CConstaterende datHardenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 11 bij toelichting - Vooronderzoek Conventionele Explosieven

orienterende ronde sessie 1 10 januari 2023, gemeente HardenbergBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan ‘Buitengebied Hardenberg, Stadsfront Gramsbergen’ (het aanleggen van een stadsfront met een halve meander en recreatieve voorzieningen langs de Vecht ten noorden van Gramsbergen)18.570 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Vooronderzoek naar het risico op het aantreffen van Conventionele Explosieven in het onderzoeksgebied ‘Baalder Uiterwaard en Vechtrijk Gramsbergen’.

ONDERZOEKSGEBIED:

Baalder Uiterwaard en Vechtrijk Gramsbergen

OPDRACHTGEVER:

Eelerwoude

DATUM:

29-01-2020

TER ACCORDERING MANAGEMENT EN EINDVERANTWOORDELIJKE DIRECTIE:

Ing. F. Pas – Algemeen Directeur Explosive Clearance Group

……………………………………………………...

DOCUMENTCODE:

396-019-VO-01

VERSIE:

Definitief

DISTRIBUTIELIJST:

Eelerwoude Explosive Clearance Group

Copyright Explosive Clearance Group BV 2020©. Niets uit deze rapportage mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, internet of welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de houders van het auteursrecht. De opdrachtgever mag voor intern gebruik duplicaten maken. 396-019-VO-01

Pagina 3 van 71

Inhoudsopgave 1

INLEIDING ..................................................................................................................... 6

1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6

AANLEIDING .......................................................................................................................... 6 HET ONDERZOEKSGEBIED .......................................................................................................... 6 ALGEMEEN ............................................................................................................................ 8 DOEL VAN HET INDICATIEONDERZOEK ........................................................................................... 9 BRONNEN ........................................................................................................................... 11 KWALIFICATIE ONDERZOEKSTEAM ............................................................................................. 12

2

HET INDICATIE ONDERZOEK ...............................................................................................13

2.1 INDELING EN OPZET VAN HET INDICATIEONDERZOEK ....................................................................... 13 2.2 UITGANGSPUNTEN VOOR DE BEOORDELING VAN DE RELEVANTIE VAN EEN INDICATIE .............................. 13 2.3 HISTORISCH-GEOGRAFISCHE INFORMATIE ONDERZOEKSGEBIED ......................................................... 14 2.4 REEDS UITGEVOERDE RAPPORTAGES .......................................................................................... 16 2.5 GERAADPLEEGDE LITERATUUR .................................................................................................. 16 2.6 GERAADPLEEGDE ARCHIEVEN ................................................................................................... 17 2.6.1 GEMEENTEARCHIEF HARDENBERG ...................................................................................................... 17 2.6.2 HISTORISCH CENTRUM OVERIJSSEL ..................................................................................................... 17 2.6.3 NATIONAAL ARCHIEF ........................................................................................................................ 17 2.6.4 NIOD INSTITUUT VOOR OORLOGS- HOLOCAUST- EN GENOCIDESTUDIES ...................................................

18 2.6.5 NEDERLANDS INSTITUUT VOOR MILITAIRE HISTORIE .............................................................................. 18 2.6.6 THE NATIONAL ARCHIVES (LONDEN) ................................................................................................... 19 2.6.6.1 THE NATIONAL ARCHIVES: OMGANG EN UITGANGSPUNT ONTLENEN GEGEVENS AAN DAILY LOGS ... 19 2.6.6.2 Geallieerden: Nord de Guerre coördinatenstelsel....................................................... 19 2.6.7 LIBRARY AND ARCHIVES CANADA........................................................................................................ 22 2.6.8 BUNDESARCHIV-MILITÄRARCHIV ........................................................................................................ 22 2.7 GEMELDE EN GERUIMDE EXPLOSIEVEN EOD EN M.M.O.D.............................................................. 22 2.7.1 ARCHIEF UITVOERINGSOPDRACHTEN EXPLOSIEVEN OPRUIMINGSDIENST DEFENSIE ................................... 23 2.7.2 ARCHIEF M.M.O.D. SEMISTATISCHE ARCHIEFDIENSTEN MINISTERIE DEFENSIE RIJSWIJK ........................... 23 2.7.3 MIJNENVELDREGISTER ..................................................................................................................... 24 2.8 LUCHTFOTO INTERPRETATIE .....................................................................................................

24 2.8.1 DOEL VAN DE LUCHTFOTO INTERPRETATIE ........................................................................................... 24 2.8.2 METHODIEK ................................................................................................................................... 24 2.8.3 GRENZEN EN MOGELIJKHEDEN VAN LUCHTFOTO INTERPRETATIE ............................................................. 25 2.8.4 INVENTARISATIE, SELECTIE EN INTERPRETATIE VAN HET GEHANTEERDE BEELDMATERIAAL ........................... 25 2.9 OVERZICHTSTABEL OORLOGSHANDELINGEN UIT LITERATUUR, ARCHIEFMATERIAAL EN LUCHTFOTO’S........... 27 2.10 BEELDMATERIAAL BETREFFENDE OORLOGSHANDELINGEN IN EN NABIJ ONDERZOEKSGEBIED ...................... 33 2.11 ANALYSE INDICATIES UIT INDICATIE ONDERZOEK ........................................................................... 36

3

HET CONTRA-INDICATIE ONDERZOEK ...................................................................................37

3.1 3.2 3.3 3.4

KAARTVERGELIJKING TEN BEHOEVE VAN CONTRA-INDICATIE ONDERZOEK ............................................ 37 BEELDVERGELIJKING DE VAART TE ANE....................................................................................... 41 KLIC-MELDING ...................................................................................................................... 43 SAMENVATTING NAOORLOGSE WERKZAAMHEDEN ......................................................................... 44

396-019-VO-01

Pagina 4 van 71

4

AFBAKENING VERDACHT GEBIED .........................................................................................45

4.1

ANALYSE AFWEGING INDICATIES EN CONTRA-INDICATIES ................................................................. 45

5 6 7 8

LEEMTEN IN KENNIS ........................................................................................................47 CONCLUSIE EN ADVIES .....................................................................................................48 OVERZICHT VAN GEHANTEERDE BRONNEN .............................................................................49 BIJLAGEN .....................................................................................................................51

BIJLAGE 1: CE-BODEMBELASTINGKAART .............................................................................................. 51 BIJLAGE 2: SYSTEEM CERTIFICATEN OPSPOREN CONVENTIONELE EXPLOSIEVEN .............................................. 53 BIJLAGE 3: PROTOCOL TOEVALSVONDST .............................................................................................. 54 BIJLAGE 4: TOELICHTING VERPLICHTE EN AANVULLENDE BRONNEN WSCS-OCE ............................................. 56 BIJLAGE 5: GERAADPLEEGDE ARCHIEVEN .............................................................................................. 59 BIJLAGE 6: VASTSTELLEN VERDACHT GEBIED EN AFBAKENING IN VOORONDERZOEK ......................................... 67

396-019-VO-01

Pagina 5 van 71

1 INLEIDING Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere munitieartikelen uit de Tweede Wereldoorlog. Volgens mondiale, militaire inschatting is van al het explosieve materiaal dat gedurende de Tweede Wereldoorlog (1939-1945) is ingezet, verschoten of afgeworpen, tussen de zeven en vijftien procent om verschillende redenen niet tot ontploffing gekomen of gebracht. In dit hoofdstuk zullen allereerst de aanleiding en het onderzoeksgebied van de voorliggende bureaustudie worden toegelicht. Hierna volgt een passage over het vooronderzoek in het algemeen, om vervolgens het onderzoeksdoel van deze studie te omschrijven. Tot slot volgt een inzicht van geraadpleegde bronnen en een toelichting van de door Explosive Clearance Group BV (ECG) gestelde eisen aan haar onderzoekers.

1.1

AANLEIDING

Momenteel werken de gemeente Hardenberg en waterschap Vechtstromen aan een plan voor een nieuwe inrichting langs de Vecht, tussen de Hardenbergse wijk Baalder en De Haandrik. Het doel is een waterrijk gebied langs de Vecht te creëren, waar kan worden gewandeld, gefietst, gevaren en waar de natuur kan worden beleefd met behoud van de huidige landbouw.1 Eelerwoude bereidt de werkzaamheden voor. Om het risico op het aantreffen van CE voorafgaande aan de geplande bodemroerende activiteiten in te kunnen schatten, is door Eelerwoude aan ECG de opdracht verstrekt voor de uitvoering van een vooronderzoek conform het vigerende WSCS-OCE. De locatie en een verdere beschrijving van het onderzoeksgebied zijn opgenomen in paragraaf 1.2. Deze bureaustudie is door ECG uitgevoerd conform het vigerende WSCS-OCE en de inspanningen zoals aangegeven in de door ECG opgestelde offerte met kenmerk ‘396-019-VO-01’ betiteld als ‘Baalder Uiterwaard en Vechtrijk Gramsbergen’ daterende van 17 september 2019.

1.2

HET ONDERZOEKSGEBIED

Het onderzoeksgebied ‘Baalder Uiterwaard en Vechtrijk Gramsbergen’ valt onder de gemeente Hardenberg. Het grootste deel van het onderzoeksgebied ligt ten oosten van de Vecht tussen Hardenberg en De Haandrik. Delen van de Vecht vallen binnen het onderzoeksgebied. Steden en gehuchten die zich langs het onderzoeksgebied bevinden, zijn onder andere Hardenberg, Baalder, Loozen, Ane, Anevelde, Gramsbergen, De Meene en De Haandrik. Middels kaartmateriaal is het onderzoeksgebied op de navolgende pagina weergegeven (tekening 396-019-TE-01).

1 Waterschap Vechtstromen, ‘Vechtrijk Gramsbergen’ <https://www.vechtstromen.nl/buurt/projecten/vecht-

gramsbergen/> [geraadpleegd januari 2020].

396-019-VO-01

Pagina 6 van 71

1.3

ALGEMEEN

Hoofdrisico van het werkveld van het opsporen van Conventionele Explosieven (CE) is het onverhoeds aantreffen van deze CE bij het uitvoeren van werkzaamheden in de (water)bodem en/of de ondeskundige en onzorgvuldige omgang met aangetroffen CE. Hierdoor bestaat het gevaar op het ongewenst tot (uit)werking komen van CE en dat kan grote uitwerkingsgevolgen teweegbrengen. De belangrijkste daarvan zijn luchtdruk, schokgolf en scherfwerking, welke een groot gevaar vormen voor de veiligheid en gezondheid van bij het opsporen van CE betrokken werknemers en andere personen. Het voornoemd risico doet zich voor indien voorafgaand aan (bouw)projecten geen/onvoldoende onderzoek wordt gedaan naar de mogelijke aanwezigheid van CE en/of het opsporen van CE op een onzorgvuldige en/of ondeskundige wijze plaatsvindt. In het laatstgenoemde geval doet het risico van het onverhoeds aantreffen van CE zich ook voor zodra na een opsporingsproject met de reguliere (bouw)werkzaamheden wordt gestart.2 Om spontane vondsten en eventuele daaruit voortvloeiende ongewilde gebeurtenissen te voorkomen, dient de opdrachtgever ervoor te zorgen (inspanningsverplichting) dat in de ontwerpfase – als onderdeel van de Risico-Inventarisatie en Evaluatie (RI&E) – er rekening wordt gehouden met (veiligheids) verplichtingen die gelden in de uitvoeringsfase.

Dat wil onder andere zeggen dat de opdrachtgever (de initiatiefnemer van de werkzaamheden) het mogelijk moet maken dat de aannemer die het werk uitvoert dat op een veilige en gezonde manier kan doen, onder naleving van wettelijke regels en door toepassing van maatregelen uit de voor dat werk geldende arbocatalogus, brancherichtlijnen, stand der techniek en wetenschap.3 Als gevolg van het voorgaande dient de opdrachtgever er vooraf zorg voor te dragen dat er bij gronden/of waterbodemroerende activiteiten informatie beschikbaar (inventariseren en evalueren) is over de samenstelling van de (water)bodem. Zoals of er bijvoorbeeld sprake is van de vermoede aanwezigheid van CE en/of de identificatie van potentiële risicolocaties. Om het maatschappelijk belang (veiligheid en gezondheid van en rondom arbeid) te waarborgen, is door de overheid gekozen voor een wettelijk verplichte certificatieregeling voor de borging van de kwaliteit/veiligheid van het opsporen van Conventionele Explosieven. Dat wil zeggen dat opsporingswerkzaamheden met betrekking tot CE op grond van het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit) enkel uitgevoerd mogen worden door de Explosieven Opruimingsdienst Defensie (EOD) en bedrijven die in het bezit zijn van een certificaat voor het opsporen van Conventionele Explosieven.

Om dit certificaat te verkrijgen dient het bedrijf (en de EOD) te voldoen aan de eisen zoals gesteld in het ‘Werkveldspecifieke certificatieschema voor het systeemcertificaat opsporing conventionele explosieven zoals opgenomen in bijlage XII van de Arbeidsomstandighedenregeling’ (afgekort als WSCS-OCE). Het toepassingsgebied

2 Voor nadere info betreffende regelgeving etc. zie: www.explosievenopsporing.nl. 3 Zie ook voor achtergrond Nederland: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Inspectie Sociale Zaken en

Werkgelegenheid, Jaarplan 2015 (Den Haag 2014) 18 (https://www.inspectieszw.nl/binaries/inspectieszw/documenten/jaarplannen/2014/09/15/jaarplan-2015/JaarplanInspectieSZW-2015.pdf); De Inspectie blijft zich inzetten om bij de opdrachtgevers, inclusief gemeenten, indringend concrete aandacht en zorg te eisen voor hun verantwoordelijkheid bij de voorbereidingen voor GWW-projecten. Bijvoorbeeld het veilig opleveren van projectgrond – gevrijwaard van explosieven – en sturing op arbo-aspecten in het opdrachtverlenings-traject.

396-019-VO-01

Pagina 8 van 71

van het Certificatieschema is verdeeld in twee deelgebieden: A (Opsporing, inclusief vooronderzoek) en B (Civieltechnisch Opsporingsproces). De doelstelling van dit door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) vastgestelde certificatieschema is drieledig: ▪ bewerkstelligen dat risicovolle werkzaamheden voldoende veilig voor het eigen personeel en derden aanwezig op het project worden uitgevoerd; ▪ bewerkstelligen dat risicovolle werkzaamheden zodanig en met die deskundigheid worden uitgevoerd dat omwonenden veilig zijn en dat de openbare orde en publieke veiligheid wordt gewaarborgd; ▪ bewerkstelligen dat het vooronderzoek en/of de opsporing volgens de gegunde opdracht wordt uitgevoerd en opgeleverd (vast te leggen in het proces-verbaal van oplevering).4 ECG is voor beide deelgebieden (A+B) gecertificeerd.5 Een eerste stap in het opsporingsproces wordt (doorgaans) gevormd door een (historisch) vooronderzoek waarin beoordeeld wordt of een onderzoekgebied VERDACHT of ONVERDACHT is op de mogelijke aanwezigheid van Conventionele Explosieven.

1.4

DOEL VAN HET INDICATIEONDERZOEK

Het onderzoeksdoel en de te volgen werkwijze betreffende een vooronderzoek zijn in het WSCS-OCE als volgt omschreven: ‘Het vooronderzoek heeft tot doel om te beoordelen of er indicaties zijn dat binnen het onderzoeksgebied CE aanwezig zijn, en zo ja, om het verdachte gebied in horizontale en verticale dimensie af te bakenen. Het vooronderzoek bestaat uit zowel het inventariseren als beoordelen (analyseren) van bronnenmateriaal en resulteert in een rapportage en een CE bodembelastingkaart.’6 Het uitgangspunt van deze studie is het verkrijgen van een, door middel van het verzamelen en verwerken van relevant (historisch) feitenmateriaal, gefundeerd antwoord op de volgende drie kernvragen: 1. Is het onderzoeksgebied of delen hiervan betrokken geweest bij oorlogshandelingen (indicaties) en is er daardoor sprake van een verhoogd risico op het aantreffen van Conventionele Explosieven, oftewel van VERDACHT gebied? 2. Zijn er gebeurtenissen (contra-indicaties) die een aanwijzing vormen dat een (mogelijk verdacht) gebied of een deel hiervan als ONVERDACHT kan worden aangemerkt?

4 Werkveldspecifieke certificatieschema voor het systeemcertificaat opsporing conventionele explosieven zoals opgenomen

in bijlage XII van de Arbeidsomstandighedenregeling (WSCS-OCE) 2. 5 Het certificaat is opgenomen onder Bijlage 2. 6 WSCS-OCE, 16.

396-019-VO-01

Pagina 9 van 71

3. Indien er sprake is van VERDACHT gebied wat is dan de (sub)soort, hoeveelheid, verschijningsvorm van de vermoede Conventionele Explosieven? De indicaties zijn onder te verdelen naar: geografisch herleidbare gebeurtenissen met informatie die een aanwijzing vormen dat het gebied VERDACHT is op Conventionele Explosieven of geografisch herleidbare gebeurtenissen die een aanwijzing vormen dat het gebied als ONVERDACHT kan worden aangemerkt (contra-indicaties).7 Oorlogshandelingen (in dit geval gebeurtenissen die tot de mogelijke aanwezigheid van Conventionele Explosieven leiden) kunnen over het algemeen onderverdeeld worden naar een bepaald(e) oorzaak of scenario, zoals in het navolgende overzicht (figuur 2) is weergegeven.8 MOGELIJKE OORZAKEN VOOR ACHTERGEBLEVEN CONVENTIONELE EXPLOSIEVEN

LUCHTAANVALLEN

Bombardement

Beschieting met boordwapens

Beschieting met raketten

Vliegtuigcrash/ Inslag V-wapen

GRONDGEVECHTEN (SECUNDAIRE GEVOLGEN)

Blindgangers (bijv. artillerie beschieting)

In stellingen achtergelaten, gedumpt of bedolven

MUNITIE VERNIETIGING

MILITAIR GEBRUIK

MUNITIE OPSLAG

Springputten en dergelijke

Militair oefenterrein

Munitie fabricage en/of opslag

Munitiedump of stort

Stationering militairen

Munitie inrichtingen

Munitiedump in water

Vliegveld

Incident munitieopslag

(afzinking)

Mijnenveld(en)

(explosie)

Vernielingsactiviteiten

Figuur 1: Schema met voorbeelden van oorzaken/scenario’s voor de mogelijke aanwezigheid van CE.

Gebeurtenissen die mogelijk geleid hebben tot het uit de bodem verwijderen van Conventionele Explosieven (contra-indicaties) kunnen over het algemeen onderverdeeld worden naar een bepaald(e) oorzaak of scenario, zoals op de volgende pagina is weergegeven.

7 VERDACHT of ONVERDACHT houdt niet in dat feitelijk vaststaat dat er wel of geen CE liggen, maar geeft antwoord op de

vraag of het (op basis van feiten/bronnenmateriaal) aannemelijk is dat in een bepaald gebied CE worden aangetroffen. Enkel door middel van opsporingswerkzaamheden kan de feitelijke aanwezigheid en exacte ligplaats van CE worden vastgesteld. 8 De weergegeven scenario’s zijn exemplarisch en pretenderen geen volledigheid.

396-019-VO-01

Pagina 10 van 71

MOGELIJKE OORZAKEN VOOR CONTRA-INDICATIES VAN CONVENTIONELE EXPLOSIEVEN

GRONDROERENDE WERKZAAMHEDEN

Ontgravingen

BAGGERWERKZAAMHEDEN

Gronddepositie

OPSPORINGSWERKZAAMHEDEN

EODD en voorgangers

Civiele opsporingsbedrijven

Figuur 2: Schema met voorbeelden van oorzaken/scenario’s voor contra-indicaties betreffende de aan/ afwezigheid van CE.

Deze rapportage omvat (naast de eerder genoemde zaken): ▪ ▪ ▪ ▪

Aanleiding van het vooronderzoek; omschrijving en doelstelling van de opdracht; begrenzing van het onderzoeksgebied; beschrijving van de uitvoering van het onderzoek (inclusief de betrokken, door het management van ECG bevoegde, personen); ▪ verantwoording van het bronnenmateriaal (inclusief bronverwijzing); ▪ resultaten van de beoordeling van het bronnenmateriaal; ▪ beschrijving leemten in kennis. Als er aanwijzingen worden achterhaald dat het onderzoeksgebied betrokken is geweest bij oorlogshandelingen en er geen sprake is van relevante contra-indicaties dan zal de uiteindelijke afbakening van het ‘verdachte’ gebied in zowel horizontale (indien mogelijk aan de hand van bijlage 3 uit het WSCS-OCE9) als verticale zin plaatsvinden (indien de in het WSCS-OCE weergegeven vereiste parameters aanwezig zijn).

1.5

BRONNEN

Bij het indicatieonderzoek dienen volgens het WSCS-OCE een aantal bronnen verplicht te worden geraadpleegd.10 In het navolgende overzicht (tabel 1) staat schematisch weergegeven welke bronnen dit zijn en of hieraan bij dit onderzoek gehoor is gegeven. Optionele bronnen dienen in bepaalde, in het certificatieschema vastgelegde, situaties te worden gehanteerd. Daarnaast raadpleegt ECG aanvullend een drietal archieven welke niet zijn opgenomen in het vigerende WSCS-OCE. De conclusie VERDACHT wordt bij voorkeur vastgesteld op basis van twee of meer onafhankelijke bronnen. Een toelichting betreffende de verplicht en aanvullend te raadplegen bronnen is opgenomen in bijlage 4. 9 Zie Bijlage 6 rapportage. 10 WSCS-OCE, 16.

396-019-VO-01

Pagina 11 van 71

BRONNEN CONFORM WSCS-OCE: Inventarisatie eerder onderzoek CE Literatuur Gemeente- en Provinciaal archief Nederlands Instituut voor Militaire Historie NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies Explosieven Opruimingsdienst Defensie Luchtfotocollectie Universiteit Wageningen Luchtfotocollectie Topografische Dienst Zwolle Luchtfotocollectie The Aerial Reconnaissance Archives/National Collection of Aerial Photography (Edinburgh) The National Archives (Londen) Bundesarchiv-Militärarchiv (Freiburg) The National Archives (Washington) Getuigen Semistatische archiefdiensten Ministerie Defensie Nationaal Archief Library and Archives Canada (Ottawa) Laurier Military History Archive (Waterloo)

RAADPLEGEN: GERAADPLEEGD: Verplicht Optioneel ✓ ✓ ✓ ✓ ✓ ✓ ✓ ✓ ✓ ✓ ✓ ✓ ✓ Nvt. Nvt. Nvt. Nvt.

Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Nee Nee Ja Ja Ja Ja

Tabel 1: Overzicht van geraadpleegde bronnen.

1.6

KWALIFICATIE ONDERZOEKSTEAM

Hoewel in de geldende regels geen ervarings- en opleidingseisen zijn gesteld aan de uitvoerende(n) van een vooronderzoek naar de kans op het aantreffen van achtergebleven explosieven, stelt ECG deze eisen wel aan haar onderzoekers. Het basisteam dat het vooronderzoek daadwerkelijk uitvoert en rapporteert, bestaat uit academisch geschoolde historici. Reden voor deze opleidingseis van ECG is het feit dat academisch geschoolde historici gespecialiseerd zijn in het vergaren, selecteren en beoordelen van relevant (feiten)materiaal en in staat zijn deze op een duidelijke manier te rapporteren. Het onderscheiden van hoofd- en bijzaken is daarbij van essentieel belang. Daarnaast kunnen bij enkele cruciale onderzoeksfases een senior OCE-deskundige en een civieltechnicus worden betrokken, om de verkregen historische gegevens te vertalen in een advies waarbij tevens rekening gehouden wordt met munitietechnische en bouwkundige aspecten van uw project. Hoewel dit geen verplicht onderdeel uitmaakt van de voor onze branche geldende regelgeving, vormt de hiervoor beschreven samenstelling van het onderzoeksteam naar onze mening een belangrijke meerwaarde voor de relevantie en inzichtelijkheid van de onderzoeksresultaten.

396-019-VO-01

Pagina 12 van 71

2 HET INDICATIE ONDERZOEK In het indicatie onderzoek wordt op basis van historisch bronmateriaal vastgesteld of het onderzoeksgebied mogelijk betrokken is geweest bij oorlogshandelingen.

2.1

INDELING EN OPZET VAN HET INDICATIEONDERZOEK

In dit hoofdstuk wordt ten eerste het uitgangspunt voor de beoordeling van de relevantie van een indicatie toegelicht, waarna er met behulp van historisch kaartmateriaal een historisch-geografische situatie wordt gekenschetst van het onderzoeksgebied ten tijde van de oorlogsperiode. Hierop volgend wordt een inventarisatie uitgevoerd naar bij ECG bekende gegevens omtrent eerder uitgevoerd(e) onderzoek(en) naar de aanwezigheid van Conventionele Explosieven in of nabij het onderzoeksgebied.11 Daarop volgt er een opsomming van de geraadpleegde literatuur en de bezochte archiefinstanties en de geraadpleegde dossiers. Vervolgens worden de eventueel achterhaalde naoorlogse ruimingen van Conventionele Explosieven en daaraan gerelateerde zaken in beeld gebracht. Tot slot zullen vanuit een combinatie van bronspecifieke en historische benadering (waaronder de mogelijk reeds achterhaalde indicaties) luchtfoto's uit de Tweede Wereldoorlog geanalyseerd worden om de hierboven aangehaalde omschrijvingen verder te verifiëren en/of te herleiden. De indicaties die relevant zijn voor het onderzoeksgebied zullen in paragraaf 2.9 in een chronologisch overzicht worden weergegeven en nader getoetst op verificatie en herleidbaarheid.

2.2

UITGANGSPUNTEN VOOR DE BEOORDELING VAN DE RELEVANTIE VAN EEN INDICATIE

Bij het beoordelen of de bij het indicatieonderzoek achterhaalde informatie/indicatie relevant is/of kan zijn, wordt een selectiecriterium uit het WSCS-OCE toegepast: ‘Indicaties/contra-indicaties dienen een locatieverwijzing te hebben, aangezien deze essentieel is om te bepalen of de informatie relevant is voor de aanwezigheid van CE in het onderzoeksgebied.’12 Indien de locatieverwijzing niet feitelijk verwijst naar de omgeving van het onderzoeksgebied of op een andere wijze een relatie met het onderzoeksgebied (bijvoorbeeld op basis van voorkennis) impliceert of van invloed kan zijn, dan wordt de desbetreffende informatie niet in de rapportage opgenomen of als niet relevant beoordeeld en wordt deze verder buiten beschouwing gelaten.

11 Onder onderzoek wordt door ECG bij voorkeur verstaan: een (opsporings)onderzoek uitgevoerd volgens de regels

van de voormalige Beoordelingsrichtlijn Opsporing Conventionele Explosieven (BRL-OCE) of het vigerende WSCS-OCE. 12 WSCS-OCE, 17.

396-019-VO-01

Pagina 13 van 71

2.3 HISTORISCH-GEOGRAFISCHE INFORMATIE ONDERZOEKSGEBIED Aangezien locatieverwijzingen een essentiële rol spelen bij het vaststellen van de relevantie van achterhaalde indicaties, wordt er gekeken naar de geografische situatie voor of bij aanvang van de oorlog. Derhalve kunnen locatieverwijzingen die uit het huidige stratenbeeld zijn verdwenen toch worden achterhaald. Met behulp van historische topografische kaarten kan de topografie van het onderzoeksgebied ten tijde van de oorlog worden achterhaald. Middels ArcGIS Pro kan het huidige gebied op de oude situatie worden geprojecteerd. Een overzicht van de situatie rond 1945 is op de volgende pagina weergegeven (tekening 396-019-TE-02). In de wetenschap van deze (voor een deel) uit de huidige topografie verdwenen locatieverwijzingen zal het indicatieonderzoek worden uitgevoerd. Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog viel het onderzoeksgebied onder de gemeenten Gramsbergen en Ambt Hardenberg. Gedurende de oorlogsjaren, meer specifiek 1 mei 1941, fuseerde Ambt Hardenberg met Stad Hardenberg tot de gemeente Hardenberg. Derhalve dienen de archieven van de gemeenten Gramsbergen, Ambt Hardenberg en Hardenberg te worden geraadpleegd, alsmede het provinciale archief van Overijssel, te weten het Historisch Centrum Overijssel.

396-019-VO-01

Pagina 14 van 71

2.4

REEDS UITGEVOERDE RAPPORTAGES

Conform de proceseisen vooronderzoek zoals opgenomen in het WSCS-OCE heeft ECG een inventarisatie gemaakt van reeds uitgevoerde bureaustudies ter hoogte van het onderzoeksgebied door zowel ECG als derden. Indien relevant kunnen de indicaties en resultaten uit deze onderzoeken in het huidige vooronderzoek worden meegenomen. Het volgende bij ECG voorhanden zijnde onderzoek overlapt een deel van het huidige onderzoeksgebied: Rapportage Derden: ▪ T&A Survey B.V., Historisch Vooronderzoek naar de aanwezigheid van niet gesprongen conventionele explosieven ter plaatse van spoortracé Almelo-Coevorden projectnummer: GPR2058.106 (Amsterdam 19 april 2012).

2.5

GERAADPLEEGDE LITERATUUR

Om een totaalbeeld te krijgen van mogelijk relevante oorlogshandelingen in en nabij het onderzoeksgebied heeft ECG onder meer de onderstaande (deels locatiespecifieke) literatuur onderzocht. Een compleet overzicht van geraadpleegde literatuur is opgenomen in hoofdstuk 7. ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

▪ ▪ ▪ ▪ ▪

Bakker, G.L., De spannende aprildagen van 1945 (niet gepubliceerd). Berends, K., Toen Hardenberg Bowler was. De geschiedenis van Hardenberg in de Tweede Wereldoorlog (Hardenberg 1995). Bolks, K. e.a., Stappen door de oorlogsjaren van Gramsbergen, 1940-1945 (Gramsbergen 2006). Cornelissen, C., Van Grasmat tot Fliegerhorst: een oorlogsdocumentatie over de luchtstrijd boven het oostelijk deel van Overijssel (Oldenzaal 1998). Heijink, G., Met onvergetelijke moed : oorlog, verzet en bevrijding in N.O. Overijssel en omgeving van: Hardenberg, Gramsbergen, Lutten, Dedemsvaart, Ommen, Vroomshoop, Mariënberg, Bergentheim, Slagharen en omgeving (Hardenberg 2005). Hilbrink, C., M. Kienhuis en K. Vos, De Pruus komt!: Overijssel in de Tweede Wereldoorlog (Zwolle 1990). Lensen, J.L., Herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog (niet gepubliceerd). Luisman, F.J., Saksers onder het Duitse juk. Herinneringen uit de oorlogsperiode 1940-1945 in N.O. Overijssel (De Krim-Hardenberg 1981). Pol, H.J.A.G., Onze vergeten bevrijders: een onderzoek naar de verrichtingen van de Engelse en de Canadese troepen in Oost-Nederland maart-april 1945 (z.p. 1997). Wonink, H., Stille getuigen 1940-1945: tastbare herinneringen aan de oorlogsjaren in Oost Nederland (Hengelo 1990).

In de geraadpleegde literatuur kunnen verwijzingen naar oorlogshandelingen worden aangetroffen welke op basis van de locatiebeschrijvingen herleidbaar zijn naar het onderzoeksgebied. Deze mogelijk herleidbare indicaties zullen in het chronologisch overzicht in paragraaf 2.9 worden opgenomen. Verdere verificaties van de relevantie en herleidbaarheid vindt plaats middels archiefonderzoek en luchtfotoanalyse. 396-019-VO-01

Pagina 16 van 71

2.6

GERAADPLEEGDE ARCHIEVEN

In het indicatieonderzoek ligt bij het raadplegen van de diverse archieven de nadruk op het bestuderen van de stukken van de luchtbeschermingsdienst, de stukken over aangetroffen/geruimde CE en oorlogsschaderapporten. Een overzicht van de geraadpleegde archiefstukken is opgenomen in bijlage 5. De achterhaalde indicaties worden in paragraaf 2.9 beoordeeld op relevantie en herleidbaarheid. 2.6.1

GEMEENTEARCHIEF HARDENBERG

In Gemeentearchief Hardenberg heeft ECG de archieven van de (voormalige) gemeenten Ambt Hardenberg, Hardenberg en Gramsbergen geraadpleegd. Aanvullend is het archief 014 Marechaussee, Brigade Hardenberg, 1889-1945 geraadpleegd, met daarin onder andere stukken betreffende bombardementen en neergestorte vliegtuigen. 2.6.2

HISTORISCH CENTRUM OVERIJSSEL

In het Historisch Centrum Overijssel te Zwolle is het archief 0025.2 Provinciaal Bestuur van Overijssel, 1921/1949-1970 geraadpleegd. Daarnaast zijn verschillende archieven van het Militair Gezag (MG) geraadpleegd. Het MG was een orgaan dat in de bevrijde delen van Nederland een interimbestuur moest vestigen zolang er een oorlogstoestand heerste en de regering het gezag nog niet kon overnemen. Het MG hield zich onder meer bezig met het herstel en handhaving van de veiligheid en het weer op gang brengen van het maatschappelijk leven. Dit hield ook in, dat men zich bezighield met luchtbescherming, het herstellen van oorlogsschade, explosievenopruiming etc. Stukken omtrent deze onderwerpen kunnen relevant zijn voor het vooronderzoek. 2.6.3

NATIONAAL ARCHIEF

In het Nationaal Archief is archief 2.04.53.15 Ministerie van Binnenlandse Zaken: Inspectie Bescherming Bevolking tegen Luchtaanvallen, 1937-1946 geraadpleegd. De Inspectie Bescherming Bevolking tegen Luchtaanvallen werd naar aanleiding van de Wet tot Bescherming van de Bevolking tegen Luchtaanvallen, die in 1936 in werking trad, opgericht. De taak van dit overheidsorgaan was de gemeentelijke activiteiten op dit terrein te begeleiden en te controleren. Toen in 1942 de Duitse bezetter de wet verving door de Luchtbeschermingsverordening kwam de luchtbescherming sterker onder controle te staan van de bezetter. De archiefstukken beslaan diverse onderwerpen betreffende de luchtbeschermingsdienst, waaronder door gemeenten ingestuurde rapporten betreffende Geallieerde luchtactiviteiten. Tevens is archief 2.13.210 Commissie van Proefneming met hierin opgenomen afgedwaalde archiefbescheiden van onderdelen van de Artillerie-Inrichtingen en Artillerie onderdelen, (1814-) 18671942 geraadpleegd. De Commissie van Proefneming (CvP) was een instelling die zich bezighield met proeven betreffende wapens en artilleriegeschut. In de archiefstukken zijn ook staten opgenomen betreffende plaatsen waar mogelijk onontplofte projectielen zijn gevonden, die wel of niet geruimd zijn, in het begin van de oorlog.

396-019-VO-01

Pagina 17 van 71

Ook 2.13.71 Archieven van het Ministerie van Defensie te Londen [1940-1941]; Ministerie van Oorlog te Londen [1941-1945]; Departement van Oorlog: Bureau Londen [1945-1947], (1933) 1940-1947 (1974) is geraadpleegd met betrekking tot mogelijk relevante gegevens voor het onderzoeksgebied. Dit betreft het archief van het ministerie van Defensie (later Oorlog) dat vanaf 14 mei 1940 in Londen was gevestigd. Het hield zich onder meer bezig met luchtvaart, militaire operaties en inlichtingen uit Nederland. Ook een onderzoek naar het verloop van de Meidagen van 1940 en de voorbereiding van de terugkeer naar Nederland behoorde tot het takenpakket. Het Bureau Londen hield zich na de bevrijding bezig met de afwikkeling van zaken in Engeland, waarna het in 1947 werd opgeheven. In het Nationaal Archief is het tot slot het archief 2.04.110 Korps Hulpverleningsdienst van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 1945-1974 geraadpleegd. Het Korps Hulpverleningsdienst (HVD) nam vanaf juli 1947 de taken van de Mijn- en Munitieopruimingsdienst (M.M.O.D.) over. Eind juli 1947 werd de H.V.D. verantwoordelijk voor het ruimen van explosieven die in de civiele sector werden aangetroffen en vanaf januari 1948 ook voor het ruimen op militaire objecten en terreinen. In 1971 werd de taak van de H.V.D.

overgedragen aan de EOD.13 Door middel van het raadplegen van delen van het archief van de Hulpverleningsdienst is getracht inzicht te verkrijgen in mogelijke ruimingen van CE in de periode van ca. 1947 tot en met het begin van de jaren zeventig van de vorige eeuw. 2.6.4 NIOD INSTITUUT VOOR OORLOGS- HOLOCAUST- EN GENOCIDESTUDIES In het NIOD is het archief van ‘Generalkommissar für das Sicherheitswesen en Höhere SS- und Polizeiführer’ Hanns Albin Rauter (1892-1949), die was belast met ‘de openbare orde en veiligheid’ in Nederland, en het archief van het Departement van Justitie tussen 1940 en 1945 geraadpleegd, respectievelijk archief 077 Generalkommissariat für das Sicherheitswesen (Höhere SS-und Polizeiführer Nord-West), (1938) 1940-1945 en 216k Departement van Justitie (1935) 1940-1945 (1950). Ook is het archief 226B Bureau Inlichtingen – Hoofdbureau Londen 1940-1945 geraadgpleegd. 2.6.5 NEDERLANDS INSTITUUT VOOR MILITAIRE HISTORIE De collecties 409 Gevechtsverslagen en -rapporten mei 1940 en 575 Duitse verdedigingswerken en inundaties van Nederlands Grondgebied in de oorlog / Rapporten van militaire aard vanuit bezet Nederland aan Bureau Inlichtingen Londen (collectie 575) 1940-1945 van het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) in Den Haag zijn geraadpleegd.

13 J. van Woensel, Vrij van explosieven. De geschiedenis van het EOCKL en zijn voorgangers, 1944-2004 (Meppel 2004) 107

en 142.

396-019-VO-01

Pagina 18 van 71

2.6.6 THE NATIONAL ARCHIVES (LONDEN) ECG beschikt over de Daily Logs van de Geallieerde 2nd Tactical Airforce (2nd TAF – een Geallieerd luchtleger welke veelvuldig in de periode september 1944-april 1945 boven Nederland actief was) en enkele overige AIR-collecties. Deze gegevens zijn afkomstig uit The National Archives te Londen. Uit deze gegevens kan in de meeste gevallen (onder andere) informatie worden gehaald omtrent de aanvalsdoelen, het verloop van de gebeurtenissen/gevechtshandelingen en de gehanteerde wapens en/of gebruikte CE. 2.6.6.1

THE NATIONAL ARCHIVES: OMGANG EN UITGANGSPUNT ONTLENEN GEGEVENS AAN DAILY LOGS

Alvorens gegevens uit de Daily Logs verwerkt worden, dienen de volgende zaken opgemerkt te worden. De ervaring leert dat enige terughoudendheid bij het hanteren van de gegevens hieruit op zijn plaats is. Coördinaat aanduidingen, informatie over bommenlast en gevechts/bombardementsbeschrijvingen kunnen door allerlei oorzaken niet overeenkomen met de werkelijke gebeurtenissen en/of locaties. Door middel van ander bronnenmateriaal (zoals de Operation Record Books van de betrokken RAF squadrons) en luchtfotoanalyse zal ECG trachten de (beschreven locaties van de) oorlogshandelingen te verifiëren en (indien relevant) te herleiden. 2.6.6.2

Geallieerden: Nord de Guerre coördinatenstelsel

De Geallieerden hanteerden gedurende de Tweede Wereldoorlog onder andere het zogeheten Nord de Guerre coördinatenstelsel. De gegevens uit de Daily Logs met de eventueel daarin aangehaalde coördinaten zijn door middel van Geallieerde stafkaarten herleidbaar naar een locatie. Een met vier cijfers aangeduid coördinaat beslaat een kaartvierkant van 1000 bij 1000 meter. Indien een locatie met zes (100 meter) of acht cijfers (10 meter) wordt aangeduid, is het in de meeste gevallen mogelijk een specifiekere positie binnen het desbetreffende kaartvierkant aan te geven. De navolgende Geallieerde stafkaarten hebben betrekking op het onderzoeksgebied: ▪ ▪ ▪

3305 Slagharen, GSGS 4414 (A.M.S. M832), Eastern Holland 1:25.000, Second Edition, November 1944. 3306 Coevorden, GSGS 4414 (A.M.S. M832), Eastern Holland 1:25.000, Second Edition, November 1944. 3405 Hardenberg, GSGS 4414 (A.M.S. M832), Eastern Holland 1:25.000, Second Edition, November 1944.

De volgende kaartvierkanten zijn bij het doornemen van de archieven van de Royal Air Force en de War Diaries van geallieerde grondtroepen (zie paragraaf 2.6.7) gehanteerd:

396-019-VO-01

Pagina 19 van 71

NORD DE GUERRE COÖRDINATEN: RV2543 RV2544 RV2644 RV2645 RV2646 RV2744 RV2745 RV2746 RV2747 RV2846 RV2847 RV2947

Onderzoeksgebied Onderzoeksgebied Onderzoeksgebied Onderzoeksgebied Onderzoeksgebied Onderzoeksgebied Onderzoeksgebied Onderzoeksgebied Onderzoeksgebied Onderzoeksgebied Onderzoeksgebied Onderzoeksgebied

Tabel 2: Gehanteerde kaartvierkanten bij het raadplegen van documenten uit The National Archives.

Voornoemde kaartvierkanten zijn op de volgende pagina weergegeven (tekening 396-019-TE-03).

396-019-VO-01

Pagina 20 van 71

2.6.7 LIBRARY AND ARCHIVES CANADA ECG beschikt over een collectie War Diaries en Defence Overprints afkomstig uit de Library and Archives Canada te Ottawa. Eerstgenoemde betreft een belangrijke bron van informatie waar het gaat over (Canadese) aanvalsplannen, tactieken, aanvalsresultaten en middelen die op/met een bepaald (militair) doel zijn ingezet. Voor het huidige onderzoek is een selectie van archiefstukken van de 2nd Canadian Corps en de 4th Canadian Armoured Division geraadpleegd, daar deze betrokken waren bij de bevrijding van (de omgeving van) het onderzoeksgebied. 2.6.8 BUNDESARCHIV-MILITÄRARCHIV Het Militärarchiv is een onderdeel van het Duitse Bundesarchiv en is gehuisvest in Freiburg im Breisgau. Deze instelling beheert onder meer het archiefmateriaal en documenten van de Duitse strijdkrachten en het Ministerie van Defensie. Uit de periode van het Deutsches Reich 1933-1945, beheert het onder meer de archieven van de Reichswehr, Wehrmacht en Waffen-SS. Opgemerkt dient te worden dat de archieven door verschillende oorlogsactiviteiten ernstig hebben geleden. De schade aan de collecties wordt als volgt omschreven door het Militärarchiv: “Die Überlieferungen aus der Zeit bis 1945 haben durch Kriegseinwirkungen erhebliche Verluste erlitten.

Die Unterlagen der zentralen Dienststellen der Wehrmacht und der Heeresführung, der Dienststellen und der Truppen des Heeres unterhalb der Divisionsebene sowie der Luftwaffe und der Waffen-SS sind weitgehend verlorengegangen. Dagegen haben die Masse der Kriegstagebücher der Kommandobehörden des Heeres und der Divisionsstäbe bis 1943 sowie das Archivgut der Marine den Krieg überdauert. Ebenso blieb das Archivgut der wehrtechnischen Einrichtungen und Dienststellen der Wehrmacht nahezu vollständig erhalten. Der größte Teil der Akten der Preußischen Armee wurde 1945 mit dem Brand des Heeresarchivs Potsdam vernichtet.”14 ECG heeft de beschikking over een aantal Lageberichten van de Duitse Luftwaffenführungsstab uit de periode 1940-1941. In deze rapporten, die per dag werden opgesteld, werd informatie verzameld omtrent de voortgang van de strijd in de verschillende oorlogsgebieden.

2.7

GEMELDE EN GERUIMDE EXPLOSIEVEN EOD EN M.M.O.D.

Voor deze bureaustudie is ten behoeve voor verder inzicht betreffende eerdere gedocumenteerde ruimingen van Conventionele Explosieven in of nabij het onderzoeksgebied het archief van de Explosieven Opruimings Dienst Defensie (EOD) te Soesterberg bestudeerd. De EOD is eigenaar van twee archieven: het Mijnenveldregister en het archief met de ‘Uitvoeringsopdrachten (UO’s)’ – ook betiteld als ‘Melding Opdracht Ruimrapportage Afdoening (MORA’s)’; de zgn. ruimrapporten. Dit laatstgenoemde archief bevindt zich in het Semistatisch archiefdiensten Ministerie Defensie (SSA) te Rijswijk.

14 https://www.bundesarchiv.de/DE/Content/Artikel/Benutzen/Hinweise-zur-Benutzung/benutzen-hinweise-militaerische-

unterlagen.html (geraadpleegd: januari 2020).

396-019-VO-01

Pagina 22 van 71

Een nadeel van deze bron is dat deze niet volledig is: over de meldingen/ruimingen tussen 1940-1944 en 1947/1948-1971 zijn bij de EOD en het SSA nauwelijks gegevens beschikbaar. 2.7.1 ARCHIEF UITVOERINGSOPDRACHTEN EXPLOSIEVEN OPRUIMINGSDIENST DEFENSIE ECG heeft een overzicht van de UO’s/MORA’s van het onderzoeksgebied en het omliggende gebied van de EOD ontvangen. De omschrijvingen van de locaties zijn inclusief spelfouten en dergelijke letterlijk overgenomen. Uit de praktijk is gebleken dat door de EOD en haar voorgangers het dichtstbijzijnde adres in de omgeving van de vindplaats als locatie aanduiding wordt gehanteerd. Dit kan betekenen dat het gemelde of geruimde object op een locatie (bijvoorbeeld in akkerland achter het vermelde adres) is gevonden zodat naderhand slechts bij benadering de locatie kan worden aangegeven. In de volgende tabel zijn de ruimingen opgenomen die (in de buurt van) het onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden: MELDING NR.:

DATUM:15

LOCATIE:

AANGETROFFEN:

19790112

13-02-1979

19792553

13-09-1979

Kadastraal nr: 3286 sectie D, tussen Goordijk en Dijkje, Gramsbergen Albert Sweitzerlaan16

20071184

26-07-2007

Vechtbrug De Haandrik

20121725

01-02-2012

De Esch nr 10, Gramsbergen

20142009

17-10-2014

De Haandrik, Loozen

Verkennende zoekactie. Er wordt afgezien van een zoekactie. ± 500x patroon .50 diversen zowel in kist als in aanvoertrommel van vliegtuig; 40x kkm diversen; 2x wapens .50 onbruikbaar; 1x exercitie handgranaat Zoekactie. Geen conventionele explosieven aangetroffen. 1x oefenbrisantgranaat 27 mm (D) (verschoten) 1x oefenantitankbrisantgranaatraket 3.14 inch (Canada)

Tabel 3: Meldingen en ruimingen van mogelijke conventionele explosieven in (de omgeving van) het onderzoeksgebied door de EOD.

Van bovenstaande meldingen is enkel de voorzoekactie uit 1979 naar (een exacte locatie binnen) het onderzoeksgebied herleidbaar. Het betreft een verkennende zoekactie, waarna werd besloten het onderzoek niet verder voort te zetten. De reden voor het beëindigen van de zoekactie is niet vermeld. De indicatie is in paragraaf 2.9 nader uitgewerkt. 2.7.2 ARCHIEF M.M.O.D. SEMISTATISCHE ARCHIEFDIENSTEN MINISTERIE DEFENSIE RIJSWIJK In het Semistatisch Archief van Defensie te Rijswijk bevindt zich eveneens het archief van de Mijn- en Munitieopruimingsdienst (M.M.O.D). Deze dienst was in de periode 1945-1947 verantwoordelijk voor het opruimen van mijnen en achtergelaten munitie. Het archief bestaat uit meldingen, kaarten, plattegronden en ruimingsrapporten uit diverse Nederlandse gemeenten. Een overzicht van de geraadpleegde archiefstukken is opgenomen in bijlage 5. De achterhaalde indicaties uit deze archiefdelen zijn opgenomen in de indicatietabel in paragraaf 2.9. 15 Meldingsdatum 16 Bijzonderheden: ‘gevonden bij graafwerkzaamheden bij in aanbouw zijnde sporthal’

396-019-VO-01

Pagina 23 van 71

2.7.3 MIJNENVELDREGISTER Gedurende de oorlog zijn door de strijdende partijen mijnenvelden ingericht. Deze velden werden voor verschillende doeleinden aangelegd: bescherming, verdediging, het stoppen of desorganiseren van de vijandelijke opmars. Daarnaast werden zogenaamde ‘schijnmijnvelden’ aangelegd. Een dergelijk veld bevatte geen explosieven en had ten doel de vijandelijke opmars te vertragen. Het soort (antitanks- of antipersoneelmijnen) en aantal gelegde mijnen binnen een mijnenveld was afhankelijk van de functie van het veld. Na de oorlog zijn de mijnenvelden in Nederland (voor zover bekend) in kaart gebracht in zogenaamde ‘mijnenboeken’. Deze mijnenkaarten zijn in het bezit van de EOD. Binnen het onderzoeksgebied bevindt zich één geregistreerd mijnenveld. Het aangeleverde ruimrapport is in paragraaf 2.9 verwerkt.

2.8

LUCHTFOTO INTERPRETATIE

Luchtfoto’s uit de Tweede Wereldoorlog kunnen een bruikbare bron vormen bij het vergaren van informatie betreffende de mogelijke aanwezigheid van Conventionele Explosieven. 2.8.1

DOEL VAN DE LUCHTFOTO INTERPRETATIE

Het primaire doel van de luchtfoto interpretatie is het vaststellen of een gebied zichtbaar betrokken is geweest bij oorlogshandelingen. Met andere woorden: zijn er sporen waarneembaar van kraters, stellingen (militaire werken), vernielde of beschadigde bebouwing en andere oorlogs-gerelateerde handelingen. Ten gevolge van deze constatering kan een inschatting worden gemaakt of er een verhoogde kans bestaat op het aantreffen van achtergebleven Conventionele Explosieven. Luchtfoto’s kunnen in de meeste gevallen als een betrouwbare bron worden geclassificeerd, waarmee tevens indicaties geografisch herleid en geverifieerd kunnen worden. 2.8.2

METHODIEK

Er zijn meerdere typen luchtfoto's, dit heeft onder andere te maken met de opnamehoek. De meest bruikbare voor interpretatie zijn de zgn. verticals. Het interpreteren van deze luchtfoto’s gebeurt op diverse manieren. Eenvoudig gesteld: de foto’s worden zo nauwkeurig mogelijk geanalyseerd op zichtbare verstoringen die mogelijk in verband staan met oorlogshandelingen. Een aantal van de geselecteerde foto’s heeft de overlapping en kwaliteit om het stereoscopisch interpreteren (creëren van diepte voor dimensionaal inzicht door middel van het gebruik beeldparen) mogelijk te maken. Vervolgens worden de luchtfoto's middels georeferentie en georectificatie in ArcGIS zo exact mogelijk gepositioneerd op een recente ondergrond om de resultaten van de luchtfotoanalyse te transponeren naar de hedendaagse situatie.17

17 Afhankelijk van de fotohoek (verticals - split verticals e.d.), vlieghoogte, de schaal, de gehanteerde fotolens, de

beeldkwaliteit, de stabiliteit tijdens de vlucht van het fotograferende vliegtuig, de beschikbare georeferentiepunten, hoogteverschillen in het landschap en de georectificatie, treden er tijdens de georeferentie van de verschillende foto’s afwijkingen (toleranties) van 5 meter tot maximaal 10 meter op. Vanwege de vele naoorlogse vernieuwingen in en rondom het onderzoeksgebied is voor het huidige onderzoek een tolerantie van 10 meter aangehouden.

396-019-VO-01

Pagina 24 van 71

2.8.3

GRENZEN EN MOGELIJKHEDEN VAN LUCHTFOTO INTERPRETATIE

Het hanteren van luchtfoto’s bij explosievenonderzoek wordt sterk beïnvloed door een aantal kwaliteits- en randvoorwaarden: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

Beschikbaarheid van luchtfoto’s van het gebied; Opnamedata; Beeldkwaliteit; Opnamehoogte en (brandpunt van) de gehanteerde lens (schaal); Beschikbare neveninformatie (bijv. bombardements- en aanvalsdata); Ondersteunende technische mogelijkheden (bijv. analoge of digitale interpretatie-systemen); Ervaring van het uitvoerende personeel met interpreteren/analyseren.

Daarnaast blijft een luchtfoto een momentopname van een situatie die bijvoorbeeld een week, een maand of een jaar later totaal anders zou kunnen zijn. Het is mogelijk dat een bomkrater of een loopgraaf op de ene foto wel, maar op een eerdere of latere luchtfoto niet (meer) zichtbaar is. Tussentijdse herstel- en/of dempwerkzaamheden en camouflage kunnen een vertekend/onvolledig beeld geven. Bovendien kunnen bijvoorbeeld jaargetijden, bebouwing, schaduwwerking, wolken, puin, begroeiing en water een belemmerend effect hebben op het ontlenen van gegevens aan luchtfotografie. 2.8.4

INVENTARISATIE, SELECTIE EN INTERPRETATIE VAN HET GEHANTEERDE BEELDMATERIAAL

Voor dit onderzoek is er door ECG in een inventarisatie uitgevoerd van beschikbare luchtopnamen in de luchtfotocollecties van Wageningen University (WUR), de Topografische Dienst te Zwolle (TOPO), National Collection of Aerial Photography (NCAP) - The Aerial Reconnaissance Archives (TARA) te Edinburgh (Schotland) en het Laurier Military History Archive (LMHA) te Waterloo (Canada). In de onderstaande tabel zijn de geanalyseerde luchtfoto’s verwerkt.18 De resultaten van de luchtfotoanalyse zijn verwerkt in paragraaf 2.9. Een deel van de bevindingen is daarnaast inzichtelijk gemaakt in paragraaf 2.10. NR.:

DATUM:

SORTIE NR.:

SCHAAL (1:X):

BEELDNUMMER(S):

KWALITEIT:

ARCHIEF:

AANTAL:

01

31-07-1942

C-140

16.000

NCAP

7

02

29-10-1944

4-1169

16.800

NCAP

6

03

05-12-1944

US-7GR-3653

10.500

1065; 1066; 1067; 2066; Matig 2067; 2068; 2069 3112; 3113; 3114; 4113; Redelijk 4114; 4115 3026 Goed

NCAP

1

04 05

26-12-1944 01-01-1945

16-1545 US- GR7-3742

30.000 9.000

3176; 4171 8006; 8007; 8008; 8009

Slecht Redelijk

TOPO NCAP

2 4

06

13-03-1945

106G-4746

8.000

TOPO

12

07

25-03-1945

7-085D

11.000

3035; 3037; 3039; 3041; Redelijk 3043; 3045; 3047; 4036; 4037; 4039; 4040; 4041 7094 Slecht

TARA

1

18 Bij de selectie van luchtfoto’s is rekening gehouden met: opnamedatum in relatie tot oorlogshandelingen, kwaliteit van

het fotobeeld en de schaal.

396-019-VO-01

Pagina 25 van 71

NR.:

DATUM:

SORTIE NR.:

SCHAAL (1:X):

BEELDNUMMER(S):

KWALITEIT:

ARCHIEF:

AANTAL:

08

04-04-1945

16-1990

40.000

1003; 2004

Slecht

NCAP

2

09

19-06-1945

34W-S004

30.000

5043; 5044; 5088; 5089

Matig

NCAP

4

Tabel 4: Selectietabel van de beschikbare, bewerkte en geanalyseerde luchtfoto’s.

396-019-VO-01

Pagina 26 van 71

2.9

OVERZICHTSTABEL OORLOGSHANDELINGEN UIT LITERATUUR, ARCHIEFMATERIAAL EN LUCHTFOTO’S

In navolgend overzicht zijn de gegevens opgenomen welke zijn achterhaald uit hiervoor opgesomde geraadpleegde literatuur, archieven en luchtopnamen. In de tabel worden de locatie beschrijvingen nader getoetst op verificatie, herleidbaarheid en relevantie tot het onderzoeksgebied. DATUM:

LITERATUUR:

NATIONALE ARCHIEVEN

Meidagen 1940

De krijgsverrichtingen ten oosten van de IJssel ‘De A-lijn liep (….) van Twentekanaal naar Almelo-Overijsselsch Kanaal van Almelo tot Gramsbergen. (…) en van Diepenheim tot Gramsbergen de overgangen over het Twentekanaal, de zijtak naar Almelo en het Overijsselsch kanaal ter vernieling voorbereid. (…) De B-lijn bestond uit vier gedeelten. (…) en over de Vecht van Mariënberg tot Gramsbergen.’19

Opgave gesprongen straten, bruggen en spoorwegen ‘Vechtbrug op grens Ambt- en Stad-Hardenberg. Voorlopig hersteld; wegens werkzaamheden verbreding rivier de Vecht moet deze brug later veranderd worden. (…) Bovenstaande bruggen zijn vernield door de terugtrekkende Nederlandse Weermacht.’22

‘In het vak van 1-9 G.B. werd de vijand het eerst opgemerkt door een schildwacht, die, op post staande bij object 2419 (spoorbrug over de Vecht bij De Haandrik), omstreeks 3.20 uit de richting Laar Duitse troepen in verspreide formatie door het terrein zag naderen, op plm. 1500m noord van grenswachtdetachement 24. (…) De vaandrig, C. van de objectbezettingen bij De Haandrik, had echter reeds bij de nadering van de vijand opdracht tot het ontsteken van de ladingen gegeven. De lading van de spoorbrug (object 2491) [vermoedelijk 2419, ECG] kwam echter niet tot ontploffing, zodat deze brug onvernield is gebleven. (…) De vernielingen in de B- en C-lijn werden overigens regelmatig uitgevoerd, met uitzondering van object 2428, dat onvernield is gebleven (…)’20

HERLEIDBAARHEID & RELEVANTIE ONDERZOEKSGEBIED: De indicatie duidt op een verdedigingslinie in en bij het onderzoeksgebied. In en nabij het onderzoeksgebied werden bruggen vernield. Van de vernielde bruggen bevond alleen de brug over de Vecht tussen Ane en Gramsbergen zich in het onderzoeksgebied. Deze werd succesvol vernield. Er zijn geen aanwijzingen dat er in het onderzoeksgebied (eventueel weggeslingerde) explosieven zijn achtergebleven. De indicatie is voor het onderzoek derhalve contextueel van aard.

Verslag oorlogshandelingen commandant P. Prins ‘Alle bruggen in de A-lijn zijn gesprongen. Te weten de objecten 2417, 2418 (…) Alleen de spoorbrug op De Haandrik, object 2419 heeft geweigerd. Wel is het vuurkoord aangestoken en ook verbrand, doch de brug is niet gesprongen. De ookzaak hiervan is mij niet bekend. (…) Nadat de auto’s gepasseerd waren zijn ook alle bruggen in de B-lijn gesprongen, te weten de objecten: 2416, 2478 (…).’23 Toelichting: Troepenopstelling en vernielingen en hindernissen met grondoverschrijdingen op 10 mei 1940 Bron: A.F.J. Penders, De krijgsverrichtingen ten oosten van de IJssel en in de IJssellinie, mei 1940 (Den Haag 1952) 1A. Vernielde bruggen24: 2416: brug over Vecht in kunstweg Lutten-Gramsbergen 2417: brug over Overijsselsch Kanaal bij De Haandrik 2418: brug over Coevorden-Vechtkanaal bij De Haandrik 2419: spoorbrug over Vecht bij De Haandrik 2478: brug over Dedemsvaart bij Ane (verdedigingslijn B)

De Pruus komt! ‘Staande voor de brug op de Haandrik, haast recht tegenover de zandweg die naar het dorp Laar op Duits gebied leidde, nam hij zonder twijfel talrijke Duitse soldaten waar. (…) Nog voordat hij luitenant Siliacus kon waarschuwen, gaf hij de order af met het vernielen van de bruggen te beginnen. De zuidelijke brug ging met een oorverdovende klap meteen finaal de lucht in. De lont van de brug over de Vecht brandde tergend langzaam, maar er gebeurde tot grote ergernis van de soldaten helemaal niets. (…) Korporaal D. Bosch aarzelde geen moment. Hij deed verwoede pogingen om de lont opnieuw in brand te krijgen. Hoewel de Duitsers fanatiek op hem vuurden, lukte het. De Vechtbrug ging in een zee van vuur de lucht in. (…) De opdracht ook de spoorbrug op te blazen mislukte. De aangebrachte lading springstof ontplofte niet.’21 01-10-1941

INTERNATIONALE ARCHIEVEN

Bericht betreffende opruimen van een bom ‘De bom, gelegen in de uiterwaarden van de Vecht, werd gepeild op een diepte van 3,5 meter. Tijdens de werkzaamheden brak op 3 meter een wel door; daarna is de bom weggezakt. (...) Ik geef u in overweging de bom te laten zitten en de plaats op het kadaster te doen aantekenen.’ Met potlood is op het bericht geschreven dat overeenkomstig advies besloten werd de nodige maatregelen te nemen.25 Op 3 oktober berichtte de burgemeester van Gramsbergen

De indicatie duidt op de aanwezigheid van een blindganger in de uiterwaarden van de Vecht, binnen de grenzen van de voormalige gemeente Gramsbergen. Met behulp van de archiefomschrijving kan geen exacte locatie worden achterhaald. De indicatie kan dus niet naar een exacte locatie binnen het onderzoeksgebied worden herleid. De indicatie wordt derhalve niet verder in het onderzoek meegenomen.

19 A.F.J. Penders, De krijgsverrichtingen ten oosten van de IJssel en in de IJssellinie, mei 1940 (Den Haag 1952) 2-3. 20 Penders, De krijgsverrichtingen, 34-35. 21 C. Hilbrink, M. Kienhuis en K. Vos, De Pruus komt!: Overijssel in de Tweede Wereldoorlog (Zwolle 1990) 32. 22 Opgave over gesprongen straten, bruggen en spoorwegen, Gemeentearchief Hardenberg, 013 Gemeente Ambt Hardenberg, 1914-1941, inv. nr. 744. 23 Verslag van oorlogshandelingen 10-15 mei 1940 door P. Prins, 10 juni 1940, Nederlands Instituut voor Militaire Historie, 409 Gevechtsverslagen en -rapporten mei 1940, inv. nr. 497026. 24 Penders, De krijgsverrichtingen, 115. 25 Bericht betreffende opruimen van een bom, 1 oktober 1941, Gemeentearchief Hardenberg, 050 Gemeente Gramsbergen, 1925-1950, inv. nr. 969.

396-019-VO-01

Pagina 27 van 71

DATUM:

LITERATUUR:

NATIONALE ARCHIEVEN

INTERNATIONALE ARCHIEVEN

HERLEIDBAARHEID & RELEVANTIE ONDERZOEKSGEBIED:

SORTIE NR.: C-140

dat inderdaad was besloten de bom te laten zitten en dat de genoemde maatregelen zouden worden genomen.26 SCHAAL (1:X): 16.000

BEELDNUMMER(S): 1065; 1066; 1067; 2066; 2067; 2068; 2069

DATUM: 29-10-1944 05-12-1944 26-12-1944

SORTIE NR.: 4-1169 US-7GR-3653 16-1545

Bericht betreffende luchtaanval (...) toen ik omstreeks 9.35 uur hoorde, dat er in de omgeving geschoten werd, vermoedelijk uit boordwapens van vliegtuigen. Bij mijn aankomst [bij station Gramsbergen] aldaar, zag ik, dat een daar staande personentrein op laffe wijze was beschoten, dat de locomotief stuk geschoten was, dat verschillende patronen in de onmiddellijke omgeving waren terecht gekomen en dat hierdoor schade was ontstaan aan de in de nabijheid staande Zuivelfabriek en draden van de langs de spoorbaan gelegen telefoonleiding. Enige ooggetuigen zijn door mij gehoord, waaronder de stationschef, welke eenduidend verklaarden, dat twee vliegtuigen, waarschijnlijk van Amerikaanse nationaliteit, voor de trein, komende uit de richting Coevorden langs hadden geschoten zonder de trein te raken, daarna waren terug gekeerd om vervolgens de trein nogmaals onder vuur te nemen. Persoonlijke ongelukken deden zich niet voor.’27 SCHAAL (1:X): 16.800 10.500 30.000

BESCHRIJVING: Op de betreffende luchtopnamen zijn geen relevante waarnemingen gedaan. De indicatie duidt op een beschieting met boordwapens op een trein die vanuit Coevorden in de richting van station Gramsbergen reed. Op basis van de archiefomschrijving is de indicatie niet herleidbaar naar (een exacte locatie binnen) het onderzoeksgebied. De genoemde zuivelfabriek bevond zich buiten de grenzen van het onderzoeksgebied. Ook op de luchtopnamen van 29 oktober 1944 zijn in het landschap geen sporen van de beschieting zichtbaar. De indicatie wordt derhalve niet verder in het onderzoek meegenomen.

BEELDNUMMER(S): 3112; 3113; 3114; 4113; 4114; 41115 3026 3176; 4171

BESCHRIJVING: Op de betreffende luchtopnamen zijn geen relevante waarnemingen gedaan.

01-01-1945

US-GR7-3742

9.000

8006; 8007; 8008; 8009

22-02-1945

En nooit was het stil… ‘2nd Tactical Air Force (…) die van 139 Wing, van Melsbroek, waarin de Mitchell squadrons No 98, 180 en 320 naar doelen in Nederland en in NW Duitsland. Met in Nederland aanvallen op spoorwegdoelen in Meppel, Zwolle, bij Dedemsvaart, Coevorden en Apeldoorn, een kanaalsplitsing bij Gramsbergen en een brug over de IJssel. (…) De mannen van 320 Squadron moesten naar twee doelen en zij meldden het volgende: “22 februari V.M. 1e. Zes Mitchells om een spoorwegknooppunt bij Assen aan te vallen. Door zware bewolking werd een kanaalsplitsing te Gramsbergen aangevallen. Resultaat niet bekend. Geen afweervuur.’28

Melding van voorvallen tengevolge van oorlogshandelingen ‘’s Middags omstreeks 13 uur vallen 46 brisantbommen bij de Haandrik in de gemeente Gramsbergen, bij de boerderij, bewoond door H. Haandrikman. Voor zover kon worden nagegaan, zijn alle brisantbommen ontploft. Aanzienlijke schade aan wei- en bouwland. Veel materiële schade, waaronder glasschade aan woningen. 2 stuks vee gewond, die moesten worden afgemaakt. Geen persoonlijke ongelukken.’32

2nd TAF, Daily Logs ‘Operation “Clarion”. 72 Mitchells and Bostons detailed to attack transportation targets in N. Holland en NW. Germany. 71 a/c attacked with 476 x 500 bombs. (…) Mitchells 8x48. A/C 6. Sqn/Wing 139 Wing. Up 1100, Down 1500. Assen rail junction. 10/10 cloud over primary so alternative canal junction at V.2647 attacked by 6 a/c. Bursts on S. bank of Southerly canal.’34

Bericht betreffende oorlogsschade ‘Op 21 februari jongstleden zijn in deze gemeente, in de buurtschap Holtheme, 46 brisantbommen door vliegtuigen afgeworpen, die schade hebben veroorzaakt aan gebouwen en landerijen, in eigendom toebehorende aan de volgende personen: H. Haandrikman, J. Hazelaar, J.F. Bril, R. Meilink, J.H. Prenger, J. Hans, H. Noppers, Wed. J.H. Dijkman, Js. Kieft, H.J. Habers, Gebr. Wilpshaar en G.J. Waterink.’33

No. 320 Squadron, Operations Record Book ‘6 Aircraft detailed to attack “Assen rail junction” V.223900. Results: Didn’t attack target (…) but bomb canal junction at Gramsbergen. Bombs fell in good concentration across the South bank of southernly canal. Flak: no enemy action.’35

DATUM: 31-07-1942 01-04-1944

Stappen door de oorlogsjaren van Gramsbergen, 1940-1945 ‘Zes weken voor de bevrijding werd een bombardement uitgevoerd op de spoorbrug bij De Haandrik. De brug werd echter niet geraakt. De bommen kwamen terecht naast en achter de boerderij van de familie Haandrikman, in de richting De Meene. (…) De bewoners en de boerderij werden echter niet geraakt. Wel liep de boerderij glasschade op en scheuren in de muren. Ook viel een bom in een arm van de Kleine Vecht, voor de boerderij, waar Van Wijngaarden zat te vissen.’29 ‘Op 22 februari komen twaalf vliegtuigen van de Britse luchtmacht laag over Gramsbergen. Zij vliegen richting Coevorden. Vóór Coevorden keren

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12229720/1