CConstaterende datHardenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 6 bij toelichting - Quickscan Wet natuurbescherming

orienterende ronde sessie 1 10 januari 2023, gemeente HardenbergBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 'Buitengebied Hardenberg, Nevengeul De Haandrik - Gramsbergen’11.329 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

6.4 Weidevogels Voor weidevogels is het plangebied niet heel geschikt, dit komt door het ontbreken van veel openheid. De verstorende randwerking van beplantingen zorgen voor een vrijwel weidevogel vrije zone van 50-150 meter. Desondanks is wel drie broedpaar kievit aanwezig evenals mogelijk enkele graspiepers. Mocht het waterschap iets willen doen ten opzichte van weidevogels dan kan dit het beste worden gezocht in het aanpassen van het beheer. Dit kan gaan om het extensiever gaan boeren en het aanpassen van het maaibeleid of akkerbeheer. Het wordt geadviseerd om hier met boeren het gesprek over aan te gaan omdat hier de grootste mogelijkheid ligt om echt iets te doen ten gunste van weidevogels.

Ontwikkelingsproject Vechtrijk Gramsbergen | Eelerwoude | 33

6.5 Opstellen beheerplan Net zo belangrijk als het graven van een natuurvriendelijke oever, ten behoeve van biodiversiteit is het beheer. Het juist beheren van het plangebied zorgt ervoor dat de gerealiseerde natuur blijft bestaan en niet verdwijnt door te intensief of te extensief beheer uit te voeren. Het huidige, te extensieve beheer heeft ertoe geleid dat er vrijwel geen structuur variatie in vegetatie en variatie in soortenrijkdom voorkomt langs de oever van de Vecht. Indien dit beheer niet wordt aangepast zal deze vegetatie weer snel terugkeren. Het wordt geadviseerd om een beheerplan op te stellen waarbij de oever van de Vecht op een zo ecologisch mogelijke wijze wordt beheerd of aan te haken op bestaande beheerplannen, indien opgesteld. Daarnaast liggen er mogelijkheden om dit beheer te borgen door in gesprek te blijven met lokale natuurcollectieven, werkgroepen en stichtingen. Deze groepen zijn voortdurend in en om het plangebied betrokken bij natuur en kunnen aangeven waar kan worden bijgestuurd en welke kansen er liggen. Hiernaast wordt geadviseerd om dit beheerplan aan te laten sluiten bij de beheertypen uit de Index Natuur en Landschap.

6.6 Omvormen plangebied tot natuur Het verdient de mogelijkheid om te onderzoeken of er mogelijkheden zijn om te schuiven met de bestaande begrenzing binnen het NNN in overleg met de provincie Overijssel. Hierbij kan het plangebied geheel of vrijwel geheel gaan vallen onder het NNN. Op deze manier kunnen boeren mogelijk worden gecompenseerd door het extensiever gaan boeren waarbij verlies van opbrengst wordt geborgd. Ook kan de grond geheel worden aangekocht en worden beheerd als natuur. Het verdient de mogelijkheid om hiervoor in gesprek te gaan met de provincie en lokale boeren omdat door het graven van de nevengeul een versnipperd en allesbehalve rechtlijnig gebied ontstaat, wat ongunstiger is om landbouw op te bedrijven dan in de huidige situatie het geval is.

Ontwikkelingsproject Vechtrijk Gramsbergen | Eelerwoude | 34

7 Conclusie 7.1 Beschermde soorten 7.1.1 Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ontwikkeling zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van een aantal beschermde soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten omdat er sprake is van een tijdelijke en plaatselijke verstoring, er voldoende leefgebied aanwezig blijft en het relatief algemene soorten betreft.

7.1.2 Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Met de volgende soorten en/of soortgroepen dient rekening te worden gehouden. Vleermuizen Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor vleermuizen niet noodzakelijk. Wel dient rekening gehouden te worden met vleermuizen door alleen werkzaamheden uit te voeren na zonsopkomst en voor zonsondergang (met uitzondering van de winterperiode). Ook geldt deze conclusie alleen voor het huidige tracé van de nevengeul. Alle plan wijzigingen zoals het verleggen van het tracé kunnen leiden tot een andere conclusie. Grondgebonden zoogdieren Het is noodzakelijk om een ontheffing aan te vragen voor een groot aantal soorten grondgebonden zoogdieren welke kunnen voorkomen in de ruige oeverzone van de Vecht en de omliggende bosschages. Dit betreffen bunzing, egel, hermelijn, steenmarter en wezel. Voor andere soorten, waaronder otter, veldspitsmuis en waterspitsmuis wordt geadviseerd en overleg in te plannen om de noodzaak van nader onderzoek en de bijbehorende intensiteit te bespreken. Een negatief effect op egel kan wel op voorhand worden uitgesloten indien de nevengeul zo wordt aangelegd dat hierbij geen bosschages worden doorkruist.

Broedvogels Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, als ook op het wegnemen van nesten van vogels. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. In veel situaties kan dit voorkomen worden door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen 2 uit te voeren. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn alleen mogelijk onder begeleiding van een ecologisch ter zake kundige. Geadviseerd wordt om werkzaamheden geheel buiten het broedseizoen plaats te laten vinden omdat met name op de grond broedende soorten als kievit en graspieper op het perceel niet zijn uit te sluiten. Aanwezigheid van nesten zou van grote invloed kunnen zijn op werkzaamheden, zoals het graven van de nevengeul.

2 In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang

is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 1 maart tot 15 juli.

Ontwikkelingsproject Vechtrijk Gramsbergen | Eelerwoude | 35

Amfibieën Een negatief effect op poelkikker is niet op voorhand uit te sluiten. Dit komt omdat de nevengeul dwars door de grote poel heengaat en deze hierdoor ongeschikt maakt. Het wordt hierom geadviseerd om een nader onderzoek naar poelkikker uit te voeren welke eenvoudig op basis van geluid is vast te stellen. Hiernaast is ook een negatief effect op knoflookpad niet op voorhand uit te sluiten. Dit komt omdat geschikt landbiotoop aanwezig is binnen het plangebied. Knoflookpad is lastig vast te stellen of uit te sluiten, voor landbiotoop is dit vrijwel onmogelijk. Hierom wordt geadviseerd een ontheffing aan te vragen voor het mogelijk aantasten van landbiotoop van knoflookpad tijdens het graven van de meander. Ongewervelden Nader onderzoek naar voortplantingsbiotoop van beekrombout is noodzakelijk om te bepalen of het graven van een natuurvriendelijke oever een negatief effect veroorzaakt op deze soort. Uit dit nader onderzoek zal blijken of de geplande ontwikkelingen een negatief effect veroorzaken op deze soort en of het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk is.

7.1.3 Algemene zorgplicht Zorgplicht In de Wet natuurbescherming is in artikel 1.11 een omschrijving opgenomen over de algemene zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht neemt voor alle in het wild levende dieren en planten, dus ook niet-beschermde soorten en hun directe leefomgeving. Dit is een algemene verantwoordelijkheid die voor iedereen geldt. Het betekent bijvoorbeeld dat er niet onnodig dieren en planten worden gedood, wanneer er redelijkerwijs een andere oplossing voor is, bijvoorbeeld de dieren te verplaatsen naar een ander gebied. Amfibieën Geadviseerd wordt om de werkzaamheden aan de poel uit te voeren wanneer de larven zijn volgroeid, vanaf augustus. Vissen Voor vissen dient rekening gehouden te worden met de zorgplicht door bij het dempen van waterelementen te werken in de richting van open water. Dit dient te gebeuren onder begeleiding van een ecologisch ter zaken kundige.

7.2 Bescherming gebieden Gevolgen plangebied Niet stikstof-gerelateerde effecten: De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maken dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of in de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Gezien de afstand tot de Natura 2000gebieden is er geen sprake van mogelijk negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming van niet stikstof-gerelateerde effecten wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Stikstof-gerelateerde effecten Tijdelijke projecten zoals de realisatiefase zijn momenteel vrijgesteld van de vergunningsplicht. Een significante stikstofdepositie in de nieuwe gebruiksfase wordt niet verwacht door de grote afstand tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden en de kleine schaal van de geplande ontwikkeling.

Ontwikkelingsproject Vechtrijk Gramsbergen | Eelerwoude | 36

7.3 Bescherming houtopstanden Een gedeelte van het boselement in het noorden wordt gekapt ten behoeve van de nevengeul. Hiervoor dient een kapvergunning te worden aangevraagd. Deze bosopstand is groter dan 10 are (circa 30 are). Dit geldt eveneens voor de te kappen zwarte elzen welke worden gekapt ten behoeve van het graven van de nevengeul. Hiervoor dient eveneens een kapvergunning te worden aangevraagd voor het te kappen oppervlakte aan bomen.

7.4 Natuurnetwerk Nederland Met de voorgenomen ontwikkeling is er sprake van wijzigingen van bestemmingsplannen. Hierbij worden natuurgronden ingeruild voor agrarische grond en omgekeerd. De exacte wijzigingen zijn momenteel nog niet bekend en dus nog niet definitief. Indien deze wijzigingen definitief worden vastgesteld dient dit te worden getoetst aan het NNN beleid. Het is hierbij raadzaam tijdig contact op te nemen met het bevoegd gezag, de provincie Overijssel.

7.5 Geldigheid rapportage Dit rapport gaat in op de effecten van de ontwikkeling zoals beschreven in hoofdstuk 2.2. Wijzigingen of aanpassingen in de ontwikkeling kunnen tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten leiden.

Ontwikkelingsproject Vechtrijk Gramsbergen | Eelerwoude | 37

8 Literatuur • • • • • •

• •

AERIUS. (2021). AERIUS-Calculator. Opgehaald van aerius.nl: www.aerius.nl ESRI. (2021). ESRI Nederland. Opgehaald van esri.nl. FLORON. (2012). basisrapport rode lijst vaatplanten 2012. Opgehaald van Floron.nl: https://www.floron.nl/Portals/1/Downloads/Basisrapport%20Rode%20Lijst%20vaatplanten%202012.pdf NDFF. (2021). uitvoerportaal. Opgehaald van ndff-ecogrid.nl: https://www.ndffecogrid.nl/uitvoerportaal/secure/index.zul provincie Overijssel. (2021). Brochure Soortenbeschreming in Overijssel. Zwolle: Provincie Overijssel. provincie Overijssel. (2021). Natuurnetwerk Nederland. Opgehaald van geodataoverijssel.nl: https://services.geodataoverijssel.nl/viewer/layer/B46_natuur_en_landschap/B46_Natuurnetwerk_Nederl and Vlinderstichting. (2021). Beekrombout. Opgehaald van vlinderstichting.nl: https://www.vlinderstichting.nl/libellen/overzicht-libellen/details-libel/beekrombout waterschap Vechtstromen. (2012). Leidraad Natuurwetgeving WRD 2012. Almelo: waterschap Vechtstromen.

Ontwikkelingsproject Vechtrijk Gramsbergen | Eelerwoude | 38

Bijlage 1 Wettelijk kader natuurwetgeving Bescherming van soorten Zorgplicht De Wet natuurbescherming erkent de intrinsieke waarde van in het wild levende planten- en diersoorten, of de soort nu beschermd is of niet (= zorgplicht). Deze zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wilde levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld, maar kan door toepassing van bestuursdwang wel worden gehandhaafd. Beschermingsregimes Op het onderdeel soortbescherming deelt de Wet natuurbescherming soorten in drie beschermingsregimes in: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Alle vogels cf. artikel Vogelrichtlijn 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Soorten uit Bijlage IV Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd 3. 3. Beschermingsregime “andere soorten” Soorten die uit nationaal oogpunt bescherming behoeven. Elk van deze beschermingsregimes heeft zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Verbodsbepalingen De Wet natuurbescherming gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. In de wet worden ten aanzien van de beschermde soorten een aantal verbodsbepalingen genoemd (figuur 1).

De verbodsbepalingen zijn gekoppeld aan het beschermingsregime van de soort (resp. Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of de groep ‘Overige soorten’). Dat betekent dat deze verbodsbepalingen niet overtreden mogen worden, tenzij voor de soort(en): • een vrijstelling geldt; • er gewerkt wordt met een goedgekeurde Gedragscode (feitelijk een collectieve ontheffing); • een ontheffing is verkregen.

3 De brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016 impliceert dat de

bescherming uit de Vogelrichtlijn prevaleert boven de bescherming van vogels uit de verdragen van Bonn en Bern

Ontwikkelingsproject Vechtrijk Gramsbergen | Eelerwoude | 39

Figuur 1. Overzicht verbodsbepalingen Wet Natuurbescherming (bron: brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016).

Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen (en deze toch te mogen overtreden) via een ontheffing of een vrijstelling moet aan drie criteria worden voldaan: 1. Er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling (=alternatievenafweging); 2. De afwijking is gebaseerd op een in de wet genoemd belang (b.v. openbare veiligheid of volksgezondheid); 3. De ingreep of handeling mag geen afbreuk doen aan en/of verslechtering betekenen voor de staat van instandhouding van de soort. Als aan (alle) drie deze vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk in de vorm van een provinciale verordening of een (goedgekeurde) gedragscode. Voorgaand figuur geeft een overzicht van de verbodsbepalingen per beschermingsregime. De verbodsbepalingen voor de groep van overige, ‘nationale’ soorten zijn geïnspireerd op de Habitatrichtlijn en op een aantal punten versoepeld. Zo is het opzettelijk verstoren van beschermde soorten (en hun verblijfplaatsen) uit deze groep van overige soorten niet langer verboden. Wel is het nog steeds verboden om vaste verblijfplaatsen van dieren onder dit beschermingsregime opzettelijk te beschadigen of te vernielen.

Voor vogels geldt dat verstoren niet verboden is als de verstoring maar niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort (artikel 3.1, lid 4 en lid 5). Het beschadigen van in gebruik zijnde vogelnesten tijdens het broedseizoen blijft verboden, maar het verstoren dus niet meer, tenzij er sprake is van een wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de specifieke soort(en). Het is aan de initiatiefnemer om zich op de hoogte te (laten) stellen, en waar nodig aan te tonen, dat de op zich verstorende activiteit geen bedreiging vormt voor de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort. Tot slot geldt het opzettelijk doden of vangen en het verbod om vaste verblijfplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te vernielen of beschadigen, niet voor bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis in of op gebouwen of de daarbij behorende erven of roerende zaken (artikel 3.10 lid 3). Zie kader – Opzettelijkheid. Ontwikkelingsproject Vechtrijk Gramsbergen | Eelerwoude | 40

Kader - Opzettelijkheid In de Wet natuurbescherming is bij meer verbodsbepalingen dan onder de Flora en faunawet het opzetvereiste toegevoegd, in lijn met de artikelen van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. In de Flora en faunawet was alleen sprake van het opzetvereiste bij verontrusting (artikel 10). Hierdoor was de Flora en faunawet strenger dan de verbodsbepalingen van de Habitatrichtlijn. Niet-opzettelijke handelingen waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, zijn nu niet langer verboden. Daar is van belang dat het Europees Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant….”.

Andere bevredigende oplossing(en) De initiatiefnemer moet aantonen en beargumenteren dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn waardoor overtreding van de verbodsbepaling(en) kan worden voorkomen, bijvoorbeeld door planaanpassing of het aanpassen van de uitvoeringsperiode. Het is aan het bevoegd gezag (doorgaans dus de provincie) om de alternatieve oplossingen te beoordelen en hierover te besluiten. De onderbouwing moet gebaseerd zijn op objectieve en controleerbare gegevens. Belangen Voor de soorten die beschermd zijn onder de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan alleen ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de in deze richtlijnen genoemde belangen. Voor de groep van overige, nationaal beschermde soorten wordt uitgegaan van de in de Habitatrichtlijn genoemde belangen, plus een aantal aanvullende belangen. In het Kader - Wettelijk Belang wordt een overzicht gegeven van deze belangen. Staat van instandhouding van de soort Tot slot moeten de effecten van de voorgenomen handeling(en) worden beoordeeld aan de staat van instandhouding (SvI) van de soort. Zie ook kader – Staat van instandhouding. De SvI varieert per soort en per handeling, en is niet vastgelegd in de wet. Een handeling op een zeldzame beschermde soort zal eerder leiden tot een negatief effect op de SvI dan bij een algemene soort.

Belangrijk is ook de trend (aantalsontwikkeling) en de ruimtelijke verspreiding van de soort. Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met cumulatieve (versterkende) effecten, bijvoorbeeld door andere handelingen of ontwikkelingen in de omgeving en met reeds verleende ontheffingen voor dezelfde populaties van deze soort(en). Bij de beoordeling mogen compenserende en mitigerende (verzachtende) maatregelen worden betrokken. Het ecologische toetsingscriterium verschilt per beschermingsregime. Om te beoordelen of aan deze criteria wordt voldaan, moet inzicht worden gegeven in: 1. De SvI (van de populatie) van de soort (in zijn natuurlijke verspreidingsgebied). 2. Het effect van de handeling of ontwikkeling op de soort. Kader - Staat van instandhouding •

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn: “De maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de betreffende soort”.

•

Beschermingsregime soort Habitatrichtlijn: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.

•

Beschermingsregime Overige soorten: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.

Ontwikkelingsproject Vechtrijk Gramsbergen | Eelerwoude | 41

Voorkomen van overtreding verbodsbepalingen In sommige situaties kunnen maatregelen worden getroffen waardoor negatieve effecten en overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kunnen worden voorkomen. Bijvoorbeeld door de kap van bomen met broedende vogels uit te stellen tot na de broedtijd. Al kan de boom ook een nest bevatten van een vogelsoort waarbij het nest jaarrond beschermd is, waardoor overtreding niet kan worden voorkomen. Het plannen van werkzaamheden buiten de kwetsbare periode(n) van beschermde soorten is een veel toegepaste maatregel. Andere mogelijkheden om overtreding te voorkomen zijn wellicht het aanpassen van de werkvolgorde, gebruik te maken van andere apparatuur of de werkzaamheden te faseren in ruimte en tijd (zoals in het voorbeeld). Vrijstellingen Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen die leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen in de wet. Dit zijn bijvoorbeeld de provinciale vrijstellingen en de gedragscodes. Ook kan er sprake zijn van een vrijstelling als de handeling is opgenomen in een beheerplan voor een Natura 2000gebied of programma in het kader van een programmatische aanpak. Tot slot kan het Rijk voor handelingen en activiteiten waarvoor zij bevoegd gezag is een vrijstelling geven in de vorm van een Ministeriële Regeling.

Vrijstellingen kunnen alleen gelden voor de verbodsbepalingen en de voorwaarden zoals genoemd bij de verschillende beschermingsregimes. Provinciale verordening Provinciale Staten kunnen vrijstelling van de verbodsbepalingen verlenen. Zo zijn met een provinciale verordening een aantal vooral algemeen voorkomende en beschermde zoogdieren als egel en rosse woelmuis vrijgesteld van de ontheffingsplicht. Door deze mogelijkheid ontstaan echter wel verschillen in de bescherming van soorten tussen de verschillende provincies.

Ontwikkelingsproject Vechtrijk Gramsbergen | Eelerwoude | 42

Kader - Wettelijk Belang Voor vogels beschermd onder de Vogelrichtlijn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •

in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;

•

in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;

•

ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;

•

ter bescherming van flora en fauna;

•

voor onderzoek en onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt;

•

om het vangen, onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.

Voor soorten beschermd onder de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •

in het belang van de bescherming van wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;

•

ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen eigendom;

•

in het belang van volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten;

•

voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van kunstmatige vermeerdering van planten, of

•

om onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen, onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.

Voor andere ‘nationaal’ beschermde soorten kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: • •

de belangen die gelden voor soorten van de Habitatrichtlijn zoals hierboven genoemd; in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;

•

ter voorkoming van schade en overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes of begraafplaatsen;

•

ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden;

•

ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren;

•

in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;

•

in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;

•

in het kader van bestendig beheer of onderhoud van landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied;

•

in het algemeen belang van de betreffende soort.

Ontwikkelingsproject Vechtrijk Gramsbergen | Eelerwoude | 43

www.eelerwoude.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12229655/1