CConstaterende datHardenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

Gewijzigde versie - Bijlage 2 Verordening maatschappelijke ondersteuning 2026

gemeenteraad 16 december 2025, gemeente HardenbergBij agendapunt: Vaststellen Verordeningen maatschappelijke ondersteuning 2026 en jeugdhulp 202613.520 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE HARDENBERG 2026

De raad van de gemeente Hardenberg, gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 11 november 2025, zaaknummer 1115566;

gelet op de artikelen 2.1.3, artikel 2.1.4 eerste, tweede, derde, vierde en zesde lid en

artikel 2.1.4a eerste, tweede, derde, vijfde en zesde lid, 2.1.4b tweede lid, 2.1.5 eerste lid, 2.1.6,

2.1.7, 2.3.6 vierde lid en 2.6.6 eerste lid van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; gelezen het advies van de Participatieraad Hardenberg van 14 oktober 2025; overwegende dat: •

het noodzakelijk is om inwoners te ondersteunen als zij beperkingen ondervinden in hun maatschappelijke participatie en zelfredzaamheid en zij niet in staat zijn om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp van het sociale netwerk of met gebruikmaking van algemene voorzieningen hiervoor een oplossing te vinden;

•

het noodzakelijk is om inwoners met psychische of psychosociale problemen en inwoners

die vanwege huiselijk geweld of om andere redenen de thuissituatie hebben verlaten, te ondersteunen bij het zich handhaven in de samenleving als zij hier niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp van het sociale netwerk of met gebruikmaking van algemene voorzieningen toe in staat zijn;

•

het noodzakelijk is om bij verordening regels te stellen over de invulling van de plicht tot ondersteuning;

Besluit: vast te stellen de ‘Verordening maatschappelijke ondersteuning Hardenberg 2026’.

1

Hoofdstuk 1: Begrippen Artikel 1 Begripsbepalingen

1. In deze verordening wordt verstaan onder:

•

algemeen gebruikelijke voorzieningen: een voorziening die:

o niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; o daadwerkelijk beschikbaar is;

o een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner in staat is tot zelfredzaamheid en participatie, en;

•

o financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau.

algemene voorziening: het aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder

voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning. •

andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

•

beleidsregels: beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Hardenberg 2026;

•

bewuste keuzegesprek: gesprek om te beoordelen of de inwoner, of zijn pgbbeheerder, een persoonsgebonden budget (pgb) kan beheren;

•

budgethouder: de inwoner die een persoonsgebonden budget ontvangt op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 of zijn pgb-beheerder;

• •

college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hardenberg; eigen bijdrage: financiële bijdrage van de inwoner als bedoeld in artikel 2.1.4 en

artikel 2.1.4a van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; •

eigen kracht: het vermogen van de inwoner om zelf tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie of tot een oplossing voor zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang te komen;

•

financiële tegemoetkoming: voor een specifiek doel te verstrekken bedrag zonder dat dit (geheel) kostendekkend hoeft te zijn;

•

fraude: het opzettelijk en structureel onjuist handelen, en daarmee handelen in strijd met de geldende regelgeving, met het oog op eigen of andermans financieel gewin;

•

gesprek: het mondelinge contact bij het onderzoek naar de hulpvraag waarin een

deskundige met een inwoner zijn problematiek en de gevolgen daarvan, evenals de

gewenste resultaten of doelen van de te kiezen oplossingen, bespreekt; •

hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de persoon met beperkingen zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en waar hij in de

basisregistratie persoonsgegevens (brp) staat ingeschreven; •

hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2. lid 1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

2

•

informele ondersteuning/ondersteuner: zorg of ondersteuning die wordt gegeven door mensen die dat niet in het kader van hun beroep, maar als onderdeel van het sociaal netwerk van de inwoner verrichten;

•

inwoner: persoon zoals bedoeld in artikel 1.1.1 onder ‘cliënt’ van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

•

melding: kenbaar maken van de hulpvraag aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2

eerste lid van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; •

nadere regels: nadere regels Wmo Hardenberg zoals bijvoorbeeld het jaarlijks Financieel Besluit;

•

ondersteuningsplan: het plan dat Samen Doen in samenspraak met de inwoner dan wel zijn vertegenwoordiger, en waar mogelijk met de mantelzorger(s), opstelt met betrekking tot de benodigde zorg en ondersteuning;

•

persoonlijk plan: plan waarin de inwoner een voorstel doet over welke

maatschappelijke ondersteuning naar eigen mening het beste past bij zijn ondersteuningsbehoefte; •

pgb: persoonsgebonden budget zoals bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

•

pgb-aanbieder: Van een professionele ondersteuner/aanbieder is sprake als

ondersteuning verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van het sociale netwerk van de inwoner:

o personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister

(volgens artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over een VOG en afgeronde en voor de ondersteuning relevante opleidingen/diploma’s, zoals

genoemd in bijlage 1, die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of;

o personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel (zzp). Daarnaast

moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (volgens artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over een VOG en afgeronde en voor de ondersteuning

relevante opleidingen/diploma’s, zoals genoemd in bijlage 1, die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.

•

pgb-budgetplan: een door de inwoner opgesteld inhoudelijk plan met kostenoverzicht en doelen, waarin uitgelegd wordt op welke wijze het persoonsgebonden budget besteed wordt;

•

Samen Doen:

Samen Doen BV is de organisatie die in opdracht van de gemeente Hardenberg

verantwoordelijk is voor de toegang tot Wmo en jeugdhulp en als wijkteam integrale ondersteuning biedt aan de inwoners. Samen Doen helpt inwoners met vragen over wonen, welzijn, opvoeden, inkomen, schulden en veiligheid.

3

•

toezichthouder: een door het college aangewezen persoon of partij die, op grond

van de bevoegdheden uit hoofdstuk 6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 toezicht uitoefent op naleving van de kwaliteits-, veiligheids-, en

rechtmatigheidseisen van de dienstverlening die valt binnen de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; • •

uitvoeringsbesluit: uitvoeringsbesluit Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; vertegenwoordiger: iemand uit het sociale netwerk of professional zoals een bewindvoerder, mentor of curator die de inwoner bijstaat;

•

VOG: Verklaring Omtrent het Gedrag. Deze mag bij aanvang werkzaamheden door gecontracteerde of pgb-aanbieder niet ouder zijn dan drie maanden;

•

voorliggende voorziening: algemene voorziening of andere voorziening waarmee

geheel of gedeeltelijk aan de hulpvraag wordt tegemoetgekomen en waardoor een maatwerkvoorziening achterwege kan blijven;

• • •

wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; wlz: Wet langdurige zorg;

woonvoorziening: Een voorziening die de inwoner in staat stelt om normaal gebruik te (blijven) maken van zijn woning;

•

zin: zorg in natura.

2. Alle begrippen die in deze Verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en de Algemene wet bestuursrecht.

4

Hoofdstuk 2: Melding Artikel 2 Melding 1. Een hulpvraag kan door of namens de inwoner telefonisch, mondeling, schriftelijk of digitaal bij het college worden gemeld.

2. Het college bevestigt de ontvangst van de melding schriftelijk en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek.

3. Bij de ontvangst van de melding informeert het college de inwoner of zijn

vertegenwoordiger over de gang van zaken bij het gesprek, zijn rechten en plichten en de vervolgprocedure.

Artikel 3 Cliëntondersteuning 1. Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van kosteloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de inwoner het uitgangspunt is.

2. Het college wijst de inwoner dan wel zijn vertegenwoordiger en zijn mantelzorger

voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2 eerste lid van de wet, op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.

Artikel 4 Persoonlijk plan 1. Het college informeert de inwoner over de mogelijkheid tot het indienen van een persoonlijk plan zoals bedoeld in artikel 2.3.2 tweede lid van de wet en stelt hem

gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen.

2. Het college betrekt het persoonlijk plan bij het onderzoek zoals bedoeld in artikel 2.3.2 eerste lid van de wet.

Artikel 5 Informatie en identificatie 1. De inwoner geeft het college, als er om wordt gevraagd, de gegevens en informatie die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

2. Bij het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2 eerste lid van de wet, stelt het college de identiteit vast aan de hand van een geldig identiteitsbewijs.

5

Hoofdstuk 3: Onderzoek en opstellen ondersteuningsplan Artikel 6 Onderzoek 1. Een gesprek dat Samen Doen doet namens het college, maakt deel uit van het

onderzoek. Het gesprek wordt gevoerd met de inwoner en/of zijn vertegenwoordiger, voor zover mogelijk zijn mantelzorger en voor zover nodig andere personen.

2. De volgende factoren maken in ieder geval deel uit van het onderzoek en vormen de basis van het gesprek:

a. wat de hulpvraag is van de inwoner;

b. welke beperkingen worden ervaren bij het dagelijks functioneren en participeren? De behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de inwoner;

c. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp van huisgenoten of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

d. de mogelijkheid om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

e. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de f.

inwoner;

de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of de mogelijkheden om met

gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

g. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en

zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied

van publieke gezondheid, (verlengde) jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met

het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang;

h. welke hulp nodig is in vorm, duur en frequentie; i.

welke bijdragen in de kosten de inwoner met de toepassing van artikel 2.1.4 en 2.1.4a van de wet verschuldigd is.

3. Tijdens het gesprek wordt aan de inwoner in begrijpelijke bewoordingen

medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor zin of pgb en wat de

gevolgen van die keuze zijn.

4. Kiest een inwoner voor een pgb, dan volgt een bewuste keuzegesprek waarin

gekeken wordt of er aan de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 18 van deze

verordening wordt voldaan.

5. Het college informeert de inwoner over de mogelijkheid om een aanvraag als bedoeld in artikel 8 van deze verordening in te dienen.

6

6. Als dat nodig is voor het onderzoek, kan het college de inwoner, zijn mantelzorger of bij gebruikelijke hulp zijn huisgenoten, oproepen voor een gesprek of een (her)onderzoek door een daartoe aangewezen deskundige.

7. Als dit nodig is voor het onderzoek, kan het college een door hem daartoe

aangewezen onafhankelijke adviesinstantie om advies vragen. De adviseur moet, afhankelijk van de vereisten van het onderzoek, aantoonbaar beschikken over: a. sociaal medische kennis op het niveau van een arts; b. ergonomische kennis;

c. bouwkundige/technische kennis;

d. gedragswetenschappelijke kennis.

8. Als de hulpvraag en de situatie van de inwoner voldoende bekend is, kan het college, met toestemming van de inwoner, afzien van onderzoek.

Artikel 7 Het ondersteuningsplan 1.

2. 3. 4. 5.

De schriftelijke weergave van de uitkomst van het onderzoek wordt opgenomen in

het ondersteuningsplan. Het beschrijft de ondersteuning die de inwoner nodig heeft en daarin concreet wat het te behalen resultaat of doel is met deze ondersteuning. Na het laatste gesprek verstrekt het college het ondersteuningsplan zo spoedig mogelijk aan de inwoner.

Opmerkingen of latere aanvullingen van de inwoner worden binnen een redelijke termijn aan het schriftelijke verslag toegevoegd en maken daar deel van uit. De inwoner ondertekent het verslag voor gezien of akkoord en stuurt een ondertekend exemplaar naar het college.

Als het ondersteuningsplan niet binnen zes weken wordt geretourneerd, kan het college beslissen de melding niet verder in behandeling te nemen.

7

Hoofdstuk 4: Aanvraag, besluit en beschikking Artikel 8 Aanvraag maatwerkvoorziening 1.

2. 3.

Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening wordt door of namens een inwoner

schriftelijk of digitaal ingediend bij het college of Samen Doen nadat het onderzoek is

uitgevoerd.

Wanneer het onderzoek niet binnen zes weken na de melding is uitgevoerd, kan de inwoner een aanvraag indienen.

De inwoner kan een aanvraag voor een maatwerkvoorziening doen door zijn

ondersteuningsplan voor gezien of akkoord te ondertekenen en deze in te dienen.

Artikel 9 Besluit 1.

Het college legt het besluit op een aanvraag maatwerkvoorziening vast in een

2.

De inwoner moet zich, indien van toepassing, binnen 3 maanden na de besluitdatum

beschikking.

hebben gemeld bij de aanbieder van de maatwerkvoorziening of het pgb, dan wel de financiële tegemoetkoming, binnen 3 maanden gebruiken voor het doel of resultaat waarvoor het is verstrekt.

Artikel 10 Inhoud beschikking 1.

2.

3.

In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening staat in ieder geval

of deze voorziening in natura, als pgb of als financiële tegemoetkoming wordt verstrekt.

Het ondersteuningsplan maakt deel uit van de beschikking;

Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van zin, vermeldt de beschikking in ieder geval: a.

welke maatwerkvoorziening wordt verstrekt, wat de omvang en het beoogde

b.

de ingangsdatum en duur van de verstrekking;

c.

d. e. 4.

resultaat of doel daarvan is en door wie de hulp wordt gegeven;

of een bijdrage in de kosten is verschuldigd en de daarbij door het college

gehanteerde uitgangspunten, zoals bijvoorbeeld de kostprijs van de voorziening;

wanneer van toepassing, of de maatwerkvoorziening in bruikleen of in eigendom wordt verstrekt;

wanneer van toepassing, de termijn van 3 maanden waarbinnen de inwoner zich bij de aanbieder moet hebben gemeld als bedoeld in artikel 9 lid 2.

Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb vermeldt de beschikking in ieder geval: a.

aan welk resultaat of doel dit moet worden besteed; 8

b.

c.

wat de hoogte is van het pgb en hoe deze is bepaald;

e.

of een bijdrage in de kosten is verschuldigd en de daarbij door het college

d.

f.

g. 5.

welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;

de ingangsdatum en duur van de verstrekking;

gehanteerde uitgangspunten, zoals bijvoorbeeld de kostprijs van de voorziening; hoe de besteding van het pgb verantwoord moet worden;

de termijn van drie maanden waarbinnen de inwoner het pgb moet besteden als bedoeld in artikel 9 lid 2.

Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming vermeldt de beschikking in ieder geval:

a.

voor welk resultaat of doel deze tegemoetkoming wordt gegeven;

b.

wanneer en hoe vaak de tegemoetkoming wordt betaald;

d.

of een bijdrage in de kosten is verschuldigd en de daarbij door het college

c.

e.

welke voorwaarden en verplichtingen er gelden;

gehanteerde uitgangspunten, zoals bijvoorbeeld de kostprijs van de voorziening;

wanneer van toepassing, de termijn van drie maanden waarbinnen de inwoner de

financiële tegemoetkoming moet gebruiken als bedoeld in artikel 9 lid 2.

9

Hoofdstuk 5: Maatwerkvoorzieningen Artikel 11 Algemene criteria 1.

Het college neemt het ondersteuningsplan als uitgangspunt voor de beoordeling van

2.

Een inwoner komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van

de aanvraag om een maatwerkvoorziening.

de beperkingen in zijn zelfredzaamheid en participatie, als de inwoner de beperkingen niet kan verminderen of wegnemen door gebruik te maken van:

a. eigen kracht en/of;

b. gebruikelijke hulp van huisgenoten en/of; c. mantelzorg en/of;

d. hulp van andere personen uit het sociale netwerk en/of;

e. algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of;

f. algemene voorzieningen en/of; 3.

g. andere voorzieningen.

Een inwoner met psychische of psychosociale problemen en een inwoner die vanwege huiselijk geweld of om een andere reden de thuissituatie heeft verlaten, komt in

aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving, als de inwoner de problemen niet kan verminderen of wegnemen door gebruik te maken van: a. eigen kracht en/of;

b. gebruikelijke hulp van huisgenoten en/of; c. mantelzorg en/of;

d. hulp van andere personen uit het sociale netwerk en/of;

e. algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of; f. algemene voorzieningen en/of; g. andere voorzieningen.

Artikel 12 Afwegingscriteria eigen kracht, gebruikelijke hulp en sociaal netwerk 1. Onder eigen kracht wordt verstaan: het vermogen van de inwoner om, al dan niet met hulp van algemene voorzieningen of voorliggende voorzieningen, op eigen initiatief en verantwoordelijkheid een oplossing te vinden voor zijn ondersteuningsbehoefte.

2. Onder gebruikelijke hulp wordt verstaan: hulp die naar algemeen aanvaarde

opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de huisgenoten van een inwoner.

3. Bij de beoordeling of sprake is van gebruikelijke hulp houdt het college in ieder geval rekening met de volgende factoren:

a. de samenstelling van de leefeenheid van de inwoner en zijn huisgenoot of huisgenoten;

10

b.

de aard van de relatie tussen de inwoner en de huisgenoot of huisgenoten;

d.

de aard, omvang en complexiteit van de hulpvraag;

c.

e. f.

de leeftijd, gezondheid en belastbaarheid van de huisgenoot of huisgenoten;

de aanwezigheid van andere zorgtaken binnen het huishouden;

de beschikbaarheid en de praktische, lichamelijke en geestelijke mogelijkheden

van de huisgenoot of de huisgenoten voor het ondersteunen van de inwoner bij zijn zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de

g.

h.

i.

samenleving;

de duur van de benodigde ondersteuning;

de mate waarin en de wijze waarop de inwoner voorafgaand aan de melding is ondersteund door zijn huisgenoot of huisgenoten op het terrein van

zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving;

overige relevante omstandigheden van de huisgenoot of huisgenoten van de inwoner die redelijkerwijs van invloed kunnen zijn op de mogelijkheid om de

inwoner hulp te bieden op het terrein van zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving.

4. Bij het bepalen of gebruikelijke hulp aanwezig is, wordt de feitelijke situatie

beoordeeld en wordt rekening gehouden met de draagkracht van de huisgenoot of huisgenoten.

5. Onder hulp vanuit het sociale netwerk wordt verstaan: hulp die, gelet op de relatie

tussen betrokkene en degene die hulp zou kunnen verlenen, in redelijkheid en zonder overbelasting mag worden verwacht.

6. Het college motiveert in het besluit op basis van deze criteria waarom hulp uit eigen kracht, gebruikelijke hulp of het sociale netwerk al dan niet toereikend is geacht.

Artikel 13 Voorwaarden en weigeringsgronden 1.

Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst

2.

De maatwerkvoorziening wordt slechts verstrekt als deze gezien de beperkingen van

3.

compenserende voorziening.

de inwoner veilig voor zichzelf en zijn omgeving is, geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengt en niet anti-revaliderend werkt.

Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening:

a. als de inwoner geen hoofdverblijf heeft in de gemeente Hardenberg;

b. als voor de problematiek die aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat;

c. als de gevraagde voorziening al eerder aan de inwoner is verstrekt op grond van enige wettelijke bepaling en de normale afschrijvingstermijn van die voorziening nog niet is verstreken. Tenzij de voorziening verloren is gegaan door

omstandigheden die niet aan de inwoner zijn toe te rekenen of de inwoner de 11

restwaarde van de voorziening die verloren is gegaan geheel of gedeeltelijk vergoedt;

d. als deze niet hoofdzakelijk op het individu is gericht;

e. als deze niet langdurig noodzakelijk is, tenzij het gaat om huishoudelijke hulp of begeleiding;

f. de te treffen voorziening niet proportioneel en doeltreffend is. De met de voorziening gepaard gaande kosten dienen in verhouding te staan tot de ondervonden beperkingen en het bereiken doel of resultaat;

g. als de voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de inwoner rekening had gehouden met bestaande en bekende beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan;

h. als de inwoner een indicatie heeft voor zorg met verblijf op grond van de Wlz of er

redenen zijn om aan te nemen dat de inwoner daarvoor in aanmerking komt, maar weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit hierover, tenzij artikel 8.6a van de wet van toepassing is;

i. als de inwoner de gevraagde voorziening voor de melding heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij er naar het oordeel van het college sprake is van een acute noodsituatie waardoor het voor de inwoner dringend noodzakelijk was de voorziening te treffen;

j. als de inwoner de gevraagde voorziening na de melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk

toestemming heeft gegeven of de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen;

k. als de hulpvraag redelijkerwijs kan worden opgelost met inzet van eigen kracht, zoals bedoeld in artikel 12 van deze verordening;

l. als de hulpvraag redelijkerwijs kan worden opgelost met gebruikelijke hulp van een huisgenoot, zoals bedoeld in artikel 12 van deze verordening; m. als de hulpvraag redelijkerwijs kan worden opgelost met inzet van personen uit het sociale netwerk, zoals bedoeld in artikel 12 van deze verordening;

n. het college motiveert in de beschikking op welke gronden een

maatwerkvoorziening wel of niet wordt verstrekt, en betrekt daarbij de criteria zoals opgenomen in artikel 12;

o. als een maatwerkvoorziening wordt afgewezen omdat een algemene voorziening beschikbaar is, motiveert het college in de beschikking waarom deze algemene

voorziening in het individuele geval van de inwoner toereikend en passend wordt geacht.

Artikel 14 Aanvullende criteria beschermd wonen en maatschappelijke opvang 1.

In aanvulling op criteria uit de artikelen 11, 12 en 13 kan een inwoner en ook

eventuele kinderen van deze inwoner in aanmerking komen voor maatschappelijke 12

opvang als gevolg van feitelijk of residentieel dakloos zijn en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving als: a.

de inwoner de situatie van feitelijk of residentieel dakloosheid niet op eigen

kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen of andere maatwerkvoorzieningen gericht op het

bevorderen van de participatie en zelfredzaamheid in voldoende mate kan b.

verminderen of wegnemen, en;

opvang een passende, noodzakelijke en tijdelijke bijdrage levert aan het

voorkomen van dakloosheid, het psychosociaal functioneren, voorkomen van

verwaarlozing of maatschappelijke overlast en/of het afwenden van gevaar voor

de inwoner of anderen en de behoefte van de inwoner met als doel het realiseren van een situatie waarin de inwoner in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk 2.

weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

In aanvulling op de criteria uit de artikelen 11, 12 en 13 kan een inwoner en ook

eventuele kinderen van deze inwoner in aanmerking komen voor maatschappelijke opvang als gevolg van verlaten van de thuissituatie om veiligheidsredenen door huislijk geweld als:

a. de inwoner de thuissituatie heeft verlaten vanwege risico’s voor de veiligheid van

de inwoner en/of de kinderen van deze inwoner als gevolg van huiselijk geweld en de inwoner niet in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving, en;

b. de inwoner de opvangsituatie niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp of met

hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van

algemene voorzieningen of andere maatwerkvoorzieningen in voldoende mate kan verminderen of wegnemen, en;

c. opvang een passende, noodzakelijke en tijdelijke bijdrage levert aan het afwenden van gevaar voor de inwoner of zijn kinderen, voorkomen van dakloosheid, het

psychosociaal functioneren, voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke

overlast en de behoefte van de inwoner met als doel het realiseren van een situatie waarin de inwoner en/of zijn kinderen in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk 3.

weer op eigen kracht en in een veilige situatie te handhaven in de samenleving.

In aanvulling op de criteria uit de artikelen 11, 12 en 13 kan een inwoner in aanmerking komen voor beschermd wonen op grond van de wet als:

a. de inwoner psychische- of psychosociale problemen heeft en de inwoner niet in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving, en;

b. de inwoner de situatie van psychische of psychosociale problemen niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen of

maatwerkvoorzieningen gericht op het bevorderen van de participatie en

zelfredzaamheid in de thuissituatie in voldoende mate kan verminderen of wegnemen, en;

13

c. beschermd wonen een passende en noodzakelijke bijdrage levert aan het bevorderen van de zelfredzaamheid en participatie, het psychosociaal

functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, voorkomen van

maatschappelijke overlast en/of het afwenden van gevaar voor de inwoner of

anderen en daarbij voorziet in het realiseren van een situatie waarin de inwoner in

staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

Artikel 15 Aanvullende criteria woonvoorzieningen 1.

In aanvulling op de criteria uit artikel 11, 12 en 13 komt een inwoner in aanmerking

voor een woningaanpassing en woonvoorziening van niet-bouwkundige aard als:

a. er sprake is van een zelfstandige woning zoals bedoeld in de wet op de Huurtoeslag, en;

2.

b. de aan te passen woning in de gemeente Hardenberg staat.

In aanvulling op de criteria uit artikel 11, 12 en 13 wordt geen woonvoorziening verstrekt:

a. als de inwoner zijn hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen;

b. ten behoeve van woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning. Er kan dan wel een voorziening voor verhuizing worden verstrekt;

c. als het om voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten gaat, anders dan

automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke

toegangsdeuren, of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte. Er kan dan wel een verhuiskostenvergoeding worden verstrekt. Voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten van

doelgroepengebouwen zijn hiervan uitgezonderd en worden niet verstrekt;

d. als de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden;

e. als de beperkingen voortkomen uit de aard van de in de woning gebruikte

materialen, de slechte staat van het onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen;

f. als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding was op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor de verhuizing is;

g. als de inwoner niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen meest geschikte

beschikbare woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is gegeven door het college;

3.

h. als het primaat van verhuizen uit artikel 16 van toepassing is.

Voor inwoners die in een Wlz-instelling wonen kan één woning bezoekbaar gemaakt worden in Hardenberg, als:

14

a. de inwoner zijn hoofdverblijf heeft in een instelling als bedoeld in de Wlz, en; 4.

b. er nog geen andere woning bezoekbaar is of wordt gemaakt.

Onder het bezoekbaar maken van de woning wordt uitsluitend verstaan het

bereikbaar maken van de woning, de woonkamer en het toilet. De inwoner kan maximaal het bedrag zoals genoemd in het Financieel besluit Wmo en Jeugd toegekend krijgen.

Artikel 16 Primaat van verhuizen 1.

Verhuizen naar een aangepaste of aanpasbare woning heeft voorrang, als de som van de kosten van het aanpassen van de woning en het treffen van een woonvoorziening

van niet-bouwkundige aard aan die woning, meer bedraagt dan het jaarlijks door het college vast te stellen bedrag, opgenomen in het Financieel Besluit Wmo en Jeugd.

2.

Als verhuizen de goedkoopste adequate oplossing biedt, verstrekt het college een

3.

Dit bedrag kan jaarlijks worden geïndexeerd.

verhuiskostenvergoeding zoals opgenomen in het Financieel Besluit Wmo en Jeugd.

Artikel 17 Aanvullende criteria vervoershulpmiddel en vervoersvoorziening 1.

In aanvulling op criteria uit de artikelen 11, 12 en 13 kan een inwoner voor collectief vervoer in aanmerking komen als hij zich door aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek, inclusief een chronische, psychische en/of psychosociaal

probleem, niet lokaal kan verplaatsen en geen gebruik kan maken van het openbaar

vervoer of van algemeen gebruikelijke vervoersmiddelen en hierdoor een participatie probleem ervaart. Inwoner ontvangt bij toekenning van deze voorziening een Wmo2.

3. 4.

vervoerspas.

Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt alleen rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving met een maximum van 1.500 kilometer op jaarbasis.

Buiten de 25 kilometergrens gemeten van het woonadres, kunnen inwoners gebruik maken van Valys.

Als het collectief vervoer niet passend is en het gebruik van de eigen auto of taxi voor inwoner (medisch)noodzakelijk is voor het zich verplaatsen in de leefomgeving, en dit aantoonbaar leidt tot meerkosten ten opzichte van de als algemeen gebruikelijk te

beschouwen kosten, kan een voorziening verstrekt worden voor het gebruik van de eigen auto in de vorm van een financiële tegemoetkoming. De hoogte van de tegemoetkoming is maximaal 1.500 km x kilometerprijs voor variabele kosten

middenklasse auto uit de geldende ‘Prijzengids Nibud’. Dit bedrag wordt jaarlijks vastgelegd in het Financieel Besluit Wmo en Jeugd.

15

5. Voor zover de vervoersbehoeften van gezinsleden (gehuwden, samenwonende

partners, ouder en minderjarig kind of twee inwonende kinderen) niet samenvallen,

wordt in totaal niet meer dan anderhalf maal een enkele voorziening toegekend, als bedoeld in lid 4 van dit artikel.

16

Hoofdstuk 6: Pgb en financiële tegemoetkoming Artikel 18 Regels voor een pgb 1. Als een inwoner in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening en de

ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een pgb, toetst het college of

voldaan wordt aan de in artikel 2.3.6 tweede lid van de wet opgenomen voorwaarden. De inwoner dient daarvoor een pgb-budgetplan in. In het pgb-budgetplan is in elk

geval opgenomen:

a. hoe de inwoner zelf of met hulp van iemand uit het sociale netwerk of zijn

vertegenwoordiger de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze gaat uitvoeren;

b. wat de motivatie is om de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb te ontvangen;

c. op welke wijze de kwaliteit van de voorziening is gewaarborgd en duidelijk is dat de voorziening geschikt is voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt;

d. op welke wijze de inzet van de voorziening wordt gecontroleerd;

e. de kosten van de voorziening, uitgedrukt in aantal uren en tarief.

2. Het pgb mag niet worden besteed aan:

a. kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers;

b. kosten voor het voeren van een pgb-administratie;

c. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb; d. kosten voor een feestdagenuitkering en een éénmalige uitkering.

3. Het pgb bevat geen vrij besteedbaar deel.

4. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken om betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken geheel of gedeeltelijk op te schorten als

duidelijk is dat de inwoner het pgb in die periode anders ten onrechte kan inzetten.

Artikel 19 Uitsluitingsgronden Pgb 1. Het college kan besluiten geen Pgb te verstrekken als er sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden:

a. de inwoner of zijn Pgb-beheerder verkeert in een situatie van problematische

schulden, waardoor het risico aanwezig is dat het Pgb voor andere doeleinden wordt

aangewend;

b. er is sprake van ernstige verslavingsproblematiek die de regievoering belemmert; c. er is sprake van fraude of misbruik in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag, waaronder mede wordt verstaan fraude buiten het Pgb-domein;

d. de inwoner of zijn Pgb-beheerder heeft een aanmerkelijke verstandelijke beperking of blijvende cognitieve stoornis die verantwoord beheer onmogelijk maakt;

17

e. er is sprake van een ernstig psychiatrisch ziektebeeld dat het voeren van regie duurzaam belemmert;

f. de inwoner of zijn Pgb-beheerder beheerst de Nederlandse taal onvoldoende om de verantwoordelijkheden verbonden aan het Pgb te begrijpen en na te komen, ook niet met ondersteuning of vertegenwoordiging;

g. andere zwaarwegende feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat verantwoord beheer van het persoonsgebonden budget redelijkerwijs niet mogelijk is.

2. Als zich één van de in lid 1 genoemde omstandigheden voordoet, kan het college besluiten dat zorg in natura een meer passende voorziening is.

Artikel 20 Onderscheid formele en informele hulp 1.

Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb, wordt onderscheid gemaakt tussen

2.

Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen,

formele en informele hulp.

met uitzondering van personen uit het sociaal netwerk van de inwoner:

a. personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister

(volgens artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of;

b. personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel (zzp). Daarnaast

moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (volgens artikel 5 Handelsregisterwet

2007), beschikken over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende

3.

taken.

Informele hulp is:

a. hulp die geboden wordt door personen die niet voldoen aan de criteria als genoemd in het tweede lid;

b. hulp die wordt geboden door personen die voldoen aan de criteria als genoemd in het tweede lid, maar tot het sociaal netwerk van de inwoner horen.

Artikel 21 Hoogte van het pgb 1. De hoogte van het pgb voor een voorziening wordt maximaal vastgesteld op:

a. het bedrag van de goedkoopst compenserende voorziening in natura rekening houdend met een eventueel door de gemeente ontvangen korting bij de

leverancier waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten, zo nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering, of;

18

b. het bedrag van de kosten volgens de door het college geaccepteerde offerte als de gemeente voor de betreffende zaak geen overeenkomst heeft gesloten.

2. Het pgb voor diensten wordt vastgesteld op basis van een door het college vastgesteld tarief dat:

a. toereikend is om passende en goede ondersteuning in te kopen;

b. aansluit bij de reële kostprijs van ondersteuning in natura, met uitzondering van bepaalde specifieke kostenposten zoals risico-opslag en formele organisatieverplichtingen;

c. in overeenstemming is met de Algemene Maatregel van Bestuur inzake reële tarieven, en;

d. op transparante wijze is opgebouwd op basis van de zogeheten

kostprijselementenmethode, zoals uitgewerkt door Bureau HHM (laatstelijk geactualiseerd op 23-05-2025).

3. De kostprijselementenmethode bevat onder meer de volgende elementen: a. directe loonkosten (cao-mix, inschaling op een vast percentage van schaalmaximum, inclusief werkgeverslasten, vakantietoeslag en eindejaarsuitkering);

b. een beperkte overheadvergoeding (gemiddeld tussen 3,06% en 3,30%, afhankelijk van cao-sector);

c. correcties voor productiviteit, groepsgrootte, vakantie-uren en onregelmatigheid; d. overige kosten zoals lichte catering, reiskosten en huisvestingsopslag (indien van toepassing).

4. Er worden twee pgb-tariefsoorten onderscheiden:

a. formele/ professionele hulp: geleverd door een niet-gecontracteerde

organisatie of een zelfstandig beroepsbeoefenaar (zzp’er), die voldoen aan de

voorwaarden gesteld in artikel 20 van deze verordening. Het tarief is gebaseerd op de in lid 3 genoemde kostprijselementen;

b. informele/ niet professionele hulp: geleverd door een persoon uit het sociale netwerk van de inwoner, waarbij het tarief is gebaseerd op het wettelijk

minimumloon, vermeerderd met een opslag voor werkgeverslasten. De hoogte van deze opslag wordt jaarlijks vastgesteld door het college in het financieel

besluit, op basis van actuele landelijke cijfers en adviezen, waaronder van Per Saldo, en in lijn met jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:CRVB:2025:1380).

5. Als het op grond van de bovenstaande leden vastgesteld budget in een individueel

geval aantoonbaar onvoldoende is om de benodigde voorziening te kunnen inkopen, past het college het tarief zodanig aan dat de voorziening bij ten minste één

passende aanbieder kan worden ingekocht, met een maximum van 100% van het tarief voor gecontracteerde ondersteuning in natura.

6. De hoogte van het persoonsgebonden budget voor beschermd wonen, inclusief

dagbesteding in het kader van beschermd wonen, wordt bepaald op basis van een 19

naar aard en omvang oplopend budget. Dit bedraagt ten hoogste 100% van de maximale kostprijs van de voorziening in natura.

7. Het college stelt nadere regels vast voor de toepassing van dit artikel, waaronder een financieel besluit Wmo en Jeugd, waar per product(groep) jaarlijkse indexering

plaatsvindt op basis van het prijspeil zoals dat ook geldt voor natura-voorzieningen.

Artikel 22 Financiële tegemoetkoming 1.

Het college verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie een financiële tegemoetkoming aan personen voor: a.

éénmalige verhuis- en inrichtingskosten;

c.

kosten voor het vervoer per eigen auto, als dit vervoer niet algemeen gebruikelijk

d.

de aanschaf en instandhoudingskosten van een sportvoorziening, waaronder een

b.

het bezoekbaar maken van een woning;

is en de inwoner geen gebruik kan maken van het collectief vervoer;

sportrolstoel, die noodzakelijk is in verband de zelfredzaamheid en participatie voor een periode van minimaal drie jaar.

20

Hoofdstuk 7: Bijdrage in de kosten Artikel 23 Bijdrage voor maatwerkvoorziening 1.

2. 3.

Een inwoner is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in natura of pgb zolang hij van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende

de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt;

De bijdragen in de kosten voor de maatwerkvoorzieningen, waaronder maatschappelijke opvang, worden door het CAK vastgesteld en geïnd;

Geen bijdrage is verschuldigd voor de volgende maatwerkvoorzieningen: a. rolstoelvoorzieningen;

b. sportvoorzieningen;

c. verhuiskostenvergoeding;

d. bezoekbaar maken van de woning;

4. 5. 6.

7. 8.

Geen bijdrage is verschuldigd voor de algemene voorziening huishoudelijk hulp; De bijdrage in de kosten blijft verschuldigd als de inwoner tijdelijk geen gebruik maakt van de maatwerkvoorziening dan wel het pgb;

Is de startdatum van de ondersteuning of voorziening de eerste dag van de maand,

dan betaalt de inwoner in die maand de bijdrage in de kosten. Is de datum later in de

maand, dan betaalt de inwoner vanaf de volgende maand.

De bijdrage in de kosten stopt in de maand waarin de ondersteuning of voorziening is

gestopt.

Als een maatwerkvoorziening wordt verstrekt voor een woningaanpassing voor een minderjarige inwoner is de bijdrage in de kosten verschuldigd door: a. de onderhoudsplichtige ouders, en;

b. degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een inwoner.

Artikel 24 Hoogte bijdrage in de kosten 1.

Voor algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen (collectief vervoer,

beschermd wonen en opvang uitgezonderd) bedraagt de hoogte van de bijdrage

voor één of meerdere voorzieningen tezamen het bedrag per maand zoals genoemd in artikel 2.1.4 lid 3 en 2.1.4a lid 4 van de wet voor de ongehuwde inwoner of de

2.

gehuwde inwoner en diens echtgenoot tezamen.

Voor collectief vraagafhankelijk vervoer is een bijdrage verschuldigd voor ritten, niet zijnde vervoer naar de dagbesteding. De inwoner betaalt per rit een bijdrage

rechtstreeks aan de vervoerder. De actuele tarieven zijn opgenomen in het Financieel Besluit Wmo en Jeugd.

21

3. Voor beschermd wonen, verstrekt in de vorm van zorg in natura, wordt een eigen bijdrage berekend door het CAK op basis van inkomen, vermogen, leeftijd en samenstelling van het huishouden.

4. De hoogte van de bijdrage overstijgt niet de kostprijs van de voorziening.

5. In afwijking van de bepalingen in dit artikel kan een inwoner op grond van hoofdstuk 3 van het uitvoeringsbesluit Wmo2015 geen bijdrage verschuldigd zijn.

22

Artikel 25 Berekening kostprijs voorzieningen 1. De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura wordt vastgesteld op het bedrag

dat het college aan kosten maakt voor de levering van de desbetreffende voorziening. Hierbij worden in ieder geval de inkoopprijs, de kosten van onderhoud, verzekering, administratie en overige directe kosten meegerekend.

2. De kostprijs van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt vastgesteld op het bedrag van het toegekende pgb zoals opgenomen in de beschikking. Dit bedrag wordt gebaseerd op het ingediende pgb-budgetplan en de maximaal verantwoorde tarieven, zoals vastgesteld in de beleidsregels.

3. De kostprijs van een algemene voorziening waarop een bijdrage is verschuldigd,

wordt vastgesteld op basis van de werkelijke kosten van die voorziening voor de

gemeente, omgerekend naar een kostprijs per gebruiker of per gebruiksmoment, afhankelijk van de aard van de voorziening.

4. De kostprijs van collectief vervoer wordt vastgesteld op basis van het tarief per rit, zoals bepaald in het Financieel Besluit Wmo en Jeugd. Dit tarief wordt jaarlijks geactualiseerd.

5. De vastgestelde kostprijs vormt de maximale basis voor het berekenen van de

bijdrage in de kosten die de inwoner is verschuldigd, zoals bedoeld in artikel 2.1.4 en 2.1.4a van de wet.

6. Het college kan nadere regels stellen over de toepassing en verdere detaillering van de berekeningswijze, mits deze in overeenstemming zijn met dit artikel en het bepaalde in de wet.

23

Hoofdstuk 8: Bestrijding misbruik Artikel 26 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering 1.

Het college informeert de inwoner dan wel de budgethouder (als dit niet dezelfde persoon is), wettelijk vertegenwoordiger of degenen aan wie het pgb-beheer is

gedelegeerd, in begrijpelijke bewoording over rechten en plichten die aan het

ontvangen van een maatwerkvoorziening zijn verbonden en over de mogelijke

2.

gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.

De inwoner, dan wel de budgethouder (als dit niet dezelfde persoon is), wettelijk

vertegenwoordiger of degenen aan wie het pgb-beheer is gedelegeerd, doet melding op verzoek of uit eigen beweging aan het college van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot

3.

heroverweging van een beslissing over het recht op een voorziening.

Het college kan een beslissing herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: a.

de inwoner, dan wel de budgethouder (als dit niet dezelfde persoon is), wettelijk vertegenwoordiger of degenen aan wie het pgb-beheer is gedelegeerd, onjuiste

of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige b. c.

d. e. f. g. h.

i.

gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

de inwoner niet langer op de maatwerkvoorziening is aangewezen; de maatwerkvoorziening niet meer toereikend is te achten;

de inwoner niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening verbonden voorwaarden;

de inwoner de maatwerkvoorziening niet binnen drie maanden gebruikt of voor een ander doel gebruikt;

de inwoner de verplichtingen uit de bruikleenovereenkomst niet nakomt of deze

overeenkomst door de leverancier wordt beëindigd;

er sprake is van schending van de medewerkingsplicht;

inwoner zich niet heeft gehouden aan de voorschriften uit de bruikleenovereenkomst die hoort bij de voorziening;

de inwoner zich herhaaldelijk of ernstig misdraagt richting medewerkers van de

gemeente, gecontracteerde aanbieders of andere betrokkenen bij de uitvoering

van de maatwerkvoorziening, waardoor de levering of uitvoering daarvan ernstig 4.

wordt belemmerd.

Als het college een beslissing op grond van lid 3 onder a heeft ingetrokken en de

verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de inwoner, dan wel de budgethouder (als dit niet dezelfde persoon is), wettelijk vertegenwoordiger of

degenen aan wie het pgb-beheer is gedelegeerd, opzettelijk heeft plaatsgevonden,

kan het college van de inwoner en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb.

24

5.

Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het

pgb binnen drie maanden of 15 maanden bij een woningaanpassing, na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening

6.

heeft plaatsgevonden.

Het college kan een besluit tot toekenning van een maatwerkvoorziening herzien of intrekken als:

a. niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of op grond van de wet of de verordening;

b. blijkt dat de inwoner aan wie een pgb is toegekend niet heeft voldaan aan de verplichtingen als bedoeld in de beschikking.

7.

Het college kan een vordering op grond van ten onrechte genoten pgb verrekenen

8.

Ingeval het recht op een in eigendom of in bruikleen verstrekte voorziening is

9.

met te verstrekken pgb of een andere periodieke uitkering.

ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.

Voordat het college een beslissing neemt tot herziening of intrekking op grond van dit artikel, stelt het de inwoner in de gelegenheid zijn zienswijze kenbaar te maken, overeenkomstig artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 27 Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik van een maatwerkvoorziening 1.

2.

Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van

maatwerkvoorzieningen met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan.

Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, of: a. de inwoner nog op de maatwerkvoorziening is aangewezen;

b. de maatwerkvoorziening of het daarmee samenhangende pgb nog toereikend is;

c. de inwoner nog voldoet aan de voorwaarden van de maatwerkvoorziening;

d. de verstrekte voorzieningen worden gebruikt dan wel besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze verstrekt zijn.

25

Hoofdstuk 9: Kwaliteit en veiligheid Artikel 28 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1.

Gecontracteerde of pgb-aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen door: a.

b.

voorzieningen af te stemmen op andere vormen van zorg;

d.

ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van

c.

e. 2.

3.

4. 5.

voorzieningen af te stemmen op de persoonlijke situatie van de inwoner;

inzet van de juiste deskundigheid. Voor diensten geldt daarvoor bijlage 1;

beroepskrachten voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de van toepassing zijnde erkende keurmerken voor de betreffende sector;

er bij het leveren van voorzieningen op toe te zien dat beroepskrachten handelen in overeenstemming met de professionele standaard.

Het college kan nadere regels en beleidsregels vaststellen over verdere eisen aan de kwaliteit van voorzieningen, waaronder eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten.

Het college ziet toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met

de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek en het zo nodig in overleg met de inwoner ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.

Gecontracteerde of pgb-aanbieders van diensten dienen aan de kwaliteitseisen te voldoen zoals genoemd in bijlage 1.

Als een pgb-aanbieder of gecontracteerde aanbieder van diensten aan het college

toestemming vraagt voor het inschakelen van een onderaannemer, wordt de onderaannemer getoetst aan de criteria opgenomen in bijlage 1. Als de

kwaliteitscriteria bij deze aanbieder zijn beoordeeld door de gemeente en de

gemeente is van oordeel dat deze aanbieder niet voldoet aan de kwaliteitstoets mag de betreffende aanbieder niet als onderaannemer gecontracteerd worden door de

hoofdaannemer. Als na afloop van dat jaar de kwaliteit zodanig verbeterd is dat wel

aan de eisen wordt voldaan kan de aanbieder een verzoek indienen bij gemeente om opnieuw te toetsen aan de kwaliteitseisen.

Artikel 29 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden 1.

Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: a.

een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de

b.

een reële prijs die geldt als ondergrens voor:

Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met derde; of (I) Een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde, en

(II) De vaste prijs, bedoeld in onderdeel a.

26

2.

Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: a.

b.

3.

c, van de wet, en

rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5 lid 2, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de

Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: a.

de kosten van de beroepskracht;

c.

kosten voor niet-productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof,

d.

4.

de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3 lid 2, onderdeel

betrokken hulpverleners.

b.

f.

overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan

e.

redelijke overheadkosten;

ziekte, scholing, werkoverleg; reis- en opleidingskosten;

indexatie van loon binnen een overeenkomst.

Overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor

aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de

vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren overige voorzieningen, in ieder geval rekening met: a.

b.

de marktprijs van de voorziening, en

de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de leverancier worden gevraagd, zoals:

(I) Aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening.

(II) Instructie over het gebruik van de voorziening.

(III) Onderhoud van de voorziening, en

(IV) Verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden.

Artikel 30 Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1.

2.

Medewerkers van Samen Doen die namens het college de onderzoeken in het kader van de melding Wmo uitvoeren, zijn geïnstrueerd over en in staat tot het hanteren van de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling.

De gecontracteerde en pgb-aanbieder voldoet aan de Wet verplichte meldcode

huiselijk geweld en kindermishandeling. Hiertoe moet zij in ieder geval een meldcode hanteren en het gebruik en kennis van de meldcode onder degenen die voor hem

3.

werkzaam zijn bevorderen.

Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een maatwerkvoorziening binnen de wet door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan.

27

4.

5.

Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onmiddellijk aan de toezichthoudend ambtenaar.

De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het

voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening maatschappelijke ondersteuning.

Artikel 31 Toezichthouders 1.

Het college wijst toezichthoudende ambtenaren aan die belast zijn met het houden

2.

De aangewezen toezichthouder is belast met:

van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of op grond van de Wmo 2015. a.

de bevoegdheid om inlichtingen te bevorderen;

c.

de bevoegdheid om de administratie te vorderen van de inwoner of de pgb-

b.

d. e. f.

beheerder;

vorderen van identificatie;

inzage van documenten en toegang tot gegevens;

het betreden van plaatsen (met uitzondering van woningen);

g.

controleren of de zorgverlener de verplichtingen uit de toekenningsbeschikking

h.

ondersteuningsinhoudelijk controleren van de overeenkomsten die de inwoner of

i. 3.

de bevoegdheid om de (cliënten)administratie te vorderen bij de zorgverlener;

of de raamovereenkomst of uitvoeringsovereenkomst met het college naleeft;

de pgb-beheerder heeft gesloten. Voldoen deze aan de bij de aanvraag geleverde gegevens en informatie;

controleren of de voorziening veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt uitgevoerd.

Iedereen is verplicht om mee te werken aan het onderzoek van de toezichthouder.

28

Hoofdstuk 10: Waardering mantelzorgers Artikel 32 Jaarlijkse waardering mantelzorgers 1. 2. 3.

De jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van inwoners in de gemeente

bestaat uit het uitreiken van het mantelzorgcompliment.

De hoogte van het mantelzorgcompliment wordt jaarlijks door het college

vastgesteld.

Mantelzorgers kunnen bij het college melden dat zij een blijk van waardering willen ontvangen. Een vertegenwoordiging van de participatieraad en de

mantelzorgorganisaties wordt betrokken bij de werkwijze van het verstrekken van de mantelzorgwaardering.

29

Hoofdstuk 11: Klachten en medezeggenschap Artikel 33 Klachtregeling 1.

Het college hanteert de vastgestelde gemeentelijke klachtenregeling voor de

afhandeling van klachten, voor zover de klacht betrekking heeft op professionals

werkzaam onder de verantwoordelijkheid van de gemeente. Dit betreft dan onder

andere de wijze van afhandeling van meldingen, verzoeken en aanvragen als bedoeld 2. 3.

in deze verordening.

Aanbieders van maatwerkvoorzieningen zijn verplicht te beschikken over een regeling voor de afhandeling van klachten van inwoners;

Het college ziet toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met

de aanbieders van maatwerkvoorzieningen en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek;

Artikel 34 Medezeggenschap bij aanbieders 1.

2.

Aanbieders van maatwerkvoorzieningen in de vorm van dienstverlening zijn verplicht te beschikken over een regeling voor de medezeggenschap van inwoners over

voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn.

Het college ziet toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 35 Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1.

2.

3.

4.

Er is een Participatieraad voor de advisering bij de uitvoering van de wet.

De Participatieraad bestaat uit leden die in staat zijn de belangen van de ingezetenen, waaronder in ieder geval inwoners, jeugdigen en ouders en hun vertegenwoordigers, in relatie tot de uitvoering van de wet in voldoende mate te behartigen. De Participatieraad, als bedoeld in het eerste lid:

a.

wordt door het college betrokken bij de beleidsvoorbereiding en evaluatie;

b.

is bevoegd om uit eigen beweging het college te voorzien van advies ten aanzien

c.

wordt periodiek uitgenodigd voor een overleg over de uitvoering van de wet;

d.

van de uitvoering van de wet;

is bevoegd om onderwerpen voor het overleg aan te dragen.

Het college draagt er zorg voor dat de Participatieraad tijdig in het bezit is van alle

informatie die noodzakelijk is voor het overleg met de gemeente of om zijn adviesrol naar behoren uit te oefenen. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij de termijnen zoals

genoemd in de verordening van de Participatieraad.

30

Hoofdstuk 12: Overgangsrecht en slotbepalingen Artikel 36 Nadere regels 1.

In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening

2.

Het college kan nadere regels en beleidsregels vaststellen over de uitvoering van deze

niet voorziet, beslist het college. verordening.

Artikel 37 Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de inwoner afwijken van de bepalingen van deze verordening als de toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 38 Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1.

De verordening maatschappelijke ondersteuning Hardenberg 2023 wordt

2.

Een inwoner houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de

ingetrokken.

Verordening maatschappelijke ondersteuning Hardenberg 2023, totdat het college

een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is 3.

verstrekt, wordt ingetrokken of de indicatietermijn is verstreken.

Aanvragen die zijn ingediend en meldingen die zijn gedaan onder de Verordening

maatschappelijke ondersteuning Hardenberg 2023 en waarop nog niet is beslist bij

het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld op grond van deze 4.

5.

verordening, tenzij dit nadelig voor de inwoner uitpakt.

Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening

maatschappelijke ondersteuning Hardenberg 2023, wordt beslist met inachtneming

van die verordening.

Van lid 4 kan ten gunste van de inwoner worden afgeweken.

31

Artikel 39 Inwerkingtreding en citeertitel 1. 2.

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2026.

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning Hardenberg 2026.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Hardenberg van 16 december 2025.

De raad voornoemd, de griffier,

de voorzitter,

F.G.S. Droste

M.W. Offinga

32

Bijlage 1: Kwaliteitscriteria pgb zorgaanbieders en onderaannemers Het college is eindverantwoordelijk voor de kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van zorg aan inwoners. Ook als de ondersteuning wordt geboden via een pgb. De

zorgaanbieders dienen te werken met deskundig personeel en moeten kwalitatief goede zorg bieden, waarin de inwoner en zijn netwerk centraal staan. In deze bijlage staan

(aanvullende) kwaliteitseisen, naast die de relevante wetgeving noemt, waaraan deze pgb

zorgaanbieders en eventuele onderaannemers moeten voldoen. Deze eisen zijn ook aan de gecontracteerde aanbieders gesteld om de kwaliteit van de zorg te waarborgen.

Waar in deze bijlage wordt gesproken van ‘zorgaanbieder’, wordt de pgb-aanbieder bedoeld. Algemene eisen 1.

2.

Zorgaanbieder voldoet aan de regels zoals vastgelegd in de Zorgbrede

Governance code. Zorgaanbieder is op de hoogte van de regels van deze code en handelt conform deze code.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16219795/2