Motivering en Regels TAM-omgevingsplan Langewijk 148 Dedemsvaart (geanonimiseerd)
Tekst van het document
Bodem).
TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Oude Zuidwolderstraat 1b 1c 1d 1e en 1f en Langewijk 148 Dedemsvaart | PAGINA 31
4. 2. 2
Situatie plangebied
Met dit plan worden onder andere nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Daarmee is sprake van zowel het realiseren van een bodemgevoelige gebouwen als het ontwikkelen van een bodemgevoelige locatie. Om te bepalen of de bodem binnen het plangebied vanuit milieukundig oogpunt geschikt is voor het beoogde gebruik is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. In de onderstaande alinea's worden de belangrijkste resultaten en conclusies toegelicht. Voor de gedetailleerde inhoud wordt kortheidshalve verwezen naar het verkennend bodemonderzoek in Bijlage 2 bij deze motivering. ,
Uit onderzoek blijkt dat in de grond geen sprake is van overschrijdingen van de interventiewaarde bodemkwaliteit. Daarnaast is er indicatief getoetst aan de Regeling bodemkwaliteit (2022) de laag veen in de ondergrond voldoet (traject: 065 - 095 m -mv. ) aan de klasse Industrie. De overige grond voldoet indicatief aan de klassen Landbouw/natuur dan wel Wonen. ,
,
,
Verder overschrijden de PFAS-gehalten in de grond de toepassingswaarden uit het Tijdelijk Handelingskader PFAS niet en vallen deze binnen de bodemfunctieklasse “Landbouw/natuur”. De grond mag op basis van de gehalten aan PFAS niet worden toegepast binnen grondwaterbeschermingsgebieden. Bovendien overschrijden de gemeten concentraties van de onderzochte componenten in het grondwater de signaleringsparameters uit het Besluit kwaliteit leefomgeving niet. Geconcludeerd wordt dat de resultaten van het verkennend bodemonderzoek geen aanleiding geven tot nader onderzoek onder de bestaande bebouwing.
4. 2. 3
Conclusie
Vanuit het aspect 'Bodem' zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.
4. 3
Luchtkwaliteit
4. 3. 1
Wettelijk kader Ter bescherming van de gezondheid zijn onder paragraaf 5. 1. 4. 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving instructieregels opgenomen voor de luchtkwaliteit. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in zogeheten aandachtsgebieden dit zijn locaties met hogere concentraties ,
stikstofdioxide of fijnstof. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat die leiden tot gebruik van wegen vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5. 51 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat in zulke gevallen om activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben (bijvoorbeeld verkeer of bedrijfsemissies). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het plan leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het plan draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; ,
,
,
TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Oude Zuidwolderstraat 1b 1c 1d 1e en 1f en Langewijk 148 Dedemsvaart | PAGINA 32
,
Uit artikel 5. 53 en 5. 54 Besluit kwaliteit leefomgeving volgt dat een plan niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 12 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. In artikel 5. 54 staan standaardgevallen (inrichtingen kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100. 000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. ,
,
Als een plan binnen de genoemde categorie maar niet binnen de gestelde grenzen valt is het alsnog mogelijk om via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Een andere manier om aannemelijk te maken dat een plan de 3%-grens niet overschrijdt is een kwalitatieve berekening. Met de NIBM-tool kan bekeken worden of een plan in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. ,
4. 3. 2
,
Situatie plangebied
Het plangebied ligt aan de Langewijk. Dit is een enkele ontsluitingsweg. In artikel 5. 54 Besluit kwaliteit leefomgeving zijn standaardgevallen opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Bij een enkele ontsluitingsweg is dat pas bij de realisatie van 1. 500 woningen. Gelet op de voorgenomen ontwikkeling waarbij per saldo vijf extra woningen gerealiseerd worden in relatie tot het bepaalde in artikel 5. 54 Besluit kwaliteit leefomgeving wordt geconcludeerd dat voorliggend plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Derhalve is aanvullend onderzoek naar luchtkwaliteit niet noodzakelijk. ,
,
4. 3. 3
Conclusie
Vanuit het aspect 'luchtkwaliteit' zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.
4. 4
Geur
4. 4. 1 Wettelijk kader In paragraaf 5. 1. 4. 6. 1 Besluit kwaliteit leefomgeving zijn de instructieregels opgenomen die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Het gaat hierbij om drie geurbronnen waarvoor regels zijn gesteld namelijk: Zuiveringstechnische werken (subparagraaf 5. 1. 4. 6. 2) Het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5. 1. 4. 6. 3) Andere agrarische activiteiten zoals het opslaan van vaste mest compost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (paragraaf 22. 3. 6. 4 bruidsschat). ,
,
In artikel 5. 92 Besluit kwaliteit leefomgeving staat vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat dit aanvaardbaar is Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. De specifieke plaatselijke situatie kan mede bepalend zijn voor wat aanvaardbaar is en per geval verschillen. Afhankelijk van de gemeente kan lokaal beleid van toepassing zijn voor het aspect geur. Dit wordt dan vastgelegd in een Geurgebiedsvisie en ,
Geurverordening. Naast het toetsen van de geurbelasting door activiteiten op geurgevoelige functies moet bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functies ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Wanneer hier sprake van is moet getoetst worden aan de geldende normen waar het bedrijf aan moet voldoen. Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als dit er niet toe leidt dat het bedrijf daardoor ,
TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Oude Zuidwolderstraat 1b 1c 1d 1e en 1f en Langewijk 148 Dedemsvaart | PAGINA 33
niet meer kan voldoen aan de voor het bedrijf geldende normen. Dit betekent dat er sprake is van een beperking in de bedrijfsmogelijkheden.
4. 4. 2
Situatie plangebied
In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen agrarische bedrijven die rekening moeten houden met de nieuwe woningen welke geurgevoelig zijn. Omgekeerd worden er ontwikkelingsmogelijkheden van agrarische bedrijven beperkt door de komst van de nieuwe woningen. In de nabije omgeving van het plangebied bevinden zich ook geen bedrijven die door uitvoering van bedrijfsactiviteiten tot geurhinder kunnen leiden bij de nieuwe woningen. Aanvullend onderzoek naar geur wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. ,
,
,
4. 4. 3
Conclusie
Vanuit het aspect 'geur' zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.
4. 5
Trillingen
4. 5. 1 Wettelijk kader In paragraaf 5. 1. 4. 4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving staan de instructieregels over het omgevingsaspect 'Trillingen' opgenomen. De regels zien op activiteiten anders dan wonen die trillingen veroorzaken in een trillingsgevoelige ruimte van een trillingsgevoelig gebouw. Uit artikel 5. 79 Besluit kwaliteit leefomgeving volgt dat deze paragraaf van toepassing is op trillingen door alle denkbare activiteiten. Een uitzondering op deze hoofdregel betreft de (tijdelijke) activiteiten die niet bepalend zijn voor de functie van een locatie. ,
De instructieregels voor trillingen zien uitsluitend op trillingen die door een activiteit worden veroorzaakt ter plaatse van een trillingsgevoelig gebouw dat planologisch legaal is (toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een
omgevingsplanactiviteit). In het tweede lid van artikel 5. 79 zijn een aantal gevallen aangewezen waarin de instructieregels voor trillingen niet van toepassing zijn. Echter zal met het oog op een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties gemotiveerd moeten worden dat de ter plaatse van trillingsgevoelige objecten optredende trillingen aanvaardbaar zijn. Afhankelijk van deze beoordeling moet bekeken worden of aanvullende eisen noodzakelijk zijn bijvoorbeeld door het opnemen van beperkingszone. ,
Onder trillingsgevoelige gebouwen worden gebouwen of gedeelten daarvan verstaan met een:
woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan (woonschepen en woonwagens uitgezonderd); onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.
TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Oude Zuidwolderstraat 1b 1c 1d 1e en 1f en Langewijk 148 Dedemsvaart | PAGINA 34
,
4. 5. 2
Situatie plangebied
Met het voorliggende plan wordt de bouw van vijf nieuwe rijwoningen mogelijk gemaakt op de locatie van een voormalig uitvaartcentrum. Daarnaast wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een reguliere woning. Het slopen van de bestaande bebouwing en het realiseren van nieuwbouw zijn tijdelijke activiteiten waarbij trillingen in de omgeving kunnen optreden. Vanwege het tijdelijke karakter van deze werkzaamheden worden de te verwachten trillingen als beperkt van aard en verwaarloosbaar beschouwd. Het gebruik van de nieuwe woningen betreft reguliere woonfuncties en levert op zichzelf geen trillingsbronnen op. De nieuwe woningen worden echter wel aangemerkt als trillingsgevoelige gebouwen. Daarom is beoordeeld of in de directe omgeving sprake is van bronnen die tot hinderlijke of schadelijke trillingen kunnen leiden. In het plangebied en de directe omgeving is geen spoorweginfrastructuur aanwezig waarmee trillingen als gevolg van treinverkeer uitgesloten kunnen worden. Evenmin zijn er bedrijven in de omgeving die activiteiten uitvoeren die tot structurele trillingen kunnen leiden. ,
De enige relevante potentiële trillingsbron betreft de provinciale weg N377 gelegen op circa 225 meter afstand van het plangebied. Tussen de N377 en het plangebied bevindt zich bovendien bestaande bebouwing die mogelijk een dempende werking heeft op eventuele trillingsoverdracht. Op basis van deze afstand en de tussenliggende bebouwingsstructuur wordt gesteld dat trillingshinder als gevolg van het wegverkeer op de N377 binnen het plangebied niet te verwachten is. Gelet hierop wordt aanvullend trillingsonderzoek niet noodzakelijk geacht. ,
,
4. 5. 3
Conclusie
Vanuit het aspect 'trillingen' zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.
TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Oude Zuidwolderstraat 1b 1c 1d 1e en 1f en Langewijk 148 Dedemsvaart | PAGINA 35
Hoofdstuk 5 5. 1
Bescherming van de waterbelangen (watertoets)
Algemeen
Nederland is een waterland. De opgaven op het terrein van water zijn groot en worden in de toekomst alleen maar groter. Om ons land ook voor de komende generaties veilig aantrekkelijk en leefbaar te houden is het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) ontwikkeld. Dit NWP beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en het beheer van de rijkswateren en rijksvaarwegen. ,
,
De provincie houdt toezicht op de waterschappen en is verantwoordelijk voor veilig drinkwater. Ook zorgt zij voor de plannen voor waterbeheer in de regio. Ook is de provincie verantwoordelijk voor vergunningverlening voor drinkwaterwinning. De ambities zijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren de veiligheid de grondwaterbescherming bestrijding van wateroverlast de kwantiteit en kwaliteit van gronden oppervlakte water en waterbeleving. ,
,
,
,
De waterschappen beheren water en waterkeringen (dijken) en zuiveren afvalwater. Ook zorgen zij voor de kleine waardevolle wateren zoals vennen en bronnetjes. Voor grotere rivieren meren en kanalen en grondwaters bestaat de Europese Kaderrichtlijn. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben de waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen het waterschap wil nemen. ,
,
5. 2
Waterparagraaf
5. 2. 1 Algemeen Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). ,
,
,
Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid wateroverlast tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering omgang met hemelwater lozingen op oppervlaktewater). ,
,
,
,
5. 2. 2
Watertoetsprocedure Op 26 mei 2025 is er een watertoets uitgevoerd op de website 'hetwateradvies. nl'. De resultaten zijn opgenomen als Bijlage 3 bij deze motivering. Door de beantwoording van de vragen is gebleken dat de korte procedure kan worden toegepast. Deze procedure houdt in dat er zelfstandig een waterparagraaf wordt opgesteld waarin wordt toegelicht hoe op een goede manier wordt omgegaan met de relevante wateraspecten. Deze moeten worden voorgelegd aan het waterschap. ,
Standaardwaterparagraaf TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Oude Zuidwolderstraat 1b 1c 1d 1e en 1f en Langewijk 148 Dedemsvaart | PAGINA 36
Ruimtelijke ordening en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en worden sterk beïnvloed door de klimaatverandering. Er is meer ruimte nodig voor water omdat klimaatverandering zorgt voor hoge piekafvoeren in de zomer en een gemiddeld hogere waterafvoer in de winter. Het gaat ook om langduriger periodes van droogte en om extreem warm weer waar vooral stedelijk gebied last van kan hebben. Ook veranderingen in ruimtegebruik hebben gevolgen voor het waterbeheer. Het waterschap wil vroegtijdig meedenken over plannen en ontwikkelingen om samen met de gemeente en andere partners te zoeken naar de bijdrage die water kan leveren aan de verbetering van de ,
,
leefomgeving. Het waterschap Vechtstromen zorgt voor het water in uw omgeving. Vanuit het leidend principe ‘Water en mens in hun element’ draagt het waterschap bij aan ruimtelijke kwaliteit en een duurzame leefomgeving. De zorg voor waterveiligheid schoon water en voldoende water vraagt structureel aandacht en is continu in beweging. Dat doet het waterschap door het (grond)waterpeil te beheren rioolwater te zuiveren en te zorgen voor schoon water in beken sloten en rivieren en te zorgen voor stevige dijken. Als belangrijkste speerpunt voor de periode 2022-2027 ziet het waterschap de opgave om zijn gebied veerkrachtiger te maken tegen klimaatverandering. Hiervoor werkt het waterschap toe naar een andere balans van vasthouden-bergen-afvoeren (voorraadbeheer) rekening houdend met de meest recente inzichten over de snelheid van klimaatverandering. ,
,
,
,
In het waterbeheerprogramma 2022-2027 heeft het waterschap zijn doelen en werkzaamheden weergegeven in vier thema’s:
1.
Klimaatrobuust gebied Het doel is het beheer het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem zodanig te invullen dat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer. ,
,
,
2.
Veilig gebied Het waterschap zorgt voor veilige dijken nu en in de toekomst. De ambitie is dat in 2050 de waterkeringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid en dat er daarbij wendbaar wordt ingespeeld op ontwikkelingen. Het waterschap voert zijn beheer op een duurzame wijze uit en werkt aan behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken. ,
,
3.
Circulaire Economie en Energietransitie Het waterschap wil in het uitvoeren van zijn primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij willen ze in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin taken klimaatneutraal uitgevoerd worden. 4. Gezonde leefomgeving Het waterschap zorgt voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Het waterschap streeft ernaar dat het water in de leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico’s oplevert voor de volksgezondheid. Het doel van het waterschap is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert. De samenhang van de wateropgaven met andere opgaven in het gebied vraagt om nauwe samenwerking met gemeenten provincies inwoners en bedrijven. Om de waterbelangen bij ruimtelijke ontwikkelingen tijdig en goed in beeld te krijgen en mee te kunnen wegen wordt de (digitale) watertoets gebruikt. ,
,
,
Relevante wateraspecten Wateroverlast TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Oude Zuidwolderstraat 1b 1c 1d 1e en 1f en Langewijk 148 Dedemsvaart | PAGINA 37
Wateroverlast Door de ontwikkelingen in het plangebied neemt het verhard oppervlak niet toe. De te slopen oppervlakte aan bebouwing bedraagt circa 290 m² en de oppervlakte aan nieuwe bebouwing bedraagt circa 226 m². Er is sprake van een afname van de bebouwde oppervlakte. Het bestaande parkeerterrein wordt verwijderd maar deze wordt ongeveer net zo groot weer aangelegd. ,
Om wateroverlast te voorkomen wordt het hemelwater niet afgevoerd naar het rioolstelsel maar volgens de trits vasthouden - bergen – afvoeren behandeld. Een belangrijk aandachtspunt hierbij is dat er een regenbui T=100+10% wordt opgevangen of geborgd zonder dat waterschade optreedt en vertraagd kan worden afgevoerd. ,
,
Het hemelwater wordt ter plaatse geborgen in éénlaagse infiltratiekratten die in het gezamenlijke parkeerterrein worden aangebracht. Het water wordt met een verzamelleiding hierheen gevoerd en met een overstortleiding kan er worden aangesloten op het gemeentelijk hemelwaterriool. Het vuilwater kan rechtstreeks op het gemeentelijk droogweerafvoerriool worden aangesloten. Iedere woning krijgt hierbij een eigen aansluiting. Natte en laaggelegen gebieden beekdalen regionale bergingsgebieden en overstromingsvlaktes worden niet bebouwd. Het plangebied beoogt geen kapitaalintensieve bouwwerken in deze gebieden. Wateroverlast in dit gebied is vooralsnog niet bekend maar kan worden voorkomen door de woningen hoger te bouwen dan het straatniveau. ,
,
,
Waterkwaliteit Het plan maakt geen functies mogelijk die tot verslechtering van de waterkwaliteit leiden. Riolering en Afvalwaterketen Een toename van het afvalwater heeft effect op het functioneren van de afvalwaterketen. Het (gemeentelijk) rioolstelsel de gemalen (overnamepunten) en de rioolwaterzuiveringsinstallatie kunnen de toename van afvalwater van dit plan verwerken zonder daarmee het milieu zwaarder te belasten. Het hemelwater wordt niet aangesloten op het rioolstelsel en zal ter plaatse geïnfiltreerd worden. Zoals reeds beschreven wordt afvalwater rechtstreeks op de gemeentelijke rioolstelsel aangesloten. Iedere woning krijgt hierbij een eigen aansluiting. ,
Voor onderhoud aan het rioolpersleidingenstelsel is bereikbaarheid noodzakelijk. De bestaande bereikbaarheid blijft gehandhaafd. Een extra zone waarin het gebied bereikbaar wordt gemaakt is derhalve niet nodig. Tot slot worden in de milieuzone van de RWZI of rioolgemaal geen hindergevoelige functies opgenomen die het functioneren van de installatie nu of in de toekomst kunnen belemmeren. ,
,
Grondwaterbeheer De ontwikkeling leidt niet tot wijziging van de grondwaterstand. Er wordt niet gebouwd in een gebied met een hoge grondwaterstand of kwel. De bouwwijze is aangepast aan de grondwaterstand en zettingsgevoeligheid van de bodem door ophoging van het maaiveld. Recreatie In het plangebied zijn geen aan het water gekoppelde recreatieve functies opgenomen. Voor zover van dergelijke actieve recreatieve functies een vergunning van het waterschap nodig is zal deze worden aangevraagd. ,
In het plangebied zijn geen cultuurhistorische waterobjecten aanwezig. De cultuurhistorische waarde wordt door de planontwikkeling niet aangetast.
TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Oude Zuidwolderstraat 1b 1c 1d 1e en 1f en Langewijk 148 Dedemsvaart | PAGINA 38
5. 3
Conclusie
Het waterschap Vechtstromen heeft aangegeven geen bezwaren te hebben tegen voorliggend plan omdat de ruimtelijke relevante wateraspecten van dit plan gering zijn. Vanuit het aspect 'water' zijn er geen belemmeringen voor voorliggend plan. ,
TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Oude Zuidwolderstraat 1b 1c 1d 1e en 1f en Langewijk 148 Dedemsvaart | PAGINA 39
Hoofdstuk 6 6. 1
Waarborgen van de veiligheid (externe veiligheid)
Wettelijk kader
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag productie gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5. 1. 2 Besluit kwaliteit leefomgeving. In bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn ,
,
activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit ,
leefomgeving. De paragrafen 5. 1. 2. 2 tot en met 5. 1. 2. 6 van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving gaan over het toestaan van verschillende soorten gebouwen en locaties afhankelijk van hun kwetsbaarheid. Dit betreft zowel beperkt kwetsbare kwetsbare als zeer kwetsbare gebouwen evenals beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Dit is relevant in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een specifieke locatie wordt uitgevoerd zoals aangegeven in een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een activiteit die buiten het geldende omgevingsplan valt. ,
,
,
,
Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat per jaar iemand die onbeschermd en continu op een plek verblijft komt te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen. Dit kan zijn: blootstelling aan hitte door brand overdruk door een explosie of een concentratie giftige stoffen in de lucht. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5. 6 tot en met artikel 5. 11a Besluit kwaliteit leefomgeving. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5. 7 lid 1 Besluit kwaliteit leefomgeving) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5. 11 Besluit kwaliteit leefomgeving). Voor het plaatsgebonden risico gelden afhankelijk van de activiteit vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Besluit kwaliteit leefomgeving). ,
,
,
Aandachtsgebieden Daarnaast dient rekening gehouden te worden met de kans dat als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen een groep van tien of meer personen overlijdt (het groepsrisico). Bij een beoordeling van het groepsrisico wordt gebruik gemaakt van aandachtsgebieden. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5. 12 Besluit kwaliteit leefomgeving). Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a z. d. ). ,
,
TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Oude Zuidwolderstraat 1b 1c 1d 1e en 1f en Langewijk 148 Dedemsvaart | PAGINA 40
Aandachtsgebieden zijn er voor brand explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Besluit kwaliteit leefomgeving). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). ,
,
Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Besluit kwaliteit leefomgeving van belang: Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen (par. 5. 1. 2. 3 Besluit kwaliteit leefomgeving). Veiligheid rond opslaan herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik (par 5. 1. 2. 4 Besluit kwaliteit leefomgeving). Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5. 1. 2. 5 Besluit kwaliteit leefomgeving). Veiligheid rond luchthavens (par. 5. 1. 2. 6 Besluit kwaliteit leefomgeving). ,
Omgevingsverordening Provincie Overijssel In de Wet vervoer gevaarlijke stoffen is een basisnet van wegen hoofdspoorwegen en ,
binnenwateren aangewezen die van belang worden geacht voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. In deze wet is opgenomen dat Provinciale Staten ten behoeve van het doorgaande vervoer van gevaarlijke stoffen een netwerk aanvullend op het landelijk basisnet kunnen aanwijzen van wegen in beheer bij de provincie of een waterschap dat niet behoort tot het basisnet. ,
,
,
De Provincie Overijssel heeft een aantal wegen aangewezen en gepubliceerd in de Omgevingsverordening. Onderscheid wordt gemaakt in twee typen veiligheidszones: 1. Effectgebied incidenten met brand. 2. Effectgebied incidenten met explosie.
6. 2
Situatie plangebied
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een onderzoek naar externe veiligheid uitgevoerd dat opgenomen is als Bijlage 4 bij deze motivering. Toetsing Omgevingswet Hieruit blijkt onder andere dat het plangebied op circa 188 meter van de Coevorderweg (N377) gelegen is. De Coevorderweg betreft geen basisnetroute. Vanuit het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn er daarom geen aandachtsgebieden. Andere risicobronnen in de omgeving van het plangebied waarvan de aandachtsgebieden tot het plangebied reiken zijn niet aanwezig. Toetsing Omgevingsverordening Provincie Overijssel Naast het Besluit kwaliteit leefomgeving is de Omgevingsverordening van de Provincie Overijssel van toepassing op de Coevorderweg. In paragraaf 3. 9. 7 van de Omgevingsverordening worden twee effectgebieden onderscheiden. 1. De ontwikkeling ligt volledig buiten het Effectgebied incidenten met brand. 2. De ontwikkeling ligt gedeeltelijk binnen het Effectgebied incidenten met explosie. In de toekomstige situatie is er sprake van vijf nieuwe woningen. Dit zijn kwetsbare gebouwen conform het Bkl. Het onderdeel Externe veiligheid uit de Omgevingsverordening van de provincie Overijssel is in hoofdstuk 4 van het onderzoek opgenomen als Bijlage 4 per artikel besproken.
De conclusies zijn als volgt: De ontwikkeling ligt op de circa 188 m van de N377 en betreft de realisatie van vijf TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Oude Zuidwolderstraat 1b 1c 1d 1e en 1f en Langewijk 148 Dedemsvaart | PAGINA 41
woningen. Dit is niet van invloed op de functie van de weg. Er zijn geen mogelijkheden het veiligheidsniveau aan de kant van de risicobron in dit geval het vervoer van gevaarlijke stoffen over de N377 te verhogen. Er dient gezorgd te worden voor vluchtroutes van de risicobron af te weten in zuidelijke richting. De ontwikkeling betreft woningen die niet specifiek zijn bedoeld voor minder zelfredzame personen. Daarom kan aangenomen worden dat de toekomstige bewoners in voldoende mate zelfredzaam zijn en in staat om in geval van calamiteit van de risicobron af te vluchten. Een informatiebrochure omtrent handelingsperspectief en vluchtwegen in geval van calamiteit op de weg kan aan de toekomstige bewoners worden verstrekt. Er dient advies te worden gevraagd aan de veiligheidsregio. Voor wegroutes waarover LPG wordt vervoerd is de zogeheten BLEVE een maatgevend scenario. Het plan ligt ruim buiten de 35 kw/m 2 afstand van 80 m tot de weg waar sprake is van 100% letaliteit. De kans dat een groep van 10 personen of meer overlijdt (groepsrisico) op deze afstand van de N377 als rechtstreeks gevolg van een ongeval met een LPG-tankauto is gering. ,
,
Advies veiligheidsregio In verband met de warmtestraling die kan optreden bij het scenario BLEVE van een LPG-tankwagen adviseert de veiligheidsregio IJsselland om de buitenkant van de vijf te realiseren woningen zoveel mogelijk brandvertragend uit te laten voeren [9]. Dat kan door een gevelconstructie toe te passen die voldoet aan brandklasse A2 volgens NEN-EN 13501-1. De dakbedekking voldoet hieraan als deze 30 minuten brandwerend is en vliegvuurbestendig volgens NEN 6063. Aanvullend wordt geadviseerd om in ieder geval geen rieten kap toe te passen en steenachtig materiaal te gebruiken voor de gevel.
6. 3
Conclusie
Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat er geen belemmeringen zijn voor voorliggend plan vanuit externe veiligheid mits het advies van de veiligheidsregio wordt doorgevoerd in het plan. ,
TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Oude Zuidwolderstraat 1b 1c 1d 1e en 1f en Langewijk 148 Dedemsvaart | PAGINA 42
Hoofdstuk 7 Bescherming van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed 7. 1
Cultureel erfgoed
7. 1. 1 Wettelijk kader De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel
erfgoed en landschap. Archeologische resten Het gemeentelijk beleid voor archeologie en cultuurhistorie staat veelal opgenomen in de archeologische beleidskaart en cultuurhistorische waardenkaart. Dit document schrijft per gebied voor welke onderzoekverplichtingen ter plaatse gelden. Wanneer een plan binnen een archeologisch waardevol gebied ligt wordt hieraan getoetst.
Cultureel erfgoed Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5. 130 lid 2 Besluit kwaliteit leefomgeving). Deze gaan over: Ontsiering beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; Verplaatsing van beschermde monumenten; Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; Aantasting van de omgeving van een beschermd monument; Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. ,
Daarnaast zijn in afdeling 8. 8 van het Besluit kwaliteit leefomgeving regels opgesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Daarnaast zijn in het Besluit activiteiten leefomgeving instructieregels opgenomen aangaande rijksmonumenten (hoofdstuk 13). De aspecten cultuurhistorie (monumenten) en archeologie worden hierna uitgewerkt. 7. 1. 2 Situatie plangebied Archeologie Uit de 'Archeologisch Beleidskaart Hardenberg' van de gemeente Hardenberg blijkt dat het plangebied gelegen is in een gebied met de archeologische verwachtingswaarde 'Archeologie 3'. Hierbij geldt dat een archeologisch onderzoek vereist is bij plangebieden groter dan 275 m2 en bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. In figuur 7. 1 is een uitsnede opgenomen van de betreffende kaart waarop het plangebied globaal rood omcirkeld is. ,
TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Oude Zuidwolderstraat 1b 1c 1d 1e en 1f en Langewijk 148 Dedemsvaart | PAGINA 43
Figuur 7. 1: Archeologisch Beleidskaart Hardenberg (bron: gemeente Hardenberg) De te slopen oppervlakte aan bebouwing bedraagt circa 290 m² terwijl de nieuwe bebouwing circa 226 m² zal beslaan. Met de nieuwbouw wordt de drempelwaarde van de archeologische verwachtingswaarde waarin het plangebied is gelegen niet overschreden. ,
,
,
Bij de sloop van het uitvaartcentrum kan mogelijk een fundering worden verwijderd die dieper ligt dan 40 cm. Dit betreft echter een bestaande situatie. Aangenomen wordt dat de bodem ter plaatse reeds verstoord is tot een diepte van ongeveer één meter gelet op de gangbare aanlegdiepte van funderingen voor vorstvrije kabels en leidingen. ,
Daarnaast worden gronden verhard ten behoeve van een inrit en parkeerplaatsen. Voor de aanleg hiervan hoeft doorgaans niet dieper dan 40 cm te worden afgegraven aangezien klinkers of tegels meestal een dikte van circa 10 cm hebben. Bovendien is in de bestaande situatie al sprake van een inrit en parkeervoorzieningen wat erop duidt dat de bodem reeds verstoord kan zijn. ,
,
Gelet op het bovenstaande wordt archeologisch onderzoek niet noodzakelijk geacht. Erfgoed Volgens openbare bronnen zijn in de gemeente Hardenberg 91 rijksmonumenten aanwezig waarvan 14 rijksmonumenten in Dedemsvaart. Binnen het plangebied zijn geen rijksmonumenten aanwezig. Het dichtstbijzijnde rijksmonument betreft een gashouder aan de Oude Zuidwolderstraat ong. (ten oosten van nr. 5). De onderlinge afstand tussen dit monument en het plangebied bedraagt circa 80 meter. Negatieve effecten voor dit monument als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling is gezien de onderlinge afstand niet te verwachten. In of rondom het plangebied zijn er geen provinciale monumenten volgens de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel. De cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel laat ook zien of er een gemeentelijk monument aanwezig is op haar grondgebied. In of rondom het plangebied zijn er geen gemeentelijke monumenten aanwezig. Verder wordt opgemerkt dat de gemeente Hardenberg op 18 december 2018 de TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Oude Zuidwolderstraat 1b 1c 1d 1e en 1f en Langewijk 148 Dedemsvaart | PAGINA 44
,
Erfgoedverordening Hardenberg 2018 heeft vastgesteld. Hierin is onder andere opgenomen dat burgemeester en wethouders stads- of dorpsgezichten kunnen aanwijzen als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht. Wanneer een stads- of dorpsgezicht is aangewezen als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht dan wordt dit onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. ,
Na het raadplegen van het gemeentelijk erfgoedregister register blijkt dat voor het plangebied geen beschermd stads- of dorpsgezicht geldt. Hoewel de bestaande bedrijfswoning aan de Langewijk 148 niet opgenomen is in het erfgoedregister wordt deze woning wel gezien als één van de 'dragers' van de identiteit in dit gebied langs de Langewijk. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling wordt hier geen afbreuk aan gedaan. De nieuwe woningen worden immers enigszins met een terugliggende rooilijn ten opzichte van dit pand gerealiseerd. Hierdoor blijft het pand nog steeds belangrijk in het aanzicht en wordt het straatbeeld vanaf de Langewijk nagenoeg niet veranderd. ,
Gelet op het vorenstaande wordt geacht dat in voorliggend plan voldoende rekening is gehouden met bestaand erfgoed in Hardenberg. 7. 1. 3 Conclusie Vanuit het aspect 'Cultureel ergoed' zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan. 7. 2
Ladder voor duurzame verstedelijking
7. 2. 1 Wettelijk kader Artikel 5. 129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving schrijft voor dat van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' die in een omgevingsplan wordt mogelijk gemaakt moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein een zeehaventerrein een woningbouwlocatie kantoren een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. De toelichting bij het omgevingsplan bevat daartoe een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het omgevingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied bevat een toelichting tevens een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit wordt de 'Ladder Duurzame Verstedelijking' genoemd. ,
,
,
,
,
De beschrijving van de behoefte aan de betreffende 'stedelijke ontwikkeling' moet inzichtelijk maken of in relatie tot het bestaande aanbod concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling. ,
,
,
,
,
,
7. 2. 2 Situatie plangebied Voorliggend plan maakt ten opzichte van de huidige planologische mogelijkheden vijf extra woningen mogelijk. Hiermee is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling aangezien bij woningbouwontwikkelingen hiervan pas vanaf 12 woningen sprake is (ABRvS: 25 maart 2015; ECLI:NL:RVS:2015:953). Derhalve kan een nadere toetsing aan de Ladder achterwege blijven. ,
7. 2. 3 Conclusie De Ladder voor duurzame verstedelijking is voor voorliggend plan niet van belang.
TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Oude Zuidwolderstraat 1b 1c 1d 1e en 1f en Langewijk 148 Dedemsvaart | PAGINA 45
7. 3
Welstand
Voor de stads- en dorpskernen geldt de welstandsnota 'Visie op beeldkwaliteit'. Deze nota is vastgesteld op 29 november 2011. Volgens deze nota ligt het plangebied in welstandsniveau 1. Uit een eerste beoordeling door de rayonarchitect van de gemeente Hardenberg blijkt dat onderhavig plan voldoet aan redelijke eisen van welstand. Verdere toetsing aan de welstandsnota van de gemeente vindt plaats bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen.
TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Oude Zuidwolderstraat 1b 1c 1d 1e en 1f en Langewijk 148 Dedemsvaart | PAGINA 46
Hoofdstuk 8 8. 1
Natuurbescherming
Wettelijk kader
Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden beschermde soorten en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). ,
,
Natuurnetwerk Nederland (NNN) In het Besluit kwaliteit leefomgeving is het ruimtelijk beleid op rijks- provinciaal en gemeentelijk niveau vastgesteld waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o. a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. ,
,
,
,
,
,
,
Natura 2000-gebieden Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Plannen die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen is niet toegestaan indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag) dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een plan een Omgevingsvergunning noodzakelijk. ,
,
,
,
,
Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: de leefgebieden van vogels; de natuurlijke habitats of habitats van soorten; De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt.
Stikstofdepositie Het voorgenomen plan voorziet in de sloop van het uitvaartcentrum de realisatie van vijf rijwoningen en de omzetting van de bestaande bedrijfswoning naar een reguliere woning. Als een bouwproject afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied is daarvoor naast een ,
,
,
TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Oude Zuidwolderstraat 1b 1c 1d 1e en 1f en Langewijk 148 Dedemsvaart | PAGINA 47
omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwen (artikel 5. 1 lid 1 sub a Omgevingswet) en een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit zelf een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig. ,
Degene die bouw- en sloopwerkzaamheden verricht moet altijd adequate maatregelen ,
treffen (zoals werktuigen minder stationair laten draaien) om de stikstofemissie te beperken (artikel 7.19a Bbl). Dat geldt alleen voor een van de volgende gevallen: Voor het bouwen is een omgevingsvergunning voor een technische bouwactiviteit nodig. Voor het bouwen is een bouwmelding nodig. Voor het slopen is een melding nodig omdat er meer dan 10 m3 aan afval vrijkomt. Informatie over maatregelen die de stikstofemissie beperken moet naar het bevoegd gezag toegestuurd worden met: 1. de bouwmelding of sloopmelding (artikel 7. 5c Bbl) 2. de vergunningaanvraag voor de technische bouwactiviteit (artikel 7. 12a ,
,
Omgevingsregeling). Soortenbescherming In de Omgevingswet (Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 11. 37 t/m artikel 11. 40 Besluit activiteiten leefomgeving); Soorten Habitatrichtlijn (artikel 11. 46 t/m artikel 11. 48 Besluit activiteiten
leefomgeving); Andere soorten (artikel 11. 54 Besluit activiteiten leefomgeving). Door een groot aantal activiteiten en invloeden staat het voortbestaan van veel dier- en plantsoorten onder druk. Daarom is soortenbescherming een onderdeel van de Omgevingswet. Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. Dat zijn flora- en fauna-activiteiten. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. Deze activiteit is vaak het gevolg van een andere activiteit zoals bouwactiviteit. In afdeling 8. 6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn beoordelingsregels opgenomen voor omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit en flora- en fauna-activiteit. Artikel 8. 74j tot en met 8. 74n bevat beoordelingsregels voor floraen
fauna-activiteit.
Tot slot geldt een algemene specifieke zorgplicht. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27 Besluit activiteiten leefomgeving). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. ,
,
,
8. 2
Situatie plangebied
NNN Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het NNN. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied is gesitueerd op circa 650 meter ten noordwesten van het plangebied. In figuur 8. 1 is de onderlinge afstand tussen het plangebied (oranje druppel) en het dichtstbijzijnde NNN-gebied (groen gebied) weergegeven.
TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Oude Zuidwolderstraat 1b 1c 1d 1e en 1f en Langewijk 148 Dedemsvaart | PAGINA 48
Figuur 8. 1: ligging plangebied ten opzichte van dichtstbijzijnd NNN-gebied (bron: Atlas van
Overijssel) Gezien het feit dat NNN geen externe werking kent in Nederland is een nadere beoordeling niet noodzakelijk. Geconcludeerd wordt dat voorliggend plan geen nadelige effecten heeft ,
voor NNN en dat een omgevingsvergunning van de provincie niet noodzakelijk is.
Natura 2000-gebieden Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft het 'Vecht- en Beneden-Reggegebied'. Dit gebied is gesitueerd op circa 73 kilometer ten zuiden van het plangebied. In figuur 8. 2 is de onderliggende afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied weergegeven. ,
Figuur 8. 2: ligging plangebied (rode ster) ten opzichte van dichtstbijzijnd Natura
2000-gebied (bron: AERIUS Calculator) Gezien de aard van de ingreep en de ruime afstand van het plangebied tot het Natura 2000-gebied zijn externe effecten zoals trillingen verstoring door geluid en mechanische effecten niet te verwachten. Gezien de aard van de ingreep doet de planontwikkeling naar verwachting geen afbreuk aan de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied. Een nader onderzoek zoals een Natura 2000-voortoets is niet noodzakelijk. ,
Gezien de voorgenomen werkzaamheden wordt er geen verhoogde stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden verwacht. Desondanks is er een stikstofberekening TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Oude Zuidwolderstraat 1b 1c 1d 1e en 1f en Langewijk 148 Dedemsvaart | PAGINA 49
(AERIUS-berekening) uitgevoerd en als Bijlage 6 opgenomen bij deze motivering. Uit de resultaten van de AERIUS-berekening blijkt dat als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling geen hogere toename dan 000 mol/ha/jaar geconstateerd is. Dit betekent dat ,
de voorgenomen ontwikkeling niet leidt tot een verslechtering van de milieukwaliteit van Natura 2000-gebieden. Nader onderzoek of een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit is niet vereist.
Geconcludeerd wordt dat voorliggend plan geen nadelige effecten heeft voor Natura 2000-gebieden en dat een omgevingsvergunning van de provincie niet noodzakelijk is. Soortenbescherming In de onderstaande tabel zijn de binnen het plangebied aangetroffen soorten waarvoor aanvullend onderzoek noodzakelijk is. Ook zijn in onderstaande tabel de soorten opgenomen waarvoor op basis van het zorgplicht bepaalde vervolgstappen noodzakelijk zijn. Zie figuur 8. 3. ,
,
Figuur 8. 3: tabel met aangetroffen soorten binnen het plangebied en vervolgstappen (bron: Quickscan FF Bijlage 5) ,
Ten aanzien van de algemene zoogdieren ongewervelden en amfibieën vissen dienen de volgende algemene richtlijnen te worden opgevolgd in het veld: Indien individuen van dieren worden aangetroffen dienen deze de gelegenheid te krijgen om te kunnen vluchten. Aanbevolen wordt om minder mobiele dieren zoals egel en gewone pad te verplaatsen tot buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden. De werkzaamheden worden in één richting uitgevoerd. Hierbij wordt indien aanwezig richting een vluchtweg gewerkt zodat mobiele soorten kunnen ontsnappen en zelf voor de werkzaamheden kunnen uitwijken. Om schade zo veel mogelijk te beperken wordt aanbevolen zoveel mogelijk gebruik te maken van dezelfde aan- en afvoerroutes. Voor de aanleg van het werkterrein dient rekening te worden gehouden met het toe te passen materiaal. Er dienen geen ruimtes aanwezig te zijn onder de rijplaten. Deze ruimtes kunnen namelijk worden gebruikt als schuilplek voor zoogdieren en amfibieën. Indien er toch ruimten ontstaan onder de rijplaten dan dienen deze te worden gedicht met grond. ,
,
,
,
,
,
TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Oude Zuidwolderstraat 1b 1c 1d 1e en 1f en Langewijk 148 Dedemsvaart | PAGINA 50
,
Verstoring van in de nacht foeragerende dieren wordt voorkomen door de werkzaamheden overdag uit te voeren. Aanvullend onderzoek vleermuis en steenmarter Naar aanleiding van de resultaten uit het quickscan flora & fauna onderzoek is er aanvullend onderzoek gedaan naar vleermuizen en steenmarter. Dit onderzoek is als bijlage Bijlage 7 opgenomen bij deze motivering. Hieruit blijkt dat er geen verblijfplaatsen van vleermuizen of steenmarters zijn in het onderzoeksgebied.
8. 3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat voorliggend plan niet leidt tot negatieve effecten op beschermde soorten. Bij het uitvoeren van de werkzaamheden dient nog wel rekening gehouden te worden met de zorgplicht.
TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Oude Zuidwolderstraat 1b 1c 1d 1e en 1f en Langewijk 148 Dedemsvaart | PAGINA 51
Hoofdstuk 9 Behouden van de staat en werking van infrastructuur en voorzieningen 9. 1
Beperkingengebieden
9. 1. 1
Algemeen Een beperkingengebiedactiviteit is een activiteit die de functie van een maatschappelijk belangrijk werk of object kan verstoren. Dit zijn bijvoorbeeld wegen spoorwegen luchthavens en waterstaatswerken (rivieren etc. ). Voorbeelden van beperkingengebiedactiviteiten zijn het plaatsen van een reclamebord naast een snelweg of het bouwen op een zeedijk. Om de functie van het werk of object te beschermen gelden er beperkingen in een aangewezen gebied daaromheen. Het bevoegd gezag wijst dat gebied op kaart aan. De beperkingen gelden voor activiteiten in dit gebied (het beperkingengebied). ,
,
,
9. 1. 2
Situatie plangebied
Door realisatie van voorliggend plan is er geen sprake van een beperkende werking op de omliggende infrastructuur en infrastructurele voorzieningen.
9. 2
Kabels en leidingen
9. 2. 1 Algemeen Ondergrondse kabels en leidingen zijn belangrijk voor het transport van data elektriciteit en stoffen zoals gas en water. Sommige ondergrondse (hoogspannings)leidingen kunnen een ,
risico opleveren voor de omgeving.
9. 2. 2 Situatie plangebied In Hoofdstuk 6 is al ingegaan op mogelijke buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Hieruit blijkt dat er geen buisleidingen aanwezig zijn. Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen wordt een Klic-melding gedaan. Hiermee wordt voorkomen dat kabels en leidingen tijdens de bouw worden beïnvloed. Tevens heeft de bestaande woning geen beperkende werking op omliggende (spoor)wegen.
9. 2. 3
Conclusie
Met voorliggend plan is er geen sprake van een beperkende werking op de omliggende infrastructuur en infrastructurele voorzieningen.
TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Oude Zuidwolderstraat 1b 1c 1d 1e en 1f en Langewijk 148 Dedemsvaart | PAGINA 52
Hoofdstuk 10 10. 1
Milieueffectrapportage
Wettelijk kader
Een milieueffectrapportage (m. e. r. ) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m. e. r. is te vinden in afdeling 16. 4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Uit bijlage V van het Omgevingsbesluit kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen. In kolom 1 staan de projecten opgesomd. In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is. In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt. Kolom 4 bevat tot slot de besluiten die betrekking hebben op de projecten waarvoor de project-mer-(beoordelings)plicht geldt. Bij de project-mer-beoordeling (dus niet bij de mer-plicht) is een mededeling nodig aan het bevoegd gezag. Deze mededeling bevat een beschrijving van de eisen die zijn opgenomen in artikel 11. 10 van het Omgevingsbesluit en bijlage III van de Europese m. e. r. -richtlijn.
10. 2
Situatie plangebied
Voorliggend plan heeft betrekking op de sloop van het huidige uitvaartcentrum en de realisatie van vijf rijwoningen daarnaast op de omzetting van de bestaande bedrijfswoning naar een reguliere woning. Een dergelijk project wordt niet expliciet benoemd in kolom 1 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Een logische aansluiting kan echter wel worden gemaakt bij nummer J11 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen'. ,
Het begrip 'Stedelijk ontwikkelingsproject' is niet gedefinieerd wel zijn er een aantal voorbeelden van bouwprojecten die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. Dit betreft o. a. woningen parkeerterreinen theaters sportcentra kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) lijken de volgende aspecten relevant voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject: de aard en omvang van de ontwikkeling; de vormgeving en opzet; de schaalgrootte; de ligging; de voorgenomen functie(wijziging) en; de vraag of sprake is van een bestaand of van een te realiseren bouwwerk. ,
,
,
,
,
Wanneer sprake is van een zogenaamde 'kleine wijziging' of voor situaties waarbij het voorgenomen plan of programma betrekking heeft op 'kleine gebieden op lokaal niveau' dan is het toegestaan om eerst een plan-mer-beoordeling uit te voeren. Als uit deze plan-mer-beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben bestaat er geen verplichting een plan-MER te maken( art. 16.36 lid 3 Omgevingswet). Als niet gekozen wordt voor de plan-mer-beoordeling geldt een plan-mer-plicht. Wanneer de ontwikkeling van zodanig kleinschalige aard is kan het zo zijn dat geen sprake is van een project in de zin van m. e. r. onder het Omgevingsbesluit. Dit kan in sommige gevallen gemotiveerd worden op basis van jurisprudentie. ,
,
,
,
,
,
TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Oude Zuidwolderstraat 1b 1c 1d 1e en 1f en Langewijk 148 Dedemsvaart | PAGINA 53
Zoals reeds beschreven wordt in voorliggend plan de sloop van het huidige uitvaartcentrum en de realisatie van vijf rijwoningen mogelijk gemaakt. Daarnaast wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een reguliere woning. De te slopen oppervlakte bedraagt circa 290 m² en de bebouwingsoppervlakte van de nieuwe woningen bedraagt circa 226 m². Er is hiermee sprake van een afname van de bebouwde oppervlakte. Daarbij is een woonfunctie niet milieubelastend voor de omgeving en uit de voorgaande paragrafen blijkt dat aan het vereiste van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voldaan wordt. Als een project voorziet in een (gedeeltelijke) functiewijziging maar de bebouwde oppervlakte hetzelfde blijft is gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject. Op basis van deze uitspraak lijken de volgende aspecten voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject relevant: (een uitbreiding van) de bebouwde oppervlakte de opzet en de vormgeving van de ontwikkeling. Ten aanzien van de relevante aspecten kan tevens een verwijzing worden gemaakt naar de uitspraak van de Raad van State van 29 juli ,
,
,
2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1832). Aangezien de bebouwde oppervlakte in de toekomstige situatie ten opzichte van de huidige situatie afneemt en de impact op de omgeving beperkt is wordt op basis van de bovenstaande uitspraak van de Raad van State geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 nummer J11 van Bijlage V van het Omgevingsbesluit. ,
,
10. 3
,
Conclusie
Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het project en de kenmerken van het potentiële effect van het project is vastgesteld dat er geen sprake is van een project dat belangrijke gevolgen heeft zodat er geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt (artikel 16. 43 jo. artikel 16. 53 Omgevingswet). ,
TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Oude Zuidwolderstraat 1b 1c 1d 1e en 1f en Langewijk 148 Dedemsvaart | PAGINA 54
Hoofdstuk 11 11. 1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Kostenverhaal
Afdeling 13. 6 van de Omgevingswet bevat de regeling voor kostenverhaal. De wet geeft de uitgangspunten en vereisten op basis waarvan wordt bepaald of kostenverhaal verplicht is en hoe de kostenverhaalsbijdrage wordt bepaald. De verplichting tot kostenverhaal geldt voor particuliere grondeigenaren die een bouwplan als bedoeld in artikel 13. 11 Omgevingswet en artikel 8. 13 van het Omgevingsbesluit kunnen realiseren. Het gaat dan bijvoorbeeld om de bouw van een of meerdere woningen of een nieuw hoofdgebouw.
Uit artikel 13. 11 Omgevingswet volgt dat het verhaal van kosten via een anterieure overeenkomst mag plaatsvinden. De gemeente sluit een anterieure overeenkomst af met de
initiatiefnemer. Nadeelcompensatie Nadeelcompensatie heeft betrekking op vergoeding van schade veroorzaakte door rechtmatige besluiten en handelen van de overheid. Nadeelcompensatie binnen de Omgevingswet gaat over besluiten of maatregelen: die rechtstreeks werkende rechten en verplichtingen voor burgers en bedrijven bevatten; die rechtstreeks gevolgen hebben voor burgers en bedrijven door verandering van de
fysieke leefomgeving. De schadeoorzaken zijn limitatief opgesomd in artikel 15. 1 van de Omgevingswet. Dit betekent dat de wet de schadeoorzaken uitputtend regelt. Er zijn dus geen andere schadeoorzaken mogelijk dan die in de Omgevingswet staan. Schadeoorzaken zijn onder meer: een omgevingsvergunning een regel in het omgevingsplan met rechtstreekse rechten of verplichtingen voor burgers en bedrijven of een maatwerksvoorschrift. ,
Afspraken voor nadeelcompensatie worden vastgelegd in de anterieure overeenkomst. 11. 2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
11. 2. 1 Participatie De initiatiefnemer heeft een particpatietraject doorlopen. Het participatielogboek is als Bijlage 8 bij deze motivering opgenomen. In verband met de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) is het participatielogboek geanonimiseerd. 11. 2. 2 Vooroverleg instanties 11. 2. 2. 1