Bijlage 11 - Toelichting
Tekst van het document
De definitie van een geurgevoelig object luidt: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Jachthuisw eg 9 Collendoorn | PAGINA 48
5.6.1.2 Geurverordening gemeente Hardenberg De Wgv maakt het voor gemeenten mogelijk om gebiedsgericht geurbeleid op te stellen. Daarmee krijgt de gemeente een instrument om de ontwikkeling van (grootschalige) veehouderij te sturen. Gemeenten mogen bij verordening van de normen van de Wgv afwijken (artikel 6 Wgv), binnen bepaalde grenzen. Het hanteren van afwijkende normen moet worden onderbouwd vanuit een ruimtelijke visie op de ontwikkeling van het gebied, de zogenaamde “gebiedsvisie”. De gemeente Hardenberg heeft een dergelijke 'geurverordening' opgesteld en gebiedsgericht geurbeleid ontwikkeld. In deze geurverordening zijn de wettelijke geurnormen (odeur) en afstanden aangepast. De afstand van de gevel van een bestaande stal tot de gevel van een geurgevoelig object moet in het buitengebied minimaal 25 meter bedragen. Dit geldt alleen als er sprake is van het houden van de in artikel 4.2 van de gemeentelijke geurverordening genoemde dieraantallen niet wordt overschreden. Worden deze aantallen overschreden, of gaat het om de bouw van een nieuwe stal, dan geldt de minimale afstandseis van 50 meter. 5.6.2
Situatie plangebied
Binnen het plangebied worden geen nieuwe geurgevoelige functies mogelijk gemaakt. Er is immers al een geurgevoelig object (de bestaande woningen) aanwezig in het plangebied. Door het omzetten van de burgerwoning naar een (plattelands)woning verandert het beschermingsniveau niet. De omliggende agrarische bedrijven worden niet belemmerd in hun bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden. Ten aanzien van het te vestigen akkerbouwbedrijf in het plangebied wordt opgemerkt dat er geen sprake is van het houden van dieren. In paragraaf 5.5.3.1 is reeds onderbouwd dat het vestigen van het akkerbouwbedrijf niet leidt tot aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. 5.6.3
Conclusie geur
De Wet geurhinder en veehouderijen en de gemeentelijke geurverordening vormen geen belemmering voor de planrealisatie. De omliggende bedrijven worden door vaststelling van het plan niet belemmerd. Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
5.7
Ecologie
5.7.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Natuurbeschermingswet en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. 5.7.2
Gebiedsbescherming
5.7.2.1 Natura 2000-gebieden Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Vecht- en Beneden-Reggegebied' ligt op circa 7 kilometer afstand. Bij de uitvoering van fysieke activiteiten in een plangebied zou kunnen leiden tot een negatief effect op instandhoudingsdoelen van een Natura 2000-gebied in de omgeving van een plangebied. Als gevolg van sloop- en bouwwerkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden, zoals een toename van geluid, trillingen, kunstlicht, visuele verstoring, areaalverlies en aantasten hydrologie. Gelet op de aard, omvang van de voorgenomen
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Jachthuisw eg 9 Collendoorn | PAGINA 49
activiteiten en de grote afstand van circa 7 kilometer tussen het plangebied en het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied, wordt in voorliggend geval een negatief effect op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied uitgesloten. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal en gelet op de afstand tussen het plangebied en het meest nabij gelegen Natura 2000- gebied is een negatief effect uitgesloten. Ten aanzien van de stikstofemissie op Natura 2000-gebieden wordt opgemerkt dat het in de aanlegfase gaat om een kleinschalige en zeer tijdelijke ontwikkeling, namelijk de sloop van één schuur en bouw één werktuigenberging. Er wordt verder geen woning toegevoegd en er worden geen andere gebouwen gesloopt of gebouwd. Ten aanzien van de gebruiksfase wordt opgemerkt dat de gronden van het plangebied als gevolg van deze bestemmingsplanherziening uitsluitend mogen worden gebruikt en worden bebouwd ten behoeve van een akkerbouwbedrijf. Concreet zien de plannen toe op de realisatie van een werktuigenberging. In theorie kunnen de gebouwen in het plangebied daarnaast worden gebruikt voor de statische opslag van akkerbouwproducten. Deze opslag genereert zelf geen stikstofemissies. Tevens wordt opgemerkt dat in dit geval in het plangebied uitsluitend de uitoefening van agrarisch bedrijf in de vorm van een akkerbouwbedrijf wordt toegestaan.
Er is geen sprake van het houden van vee. Daarnaast wordt opgemerkt dat de omliggende agrarische gronden reeds in gebruik zijn ten behoeve van het bestaande akkerbouwbedrijf van de initiatiefnemer aan de Jachthuisweg 11. Er vindt dan ook geen verandering plaats ten aanzien van het gebruik/bewerken van deze omliggende landbouwgronden als gevolg van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. Verder wordt opgemerkt dat er als gevolg van deze ontwikkeling op het perceel Jachthuisweg 9 geen sprake is van een onevenredige toename van de verkeersbewegingen. Een agrarische bestemming kent in beginsel weliswaar een hogere verkeersgeneratie dan een woonbestemming, maar in dit geval is er geen sprake van nieuwvesting van een agrarisch bedrijf. In dit geval wordt het perceel Jachthuisweg 9 aangewend voor het reeds bestaande akkerbouwbedrijf van de initiatiefnemer aan de Jachthuisweg 11. De verkeersbewegingen verspreiden zich in de nieuwe situatie tussen de Jachthuisweg 9 en 11. Wel is er naar verwachting sprake van een toename van zwaar verkeer in het plangebied zelf. Er wordt immers een werktuigenberging gebouwd, dus er zullen werktuigen op het perceel manoeuvreren. Om dit te beoordelen heeft BJZ.nu een AERIUS-berekening uitgevoerd die samenhangt met de voorgenomen ontwikkeling. Hierna wordt de belangrijkste conclusie weergegeven.
Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar Bijlage 3 bij deze toelichting. Geconcludeerd wordt dat zowel in de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. 5.7.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een van de pijlers van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN dient te worden voorzien van een passende bestemming. Het NNN heeft geen schaduwwerking. Voor naastliggende gronden gelden geen beperkende bepalingen vanwege de ligging naast NNN. Het plangebied behoort niet tot het NNN. Gronden die tot NNN behoren liggen op circa 1,7 kilometer afstand van het plangebied. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de onderlinge afstand tot de NNN is geen sprake van een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden (er is bijvoorbeeld geen sprake van areaalvermindering en het doorsnijden van structuren).
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Jachthuisw eg 9 Collendoorn | PAGINA 50
5.7.3
Soortenbescherming
5.7.3.1 Algemeen Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. In dit geval is door Natuurbank Overijssel een Quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Het volledige rapport is opgenomen in Bijlage 2. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten. 5.7.3.2 Situatie Jachthuisweg 9 De inrichting en het gevoerde beheer maken de locatie aan de Jachthuisweg 9 niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde dieren. Sommige beschermde vogel-, vleermuis-, amfibieën- en grondgebonden zoogdiersoorten benutten het plangebied als foerageergebied en mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- en voortplantingsplaats. Van de in het plangebied nestelende vogelsoort, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet verstoord, beschadigd of vernield worden.
Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. De kapschuur dient bij voorkeur buiten de voortplantingsperiode van vogels gesloopt te worden. Indien de kapschuur tijdens de voortplantingsperiode gesloopt dient te worden, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier en amfibie gedood en wordt mogelijk een (winter)rust- of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield. Voor het beschadigen/vernielen van de (winter)rust- of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling, maar deze vrijstelling geldt niet voor het doden van beschermde dieren. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden, mogen ze verjaagd worden of kan de bouwplaats ongeschikt gemaakt worden, zodat de dieren zelfstandig vertrekken. Indien niet voorkomen kan worden dat beschermde dieren (opzettelijk) gedood worden, dient een ontheffing aangevraagd te worden. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor de meeste beschermde dieren niet af.
De functie van het plangebied als foerageergebied voor vogels, is voor de in het plangebied voorkomende soorten niet beschermd. Tot slot wordt opgemerkt dat te allen tijde de zorgplicht uit de Wet natuurbescherming geldt. 5.7.4
Conclusie
Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Jachthuisw eg 9 Collendoorn | PAGINA 51
5.8
Archeologie & cultuurhistorie
5.8.1
Archeologie
5.8.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.8.1.2 Situatie plangebied De gemeente Hardenberg heeft het archeologie beleid verwerkt in het bestemmingsplan in de vorm van dubbelbestemmingen. Voor de locatie aan de Jachthuisweg 9 is gedeeltelijk de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' opgenomen. Een archeologisch onderzoek is noodzakelijk voor een of meerdere bouwwerken waarbij grond geroerd wordt met een (gezamenlijk) geroerde oppervlakte groter dan 500 m2 en een diepte van 50 cm of meer. In voorliggend geval wordt de onderzoeksdrempel niet overschreden. De bodemingrepen zijn niet groter dan 500 m2.
Bovendien is deze werktuigenberging grotendeels beoogd op de locatie van de huidige schuur (zie afbeelding 3.1). Een archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Wel wordt de archeologische dubbelbestemming overeenkomstig de bestaande situatie overgenomen, ter bescherming van eventuele archeologische waarden. 5.8.2
Cultuurhistorie
5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rek ening is gehouden” dient te bevatten. 5.8.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich in het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. In het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt met betrekking tot voorliggend plan. 5.8.3
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Jachthuisw eg 9 Collendoorn | PAGINA 52
5.9
Besluit milieueffectrapportage
5.9.1
Algemeen
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd.
Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r., is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. 5.9.2
Beoordeling
5.9.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen of op korte afstand van een Natura 2000-gebied. Het plangebied ligt op circa 7 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Vecht- en Beneden Reggegebied'. Gezien de aard en omvang van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in relatie tot de ruime afstand tot Natura 2000-gebied wordt geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura-2000 gebied. Een en ander blijkt ook uit de beoordeling in paragraaf 5.7.2.1. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet natuurbescherming is in het kader van het voornemen dan ook niet noodzakelijk. Daarom is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. 5.9.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in het toekennen van bestemming 'Agrarisch met waarden - Besloten heideontginningslandschap' met een bouwvlak. De bestemmingsplanwijziging voldoet daarmee aan de definitie van een 'besluit' als bedoeld in het Besluit m.e.r. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Jachthuisw eg 9 Collendoorn | PAGINA 53
het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Evenmin is sprake van een activiteit in onderdeel D waarvoor moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Immers, er is geen sprake van: een landinrichtingsproject (D9); en stedelijk ontwikkelingsproject (D11.2); de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren (D14), aangezien het bestemmingsplan dit gebruik niet toelaat. Overigens zullen, gelet op de kenmerken van het voornemen (het toekennen van een aangepijld agrarisch bouwvlak), de ligging (op een bestaand woonerf dat voorheen een agrarisch bouwperceel in gebruik was) en de kenmerken van de potentiële effecten (het gaat om reeds in gebruik zijnde akkerbouwgronden) geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Een en ander is tevens bevestigd in de in dit hoofdstuk opgenomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. Op 21 juni 2022 heeft college van Burgemeester en wethouders van de gemeente Hardenberg besloten dat er geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen, die reden geven voor een milieueffectrapport als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit is als Bijlage 4 toegevoegd aan deze toelichting. 5.9.3
Conclusie
Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Jachthuisw eg 9 Collendoorn | PAGINA 54
Hoofdstuk 6
Wateraspecten
6.1
Vigerend beleid
6.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2
Rijksbeleid
Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Met de vaststelling van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is het NWP 2016-2021 op enkele onderdelen gewijzigd. Tezamen geven beide documenten op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). In relatie tot de NOVI wordt de doorwerking geregeld in de Omgevingswet. 6.1.3
Provinciaal beleid
In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 6.1.4
Waterschap Vechtstromen
Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het algemeen bestuur van waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 7 oktober het 'Waterbeheerplan 2016-2021' vastgesteld. In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2016 tot 2021) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op: voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte; beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem; het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Jachthuisw eg 9 Collendoorn | PAGINA 55
6.2
Waterparagraaf
6.2.1
Algemeen
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.2.2
Watertoetsprocedure
Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde 'korte procedure' van de watertoets wordt toegepast. Het plan hebben een geringe invloed op de waterhuishouding. Het watertoetsresultaat is opgenomen in Bijlage 5 bij deze toelichting. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het waterschap Vechtstromen geeft een positief wateradvies.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Jachthuisw eg 9 Collendoorn | PAGINA 56
Hoofdstuk 7 7.1
Juridische aspecten en planverantwoording
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is. 7.2
Opzet van de regels
7.2.1
Algemeen
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. Hoofdstuk 1 Inleidende regels; 2. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels; 3. Hoofdstuk 3 Algemene regels; 4. Hoofdstuk 4 Overgangs-en slotregels. 7.2.2
Inleidende regels
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd. Wijze van meten (Artikel 2) Om op een eenduidig manier afstanden, oppervlaktes en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. 7.2.3
Bestemmingsregels
Dit hoofdstuk bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen, zoals weergegeven op de verbeelding van dit bestemmingsplan. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan;
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Jachthuisw eg 9 Collendoorn | PAGINA 57
Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bouwhoogte, inhoudsmaat, etc.); Afwijken van de bouw- en gebruiksregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bouw- en gebruiksregels; Specifieke gebruiksregels: welk gebruik van gronden en opstallen in ieder geval strijdig zijn; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; Wijzigingsbevoegdheid: onder welke voorwaarde het plan mag worden gewijzigd. In paragraaf 7.3.1 worden de bestemmingen nader toegelicht. 7.2.4
Algemene regels
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: Artikel 6 Anti-dubbeltelregel Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage. Artikel 7 Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn algemene gebruiksregels opgenomen. Artikel 8 Algemene bouwregels In dit artikel zijn regels opgenomen ten aanzien van bestaande afmetingen en afstanden en afstanden tot wegen. Artikel 9 Algemene afwijkingsregels In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. Artikel 10 Algemene wijzigingsregels In dit artikel worden de algemene wijzigingsregels beschreven. Deze regels geven burgemeester en wethouders de bevoegdheid om het plan op de in de regels genoemde punten te wijzigen. Artikel 11 Overige regels In dit artikel zijn enkele overige regels opgenomen met betrekking tot de werking van wettelijke regelingen, afstemming welstandstoets, uitsluiting seksinrichting, afstemming APV en evenementen, parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden. 7.2.5
Overgangs- en slotregels
In dit hoofdstuk staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd. 7.3
Verantwoording van de regels
7.3.1
Bestemmingen
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. Agrarisch met waarden - Besloten heideontginningslandschap (Artikel 3)
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Jachthuisw eg 9 Collendoorn | PAGINA 58
Het plangebied is het geheel voorzien van de bestemming 'Agrarisch met waarden Besloten heideontginningslandschap', met een bouwvlak en de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - akkerbouwbedrijf'. De gronden van zijn tevens bestemd voor het wonen in een agrarische bedrijfswoning inclusief het gebruik van tuinen en erven door een derde ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen – plattelandswoning'. In dit geval richt het plan zich op een akkerbouwbedrijf. Binnen een agrarisch bouwvlak wordt in het bestemmingsplan normaal gesproken geen onderscheid gemaakt in het type agrarisch bedrijf dat zich daarbinnen mag vestigen. In dit geval gaat om een akkerbouw bedrijf waarbij geen intentie heeft is vee te gaan houden. Daarom wordt het toe te voegen aangepijlde agrarische bouwvlak op Jachthuisweg 9 voorzien van de aanduiding dat alleen een akkerbouwbedrijf is toegestaan. Dat voorkomt veel (onnodige) onderzoeken. Het bouwvlak op Jachthuisweg 11 wordt qua planologische rechten niet aangepast of afgewaardeerd. Jachthuisweg 11 en Jachthuisweg 9 worden voorzien van het 'relatie'-teken. Dit is een aanduiding waarmee wordt aangegeven dat de daardoor verbonden delen qua bouwmogelijkheden als een geheel worden aangemerkt. Binnen het bouwvlak mogen bedrijfsgebouwen en één bedrijfswoning worden gebouwd.
Verder is binnen de bestemming een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het uitvoeren en instandhouden van de landschappelijke inpassing op het perceel. Waarde - Archeologie 4 (Artikel 4) De voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en bescherming van de verwachte archeologische waarden. Waarde - Archeologie 5 (Artikel 5) De voor 'Waarde - Archeologie 5' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en bescherming van de verwachte archeologische waarden.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Jachthuisw eg 9 Collendoorn | PAGINA 59
Hoofdstuk 8
Economische uitvoerbaarheid
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Een exploitatieplan hoeft niet te worden vastgesteld als: a. het totaal der exploitatiebijdragen dat kan worden verhaald minder bedraagt dan € 10.000,–; b. er geen verhaalbare kosten zijn als bedoeld in artikel 6.2.4, onderdelen b tot en met f Besluit ruimtelijke ordening; c. de verhaalbare kosten uitsluitend de aansluiting van een bouwperceel op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen betreffen; d. het kostenverhaal anderszins verzekerd is. De gemeentelijke kosten zijn beperkt tot de ambtelijke kosten, welke worden verhaald middels de gemeentelijke legesverordening. Eventuele planschade komt voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe is een anterieure overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Jachthuisw eg 9 Collendoorn | PAGINA 60
Hoofdstuk 9 9.1
Vooroverleg, inspraak en zienswijzen
Vooroverleg
Op grond van artikel 3.1.1 Bro is vooroverleg vereist met het waterschap en met de diensten van de provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. 9.1.1
Het Rijk
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 9.1.2
Provincie Overijssel
Het plan is in het kader van vooroverleg aan de provincie Overijssel voorgelegd. De provincie heeft ingestemd met het bestemmingsplan. 9.1.3
Waterschap Vechtstromen
In het kader van de watertoets heeft er een digitale watertoets plaatsgevonden via de website www.dewatertoets.nl. De uitkomsten van deze watertoets hebben geleid tot de 'korte procedure'. Het waterschap geeft een positief wateradvies. De beantwoording van de vragen heeft er niet toe geleid dat er nader overleg met het waterschap moet worden gevoerd. 9.2
Inspraak
Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In het voorliggende geval wordt geen voorontwerp bestemmingsplan ter inzage gelegd door het college van Burgemeester en Wethouders. 9.3
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 26 oktober 2023 tot en met 6 december 2023 voor een ieder voor zienswijzen ter inzage gelegen. In deze periode is één zienswijze binnengekomen. Voor de samenvatting van deze zienswijze en de reactie hierop wordt verwezen naar de zienswijzennota in Bijlage 6.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Jachthuisw eg 9 Collendoorn | PAGINA 61