Motivering Rollepaal Oost
Tekst van het document
Windturbines Er zijn geen windturbines op of rond het industrieterrein Rollepaal. Overstroming en klimaatadaptatie Het industrieterrein ligt relatief hoog, zodat - ondanks de nabijheid van de Dedemsvaart – er een verwaarloosbaar klein risico op overstroming van het industrieterrein bestaat. Evenementen Het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg staat geen evenementen op het industrieterrein toe. Rookoverlast In het omgevingsplan worden regels opgenomen om ontwrichtende rookoverlast door brand van opslagen in de buitenlucht te voorkomen.
4.3 Conclusie In het stedenbouwkundige ontwerp zijn de bluswatervoorziening binnen Rollepaal Oost vastgelegd. Het brandaandachtsgebied dat over het industrieterrein Rollepaal en het deelgebied Rollepaal Oost ligt wordt aangewezen als brandvoorschriftengebied zoals bedoeld in artikel 5.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Bovendien worden er regels over het voorkomen van ontwrichtende rookoverlast bij brand van opslagen op het buitenterrein aan het omgevingsplan verbonden. Daarmee wordt voldoende waarborg voor de veiligheid van de nieuwe gebruikers van het plangebied geboden.
5 Bescherming van gezondheid en milieu 5.1 Luchtkwaliteit De gemeente Hardenberg is niet aangewezen als een agglomeratie zoals bedoeld in het Bkl. Met de wijziging van het omgevingsplan voor de uitbreiding van het industrieterrein Rollepaal met Rollepaal Oost wordt evenmin een tunnel voor het wegverkeer mogelijk gemaakt. Daarom is deze instructieregel niet op deze wijziging van het omgevingsplan van toepassing. Op de milieubelastende activiteiten die op Rollepaal Oost mogelijk worden gemaakt en die emissies naar de lucht zullen veroorzaken, is paragraaf
316
Concept
(van 15-6-2026 17:20)
5.4.4 van het Bal van toepassing. Daarmee wordt de kwaliteit van de buitenlucht voldoende beschermd. Daarom worden in aanvulling hierop het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg geen maatwerkregels op het gebied van luchtkwaliteit opgenomen.
5.2 Geluid 5.2.1 Toetsingskader
Concept
Geluidhinder is één van de thema's die onder de onderdelen gezondheid en het milieu van de fysieke leefomgeving te vatten zijn. Dit betekent dat de gemeente Hardenberg bij het uitoefenen van haar taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet zorg moet dragen voor het voorkomen en beperken van geluidhinder. In paragraaf 3.2.1.1 van deze motivering is al aangegeven dat in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) rijksregels zijn opgenomen over het voorkomen en beperken van geluidhinder. Het Bkl kent met betrekking tot geluid instructieregels in hoofdstuk 3 en 5. De instructieregels in hoofdstuk 3 (afdeling 3.5) zijn bedoeld voor het beheersen van de geluidemissie door wegen, spoorwegen en industrieterreinen (gericht op de bronbeheerder, vaststellen geluidproductieplafonds). De instructieregels in hoofdstuk 5 zijn specifiek bedoeld voor de evenwichtige toedeling van functies aan locaties bij het toestaan van milieubelastende activiteiten, de aanleg of wijziging van het gebruik van gemeentewegen, waterschapswegen of lokale spoorwegen (zonder geluidproductieplafonds) en het toelaten van nieuwe geluidgevoelige gebouwen binnen een geluidaandachtsgebied, waarbij rekening wordt gehouden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Daarnaast regelt hoofdstuk 5 het geluid van activiteiten.
Geluidproductieplafonds wegen en spoorwegen Voor de beheersing van het geluid van rijkswegen, hoofdspoorwegen, provinciale wegen, en sommige lokale spoorwegen wordt het systeem van geluidproductieplafonds (gpp) gehanteerd. Rond geluidbronnen met gpp's ligt een geluidaandachtsgebied; een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg of spoorweg waarbinnen het geluid op een geluidgevoelig gebouw hoger kan zijn dan de van toepassing zijnde standaardwaarde in de dosismaat Lden. Industrielawaai en gpp's Onder de Omgevingswet wordt de geluidbelasting door industrieterreinen met geluidproductieplafonds (gpp's) beheerst. Deze gpp's bestaan uit grenswaarden voor het equivalente geluidimmisieniveau op referentiepunten rond het industrieterrein. Voor bestaande industrieterreinen mag op grond van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet tot 1 januari 2032 gebruik worden gemaakt van het stelsel van de voormalige Wet geluidhinder. Voor nieuwe industrieterreinen en bij wijziging van de begrenzing van een bestaand industrieterrein moet met de wijziging van het omgevingsplan waarmee deze mogelijk worden gemaakt, gebruik worden gemaakt van de systematiek van gpp's. Daarnaast moeten de regels in het omgevingsplan borgen dat de geluidbelasting door de milieubelastende activiteiten op het industrieterrein niet hoger wordt dan de gpp's. De gpp's worden vastgelegd in de dosismaten Lden en Lnight.
Dit zijn jaargemiddelde waarden, in tegenstelling tot de huidige beoordeling op basis van langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus in de representatieve bedrijfssituatie. Cumulatie Naast het bestaande begrip cumulatie wordt onder de Omgevingswet het begrip 'gezamenlijk geluid' geïntroduceerd: a. Bij cumulatie van geluid wordt rekening gehouden met de verschillen in hinderlijkheid tussen geluidbronsoorten (wegverkeer, industrielawaai, railverkeerslawaai). b. Bij het nieuwe begrip 'gezamenlijk geluid' worden de geluidniveaus van verschillende geluidbronsoorten bij elkaar opgeteld zonder correcties. Het gezamenlijke geluid wordt gebruikt bij het bepalen van de geluidwering van nieuwe woningen. Het gecumuleerde niveau wordt berekend om de aanvaardbaarheid van het totale geluidaanbod te kunnen beoordelen. Deze aanvaardbaarheid kan worden beoordeeld aan de hand van een zogenoemde milieukwaliteits-maat waarmee de akoestische kwaliteit van de leefomgeving tot uitdrukking wordt gebracht, zie de navolgende tabel.
317
Concept
(van 15-6-2026 17:20)
Concept
Tabel 5.1 - kwaliteitsindicatie cumulatieve geluidbelasting geluidbelasting Lcum [dB]
geluidkwaliteit
<45
zeer goed
46-50
goed
51-55
redelijk
56-60
matig
61-65
tamelijk slecht
66-70
slecht
= 71
zeer slecht
Overig wegverkeerslawaai Voor wegen van gemeenten en waterschappen en de meeste lokale spoorwegen wordt het systeem van de basisgeluidemissie gehanteerd. Het geluid wordt gemonitord door het volgen van de verkeersontwikkeling. Deze monitoring wordt gefaseerd ingevoerd: eerst voor wegen met meer dan 4.500 motorvoertuigen per etmaal en uiterlijk vijf jaar later voor wegen tussen 1.000 en 4.500 motorvoertuigen per etmaal. Voor rustige wegen tot 1.000 motorvoertuigen per etmaal is monitoring niet vereist. Het monitoringsresultaat wordt vergeleken met de basisgeluidemissie: als het geluid met 1,5 dB is gegroeid ten opzichte van de basisgeluidemissie, moet de wegbeheerder afwegen of er maatregelen getroffen worden om het geluid te beperken. Als die maatregelen niet of onvoldoende helpen en het geluid binnen geluidgevoelige gebouwen boven de grenswaarde komt, moeten maatregelen getroffen worden die het binnengeluid verminderen. Maximaal geluidniveau Voor de beoordeling van hinderlijkheid van geluid zijn ook piekgeluiden van belang. In het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg zijn grenswaarden opgenomen voor het maximale geluidniveau dat door milieubelastende activiteiten op mag treden.
5.2.2 Toetsing De regeling voor Rollepaal Oost en Rollepaal (industrielawaai) Op het bestaande industrieterrein Rollepaal is het toegestaan om activiteiten die in aanzienlijke mate geluid veroorzaken uit te oefenen. Op grond van de bestemmingsplannen 'Dedemsvaart', 'Uitbreiding Hakvoort', 'Dedemsvaart, bedrijventerrein Rollepaal Oost, zuidelijk gedeelte' en 'Buitengebied Hardenberg' geldt rond het industrieterrein een zone zoals bedoeld in hoofdstuk 5 van de voormalige Wet geluidhinder. De hiervoor genoemde bestemmingsplannen maken deel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg. Op de uitbreiding van het bestaande industrieterrein met het deelgebied Rollepaal Oost, zullen ook activiteiten die in aanzienlijke mate geluid veroorzaken worden toegelaten. Dit houdt in dat de begrenzing van het industrieterrein met de wijziging van het omgevingsplan zal moeten worden aangepast, zodat deze begrenzing ook de uitbreiding met Rollepaal Oost omvat. Hierdoor ontstaat een nieuw industrieterrein. Dit betekent dat het overgangsrecht op grond van artikel 3.6, lid 1 van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet niet meer op dit uitgebreide industrieterrein van toepassing is.
Door deze uitbreiding moet dus de bestaande zone worden omgezet in de systematiek van gpp's en zal bovendien de geluidruimte die nodig is voor de activiteiten die op Rollepaal Oost zullen worden uitgeoefend, in deze gpp's moeten worden verwerkt. Op de omzetting van de zone die op grond van hoofdstuk 5 van de voormalige Wet geluidhinder naar de systematiek van gpp's, moet op grond van artikel 12.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden uitgegaan van de geluidproductie op het industrieterrein die is toegestaan bij maximale benutting van de grenswaarden die daarop op grond van de voormalige Wet geluidhinder van toepassing zijn. Dit betekent dat met het besluit tot wijzigen van het omgevingsplan waarmee de uitbreiding Rollepaal Oost mogelijk wordt gemaakt:
318
Concept
(van 15-6-2026 17:20)
a.
b.
c.
Concept
d.
319
eerst de bestaande zone moet worden omgezet in gpp's, waarbij wordt uitgegaan van de maximaal mogelijke invulling die de wettelijke grenswaarden die op grond van hoofdstuk 5 van de voormalige Wet geluidhinder gelden vervolgens op basis van deze maximale invulling de geluidbelasting op referentiepunten rond het bestaande industrieterrein de geluidbelasting uitgedrukt in de dosismaten Lden en Lnight niet worden berekend, die als gpp's moeten worden vastgesteld. hierop een nieuwe berekening moet worden uitgevoerd, waarbij daarnaast rekening wordt gehouden met de uitbreiding van het industrieterrein met het deelgebied Rollepaal Oost en daarmee op nieuwe referentiepunten opnieuw de geluidbelasting uitgedrukt in Lden en Lnight moeten worden berekend die uiteindelijk als definitieve gpp's in het omgevingsplan moeten worden vastgesteld tot slot moeten er regels in het omgevingsplan worden opgenomen die ervoor zullen zorgen dat de milieubelastende activiteiten op het industrieterrein gezamenlijk geen grotere geluidbelasting veroorzaken dan de grenswaarden die op grond van de gpp's gelden.
De berekeningen die hiervoor nodig waren zijn beschreven in het akoestisch onderzoek ‘Akoestisch onderzoek uitbreiding Rollepaal Oost‘ van DGMR dat als bijlage bij deze motivering is gevoegd. Naast de uitwerking in de regels van het omgevingsplan, zijn deze gegevens ook opgenomen in de zogenoemde Centrale Voorziening GeluidGegevens (CVGG) van het Rijk. In het akoestisch onderzoek zijn de gpp's rond het industrieterrein berekend op basis van: a. de voormalige zone op grond van hoofdstuk 5 van de (voormalige) Wet geluidhinder en de vastgestelde hogere grenswaarden, met daarbij opgesteld b. de geluidruimte die nodig is voor de bedrijven die zich op Rollepaal Oost zullen vestigen. Bij het inschatten van de geluidruimte die nodig is voor de toekomstige bedrijven op Rollepaal Oost is uitgegaan van de aard van de bedrijven die de gemeente daar wil laten vestigen. Één van deze nieuwe bedrijven heeft zich al aangemeld: het transformatorstation van Enexis dat op het meest noordelijke kavel van Rollepaal Oost zal worden gerealiseerd. In het akoestisch onderzoek is rekening gehouden met de geluidruimte die voor dit transformatorstation nodig is. Dit alles heeft uiteindelijk geleid tot het vastleggen van 39 referentiepunten in het omgevingsplan met bijbehorende gpp's.
Zeventien van deze 39 referentiepunten liggen op 470 meter van de grens van het industrieterrein, met een onderlinge afstand van eveneens 470 meter. Binnen deze afstand liggen verschillende woningen rondom het industrieterrein. Daarnaast liggen er langs de Moerheimstraat (dat geen deel uitmaakt van het industrieterrein) ook verschillende woningen als een enclave omgeven door het industrieterrein. Deze woningen genieten door de op grotere afstand van de grens van het industrieterrein gelegen referentiepunten onvoldoende bescherming tegen geluidhinder. Daarom is ervoor gekozen om ter hoogte van deze woningen eveneens referentiepunten vast te stellen en ook op deze punten gpp's vast te stellen met de wijziging van het omgevingsplan. Het op deze manier ontstane stelsel van gpp's is geïllustreerd in de onderstaande figuur.
Concept
(van 15-6-2026 17:20)
Concept 320
figuur 5.1 - de in het omgevingsplan vastgelegde gpp's rond industrieterrein Rollepaal
De ligging van de hierboven weergegeven 39 referentiepunten én de daarbij behorende gpp's voor de dosismaten Lden en Lnight zijn opgenomen in een planregel die aan het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg is toegevoegd. Op grond van artikel 5.78f moeten er daarnaast regels aan het omgevingsplan worden toegevoegd die ervoor zorgen dat vanwege de geluidbelasting door de milieubelastende activiteiten die op het industrieterrein worden uitgevoerd. Om dit te borgen is aan elk kavel op het industrieterrein een quotum aan geluidbelasting per individueel referentiepunt toegekend. De som van alle quota op elk referentiepunt is gelijk aan de op dat referentiepunt vastgestelde gpp's voor het Lden en Lnight. In de planregel is bepaald dat de geluidbelasting die door de bedrijven op het industrieterrein op de referentiepunten optreedt niet hoger mag zijn dan dit quotum toelaat.
Concept
(van 15-6-2026 17:20)
Concept 321
figuur 5.2 - kavels op het industrieterrein waarvoor quota zijn vastgesteld om aan artikel 5.78f Bkl te voldoen
Deze systematiek sluit aan bij de systematiek van de VNG-publicatie 'Activiteiten en milieuzonering'. Om ervoor te zorgen dat er geen strijdigheid ontstaat met de planregels waarmee de gebruiksactiviteiten voor het bestaande industrieterrein in het tijdelijke deel van het omgevingsplan zijn vastgelegd, is deze regel als voorrangsbepaling in het omgevingsplan opgenomen. Bovendien is artikel 22.63 niet van toepassing verklaard voor de milieubelastende activiteiten op het industrieterrein Rollepaal en het deelgebied Rollepaal Oost. Om ervoor te zorgen dat niettemin ook grenswaarden voor het maximale geluidniveau LAmax ter hoogte van omliggende woningen, is hiervoor een aanvullende planregel aan het omgevingsplan verbonden. Voor wat betreft de geluidbelasting ter hoogte van de rond het industrieterrein gelegen woningen die binnen het daaromheen liggende geluidaandachtsgebied liggen, blijkt uit het akoestisch onderzoek dat de uitbreiding met het deelgebied Rollepaal Oost niet leidt tot een hogere geluidbelasting dan de standaardwaarde voor industrielawaai en/of dan al was toegestaan voor uitbreiding. Hiermee is de uitbreiding voor het aspect geluid in de omgeving aanvaardbaar. Uitzondering hierop vormt de woning aan de Schutwijk 2. Op grond van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg is hier de gebruiksactiviteit wonen toegestaan.
Deze woning ligt in de toekomstige situatie ingeklemd tussen het bestaande industrieterrein Rollepaal en de uitbreiding van dit industrieterrein met Rollepaal Oost. Dit wordt geïllustreerd met de onderstaande figuur.
Concept
(van 15-6-2026 17:20)
Concept
figuur 5.3 – ligging van de woning aan de Schutwijk 2
In overleg met de eigenaar van deze woning is besloten om naast de woonactiviteit, op deze locatie ook het gebruik als kantoorruimte toe te staan. De woonactiviteit blijft daarbij onverminderd toegestaan op grond van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat door de bijzondere ligging van deze woning ten opzichte van zowel het bestaande industrieterrein als de uitbreiding van het industrieterrein, de geluidbelasting ter hoogte van deze woning wel toeneemt ten opzichte van de bestaande situatie. In de bestaande situatie bedraagt de geluidbelasting ter hoogte van deze woning 55 dB voor het Lden en 45 dB voor het Lnight. Na uitbreiding van het industrieterrein met Rollepaal Oost bedraagt de geluidbelasting ter hoogte van deze woning 58 dB voor het Lden en 48 dB voor het Lnight. Dit is weliswaar meer dan de standaardwaarden van 50 en respectievelijk 40 dB voor het Lden en Lnight, maar minder dan de grenswaarden van 60 en respectievelijk 50 dB voor het Lden en Lnight op grond van artikel 3.34 van het Bkl. In overeenstemming met dit artikel 3.34 is bij het tot stand komen van deze wijziging de geluidbelasting door het uitbreiden van het industrieterrein zoveel als mogelijk beperkt. Ter hoogte van de overige omliggende woningen is immers geen sprake van een toename van de geluidbelasting.
Omdat de geluidbronnen op het industrieterrein op relatief grote afstand liggen, kan de geluidbelasting ter hoogte van de woning aan de Schutwijk bovendien niet redelijkerwijs tot op of onder de standaardwaarde worden beperkt. Uit de resultaten van het akoestisch onderzoek volgt dat het gecumuleerde geluidniveau ter hoogte van deze woning in de bestaande situatie 58 dB bedraagt en in de toekomstige situatie 61 dB zal bedragen. Daarmee neemt de MilieuKwaliteitMaat ter hoogte van deze woning af van tamelijk slecht tot slecht.
322
Concept
(van 15-6-2026 17:20)
Omdat de grenswaarde voor de geluidbelasting door het industrielawaai niet wordt overschreden en het handhaven van de woonfunctie de uitdrukkelijke wens van de eigenaar is, is de gemeente van mening dat sprake is van een aanvaardbare akoestische situatie ter hoogte van deze woning. Met de regels van het gewijzigde omgevingsplan wordt ter hoogte van deze woning de waarde van het gezamenlijke geluid vastgesteld op 59 dB. Wegverkeerslawaai
Concept
Het plan maakt daarnaast een nieuwe weg mogelijk en heeft een verkeersaantrekkende werking die leidt tot een toename van het verkeer op de omliggende wegen. In het kader van de indirecte akoestische effecten hebben we daarom het geluid vanwege het wegverkeer bepaald en vergeleken met de referentiesituatie. Hieruit volgt dat deze bij alle woningen niet meer toeneemt dan 1,5 dB. Hiermee zijn de indirecte effecten aanvaardbaar.
5.2.3 Conclusie Met de voorliggende wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg wordt de uitbreiding van industrieterrein Rollepaal met het deelgebied Rollepaal Oost mogelijk gemaakt. Hiervoor is de rond het industrieterrein op grond van het tijdelijke deel geldende zone volgens hoofdstuk 5 van de voormalige Wet geluidhinder omgezet naar de systematiek van geluidproductieplafond op grond van de Omgevingswet. Deze omzetting leidt er niet toe dat ter hoogte van de omliggende woningen ofwel de standaardwaarden voor het Lden en Lnight worden overschreden óf sprake is van een hogere geluidbelasting dan voor de uitbreiding. Daarnaast neemt door de uitbreiding de geluidbelasting door het wegverkeer in de omgeving van het industrieterrein niet toe met meer dan 1,5 dB. Met beide onderdelen is aangetoond dat er met de uitbreiding van het industrieterrein sprake is van een evenredige toedeling van functies aan locaties voor het milieuaspect geluid.
5.3 Trillingen 5.3.1 Toetsingskader Op grond van artikel 5.83 van het Bkl moet bij het wijzigen van het omgevingsplan rekening worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillingsgevoelige ruimten van trillingsgevoelige gebouwen; het plan moet erin voorzien dat deze trillingen aanvaardbaar zijn. Het toepassingsbereik van deze instructieregel omvat alle activiteiten die met het omgevingsplan zijn toegestaan, met uitzondering van de activiteit wonen, activiteiten in de openbare buitenruimte, evenementen buiten een evenementenlocatie en verkeer op wegen, spoorwegen en waterwegen. In artikel 5.86 van het Bkl is aangegeven dat aan de instructieregel wordt voldaan als aan het omgevingsplan standaardwaarden voor continue trillingen en herhaald voorkomende trillingen worden verbonden.
5.3.2 Toetsing In artikel 22.88 van het omgevingsplan gemeente Hardenberg zijn de bedoelde standaardwaarden voor continue trillingen opgenomen. Met de wijziging van het omgevingsplan zijn daarom aanvullend hierop standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen, in overeenstemming met artikel 5.78a van het Bkl aan het omgevingsplan verbonden.
5.3.3 Conclusie De regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg bieden voldoende waarborgen voor de bescherming tegen trillingshinder door de milieubelastende activiteiten op de uitbreiding met industrieterrein Rollepaal Oost.
5.4 Bodemkwaliteit 5.4.1 Toetsingskader Op grond van de instructieregels uit paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl moeten er in het omgevingsplan regels worden opgenomen die eisen stellen aan de kwaliteit van de bodem waaraan moet worden voldaan, om bouwactiviteiten op een bodemgevoelige locatie toe te kunnen staan. Een omgevingsplan kan deze bouwactiviteit toestaan als op een locatie deze grenswaarden worden overschreden, als daarbij wordt voorgeschreven dat sanerende of andere beschermende maatregelen getroffen worden. Daarnaast moet in het omgevingsplan op zijn minst een meldingsplicht worden ingesteld voor het bouwen van een bo-
323
Concept
(van 15-6-2026 17:20)
demgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Ook moeten er regels in het omgevingsplan worden opgenomen die het in stand houden van de sanerings- en andere beschermende maatregelen borgen. Naast regels over het bouwen van een bodemgevoelig gebouw, moeten er op grond van de instructieregels regels aan het plan worden verbonden over het op of in de grond brengen van grond en baggerspecie. Zo kan er in het omgevingsplan een zogenoemd bodembeheergebied worden aangewezen en moet in het omgevingsplan de landbodem worden ingedeeld in bodemfunctieklassen.
Concept
In 2023 heeft de gemeenteraad van de gemeente Hardenberg de Nota Bodembeheer Regio IJsselland 2023 en de bijbehorende bodemkwaliteitskaart vastgesteld. Deze Nota Bodembeheer heeft een geldigheidsduur van 10 jaar. Op grond van het overgangsrecht zijn de bodemfunctiekaart en het gebiedsspecifieke beleid dat in deze Nota Bodembeheer zijn opgenomen, gelijkgesteld aan het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg, tot dit beleid haar geldigheid verliest. Op 6 mei 2025 heeft de raad van de gemeente Hardenberg een wijziging van haar omgevingsplan vastgesteld waarmee het gebiedsspecifieke beleid uit de Nota bodembeheer wordt overgezet naar het nieuwe deel van het omgevingsplan. In de wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg waarmee de uitbreiding van het industrieterrein Rollepaal met Rollepaal Oost mogelijk wordt gemaakt, worden daarom géén regels over het nuttig toepassen van grond of baggerspecie in het nieuwe deel van het omgevingsplan opgenomen. Wel zijn er regels opgenomen waarmee de bouw van bodemgevoelige gebouwen vergunningplichtig is.
5.4.2 Toetsing Op grond van de artikelen 22.26 en 22.27 van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw vergunningplichtig gemaakt. Daarmee wordt voldaan aan de instructieregels van het Bkl. Op grond van de bodemfunctieklassekaart die deel uitmaakt van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, rust op Rollepaal Oost de bodemfunctieklasse 'Industrie'; wat past bij de gebruiksactiviteiten die daar met de wijziging van het omgevingsplan mogelijk worden gemaakt.
5.4.3 Conclusie Met het vergunningplichtig maken van het bouwen van bodemgevoelige gebouwen, de bodemfunctieklasse die op grond van de thematische wijziging van het omgevingsplan op gebied van bodembescherming in het plan is opgenomen, wordt voldoende waarborg geboden voor de kwaliteit van de bodem.
5.5 Geur 5.5.1 Toetsingskader De kwaliteit van de fysieke leefomgeving kan worden beïnvloed door de geuruitstoot die samenhangt met activiteiten die in of om het plangebied zijn toegestaan. In het omgevingsplan moet daarom rekening worden gehouden met de geurbelasting die door activiteiten binnen en buiten het deelgebied, ter hoogte van geurgevoelige gebouwen binnen en buiten het deelgebied optreedt. In hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is een instructieregel opgenomen, op grond waarvan in het omgevingsplan regels moeten worden opgenomen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat het geurhinderniveau binnen het plangebied aanvaardbaar is. In deze instructieregel zijn voor dat doel aanwijzingen opgenomen waaraan de regels voor waterzuiveringsinstallaties en het houden van landbouwhuisdieren moeten voldoen. Voor het overige is het aan de gemeente gelaten of en welke aanvullende regels nodig zijn om de geurbelasting door overige activiteiten in het plangebied aanvaardbaar te laten zijn. De provincie Overijssel heeft de Beleidsregel geur door milieubelastende activiteiten (niet-veehouderijen) 2024 vastgesteld. Hierin zijn aanvaardbaar geurhinderniveau van bestaande en nieuwe mba's opgenomen Verder zijn er streef-, richt- en grenswaarden voor geur opgenomen voor verschillende gebiedstypen en geurtypen, waaraan bij vergunningverlening voor mba's wordt getoetst.
Voor de uitbreiding Rollepaal Oost wordt in de voorliggende wijziging van het omgevingsplan aangesloten bij het provinciale beleid voor nieuwe situaties (artikel 5 en 8 van de beleidsregel), dit betekent dat wordt uitgegaan van de streefwaarde, beoordeeld voor categorie A voor geurgevoelige gebouwen (gebiedscategorie wonen of buitengebied). In de beleidsregel zijn voor nieuwe activiteiten de onderstaande streefwaarden opgenomen en voor bestaande activiteiten de onderstaande grenswaarden. De getalswaarden zijn opgenomen als ouE/m3 als 98 onderschrijdingspercentiel.
324
Concept
(van 15-6-2026 17:20)
Aard van de geurlast
Streefwaarde
Richtwaarde
Zeer hinderlijk
0,05
0,15
Hinderlijk
0,15
0,5
Minder hinderlijk
0,5
1,5
Minst hinderlijk
1,5
5
Concept
5.5.2 Toetsing Voor het bestaande industrieterrein zijn de gebruiksactiviteiten op grond van het tijdelijke deel van het omgevingsplan toegestaan door gebruik te maken van de systematiek van de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering. Daarbij zijn de afstanden die in deze publicatie voor de verschillende categorieën van bedrijfsmatige activiteiten worden gehanteerd, afgestemd op de afstand waarop de bedrijven in kwestie aan een geurnorm van 0,5 ouE/m3 als 98 onderschrijdingspercentiel kunnen voldoen. De provinciale beleidsregel is bedoeld als beoordelingskader aan de hand waarvan de provincie aanvragen voor omgevingsvergunningen zal toetsen. Daarom is er bij het wijzigen van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg voor de uitbreiding van het industrieterrein Rollepaal voor gekozen om de regels voor de toegelaten geurbelasting door nieuwe bedrijven op Rollepaal Oost te baseren op deze provinciale beleidsregel.
5.5.3 Conclusie In het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg wordt voor de milieubelastende activiteiten op Rollepaal Oost een regel opgenomen waarin is aangesloten bij de provinciale Beleidsregel geur door milieubelastende activiteiten 2024.
5.6 Licht 5.6.1 Toetsingskader Locaties met kunstmatige verlichting kunnen verschillende soorten negatieve effecten veroorzaken. Lichthinder is een thema dat decentrale overheden moeten afwegen. Rijksregels zijn er alleen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen. Er is ook een leidraad voor overheden. Kunstmatige verlichting kan vier soorten negatieve effecten veroorzaken: a. hinder voor de mens; b. hinder langs wegen; c. verstoring van de natuur; d. horizonvervuiling. Effectafstanden De lichthinder die kunstmatige verlichting veroorzaakt hangt af van de aard, intensiteit, duur en plaats van de verlichting. Over effectafstanden van kunstmatige verlichting is nog weinig bekend. Deze afstanden zijn afhankelijk van verschillende aspecten: a. de kenmerken van de verlichting (zoals verlichtingsintensiteit, de golflengtes ofwel spectrale samenstelling van het licht, de vorm van de armatuur, et cetera); b. de situatie waarin de verlichting plaatsvindt (de transparantie van het landschap). In het gemeentelijke omgevingsplan is lichthinder een aspect dat meeweegt vanuit een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Een gemeente kan zelf bepalen of ze regels ter voorkoming van lichthinder wil stellen in het omgevingsplan.
Het omgevingsplan kan bijvoorbeeld ambities bevatten over lichthinder in de openbare ruimte, eventueel in de vorm van omgevingswaarden, maar ook een zorgplicht met betrekking tot lichthinder, beoordelingsregels voor omgevingsvergunningen en bevoegdheden tot het stellen van maatwerkvoorschriften over lichthinder.
5.6.2 Toetsing In het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost‘ is aangegeven dat de referentiesituatie lichthinder door omwonenden werd ervaren vanaf het bestaande bedrijventerrein Rollepaal. De lichtreclame zorgde voor een oranje gloed in de avond- en nachtperiode. Ook is de terreinverlichting goed zichtbaar vanaf de bestaande woningen, ondanks een afschermende grondwal. De straatverlichting is over het algemeen 6 meter hoog langs wegen waar vrachtwagens rijden. Door deze gericht en afgeschermd te plaatsen kan
325
Concept
(van 15-6-2026 17:20)
lichthinder zoveel mogelijk worden voorkomen. Mogelijke hinder door koplampen wordt voorkomen door de grondwal. Als gevolg van het toevoegen van bedrijvigheid op Rollepaal Oost kan sprake zijn van lichthinder. Aan de noord- en oostkant van de uitbreiding wordt een grondwal gerealiseerd. Het bedrijventerrein biedt ruimte aan meerdere type bedrijven waaronder het nieuwe station van TenneT. Dit station zal niet structureel worden verlicht.
Concept
Bij onderdelen op het terrein zal in de avond- en nachtperiode verlichting aanwezig zijn dat vergelijkbaar is met een buitenlamp aan een woning. Bij calamiteiten en werkzaamheden in de avond- en of nachtperiode is goede verlichting noodzakelijk voor de veiligheid. Dit zal incidenteel plaatsvinden waardoor extreme lichthinder wordt uitgesloten. Met maatregelen zoals armaturen die naar beneden/op de betreffende objecten zijn gericht zal het uitstralingseffect nihil zijn. De overige kavels worden naar verwachting ingericht met distributiecentra, recyclingbedrijven en overige bedrijvigheid. Het is in dit stadium nog onduidelijk of de geplande activiteiten buiten of inpandig plaats zullen vinden. Naar verwachting wordt het terrein van bedrijven met een transportfunctie verlicht met lichtmasten. In het stedenbouwkundige plan dat voor het realiseren van het omgevingsplan is opgesteld (zie paragraaf 2.2.1), is ingegaan op de mogelijkheden om lichthinder in de omgeving van Rollepaal Oost te beperken. In uitwerking op het stedenbouwkundig plan over licht is een aantal regels aan het plan verbonden. In de regels is bepaald dat: a. verlichting die binnen Rollepaal Oost wordt gebruikt en richting de grondwal is gericht, maximaal 4 meter hoog mag zijn. b. verlichte reclame-uitingen niet hoger mogen zijn dan 4 meter boven maaiveld c.
reclameuitingen voorzien van verlichting tussen 23:00 en 07:00 moeten zijn uitgeschakeld en dat terreinverlichting moet zijn voorzien van armaturen die ervoor zorgen dat er geen licht buiten het bedrijfsterrein wordt geworpen. De beperking van de hoogte van verlichte reclame-uitingen tot 4 meter en het uitschakelen daarvan tussen 23:00 en 07:00 zorgt er in combinatie met de grondwal van 3 meter voor dat deze in de dag- en avondperiode vanaf de oost- en noordzijde gezien niet zichtbaar zal zijn in de dag- en avondperiode door afscherming en in de nachtperiode door de uitschakeling. In de dag- en avondperiode wordt de lichtreclame aan de westzijde niet afgeschermd richting de overige bedrijven. Aan de zuidzijde zorgt de groensingel tijdens het bladdragende deel van het jaar voor afscherming in de dag- en avondperiode. Daarnaast is in het omgevingsplan bepaald dat lichtreclame niet mag knipperen, bewegen of op een andere manier dynamisch mag zijn.
5.6.3 Conclusie In het omgevingsplan zijn regels opgenomen over het uitschakelen van verlichte reclameuitingen tussen 23:00 en 07:00 uur en het voorkomen van lichthinder door het gebruik van terreinverlichting. Daarnaast zijn er in het omgevingsplan regels opgenomen over hoe hoog de lichtmasten mogen zijn, hoe hoog verlichte reclame-uitingen mogen worden opgehangen en dergelijke. Daardoor wordt met de planregels voldoende waarborg tegen het optreden van lichthinder geboden.
5.7 Bezonning 5.7.1 Toetsingskader Binnen Nederland zijn er geen formele eisen gesteld aan de bezonning van woningen, bouwwerken of percelen. Er is geen wet die het recht op bezonning regelt. De gemeente Hardenberg heeft nog geen beleid vastgesteld voor wat betreft bezonning en nadelige schaduwwerking op omliggende woningen. In het geval een gemeente niet over dergelijk beleid beschikt, dan kunnen de algemeen gehanteerde TNO-richtlijnen worden toegepast voor het beoordelen van de effecten van beschaduwing. TNO kent een licht en een strenge norm: a. de lichte TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari 21 oktober (gedurende 8 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam; b. de strenge TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari - 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam. Deze normen zijn alleen van toepassing op gevels die zon kunnen ontvangen; noordgevels ontvangen nooit direct zonlicht.
326
Concept
(van 15-6-2026 17:20)
5.7.2 Toetsing
Concept
In het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost‘ is aangegeven dat het planvoornemen uitgaat van een bedrijventerrein met een maximale bouwhoogte van 15 meter aan de oostzijde. Door de afstand van de bebouwing tot de plangrens (vanwege de tussenliggende grondwal, water, groenstroken, fietsen wandelpaden en interne wegen, zie ) is schaduwwerking vanwege de gebouwen op de omliggende woningen uitgesloten. Ten ondersteuning is aanvullend een bezonningsstudie bijgevoegd waarin voor de vier seizoenen op maatgevende dagen en tijdstippen het verloop van schaduwwerking in beeld is gebracht over het verloop van de dag. Het gaat daarbij om: a. lente: 21 maart om 9.00, 12:00, 15:00 en 17:30 uur; b. zomer: 21 maart om 9.00, 12:00, 15:00, 18:00 en 20:00 uur; c. herfst: 21 maart om 9.00, 12:00, 15:00 en 17:30 uur; d. winter: 21 maart om 9.30, 12:00 en 15:00 uur. De bezonningsstudie is als bijlage 11 in de motivering van het voorliggende omgevingsplan opgenomen. Uit de bezonningsstudie wordt bevestigd dat er geen sprake is van schaduwwerking vanwege de bedrijfsgebouwen op de omliggende woningen, met uitzondering van de bestaande woning aan de Rheezerend 17 tijdens het vallen van de schemering in de winterperiode op 21 december.
Daarbij geldt als kanttekening dat op het terrein van TenneT/Enexis in de praktijk minder veel minder bebouwing mag worden gerealiseerd dan waar nu rekening mee is gehouden in de bezonningsstudie. Bovendien komt deze verder van de grondwal af. Dit zal gevolgen hebben voor de schaduwwerking ter plaatse. Rondom het bedrijventerrein wordt een grondwal gerealiseerd van 3 meter hoogte met beplanting. Aan de oostzijde van het bedrijventerrein zijn agrarische gronden aanwezig. Uit de inspraak op het NRD (zie paragraaf 10.1.3) bleek dat de gebruikers van deze gronden zich zorgen maakt over mogelijke schaduwwerking als gevolg van hoge objecten en de grondwal, waardoor de groei van gewassen beperkt kan worden. Om een beeld te geven van de effecten is in het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost‘ gekeken naar de zonstand (38 graden in maart ten opzichte van de horizon) en de schaduwlengte van nieuwe gebouwen en de grondwal aan de oostzijde. In het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost‘ wordt geconcludeerd dat wanneer de begroeiing een hoogte heeft van 10 meter, er geen sprake is van schaduw ter plaatse van de agrarische gronden. Wanneer de begroeiing uitgroeit tot circa 20 meter is er sprake van een schaduwlengte van circa 10 meter ter plaatse van de agrarische gronden. In tegenstelling tot schaduw van bebouwing is er geen sprake van harde schaduw.
Daarnaast krijgen niet alle bomen op de grondwal een hoogte van 20 meter en dient de zone langs de watergang te worden vrijgehouden als bufferzone (3 meter), waardoor de voor gewassen geschikte zone 3 meter naast de watergang ligt. De effectzone bedraagt hierdoor 0 tot 7 meter in de vroege lenteperiode. Naarmate het seizoen vordert is er geen sprake meer van schaduwwerking. In vergelijking met de referentiesituatie is geen sprake van een noemenswaardige verslechtering van de bezonning.
5.7.3 Conclusie In de regels en op de kaart zijn regels opgenomen met betrekking tot de situering van bedrijfsgebouwen en de maximale bouwhoogte. Hiermee wordt voldoende waarborg geboden voor de bezonning.
5.8 Gezondheid 5.8.1 Toetsingskader Een van de doelen van de Omgevingswet is het beschermen van de gezondheid: het doel van de wet is onder meer het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Een deel van de hiervoor beschreven milieu- en omgevingsaspecten heeft een gezondheidscomponent, waarbij het in de meeste gevallen gaat om gezondheidsbescherming. Bij de afweging van de gezondheidsgevolgen kunnen ook gezondheid bevorderende aspecten een rol spelen zoals bijvoorbeeld een groene leefomgeving, ruimte voor en uitnodiging tot beweging, beschikbaarheid en toegankelijkheid van voorzieningen en sociale cohesie. De gezondheidsbevordering en de gezondheidsbescherming kunnen echter niet tegen elkaar worden afgewogen.
327
Concept
(van 15-6-2026 17:20)
Omgevingsvisie provincie Overijssel
Concept
In de omgevingsvisie van de provincie Overijssel zijn kwaliteitsambities opgenomen voor het aspect gezondheid: a. Het realiseren van een langer leven in goede gezondheid en verminderde gezondheidsverschillen van de inwoners van Overijssel. b. Gezonde leefomgeving, met een goede milieukwaliteit, een groene en klimaatadaptieve leefomgeving en veilig, gezond en schoon kunnen wonen, werken, recreëren en reizen. c. Actief in de wereld, waarin de provincie met het mobiliteitsbeleid inzet op actief bewegen (fietsen, rennen, wandelen), in het beleid voor de woon- en werkomgeving meer plek maken voor beweging en ontmoeting en initiatieven faciliteren die inzetten op meer beweging. Dit wordt gerealiseerd door de leefomgeving zo in te richten dat deze bijdraagt aan de vitaliteit en gezondheid van Overijsselaars. Ook wordt water en natuur meer binnen de bebouwde omgeving gebracht, onder andere door groenblauwe dooradering, om zo te zorgen voor wateropvang, om hittestress tegen te gaan en om de biodiversiteit te vergroten. Dit betekent onder andere dat er ook meer bomen geplant worden in het bebouwde gebied. Bomen zorgen voor meer schaduw en dus koelte in bebouwde gebieden en leveren een bijdrage aan de klimaatopgave. Als het gaat om de werklocaties in Overijssel, moeten die locaties ruimtelijk beter worden gebruikt en toekomstbestendig worden ingericht.
5.8.2 Toetsing In het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost‘ is gezondheid als integraal onderdeel meegenomen: de gecumuleerde effecten van milieuaspecten zoals geluid, luchtkwaliteit, geur en veiligheid als ook sociale aspecten, kwaliteit van de openbare ruimte, aanwezigheid van groen en recreatiemogelijkheden. Deze effecten zijn zowel binnen het plangebied beschreven als de invloed van de planontwikkeling op de gezondheidsaspecten van omwonenden. Gezondheid wordt in dit ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost‘ betrokken op meetbare aspecten zoals geluid en luchtkwaliteit (gezondheidsbescherming) maar ook op de meer subjectieve aspecten als de aanwezigheid van groen en uitnodiging tot bewegen (gezondheidsbevordering). Geconcludeerd wordt dat vanwege de toename van zowel industrie- als wegverkeerslawaai, plaatselijke effecten op uitzicht en de mogelijke lichthinder een negatief effect heeft op de gezondheid vanwege de gezondheidsbescherming. Door het aanleggen van de grondwal met beplanting en het vastleggen van een geluidzone met een geluidverkavelingsplan, wordt verwacht dat de effecten te minimaliseren zijn. In het plan is evenwel veel ruimte gereserveerd voor de aanleg van groen- en waterstructuren. Daarnaast wordt voorzien in ontmoetingsplaatsen en wandel- en fietsroutes.
Dit heeft een lokaal positief effect op de gezondheid van de gebruikers van het bedrijventerrein vanwege gezondheidsbevordering.
5.8.3 Conclusie Met de regels die met deze wijziging van het omgevingsplan zijn opgenomen, wordt geborgd dat de uitbreiding van het industrieterrein Rollepaal past binnen de geluidruimte die hiervoor met de voormalige zone op grond van de Wet geluidhinder was gereserveerd. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat er ter hoogte van de omliggende woningen geen sprake zal zijn van een toename van de geluidbelasting door industrielawaai of wegverkeerslawaai. Om verstoring van het uitzicht te voorkomen, wordt Rollepaal Oost afgeschermd van haar omgeving door een grondwal en groenstroken. Bovendien zijn er regels aan het plan verbonden die lichthinder voorkomen. Daarmee is geborgd dat het wijzigen van het omgevingsplan geen nadelige invloed zal hebben op de gezondheid van omwonenden.
6 Bescherming van de waterbelangen 6.1 Toetsingskader De belangrijkste consequentie van de Omgevingswet voor het (stedelijk) waterbeheer is dat de beleidsvrijheid van gemeenten en waterschappen verder toeneemt. Als gevolg van deregulering zal een deel van de nationale regelgeving via de zogenaamde Bruidsschat Omgevingswet naar gemeenten en waterschappen gaan. Het gaat daarbij onder andere om de regels voor lozingen in de riolering, op of in de bodem en op het oppervlaktewater en het aansluiten op de riolering. Met de inwerkingtreding van de
328
Concept
(van 15-6-2026 17:20)
Omgevingswet worden deze regels van rechtswege onderdeel van het gemeentelijk omgevingsplan (lozingen bodem en riolering en aansluiten riolering) en de Waterschapsverordening (lozingen oppervlaktewater).
Concept
De Waterschapsverordening bevat regels specifiek gericht op het watersysteem en waterstaatswerken binnen het beheergebied van een waterschap. Samen met het omgevingsplan bevat de Waterschapsverordening de regels voor de fysieke leefomgeving op lokaal niveau. Er staan regels in voor verschillende soorten activiteiten. De Waterschapsverordening is te raadplegen via het DSO. Het waterschap Drents Overijsselse Delta heeft vanaf inwerkingtreding van de Omgevingswet twee verordeningen: de Waterschapsverordening (combinatie van de huidige Keur en Algemene regels, maar zonder bepalingen over onderhoudsplichten) en de Onderhoudsverordening (ontleend aan de Keur). In de Waterschapsverordening zijn regels opgenomen over beperkingengebied activiteiten, wateronttrekkingsactiviteiten, lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of een zuivering technisch werk. De provincie en het waterschap hebben deze uitgangspunten verder doorvertaald in regionaal beleid en verordeningen.
6.2 Toetsing In de POV, de Waterschapsverordening, het Bal en de bruidsschat zijn regels opgenomen om de waterkwaliteit en kwantiteit te borgen. In het omgevingsplan kunnen daarnaast nog regels worden opgenomen om wateroverlast door de gevolgen van de klimaatverandering tegen te gaan. In het kader van het MER en het omgevingsplan is een watertoets uitgevoerd. Deze is opgenomen in het bijlagenboek 2 bij het MER (zie ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost Bijlagenboek_2 van 2‘). Waterkwantiteit Uit de watertoets blijkt dat als gevolg van het voornemen circa 17 hectare verhard wordt. De benodigde waterberging bedraagt 15.540 m3. Voor de berekening van de bergingsopgave is rekening gehouden met een statistische bui van eens in de 100 jaar en een toekomstig klimaatscenario van 10%. Uit de watertoets blijkt dat de bergingsopgave gerealiseerd kan worden binnen de plangrenzen. De totale berging in de voorziene watergangen bedraagt 14.670 m3. De overige 870 m3 wordt geborgen in het groen in de vorm van wadi's. Uitgangspunt is dat waterberging gedeeltelijk op het eigen perceel wordt opgelost, waarna het geleidelijk afgevoerd kan worden op het oppervlaktewater. Uit het onderzoek blijkt dat infiltratie in de bodem kansrijk is en het plan voldoende ruimte biedt voor de benodigde waterberging.
Door de realisatie van een slotenstelsel kan het peil fluctueren en kan water worden vastgehouden en infiltreren in de bodem. Waterkwaliteit Uitgangspunt is dat het water wordt gescheiden bij de bron, waarbij vuilwater separaat wordt afgevoerd. Regenwater wordt via een retentiesysteem opgevangen met als doel dit vast te houden binnen het plangebied. De buitenterreinen van bedrijven bestaan over het algemeen uit open ruimte voor aanvoer en overslag van goederen en parkeerplaatsen. Regenwater dat over een bedrijventerrein stroomt kan verontreinigd raken door stoffen/materialen die zich op het terrein bevinden of activiteiten die zijn uitgevoerd. Als gevolg van afstromend hemelwater van verhard oppervlak kan sprake zijn van vervuiling van het hemelwater (PAKS, zware metalen). Voor afvloeiend hemelwater geldt een zorgplicht. De beheerder van het terrein of oppervlak waar het hemelwater is neergekomen is verantwoordelijk voor het voorkomen dat het hemelwater wordt verontreinigd door onder andere schoonhouden van het terrein en het zo omgaan met milieugevaarlijke stoffen dat er geen verontreiniging met hemelwater kan ontstaan (artikel 2.4 van het Bal). Verontreiniging van het hemelwater is hierdoor als verwaarloosbaar te beschouwen. In het plangebied wordt ingezet op de realisatie van natuurvriendelijke oevers.
De aanleg van natuurvriendelijke oevers wordt gezien als effectieve maatregel om het ecologisch functioneren van wateren te verbeteren waaronder ook de waterkwaliteit. Een goede waterkwaliteit is afhankelijk van de aanwezigheid van verschillende planten en dieren. Door de afname van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en bemesting in de referentiesituatie en de realisatie van natuurinclusieve oevers is sprake van een licht positief effect.
329
Concept
(van 15-6-2026 17:20)
6.3 Conclusie In de bouwregels van het omgevingsplan zijn eisen opgenomen over de waterberging bij het bouwen van nieuwe gebouwen op het industrieterrein Rollepaal Oost.
7 Bescherming van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed 7.1 Cultureel erfgoed
Concept
7.1.1 Toetsingskader Cultureel erfgoed (en werelderfgoed) is onderdeel van de fysieke leefomgeving. Voor het behoud van cultureel erfgoed zijn er internationaalrechtelijke verplichtingen die nopen tot toetsing vooraf van activiteiten die cultureel erfgoed kunnen aantasten. Onder cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving wordt verstaan: 'monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet". Dat andere cultureel erfgoed is roerend cultureel erfgoed (in de Erfgoedwet gedefinieerd als 'cultuurgoederen'), zoals historische schepen in een historische haven, of immaterieel cultureel erfgoed dat aan een specifieke plek gebonden is, zoals het molenaarsambacht. In het Bkl zijn in paragraaf 5.1.5 instructieregels opgenomen ten behoeve van het 'Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed'. Hieronder valt ook archeologische monumentenzorg. In artikel 5.130 Bkl is bepaald dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten.
Hierbij wordt rekening gehouden met bepaalde aspecten van cultureel erfgoed die zien op: a. het voorkomen van ontsiering, beschadiging, sloop of verplaatsing van op grond van het omgevingsplan beschermde monumenten en het bevorderen van het gebruik hiervan. Dat zijn gemeentelijke monumenten en beeldbepalende of karakteristieke panden; b. het voorkomen van aantasting van: 1. de omgeving van rijksmonumenten en op grond van het omgevingsplan beschermde monumenten; 2. het karakter van in het omgevingsplan beschermde stads- of dorpsgezichten of beschermde cultuurlandschappen door de sloop van bestaande gebouwen, de bouw van nieuwe gebouwen of andere belangrijke veranderingen; c. het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur op de oorspronkelijke plaats (in situ). Provincie In de (geconsolideerde) provinciale Omgevingsvisie staan de beleidsambities en doelstellingen die van provinciaal belang zijn voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van Overijssel. Hierin zijn ook ambities opgenomen voor landschap(structuren) en het behouden en versterken van cultureel erfgoed. De provincie zet in op behoud van deze verzorgde, aantrekkelijke en afwisselende vrijetijdslandschappen, waarin drie elementen samenkomen: protectie (behoud van de kwaliteiten), productie (bedrijvigheid) en plezier (beleving, vermaak).
De kwaliteit van het landschap dient behouden te blijven en waar mogelijk verbeterd. Bij nieuwe plannen wordt getoetst hoe deze in het landschap passen. In de provinciale verordening (artikel 4.12) wordt aangegeven dat in omgevingsplannen rekening dient te worden gehouden met de cultuurhistorische waarden die in het gebied aanwezig zijn, waaronder in ieder geval worden verstaan: a. historische landschappen; b. historisch geografische elementen en structuren; c. cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en bouwwerken; en d. archeologische vindplaatsen. Het omgevingsplan dient een onderbouwing te bevatten van de wijze waarop rekening is gehouden met aanwezige cultuurhistorische waarden. Gemeente Hardenberg
330
Concept
(van 15-6-2026 17:20)
Concept
In de Omgevingsvisie Landstad Hardenberg (2021) is beschreven dat de gemeente koerst op een vitaal landelijk gebied met: a. een goede wisselwerking en samenhang tussen economische activiteiten zoals de landbouw en de vrijetijdseconomie (de gebruikswaarde); b. de waardering van het gebied door inwoners en gasten (de belevingswaarde); c. de kwaliteit van natuur, biodiversiteit, landschap en cultuurhistorie (de toekomstwaarde). In de gemeentelijke erfgoedverordening (Erfgoedverordening Hardenberg 2018) wordt de bescherming van het gemeentelijke beschermd cultuurgoed geregeld. Op grond van de verordening is het verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of onderhoud daaraan te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is. De regels uit de erfgoedverordening die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving worden opgenomen in het omgevingsplan. Hiervoor is een wijziging van het omgevingsplan in voorbereiding. In het gemeentelijke Beleidsplan Archeologie 'Met het verleden stevig verankerd op de toekomst af' (2009) is het archeologiebeleid vastgelegd (zie ook paragraaf 3.6.5). In het beleidsplan zijn alle maatschappelijke en archeologische aspecten opgenomen en tegen elkaar afgewogen. De gemeente Hardenberg heeft duidelijke uitgangspunten voor de omgang met haar bodemarchief vastgesteld.
De gemeente stelt met het beleidsplan onder andere de 'archeologische waarden- en verwachtingenkaart' en een 'archeologische beleidskaart' vast. Op de archeologische beleidskaart staan aangegeven: a. de rijksmonumenten: hierop is het Bal van toepassing. b. waardering van het gemeentelijk grondgebied op basis van de verwachtingswaarde archeologie: bij een 'Waarde - Archeologie 1 t/m 5' dient de bescherming van de archeologische waarden te worden geborgd in regels in het omgevingsplan (destijds bestemmingsplan). Op deze wijze wordt aangegeven hoe bij ruimtelijke ingrepen met het bodemarchief moet worden omgegaan. Op basis van deze kaart kan op grond van de archeologische verwachtingswaarde worden vastgesteld of belangrijke waarden binnen een bepaald gebied aanwezig (kunnen) zijn en/of archeologisch onderzoek is gewenst. De bescherming op basis van de archeologische waardenkaart is waar nodig geborgd in de ter plaatse geldende bestemmingsplannen (zie paragraaf 1.3.2) en zijn opgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan.
7.1.2 Toetsing Algemeen In het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost‘ is een beoordeling uitgevoerd.
7.1.2.1 Cultuurhistorie In de huidige situatie is voor Rollepaal Oost sprake van een agrarisch gebied dat uit landbouwgronden bestaat. Op grond van het tijdelijk deel van het omgevingsplan (zie paragraaf 1.3.2.1) geldt de bestemming 'Agrarisch met waarden - Open veenontginningslandschap'. Dit is bedoeld om de instandhouding van de sterke gebiedskenmerken van het open veenontginningslandschap te versterken. De gebouwen aan de Schutwijk 2 en 4 zijn aangewezen als gemeentelijk monument. In het agrarisch gebied zijn geen bouwwerken met cultuurhistorische waarden aanwezig. In het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost‘ wordt geoordeeld dat de ontwikkeling van het bedrijventerrein leidt tot een verdichting ten opzichte van het huidige open beeld. Door in het stedenbouwkundige plan de bestaande landschapsstructuur met wijken als basis te gebruiken leidt het planvoornemen tot licht negatieve effecten op het landschap en de beleving van het landschap (zie voor de landschappelijke inpassing verder paragraaf 7.3). Ten aanzien van beide gemeentelijke monumentale woningen Schutwijk 2 en 4 geldt dat hiervoor nu vooralsnog de Erfgoedverordening van toepassing is. Op termijn wordt voor alle gemeentelijke monumenten een integrale thematische wijziging vastgesteld, daarin zijn alle verordeningsregels opgenomen.
Hiermee zal de bescherming van de panden en de bijbehorende omgeving in het omgevingsplan wordt geborgd. Zo wordt voorkomen dat de betreffende monumenten worden ontsierd, beschadigd of gesloopt. Aanvullend dient ook de aantasting van de omgeving te worden voorkomen, als die monumenten door die aantasting worden ontsierd of beschadigd.
331
Concept
(van 15-6-2026 17:20)
Voor Schutwijk 2 wordt uitgegaan van een functieverandering waarbij het pand behouden blijft, maar dat het naast een woonfunctie, ook gebruikt zal worden als bijvoorbeeld kantoor, bedrijfs- of vergaderlocatie, waarbij de bestaande waarden van het pand en de omgeving in acht worden genomen.
7.1.2.2 Archeologie
Concept
Volgens de Archeologische waardenkaart van de gemeente Hardenberg geldt er een lage tot middelmatige indicatieve (verwachtings)waarde voor een gedeelte van het plangebied. Van een groot gedeelte van het plangebied is de waarde onbekend.
figuur - 7.1 - uitsnede indicatieve kaart archeologische waarden en beleid gemeente Hardenberg indicatieve kaart archeologische waarden en beleid gemeente Hardenberg
De waarden uit de archeologische beleidskaart zijn vertaald in de ter plaatse geldende bestemmingsplannen (zie paragraaf 1.3.2). Op grond van het geldende bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg (zie paragraaf 1.3.2.1) hebben delen de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5'. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk wanneer de werkzaamheden een oppervlakte groter dan 2.500 m2 beslaan en dieper reiken dan 50 cm. Bij de realisatie van het bedrijventerrein zijn bodemingrepen voorzien. De locaties, dieptes en kenmerken van deze bodemingrepen zijn in dit stadium nog niet bekend. Voor de beoordeling van de effecten op archeologie is in het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost‘ er vooralsnog vanuit gegaan dat er bodemingrepen plaatsvinden in het gehele plangebied. Hoewel er over het algemeen een lage tot middelmatige indicatieve verwachting aanwezig is, kunnen bodemingrepen een licht negatief effect hebben op mogelijk aanwezige archeologische waarden. Wanneer grondwerkzaamheden binnen de gebieden vallen met middelmatige indicatieve waarde en/of een arche-
332
Concept
(van 15-6-2026 17:20)
ologische dubbelbestemming, dan zal voor die gebieden een archeologisch onderzoek worden verricht. Mocht uit het onderzoek blijken dat maatregelen noodzakelijk zijn, dan zullen deze worden genomen. De effecten worden in het MER als licht negatief beoordeeld. In de voorliggende wijziging van het omgevingsplan worden de locaties met de lage tot middelmatige indicatieve (verwachtings)waarde opnieuw vastgelegd als 'gebieden met een archeologische (verwachtings)waarde Rollepaal Oost'. Op de kaart worden de daarbij behorende oppervlakte en diepte van de bodemverstoring aangegeven.
Concept
In het geval er tijdens de werkzaamheden ter plaatse van locaties die niet zijn aangemerkt als 'gebieden met archeologische (verwachtings)waarde' toch archeologische vondsten worden aangetroffen, geldt er een meldingsplicht bij de archeologische dienst van de gemeente of van de provincie.
7.1.3 Conclusie De beoogde ontwikkeling heeft geen onevenredige impact op het aanwezige cultureel erfgoed. De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met de instructieregels.
7.2 Ladder voor duurzame verstedelijking 7.2.1 Toetsingskader De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. In het Bkl wordt in artikel 5.129g geregeld dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Bij een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Nieuwe stedelijke ontwikkeling Het Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. Echter, in uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Geldende jurisprudentie onder de Wro/Bro is vanaf 12 woningen, een functiewijziging met een oppervlak groter dan 500 m² bvo, meer dan 500 m² bvo bebouwing of een functie die gelet op de ruimtelijke uitstraling een stedelijke ontwikkeling is. De geldende planologische mogelijkheden zijn vertrekpunt bij de beoordeling. Leegstand mag volgens jurisprudentie niet 'onaanvaardbaar' zijn.
Binnen of buiten bestaand stedelijk gebied Als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied moet ook rekening worden gehouden met de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. De grens van het stedelijk gebied wordt bepaald door de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het omgevingsplan en de aard van de omgeving. Vestiging van een dienst Als wordt voorzien in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling heeft betrekking op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft de beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7.2.2 Toetsing Algemeen In het voorliggende geval is op grond van de geldende jurisprudentie sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarbij is de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorzien buiten het bestaand stedelijk gebied. Op grond hiervan dient een laddertoets te worden uitgevoerd.
333
Concept
(van 15-6-2026 17:20)
Ten behoeve van de ontwikkeling van de bedrijventerreinen Broeklanden Zuid 3, Heemserpoort en Rollepaal Oost is een gemeentebrede laddertoets opgesteld. De ‘Laddertoets Broeklanden Zuid 3, Heemserpoort en Rollepaal Oost‘ is als bijlage opgenomen in de voorliggende motivering.
7.2.2.1 Nut en noodzaak Behoefteraming bedrijventerreinen Overijssel
Concept
De provincie Overijssel laat periodiek een raming opstellen van de toekomstige vraag naar bedrijventerreinen. Deze raming vormt de basis voor programmeringsafspraken voor de regio's Twente en WestOverijssel, waarin afspraken worden gemaakt over ontwikkeling en herontwikkeling van bedrijventerreinen in de komende jaren. Het totale aanbod van bedrijfspanden op bedrijventerreinen in West-Overijssel bedraagt circa 247.560 m2 bvo (peildatum januari 2022). Hiermee komt het percentage aangeboden bedrijfspanden in de regio op circa 2,3%. De leegstand bevindt zich onder het frictieniveau. De provincie Overijssel heeft Stec groep de opdracht gegeven om de ruimte voor economische groei in Overijssel te onderzoeken. Het onderzoek dat in 2023 is opgesteld, richt zich voornamelijk op de prognose voor bedrijventerreinen in de provincie Overijssel. Het onderzoek geeft inzicht in de uitbreidingsvraag voor drie regio's. Uit onderstaande tabel blijkt dat er tussen 2023 en 2040 een uitbreidingsvraag in WestOverijssel wordt verwacht van 286-511 ha netto areaal bedrijventerreinen. In de periode 2023-2030 ligt de vraag tussen 164 en 292 hectare. Dat betekent in die periode een jaarlijkse vraag van circa 20 à 36 hectare.