit' wordt hier verder op ingegaan.

3.2.1.2.5 Waarborgen cultureel erfgoed Op grond van het Bkl dient in een omgevingsplan rekening te worden gehouden met het behoud van cultureel erfgoed, inclusief archeologische monumenten. Bovendien bevat het omgevingsplan regels ter bescherming van relevant cultureel erfgoed. Toetsing aan de instructieregels In paragraaf 7.1 'Cultureel erfgoed' en paragraaf 7.3 'Landschappelijke waarden' wordt beschreven hoe rekening wordt gehouden met cultuurhistorie en archeologie. In de planregels worden de waarden waar nodig geborgd.

3.2.1.2.6 Waarborgen behoud ruimte voor toekomstige functies In het Besluit kwaliteit leefomgeving worden diverse waarborgen benoemd die voor de voorliggende wijziging van het omgevingsplan niet relevant zijn. Toetsing aan de instructieregels In paragraaf 9.1 wordt hier nader op ingegaan.

3.2.2 Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) 3.2.2.1 Regels en instructieregels In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) stelt het Rijk algemene regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving. Daarbij staat ook of voor die activiteiten een melding of omgevingsvergunning nodig is en wie het bevoegde gezag is. Het Bal geldt voor alle partijen die actief zijn in de fysieke leefomgeving. Het Bal bepaalt niet dat zaken in het omgevingsplan geregeld moeten worden. Het is eerder andersom; indien het Bal een onderwerp uitputtend/volledig regelt, mag daarover in het omgevingsplan niets worden opgenomen. Op grond van het Bal bestaat de mogelijkheid om maatwerkregels te stellen. Het Bal geeft de randvoorwaarden waarbinnen maatwerkregels mogen worden gesteld. Maatwerk is niet mogelijk voor het aanwijzen van de milieubelastende activiteit, dus een milieubelastende activiteit blijft een milieubelastende activiteit op grond van het Bal. Ook mag een vergunningplicht niet worden gewijzigd in een meldplicht of vergunningvrij gemaakt worden (aanvullende vergunningplichten voor omgevingsplanactiviteiten mogen wel).

3.2.2.2 Toetsing aan regels Ten aanzien van de uitbreiding van het bedrijventerrein is in het kader van de voorliggende wijziging van het omgevingsplan een toetsing uitgevoerd aan de regels uit het Bal.

288

Concept

(van 15-6-2026 17:20)

Milieubelastende activiteiten In het Bal is een lijst opgenomen met de beoogde milieubelastende activiteiten waaronder een aantal die op Rollepaal Oost worden voorzien en waarvoor in het Bal inhoudelijke regels zijn opgenomen. Toetsing aan de instructieregels Geconcludeerd wordt dat het Bal in eerste instantie geen regels bevat die opgenomen moeten worden in een omgevingsplan. Indien het Bal een onderwerp volledig regelt, mag een omgevingsplan daarover niets regelen. Op dit moment is nog geen keuze gemaakt om maatwerk mogelijk te maken.

Concept

Beperkingengebiedactiviteiten In het Bal zijn regels opgenomen ten aanzien van 'beperkingengebiedactiviteiten' met betrekking tot rijkswegen en hoofdspoorwegen, lokale spoorwegen en bijzondere spoorwegen. Toetsing aan de instructieregels Uit de beschrijving van het plangebied blijkt dat deze specifieke vormen van infrastructuur niet in of rond het plangebied aanwezig zijn.

3.3 Provinciaal beleid 3.3.1 Actualisatie Omgevingsvisie 2023 3.3.1.1 Beleidskader De Omgevingsvisie is een integrale visie waarin de beleidsambities en doelstellingen staan die van provinciaal belang zijn voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van Overijssel. Het uitgangspunt richt zich op het jaar 2030. De visie biedt kaders in de vorm van ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Daarbinnen krijgen gemeenten, waterschappen, maatschappelijke organisaties en andere initiatiefnemers mogelijkheden om ruimtelijke ontwikkelingen te realiseren. De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn verwerkt in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. Deze beleidsthema's worden benaderd vanuit de overkoepelende rode draden duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit. a. Duurzame ontwikkeling voorziet in de behoefte van de huidige generatie, zonder voor toekomstige generaties de mogelijkheden in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien. b. Ruimtelijke kwaliteit is datgene wat de ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is. Ruimtelijke kwaliteit gaan vooral over 'goed': mooi, functioneel en toekomstbestendig. c. Sociale kwaliteit gaat over het welzijn of 'goed voelen' van de mens.

In de omgevingsvisie gaat het over het welzijn van de mens in relatie tot de fysieke leefomgeving.

3.3.1.2 Toetsing aan beleid In voorliggende motivering wordt in de volgende hoofdstukken aangetoond op welke wijze invulling wordt gegeven aan de ambities uit de provinciale Omgevingsvisie.

3.3.2 Concept Nieuwe Omgevingsvisie 3.3.2.1 Beleidskader In de nieuwe Omgevingsvisie Overijssel wordt beschreven waar Overijssel, in nauwe samenwerking met medeoverheden, partners, ondernemers en inwoners, naartoe wil op de middellange en lange termijn (2035-2050). Deze Omgevingsvisie biedt doelen, kaders en houvast voor invulling van de uitdagingen waar de provincie voor staat. En voor de wijze waarop de uitvoering in gebiedsprocessen en met beleidsen/of uitvoeringsprogramma’s gaat plaatsvinden. Alle opgaven naast elkaar in de ruimte plaatsen gaat niet passen. De oplossing zit in zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, samenhangende oplossingen en verweving van opgaven. Omdat niet alles overal (meer) kan, is het nodig om keuzes te maken. Deze Omgevingsvisie biedt houvast bij het maken van keuzes. Daarom wordt gekozen voor de volgende Leidende Principes: a. duurzaam omgaan met de beschikbare ruimte en voorraden; b. water en bodem sturend maken in de ruimtelijke inrichting;

289

Concept

(van 15-6-2026 17:20)

c. d.

inzetten op krachtige DUS-regio’s (Daily Urban System); voortbouwen op bestaande sterke netwerken.

Met de concept Omgevingsvisie als kader worden in nauw overleg met gebiedspartners in de uitvoering oplossingen gezocht in gebiedsprocessen en in beleids- en/of uitvoeringsprogramma?s

3.3.2.2 Toetsing aan beleid In voorliggende motivering wordt in de volgende hoofdstukken aangetoond op welke wijze invulling wordt gegeven aan de ambities uit de provinciale Omgevingsvisie.

3.3.3 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

Concept

3.3.3.1 Beleidskader De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten: a. Of - generieke beleidskeuzes; b. Waar - ontwikkelingsperspectieven; c. Hoe - gebiedskenmerken. Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht. Generieke beleidskeuzes Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een maatschappelijke opgave. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van de Europese Unie, het Rijk of de provincie. Denk hierbij aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater of droge voeten te kunnen garanderen. Andere generieke beleidskeuzes betreffen het voorkomen van overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantoorlocaties. Ook wordt in deze fase de zogenaamde 'Overijsselse Ladder voor duurzame verstedelijking' gehanteerd.

Deze Overijsselse Ladder geeft een nadere invulling aan de vraag hoe de behoefte moet worden bepaald, zowel in de stedelijke als in de groene omgeving, en op welke wijze aan de regionale afstemming vorm gegeven moet worden. Integraliteit, toekomstbestendigheid, concentratiebeleid, (boven)regionale afstemming en zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik zijn beleidskeuzes die invulling geven aan de Overijsselse Ladder voor duurzame verstedelijking. Voor specifieke gebieden in Overijssel geldt dat niet alle initiatieven mogelijk zijn. Dit heeft te maken met zwaarwegende publieke belangen. Gebiedsspecifieke beleidskeuzes om de zwaarwegende publieke belangen te waarborgen zien op reservering voor waterveiligheid en beperking wateroverlast, drinkwater/grondwaterbeschermingsgebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de Nationale Landschappen en het provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen. Waar- Ontwikkelingsperspectieven Indien in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toetsing aan de ontwikkelingsperspectieven plaats. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.

De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat op welke plek ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, worden ze consistent vertaald in de ontwikkelingsperspectieven. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend en bieden de nodige flexibiliteit voor de toekomst. Hoe - Gebiedskenmerken

290

Concept

(van 15-6-2026 17:20)

Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt.

Concept

Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is, of hier behoefte aan is, waar deze past in de ontwikkelingsvisie en hoe deze uitgevoerd kan worden. figuur 3.1 geeft dit schematisch weer.

figuur 3.1 - uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel Provincie Overijssel

3.3.3.2 Toetsing aan beleid Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel, ontstaat globaal het volgende beeld. Generieke beleidskeuzes Generieke beleidskeuzes vloeien voort uit keuzes van EU, Rijk of provincie. Het zijn keuzes die bepalend zijn of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. De generieke beleidskeuzes zijn vaak normstellend. In paragraaf 3.1 en 3.3 wordt het plan getoetst aan het rijks,- en provinciaal beleid. In deze hoofdstukken is geconcludeerd dat het plan sluit aan bij de generieke beleidskeuzes. Ontwikkelperspectieven Het plangebied ligt in een gebied aangewezen als 'Bedrijventerreinen in steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken en streekcentra'. Ontwikkelingen op of rond bedrijventerreinen dragen bij aan het versterken van het vitale karakter en de kwaliteit van de terreinen, aan het verbinden van het terrein met de omgeving, en aan het versterken van de profilering met respect voor het verstedelijkingspatroon.

291

Concept

(van 15-6-2026 17:20)

In paragraaf 7.4 'Ruimtelijke kwaliteit en welstand' wordt aangegeven op welke wijze de uitbreiding van het bedrijventerrein bijdraagt aan de versterking van het vitale karakter en de kwaliteit van het terrein met respect voor het verstedelijkingspatroon. Gebiedskenmerken

Concept

De aanwezige gebiedskenmerken in zowel de Groene als de Stedelijke Omgeving zijn onderscheiden in vier lagen; a. Natuurlijke laag (in en op de bodem); b. Laag van het agrarisch cultuurlandschap (grootschalig gebruik en inrichting van de bodem); c. Stedelijke laag (bebouwing en infrastructuur); d. Laag van de beleving (beleving, toerisme, cultuurhistorie en landgoederen). Natuurlijke laag - Hoogveengebied Vanuit linten werd het omringende hoogveengebied grotendeels ontgonnen voor landbouwdoeleinden. Initieel werden kleine verkavelingen gebruikt zonder diepe afwateringskanalen, wat later resulteerde in grootschalige ontginning en integratie in het veenkoloniale landschap. Voor de overgebleven hoogveenontginningslandschappen is het doel om ze als herkenbare eenheden te behouden. Bij ruimtelijke ontwikkelingen bieden de linten met kavelbeplantingen kansen voor een gevarieerde woon- en werkomgeving. Dubbele lintstructuren kunnen de woon- en recreatieve kwaliteiten verder verbeteren. Ontwikkelingen nabij resterende hoogveengebieden dragen bij aan een betere hydrologie om uitdroging te voorkomen en kunnen de natuurkwaliteit en het levende hoogveengebied vergroten. Deze principes leiden (her)inrichtingsplannen.

Laag van agrarische cultuurgrond - Veenkoloniaal landschap Hoogveen ontstaat natuurlijk door abiotische processen zoals ijs-, wind- en waterstromen, erosie en sedimentatie, evenals biotische processen zoals de vestiging van plant- en diersoorten op de bodem en geologie. Het ontstaat met name op natte delen waar water moeilijk kan wegstromen. Oorspronkelijk waren dit uitgestrekte natte gebieden met veengroei, beïnvloed door regenwater. In de buurt van het plangebied is het hoogveen ontgonnen, waarbij enkele veenpakketten nog steeds in de bodem zijn achtergebleven. De bestaande bebouwing en wegenstructuren blijven ongewijzigd. Stedelijke laag - Bedrijventerreinen Deze gebieden zijn door de provincie aangewezen voor bedrijventerreinen. De ontwikkeling van de uitbreiding van het bedrijventerrein Rollepaal Oost wordt mogelijk gemaakt binnen de stedelijke laag 'bedrijventerreinen'. Laag van beleving - donkerte De donkere gebieden zijn plekken waar het 's avonds nog echt donker is en waar je de sterren goed kunt waarnemen. Het behouden van deze duisternis wordt als een waardevolle eigenschap beschouwd. De ambitie is om de huidige 'donkere' gebieden minimaal zo donker te houden, met alleen het noodzakelijke gebruik van kunstlicht. Een deel van het plangebied - met name het uitbreidingsterrein - is gelegen in de laag donkerte.

Met de ontwikkeling wordt rekening gehouden door zo min mogelijk kunstlicht toe te passen, hier wordt in paragraaf 5.6 nader op ingegaan.

3.3.4 Provinciaal Programma Energiestrategie 2024 3.3.4.1 Beleidskader Het Provinciaal Programma Energiestrategie (PPE) is een instrument van Gedeputeerde Staten om de provinciale ambities uit de Regionale Energiestrategie (RES) te realiseren. Het programma is een uitwerking van de kaders die door Provinciale Staten zijn/worden vastgesteld in de Omgevingsvisie en -verordening.

292

Concept

(van 15-6-2026 17:20)

Instructieregels verplichten gemeenten om bij het aanpassen van hun omgevingsplan rekening te houden met wat de provincie belangrijk vindt. In de verordening zijn de voorkeursgebieden voor wind in de provincie opgenomen.

3.3.4.2 Toetsing aan beleid Het plangebied is gelegen in 'Gebieden met ruimte voor windenergie onder voorwaarden'. Het plan maakt geen nieuwe windmolens mogelijk en is daarom niet in strijd met het Provinciaal Programma Energiestrategie 2024.

3.3.5 Regionaal Waterprogramma 2022-2027

Concept

3.3.5.1 Beleidskader Het Regionaal Waterprogramma Overijssel 2020 is bedoeld als een concrete uitwerking van het regionaal waterbeleid binnen de provincie Overijssel. Het Regionaal Waterprogramma is een verplicht programma in het kader van de Omgevingswet. Het strategische waterbeleid (de beleidshoofdlijnen) is opgenomen in de Omgevingsvisie (actualisatie Omgevingsvisie Overijssel 2019/2020). Het Regionaal Waterprogramma is uitvoeringsgericht en bevat concrete maatregelen. Het provinciale waterbeleid in Omgevingsvisie en Regionaal Waterprogramma vormt tezamen het beleidsmatig kader voor alle regionale oppervlaktewateren en het regionaal grondwater, en daarmee het regionaal waterbeheer. De inhoud van dit Regionaal Waterprogramma kent de volgende verplichte onderdelen: a. de uitvoering van Europese waterrichtlijnen; b. de maatschappelijke functie drinkwateronttrekking. Europese waterrichtlijn De uitvoering van de Europese waterrichtlijn wordt nader toegelicht in het hoofdstuk 6 ‘Bescherming van de waterbelangen’. Het gebied is niet gelegen in een aangewezen KRW-oppervlaktelichaam. Maatschappelijke functie drinkwateronttrekking De provincie heeft een wettelijke verantwoordelijkheid voor het beleid voor het beheer van de grondwatervoorraad, waarbij de waterschappen optreden als beheerder.

De inzet is om de voorraad grondwater zo groot mogelijk te houden en zo verantwoord mogelijk te gebruiken. Er mag niet meer grondwater worden onttrokken dan wordt aangevuld om een structurele daling van de grondwaterstand te voorkomen. Naast het beheer van de grondwatervoorraad is ook de kwaliteit van belang en wil de provincie de kwaliteit van grondwater beschermden dat gebruikt wordt voor menselijke consumptie. De meest doelmatige bescherming is, in lijn met de milieubeginselen zoals vastgelegd in de Omgevingswet, preventie via de verbodsbepalingen in de verordening en is gericht op ruimtelijke functies die risico hebben voor grondwaterverontreiniging.

3.3.5.2 Toetsing aan beleid Het plan maakt geen nieuwe activiteiten nodig die grondwater zullen onttrekken. Bovendien is het plangebied niet gelegen in een drinkwaterbescherming of waterwinningsgebied.

3.3.6 Regionaal Waterprogramma 2026-2030 (ontwerp) 3.3.6.1 Beleidskader In het ontwerp van het Regionaal Waterprogramma Overijssel 2026-2030 wordt ingezet op een klimaatrobuust water- en bodemsysteem, waarbij water en bodem sturend zijn voor ruimtelijke ontwikkelingen. De grenzen van de maakbaarheid zijn bereikt: niet alles kan overal, en het natuurlijke systeem bepaalt waar functies zoals wonen, werken en bedrijventerreinen mogelijk zijn. Het provinciaal beleid richt zich op het voorkomen van wateroverlast, het waarborgen van voldoende en schoon (zoet)water voor landbouw, natuur, industrie en drinkwater, en het versterken van gezonde bodems. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, zoals uitbreiding van bedrijventerreinen, is het essentieel om vroegtijdig de waterschappen te betrekken en te toetsen op waterveiligheid, waterbeschikbaarheid en klimaatrobuustheid.

293

Concept

(van 15-6-2026 17:20)

Het programma onderstreept het belang van integrale samenwerking tussen provincie, gemeenten, waterschappen en andere stakeholders. Klimaatadaptatie en het principe “functie volgt peil” zijn leidend: functies moeten zich aanpassen aan de natuurlijke grondwaterstanden en niet andersom. Voor bedrijventerreinen betekent dit dat locatiekeuze, inrichting en bouwwijze moeten bijdragen aan het vasthouden van water, het voorkomen van hittestress en het minimaliseren van negatieve effecten op water- en bodemsysteem. Het RWP biedt een beleidskader dat aansluit bij Europese richtlijnen (KRW, Grondwaterrichtlijn, Drinkwaterrichtlijn) en de Omgevingswet, en stimuleert duurzame, toekomstbestendige keuzes. Alleen op locaties waar het water- en bodemsysteem dit toelaat en waar klimaatrobuuste maatregelen zijn geborgd, kan verantwoorde groei plaatsvinden.

Concept

3.3.6.2 Toetsing aan beleid Water en bodem zijn mede sturend geweest bij de locatiekeuze en inrichting van het plangebied. Zoals eerder aangegeven maakt het plan geen nieuwe activiteiten nodig die grondwater zullen onttrekken. Bovendien is het plangebied niet gelegen in een drinkwaterbescherming of waterwinningsgebied. Er worden maatregelen getroffen tegen hittestress, zoals vergroening van het terrein (bomen, struiken, groene daken), het beperken van verharding en het creëren van schaduwrijke plekken. Waar nodig worden in de regels van het omgevingsplan eisen opgenomen voor waterberging, infiltratie, beperking van verharding en vergroening.

3.3.7 Handreiking duurzame bedrijventerreinen 3.3.7.1 Beleidskader Aantrekkelijke, toekomstbestendige bedrijventerreinen zijn belangrijk voor ondernemers. Investeren in duurzame terreinen is waardevol. Niet alleen voor de maatschappij, maar ook voor ondernemers en werknemers. Veel ondernemers zien verduurzaming van hun bedrijf of bedrijventerrein daarom als een mooi perspectief. De provincie Overijssel heeft kwalitatieve ambities voor ontwikkeling van duurzame en toekomstbestendige bedrijventerreinen en is samen met MKB Nederland Midden en VNO-NCW Midden betrokken bij een brede aanpak voor toekomstbestendige bedrijventerreinen in Overijssel. Als onderdeel daarvan zijn twee handreikingen opgesteld voor het verder verduurzamen van bedrijventerreinen: één voor bestaande gebouwen en terreinen en één voor nieuwe gebouwen en terreinen.

3.3.7.2 Toetsing aan beleid Ten behoeve van het voorliggende omgevingsplan wordt de uitbreiding voor Rollepaal Oost getoetst aan de 'Handreiking duurzame bedrijventerreinen, nieuwe gebouwen en terreinen'. In de handreiking wordt een overzicht gegeven van goed toepasbare, fysieke maatregelen op het gebied van duurzame energie, biodiversiteit en klimaatadaptatie. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen maatregelen bedoeld voor de binnenkant van gebouwen, maatregelen voor de buitenkant van gebouwen en maatregelen bedoeld voor de buitenruimte: a. Binnenkant gebouw

b.

De maatregelen hebben vooral betrekking op energieverbruik van de nieuwe bedrijven op Rollepaal Oost. Daarbij wordt gedacht aan verlichting, isolatie, het gebruik van warmtepompen, lage temperatuurverwarming, warmte- en koudeopslag (WKO), het gebruik van restwarmte en (her)gebruik van regenwater. Buitenkant gebouw

c.

De maatregelen in de handreiking gaan vooral over het dak en de gevel van het bedrijfsgebouw. Ze leveren vaak een bijdrage aan zowel de bedrijfsvoering als aan de omgeving. Daarbij wordt gedacht aan zonnepanelen, mini-windturbines op het dak, het gebruik van witte daken, het gebruik van groene daken, groene gevels en ventilatie. Buitenruimte van gebouwen In de handreiking wordt gedacht aan het vergroenen van de bedrijfskavel of erfafscheiding of het toevoegen van water en beplanting. De maatregelen in de buitenruimte zijn onderdeel van de totale inrichting van het terrein en bepalen hoe het bedrijventerrein aansluit op de omgeving.

Met de maatregelen wordt ook een bijdrage geleverd aan de Sustainable Development Goals (SDG's) die in het kader van de 'agenda voor duurzame ontwikkeling' in 2015 door de Verenigde Naties zijn

294

Concept

(van 15-6-2026 17:20)

vastgesteld. Verder komen in de handreiking de thema's 'circulaire economie' en 'duurzame mobiliteit' aan bod. De provincie geeft algemene principes waar bedrijven rekening mee kunnen houden. In het ‘Stedenbouwkundig plan, inrichting openbare ruimte en beeldkwaliteit Rollepaal Oost’ en het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost‘ wordt ingegaan op de maatregelen ten behoeve van de betreffende thema's.

3.3.8 Algehele conclusie provinciaal beleid Het plan voldoet aan de uitgangspunten van het provinciaal beleid.

Concept

3.4 Regels en instructieregels provincie Overijssel 3.4.1 Omgevingsverordening Overijssel 2024 3.4.1.1 Regels en instructieregels De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Daarbij gaat het om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Een van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken, is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor onderwerpen waarvoor de provincie er waarde aan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.

3.4.1.2 Toetsing aan regels Voor de beoogde ontwikkeling zijn diverse instructieregels van toepassing. Navolgend zijn de relevante instructieregels opgenomen. Door middel van verwijzingen wordt per instructieregel aangegeven in welk gedeelte de motivering de toetsing te vinden is. Artikel 4.4 lid 1 (principe van concentratie) In omgevingsplannen worden alleen de ontwikkeling van woningbouw, bedrijventerrein, stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen mogelijk gemaakt als die voorzien in een lokale behoefte of in de behoefte van bijzondere doelgroepen. In paragraaf 7.2 'Ladder voor duurzame verstedelijking' wordt aangetoond dat met de beoogde uitbreiding van het bedrijventerrein wordt voorzien in de lokale behoefte. Artikel 4.6 (toekomstbestendigheid) In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt, anders dan voor tijdelijk gebruik, waarvan aannemelijk is dat die toekomstbestendig zijn. Bovendien dient het plan geen negatieve effecten te hebben op de gezondheid en het milieu van mensen. In paragraaf 7.2 'Ladder voor duurzame verstedelijking' wordt toegelicht dat het bedrijventerrein rekening houdt met de behoefte van de toekomstige generaties en voorziet in economische welvaart.

In hoofdstuk 5 'Bescherming van gezondheid en milieu' en in de Milieueffectrapportage (hoofdstuk 10) wordt aangetoond dat het plan geen negatieve effecten heeft op het welzijn van mensen. Artikel 4.8 (ontwikkelen met ruimtelijk beleid) In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die de ruimtelijke kwaliteit versterken. In het hoofdstuk 7 'Bescherming van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed' wordt aangetoond op welke wijze het voorliggende plan een bijdrage levert aan het versterken van de landschappelijke kwaliteiten. Artikel 4.9 lid 1 (onderbouwing ruimtelijke kwaliteit)

295

Concept

(van 15-6-2026 17:20)

Omgevingsplannen moeten een onderbouwing bevatten waaruit blijkt dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit waarin het provinciale uitvoeringsmodel wordt toegepast. Bovendien is een motivatie nodig waarom de ontwikkeling past binnen het provinciale ontwikkelingsperspectief. In de paragraaf 3.3.3 'Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel' en paragraaf 7.4 'Ruimtelijke kwaliteit en welstand' wordt de ontwikkeling getoetst aan het uitvoeringsmodel. Aangetoond wordt dat het plan voldoet aan de uitgangspunten. Artikel 4.10 lid 1 (normerende en richtinggevende uitspraken)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17099965/1