Bijlage 3 - Regels en toelichting met bijlagen bestemmingsplan "Buitengebied Hardenberg, Verlengde Broekdijk 6 en 6a Kloosterhaar"
Tekst van het document
Bodem
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen. Toets Voor de planherziening heeft Kruse Milieu bv een verkennend (asbest)bodemonderzoek conform NEN5740 en NEN5707 uitgevoerd (d.d. februari 2023), zie Bijlage 2 Verkennend (asbest) bodemonderzoek Op basis van het vooronderzoek (conform NEN5725) is de onderzoekslocatie als onverdacht beschouwd.
Op basis van het uitgevoerde veldwerk en de resultaten van de analyses moet de hypothese 'onverdacht' formeel gezien worden verworpen aangezien er enkele overschrijdingen van de achtergrond- en streefwaarden zijn aangetoond. De hypothese 'verdacht voor asbest' kan worden verworpen, aangezien er geen asbest is aangetoond. Conclusies en aanbevelingen uit het onderzoek: In de bovengrond (BG I), de ondergrond (boring 1-5: 1.40 - 1.70 m-mv) en in het grondwater (PB 1) zijn enkele (zeer) licht verhoogde concentraties aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4 van het onderzoeksrapport. In de bovengrond (BG II) en in de ondergrond (OG) zijn geen verontreinigingen aangetoond. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, wordt het uitvoeren van nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. In het mengmonster van de fijne fractie MM FF - 01 is geen asbest aangetoond. Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de bestemmingsplanwijziging,
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Verlengde Broekdijk 6-6a Kloosterhaar | PAGINA 33
aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen). 4.5
Geluid
In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies. Toets Wegverkeerslawaai Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van: a. in stedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; b.
in buitenstedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. Deze zonering geldt niet: c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; e. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh). Het perceel Verlengde Broekdijk 6-6a ligt in het buitengebied. De Verlengde Broekdijk is een weg waarvoor het 60 km/uur-regime geldt. De locatie valt binnen de wettelijke zonering van 250 meter van deze weg. Het betreft hier echter het planologisch vastleggen van de woningsplitsing. De bestaande woonhuizen blijven behouden. Op grond van de Wet geluidhinder wordt een woning aangemerkt als een geluidsgevoelig object. Op grond van artikel 76, lid 3 Wgh geldt dat bij een vaststelling van een bestemmingsplan c.q. wijzigingsplan bestaande geluidsgevoelige bestemmingen gelegen in de zone van bestaande wegen niet getoetst hoeven te worden. In voorliggend geval is er sprake van een bestaande woning die gesplitst wordt in twee afzonderlijke woningen.
Daarmee is er geen sprake van het toevoegen van een geluidsgevoelig object, aangezien de bewoning van het gebouw reeds is toegestaan. Een akoestisch onderzoek wordt daarom niet nodig geacht. Industrielawaai Er is hier geen sprake van een gezoneerd industrieterrein in de nabije omgeving. Railverkeerslawaai is hier niet van toepassing.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Verlengde Broekdijk 6-6a Kloosterhaar | PAGINA 34
4.6
Luchtkwaliteit
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Toets Als gevolg van de nieuwe planologische situatie komt er een extra woning bij. Echter gezien de inwoningssituatie waarbij er reeds twee huishoudens op het erf wonen, ontstaan er geen extra verkeersbewegingen. Nader onderzoek is niet nodig.
Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig. Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'luchtkwaliteit' geen belemmering vormt voor deze planherziening.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Verlengde Broekdijk 6-6a Kloosterhaar | PAGINA 35
4.7
Externe veiligheid
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit; Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Naast de bovengenoemde wetgeving zijn tevens de volgende AMvB's, Ministeriële Regelingen en/of circulaires van toepassing op de externe veiligheid: Activiteitenbesluit milieubeheer.
In dit besluit zijn veiligheidsafstanden en risiconormen ten opzichte van (beperkt) kwetsbare objecten opgenomen. Veiligheidsafstanden zijn vastgesteld voor onder andere opslagtanks met propaan/propeen, aardgastankstations, en gasdrukmeet- en regelstations. Voor windturbines geldt het plaatsgebonden risico als risiconorm. Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations. De circulaire is van toepassing bij een besluit ten aanzien van een LPG-tankstation onder werking van het Bevi, dat het mogelijk maakt dat er (meer) personen in de omgeving van een LPG-tankstation aanwezig kunnen zijn. De effecten van bepaalde ongevalsscenario's staan centraal. Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. In deze circulaire zijn veiligheidszones (A-, B- of C-zone) vastgesteld voor de opslag van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. Binnen deze veiligheidszones worden de aanwezigheid van activiteiten en/ of objecten uitgesloten. Beleidsregels EV-beoordeling tracébesluiten. Deze beleidsregels geven een overzicht van de over de weg vervoerde gevaarlijke stoffen. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken.
Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Verlengde Broekdijk 6-6a Kloosterhaar | PAGINA 36
Risicokaart Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven.
Figuur 4.3: Uitsnede risicok aart (bron: risicokaart.nl) Toets De dichtstbijzijnde risicobron zijn de vulpunten voor LPG bij een autotankstation. Op de afbeelding zijn de cirkels aangegeven als explosieaandachtgebied. Deze cirkel van het tankstation ligt op een afstand van minimaal 2,24 km. Deze afstand is ruim voldoende. Uit de inventarisatie blijkt dat binnen een straal van 2.24 km van het plangebied geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen, derhalve geldt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Verlengde Broekdijk 6-6a Kloosterhaar | PAGINA 37
4.8
Water
Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de NOVI en het Nationaal Water Programma 2022-2027 (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerprogramma 2022-2027.
Het staat de komende jaren voor grote uitdagingen en blijft werken aan voldoende water (niet te veel, niet te weinig), omgaan met klimaatverandering, voldoen aan de eisen voor waterkwaliteit, de biodiversiteit versterken en daarnaast wordt gewerkt aan duurzame energie en circulair grondstoffengebruik. In de Watervisie 2050 heeft het waterschap de opgaven beschreven. Daarin wordt geschetst hoe het watersysteem er in 2050 moet uitzien om goed toegerust te zijn voor alle uitdagingen. Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vloeit rechtstreeks voort uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma beschrijft hoe het waterschap de komende zes jaar werkt aan het realiseren van het gewenste waterbeheersysteem. Hieronder wordt de Watervisie 2050 en het Waterbeheerprogramma 2022-2027 beschreven. Watervisie 2050 Het Waterschap Vechtstromen heeft op 14 april 2021 de Watervisie 2050 vastgesteld. In deze Watervisie staat de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil werken met partners en inwoners. De drie belangrijkste opgaves zijn: de toenemende droogte en wateroverlast als gevolg van klimaatverandering; de waterkwaliteit die onder druk staat: de transitie naar een duurzame ontwikkeling. De Watervisie zal worden doorvertaald naar een Waterbeheerprogramma waarin wordt bepaald hoe het Waterschap in de periode 2022-2027 gaat werken aan haar opgaves.
In het beheerprogramma zal het beleid en de maatregelen worden opgenomen. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het waterbeheerprogramma 2022-2027 is op 15 december 2021 vastgesteld door het algemeen bestuur van Vechtstromen. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). Voor partners en ingezetenen verschaft het programma inzicht in de wijze waarop het waterschap omgaat met het water in het beheergebied. Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma sluit aan bij plannen van andere partijen zoals het Nationale waterplan (Nationaal Water Programma 2022-2027), het Stroomgebiedsbeheerplan Rijndelta en de Omgevingsvisie van de provincies Overijssel en Drenthe.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Verlengde Broekdijk 6-6a Kloosterhaar | PAGINA 38
Belangrijk uitgangspunt van het Waterbeheerprogramma is de verandering van het klimaat. De weersomstandigheden zijn steeds minder vaak gemiddeld. Dat merken we de laatste twee decennia steeds duidelijker. De winters worden natter en in de zomer zijn er langere hete en droge perioden en vallen de buien steeds meer lokaal. Deze zomerbuien hebben vaker een zeer hoge intensiteit, wat leidt tot hoge afvoerpieken en overstromingen. Het watersysteem is nog niet goed toegerust op die verandering. Het is nu nog vooral ingericht op basis van gemiddelden - de normale beheersituatie enerzijds en het voorkomen van wateroverlast anderzijds - en niet op langdurige droge periodes en incidentele hoosbuien. Dit betekent dat het watersysteem aangepast moet worden. Daarbij heeft het waterschap de ambitie om te komen tot een klimaatrobuust watersysteem in 2050: een systeem dat zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht tegen een stootje kan en goed is toegerust op veranderingen en grotere weersextremen. Overeenkomstig de Watervisie 2050 heeft het waterschap de volgende hoofdlijnen aangegeven waar de komende jaren aan gewerkt wordt: Als gevolg van de klimaatverandering wil het waterschap zorgen voor meer balans tussen 'droge voeten' en het beperken van wateroverlast.
Dat betekent dat water het leidende principe is voor het inrichten van de leefomgeving in plaats van andersom: water volgend aan de inrichting. Er wordt meer aandacht gegeven aan het vasthouden van water in de bodem. Regenwater wordt niet als afvalwater beschouwd, maar als bouwsteen in de ontwikkeling van een robuust watersysteem. Watertoetsproces Op 27 februari 2023 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie Bijlage 3 Watertoets. Uit de watertoets blijkt dat met de voorgenomen ontwikkelingen geen waterbelangen zijn gemoeid. Het waterschap Vechtstromen heeft geen bezwaren tegen de voorgenomen ontwikkeling. 4.9
Ecologie
Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Toetsing Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt niet in het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Gronden die tot het NNN behoren liggen op minimaal 890 meter afstand van het plangebied. De voorgenomen activiteiten hebben geen negatief effect op beschermd (natuur)gebied. Omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking heeft, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Natura 2000-gebied Het plangebied behoort niet tot Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op minimaal 890 meter afstand van "Engbertsdijksvenen". Vanwege de lokale invloedsfeer hebben de voorgenomen activiteiten geen negatieve effecten op deze Natura 2000- of Natuurnetwerk Nederland gebieden.
Er is geen nader onderzoek nodig in het kader van gebiedsbescherming en er hoeft geen ontheffing van de Omgevingsverordening Overijssel of Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. Deze planherziening leidt niet tot extra verkeersbewegingen hetgeen een negatief effect op de Natura2000-gebieden zou kunnen leiden. Soortenbescherming De gronden in het plangebied zijn grotendeels in gebruik als erf bij de woonbestemming.De
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Verlengde Broekdijk 6-6a Kloosterhaar | PAGINA 39
bestaande woonsituatie wordt planologisch gewijzigd naar twee woningen. Deze planontwikkeling leidt niet tot verbouw of nieuwbouw noch werkzaamheden die tot aantasting van verblijfplaatsen of foerageergebieden kunnen leiden. Op basis hiervan lijkt van aantasting van leefgebied voor beschermde flora en fauna geen sprake, daarnaast is de invloedsfeer van de voorgenomen ontwikkeling lokaal. Op basis van deze gegevens wordt nader onderzoek op basis van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk geacht. Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'ecologie' geen belemmering vormt voor deze planherziening. 4.10
Archeologie en Cultuurhistorie
Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden.
Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Archeologie De gemeente Hardenberg heeft het archeologiebeleid verwerkt in het bestemmingsplan in de vorm van dubbelbestemmingen. Toets Op basis van het bestemmingsplan is geen archeologische dubbelbestemming van toeepassing op het plangebied. Archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Toets Er bevinden zich in het plangebied geen rijks- of gemeentelijke monumenten. In het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Geconcludeerd kan worden dat de aspecten 'cultuurhistorie' en 'archeologie' geen belemmering vormen voor deze planherziening.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Verlengde Broekdijk 6-6a Kloosterhaar | PAGINA 40
4.11
Verkeer / parkeren
Verkeer De percelen Verlengde Broekdijk 6 en 6a worden rechtstreeks ontsloten op de Verlengde Broekdijk. Dit is een van de toegangswegen naar de kern Kloosterhaar. Het is een geasfalteerde weg en valt onder een 60 km/uur-regime. Toets Deze planherziening leidt niet tot de bouw van een extra woning c.q. een extra huishouden. Het aantal verkeersbewegingen zal niet toenemen. Het bestaande verkeer kan eenvoudig via de huidige weg worden afgewikkeld. Het aspect 'verkeer' levert geen belemmeringen op voor dit plan. Parkeren De gemeente Hardenberg heeft in juni 2018 de Parkeernormennota Hardenberg vastgesteld. Voor het bepalen van de parkeerbehoefte is aansluiting gezocht bij de CROW-richtlijn 381 "Toekomstbestendig parkeren'. In deze richtlijnen wordt het betreffende gebied ingedeeld in een stedelijkheidsgraad en tevens is belangrijk, waar de locatie zich bevindt, bijvoorbeeld in het centrum of in het buitengebied. In de richtlijn wordt een bandbreedte aangegeven. De gemeente heeft ervoor gekozen om het minimumaantal te hanteren als richtlijn. Toets Het plangebied valt onder 'niet stedelijk' en ligt in het buitengebied. Bij deze woningen (koop, huis, twee-onder-een-kap) hoort een parkeerbehoefte van minimaal 1,8 parkeerplaatsen. Het parkeren vindt plaats op eigen terrein en beide woningen hebben een eigen oprit. Daar is voldoende ruimte is om in parkeerplaatsen te voorzien.
Het aspect 'parkeren' levert derhalve geen belemmeringen op voor dit plan.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Verlengde Broekdijk 6-6a Kloosterhaar | PAGINA 41
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische toelichting
Planopzet en systematiek
De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. 5.2
Toelichting op de regels
5.2.1
opbouw
In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht. Inleidende regels begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden Bestemmingsregels De opbouw van de regels ziet er als volgt uit: bestemmingsomschrijving De omschrijving van de doeleinden.
Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies; bouwregels In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart); afwijken van de bouwregels Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Verlengde Broekdijk 6-6a Kloosterhaar | PAGINA 42
bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken; specifieke gebruiksregels In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies; afwijken van de gebruiksregels Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de betemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen; wijzigingsregels In dit onderdeel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden gekoppeld aan de desbetreffende bestemming. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.
Algemene regels anti-dubbeltelregel Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld; algemene bouwregels In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen beschreven, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen; algemene gebruiksregels Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin; algemene aanduidingsregels In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels beschreven; algemene afwijkingsregels In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; algemene wijzigingsregels In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking.
De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; overige regels Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van bijvoorbeeld welstand en wegverkeerslawaai en er wordt de mogelijkheid geboden om nadere eisen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing. Overgangs- en slotregels overgangsrecht
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Verlengde Broekdijk 6-6a Kloosterhaar | PAGINA 43
Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet; slotregel Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald. 5.2.2
Bestemmingen
Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen: Wonen - besloten veenontginningslandschap De voor Wonen - besloten veenontginningslandschap aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, met inbegrip van aan-huis-gebonden beroepen. Daarnaast zijn diverse kleinschalige nevenactiviteiten toegestaan (o.a. bed and breakfast, boerderijkamers). Als hoodgebouw mag een woning worden gebouwd, deze mag vrijstaand, dubbel of aaneengesloten worden gebouwd, overeenkomstig de bestaande vorm. Het aantal woningen is het bestaande aantal, dan wel het op de verbeelding aangegeven aantal woningen. In de regels zijn de maximale goothoogtes, bouwhoogtes en de minimale dakhelling aangegeven. De inhoud van de woning bedraagt maximaal 750 m³. Voor bijgebouwen en overkappingen geldt dat er een maximale oppervlakte geldt van 100 m² als de gronden behorende bij de woning minder dan 1 hectare bedraagt of 150 m² als deze oppervlakte aan gronden bij de woning meer dan 1 hectare bedraagt.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Verlengde Broekdijk 6-6a Kloosterhaar | PAGINA 44
Hoofdstuk 6
Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In deze situatie komen de gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, voor rekening van de aanvrager. De gemeente en initaitiefnemer hebben een anterieure overeenkomst gesloten. Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Verlengde Broekdijk 6-6a Kloosterhaar | PAGINA 45
Hoofdstuk 7 7.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Vooroverleg
Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Overijssel De provincie Overijssel heeft in juli 2016 een uitzonderingslijst opgesteld van categorieën bestemmingsplannen en projectbesluiten van lokale aard waarvoor vooroverleg niet noodzakelijk is. Het plan valt onder categorie B onder 1, waardoor vooroverleg niet nodig is. Waterschap Vechtstromen Op 27 februari 2023 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Vechtstromen. De conclusie van die digitale toets is dat het waterschap een positief advies geeft. Hiermee is voldaan aan het verplichte vooroverleg. 7.2
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 21 september 2023 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn geen zienswijzen binnengekomen.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Verlengde Broekdijk 6-6a Kloosterhaar | PAGINA 46
Bijlagen toelichting
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Verlengde Broekdijk 6-6a Kloosterhaar | PAGINA 47
Bijlage 1
Landschapsplan
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Verlengde Broekdijk 6-6a Kloosterhaar | PAGINA 48
Ruimtelijk kwaliteitsplan V E R L E N G D E B R O E K D I J K 6 - 6 A K LO O S T E R H A A R
Inhoudsopgave I N T R O D U C T I E 0 5 H U I D I G E S I T U AT I E 0 6 L A N D S C H A P S A N A LYS E 08 R U I M T E L I J K K WA L I T E I T S P L A N 1 5
Plangebied
4
Afbeelding 2: Topografische kaart (bron: opentopo)
VERLENGDE BROEKDIJK 6-6A KLOOSTERHAAR
Introductie Ad Fontem Ruimtelijk Advies heeft het voorliggend ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld naar aanleiding van de
De gemeente heeft na het indienen van een principeverzoek
voorgenomen ontwikkeling aan de Verlengde Broekdijk 6-6a te Kloosterhaar. De initiatiefnemers zijn voornemens de
positief besloten. Het voornemen kan onder meer
planologische situatie in overeenstemming te brengen met de feitelijke situatie, namelijk een woning met inwoning
worden gerealiseerd op voorwaarde dat de ontwikkeling
omzetten naar twee woningen (twee-onder-een kapwoningen).
landschappelijk wordt ingepast en dat de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse wordt versterkt. De landschappelijke inpassing wordt uiteengezet door middel van onderhavig ruimtelijk kwaliteitsplan. Het beleid en de uitgangspunten van de actoren, die relevant zijn voor de landschappelijke inpassing, worden in beeld gebracht. Er wordt een beschrijving gegeven van het plangebied in het omliggende landschap op basis van de landschapsinventarisatie en analyse. Dit vormt de basis voor de beschrijving van de nieuwe situatie, inclusief de landschappelijke inpassing die voldoet aan het beleid opgesteld door de gemeente Hardenberg.
Afbeelding 3: Topografische kaart (bron: opentopo)
5
Huidige situatie Op het perceel aan de Verlengde Broekdijk 6-6a te Kloosterhaar, gelegen ten noorden van de kern Kloosterhaar is sprake van een woning met inwoonsituatie. Het plangebied is zodanig ingericht dat er reeds sprake lijkt van twee afzonderlijke wooneenheden. De woning ligt wat verder
1
van de weg af en is omgeven door het bos dat de zandplas grotendeels omkaderd.
De woning is onderdeel van de verspreide bebouwing gelegen aan Verlengde Broekdijk. De woning wordt omgeven door groen in de vorm van houtopstanden, hagen en diverse tuinbeplantingen zowel aan de voorzijde als de achterzijde van de woning.
2 6
VERLENGDE BROEKDIJK 6-6A KLOOSTERHAAR
2
1 Afbeelding 4 t/m 6 Diverse foto’s van het plangebied met de locatie weergegeven op de luchtfoto (bron: Cyclomedia)
7
Landschapsanalyse historie De historische topografische kaarten uit verschillende jaren kunnen ons veel vertellen over de ontwikkeling van de plek. Het plangebied is gelegen in de verspreide bebouwing langs de doorgaande weg tussen Kloosterhaar en Bruchterveld. gevormd op een kruispunt tussen verscheidene wegen tussen De Klooster Haar, De Berghaar en Sibculo. De gronden bij de ‘haren’ waren rond 1900 reeds ontgonnen. De zandige hogere delen worden haren genoemd. Het toponiem ‘haar’ komt voor in meerdere namen van dorpen in de omgeving zoals Kloosterhaar, Westerhaar-Vriezenveensewijk en Bruinehaar. Rond 1900 is reeds een rechthoekige ontginning bij het plangebied waar te nemen op de historische topografische kaarten. Deze structuur is nog terug te vinden in de huidige verkaveling. In een later stadium zijn de omliggende heidegronden ontgonnen en zijn de gronden ten noorden van het plangebied in gebruik genomen ten behoeve van zandwinning.
1900 8
VERLENGDE BROEKDIJK 6-6A KLOOSTERHAAR
1920
1980
1950
2000 Afbeelding 7 t/m 11 Historische topografische kaarten van 1900 tot aan 2000 (bron: Topotijdreis.nl)
9
Landschapsanalyse Door de wisselwerking tussen abiotische (fysische) en biotische factoren en processen is er sprake van waarneembare verschillen in het landschap. Zo zorgden ijs-, wind- en waterstromen voor het ontstaan van een afwisselend landschap van stuwwallen, dekzandgronden, beekdalen en natte laagtes in Twente en omstreken. Niet alleen natuurlijke omstandigheden het landschap gevormd, ook de mens is een belangrijke factor. Onder invloed van de landbouw ontstonden in de vroege middeleeuwen uitgestrekte heidevelden en daar waar te intensief geplagd werd ontstonden zandverstuivingen. Het hoogveen werd ontveend in de eerste helft van de 20ste eeuw waardoor een rationeel landschap is ontstaan. Het plangebied is gelegen in het overgangsgebied tussen de veenontginneingen en het stuwwal Sibculo - Kloosterhaar. Op de algemene hoogtekaart van Nederland (AHN), zie figuur 12, is het reliëf in het plangebied en de omgeving te zien. In noordoostelijke richting gaan de gronden omhoog door de ligging op de stuwwal van Sibculo-Kloosterhaar. De mens heeft deze gebieden in cultuur gebracht wat heeft geleid tot de vormgeving van het huidige landschap.
Figuur 12 Hoogtekaart plangebied en omgeving AHN met het plangebied zwart omcirkeld (bron: ahnviewer.nl) 10
brongebied) en deze beter zichtbaar maken.
Agrarische cultuurlandschap: Oude Hoevelandschap
Landschapsanalyse beleid
Deze laag is het resultaat van de wisselwerking tussen verschillen in de natuurlijke ondergrond en de manier waarop gebieden in cultuur werden – en worden – gebracht. Door de eeuwen heen is een geschakeerd patroon van akkers, weiden, hooiland en bebouwing (hoeven, kernen en dorpen) gegroeid. Vanouds kennen de nederzettingen een sterke ruimtelijke en functionele relatie met het omliggende landschap.
Het oude hoevenlandschap betreft een landschap met verspreid
Provinciaal beleid
Gebiedskenmerken Middels een verdeling in vier lagen zijn de
liggende erven. Het werd ontwikkeld nadat de complexen met de
De Omgevingsvisie Overijssel geeft de provinciale visie op de
gebiedskenmerken binnen de Omgevingsvisie toegelicht:
grote essen ‘bezet’ waren en een volgende generatie boeren nieuwe
fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Duurzaamheid,
•
De natuurlijke laag
ontwikkelingsruimte zocht. Die vonden ze bij kleine dekzandkopjes
ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende
•
De laag van het agrarisch-cultuur landschap
die individueel werden ontgonnen. Dit leidde tot een landschap
principes of ‘rode draden’ bij alle initiatieven in de fysieke
•
De stedelijke laag (hier n.v.t.)
dat dezelfde opbouw kent als het essenlandschap, alleen in een
leefomgeving in de provincie Overijssel. Bestaande
•
De lust en leisure laag (hier n.v.t.)
meer kleinschalige, meer individuele en jongere variant. Deze
kwaliteiten moeten worden beschermd en er moeten
kleinere maat en schaal is tevens de reflectie van de natuurlijke
verbindingen worden gelegd tussen deze bestaande
Natuurlijke laag: Stuwwallen
ondergrond. Een samenhangend systeem van es/kamp, erf op de
kwaliteiten en nieuwe ontwikkelingen. De opgaven, kansen,
De stuwwallen zijn tijdens de ijstijd opgestuwde aardlagen
flank, natte laagtes en – voormalige – heidevelden. Ordening vanuit
beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de
die door de vaak grote hoogteverschillen nog steeds goed
de erven, die de ‘organische’ vormen van landschap volgt.
provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in
zichtbaar zijn. Op een aantal plekken zijn de ruggen al van
ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en
verre zichtbaar; bovenop staand bieden ze spectaculaire
Het belangrijkste uitgangspunt is dat als ontwikkelingen plaats
stedelijke omgeving.
zichten over de provincie. De stuwwallen hebben als regionale
vinden in het oude hoevenlandschap, deze dan bijdragen
inzijggebieden een belangrijke functie in het watersysteem.
aan behoud en accentuering van de dragende structuren
Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de
Lagen met diverse bodemsamenstelling zijn scheef gesteld,
(groenstructuur en routes) van het oude hoevenlandschap,
Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd
waardoor er voedselrijker en armere, waterdoorlatende en
en aan de samenhang en de karakteristieke verschillen tussen
op drie niveaus, te weten: 1 generieke beleidskeuzes, 2
ondoorlatende lagen direct naast elkaar kunnen liggen. Als
de landschapselementen: de erven met erfbeplanting; open
ontwikkelingsperspectieven en 3 gebiedskenmerken.
ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan: het
es(je); beekdal; voormalige heidevelden, de mate van openheid
beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen
en kleinschaligheid. Met deze uitgangspunten is, waar van
Voor het behoud en het versterken van de ruimtelijke kwaliteit
en van de overgang tussen stuwwal en omgeving; en dragen
toepassing, rekening gehouden in het voorliggende plan. Het
vormen essentiële gebiedskenmerken het uitgangspunt.
deze bij aan versterking van de potentiële natuurlijke
plangebied heeft echter meer weg van een ontginningslandschap
kwaliteiten van de ‘natte voet’ van de stuwwal (kwelzone,
door de aanwezigheid van de rechtljnige structuren. 11
Gemeentelijk beleid
Kenmerken van het besloten veenlandschap volgens de LIK:
Visienota Buitengebied
•
goed zichtbare rationele, strokenverkaveling;
De Visienota Buitengebied van de gemeente Hardenberg
•
wijkenstructuur herkenbaar in verkaveling;
(2006) is een ruimtelijke visie voor het buitengebied van de
•
enkele wijken aanwezig;
gemeente Hardenberg. Het perceel Verlengde Broekdijk
•
wegbeplanting;
6-6a te Kloosterhaar valt in gebied 3 Dedemsvaart-
•
perceelgrensbeplanting;
Zuid, Colenbranderbos, Slagharen-Oost/West, De Krim,
•
bosstroken;
Bergentheim-Zuid.
•
verspreide ligging erven;
•
erven met erfbeplanting;
•
half open landschap.
In de Visienota Buitengebied worden, op hoger niveau, gebiedskenmerken beschreven en ontwikkelingsrichtingen aangegeven. Dit is in LIK’s en de Ontwikkelingsvisie verder
Kansen
uitgewerkt.
•
behoud zichtbaarheid strookvormige verkaveling;
•
versterken erfopbouw en erfbeplanting.
Landschapstype:
Veenontginning
Landschapskenmerken: •
openheid/regelmatigheid;
•
lintbebouwing (deels gesloten);
•
vlakke ligging;
•
opstrekkende strokenverkaveling;
•
herkenbare wijkenstructuur;
•
bebouwing langs ontginningsassen.
Huidige functie:
Hoofdzakelijk landbouw
Toekomst:
Landbouwontwikkelingsgebied
Landschapsidentiteitenkaart (LIK) Het plangebied is beschreven in de LandschapIdentiteitsKaart (LIK): Bergentheim-Zuid. In de LIK worden de specifieke kenmerken en kwaliteiten van het deelgebied vastgelegd. Het plangebied ligt binnen het LIK in het besloten veenontginningslandschap. Uit het LIK (en het achtergronddocument) zijn die zaken aangehaald welke bruikbaar zijn voor het plan en de inrichting van het plangebied. 12
Afbeelding 17 Beleidskaart gemeente Twenterand (bron: gemeente Twenterand)
Ruimtelijk kwaliteitsplan
a=
Bestaande woningen
b=
Bijgebouwen bij woningen
c=
Bestaande gebiedseigen en inheemse erfbomen
d=
Bestaande en tevens te behouden hagen, max 1.25 m hoog
e=
Tuinbeplantingen, waarbij de voorkeur bestaat om bij nieuwe aanplant gebiedsvreemde grote heesters te voorkomen (coniferen, laurierkers) gebiedseigen of passende beplanting als hortensia, rhododendron, vaste planten in de tuin aan te brengen
f=
Bestaande en tevens te behouden fruitbomen
g=
Aanplant vogelbosje, oppervlakte van ca. 95 m2, aanplant met de soorten lijsterbes (Sorbus aucuparia), meidoorn (Crataegus monogyna), sleedoorn (Prunus spinosa), kardinaalsmuts (Euonymus europaeus), Gelderse roos (Viburnum opulus) en de gewone vogelkers (Prunus padus) plantverband 1 x 1 m in driehoeksverband in een gelijke verdeling. Aanplant in de maat 80-100 (hoogte in centimeters). Bestaand bos
h= i=
Water
j=
Grasmengsel
a= b= c= d= e=
Vanuit het klooster van Sibculo is het veen uiteindelijk in gebruik genomen door de mens. Rond Kloosterhaar zijn boerderijen
f=
gesticht voor de vervening van het gebied. Het gebied kende van
g=
oorsprong langgerekte linten met bebouwing langs de hoofdwegen. Naar mate de bevolking toenam, groeide de hoeveelheid
Landschap op locatie
bebouwing in de linten. Vanwege de ligging van het plangebied
Het plangebied is gelegen op de flank van De Klooster Haar, de stuwwal Sibculo - Kloosterhaar. De zandige hogere delen worden haren genoemd. Het toponiem ‘haar’ komt voor in meerdere namen van dorpen in de omgeving zoals Kloosterhaar, Westerhaar Vriezenveensewijk en Bruinehaar. Het plangebied is gelegen in het oude cultuurlandschap van essen en kampen op de flank van de stuwwal. Het erf ligt op de overgang van de hoger gelegen zandgronden, de haren, naar de nattere omliggende laagtes van het open veengebied. Waar het kampenlandschap zich normaliter kenmerkt met verspreid liggende essen (bouw landen), bebouwing op de (flanken van) de stuwwal, kleinschalige landschap met organische patronen wordt het plangebied gekenmerkt met een meer rationele structuur.
richting de Haar, de stuwwal, is de bebouwing wat meer verspreid. Van herkenbare strokenverkaveling is ter plaatse geen sprake daar de locatie gesitueerd is in het overgangsgebied tussen veen en de stuwwal. Wel is het perceel rechthoekig. De gronden richting het veen zijn in gebruik genomen als zandafgraving. De omkaderende houtopstanden zorgen voor een
h= i= j=
Rond 1900 (zie onderstaande topografische kaart) is reeds een rechthoekige ontginning bij het plangebied waar te nemen op de historische topografische kaarten. Deze structuur is nog terug te vinden in de huidige verkaveling. In een later stadium zijn de omliggende heidegronden ontgonnen en is er meer bebouwing toegevoegd. De erven kennen een duidelijke orientatie op de weg waarbij de kopgevel vaak naar de weg gekeerd is. Het gebied is tweede helft van de 20e eeuw sterk veranderd. Zo is er een zandwinplas ten noorden van het erf gegraven.
besloten landschap. Onderhavige ontwikkeling heeft geen impact op de fysieke lee-
Lan
Het p Sibcu topon Kloos geleg stuww haren kamp esse lands meer
fomgeving. De landschappelijke inpassing van het bestaande erf wordt waar mogelijk verbeterd. De volgende uitgangspunten zijn daarbij van belang: •
splitsing bestaande woning;
•
het erf moet aansluiten bij de gebiedskenmerken Omgev-
•
ingsvisie Overijssel en het LIK; Woningsplitsing
22AF260
A.Veenendaal
Familie - behouden, besloten en karakteristiek van het landschap
Versie 1.1
-
rechtlijnig;
Verlengde Broekdijk 6-6a
13-03-2023
A3
7694 TG Kloosterhaar
Concept
1:500
•
zicht op het erf behouden;
•
streekeigen en inheemse beplanting toepassen;
Rond ontgi kaart later bebo waar de 20 gegra
Figuur 18 Inpassingsschets 13
VERLENGDE BROEKDIJK 6-6A KLOOSTERHAAR
Situering bebouwing Het erf blijft in principe hetzelfde, waarbij de bestaande bebouwing gehandhaafd wordt en de bestaande inritten behouden blijven. Bij het splitsen van de woning is het belangrijk dat de eenheid op het erf behouden blijft. Na splitsen van de woning zal de verschijning hetzelfde blijven. De impact op de omgeving is hiermee nihil. Groenstructuur en inrichting erf De erven langs de Verlengde Broekdijk zijn omgeven door houtopstanden nabij de zandwinningen of daar erfbeplantingen op eigen erf. Richting de weg zijn de erven opener en er is zicht op de bebouwing. Het plangebied ligt op enige afstand van de weg waardoor er een grote tuin tussen het erf en de straat bestaat. Het is wenselijk dit zichtbare voorerf, dat niet zichtbaar gesplitst is, te behouden. Van belang is dat de haag tussen de weg en de voortuin op een maximale hoogte van 1.25m gehouden wordt. De rechtlijninge structuur wordt hiermee versterkt en het erf krijgt een betere relatie met de omgeving. Bestaande element-
Figuur 21 Inheems bosplantsoen vogelbosje
en zoals de haag en de fruitbomen benadrukken het voorerf en zullen behouden blijven. Het zij- en achtererf met bijgebouwen is reeds uit het zicht ontnomen door diverse tuinbeplantingen. In aanvulling op het bestaande groen zal een vogelbosje aangeplant worden ten behoeve van de biodiversiteit. Maatregelen •
Behoud hagen voorerf met een max. hoogte van 1.25m
•
Behoud fruitbomen langs inrit
•
Aanplant vogelbosje van ca. 95 m2
Beplantingsplan * G
NAAM Lijsterbes Meidoorn Sleedoorn Kardinaalsmuts Gelderse roos Gewone vogelkers
LATIJNSE NAAM Sorbus aucuparia Crataegus monogyna Prunus spinosa Euonymus europaeus Vibernum opulus Prunus padus
AANPLANT MAAT 80-100 80-100 80-100 80-100 80-100 80-100
PLANTAFSTAND 1 x 1 meter 1 x 1 meter 1 x 1 meter 1 x 1 meter 1 x 1 meter 1 x 1 meter
% AANTAL 20 19 15 14 15 14 20 19 20 19 10 10
Figuur 20 Ongewenste uitheemse beplanting 14
Colofon N A A M Verlengde Broekdijk 6-6a Kloosterhaar P L A N T Y P E Ruimtelijk kwaliteitsplan S TAT U S Concept DAT U M juni 2023 P R OJ E C T N U M M E R
22AF260
O D P R AC H TG E V E R
Eeckhof B.V.
O P S T E L L E R AV C O N TA C T P E R S O O N Ad Fontem 074 255 7020 info@ad-fontem.nl www.ad-fontem.nl
A. Veenendaal
Bijlage 2
Verkennend (asbest) bodemonderzoek
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Verlengde Broekdijk 6-6a Kloosterhaar | PAGINA 64
RAPPORT VERKENNEND (ASBEST)BODEMONDERZOEK conform NEN5740 en NEN5707 Verlengde Broekdijk 6 en 6A - Kloosterhaar
Opdrachtgever: Ad Fontem Locatie: Verlengde Broekdijk 6 en 6A 7694 TG Kloosterhaar Februari 2023
Kruse Milieu BV Adres: Huyerenseweg 33 7678 SC Geesteren
Internet: info@krusegroep.nl www.krusegroep.nl
Tel: 0546 - 63 96 63 KvK: 06068751 BTW-nr: NL 8019.25.125.B01
Bankgegevens: ABN AMRO: NL34ABNA0501538739
Rapport Verkennend (Asbest)Bodemonderzoek conform NEN5740 en NEN5707 Verlengde Broekdijk 6 en 6A - Kloosterhaar
Opdrachtgever: Ad Fontem Stationsstraat 37 7622 LW Borne Locatie: Verlengde Broekdijk 6 en 6A 7694 TG Kloosterhaar Projectcode: 23000610 Rapportagedatum: 3 februari 2023 Projectleider: de heer ing. J. Lammers Auteur: mevrouw E. Koppelman
Kruse Milieu BV
INHOUD Pagina 1
1
Inleiding
2
Locatiegegevens Beschrijving huidige situatie Vooronderzoek Bodemsamenstelling en geohydrologie
2 2 2 3
3
Uitvoering bodemonderzoek Onderzoeksstrategie Veldwerkzaamheden Analyses Toetsing chemische analyses Toetsing asbestanalyses
4 4 5 5 6 7
4
Resultaten Algemeen Veldwerkzaamheden Resultaten en toetsing van de chemische analyses Bespreking resultaten chemische analyses Resultaten van de asbestanalyses
8 8 8 10 10 11
5
Samenvatting, conclusies en aanbevelingen
12
6
Literatuur en bronvermelding
14
Bijlagen I
Regionale ligging locatie Boorplan verkennend (asbest)bodemonderzoek Kruse Milieu BV, februari 2023 II Boorstaten en legenda boorstaten III Resultaten chemische analyses en toetsing chemische analyses IV Resultaten asbestanalyses V Verklaring van enkele gebruikte termen en afkortingen
Kruse Milieu BV
Project: 23000610
1
Inleiding
Dit rapport beschrijft het verkennend (asbest)bodemonderzoek, dat in opdracht van Ad Fontem op een terreindeel aan de Verlengde Broekdijk 6 en 6A in Kloosterhaar door Kruse Milieu BV is uitgevoerd. De aanleiding van dit onderzoek is een bestemmingsplanwijziging (naar wonen). Het bodemonderzoek is noodzakelijk in het kader van de bestemmingsplanwijzigingen dient inzicht te geven in de milieukundige kwaliteit van de bodem. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN5725 “Aanleiding A: Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek”. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat de onderzoekslocatie als onverdacht kan worden beschouwd. De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN5725, Bodem.
Leidraad bij het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend, oriënterend en nader onderzoek”, NNI Delft, oktober 2017; - NEN5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond” NNI Delft, januari 2009; - de aanvulling NEN5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016; - NEN5707 + C2, “Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond”, NNI Delft, december 2017. De doelstelling van het onderzoek op een onverdachte locatie is aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs gesproken geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of het freatisch grondwater. Het veldwerk is uitgevoerd in januari 2023 conform BRL SIKB2000 en de protocollen 2001, 2002 en 2018, waarvoor Kruse Milieu BV is gecertificeerd. Hierbij wordt verklaard dat Kruse Milieu BV financieel en juridisch onafhankelijk is van de opdrachtgever. De vermelde medewerkers in deze rapportage zijn akkoord met openbaring van zijn of haar persoonsgegevens in het kader van de AVG-privacy wetgeving. In dit rapport worden de resultaten besproken van het veld- en het laboratoriumonderzoek.
De gemeten gehalten in de grond worden vergeleken met de achtergrondwaarden (AW2000) en de interventiewaarden om vast te stellen of er al dan niet verontreinigingen aanwezig zijn. De in het grondwater gemeten gehalten worden vergeleken met de streef- en interventiewaarden. Tevens worden de resultaten met betrekking tot asbest vergeleken met de wetgeving inzake asbest in bodem en puin, welke door de ministeries van SZW en I&M is vastgesteld. In het beleid is voor asbest een restconcentratienorm en een interventiewaarde opgenomen.
Kruse Milieu BV
Project: 23000610
Pagina 1 van 14
2
Locatiegegevens Beschrijving huidige situatie
Algemeen De onderzoekslocatie is gelegen aan de Verlengde Broekdijk 6 en 6A in Kloosterhaar, op circa 160 meter ten noordoosten van de bebouwde kom van Kloosterhaar. Het centrale punt binnen het te onderzoeken terreindeel heeft de coördinaten x = 242.824 en y = 502.185. Het terrein is kadastraal bekend als: gemeente Ambt-Hardenberg, sectie T, nummers 2390 (gedeeltelijk) en 2391 (gedeeltelijk). De Verlengde Broekdijk bevindt zich ten zuiden van de onderzoekslocatie. Direct ten noordwesten van de onderzoekslocatie bevindt zich een zandwinning. Bebouwing en verharding De onderzoekslocatie is onbebouwd en deels verhard met klinkers en tegels (oprit). Het overige deel is onverhard en in gebruik als tuin en bos. Onderzoekslocatie Het bodemonderzoek is noodzakelijk in het kader van de bestemmingsplanwijziging. Het bodemonderzoek dient inzicht te geven in de milieukundige kwaliteit van de bodem. De onderzoekslocatie is onbebouwd, deels verhard en omvat circa 3450 m². In bijlage I zijn de regionale ligging van de locatie weergegeven is het boorplan van dit verkennend (asbest)bodemonderzoek opgenomen. Vooronderzoek In het vooronderzoek komt naast informatie uit het huidige gebruik het vroegere gebruik van het terrein aan de orde evenals de vraag of er in het verleden reeds bodemonderzoeken zijn verricht op het terrein.
Het vroegere gebruik van het terrein is van belang, omdat bronnen van verontreiniging aanwezig geweest kunnen zijn. De geraadpleegde bronnen zijn weergegeven in tabel 1. De volgende informatie is verzameld: - de onderzoekslocatie heeft momenteel een bedrijfsbestemming (zandwinning). De woonbestemming zal worden uitgebreid (de woningen hebben reeds de bestemming wonen), waarbij het plangebied geheel wonen wordt; - de zandput is ten noordwesten van de onderzoekslocatie gelegen. Sinds 2010 wordt weer zand gewonnen, ten noordoosten van de oorspronkelijke zandwinning. De zandwinning zal stoppen; - voor zover bekend is er op de onderzoekslocatie nooit sprake geweest van opslag in tanks van chemicaliën of brandstoffen, zoals huisbrandolie of diesel; - voor zover bekend is de onderzoekslocatie nooit gebruikt voor werkzaamheden of (bedrijfs)activiteiten, die verontreinigend kunnen zijn. De opslag van zand vindt plaats op > 50 meter ten oosten en het verwerken van zand vindt plaats op > 150 meter ten noorden van de onderzoekslocatie; - voor zover bekend is het te onderzoeken terreindeel in het verleden niet opgehoogd en hebben er geen dempingen van lager gelegen delen of sloten plaatsgevonden; - voor zover bekend bevindt zich geen asbest op of in de bodem op de onderzoekslocatie. Er bevinden zich geen asbesthoudende beschoeiingen of sloopafval direct naast of op de onderzoekslocatie.