Bijlagen behorende bij toelichting bestemmingsplan 'Gramsbergen, volkstuinen Oostermaatsteeg'
Tekst van het document
Gramsbergen, volkstuinen Oostermaatsteeg Hardenberg
bestemmingsplan
identificatie
planstatus
identif icatiecode:
datum:
status:
NL.IMRO.0160.0000BP00390-VG01
25-10-2023 n.v.t. 28-11-2023 dd-mm-jjjj
concept voorontwerp ontwerp vastgesteld
projectnummer:
20211412
Inhoudsopgave
Bijlagen bij de toelichting
3
Bijlage 1
Ruimtelijk Advies Volkstuintjes Garstlanden Gramsbergen
4
Bijlage 2
Stikstofonderzoek
8
Bijlage 3
Quickscan Natuurbescherming
21
Bijlage 4
Nader onderzoek Poelkikker
46
Bijlage 5
Digitale watertoets
50
Bijlage 6
Verkennend (water)bodemonderzoek
58
Bijlage 7
Aanvullend bodemonderzoek
181
Bijlage 8
Partijkeuring van grond in depot
287
Bijlage 9
Gezondheidskundige beoordeling GGD
322
bestemmingsplan Gramsbergen, volkstuinen Oostermaatsteeg | PAGINA 2
Bijlagen bij de toelichting
bestemmingsplan Gramsbergen, volkstuinen Oostermaatsteeg | PAGINA 3
Bijlage 1 Ruimtelijk Advies Volkstuintjes Garstlanden Gramsbergen
bestemmingsplan Gramsbergen, volkstuinen Oostermaatsteeg | PAGINA 4
Advies Volkstuintjes Garstlanden Gramsbergen De opgave Met de komst van de woonwijk Garstlanden IV zullen de volkstuintjes verplaatst worden naar een park ten noorden van de wijk Garstlanden IV aan de Oostermaatsteeg. Het deel van het park waar deze volkstuintjes komen ligt in het buitengebied. Dit park ligt tussen twee woonwijken in.
Met de groene stippellijn is de grens van de bebouwde kom aangegeven.
De omgeving De locatie van deze ‘groene kamer’ valt onder het landschapstype essen- en hoevenlandschap. Dit landschap is kleinschalig en heeft een halfopen karakter. Herkenbaar voor dit gebied zijn de eenmansessen, dit zijn kleine akkers die vaak net groot genoeg zijn voor een of twee boerengezinnen. Het beplantingspatroon van houtwallen, -singels en kleine bosopstanden zorgen voor een opdeling van het landschap in kleine en/of grote ‘kamers. De wegen, met wegbeplanting, lopen kronkelig lans de randen van de es. De verkaveling is onregelmatig en heeft een hoekige vorm.
Een voorbeeld van een hoeven en essenlandschap.
De desbetreffende locatie voor de volkstuintjes aan de Oostermaatsteeg. Te zien is het halfopen karakter wat het de naam van een ‘groene kamer’ geeft.
Luchtfoto’s waarin het principe van een groene kamer zichtbaar is.
Hierin is de groene ruimte tussen de twee wijken zichtbaar.
Inpassing van de volkstuinen
Links de nieuwe moestuintjes in deze groene kamer. Passend bij het halfopen karakter en de typerende informele wegenstructuur. De paden van de moestuin zelf zijn volgens een functioneel patroon aangelegd en zijn ondergeschikt aan de omringende landschappelijke structuur. Rechts een foto van te handhaven bomen die midden op het terrein staan. De kleinschalige verkaveling met hekjes en lage hagen op de erfgrenzen versterkt de organische structuur van het landschap.
Voorbeeld van afscheiding tussen de volkstuintjes. De afscheiding is dan bij elk volkstuintje hetzelfde. Door hun beperkte maat zijn de bergingen ondergeschikt aan de omgeving.
Bijlage 2
Stikstofonderzoek
bestemmingsplan Gramsbergen, volkstuinen Oostermaatsteeg | PAGINA 8
- MEMO Memo
DATUM KENMERK VAN
8 november 2023 20211412/120752/ S. Lie M. Tajqurishi
20211412 volkstuinen Oostermaatsteeg, Gramsbergen, Hardenberg BSP OPDRACHTGEVER Gemeente Hardenberg PROJECT
STIKSTOFMEMO VOLKSTUINEN OOSTERMAATSTEEG, GRAMSBERGEN, HARDENBERG
1.
INLEIDING
Aan de Oostermaatsteeg te Gramsbergen zijn plannen om een volkstuinencomplex te realiseren. De beoogde ontwikkeling is niet mogelijk op basis van het bestemmingsplan. Om de ontwikkeling juridisch-planologisch te regelen, is er een nieuw bestemmingsplan opgesteld. De beoogde ontwikkeling dient getoetst te worden aan de eisen uit de Wet natuurbescherming, waarbij de mogelijke gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden een rol spelen. Figuur 1 laat de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natura 2000-netwerk zien. Niet alle Natura 2000-gebieden zijn gevoelig voor stikstofdepositie. Het meest nabijgelegen gebied met stikstofgevoelige habitats betreft het Natura 2000-gebied Engbertsdijksvenen. De afstand van dit Natura 2000-gebied tot het plangebied bedraagt circa 12,5 kilometer. De andere Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats liggen op grotere afstand.
Figuur 1 Ligging plangebied (gemarkeerd) ten opzichte van Natura 2000-gebied
Met het rekenmodel Aerius (versie 2023.0.1) is een berekening uitgevoerd om de mogelijke gevolgen van de ontwikkeling voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 in beeld te brengen, daarbij zijn de realisatie- en gebruiksfase (na oplevering van de beoogde ontwikkeling) beschouwd. In deze memo wordt achtereenvolgens ingegaan op de gehanteerde uitgangspunten, de resultaten en de conclusie. De invoer- en uitvoergegevens vanuit Aerius zijn opgenomen in een aparte bijlage.
2.
TOETSINGSKADER
Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming: ● verankert de Europese gebiedsbescherming van Natura 2000, bestaande uit Speciale Beschermingszones (SBZ's) op grond van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, in de Nederlandse wetgeving; ● vormt de wettelijke basis voor de aanwijzingsbesluiten met instandhoudingsdoelstellingen; ● legt de rol van bevoegd gezag voor verlening van vergunningen meestal bij de provincies. Voor Natura 2000-gebieden gelden onder meer de volgende verplichtingen: ● De overheid dient ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert. Tevens mag er geen verstoring optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen. ● Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied. Bevoegde nationale instanties geven slechts toestemming voor het plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast.
● Als een plan of project om dwingende reden van groot openbaar belang toch moet worden gerealiseerd, terwijl significant negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, moeten alle nodige compenserende maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Europees ecologisch netwerk (Natura 2000) bewaard blijft. Bij de beoordeling van de gevolgen van plannen, projecten en handelingen voor de instandhoudingsdoelstellingen spelen onder andere de ecologische effecten van verzuring en vermesting door een eventuele toename van stikstofdepositie een rol. Uit jurisprudentie volgt dat in een overbelaste situatie al bij een kleine toename van stikstofdepositie sprake kan zijn van significante negatieve effecten. In dat geval is een passende beoordeling noodzakelijk.
3.
UITGANGSPUNTEN
Realisatiefase De ontwikkeling bestaat uit een volkstuincomplex voor circa 26 – 28 volkstuinkavels met een oppervlakte variërend van 80 tot 145 m2. De gemeente Hardenberg is voornemens om het voorliggende perceel ten behoeve van het volkstuincomplex op te hogen. Er wordt circa 1.000 m3 grond op het perceel aangebracht. Planning De mogelijke effecten tijdens de realisatiefase worden bepaald door de emissies die samenhangen met het in te zetten mobiele werktuigen en de transportbewegingen. Daarbij zijn ook de planning en doorlooptijd van belang. De gevolgen voor de stikstofdepositie worden per jaar berekend. De bouwwerkzaamheden zullen in 2024 plaatsvinden.
2/4
In te zetten materieel en transporten In tabel 1 worden de uitgangspunten voor het in te zetten materieel en transportbewegingen weer gegeven. De inzet van het materieel is in AERIUS ingevoerd als vlakbron ter plaatse van het plangebied. Er wordt gebruik gemaakt van Stage-IV materieel, als bouwjaar is worst-case gerekend met 2014. Het brandstofverbruik is bepaald aan de hand van de AUB-methode van TNO met een belastingpercentage van 35%. Het totaal aantal draaiuren en brandstof- en Adblue verbruik is ingevoerd in het rekenprogramma. Een kraanbak heeft een minimale inhoud van 0,7 m³. Dit zorgt voor afgerond 1.429 scheppen (1.000/0.7). Een graafbeweging duurt gemiddeld 1,5 minuut. Dit komt neer op afgerond 36 uur (1.429*1,5/60) voor de graafmachine. Naast het gebruik van een graafmachine wordt ook gebruik gemaakt van een shovel. Voor het aanvullen van de grond wordt de shovel in totaal 17 uur gebruikt. Voor de voorbereidende werkzaamheden is een tractor benodigd. Voor het klepelen en frezen van in totaal 1.000 m² zijn 2 draaiuren benodigd. Tot slot wordt rekening gehouden met de inzet van eventuele overige werktuigen, zoals een trilstamper en trilplaat, voor het aanstampen van grond. Volledigheidshalve wordt hiervoor maximaal 5 uur uitgetrokken. Voor het aanvoeren van de grond worden vrachtwagens ingezet.
Per vrachtwagen kan 20 m3 kan worden vervoerd, daarmee zijn 50 vrachtwagens nodig. Een overzicht van het in te zetten materieel is in tabel 1 weergegeven. Tabel 1 Materieel en transport volkstuinencomplex
Materieel
Stage Klasse
Graafmachine Wiellaadschop Tractor Trilplaat Totaal Aanvoer materialen Licht verkeer Zwaar verkeer
Stage IV, 75-560 kW Stage IV, 75-560 kW Stage IV, 56-75 kW Stage IV, <56 kW
Totaal uren 36 4 2 5 50
Vermogen kW 175 225 75 10
Brandstofverbruik liter/uur 17 22 8 2 Aantal 250 50
Brandstofverbruik totaal liter 612 88 16 10 726 Bewegingen per jaar 500 100
De verkeersbewegingen zijn in het rekenmodel ingevoerd als lijnbron. De verkeerstoename door een project wordt in de berekeningen meegenomen tot het extra verkeer opgaat in het ‘heersende verkeersbeeld’. Volgens de ‘instructie gegevensinvoer AERIUS wil zeggen dat ‘het extra verkeer door zijn snelheid en rij- en stopgedrag zich niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt’. Hierbij weegt ook mee hoe de verhouding is tussen de hoeveelheid verkeer dat door de voorgenomen ontwikkeling wordt aangetrokken en het reeds op de weg aanwezige verkeer. In de berekening is als uitgangspunt genomen dat het verkeer van en naar het plangebied wordt afgewikkeld via Oostermaatsteeg, De Hoge Esch, De Oostermaat en De Anerdijk naar de op-afrit van de N34. Een indicatie van de verkeersintensiteiten voor deze weg is te vinden op het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit 2022 (https://www.cimlk.nl/kaart). Volgens de kaart bedroegen de dagelijkse verkeersintensiteiten voor 2021 voor de N34 10.420 voor licht verkeer en 1.326 voor zwaar verkeer. Het onderhavige plan voegt in de realisatiefase maximaal 0,01% licht verkeer en maximaal 0,02% zwaar verkeer toe aan de N34. Gebruiksfase Voor de gebruiksfase is worst-case het rekenjaar 2024 gebruikt. Omdat dit hetzelfde rekenjaar is als de realisatiefase, zijn beide fases in één berekening uitgevoerd.
3/4
Volkstuinen Volkstuinen moeten worden beschouwd als landbouwgrond, waar maximaal 170 kg N uit dierlijke mest mag worden opgebracht (bron: Hoeveel mest andere grond (rvo.nl). Verder maakt men in volkstuinen veelal gebruik van ruwe stalmest en compost; dit heeft een hoge emissiefactor van 69%. Het areaal volkstuinen bedraagt in de toekomstige situatie 0,41 hectare. De emissie is berekend op basis van de gebruiksnormen, het type mest, het TAN1-gehalte van de mest, de mestaanwendingstechniek en de bijbehorende emissiefactor. De gegevens over TAN en emissiefactoren zijn ontleend aan Van Bruggen et al (2022): “Referentieraming van emissies naar de lucht uit landbouw en landgebruik tot 2030”. Onderstaand zijn de uitgangspunten uitgewerkt en samengevat in tabel 3. De totale emissie van 25,5 kg NH3 per jaar is ingevoerd als vlakbron. Tabel 3 Stikstofemissie volkstuinen
De (potentiële) gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 worden in de gebruiksfase daarnaast bepaald door de emissies die samenhangen met de verkeersgeneratie. Uit de kencijfers van het CROW blijkt dat het daarbij gemiddeld gaat om 4 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Dit wordt op dezelfde wijze afgewikkeld als in de realisatiefase en gaat op de N34 op in het heersende verkeersbeeld. Dit is het geval op het moment dat het aan- en afrijdende verkeer, conform de Instructieregels voor Aerius, zich heeft verdund tot enkele procenten van het reeds aanwezige verkeer. Het onderhavige plan voegt in de gebruiksfase maximaal 0,04% licht verkeer toe aan de N34. Rekenpunten Vanwege de ligging nabij de landsgrens zijn er 3 automatische rekenpunten op Natura 2000-gebieden in het buitenland gegenereerd en toegevoegd aan de berekening.
4.
RESULTATEN EN CONCLUSIE
Uit de berekeningen met AERIUS Calculator (2023.0.1) voor de realisatie- en gebruiksfase blijkt dat er geen toename is van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Op basis van de berekening zijn significant negatieve effecten op Natura 2000gebieden in de realisatie- en gebruiksfase uitgesloten. De beoogde herontwikkeling is derhalve uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming.
1 Het deel van de stikstof in de mest dat bestaat uit ammoniakaal stikstof (het overige is mineraal stikstof en draagt niet bij aan de ammoniakemissie uit de mest).
4/4
Projectberekening Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstof.
Overzicht Samenvatting situaties Resultaten Detailgegevens per emissiebron Deze PDF is een digitaal bestand dat weer in te lezen is in AERIUS. Meer toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via:
www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers
Projectberekening
Contactgegevens Rechtspersoon Inrichtingslocatie
Activiteit
Omschrijving Toelichting
Berekening
Rho Adviseurs -, - Gramsbergen Gramsbergen, volkstuinen Oostermaatsteeg Realisatie- en gebruiksfase 2024 Gramsbergen, volkstuinen Oostermaatsteeg
AERIUS kenmerk Datum berekening Rekenconfiguratie
S31oRHsWMWkd 08 november 2023, 23:46 Wnb-rekengrid incl. eigen rekenpunten
Totale emissie
Rekenjaar
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
Resultaten
Hoogste bijdrage
Hexagon
Gebied
Situatie 1 - Beoogd Situatie 1 - Beoogd Gekarteerd oppervlak met toename (ha) Gekarteerd oppervlak met afname (ha) Grootste toename Grootste afname
S31oRHsWMWkd (08 november 2023)
2024 -
25,7 kg/j
27,0 kg/j
2/8
Projectberekening
Situatie 1 (Beoogd), rekenjaar 2024 Emissiebronnen 1 2
Anders... | Anders... | Volkstuinen Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning | Materieel Verkeersnetwerk
S31oRHsWMWkd (08 november 2023)
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
25,5 kg/j 0,2 kg/j 60,8 g/j
24,1 kg/j 2,9 kg/j
3/8
Projectberekening
Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.
500 m Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald
Grootste toename (projectberekening) Grootste afname (projectberekening) Hoogste totaal (achtergrond + projectberekening)
De letters bij de bronlabels op de kaart geven bij welke type situaties de bronnen horen: beoogde situatie (B), referentiesituatie (R) en/of salderingssituatie (S). S31oRHsWMWkd (08 november 2023)
4/8
Projectberekening
Resultaten stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden situatie "Situatie 1" (Beoogd) incl. saldering e/o referentie Berekend (ha gekarteerd)
Totaal
S31oRHsWMWkd (08 november 2023)
-
Hoogste totale Met toename Grootste depositie (mol (ha gekarteerd) toename (mol N/ha/jr) N/ha/jr)
-
-
-
Met afname (ha Grootste afname gekarteerd) (mol N/ha/jr)
-
-
5/8
Projectberekening
Per eigen rekenpunt
1 2 3
S31oRHsWMWkd (08 november 2023)
Naam
Itterbecker Heide (12 km)
Coördinaat
X:249670 Y:504840 Dalum-Wietmarscher Moor und Georgsdorfer Moor X:263906 (22 km) Y:514216 Hügelgräberheide Halle-Hesingen (22 km) X:256352 Y:497176
Projectbijdrage (mol N/ha/jr)
-
6/8
Projectberekening
Situatie 1, Rekenjaar 2024 1
Anders... | Anders...
Naam Volkstuinen Uittreedhoogte Locatie X:242107,31 Warmteinhoud Y:513916,62 Spreiding Oppervlakte 0,61 ha Wijze van ventilatie Niet geforceerd Temporele variatie Continue Emissie 2
0,0 m 0,000 MW 0m
NH₃
25,5 kg/j
Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning
Naam Locatie Oppervlakte Naam
Materieel X:242107,72 Y:513917,03 0,61 ha
NOₓ NH₃
Stageklasse
Brandstofverbruik
Graafmachine Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, 612 l/j SCR: ja
24,1 kg/j 0,2 kg/j
Draaiuren AdBlue verbruik
Stof Emissie
36 u/j
0 l/j
Wiellaadschop Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, 88 l/j SCR: ja
4 u/j
0 l/j
20,4 kg/j NH₃ 0,1 kg/j NOₓ 2,9 kg/j
Tractor
Stage-IV, 2014-2018, 56-75 kW, diesel, SCR: ja
16 l/j
2 u/j
0 l/j
NH₃ 21,1 g/j NOₓ 0,5 kg/j
Trilplaat
Stage-IV, 2014-2018, <= 56 kW, diesel, SCR: nee
10 l/j
5 u/j
3
Wegverkeer | Weg
Naam Locatie Lengte Wegtype Rijrichting Tunnelfactor Type hoogteligging Weghoogte t.o.v. maaiveld Verkeer
Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer
S31oRHsWMWkd (08 november 2023)
Ontsluiting N34 X:241600,03 Y:514442,12 1.719,94 m Binnen bebouwde kom (stagnerend) Beide richtingen 1 Normaal 0m Max. snelheid
Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren
NOₓ
NH₃ 3,8 g/j NOₓ 0,2 kg/j NH₃ 0,0 kg/j
Links Rechts NOₓ 2,9 kg/j Type scherm - - NO₂ 0,5 kg/j Hoogte - - NH₃ 60,8 g/j Afstand tot de weg - -
Aantal voertuigbewegingen
500,0 /jaar 0,0 /jaar 100,0 /jaar 0,0 /jaar 4,0 /etmaal 0,0 /etmaal 0,0 /etmaal 0,0 /etmaal
In file
0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 %
7/8
Projectberekening
Disclaimer Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden. Rekenbasis Deze berekening is tot stand gekomen op basis van AERIUS versie 2023.0.1_20231106_3125d8b3c1 Database versie 2023.0.1_3125d8b3c1_calculator_nl_stable Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/
S31oRHsWMWkd (08 november 2023)
8/8
Bijlage 3
Quickscan Natuurbescherming
bestemmingsplan Gramsbergen, volkstuinen Oostermaatsteeg | PAGINA 21
2022 1
Quickscan Wet natuurbescherming Ontwikkeling Volkstuinen Oostermaatsteeg te Gramsbergen
++
COLOFON BUREAU FAUNAX Tijnjedyk 89 8936 AC Leeuwarden +316 83 77 25 48 info@faunax.nl www.faunax.nl Lid van Netwerk Groene Bureaus
Quickscan Wet natuurbescherming Ontwikkeling Volkstuinen Oostermaatsteeg te Gramsbergen Leeuwarden, februari 2022
In opdracht van: Rho Adviseurs Uitvoering: Bureau FaunaX Veldwerk en rapportage: Mevr. A. Wieringa Autorisatie: Dhr. J. Groen. Foto’s voorpagina: Impressie van het plangebied
© Bureau FaunaX. Gebruik en overname van gegevens alleen toegestaan met volledige bronvermelding: Bureau FaunaX (2022). Quickscan Wet natuurbescherming/ Rho Adviseurs/ Ontwikkeling Volkstuinen Oostermaatsteeg te Gramsbergen. Rapport 22008. Bureau FaunaX, Leeuwarden.
Disclaimer: In deze rapportage worden de resultaten van een onafhankelijk onderzoek behandeld. Bureau FaunaX heeft een adviserende rol en spreekt zich niet uit over de wenselijkheid van het plan waarop dit onderzoek betrekking heeft. Dit onderzoek is zo zorgvuldig en nauwkeurig mogelijk uitgevoerd. Het voorkomen van beschermde soorten is echter onvoorspelbaar. Aan dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend. Wanneer deze rapportage, op wat voor manier dan ook, wordt aangepast en/of aangevuld door een partij anders dan Bureau FaunaX, verliest deze rapportage zijn validiteit en geldigheid. Op dit onderzoek zijn onze algemene voorwaarden van toepassing, zoals gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te Leeuwarden.
INHOUDSOPGAVE 1.
2
3
4
INLEIDING ..................................................................................................................... 1 1.1
Aanleiding ..................................................................................................................... 1
1.2
Doel ...............................................................................................................................2
1.3
Onderzoeksopzet ..........................................................................................................2
1.4
Karakteristiek plangebied en planvoornemen ............................................................. 3
RESULTATEN QUICKSCAN ...........................................................................................4 2.1
Flora .............................................................................................................................. 4
2.2
Vogels ........................................................................................................................... 4
2.3
2.2.1 Jaarrond beschermde vogelnesten ............................................................... 4 2.2.2 Overige (broed)vogelsoorten .........................................................................5 Zoogdieren ....................................................................................................................5
2.4
2.3.1 Vleermuizen ...................................................................................................5 2.3.2 Overige beschermde zoogdiersoorten ..........................................................7 Reptielen & amfibieën.................................................................................................. 8
2.5
Vissen ........................................................................................................................... 11
2.6
Ongewervelden ............................................................................................................ 11
2.7
Gebiedsbescherming .................................................................................................... 11
2.8
2.7.1 Stikstofgevoeligheid ..................................................................................... 12 Houtopstanden ........................................................................................................... 12
SAMENVATTING EN CONCLUSIES ..............................................................................13 3.1
Overzicht beschermde soorten .................................................................................. 13
3.2
Effectbespreking en aanbevelingen ............................................................................ 13
3.3
3.2.1 Algemene broedvogels ................................................................................. 13 3.2.2 Egel ............................................................................................................... 13 3.2.3 Vleermuizen (verblijfplaatsen) .................................................................... 14 3.2.4 Poelkikker ..................................................................................................... 14 3.2.5 Zorgplicht ..................................................................................................... 14 Overzicht vervolgstappen ........................................................................................... 14
LITERATUUR EN BRONNEN ........................................................................................15
BIJLAGE I WET- EN REGELGEVING ................................................................................. - 1 Wnb Soortbescherming ......................................................................................................- 1 Vogels en verstoring .................................................................................................- 1 Vrijgestelde soorten provincie Overijssel ................................................................- 1 Voorwaarden vrijstellingen ..................................................................................... - 2 Zorgplicht art 1.11 Wnb............................................................................................. - 3 Wnb Gebiedsbescherming ................................................................................................ - 3 Natura 2000-gebieden ............................................................................................. - 3 Wnb Houtopstanden ......................................................................................................... - 3 NatuurNetwerk Nederland / Ecologische HoofdStructuur ............................................. - 4 -
1. INLEIDING 1.1 Aanleiding Men is voornemens het bestaande volkstuinencomplex te verplaatsen van de huidige locatie aan de Van den Grammesberghestraat naar een nieuwe locatie aan de Oostermaatsteeg te Gramsbergen. De volkstuinen moeten van de bestaande locatie wijken om ruimte te maken voor de ontwikkeling van de nieuwe woonwijk Garstlanden IV in Gramsbergen. Omdat een deel van bovenstaande maatregelen een ruimtelijke ingreep betreft, dient een toetsing te worden uitgevoerd in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). De verwachting is dat de Wnb medio 2022 zal worden opgenomen in de Omgevingswet. De toetsing in het kader van de Wnb vindt eerst plaats in de vorm van een quickscan gebaseerd op het onderdeel soortbescherming. In het kader daarvan is door Bureau FaunaX een analyse gemaakt van de (mogelijk) binnen de invloedssfeer aanwezige beschermde natuurwaarden. Hierbij ligt de focus op flora en alle diergroepen waarvan redelijkerwijze kan worden verwacht dat beschermde soorten voor kunnen komen in het plangebied. Tevens is een inschatting gemaakt van de eventuele effecten van de voorgenomen plannen op in de omgeving liggende beschermde natuurgebieden (Natura 2000 en NNN/EHS) (onderdeel gebiedsbescherming).
Figuur 1.1. Het plangebied (rood omlijnd) te Gramsbergen.
1
1.2 Doel Deze ecologische beoordeling geeft, voor zover mogelijk, antwoord op de volgende vragen: 1. 2. 3. 4. 5.
Komen binnen het plangebied (biotopen van) onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten voor? Komen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden beschermde natuurgebieden voor? Wat zijn de mogelijke effecten van de werkzaamheden op deze beschermde natuurwaarden en -gebieden, zowel tijdens de realisatie als na afloop hiervan? Voor welke soorten en hun leefgebied wordt de wet mogelijk overtreden en in hoeverre kunnen overtredingen vermeden, dan wel verzacht worden? Wat zijn de te ondernemen vervolgstappen met betrekking tot het voorkomen van schade aan beschermde soorten binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden?
Voor het beantwoorden van deze vragen zijn, naast de verzamelde gegevens tijdens het veldonderzoek, ook andere bronnen geraadpleegd. Zie hiervoor de bronnenlijst in hoofdstuk 4.
1.3 Onderzoeksopzet Soorten In opdracht van Rho Adviseurs heeft Bureau FaunaX het planvoornemen door middel van een ecologische quickscan getoetst aan de natuurwetgeving. Deze quickscan heeft bestaan uit een bureaustudie en een veldbezoek gebaseerd op ecologisch inzicht (expert judgement). Een ecologische quickscan of beoordeling is meestal de eerste stap van ecologisch onderzoek en is bedoeld om een inschatting te maken van de mogelijke effecten op eventueel aanwezige beschermde flora en fauna en/of natuurgebieden binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden. Het veldonderzoek voor deze quickscan is uitgevoerd op donderdag 20 januari 2022 en vond plaats onder frisse weersomstandigheden (2°C, windkracht 4, wisselvallig). Dit onderzoek bestond uit een visuele inspectie van het plangebied, waarbij is gelet op de aanwezigheid van (of sporen van) beschermde soorten en op de eventuele aanwezigheid van geschikt leefgebied van deze soorten. Gebieden - Natura 2000 Behalve dat onderzocht wordt welke soorten binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden kunnen voorkomen, wordt ook gecontroleerd of er sprake kan zijn van negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Dit gebeurt middels een grove analyse op basis van de geplande werkzaamheden en de relevante afstand tot de meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden.
Houtopstanden Onder de Wet natuurbescherming worden ook houtopstanden beschermd. Er wordt gecontroleerd in welke mate er sprake is van kap en of hier een meld- en/of herplantingsplicht aan de orde kan zijn. Overige gebiedsbescherming Naast de Wet natuurbescherming zijn er nog meer regelgevingen die ingaan op het beschermen van de natuur in Nederland. Dit zijn veelal provinciale stukken, al dan niet als uitvoeringsorgaan vanuit rijksbeleid. Het gaat hierbij om regelgeving omtrent NatuurNetwerk Nederland/Ecologische Hoofdstructuur, ganzengedooggebieden en weidevogelgebieden. Deze toetsing stipt kort aan of er sprake kan zijn van een conflict tussen de provinciale regelgevingen en het geplande initiatief.
2
1.4 Karakteristiek plangebied en planvoornemen Het plangebied bevindt zich oostelijk vlak buiten de bebouwde kom van Gramsbergen en betreft een ruderaal graslandperceel met een drietal bomen, wat gebruikt wordt als paarden wei (figuur 1.1). Het plangebied wordt omsloten door groenstroken, een weg met bomensingels en een watergang. Ten westen van het plangebied loopt een spoor en de omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door een park en nieuwbouw woningen binnen Gramsbergen.
Figuur 1.2. Impressie van het plangebied.
Het planvoornemen betreft de realisatie van volkstuinen waarbij het drietal bomen ten midden van het graslandperceel mogelijk wordt gerooid (figuur 1.3). Daarnaast wordt aan de oostzijde van het plangebied een nieuwe watergang aangelegd die aan zal sluiten op bestaande watergangen ten noorden en zuiden van het plangebied.
Figuur 1.3. Concept situatieschets van het planvoornemen (bron: Rho Adviseurs).
3
2 RESULTATEN QUICKSCAN 2.1 Flora Het plangebied wordt gekenmerkt door grasland met soorten zoals Engels raaigras, straatgras, smalle weegbree, dovennetel, zuring, hondsdraf en rus (spp.) (figuur 2.1). Het plangebied is vanwege voedselrijke habitateigenschappen ongeschikt voor beschermde flora en deze zijn ook niet aangetroffen.
Figuur 2.1. Impressie van de flora in het plangebied.
Op basis van de waargenomen soorten en de (habitat)eigenschappen van het plangebied is het voorkomen van beschermde plantensoorten uit te sluiten.
2.2 Vogels 2.2.1
Jaarrond beschermde vogelnesten
Nesten van vogelsoorten die jaarrond beschermd zijn bevinden zich over het algemeen in volgroeide bomen en/of bossen, zoals ooievaarsnesten of horsten van roofvogels/uilen. Vaak worden oude kraaien- of eksternesten gebruikt door roofvogels en uilen. De bomen binnen het plangebied/invloedssfeer van de werkzaamheden zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van boomnesten, waarvan er drie zijn aangetroffen (figuur 2.2). Deze nesten zijn echter allen klein van formaat, waardoor op voorhand kan worden uitgesloten dat deze in gebruik zijn door roofvogels/uilen. Waarschijnlijk betreffen dit nesten van houtduif en kleine zangvogels. Negatieve effecten op jaarrond beschermde boomnesten als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden kunnen dan ook op voorhand worden uitgesloten. Negatieve effecten van de werkzaamheden op jaarrond beschermde nesten van gebouw bewonende vogelsoorten kunnen door afwezigheid van bebouwing binnen het plangebied/ invloedssfeer van de werkzaamheden ook op voorhand worden uitgesloten.
4
Figuur 2.2. Aangetroffen boomnesten binnen het plangebied/invloedssfeer van de werkzaamheden.
Negatieve effecten van de werkzaamheden op jaarrond beschermde (boom)nesten binnen het plangebied kunnen op voorhand worden uitgesloten.
2.2.2 Overige (broed)vogelsoorten Naast de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten is het plangebied ook beoordeeld op waarden voor broedvogels waarvan de nesten niet jaarrond beschermd zijn. De nesten van deze soorten zijn uitsluitend beschermd tijdens het broedseizoen. Het plangebied biedt mogelijkheden voor diverse soorten broedvogels, in de bomen, boomholten, struiken en oeverzones en nestkasten binnen het plangebied (figuur 2.2). Met het beoogde planvoornemen zal broedgelegenheid binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden vallen of verloren gaan. Negatieve effecten als gevolg van de werkzaamheden op broedvogels waarvan de nesten alleen tijdens het broedseizoen bescherming genieten, kunnen dan ook niet op voorhand worden uitgesloten.
Er kan niet op voorhand worden uitgesloten dat zich binnen het plangebied/ de invloedssfeer van de werkzaamheden nestplaatsen bevinden van vogelsoorten waarvan de nesten alleen tijdens het broedseizoen beschermd zijn.
2.3 Zoogdieren 2.3.1
Vleermuizen
Het plangebied is tijdens het veldbezoek beoordeeld op waarden voor vleermuizen. Hierbij is de nadruk gelegd op de aanwezigheid van mogelijke verblijfplaatsen. Ook is gekeken of essentiële vliegroutes van vleermuizen door of langs het plangebied kunnen lopen en of er sprake kan zijn van een essentieel foerageergebied. Zowel verblijfplaatsen als essentiële vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen genieten namelijk bescherming.
5
Vleermuizen verblijven voornamelijk in boomholten of gebouwen, waarvan alleen boomholten grenzend aan/nabij het plangebied zijn aangetroffen. De bomensingels langs de Oostermaatsteeg betreffen bomen met vele holten (figuur 2.3). In hoeverre de holten met name naar boven toe zijn ingerot maakt of deze geschikt zijn voor vleermuizen als verblijfplaats, al lijken de bomen met holten grenzend aan het plangebied op het eerste gezicht geschikt te zijn voor de in de omgeving voorkomende rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis (bron: NDFF). Ook het voorkomen van verblijfplaatsen van andere boombewonende soorten, zoals watervleermuis en gewone grootoorvleermuis, kan niet op voorhand worden uitgesloten. Uitgaande van het planvoornemen (figuur 1.3) blijven deze bomen behouden en vallen ze buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden. Negatieve effecten van de werkzaamheden op vleermuisverblijfplaatsen in boomholten kunnen dan ook op voorhand uitgesloten worden, mits deze bomen inderdaad niet worden gekapt.
Figuur 2.3. Impressie mogelijkheden tot verblijfplaatsen voor vleermuizen grenzend aan (boven) en nabij (beneden) het plangebied.
Naast verblijfplaatsen van vleermuizen, kunnen ook vliegroutes en/of foerageergebieden van vleermuizen een beschermde status hebben als deze van essentieel belang zijn voor het in stand houden van een verblijfplaats. Als vliegroute worden, afhankelijk van de soort, rechtlijnige landschapselementen zoals waterlichamen, bosranden, bomenlanen of gebouwen gebruikt. En als foerageergebied worden, wederom afhankelijk van de soort, vooral groenstroken en waterlichamen (voedselaanbod insecten) gebruikt.
6
De groenstroken en bomensingels rondom het plangebied kunnen onderdeel zijn van een vliegroute en foerageergebied voor diverse soorten vleermuizen. De omgeving kent echter vergelijkbare elementen geschikt als vliegroute en/of foerageergebied, waardoor het plangebied geen essentiële vliegroute en/of foerageergebied voor vleermuizen betreft. Tevens heeft het planvoornemen niet tot gevolg dat foerageergebied noemenswaardig in kwaliteit achteruit gaat of dat er een vliegroute wordt doorbroken.
Negatieve effecten van de werkzaamheden op verblijfplaatsen van vleermuizen in boomholten in het plangebied kunnen op voorhand worden uitgesloten, mits de bomen met holten behouden blijven. De aanwezigheid van overige verblijfplaatsen, essentiële vliegroutes en/of foerageergebied voor vleermuizen binnen het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten.
2.3.2 Overige beschermde zoogdiersoorten Het plangebied is gecontroleerd op waarden voor overige beschermde zoogdiersoorten. De enige soorten die op basis van verspreiding en habitatvoorkeur redelijkerwijs binnen het plangebied voor kunnen komen zijn eekhoorn, das, egel, kleine marterachtigen en steenmarter (bron: NDFF). Van de steenmarter, das, bunzing en eekhoorn zijn daadwerkelijk waarnemingen uit Gramsbergen of de directe omgeving hiervan bekend. Het voorkomen van de hermelijn en wezel kan naar ons inzicht op voorhand worden uitgesloten op basis van verspreidingsgegevens. Van deze soorten zijn geen waarnemingen uit Gramsbergen en omgeving bekend en de laatste waarnemingen uit de ruime omgeving dateren uit de jaren ’80. Voor de steenmarter geldt dat het plangebied geen mogelijkheden tot verblijven biedt door de afwezigheid van bebouwing. Voor de eekhoorn geldt dat in het plangebied geen eekhoornnesten of boomholtes zijn aangetroffen die als verblijfplaats voor deze soort kunnen dienen. Voor de bunzing geldt dat er geen waarnemingen uit Gramsbergen zelf bekend zijn en het niet aannemelijk is dat deze soort in dichtbevolkt gebied verblijft. Daarnaast zijn er geen holen, steenhopen, holle bomen en dergelijke aangetroffen waarin de soort kan verblijven. Ook voor de das geldt dat het niet aannemelijk is dat de soort in dichtbevolkt gebied verblijft.
Tevens zijn van deze soort geen sporen aangetroffen. De soort waarvan de kans het grootst is dat deze van het plangebied gebruik maakt is de egel. Het plangebied biedt echter weinig mogelijkheden voor deze soort om te verblijven omdat het vooral uit een paardenweide bestaat die weinig dekking biedt aan deze soort. Alleen de stroken met bomen en bosschages langs de randen van het plangebied kunnen naar ons inzicht verblijfplaatsen van egels herbergen. Zover ons bekend is blijven deze groenstroken behouden. Mits dit het geval is kunnen negatieve effecten op verblijfplaatsen van beschermde landzoogdieren op voorhand worden uitgesloten. Kort samengevat kan het voorkomen van verblijfplaatsen van beschermde landzoogdieren in het plangebied naar ons inzicht op voorhand worden uitgesloten. Uitzondering hierop wordt gevormd door de egel, welke kan verblijven in de groenstroken die om het paardenweiland heen staan. Mits deze behouden blijven, kunnen ook negatieve effecten op verblijfplaatsen van egels op voorhand worden gesloten. De aanwezigheid van andere beschermde zoogdiersoorten binnen de invloedssfeer van de voorgenomen werkzaamheden kan op voorhand worden uitgesloten op basis van verspreidingsgegevens (bron: NDFF) en habitateigenschappen.
7
Binnen het plangebied kunnen wel andere, lichter beschermde zoogdieren voorkomen, zoals haas en mol. Hoewel deze soorten zijn vrijgesteld voor ruimtelijke ingrepen, dient men zich wel te houden aan de zorgplicht (zie bijlage I).
Negatieve effecten van de werkzaamheden op verblijfplaatsen van overige beschermde zoogdiersoorten kunnen naar ons inzicht op voorhand worden uitgesloten. Uitzondering hierop wordt gevormd door de egel. Mits de groenstroken met struiken en bomen conform het planvoornemen behouden blijven, kunnen ook negatieve effecten op verblijfplaatsen van egels op voorhand worden uitgesloten. In het plangebied kunnen wel andere ‘licht’ beschermde soorten voorkomen, zoals haas en mol. Voor deze soorten geldt een provinciale vrijstelling in het geval van ruimtelijke ontwikkelingen, maar geldt wel de zorgplicht (zie Bijlage I).
2.4 Reptielen & amfibieën Het plangebied is tevens gecontroleerd op waarden voor beschermde reptielen en amfibieën. Op basis van verspreidingsgegevens kan het voorkomen van leefgebied van beschermde reptielen binnen het plangebied op voorhand worden uitgesloten (bron: NDFF). Uit Gramsbergen en de ruime omgeving hiervan zijn waarnemingen van de beschermde amfibieënsoorten kamsalamander, knoflookpad en poelkikker bekend (bron: NDFF). Van de knoflookpad zijn waarnemingen bekend op circa twee kilometer afstand van het plangebied (NDFF) (Figuur 2.4). De soort kent hier een plaatselijk voorkomen op basis van de habitatvoorkeur van deze soort. Het voortplantingswater van deze soort bestaat uit relatief grote, diepe poelen met weelderige watervegetatie. In en in de directe omgeving van het plangebied is van dergelijk waterlichamen geen sprake. De sloot in het plangebied betreft een voedselrijke sloot met veel kroos, die in verbinding staat met andere waterlichamen in de omgeving. Op basis van de dispersieafstand van de soort, de afstand tussen de dichtstbijzijnde waarnemingen en het plangebied, en de habitateigenschappen van het plangebied en de omgeving hiervan achten we de kans dat de knoflookpad in het plangebied voorkomt dusdanig klein dat we het niet realistisch achten om hier rekening mee te houden. Voor de kamsalamander geldt in grote lijnen hetzelfde als de knoflookpad.
In dit geval zijn de dichtstbijzijnde waarnemingen gedaan op ongeveer 3 kilometer afstand van het plangebied (figuur 2.5). Ook hier lijkt de soort zeer plaatselijk voor te komen. Op basis van de habitateigenschappen van de waterlichamen in en om het plangebied, alsmede de afstand tussen het plangebied en de dichtstbijzijnde bekende waarnemingen, achten we ook in dit geval de kans dat de soort in het plangebied voorkomt dusdanig klein dat we het niet realistisch achten om hier rekening mee te houden. Voor de poelkikker geldt dat er waarnemingen bekend zijn op steenworp afstand van het plangebied (figuur 2.6). Hoogstwaarschijnlijk staat het water waar de soort zich in voortplant middels duikers in directe verbinding met de sloot in het plangebied. Deze sloot zit vol met eendenkroos, wat wijst op relatief voedselrijke omstandigheden (figuur 2.7). Desalniettemin kan naar ons inzien niet op voorhand worden uitgesloten dat de poelkikker zich voortplant in de sloot in het plangebied en dat de stroken met bomen en bosschages dienen als landhabitat voor deze soort. De korte afstand tot bekend leefgebied en het feit dat de sloot in het plangebied goed wordt verwarmd door de zon, spelen hierin een belangrijke rol. Negatieve effecten kunnen in dit geval derhalve niet op voorhand worden uitgesloten.
8
Figuur 2.4. Waarnemingen van de knoflookpad (groene stippen) uit de omgeving van Gramsbergen (bron: NDFF).
Figuur 2.5. Waarnemingen van de kamsalamander (groene stippen) uit de omgeving van Gramsbergen (bron: NDFF).
9
Figuur 2.6. Waarnemingen van de poelkikker (groene stippen) uit de omgeving van het plangebied (rood omlijnd) (bron: NDFF).
Figuur 2.7. Impressie leefgebied amfibieën binnen en grenzend aan het plangebied.
10
Binnen het plangebied kunnen incidenteel ook andere, lichter beschermde amfibieën voorkomen, zoals bruine kikker. Hoewel deze soorten zijn vrijgesteld voor ruimtelijke ingrepen, dient men zich wel te houden aan de zorgplicht (zie bijlage I).
De aanwezigheid van leefgebied van beschermde reptielen en de meeste beschermde amfibieën binnen en vlak buiten het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten. Negatieve effecten van de werkzaamheden op het leefgebied van de poelkikker binnen het plangebied kunnen niet op voorhand worden uitgesloten. Voor andere, licht beschermde, vrijgestelde soorten, zoals bruine kikker geldt de zorgplicht (zie Bijlage I).
2.5 Vissen Het plangebied is gecontroleerd op waarden voor de in Nederland voorkomende groep beschermde zoetwatervissen. De dichtsbijzijnde waarnemingen van grote modderkruiper zijn van meer dan 10 kilometer van het plangebied vandaan (bron: NDFF). Ook vormt de sloot in het plangebied geen geschikt habitat voor deze soort. Van andere beschermde vissensoorten zijn geen waarnemingen uit de ruime omgeving van het plangebied bekend. Op basis van verspreidingsgegevens en habitateigenschappen kan het voorkomen van beschermde zoetwatervissen zoals grote modderkruiper op voorhand worden uitgesloten.
Negatieve effecten op leefgebied van beschermde zoetwatervissen kunnen op voorhand worden uitgesloten.
2.6 Ongewervelden Het plangebied bevat geen waardplanten of watervegetatie die essentieel zijn bij de voortplanting van beschermde insecten of andere ongewervelden zoals de groene glazenmaker. Daarnaast voldoet het plangebied niet aan de habitateigenschappen voor het leefgebied van de beekrombout, een soort die langs de Vecht voorkomt (bron: NDFF). Op basis hiervan kunnen negatieve effecten van de werkzaamheden op beschermde ongewervelden binnen het plangebied worden uitgesloten.
Op basis van habitateigenschappen kan worden uitgesloten dat de werkzaamheden negatieve effecten zullen hebben op beschermde ongewervelden.
2.7 Gebiedsbescherming Tijdens de bureaustudie zijn geen vormen van gebiedsbescherming naar voren gekomen die betrekking hebben op het plangebied, zoals NatuurNetwerk Nederland (NNN, voormalig EHS), Natura 2000, ganzenfoerageergebied of weidevogelgebieden aangesteld door de provincie Overijssel.
Het plangebied valt niet onder de NNN/EHS, ganzenfoerageergebieden of weidevogelgebieden aangesteld in het gebied. Een toetsing naar een mogelijk conflict tussen gebiedsbescherming en het initiatief is niet van toepassing.
11
2.7.1
Stikstofgevoeligheid
In de omgeving van het plangebied zijn de Natura 2000-gebieden Engbertsdijksvenen (12,4 km) en Vecht- en Beneden-Reggegebied (12,5) te vinden, zie figuur 2.8. Voor deze gebieden is hetzelfde stikstofgevoelige habitattype aangewezen, herstellende hoogvenen. De kritische depositiewaarden (KDW’s) van dit habitattype binnen de gebieden worden al overschreden door de achtergronddepositie(bron: AERIUS calculator). Binnen het plangebied zal tijdens de gebruiksfase van de nieuwe situatie de stikstofemissie echter evenveel of niet veel hoger zijn als in de huidige situatie. Daarnaast zal de minimale stikstofemissie niet direct bijdragen aan het verder overschrijden van de KDW’s vanwege de kleine schaal van het planvoornemen en de relatief grote afstand tot de Natura 2000-gebieden. Een AERIUS-berekening uitvoeren is naar ons inzicht dan ook niet van toepassing. De provincie Overijssel is echter bevoegd gezag in dezen en bepaalt of het uitvoeren van een AERIUS berekening benodigd is voor de voortgang van dit project.
Een Aerius-berekening in het kader van Natura 2000 is naar onze mening niet nodig.
Figuur 2.8. Natura 2000-gebieden (paars) in de omgeving van het plangebied (rood) (bron: Natuur overzichtskaart Fryslân toegepast voor Overijssel).
2.8 Houtopstanden Als er een (deel van een) houtareaal wordt gekapt van meer dan 10 are (1000 m2) of een (deel van een) bomenrij van minimaal 20 bomen buiten de bebouwde kom kan er sprake zijn van een meld- en/of herplantingsplicht. Binnen de beoogde werkzaamheden worden er uitgaande van het planvoornemen buiten de bebouwde kom minder dan 20 bomen gekapt. Er is derhalve geen sprake van een meld- en/of herplantingsplicht.
12
Er is geen sprake van een meld- en/of herplantingsplicht.
3 SAMENVATTING EN CONCLUSIES 3.1 Overzicht beschermde soorten In onderstaand overzicht worden de aangetroffen en potentieel aanwezige beschermde soorten en hun beschermingsstatus binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden samengevat. In de Wet natuurbescherming zijn vooral vaste verblijfsplaatsen (voortplantingslocaties zoals nesten, holen, kraamkolonies etc.) van belang, maar ook de functionele leefomgeving die vaste verblijfplaatsen in stand houdt. In dit overzicht zijn alleen die soorten opgenomen, waarvoor het plangebied onderdeel vormt van hun leefgebied en/of levenscyclus, en waarop eventueel in de toekomst geplande werkzaamheden van negatieve invloed kunnen zijn. Tabel 3.1. Overzicht van aangetroffen en potentieel voorkomende beschermde flora en fauna in en rond het plangebied.
Soortgroep
Soort
Aanwezigheid
Vogels
Algemene broedvogels
Mogelijk
Vleermuizen (verblijfplaatsen)
Diverse soorten
Mogelijk
Zoogdieren
Egel
Mogelijk
Amfibieën Vogels Zoogdieren Amfibieën
Poelkikker Algemeen voorkomende soorten
Waarschijnlijk
Art. 3.1
Art. 3.5
Art. 3.10
Vrijgesteld
X
X
X
X
Mogelijk
X
Advies Werken buiten het broedseizoen Voorkom kap bomen met holten-> Anders nader onderzoek. Voorkom aantasting groenstrook langs rand plangebied. Anders nader onderzoek Nader onderzoek
X
Zorgplicht
3.2 Effectbespreking en aanbevelingen Het project kan naar ons inzien doorgang vinden binnen het kader van de Wet natuurbescherming, mits men zich houdt aan de hieronder volgende aanbevelingen.
3.2.1
Algemene broedvogels
Het plangebied biedt mogelijkheden voor vogels om te broeden, in de oevers, bomen en struiken. Het gaat hier om soorten waarvan nesten alleen beschermd zijn tijdens het broedseizoen. Wij adviseren daarom om de werkzaamheden buiten de broedtijd uit te voeren. De broedtijd loopt grofweg van 15 maart – 15 juli. Er is echter geen standaard voor deze periode. Sommige soorten kunnen eerder of later in het jaar broeden. Wat van belang is, is of er een broedgeval is (deze zijn altijd beschermd) en of er sprake is van wezenlijke verstoring van het betreffende broedgeval. Eventueel kan tijdens de broedtijd gewerkt worden, dit dient dan te gebeuren onder begeleiding van een ecoloog.
3.2.2 Egel Het kan niet op voorhand worden uitgesloten dat er verblijfplaatsen van egels aanwezig zijn in de strook met bomen en struiken langs de randen van het plangebied. We adviseren deze strook intact te laten. In dat geval kunnen negatieve effecten op verblijfplaatsen van egels op voorhand worden uitgesloten. Als dit niet mogelijk is dient op basis van ander onderzoek te worden vastgesteld of deze soort inderdaad in het plangebied verblijft.
13
3.2.3 Vleermuizen (verblijfplaatsen) De twee grenzend aan het plangebied aanwezige bomen met holten zijn geschikt bevonden voor vleermuizen om in te verblijven. Deze bomen blijven voor zover ons bekend is behouden. Indien de bomen met holten toch worden gekapt, kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen verloren gaan. Wij adviseren in dat geval nader onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen van boombewonende soorten: ruige dwergvleermuis, watervleermuis, gewone grootoorvleermuis en rosse vleermuis. Dit dient te gebeuren aan de hand van veldbezoeken verspreid over de kraam- (15 mei – 15 juli) en de paarperiode (15 augustus – 1 oktober). De onderzoeksmethodiek is vastgelegd in het Vleermuisprotocol, opgesteld door het ministerie van EZ, Netwerk Groene Bureaus en de Zoogdiervereniging. Indien er verblijfplaatsen van vleermuizen worden vastgesteld binnen het plangebied, dient er voor de desbetreffende soort(en) een ontheffing te worden aangevraagd, welke in de regel wordt afgegeven onder de voorwaarde dat er compenserende en mitigerende maatregelen worden uitgevoerd.
3.2.4 Poelkikker Vlak buiten het plangebied is voortplantingswater van de poelkikker aanwezig. Er kan mede hierdoor niet op voorhand worden uitgesloten dat het plangebied zelf landhabitat van de soort betreft wat met de beoogde werkzaamheden verloren gaat of in kwaiteit achteruit gaat. Ook kan het water in het plangebied dienen als voortplantingswater van deze soort. We adviseren daarom nader onderzoek uit te voeren. De poelkikker wordt geïnventariseerd aan de hand van kooractiviteit in de periode mei – juni.
3.2.5 Zorgplicht Er kunnen soorten voorkomen in het plangebied waarvoor een vrijstelling geldt in geval van schade aan deze soorten. Op deze soorten is wel de zorgplicht van toepassing. Deze kan tot uiting worden gebracht door zo te werken dat dieren de kans krijgen om te vluchten naar habitat buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden of dieren (zoals vrijgestelde amfibieën) naar een dergelijke habitat te verplaatsen. Voor de voorwaarden waaraan vrijstellingen moeten voldoen wordt verwezen naar Bijlage I.
3.3 Overzicht vervolgstappen Het planvoornemen kan zonder bezwaren doorgang vinden binnen de kaders van de vigerende natuurwetgeving, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
14
Broedvogels: Werken buiten het broedseizoen (grofweg 15 maart – 15 juli). Is dit niet mogelijk? werken onder begeleiding van een ecoloog. Vleermuizen (verblijfplaatsen): Voorkom kap bomen met holtes. Anders Nader onderzoek. Egel: Voorkom aantasting strook met bomen en struiken. Anders Nader onderzoek. Poelkikker: Nader onderzoek Licht beschermde en vrijgestelde soorten: Naleven van de zorgplicht.
4 LITERATUUR EN BRONNEN AERIUS Calculator https://calculator.aerius.nl/calculator/ Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie), 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (red), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Natuur van Nederland 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. Kaarten provinciale natuurbeheerplannen Bij12 https://flamingo.bij12.nl/pnl-viewer/app/PNLNatuurbeheerplan Kaartportaal Overijssel https://geo.overijssel.nl/viewer/app/master/v1?name=Atlas%20van%20Overijssel Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) https://ndff-ecogrid.nl/uitvoerportaal Natura 2000-gebieden Nederland https://www.natura2000.nl/gebieden/ Natuur overzichtskaart provincie Fryslân toegepast op Overijssel https://fryslan.maps.arcgis.com/home/webmap/viewer.html?webmap=eb4e12aa6eea4591af7c0f 48ef6def54&extent=120990,533762,221778,617075,28992 RAVON http://www.ravon.nl/Soorten/Soortinformatie SOVON https://www.sovon.nl/nl Synbiosis https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase.aspx?subj=n2k&groep=1&id=n 2k19&topic=gevoeligheid Verspreidingsatlas planten FLORON http://www.verspreidingsatlas.nl/planten Verspreidingsatlas
Zoogdieren http://www.verspreidingsatlas.nl/zoogdieren Zoogdiervereniging www.zoogdiervereniging.nl
15
BIJLAGE I WET- EN REGELGEVING De wettelijke bescherming van natuurwaarden valt in grote lijnen uiteen in drie delen: soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden.
Wnb Soortbescherming De Wet natuurbescherming draagt onder andere zorg voor de bescherming van in het wild voorkomende dier- en plantensoorten. De wet bevat een aantal verbodsbepalingen die ervoor moeten zorgen dat de gunstige staat van instandhouding van alle in het wild levende dier- en plantensoorten zal blijven gewaarborgd. De Wet natuurbescherming verdeelt beschermde soorten in twee groepen, de Europees beschermde soorten en de nationaal beschermde soorten. De eerste groep bestaat uit strikt beschermde soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn (art. 3.1 en 3.5). De Vogel- en Habitatrichtlijn zijn richtlijnen van de Europese Unie waarin wordt aangegeven welke diersoorten en welke typen natuurgebieden door de lidstaten dienen te worden beschermd. In de tweede categorie staan de overige (nationaal) beschermde soorten (art. 3.10). Binnen de Wet natuurbescherming vullen Europese en nationale wetgeving elkaar aan. De Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) genieten een iets zwaardere bescherming dan de nationaal beschermde soorten (art. 3.10). Zo geldt voor de nationale soorten geen verbod op het verstoren, iets wat wel het geval is bij de Habitatrichtlijnsoorten. Ook zijn de belangen waaronder ontheffing aangevraagd mag worden, voor de nationaal beschermde soorten uitgebreider dan voor de habitatrichtlijnsoorten.
Vogels en verstoring Voor alle inheemse vogelsoorten geldt dat het verboden is om in het wild levende vogels te doden of te vangen, opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen, te beschadigen, te rapen of nesten van vogels weg te nemen. Ook is het verboden om vogels opzettelijk te storen. Dit is echter niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Dit kan dus ook tijdens het broedseizoen het geval zijn, als kan worden aangetoond of beargumenteerd dat de verstoring geen negatieve effecten heeft op (de kansen van) het broedsucces. Of dit van toepassing is hangt af van meerdere factoren, zoals de biologie van een soort, de fase van de broedtijd waarin het broedpaar zich op dat moment bevindt (zoals balts, nestbouw, eieren of jongen) en de mate van verstoring. Een ter zake kundige ecoloog kan in voorkomende gevallen bepalen wat wel of niet geldt als wezenlijke verstoring. In aanvulling op bovenstaande wordt er door de provincies een lijst met vogelsoorten gehanteerd, waarvan de nesten jaarrond bescherming genieten. Binnen deze categorie wordt onderscheid gemaakt in soorten met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 tot en met 4) en vogels met mogelijk jaarrond beschermde nesten (categorie 5).
Vrijgestelde soorten provincie Overijssel Hoewel de Wet natuurbescherming een nationale wet is, kunnen de provincies (als de bevoegde gezagen) soorten aanwijzen die vrijgesteld kunnen worden van de beschermde status, als het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen. Tabel 2.1 geeft een overzicht van de via de Verordening Wet natuurbescherming door de provincie Overijssel vrijgestelde soorten (zoogdieren en amfibieën). De verordening van de Provinciale Staten van Overijssel is te vinden op https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2017-1927.html.
-1-
Tabel 1. Vrijgestelde soorten Verordening Wet natuurbescherming provincie Overijssel.
Zoogdieren Aardmuis Bosmuis Dwergmuis Dwergspitsmuis Gewone bosspitsmuis Haas Huisspitsmuis Konijn Ondergrondse woelmuis Ree Rosse woelmuis Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Woelrat
Amfibieën Bastaardkikker Bruine kikker Gewone pad Kleine watersalamander Meerkikker
Voorwaarden vrijstellingen Zoals gezegd zijn de vrijstellingen onder het bevoegd gezag van de provincie Overijssel, en zijn hiermee geen onderdeel van de Wet natuurbescherming zelf. De provincie heeft de soorten zoals die genoemd zijn in bovenstaande tabel niet zonder meer vrijgesteld, hier zijn voorwaarden aan verbonden. Ten eerste is het van belang dat er geen andere bevredigende oplossing voorhanden is. Ten tweede gelden de vrijstellingen niet in alle situaties. Deze zijn alleen van toepassing als de geplande werkzaamheden onder één van de volgende noemers vallen: a. in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; c. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; d. in het kader van bestendig beheer en onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied. Ten derde is een aantal specifieke voorwaarden opgesteld (Bijlage I van de Verordening). Hierbij geldt dat indien sprake is van vangen of doden, alleen gebruik mag worden gemaakt van de in de verordening genoemde middelen en methoden.
Dit is vooral van toepassing bij de vrijgestelde zoogdieren. Indien deze in winterslaap zijn en ze worden gevangen, dan moet alles er aan gedaan worden om ervoor te zorgen dat de overlevingskansen niet worden verminderd als gevolg van het vangen en verplaatsen. Voor amfibieën is het belangrijk te vernemen dat indien deze in winterslaap zijn, het niet is toegestaan ze te vangen (en verplaatsen). Indien bovengenoemde soorten voorkomen binnen een plangebied, is een ontheffing voor deze soort dus niet nodig.
-2-
Zorgplicht art 1.11 Wnb Echter, dit is niet nodig omdat nog steeds een inspanning wordt geleverd om deze soorten zo min mogelijk schade te doen, zoals is omschreven in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming, meer algemeen bekend als de zorgplicht. Hoewel overtredingen niet strafbaar zijn gesteld, kan het uitvoeren van de zorgplicht wel worden gehandhaafd door toepassing van een bestuursdwang. Dat betekent dat de uitvoerende gedwongen kan worden herstelacties uit te voeren.
Wnb Gebiedsbescherming Gebiedsbescherming houdt in dat gebieden met belangrijke natuurwaarden wettelijk zijn beschermd. Het gaat hierbij om het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur of EHS) en Natura 2000-gebieden.
Natura 2000-gebieden Projecten of activiteiten die niet noodzakelijk zijn voor, of verband houden met, het beheer van de natuurwaarden van Natura 2000-gebieden (Vogel- en/of Habitatrichtlijngebieden) en mogelijk negatieve effecten hebben op deze waarden, dienen vanuit de Wet natuurbescherming getoetst te worden. Deze toetsing vindt enkel plaats in het geval de uitvoering van een project plaatsvindt binnen de invloedssfeer van een N2000-gebied en verwacht wordt dat deze uitvoering (mogelijk) negatieve effecten heeft op soorten of habitattypen waarvoor het N2000-gebied is aangewezen.