CConstaterende datHardenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

Gewijzigde versie - Bijlage 3 Was-wordt lijst verordening maatschappelijke ondersteuning 2023-2026

gemeenteraad 16 december 2025, gemeente HardenbergBij agendapunt: Vaststellen Verordeningen maatschappelijke ondersteuning 2026 en jeugdhulp 202618.716 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Was-Wordt lijst Verordeningen Maatschappelijke Ondersteuning 2023- 2026 Was Algemeen/vooraf De oude verordening was uitgebreid opgesteld, hierin zijn veel aanvullende criteria verwerkt.

Ouderwets taalgebruik. Artikelnummering op desbetreffende hoofdstuk gebaseerd. Hoofdstuk 1 Artikel 1 Algemene bepalingen Nummering a, b.....

Wordt

We hebben de nieuwe verordening teruggebracht tot de kaders/criteria die volgens de Wmo 2015 vastgelegd dienen te zijn in de verordening. De aanvullende criteria uit de oude verordening zijn zoveel mogelijk verplaatst naar de beleidsregels omdat die inhoud geven aan de beslissingsruimte die het college heeft. Voor zover mogelijk, aangepast naar woorden die beter te begrijpen zijn. Artikelnummering opvolgend gemaakt. Hoofdstuk 1: Begrippen Artikel 1 Begripsbepalingen Vervangen door gedachten streepjes uit praktische overweging. algemene voorziening: het aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning. Begrip toegevoegd. beleidsregels: beleidsregels Wmo gemeente Hardenberg 2026 Begrip toegevoegd. bewuste keuzegesprek: gesprek om te beoordelen of de inwoner, of zijn pgb beheerder, een persoonsgebonden budget (Pgb) kan beheren Begrip toegevoegd. 1

-

Budgetplan: door de inwoner ingediend inhoudelijk plan met begroting en doelen voor de invulling van het pgb. Uit het plan en het (bewuste keuze) gesprek dient te blijken dat de inwoner of zijn pgb-beheerder in staat is om het pgb te beheren en dat de zorg en ondersteuning die met het pgb wordt ingekocht veilig, doeltreffend en inwonergericht wordt verstrekt; Cliëntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen; Gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten; Gesprek: het mondelingen contact bij het onderzoek naar de hulpvraag waarin een deskundige met een inwoner zijn problematiek en de gevolgen daarvan alsmede de gewenste resultaten of doel van de te kiezen oplossingen bespreekt. Dit kunnen meerdere gesprekken zijn; Hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de persoon met beperkingen zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en waar hij in de brp staat ingeschreven;

budgethouder: de inwoner die een persoonsgebonden budget ontvangt op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en/of zijn pgb-beheerder. Begrip toegevoegd. budgetplan: door de inwoner ingediend inhoudelijk plan met kostenoverzicht en doelen voor de invulling van het pgb; Bij begrip ‘budgetplan’ de tekst over de materiele norm verwijderd. Dit hoort niet thuis bij een begripsbepaling. Begrip ‘cliëntondersteuning’ verwijderd. Dit staat al in de Wmo 2015 gedefinieerd en hoeft hier niet herhaald te worden.

Begrip ‘deskundige’ verwijderd. Begrip ‘gebruikelijke hulp’ verwijderd. Dit staat al in de Wmo 2015 gedefinieerd en hoeft hier niet herhaald te worden. gesprek: het mondelingen contact bij het onderzoek naar de hulpvraag waarin een deskundige met een inwoner zijn problematiek en de gevolgen daarvan evenals de gewenste resultaten of doelen van de te kiezen oplossingen, bespreekt. Laatste zin is overbodig. hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de persoon met beperkingen zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en waar hij in de basisregistratie persoonsgegevens (brp) staat ingeschreven; 2

Hulpmiddel: het gaat hier om allerlei roerende zaken, die bedoeld zijn om beperkingen in zelfredzaamheid en participatie weg te nemen of te verminderen. Roerende zaken zijn alle zaken die niet onroerend zijn. Voorbeelden zijn een losse drempelhulp, een tillift, een rolstoel, een scootmobiel en een aangepaste fiets; Hulpverleningsplan: het plan dat door de aanbieder samen met de inwoner wordt opgesteld waarin duidelijke afspraken over de levering van de hulp of ondersteuning (inclusief methodieken en interventies) worden opgenomen ten behoeve van het realiseren van de doelen. Informele ondersteuning/ondersteuner is: - ondersteuning die geboden wordt door het sociaal netwerk van inwoner en die niet voldoen aan de criteria als genoemd in lid 1 onder u; - ondersteuning die wordt geboden door personen die voldoen aan de criteria als genoemd in lid 1 onder u, maar tot het sociaal netwerk van de inwoner horen. Inwoner: Ingezetene van de gemeente Hardenberg door of namens wie de hulpvraag gemeld is of een inwoner die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening is verstrekt. Nadere regels: nadere regels Wmo Hardenberg 2023.

Ondersteuningsplan: het plan dat het Samen Doen team in samenspraak met de inwoner dan wel diens vertegenwoordiger, en

De afkorting brp voor de duidelijkheid voluit geschreven. Begrip ‘hulpmiddel’ verwijderd. Dit staat al in de Wmo 2015 gedefinieerd en hoeft hier niet herhaald te worden.

Begrip ‘hulpverleningsplan’ verwijderd. Dit hoort niet thuis bij een begripsbepaling.

informele ondersteuning/ondersteuner: Zorg of ondersteuning die wordt gegeven door mensen die dat niet in het kader van hun beroep, maar als onderdeel van het sociaal netwerk van de inwoner verrichten.

Begrip ‘Informele ondersteuning’ aangepast naar leesbare definitie. inwoner: persoon zoals bedoeld in artikel 1.1.1 onder ‘cliënt’ van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Begrip ‘inwoner’ aangesloten bij begrip ‘cliënt’ uit de begripsbepaling in de Wmo2015 Nadere regels: nadere regels Wmo Hardenberg zoals bijvoorbeeld het jaarlijks Financiële Besluit; Voor de duidelijkheid een voorbeeld toegevoegd aan het begrip Ondersteuningsplan: het plan dat Samen Doen in samenspraak met de inwoner dan wel zijn vertegenwoordiger, en waar mogelijk met de 3

waar mogelijk met de mantelzorger(s), opstelt met betrekking tot de mantelzorger(s), opstelt met betrekking tot de benodigde zorg en benodigde zorg en ondersteuning. Het beschrijft de ondersteuning ondersteuning; die de inwoner nodig heeft en daarin concreet wat het te behalen resultaat of doel is met deze ondersteuning; Bij begrip ‘Ondersteuningsplan’ tekst over materiele norm verwijderd. Dit hoort niet thuis bij een begripsbepaling. Persoonsgebonden budget (ook wel pgb genoemd): bedrag waarmee Begrip ‘Persoonsgebonden budget’ verwijderd. Dit staat al in de Wmo namens het college betalingen worden gedaan voor diensten, 2015 gedefinieerd en hoeft hier niet herhaald te worden. hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren en die een inwoner van derden wil ontvangen; -

pgb: persoonsgebonden budget zoals bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; Afkorting ‘pgb’ toegevoegd. Samen Doen: Samen Doen BV is de organisatie die als wijkteam, in opdracht van de gemeente Hardenberg, uitvoering geeft aan integrale ondersteuning voor inwoners van de gemeente. Samen Doen helpt inwoners met vragen over wonen, welzijn, opvoeden, inkomen, schulden en veiligheid.

Samen Doen team: • Consulenten die het voorliggend veld goed kennen. Zij leveren informatie en advies. Ze gaan met inwoners op zoek naar oplossingen vanuit het eigen netwerk of in de eigen omgeving. Ook leveren ze (indien nodig) kortdurende ondersteuning (maximaal 5 gesprekken) waarna de inwoner weer zelfstandig ‘door’ kan. Dit begrip is aangepast en de rol van Samen Doen. • Consulenten met kennis van wet- en regelgeving op gebeid van Wmo. Zij ondersteunen inwoners bij het maken een ondersteuningsplan, bepalen of er inzet van maatwerk nodig is en zo ja met welke doelen en hoeveel tijd daarvoor nodig is. Zij begeleiden inwoners bij het proces om hun veerkracht te vinden. Indien nodig vervullen ze de rol van casusregisseur, organiseren van een multidisciplinair overleg en bewaken van afstemming en voortgang.

4

Woonvoorziening: Een voorziening die inwoner in staat stelt om normaal gebruik te (blijven) maken van hun woning. Voorbeelden zijn: woningaanpassingen, verhuiskostenvergoeding, losse woonvoorzieningen(zoals een tillift of douchestoel) en woonvoorzieningen van niet-bouwkundige of niet-woontechnische aard;

Woonvoorziening: Een voorziening die de inwoner in staat stelt om normaal gebruik te (blijven) maken van zijn woning. Voorbeelden verwijderd omdat dit niet bij begripsbepaling thuishoort.

Zin: zorg in natura Afkorting ‘zin’ toegevoegd.

Hoofdstuk 2 Melding en vooronderzoek

Hoofdstuk 2: Melding Hoofstuk 3: Onderzoek en opstellen ondersteuningsplan Vooronderzoek staat niet in de Wmo 2015 en is logischer geordend.

5

Artikel 2.1. Melding 1.Een hulpvraag kan door of namens de inwoner vormvrij bij het college of het Samen Doen team worden gemeld. 2. Het college bevestigt de ontvangst van de melding schriftelijk en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek. 3. Als de inwoner hulp nodig heeft bij het formuleren van zijn hulpvraag, kan hij gebruik maken van gratis cliëntondersteuning. Hierbij is het belang van de inwoner het uitgangspunt. 4. Het college informeert de inwoner over de mogelijkheid tot het indienen van een persoonlijk plan en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen. Het college betrekt het persoonlijk plan bij het onderzoek als bedoeld in artikel 3.1 van deze verordening. 5. Bij de ontvangst van de melding informeert het college de inwoner of zijn vertegenwoordiger over de gang van zaken bij het gesprek, zijn rechten en plichten en de vervolgprocedure.

Artikel 2 Melding 1. Een hulpvraag kan door of namens de inwoner telefonisch, mondeling, schriftelijk of digitaal bij het college worden gemeld. 2. Het college bevestigt de ontvangst van de melding schriftelijk en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek. 3. Bij de ontvangst van de melding informeert het college de inwoner of zijn vertegenwoordiger over de gang van zaken bij het gesprek, zijn rechten en plichten en de vervolgprocedure. Artikel 3 Cliëntondersteuning 1. Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van kosteloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de inwoner het uitgangspunt is. 2. Het college wijst de inwoner dan wel zijn vertegenwoordiger en zijn mantelzorger voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2 eerste lid van de wet, op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.

Artikel 4 Persoonlijk plan 1. Het college informeert de inwoner over de mogelijkheid tot het indienen van een persoonlijk plan zoals bedoeld in artikel 2.3.2 tweede lid van de wet en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen. 2. Het college betrekt het persoonlijk plan bij het onderzoek zoals bedoeld in artikel 2.3.2 eerste lid van de wet.

6

Artikel 5 Informatie en identificatie 1. De inwoner geeft het college, als er om wordt gevraagd, de gegevens en informatie die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. 2. Bij het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2 eerste lid van de wet, stelt het college de identiteit vast aan de hand van een geldig identiteitsbewijs.

Voor de leesbaarheid 4 artikelen onder het hoofdstuk ‘melding’ gemaakt, waarbij aanpassingen zijn gedaan en zinnen zijn herschreven. De insteek blijft gelijk. Artikel 5 is toegevoegd. Hoofdstuk 3 Hoofdstuk 3: Onderzoek en verslaglegging 1. Het Samen Doen team onderzoekt namens het college in een gesprek samen met de inwoner, en/of zijn vertegenwoordiger, die de melding heeft gedaan, zo spoedig mogelijk na ontvangst van de melding: a. wat de hulpvraag is van de inwoner; b. de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de inwoner; c. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; d. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van

Hoofdstuk 3: Onderzoek en opstellen ondersteuningsplan 1. Een gesprek dat Samen Doen doet namens het college, maakt deel uit van het onderzoek. Het gesprek wordt gevoerd met de inwoner en/of zijn vertegenwoordiger, voor zover mogelijk zijn mantelzorger en voor zover nodig andere personen. 2. De volgende factoren maken in ieder geval deel uit van het onderzoek en vormen de basis van het gesprek: a. Wat de hulpvraag is van de inwoner; b. Welke beperkingen worden ervaren bij het dagelijks functioneren en participeren? De behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de inwoner; c. De mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp van huisgenoten of algemeen gebruikelijke 7

zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; e. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de inwoner; f. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; g. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang; h. welke hulp nodig is in vorm, duur en frequentie; i. welke bijdragen in de kosten de inwoner met toepassing van artikel 2.1.4a van de wet verschuldigd zal zijn.

voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; d. De mogelijkheid om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; e. De behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de inwoner; f. De mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; g. De mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, (verlengde) jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang; h. Welke hulp nodig is in vorm, duur en frequentie; i. Welke bijdragen in de kosten de inwoner met de toepassing van artikel 2.1.4 en 2.1.4a van de wet verschuldigd is.

8

Voor de leesbaarheid twee leden gemaakt. Formulering is wat aangepast door expliciet in lid 1 het gesprek te noemen en de betrokkenheid van de omgeving daarbij. Bij lid 2 is de term in ieder geval toegevoegd zodat de opsomming niet beperkend is. 2. Tijdens het gesprek wordt aan de inwoner in begrijpelijke 3. Tijdens het gesprek wordt aan de inwoner in begrijpelijke bewoordingen medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te bewoordingen medegedeeld welke mogelijkheden bestaan kiezen voor zorg in natura, een financiële tegemoetkoming of pgb om te kiezen voor zin of pgb en wat de gevolgen van die keuze en wat de gevolgen van die keuze zijn. zijn. De formulering is hier aangepast. Zorg in natura is het uitgangspunt maar er kan ook gekozen worden voor een pgb. Een financiële tegemoetkoming is geen keuze, maar geldt voor sommige specifiek maatwerkvoorziening. Dit is in artikel 20 van de verordening vastgesteld Wijziging nummers door toevoegen extra lid. 3. Kiest een inwoner voor een pgb, dan wordt tijdens het gesprek 4. Kiest een inwoner voor een pgb, dan volgt een bewuste eveneens gekeken of er aan de voorwaarden zoals bedoeld in artikel keuzegesprek waarin gekeken wordt of er aan de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 18 van deze verordening 7.1 e.v. van deze verordening wordt voldaan. wordt voldaan. 4. Het college informeert de inwoner over de mogelijkheid om een 5.

Het college informeert de inwoner over de mogelijkheid om aanvraag als bedoeld in artikel 4.1 van deze verordening in te dienen. een aanvraag als bedoeld in artikel 8 van deze verordening in te dienen. 5. Het college is bevoegd om in het belang van het onderzoek: a. De inwoner(s) op te roepen om in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem of hen te bevragen. b. Als dit nodig is voor het onderzoek, de inwoner, zijn mantelzorger of bij gebruikelijke hulp zijn huisgenoten op te roepen voor een gesprek of een onderzoek door een daartoe aangewezen deskundige.

6. Als dat nodig is voor het onderzoek, kan het college de inwoner, zijn mantelzorger of bij gebruikelijke hulp zijn huisgenoten, oproepen voor een gesprek of een (her)onderzoek door een daartoe aangewezen deskundige. 7. Als dit nodig is voor het onderzoek, kan het college een door hem daartoe aangewezen onafhankelijke adviesinstantie om advies vragen. De adviseur moet, afhankelijk van de vereisten van het onderzoek, aantoonbaar beschikken over: 9

c. Als dit nodig is voor het onderzoek, kan het college een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen.

-

a. Sociaal medische kennis op het niveau van een arts; b. Ergonomische kennis; c. Bouwkundige/technische kennis; d. Gedragswetenschappelijke kennis. Voor de leesbaarheid in verschillende lidnummers gevat. 8. Bij de beoordeling van de gebruikelijke hulp door huisgenoten, zoals genoemd in het zesde lid, wordt, voor zover daartoe aanleiding is, rekening gehouden met: a. De samenstelling van de leefeenheid van de inwoner en zijn huisgenoot of huisgenoten; b. De aard van de relatie tussen de inwoner en zijn huisgenoten; c. De inhoudelijke aard, de omvang en de complexiteit van de ondersteuningsbehoefte van de inwoner; d. De beschikbaarheid en de praktische, lichamelijke en geestelijke mogelijkheden van de huisgenoot of de huisgenoten voor het ondersteunen van de inwoner bij zijn zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving; e. De mate waarin en de wijze waarop de inwoner voorafgaand aan de melding is ondersteund door zijn huisgenoot of huisgenoten op het terrein van zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving; f. Overige relevante omstandigheden van de huisgenoot of huisgenoten van de inwoner die redelijkerwijs van invloed kunnen zijn op de mogelijkheid om de inwoner hulp te bieden op het terrein van zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving.

10

Lid 6

Artikel 3.2. Het ondersteuningsplan 1. De schriftelijke weergave van de uitkomst van het onderzoek wordt opgenomen in het ondersteuningsplan. 2. Na het laatste gesprek verstrekt het college of het Samen Doen team het ondersteuningsplan binnen vijf werkdagen aan de inwoner. 3. Opmerkingen of latere aanvullingen van de inwoner worden aan het schriftelijk verslag toegevoegd en maken daar deel van uit. 4. Indien het ondersteuningsplan niet binnen zes weken geretourneerd wordt, kan het college beslissen de melding niet verder meer in behandeling te nemen.

Toegevoegd op basis van een uitspraak van de CRvB met betrekking tot onderzoek eigen kracht. Wordt lid 9 Wijziging nummers door toevoegen extra lid. Artikel 7 Het ondersteuningsplan 1. De schriftelijke weergave van de uitkomst van het onderzoek wordt opgenomen in het ondersteuningsplan. Het beschrijft de ondersteuning die de inwoner nodig heeft en daarin concreet wat het te behalen resultaat of doel is met deze ondersteuning. 2. Na het laatste gesprek verstrekt het college het ondersteuningsplan zo spoedig mogelijk aan de inwoner. 3. Opmerkingen of latere aanvullingen van de inwoner worden binnen een redelijke termijn aan het schriftelijke verslag toegevoegd en maken daar deel van uit. 4. De inwoner ondertekent het verslag voor gezien of akkoord en stuurt een ondertekend exemplaar naar het college. 5. Als het ondersteuningsplan niet binnen zes weken wordt geretourneerd, kan het college beslissen de melding niet verder in behandeling te nemen. In lid 3 is ‘binnen een redelijke termijn’ toegevoegd om meer duidelijkheid te geven over binnen welk tijdsbestek het toevoegen van opmerkingen/latere aanvullingen mogelijk is.

Hoofdstuk 4 Hoofdstuk 4: Aanvraag en afhandeling maatwerkvoorziening

Hoofdstuk 4: Aanvraag, besluit en beschikking 11

Duidelijkere termen gebruikt.

12

Artikel 4.1. Aanvraag 1. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening wordt door of namens een inwoner schriftelijk ingediend bij het Samen Doen team of het college. 2. Als aanvraag maatwerkvoorziening wordt door het college aangemerkt: a. Een voor akkoord ondertekend ondersteuningsplan als bedoeld in hoofdstuk 3. b. Een ondersteuningsplan inclusief ondertekend aanvraagformulier door inwoner. 3. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden ingediend nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen zes weken na de ontvangst van de melding. Artikel 4.2. Toegang en besluit 1. Het college legt het besluit op een aanvraag maatwerkvoorziening vast in een beschikking. 2. De inwoner moet zich, indien van toepassing, binnen drie maanden na de besluitdatum hebben gemeld bij de aanbieder van de maatwerkvoorziening of het pgb binnen drie maanden gebruiken voor het doel of resultaat waarvoor het is verstrekt.

Artikel 8 Aanvraag maatwerkvoorziening 1. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening wordt door of namens een inwoner schriftelijk of digitaal ingediend bij het college of Samen Doen nadat het onderzoek is uitgevoerd. 2. Wanneer het onderzoek niet binnen zes weken na de melding is uitgevoerd, kan de inwoner een aanvraag indienen. 3. De inwoner kan een aanvraag voor een maatwerkvoorziening doen door zijn ondersteuningsplan voor gezien of akkoord te ondertekenen en deze in te dienen. Bij lid 1 ‘digitaal’ toegevoegd. Ook toegevoegd dat de aanvraag na het onderzoek wordt ingediend. De rest van de punten is een meer logische volgorde en meer begrijpelijke woorden. Artikel 9 Besluit 1. Het college legt het besluit op een aanvraag maatwerkvoorziening vast in een beschikking. 2. De inwoner moet zich, indien van toepassing, binnen 3 maanden na de besluitdatum hebben gemeld bij de aanbieder van de maatwerkvoorziening of het pgb, dan wel de financiële tegemoetkoming, binnen 3 maanden gebruiken voor het doel of resultaat waarvoor het is verstrekt. In de titel alleen ‘besluit’ opgenomen omdat het hier niet over toegang gaat.

13

Artikel 10 Inhoud beschikking Artikel 4.3. Inhoud beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een 1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening maatwerkvoorziening staat in ieder geval of deze staat of deze voorziening in natura, als financiële voorziening in natura, als pgb of als financiële tegemoetkoming of als pgb wordt verstrekt. tegemoetkoming wordt verstrekt. 2. Het ondersteuningsplan maakt deel uit van de beschikking. 3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura 2. Het ondersteuningsplan maakt deel uit van de vermeldt de beschikking in ieder geval: beschikking; a. welke maatwerkvoorziening verstrekt wordt en wat de 3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de omgang en het beoogde resultaat of doel daarvan is; vorm van zin, vermeldt de beschikking in ieder geval: b. of de maatwerkvoorziening in bruikleen of in eigendom a. Welke maatwerkvoorziening wordt verstrekt, wat de wordt verstrekt; omvang en het beoogde resultaat of doel daarvan is en c. de ingangsdatum en de duur van de verstrekking; door wie de hulp wordt gegeven; d. indien van toepassing de termijn van drie maanden b. De ingangsdatum en duur van de verstrekking; waarbinnen de inwoner zich bij de aanbieder moet hebben c.

Of een bijdrage in de kosten is verschuldigd en de gemeld als bedoeld in artikel 4.2 lid 2 van deze verordening; daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, e. of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door zoals bijvoorbeeld de kostprijs van de voorziening; het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs d. Wanneer van toepassing, of de maatwerkvoorziening van de voorziening; in bruikleen of in eigendom wordt verstrekt; 4. bij een maatwerkvoorziening in bruikleen, dient inwoner een e. Wanneer van toepassing, de termijn van 3 maanden bruikleenovereenkomst te tekenen. waarbinnen de inwoner zich bij de aanbieder moet 5. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van hebben gemeld als bedoeld in artikel 9 lid 2. een pgb of financiële tegemoetkoming vermeldt de beschikking 4. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de in ieder geval: vorm van een pgb vermeldt de beschikking in ieder geval: a. aan welk resultaat of doel dit moet worden besteed; a. Aan welk resultaat of doel dit moet worden besteed; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb of tegemoetkoming; b. Welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van c. wat de hoogte van het pgb of tegemoetkoming is en hoe het pgb; deze is bepaald; c. Wat de hoogte is van het pgb en hoe deze is bepaald; d.

de ingangsdatum en de duur van de verstrekking; d. De ingangsdatum en duur van de verstrekking; 14

e. de termijn van drie maanden waarbinnen de inwoner het pgb of tegemoetkoming moet besteden als bedoeld in artikel 4.2 lid 2 van deze verordening; f. hoe de besteding van het pgb of tegemoetkoming verantwoord moet worden, en; g. of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening.

e. Of een bijdrage in de kosten is verschuldigd en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals bijvoorbeeld de kostprijs van de voorziening; f. Hoe de besteding van het pgb verantwoord moet worden; g. De termijn van drie maanden waarbinnen de inwoner het pgb moet besteden als bedoeld in artikel 9 lid 2. 5. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming vermeldt de beschikking in ieder geval: a. Voor welk resultaat of doel deze tegemoetkoming wordt gegeven; b. Wanneer en hoe vaak de tegemoetkoming wordt betaald; c. Welke voorwaarden en verplichtingen er gelden; d. Of een bijdrage in de kosten is verschuldigd en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals bijvoorbeeld de kostprijs van de voorziening; e. Wanneer van toepassing, de termijn van drie maanden waarbinnen de inwoner de financiële tegemoetkoming moet gebruiken als bedoeld in artikel 9 lid 2. In lid 1 de term ‘in ieder geval’ toegevoegd zodat de opsomming niet beperkend is. Volgorde van de opsommingen is aangepast naar een logische volgorde. Bij lid 3 onder d en e toegevoegd ‘Wanneer van toepassing’ omdat dit niet altijd aan de orde is.

15

Voor de leesbaarheid zijn lid 4 (pgb) en lid 5 (financiële tegemoetkoming) apart beschreven. Hoofdstuk 5

16

Hoofdstuk 5: Algemene voorzieningen

Nummering hoofdstukken vanaf hier anders.

Artikel 5.1. Toegangscriteria voor de algemene voorziening Huishoudelijke Hulp 1. Een inwoner komt in aanmerking voor de algemene voorziening Huishoudelijke Hulp als hij voldoet aan de volgende voorwaarden: a. is woonachtig in de gemeente Hardenberg; b. heeft geen Wlz-indicatie; c. heeft lichamelijke en/of psychische en/of psychosociale problemen waardoor hij langdurig, in ieder geval langer dan 6 weken, (een deel van) de huishoudelijke klussen niet meer kan doen; d. heeft geen huisgenoten om het huishouden te doen/ de inwoner heeft huisgenoten, maar zij zijn niet in staat om het (volledige) huishouden te doen; e. door of namens de inwoner kan aan anderen worden uitgelegd welke huishoudelijke taken moeten worden uitgevoerd (de inwoner of iemand in zijn directe omgeving kan de regie houden). Artikel 5.2. Resultaten van de algemene voorziening Huishoudelijke Hulp Onder de algemene voorziening Huishoudelijke Hulp vallen de volgende resultaten: 1. Schoon en leefbaar huis; 2. Wasvoorziening (beddengoed wassen en beschikken over schone kleding).

17

Hoofdstuk 6 Maatwerkvoorzieningen Artikel 6.1. Algemene criteria

Hoofstuk 5: Maatwerkvoorzieningen Artikel 11 Algemene criteria Artikel 12 Afwegingscriteria eigen kracht, gebruikelijke hulp en sociale netwerk

1. Onder eigen kracht wordt verstaan: het vermogen van de inwoner om, al dan niet met hulp van algemene voorzieningen of voorliggende voorzieningen, op eigen initiatief en verantwoordelijkheid een oplossing te vinden voor zijn ondersteuningsbehoefte. 2. Onder gebruikelijke hulp wordt verstaan: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de huisgenoten van een inwoner. 3. Bij de beoordeling of sprake is van gebruikelijke hulp houdt het college in ieder geval rekening met de volgende factoren: a. de samenstelling van de leefeenheid van de inwoner en zijn huisgenoot of huisgenoten;b. de aard van de relatie tussen de inwoner en de huisgenoot of huisgenoten; c. de leeftijd, gezondheid en belastbaarheid van de huisgenoot of huisgenoten; d. de aard, omvang en complexiteit van de hulpvraag; e. de aanwezigheid van andere zorgtaken binnen het huishouden; f. de beschikbaarheid en de praktische, lichamelijke en geestelijke mogelijkheden van de huisgenoot of de 18

huisgenoten voor het ondersteunen van de inwoner bij zijn zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving; g. de duur van de benodigde ondersteuning. h. de mate waarin en de wijze waarop de inwoner voorafgaand aan de melding is ondersteund door zijn huisgenoot of huisgenoten op het terrein van zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving. h. overige relevante omstandigheden van de huisgenoot of huisgenoten van de inwoner die redelijkerwijs van invloed kunnen zijn op de mogelijkheid om de inwoner hulp te bieden op het terrein van zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving. 4. Bij het bepalen of gebruikelijke hulp aanwezig is, wordt de feitelijke situatie beoordeeld en wordt rekening gehouden met de draagkracht van de huisgenoot of huisgenoten. 5. Onder hulp vanuit het sociale netwerk wordt verstaan: hulp die, gelet op de relatie tussen betrokkene en degene die hulp zou kunnen verlenen, in redelijkheid en zonder overbelasting mag worden verwacht. 6. Het college motiveert in het besluit op basis van deze criteria waarom hulp uit eigen kracht, gebruikelijke hulp of het sociale netwerk al dan niet toereikend is geacht.

19

Toegevoegd op basis van een uitspraak van de CRvB met betrekking tot onderzoek eigen kracht.

20

Artikel 6.2. Algemene voorwaarden en weigeringsgronden

Artikel 13 Voorwaarden en weigeringsgronden

Lid 3 a. Als de inwoner geen ingezetene is van de gemeente Hardenberg;

Lid 3 a. Als de inwoner geen hoofdverblijf heeft in de gemeente Hardenberg;

h. Als het college van oordeel is dat een inwoner zijn hulpvraag redelijkerwijs van tevoren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen, kan het college besluiten dat de inwoner niet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid of participatie. j. Als de inwoner de gevraagde voorziening voor de melding van de hulpvraag of vóór de beslissing op de aanvraag heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij er naar het oordeel van het college sprake is van een acute noodsituatie waardoor het voor de inwoner dringend noodzakelijk was de voorziening te treffen. Lid 4 De inwoner is zelf verantwoordelijk voor een afdoende verzekering tegen verlies, diefstal en schade als hij een maatwerkvoorziening in de vorm van een hulpmiddel of vervoersvoorziening in eigendom of pgb verstrekt heeft gekregen. Voor een hulpmiddel of vervoersvoorziening verstrekt in bruikleen geldt dat inwoner zelf verantwoordelijk is voor een afdoende verzekering tegen verlies, diefstal en schade in het buitenland. Lid 5

Ingezetene vervangen door hoofdverblijf. Sluit aan bij de begripsbepalingen. Dit onderdeel komt te vervallen. Is juridisch niet houdbaar.

i. Als de inwoner de gevraagde voorziening voor de melding heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij er naar het oordeel van het college sprake is van een acute noodsituatie waardoor het voor de inwoner dringend noodzakelijk was de voorziening te treffen; ‘Vóór de beslissing’ verwijderd want staat beschreven in j. Dit onderwerp wordt verplaatst naar de beleidsregels.

Dit onderwerp wordt verplaatst naar de beleidsregels.

21

De inwoner mag gedurende de looptijd van zijn maatwerkvoorziening wisselen tussen de gecontracteerde aanbieders van diensten (begeleiding en huishoudelijke hulp). Inwoner moet daarvoor een opzegtermijn van één kalendermaand in acht nemen en gemotiveerd aangeven aan het college waarom hij wil wisselen van aanbieder. De opzegtermijn gaat in op de eerste dag van de kalendermaand volgend op de kalendermaand waarin de opzegging is gedaan. De inwoner neemt hiervoor contact op met de nieuwe aanbieder en de scheidende aanbieder.

22

Artikel 6.3. Aanvullende criteria voor begeleiding individueel 1. In aanvulling op de criteria uit de artikelen 6.1 en 6.2 kan een inwoner na onderzoek begeleiding individueel ontwikkelingsgericht krijgen als hij eveneens voldoet aan de volgende criteria: - de inwoner ondervindt beperkingen in zijn zelfredzaamheid en/of participatie en door het krijgen van deze begeleiding verbetert zijn zelfredzaamheid en participatie; - er is gebleken dat progressie of vooruitgang mogelijk is; - de inwoner moet zonder deze begeleiding verblijven in een instelling of verwaarloost thuis, en; - de inwoner geen recht heeft op een indicatie vanuit andere voorliggende wetgeving (bijvoorbeeld de Wet langdurige zorg (Wlz) of Zorgverzekeringswet (Zvw). 2. In aanvulling op de criteria uit artikelen 6.1 en 6.2 kan een inwoner na onderzoek begeleiding individueel stabilisatie krijgen als hij eveneens voldoet aan de volgende criteria: - de inwoner ondervindt beperkingen in zijn zelfredzaamheid en/of participatie en door het krijgen van deze begeleiding worden de vaardigheden van de inwoner behouden en wordt achteruitgang voorkomen; - de inwoner heeft een licht tot matig complexe hulpvraag, die niet door de lokale basiszorg of andere voorliggende voorzieningen opgepakt kan worden; - een matig tot goede voorspelbaarheid van de hulpvraag.

Onverwachte hulpvragen zijn planbaar en uitstelbaar tot volgende contactmomenten of telefonisch contact tijdens kantooruren, en; - de inwoner geen recht heeft op een indicatie vanuit andere voorliggende wetgeving (bijvoorbeeld de Wet langdurige zorg (Wlz) of Zorgverzekeringswet (Zvw).

De aanvullende criteria voor begeleiding individueel en groep worden verplaatst naar de beleidsregels. Dit volgt uit de beslissingsruimte die het college heeft.

23

3. Het is niet toegestaan een overeenkomst af te sluiten met een aanbieder dan wel een derde (in geval van een pgb) waarin het bieden van de geïndiceerde ondersteuning mede afhankelijk is van de woonruimte die door de organisatie dan wel derde wordt geboden, tenzij het verblijf onderdeel is van de indicatie. 4. Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet verstrekt het college geen begeleiding individueel voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt. Artikel 6.4. Aanvullende criteria voor begeleiding groep 1. In aanvulling op de criteria uit de artikelen 6.1 en 6.2 kan een inwoner in aanmerking komen voor begeleiding groep ontwikkelingsgericht als hij eveneens voldoet aan de volgende criteria: a. de inwoner ondervindt beperkingen in zijn zelfredzaamheid en/of participatie en door deelname aan dagactiviteiten behoudt of mogelijk verbetert hij zijn zelfredzaamheid en participatie, en; b. de inwoner kan (nog) geen (aangepast) werk of vrijwilligerswerk verrichten; c. de inwoner beschikt (nog) niet over arbeidsvermogen, of; d. de inwoner moet zonder dagactiviteiten verblijven in een instelling of verwaarloost thuis, en; e. de inwoner heeft of kan geen indicatie vanuit andere voorliggende wetgeving (bijvoorbeeld de Wet langdurige zorg (Wlz) of Zorgverzekeringswet (Zvw) krijgen; f.

de inwoner ondersteuning en groepsbegeleiding nodig heeft om tot maatschappelijke participatie en zelfredzaamheid te

24

komen, de schoolgang te herstellen/starten en te profiteren van effecten op hun welbevinden en welzijn; g. de verwachting is dat inwoner in groepsverband beter de gestelde doelen kan behaald; h. de inwoner ondersteuning nodig heeft om vaardigheden aan te leren die noodzakelijk zijn om uitstroom vanuit de maatwerkvoorziening naar een vervolgplek mogelijk te maken. 2. In aanvulling op de criteria uit de artikelen 6.1 en 6.2 kan een inwoner in aanmerking komen voor begeleiding groep belevingsgericht als hij eveneens voldoet aan de volgende criteria: a. de inwoner voldoet aan de criteria uit a t/m e uit lid 1; b. de inwoner onder een doelgroep valt met specifieke behoeften door chronische, psychische en/of psychosociale problemen; c. de inwoner meer ondersteuning nodig heeft dan in het voorliggend veld geboden kan worden en ontwikkelingsgerichte (geïndiceerde) daginvulling voor deze inwoner een stap te ver of niet meer mogelijk is; d. er is een mantelzorger die moet worden ontlast, indien er risico is op overbelasting van deze mantelzorger; e. de inwoner bij wie het (samen) bezig zijn en daar plezier aan beleven voorop staat, waarbij verschillende activiteiten nodig zijn om structuur geven aan zijn dagelijkse functioneren en/of het opbouwen/vergroten van een sociaal netwerk; f.

laagdrempelige ontmoetingsvoorzieningen, waarin vrijwilligers en medewerkers meer ondersteuning kunnen bieden aan inwoners, zodat deze gewoon mee kunnen doen;

25

g. de beperkingen van de inwoner begeleiding door een professional vragen, begeleiding aanbieden door alleen vrijwilligers is niet afdoende; 3. Een inwoner komt in aanmerking voor vervoer van en naar de begeleiding groep als: a. de inwoner een maatwerkvoorziening heeft op grond van lid 1 of 2; b. de inwoner niet op eigen kracht of met behulp van zijn netwerk op de locatie van begeleiding groep kan komen, en; c. de inwoner een maatwerkvoorziening heeft naar de dichtstbijzijnde adequate begeleiding groepslocatie. 4. Het is niet toegestaan een overeenkomst af te sluiten met een aanbieder dan wel een derde (in geval van een pgb) waarin het bieden van de geïndiceerde ondersteuning mede afhankelijk is van de woonruimte die door de organisatie dan wel derde wordt geboden, tenzij het verblijf onderdeel is van de indicatie. 5. Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet verstrekt het college geen begeleiding groep voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt.

26

Artikel 14 aanvullende criteria beschermd wonen en Artikel 6.5 Aanvullende criteria beschermd wonen en maatschappelijke opvang maatschappelijke opvang 1. In aanvulling op criteria uit de artikelen 11, 12 en 13 kan een 1. In aanvulling op de criteria uit de artikelen 6.1 en 6.2 kan een inwoner alsmede eventuele kinderen van deze inwoner in inwoner en ook eventuele kinderen van deze inwoner in aanmerking komen voor opvang als hij eveneens voldoet aan de aanmerking komen voor maatschappelijke opvang als gevolg volgende criteria: van feitelijk of residentieel dakloos zijn en niet in staat zijn zich a. hij feitelijk of residentieel dakloos is en niet in staat is zich op op eigen kracht te handhaven in de samenleving als: eigen kracht te handhaven in de samenleving; en a. De inwoner de situatie van feitelijk of residentieel b.

hij de situatie van feitelijk of residentieel dakloosheid niet op dakloosheid niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg dan wel met mantelzorg dan wel met gebruikmaking van algemene met gebruikmaking van algemene voorzieningen of andere voorzieningen of andere maatwerkvoorzieningen gericht op maatwerkvoorzieningen gericht op het bevorderen van de het bevorderen van de participatie en zelfredzaamheid in participatie en zelfredzaamheid in voldoende mate kan voldoende mate kan verminderen of wegnemen, en; verminderen of wegnemen; en b. Opvang een passende, noodzakelijke en tijdelijke bijdrage c.

opvang een passende, noodzakelijke en tijdelijke bijdrage levert aan het voorkomen van dakloosheid, het levert aan het voorkomen van dakloosheid, het psychosociaal psychosociaal functioneren, voorkomen van verwaarlozing functioneren, voorkomen van verwaarlozing of of maatschappelijke overlast en/of het afwenden van maatschappelijke overlast en/of het afwenden van gevaar gevaar voor de inwoner of anderen en de behoefte van de voor de inwoner of anderen en de behoefte van de inwoner inwoner met als doel het realiseren van een situatie waarin met als doel het realiseren van een situatie waarin de inwoner de inwoner in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. kracht te handhaven in de samenleving. 2. In aanvulling op de criteria uit de artikelen 11, 12 en 13 kan een 2. In aanvulling op de criteria uit de artikelen 6.1 en 6.2 kan een inwoner alsmede eventuele kinderen van deze inwoner in inwoner en ook eventuele kinderen van deze inwoner in aanmerking komen voor opvang als hij eveneens voldoet aan de aanmerking komen voor maatschappelijke opvang als gevolg van volgende criteria: verlaten van de thuissituatie om veiligheidsredenen door huislijk a.

deze de thuissituatie heeft verlaten, vanwege risico’s voor de geweld als: veiligheid van de inwoner en/of de kinderen van deze inwoner a. De inwoner de thuissituatie heeft verlaten vanwege risico’s als gevolg van huiselijk geweld, en de inwoner niet in staat is voor de veiligheid van de inwoner en/of de kinderen van zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving; en deze inwoner als gevolg van huiselijk geweld en de inwoner

27

b. deze de opvangsituatie niet op eigen kracht, met niet in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de gebruikelijke hulp of met hulp van andere personen uit zijn samenleving, en; sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene b. De inwoner de opvangsituatie niet op eigen kracht, met voorzieningen of andere maatwerkvoorzieningen in gebruikelijke hulp of met hulp van andere personen uit zijn voldoende mate kan verminderen of wegnemen; en, sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene c. opvang een passende, noodzakelijke en tijdelijke bijdrage voorzieningen of andere maatwerkvoorzieningen in levert aan het afwenden van gevaar voor de inwoner of zijn voldoende mate kan verminderen of wegnemen, en; kinderen, voorkomen van dakloosheid, het psychosociaal c.

Opvang een passende, noodzakelijke en tijdelijke bijdrage functioneren, voorkomen van verwaarlozing of levert aan het afwenden van gevaar voor de inwoner of zijn maatschappelijke overlast en de behoefte van de inwoner kinderen, voorkomen van dakloosheid, het psychosociaal met als doel het realiseren van een situatie waarin de inwoner functioneren, voorkomen van verwaarlozing of en/of zijn kinderen in staat wordt gesteld zich zo snel maatschappelijke overlast en de behoefte van de inwoner mogelijk weer op eigen kracht en in een veilige situatie te met als doel het realiseren van een situatie waarin de handhaven in de samenleving. inwoner en/of zijn kinderen in staat wordt gesteld zich zo 3. In aanvulling op de criteria uit de artikelen 6.1 en 6.2 kan een snel mogelijk weer op eigen kracht en in een veilige situatie inwoner in aanmerking komen voor beschermd wonen als hij te handhaven in de samenleving. eveneens voldoet aan de volgende criteria: 3. In aanvulling op de criteria uit de artikelen 11, 12 en 13 kan een a. hij psychische- of psychosociale problemen heeft en niet in inwoner in aanmerking komen voor beschermd wonen op grond staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving; van de wet als: en, a. De inwoner psychische- of psychosociale problemen heeft en b.

hij de situatie van psychische of psychosociale problemen de inwoner niet in staat is zich op eigen kracht te handhaven in niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp of met hulp van de samenleving, en; andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met b. De inwoner de situatie van psychische of psychosociale gebruikmaking van algemene voorzieningen of problemen niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp of met maatwerkvoorzieningen gericht op het bevorderen van de hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met participatie en zelfredzaamheid in de thuissituatie in gebruikmaking van algemene voorzieningen of voldoende mate kan verminderen of wegnemen; en, maatwerkvoorzieningen gericht op het bevorderen van de c. beschermd wonen een passende en noodzakelijke bijdrage participatie en zelfredzaamheid in de thuissituatie in voldoende levert aan het bevorderen van de zelfredzaamheid en mate kan verminderen of wegnemen, en; participatie, het psychosociaal functioneren, stabilisatie van 28

een psychiatrisch ziektebeeld, voorkomen van maatschappelijke overlast en/of het afwenden van gevaar voor de inwoner of anderen en daarbij voorziet in het realiseren van een situatie waarin de inwoner in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

c. Beschermd wonen een passende en noodzakelijke bijdrage levert aan het bevorderen van de zelfredzaamheid en participatie, het psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, voorkomen van maatschappelijke overlast en/of het afwenden van gevaar voor de inwoner of anderen en daarbij voorziet in het realiseren van een situatie waarin de inwoner in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

29

Artikel 6.6. Aanvullende criteria woonvoorzieningen 1. In aanvulling op de criteria uit artikelen 6.1 en 6.2 kan een inwoner in aanmerking komen voor een woonvoorziening als deze gericht is op: a. het verminderen of wegnemen van de beperkingen in het normale gebruik van de woning; of b. het kunnen gebruiken van de daartoe noodzakelijke ruimte(n), in de woning waar de inwoner zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben. 2. Een woonvoorziening wordt slechts verstrekt voor de woning waar de inwoner zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben. Ook bij co-ouderschap is er sprake van één hoofdverblijfplaats. 3. In aanvulling op de criteria uit lid 1 en 2 wordt geen woonvoorziening verstrekt: a. ten behoeve van woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning. Er kan dan wel een voorziening voor verhuizing worden verstrekt. b. als het om voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten gaat, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte. Er kan dan wel een verhuiskostenvergoeding worden verstrekt; c. als de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden. d.

als de beperkingen voortkomen uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van het

Artikel 15 Aanvullende criteria woonvoorzieningen 1. In aanvulling op de criteria uit artikel 11, 12 en 13 komt een inwoner in aanmerking voor een woningaanpassing en woonvoorziening van niet-bouwkundige aard als: a. Er sprake is van een zelfstandige woning zoals bedoeld in de wet op de Huurtoeslag, en; b. De aan te passen woning in de gemeente Hardenberg staat. 2. In aanvulling op de criteria uit artikel 11, 12 en 13 wordt geen woonvoorziening verstrekt: a. Als de inwoner zijn hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen; b. Ten behoeve van woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning. Er kan dan wel een voorziening voor verhuizing worden verstrekt; c. Als het om voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten gaat, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte. Er kan dan wel een verhuiskostenvergoeding worden verstrekt. Voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten van doelgroepengebouwen zijn hiervan uitgezonderd en worden niet verstrekt; d. Als de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden;

30

onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen. e. als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding was op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor de verhuizing is. f. als de inwoner niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen meest geschikte beschikbare woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is gegeven door het college; g. als het primaat van verhuizen uit artikel 6.7 van toepassing is. 4. In afwijking van lid 2 kan voor inwoners die in een Wlzinstelling wonen één woning bezoekbaar gemaakt worden in Hardenberg, als: a. de inwoner zijn hoofdverblijf heeft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg, en; b. er nog geen andere woning bezoekbaar is of zal worden gemaakt. 5. Onder het bezoekbaar maken van de woning wordt uitsluitend verstaan het bereikbaar maken van de woning, de woonkamer en het toilet. De inwoner kan maximaal €3.000 toegekend krijgen om deze aanpassingen te realiseren. 6. Het college kan nadere regels en beleidsregels vaststellen voor de verstrekking van woonvoorzieningen. 7. Het bedrag genoemd in lid 5 wordt jaarlijks geïndexeerd en opgenomen in het financieel besluit Wmo en jeugd.

e. Als de beperkingen voortkomen uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van het onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen; f. Als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding was op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor de verhuizing is; g. Als de inwoner niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen meest geschikte beschikbare woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is gegeven door het college; h. Als het primaat van verhuizen uit artikel 16 van toepassing is. 3. Voor inwoners die in een Wlz-instelling wonen kan één woning bezoekbaar gemaakt worden in Hardenberg, als: a. De inwoner zijn hoofdverblijf heeft in een instelling als bedoeld in de Wlz, en; b. Er nog geen andere woning bezoekbaar is of wordt gemaakt. 4. Onder het bezoekbaar maken van de woning wordt uitsluitend verstaan het bereikbaar maken van de woning, de woonkamer en het toilet. De inwoner kan maximaal het bedrag zoals genoemd in het Financieel besluit Wmo en Jeugd toegekend krijgen.

Lid 1 en 2 wordt verplaatst naar de beleidsregels Lid 3 wordt nieuw lid 2. 31

6.7. Aanvullende criteria woonvoorzieningen en het primaat van verhuizen 1. In aanvulling op de criteria uit artikel 6.1,6.2 en 6.6 komt een inwoner in aanmerking voor een woningaanpassing en woonvoorziening van niet-bouwkundige aard als: a. er sprake is van een zelfstandige woning zoals bedoeld in de wet op Huurtoeslag, en; b. de aan te passen woning in de gemeente Hardenberg staat, en; c. de woning naar verwachting nog minstens tien jaar in stand blijft, en; d. verhuizen niet de goedkoopst adequate voorziening is. 2. Een inwoner kan voor een woningaanpassing en voor woonvoorzieningen van niet-bouwkundige aard in aanmerking komen indien hulpmiddelen of losse woonvoorzieningen niet voldoende compenserend zijn, verhuizing naar een aangepaste of aanpasbare woning niet te realiseren is, niet de goedkoopst adequate oplossing is of uit maatschappelijk oogpunt onaanvaardbaar is. 3. Verhuizing naar een aangepaste of aanpasbare woning heeft geen voorrang, indien de som van de kosten van het aanpassen van die woning en het treffen van een woonvoorziening van nietbouwkundige aard aan die woning minder bedraagt dan het jaarlijks door het college vast te stellen bedrag, opgenomen in het financieel besluit Wmo en jeugd.

Lid 4 wordt nieuw lid 3 en is herschreven. Lid 5 wordt nieuw lid 4. Er wordt geen bedrag meer genoemd maar verwezen naar het financieel besluit waarin dit bedrag is vastgelegd. Lid 6 en 7 kunnen vervallen Artikel 16 primaat van verhuizen 1. Verhuizen naar een aangepaste of aanpasbare woning heeft voorrang, als de som van de kosten van het aanpassen van de woning en het treffen van een woonvoorziening van niet-bouwkundige aard aan die woning, meer bedraagt dan het jaarlijks door het college vast te stellen bedrag, opgenomen in het Financieel Besluit Wmo en Jeugd; 2. Als verhuizen de goedkoopste adequate oplossing biedt, verstrekt het college een verhuiskostenvergoeding zoals opgenomen in het Financieel Besluit Wmo en Jeugd; 3. Dit bedrag kan jaarlijks worden geïndexeerd.

Lid 1 en 2 kunnen vervallen omdat deze aspecten al eerder meegenomen worden. Lid 3 wordt nieuw lid 1 Lid 4 wordt nieuw lid 2. Er wordt geen bedrag meer genoemd maar verwezen naar het financieel besluit waarin dit bedrag is vastgelegd. Lid 5 wordt nieuw lid 4. Er wordt bovendien een ‘kan’ bepaling van gemaakt.

32

4. Indien verhuizen de goedkoopste adequate oplossing biedt, verstrekt het college een verhuiskostenvergoeding van maximaal € 3.000,-. 5. Het bedrag genoemd in lid 4 wordt jaarlijks geïndexeerd en opgenomen in het financieel besluit Wmo en jeugd.

33

Artikel 17 Aanvullende criteria vervoershulpmiddel en Artikel 6.8. Aanvullende criteria vervoershulpmiddel en vervoersvoorziening vervoersvoorziening 1. In aanvulling op criteria uit de artikelen 11, 12 en 13 kan 1. in aanvulling op de criteria uit artikel 6.1 en 6.2 kan een inwoner een inwoner voor collectief vervoer in aanmerking komen een vervoersvoorziening krijgen om: als hij zich door aantoonbare beperkingen als gevolg van a. winkels binnen zijn leefomgeving te kunnen bereiken; ziekte of gebrek, inclusief een chronische, psychische en/of b. sociale contacten te kunnen onderhouden; psychosociaal probleem, niet lokaal kan verplaatsen en c. te kunnen deelnemen aan activiteiten, al dan niet in de vorm geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer of van van een algemene voorziening, binnen zijn leefomgeving. algemeen gebruikelijke vervoersmiddelen en hierdoor een d. de dagelijkse noodzakelijke verplaatsingen in en rondom de participatie probleem ervaart. Inwoner ontvangt bij woning te kunnen doen. toekenning van deze voorziening een Wmo-vervoerspas. 2. Om de resultaten als bedoeld in het vorige lid onder a, b en c te 2. Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt alleen bereiken, worden verplaatsingen mogelijk gemaakt tot 1.500 rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe kilometer per jaar. woon- en leefomgeving met een maximum van 1.500 3.

In aanvulling op criteria uit de artikelen 6.1 en 6.2, kan een kilometer op jaarbasis. inwoner voor collectief vervoer ‘Mijn Taxi op Maat’ in 3. Buiten de 25 kilometergrens gemeten van het woonadres, aanmerking komen als hij zich door aantoonbare beperkingen als kunnen inwoners gebruik maken van Valys. gevolg van ziekte of gebrek, inclusief een chronische, psychische 4. Als het collectief vervoer niet passend is en het gebruik van en/of psychosociaal probleem, niet lokaal kan verplaatsen en de eigen auto of taxi voor inwoner (medisch)noodzakelijk is geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer of van voor het zich verplaatsen in de leefomgeving, en dit algemeen gebruikelijke vervoersmiddelen zoals een fiets of auto aantoonbaar leidt tot meerkosten ten opzichte van de als zonder aanpassingen en hierdoor een participatieprobleem algemeen gebruikelijk te beschouwen kosten, kan een ervaart. Inwoner ontvangt bij toekenning van deze voorziening voorziening verstrekt worden voor het gebruik van de eigen een Wmo-vervoerpas. auto in de vorm van een financiële tegemoetkoming. De 4. Een inwoner kan in aanmerking komen voor een individuele hoogte van de tegemoetkoming is maximaal 1.500 km x vervoersvoorziening als deze langdurig noodzakelijk is en het kilometerprijs voor variabele kosten middenklasse auto uit collectief vervoer niet afdoende is. de geldende ‘Prijzengids Nibud’.

Dit bedrag wordt jaarlijks 5. Voor het collectief vervoer gelden eveneens de volgende vastgelegd in het Financieel Besluit Wmo en Jeugd. uitgangspunten: 5. Voor zover de vervoersbehoeften van gezinsleden a. Het maatwerkvervoer wordt ingezet ter bevordering van de (gehuwden, samenwonende partners, ouder en minderjarig participatie binnen de samenleving. 34

b. Er wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte uitsluitend rekening gehouden met verplaatsingen in het kader van het leven van alledag, die zich binnen 25 kilometer vanaf het woonadres afspelen, tenzij er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden, die een grotere vervoersbehoefte aannemelijk maken. c. Inwoners krijgen een kilometerbudget van 1500 kilometer per jaar. Indien blijkt dat het kilometerbudget van 1500 kilometer per jaar niet voldoende toereikend is, kan het kilometerbudget verhoogd worden mits onderbouwd wordt waarom deze ophoging noodzakelijk is. d. Inwoners betalen voor het maatwerkvervoer een reizigersbijdrage die afhankelijk is van het type rit en de lengte van een rit; de tarieven zijn opgenomen in artikel 8.2 van de Verordening. e. Op verzoek van de inwoner mag een sociale begeleider meereizen. De sociaal begeleider kan familie, een vriend of kennis zijn. De sociaal begeleider betaalt dezelfde reizigersbijdrage als de inwoner. f. Indien noodzakelijk kan een medisch begeleider meereizen. Het college geeft hiervoor een indicatie medische begeleiding af. De medisch begeleider biedt zorg en ondersteuning die de chauffeur niet kan bieden tijdens de rit en hoeft geen reizigersbijdrage te betalen. Er mag dan niet zonder medische begeleider gereisd worden. 6. Buiten de 25 kilometergrens gemeten vanaf het woonadres, kunnen inwoners gebruik maken van Valys.

7. Als het collectieve vervoer niet passend is en het gebruik van de eigen auto of taxi voor inwoner noodzakelijk is voor het zich verplaatsen in de leefomgeving, en dit aantoonbaar leidt tot

kind of twee inwonende kinderen) niet samenvallen, wordt in totaal niet meer dan anderhalf maal een enkele voorziening toegekend, als bedoeld in lid 4 van dit artikel.

Lid 1 kan vervallen. Lid 2 wordt nieuw lid 2 en is taalkundig aangepast. Lid 3 wordt nieuw lid 1. Lid 4 kan vervallen. Lid 5 wordt opgenomen in de beleidsregels. Lid 6 wordt nieuw lid 3. Lid 7 wordt nieuw lid 4. Lid 8 wordt nieuw lid 5. Lid 9 kan vervallen.

35

meerkosten ten opzichte van de als algemeen gebruikelijk te beschouwen kosten, kan een voorziening verstrekt worden voor het gebruik van de eigen auto in de vorm van een financiële tegemoetkoming. De hoogte van deze tegemoetkoming is maximaal 2000 km x kilometerprijs alleen variabele kosten middenklasse uit de geldende Prijzengids Nibud. Dit bedrag wordt jaarlijks vastgelegd in het financieel besluit Wmo en Jeugd. 8. Voor zover de vervoersbehoeften van gezinsleden (gehuwden, samenwonende partners, ouder en minderjarig kind of twee inwonende kinderen) niet samenvallen, wordt in totaal niet meer dan anderhalf maal een enkele voorziening toegekend, als bedoeld in lid 7 van dit artikel. 9. Het college kan nadere regels en beleidsregels vaststellen over vervoersvoorzieningen. Artikel 6.9. Aanvullende criteria voor rolstoelvoorzieningen 1. In aanvulling op de criteria uit de artikelen 6.1 en 6.2 kan een inwoner in aanmerking komen voor een rolstoelvoorziening als wegens aantoonbare beperkingen het voor hem noodzakelijk is om zich regelmatig in of om de woning zittend te verplaatsen. 2. Het college kan nadere regels en beleidsregels vaststellen over rolstoelvoorzieningen. Artikel 6.10. Aanvullende criteria voor sportvoorzieningen 1.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16219796/2