Bijlage 1 Verordening leerlingenvervoer gemeente Hardenberg 2026
Tekst van het document
Leerlingen die regulier voortgezet onderwijs volgen en geen handicap hebben, komen al niet in aanmerking voor leerlingenvervoer. Voor hen is deze bepaling dan ook niet van toepassing. Tweede lid
Voor het bezoeken van een school voor regulier voortgezet onderwijs zijn de ouders of de
leerling, ongeacht de afstand, zelf verantwoordelijk. Hierbij geldt, dat gehandicapte leerlingen slechts recht hebben op een vervoersvoorziening als zij door een handicap voor hun schoolbezoek:
a. niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken; of b. zijn aangewezen op ander vervoer dan openbaar vervoer. Artikel 10. Andere oplossing
De mogelijkheid om in aanmerking te komen voor een vervoersvoorziening in het kader van deze verordening is niet bedoeld voor situaties waarin leerlingen of hun ouders voor dit
vervoer al (gedeeltelijk) gebruik kunnen maken van een andere regeling of vergoeding. Dit
artikel voorkomt dat er een (deels) dubbele vergoeding kan worden ontvangen.
24 van 41
Als kan worden aangetoond dat een aanvrager van leerlingenvervoer via een andere weg
(bijvoorbeeld via de werkgever) een vergoeding ontvangt voor de kosten van het vervoer
naar school of de stage, mag het college die vergoeding aftrekken van de vergoeding die de aanvrager zou hebben gekregen op basis van de verordening leerlingenvervoer. Ook is het mogelijk deze vergoeding als bijdrage in rekening te brengen, wanneer het om aangepast vervoer gaat.
Het bovenstaande geldt echter niet voor vergoedingen die – op aanvraag – aan ouders van schoolgaande kinderen in het voortgezet onderwijs worden verstrekt op basis van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Deze vergoeding is opgebouwd uit verschillende componenten, zoals lesgeld, en is zeker niet uitsluitend bestemd voor
reiskosten. Daarom wordt deze vergoeding niet verrekend met de vervoersvoorziening. Artikel 11. Overstapplaatsen Eerste lid
Een overstapplaats wordt gebruikt voor ritten over lange afstanden waarbij het veel
efficiënter is om een leerling over te plaatsen van de ene in een andere taxi. De gemeente
beslist hierover. De uitvoering wordt gedaan door de contracteerde vervoerder. Als voor het
vervoer van de leerling gebruik wordt gemaakt van een overstapplaats, dan wordt de leerling gewoon bij de woning opgehaald en teruggebracht. Tweede lid
Minimaal twee verschillende taxi's met chauffeur komen samen bij een overstapplaats om de leerling over te plaatsen van de ene in de andere taxi. Eén van de taxi's rijdt door naar de verder weggelegen school. Denk aan de school voor leerlingen met een visuele en/of auditieve beperking in Haren. Derde lid
Als gebruik wordt gemaakt van een overstapplaats, dan zorgen de chauffeurs van de gecontracteerde partij voor een warme overdracht van de leerling. Vierde lid
Een overstapplaats wordt alleen maar gebruikt als dit veel efficiënter is in het vervoer. Dit is
soms zo in gevallen dat maar weinig leerlingen naar een erg verder weggelegen school gaan. Er wordt gebruik gemaakt van een overstapplaats zodat niet twee chauffeurs en twee taxi's
ver moeten reizen om de leerling naar school te brengen. Zo kan de andere chauffeur weer worden ingezet voor andere ritten. Een overstapplaats gebruiken mag alleen als de vervoerder binnen de gecontracteerde afspraken blijft qua reistijd.
25 van 41
Artikel 12. Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school Eerste lid
Als toegankelijke school is aan te merken de school van de verlangde godsdienstige of
levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school. Daar komt een tweede criterium bij, namelijk de school van de soort waarop de leerling is aangewezen op grond van zijn lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking.
Als dichtstbijzijnde school kan worden aangemerkt de school die naar afstand het dichtstbij gelegen is, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare, veilige weg.
Wanneer een leerling een school bezoekt die, met voorbijgaan van een vergelijkbare school van dezelfde gewenste richting, verder van de woning van de leerling is verwijderd, blijft de aanspraak in principe beperkt tot de kosten verbonden aan het vervoer van en naar de dichtst bij de woning gelegen school.
Indien de situatie zich zou voordoen dat vervoer naar een verder van de woning van de
leerling gelegen school van dezelfde richting voor de gemeente goedkoper zou zijn (of niet meer kosten met zich brengt), kan het college aan de ouders vragen ermee in te stemmen dat de leerling naar die school wordt vervoerd. Voor een openbare school geldt hetzelfde. Richting
Als erkende richtingen binnen het bijzonder onderwijs gelden het (rooms) katholiek
onderwijs, protestants-christelijk onderwijs (gereformeerd, hervormd), onderwijs naar de leer van de Gereformeerde kerk (vrijgemaakt), reformatorisch onderwijs en het evangelisch onderwijs; voorts het joods onderwijs, (orthodox) islamitisch onderwijs en het hindoe
onderwijs, en ten slotte het algemeen bijzonder of neutraal bijzonder onderwijs en het
onderwijs op antroposofische grondslag (vrijescholen). Sinds 2004 zijn gereformeerd en
hervormd opgegaan in de Protestantse Kerk Nederland (PKN). De keuze van de leerling of
zijn ouders voor één van de hiervoor genoemde erkende richtingen bepaalt dus (mede) of een school kan worden aangemerkt als toegankelijke school voor de betreffende leerling. Een bepaalde onderwijskundige methode wordt niet tot het begrip ‘richting’ gerekend.
Hiermee worden onder andere bedoeld: Jenaplanscholen, Montessorischolen, Daltonscholen, Iederwijsscholen, etc. De voorkeur van de leerling of zijn ouders voor een bepaalde
onderwijskundige methode is niet van invloed bij het bepalen van de dichtstbijzijnde toegankelijke school.
Instellingen voor cluster 1 en cluster 2
Als de commissie van onderzoek heeft geoordeeld dat de leerling toelaatbaar is tot of
aangewezen is op begeleiding vanuit een instelling voor cluster 1 of cluster 2 onderwijs, dan bepaalt dit (mede) of sprake is van een toegankelijke school. De school is vol
Het spreekt voor zich dat op een voor de leerling geschikte school wel ruimte voor de 26 van 41
leerling moet zijn en dat de leerling moet zijn/worden toegelaten. Een school die vol is heeft geen zorgplicht voor de leerling.
Indien de dichtstbijzijnde school niet toegankelijk is voor een leerling omdat de school vol is, wordt een vervoersvoorziening toegekend naar de eerstvolgende dichtstbijzijnde, toegankelijke school.
Dislocaties en nevenvestigingen
Als een school die een leerling bezoekt meer dan een locatie heeft, rijst de vraag of slechts de hoofdvestiging dan wel alle onderwijslocaties als school in de zin van de Verordening leerlingenvervoer moeten worden beschouwd. Aansluitend bij de regelgeving inzake de
huisvesting en materiële instandhouding geldt dat de feitelijke locatie die door de leerling wordt bezocht kan worden aangemerkt als ‘school’. Tweede lid
Voor alle onderwijssoorten geldt de hoofdregel: een vervoersvoorziening wordt toegekend naar de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school. Volgens artikel 4, vijfde lid, onder c en d, van de Wpo moet echter, wanneer het gaat om speciale scholen voor
basisonderwijs, het vervoer naar de dichtstbijzijnde school in het samenwerkingsverband ook worden bekostigd. Dat hoeft niet persé de dichtstbijzijnde toegankelijke speciale school voor basisonderwijs te zijn. Het is mogelijk dat er een school buiten het samenwerkingsverband, maar dichter bij de woning is gelegen.
Na invoering van het passend onderwijs beoordeelt het samenwerkingsverband of leerlingen toelaatbaar zijn tot het onderwijs aan speciale scholen voor basisonderwijs in het
samenwerkingsverband (artikel 18a, zesde lid, aanhef en onder c, van de Wpo). Een
‘toelaatbaarheidsverklaring’ voor een speciale school voor basisonderwijs, afgegeven door
het samenwerkingsverband aan een leerling, geldt alleen binnen dat samenwerkingsverband (artikel 40, achtste lid, van de Wpo). Een ander samenwerkingsverband kan immers gekozen hebben voor een hoger of lager niveau van basisondersteuningsvoorzieningen, die op elke school aanwezig zijn.
In het tweede lid wordt gesproken van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is. Dit is de dichtstbijzijnde toegankelijke basisschool. Daarnaast geldt, bij toepassing van het tweede lid, aanhef en onder b, ook hier het vereiste van schriftelijke instemming van de ouders. Derde lid
Binnen het leerlingenvervoer wordt een vergoeding verstrekt naar de (qua afstand)
dichtstbijzijnde toegankelijke school, rekening houdend met de onderwijsbehoefte en de
richting. In de praktijk komt het voor dat dit niet de school is waarnaar de leerling door het samenwerkingsverband wordt verwezen.
27 van 41
Het derde lid beschrijft de voorwaarden waaronder het college tóch kan besluiten om een vergoeding te verstrekken naar de niet dichtstbijzijnde toegankelijke (en door het samenwerkingsverband geadviseerde) school.
• De noodzaak van het bezoeken van de niet dichtstbijzijnde toegankelijke school moet
overtuigend worden aangetoond aan het college. Dit kan bijvoorbeeld door middel van
een onderbouwing door het samenwerkingsverband of door een intelligentie-onderzoek wanneer er onderwijs nodig is als gevolg van de hoogbegaafdheid van een leerling.
• Wanneer al dan niet door het samenwerkingsverband is vastgesteld, welke onderwijssoort een leerling nodig heeft op grond van de Wpo, de Wec of de Wvo 2020, zal aan het
college overtuigend moeten worden aangetoond, waarom dat onderwijs niet geboden
kan worden op de dichterbij gelegen school. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan een leerling, die onder een samenwerkingsverband valt waar arrangementen op reguliere basisscholen worden aangeboden, die het speciaal (basis) onderwijs vervangen. De
leerling gaat dan naar een reguliere basisschool verder weg, omdat het arrangement, waarop hij onderwijskundig is aangewezen dichterbij niet aanwezig is.
Symbiose
Wanneer een leerling van een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs gedurende ten
minste 180 minuten per week onderwijs volgt op een basisschool, een speciale school voor
basisonderwijs of een school voor voortgezet onderwijs, is er sprake van symbiose (artikel 24,
van de Wec en Titel IV van het Onderwijskundig besluit Wec). Daarvoor moet wel een
overeenkomst tussen de scholen gesloten zijn. De leerling volgt in dat geval onderwijs op twee verschillende locaties. Komt de leerling in aanmerking voor een vervoersvoorziening naar de school waar hij staat ingeschreven, dan bestaat er in beginsel ook aanspraak op
leerlingenvervoer naar de school waar een symbiose-overeenkomst mee gesloten is, voor
zover deze reis voldoet aan de voorwaarden van de verordening. Het gaat dan om vervoer in aansluiting op het begin en einde van de schooldag.
Een voorbeeld hiervan is dat er binnen het samenwerkingsverband een orthopedagogisch
didactisch centrum (opdc) is opgericht, waar leerlingen tijdelijk onderwijs volgen als er een orthopedagogische en orthodidactische benadering nodig. De leerling blijft daarbij
ingeschreven staan op zijn oorspronkelijke school, maar volgt in de praktijk elders onderwijs (Kamerstukken II 2013/14, 34 022, nr. 3, p. 4; Kamerstukken II 2014/15, 34 022, nr. 5, p. 5). Artikel 13. Schooltijden en wachttijden Eerste lid
Het aangepast vervoer vindt plaats in aansluiting op het begin en einde van de schooldag, zoals aangegeven in de schoolgids van de school. In alle andere situaties zijn ouders zelf
verantwoordelijk voor de schoolgang van hun kind. Vervoer dat nodig is in verband met een
activiteit van de school (sportdag, excursie, sinterklaas- of andersoortige feestdagviering) valt buiten het leerlingenvervoer.
28 van 41
Tweede lid
In het voortgezet speciaal onderwijs en het regulier voortgezet onderwijs kan het voorkomen, dat er binnen de vaste schooltijden gewerkt wordt met lesroosters. Ook in dat geval vindt het aangepast vervoer in principe plaats op het begin en het einde van de schooldag volgens de schoolgids. Het college kan, ingeval van aangepast vervoer, echter overwegen om dan een wachttijd te hanteren, waarbij leerlingen op elkaar wachten, dan wel eerder op school zijn. Hierdoor kan het vervoer toch gecombineerd worden.
De gemeente zal indien mogelijk proberen de leerlingen met afwijkende schooltijden van één of meerdere scholen gezamenlijk te vervoeren, wanneer de begin- en/of eindtijden nagenoeg hetzelfde zijn. Derde lid
Het vervoer op afwijkende tijden kan leiden tot individueel aangepast vervoer buiten de schooltijden en dat brengt extra vervoerskosten met zich mee. De gemeente is hier in
principe niet toe verplicht, tenzij de leerling een gedeeltelijke vrijstelling van de leerplicht heeft.
Alleen wanneer de leerling door een structurele handicap slechts een deel van het
onderwijsprogramma kan volgen, kan er in een voorkomend geval tijdens de schooltijd
vervoerd worden. Sociale omstandigheden, lichamelijke problemen van tijdelijke aard of
leeftijd zijn geen grond voor het vervoer tijdens schooltijd. De ouders dienen hun verzoek om een vervoersvoorziening op deze afwijkende tijden te onderbouwen door:
• een verklaring van de leerplichtambtenaar, waaruit een leerplichtakkoord blijkt;
• een opbouwschema om te komen tot een volledig schoolprogramma/onderwijstijd;
• een verklaring van de (directie van de) school waaruit de medische noodzaak blijkt; of
• een verklaring van een deskundige (bijvoorbeeld een arts, psycholoog of orthopedagoog), waaruit de medische onmogelijkheid blijkt om de volledige schooltijden te volgen.
Het college kan, overeenkomstig artikel 4, een deskundige inschakelen om het geleverde bewijs te beoordelen.
Artikel 14. Tijdelijk verblijf buiten de gemeente
Een aanvraag wordt gedaan in de gemeente waarin de leerling zijn woning heeft. De
aanwezigheid van een structureel karakter van het feitelijk verblijf van de leerling vormt een onderdeel van het begrip woning. Een tijdelijk verblijf elders verplaatst de structurele
feitelijke verblijfplaats dan ook niet. Wanneer de leerling tijdelijk in een andere gemeente
verblijft, bijvoorbeeld in verband met noodzakelijke opvang, is het bovendien niet praktisch dat die andere gemeente de vervoerskosten moet dragen.
Als de leerling door een crisissituatie gedurende een korte periode in een andere gemeente verblijft, zijn eigen school blijft bezoeken en van gemeentewege al een vergoeding
leerlingenvervoer kreeg naar deze school, dan wordt dit verblijf voor de duur van maximaal zes weken aangemerkt als verblijf in de gemeente. Het college neemt dan de kosten voor
29 van 41
vervoer voor de duur van maximaal zes weken voor zijn rekening. Het college neemt hierover
een afzonderlijk besluit, waarbij het oorspronkelijke besluit waarmee een vervoersvoorziening was toegekend tijdelijk wordt opgeschort, zolang de tijdelijke situatie bestaat.
Vakantie van de ouders geldt overigens niet als reden voor noodzakelijke opvang van de
leerling elders. In dat geval is geen sprake van een crisissituatie, maar van een keuze, waarbij ouders zelf verantwoordelijk zijn voor het vervoer.
Artikel 15. Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie bij verblijf in pleeggezin of internaat
1- Een vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie wordt alleen verstrekt als het
verblijf van de leerling in een internaat of een pleeggezin noodzakelijk is met het oog op het volgen van passend (voortgezet) speciaal onderwijs. Zo is het bepaald in de Wec.
Doorslaggevend is de directe relatie tussen het verblijf in een internaat of pleeggezin en het volgen van passend onderwijs op een school die ver van de woning is gelegen. Dit betekent
dat het college geen vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie toekent, als de leerling passend onderwijs kan volgen op een school die redelijkerwijs met dagelijks vervoer vanuit het ouderlijk huis bereikt kan worden. Ook betekent dit dat er geen
vervoersvoorziening van en naar de woning van de ouders wordt verstrekt als de leerling om medische of sociale redenen in een internaat of pleeggezin verblijft, en daar in de buurt een
school bezoekt. Het college dient na te gaan op welke gronden een leerling op een internaat of bij een pleeggezin is geplaatst.
Ouders van leerlingen van het regulier en speciaal basisonderwijs en van het regulier
voortgezet onderwijs komen niet in aanmerking voor een vervoersvoorziening voor het weekeinde of de vakantie.
2- Het college verstrekt de vervoersvoorziening voor het weekeinde- en vakantievervoer, als
de ouders in de gemeente wonen en daarvoor in aanmerking komen. Wanneer de leerling in aanmerking komt voor dagelijks vervoer van het internaat of pleeggezin naar de school en terug, verstrekt het college van de gemeente waar de leerling in het internaat of het pleeggezin verblijft deze voorziening. Vierde en vijfde lid
Het uitgangspunt is een vergoeding in geld voor de kosten van het gebruik van het openbaar vervoer. Als dit goedkoper is voor het college, of als er sprake is van bijzondere omstandigheden, dan kan er een kilometervergoeding worden verstrekt.
Het college vergoedt ook de kosten van het openbaar vervoer voor een begeleider, als de leerling wegens zijn structurele handicap of leeftijd niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken.
30 van 41
Zesde lid
Het zesde lid geeft aan dat het aangepast vervoer, zoals beschreven in artikel 22 van de
verordening, in principe niet kan worden ingezet voor weekend- en vakantievervoer. Alleen in uitzonderlijke situaties is hierop een uitzondering mogelijk. Dit is het geval als: • openbaar vervoer ontbreekt; of
• de leerling wegens zijn structurele handicap niet in staat is – ook niet onder begeleiding – van het openbaar vervoer gebruik te maken.
Artikel 16. Vervoersvoorziening naar stageadres
Wanneer de stage is opgenomen in de schoolgids van de school is het stageadres aan te
merken als ‘school’. Komt de leerling in aanmerking voor een vervoersvoorziening naar de school waar hij staat ingeschreven, dan bestaat er in beginsel ook aanspraak op leerlingenvervoer naar het stageadres.
Aangezien stage in feite een verlenging van de schoolactiviteit is, moeten de dagen en tijden, waarvoor de vervoersvoorziening wordt verstrekt in beginsel overeenkomen met de reguliere schooltijden. Omdat dit in de praktijk lastig kan zijn, omdat stages vaak aansluiten op
werktijden, bevat het derde lid een uitzonderingsmogelijkheid. Dit moet voorkomen dat
leerlingen die geen passende stageplek binnen de reguliere schooltijden kunnen vinden hun opleiding niet kunnen afronden.
Naar analogie van ‘dichtstbijzijnde toegankelijke school’ wordt slechts een
vervoersvoorziening verstrekt naar het dichtstbijzijnde toegankelijke stageadres en naar één stage-locatie.
Voor een vervoersvoorziening naar een stageadres gelden verder dezelfde voorwaarden die ook gelden als de leerling of zijn ouders in aanmerking wil komen voor een
vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school (zie de artikelen 8 t/m 14). Stage is een opstap naar deelname in het maatschappelijk verkeer. Bij het onderzoek naar
wat passend vervoer is voor de leerling kan voor de stage een andere vervoersvoorziening worden verstrekt, dan naar de school van de leerling. Het doel blijft om zo zelfstandig mogelijk te reizen.
Ter onderbouwing van de aanvraag van een vervoersvoorziening naar een stageadres kan het college het stagecontract opvragen. Zo kan ook gecontroleerd worden of er in de
stageovereenkomst wellicht een regeling met betrekking tot de vervoerskosten is getroffen met het stagebedrijf.
Artikel 17. Tweede ophaal- en brengadres
Van een tweede ophaal- of brengadres kan sprake zijn ingeval ouders zijn gescheiden en
leerling door de week wisselend bij de ouders verblijft. Daarnaast kan hier sprake van zijn als een leerling structureel één of meerdere nachten op een logeeradres verblijft.
31 van 41
Het moet hier gaan om een vast patroon, te weten; vaste dagen in de week/maand. Hiermee wordt bedoeld dat er minimaal drie maanden sprake moet zijn van dit patroon. Artikel 18. Vervoerstraining
Het doel van de vervoerstraining is om de leerling in staat te stellen alsnog zelfstandig te
kunnen reizen, waarbij hij niet langer op een vervoersvoorziening is aangewezen. Als dat niet mogelijk is dan wordt de leerling door middel van de vervoerstraining ondersteund in het zo zelfstandig mogelijk reizen, waardoor hij gebruik kan maken van een goedkopere
vervoersvoorziening, waarbij hij bijvoorbeeld niet langer afhankelijk is van een begeleider die met hem meereist.
De basis van de vervoerstraining wordt gelegd in het persoonlijk vervoersontwikkelingsplan.
Daarin worden de onderzochte mogelijkheden van de leerling vastgelegd. De training wordt hierop afgestemd.
Artikel 19. Vervoersvergoeding voor de leerling Eerste lid
Deze vergoeding kan worden verstrekt voor de leerling die een basisschool of school voor speciaal basisonderwijs (artikel 4, van de Wpo) of een school voor speciaal onderwijs (artikel 4, van de Wec) bezoekt.
De gemeente bekostigt de goedkoopst mogelijke wijze van openbaar vervoer. Het gaat
hierbij om de kosten die met de OV-chipkaart (of eventueel een andere, binnen de gemeente of regio geldende betaalmogelijkheid) worden gemaakt, rekening houdend met kortingen die voor de leerling binnen het systeem kunnen gelden. Tweede lid
Het tweede lid bepaalt dat een fietsvergoeding kan worden verstrekt. Het college dient dan
van oordeel te zijn dat de leerling, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets. Hierbij worden dan factoren als leeftijd, eventuele handicap, de veiligheid
van de route en de afstand in overweging genomen. Het is mogelijk een fietsvergoeding voor de zomermaanden te verstrekken en een andere vervoersvoorziening voor de overige
maanden toe te kennen. De fietsvergoeding is bedoeld als een voor het college goedkoper alternatief voor leerlingen die recht hebben op een vervoersvoorziening. Derde lid
De hoogte van de vergoeding per fiets is gebaseerd gelijk aan de helft van de belastingvrije kilometervergoeding voor het gebruik van de auto, naar beneden afgerond. Artikel 20. Vervoersvergoeding voor de begeleider Eerste lid
In een aantal gevallen zal blijken dat het voor een leerling die in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening niet mogelijk is zelfstandig met het openbaar vervoer of de fiets te
reizen. In dat geval kan er een vergoeding worden verstrekt voor de vervoerskosten die de 32 van 41
begeleider van de leerling moet maken om hem tijdens het vervoer te begeleiden. Het
zorgen voor een begeleider is de verantwoordelijkheid van de ouders zelf (zie artikel 8, derde lid).
Als de ouders op een voor het college bevredigende wijze kunnen aantonen dat het kind niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken, komen de
ouders in aanmerking voor de vergoeding van de vervoerskosten voor een begeleider. Hierbij kan men denken aan de volgende situaties:
• de leerling moet een of meerdere malen overstappen;
• de route van het uitstappunt van de bus naar de school kent gevaarlijke punten;
• het is voor de leerling door zijn handicap niet veilig om alleen naar school te fietsen. Gehandicapte leerling
Ouders van leerlingen die door hun handicap niet zelfstandig met het openbaar vervoer
kunnen reizen (zie toelichting bij artikel 1), komen in aanmerking voor een vergoeding van de vervoerskosten voor de leerling én een begeleider, ongeacht de afstand van de woning naar
de school.
Tweede lid
Wie de leerling ook begeleidt, de vergoeding vindt plaats aan de ouders van de leerling voor
het deel van de reis, dat de leerling begeleid wordt. Als een begeleider meer dan een leerling
tegelijk begeleidt, worden de reiskosten van de begeleider slechts één maal vergoed. Dit sluit aan bij de systematiek, dat in het aangepast vervoer ook alleen het deel van de reis betaald wordt, dat de leerling meereist. Derde lid
De gemeente bekostigt de goedkoopst mogelijke wijze van openbaar vervoer. Het gaat
hierbij om de kosten die met de OV-chipkaart (of eventueel een andere, binnen de gemeente of regio geldende betaalmogelijkheid) worden gemaakt, rekening houdend met kortingen die voor de begeleider binnen het systeem kunnen gelden. Vierde lid
Als de begeleider de leerling op de fiets begeleidt bedraagt de hoogte van de vergoeding de
helft van de, naar beneden afgeronde, belastingvrije kilometervergoeding voor het gebruik van de auto.
Artikel 21. Aangepast vervoer
Een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer dient in principe slechts in
uitzonderingsgevallen te worden versterkt. Deze uitzonderingen zijn in artikel 22 vastgelegd. Onderdeel a
Bij een reisduur tot anderhalf uur met het openbaar vervoer komt de vrijheid van de ouders om voor een bepaalde school te kiezen niet in de knel. De praktijk leert dat leerlingen,
33 van 41
ongeacht de manier waarop zij de afstand naar school overbruggen, zo’n tien minuten vóór
de aanvang van de lessen op het schoolplein aankomen. Het ligt voor de hand deze tijd uit te sluiten van de reistijd. De eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer aan het einde van
de schooldag wordt wel meegerekend. Wanneer een leerling met aangepast vervoer wordt
vervoerd, is er tijd nodig om de school te verlaten en in de taxi(bus) te stappen. Het is in dit
geval dan ook redelijk enige tijd (tien minuten) op te tellen bij de berekende duur van de rit (zie ABRvS 5 oktober 1990, nr. R03.90.6236/86538).
Het kan voorkomen dat voor de heenreis (woning-school) de reistijd van anderhalf uur met
het openbaar vervoer overschreden wordt, terwijl dit voor de terugreis niet het geval is (of
vice versa). In een dergelijk geval wordt er voor de heenreis aangepast vervoer toegekend, en voor de terugreis een vergoeding op basis van openbaar vervoer. Onderdeel b
Voor leerlingen die naar het speciaal basisonderwijs of het speciaal onderwijs gaan is de
maximale reistijd, zoals beschreven onder onderdeel a, aangepast naar één uur. Het betreft
kinderen in de basisschoolleeftijd. Het college vindt het niet redelijk om deze leerlingen
maximaal anderhalf uur aan het openbaar vervoer deel te laten nemen. De verdere uitleg onder onderdeel a geldt ook voor dit onderdeel. Onderdeel c
Er kan aangepast vervoer worden aangeboden, wanneer de reistijd door inzet van aangepast vervoer met 50% of meer kan worden teruggebracht ten opzichte van de reistijd met het
openbaar vervoer met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, rekening houdend met wachttijden, overstaptijden en de duur van de reis met verschillende vormen
van openbaar vervoer. Voor het bepalen van de reistijd van de taxi wordt de maximale reistijd volgens het contract met de vervoerder aangehouden. Van belang is dat via een individuele
meting die conclusie kan worden getrokken. Onderdeel d
Het kan voorkomen dat het openbaar vervoer geheel ontbreekt of zo weinig frequent rijdt
dat leerlingen daar geen gebruik van kunnen maken voor het vervoer van de woning naar de school of terug. Onderdeel e
De ouders dienen op een voor het college bevredigende wijze aan te tonen dat het voor hen onmogelijk is hun kind in het openbaar vervoer te begeleiden, of dat deze begeleiding tot ernstige benadeling van het gezin zou leiden. Van ouders wordt ook verwacht dat zij
allereerst zelf een oplossing zoeken voor het (laten) begeleiden van hun kinderen, wanneer dit nodig is (zie ook artikel 9, tweede lid en artikel 20).
Per ouder(paar) en per aanvraag zal het college moeten beoordelen of de gevraagde inzet redelijk is.
34 van 41
Onderdeel f
Als de leerling door zijn structurele handicap niet in staat is, zelfs niet onder begeleiding, van
het openbaar vervoer gebruik te maken, verstrekt het college een voorziening in de vorm van aangepast vervoer.
Artikel 22. Vervoersvergoeding op basis van de kosten van door de ouders georganiseerd vervoer Eerste en tweede lid
Als ouders de leerling zelf wensen te (laten) vervoeren, is toestemming van het college
noodzakelijk. Een belangrijke maatstaf voor toestemming is of de vergoeding van het vervoer door de ouders voor de gemeente goedkoper is (artikel 8, tweede lid). Daarvan is in ieder
geval geen sprake als de leerling in aanmerking komt voor een voorziening in de vorm van aangepast vervoer, en er is plaats in een busje dat toch al rijdt.
Het college kan ouders ook vragen of zij bereid zijn leerlingen van andere ouders naar school te vervoeren. Verplichten is echter niet toegestaan. Derde lid
Als ouders in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening en zij met toestemming van-
of op verzoek van het college de leerling zelf vervoeren, wordt een vergoeding per kilometer verstrekt.
Aangesloten wordt bij de algemeen gebruikelijke belastingvrije kilometervergoeding voor het betreffende jaar, gerekend over de kortste afstand tussen de woning en de school. Ook de
retourreis ’s morgens en de heenreis ’s middags van de chauffeur moeten vergoed worden.
Geen vergoeding wordt verstrekt wanneer de leerling ook tussen de middag wordt vervoerd. Ouders kunnen ervoor kiezen om de leerling zelf te vervoeren tegen een lagere vergoeding, om te voldoen aan de in het eerste lid genoemde eis dat er sprake moet zijn van een goedkoper vervoersalternatief. Vierde lid
Het vierde lid bepaalt dat ouders aanspraak maken op een vergoeding per rit op basis van een kilometervergoeding als zij – na toestemming van het college – meer dan één leerling
tegelijk vervoeren. De kilometervergoeding geldt voor de auto, en wordt niet per leerling verstrekt.
Vijfde lid
Het vijfde lid bepaalt, in het verlengde van het vierde lid, dat er geen vergoeding wordt
verstrekt aan ouders van de leerling die met een andere ouder meerijdt, die daar al een
vergoeding op grond van deze verordening voor ontvangt. Daarmee wordt voorkomen dat
er in deze situatie dubbel wordt betaald voor dezelfde rit.
35 van 41
Zesde lid
Wanneer ouders toestemming vragen meerdere kinderen met een eigen busje te vervoeren, kan het college, bij wijze van uitzondering, een andere vergoeding vaststellen. Dit vervoer kan goedkoper zijn dan aangepast vervoer per leerling.
Artikel 23. Vergoeding andere passende vervoersvoorziening
Het kan voorkomen, dat een leerling of een ouder op een andere manier kan of wenst te
reizen, dan de reeds beschreven vervoerswijzen, als hij daarvoor een geschikt vervoermiddel
heeft. Artikel 23 maakt het mogelijk dit maatwerk toe te passen en de vergoeding zodoende te laten aansluiten bij de mogelijkheden van de leerling en/of de ouders. Het kan er tevens toe bijdragen, dat het zelfstandig reizen wordt gestimuleerd.
Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan een handbike, elektrische fiets, of bakfiets. Het college kan besluiten ouders hierin tegemoet te komen, mits de kosten van dit vervoermiddel niet uitstijgen boven de kosten van het openbaar vervoer naar de school. Hoofdstuk 4. Bijdrage in de kosten
Van ouders van leerlingen die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor
basisonderwijs bezoeken kan in bepaalde gevallen, afhankelijk van het inkomen, een bijdrage worden gevraagd (zie de artikelen 24 en 25). Deze bijdrage kan worden verrekend met de
eventuele vergoeding. Een wijziging in het inkomen van deze ouders heeft in principe geen
invloed op de vergoeding van de vervoerskosten voor datzelfde jaar (zie inkomen artikel 1). Indien echter sprake is van een structurele daling in het inkomen van de ouders kan het college, vooruitlopend op een komend schooljaar, de vergoeding aanpassen. Artikel 24. Drempelbedrag Eerste en tweede lid
Het bedrag wordt per leerling in rekening gebracht, tenzij ouders meer dan één eigen kind
met het eigen vervoer vervoeren en hiervoor een kilometervergoeding ontvangen. Dan wordt
er per auto een drempelbedrag geheven (ABRvS 19 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1959). Als een leerling slechts voor een deel van het schooljaar een vervoersvoorziening wordt toegekend, wordt het drempelbedrag naar evenredigheid in rekening gebracht. Dit geldt ook wanneer
alleen voor de heen- of terugreis een vervoersvoorziening wordt toegekend, of voor enkele
dagen per week.
Bij het drempelbedrag is de vergoeding in geld gekoppeld aan de door de gemeente
vastgestelde kilometergrens van 6 km, dat wil zeggen de afstand van de woning tot de
school waarboven aanspraak kan bestaan op een vervoersvoorziening. Het drempelbedrag
houdt in dat de kosten van het openbaar vervoer tot aan deze kilometergrens voor rekening van de ouders komen.
De kosten van het openbaar vervoer worden berekend op basis van de kosten die met de
OV-chipkaart zouden worden gemaakt, rekening houdend met kortingen die voor de leerling binnen het systeem kunnen gelden.
36 van 41
Bij de vaststelling van de hoogte van het drempelbedrag is het niet van belang of de leerling daadwerkelijk gebruik maakt van het openbaar vervoer. Ook wanneer de leerling gebruik
maakt van aangepast vervoer, of wanneer er geen openbaar vervoer aanwezig is, dienen de ouders de kosten van het openbaar vervoer over de afstand tot aan de door de gemeente
gestelde kilometergrens zelf te dragen. In dat geval wordt uitgegaan van de meest gangbare, voor de leerling toegankelijke route, en gerekend met een OV-prijs die geldt binnen het
betreffende vervoersgebied.
Doelgroep voor het drempelbedrag zijn de ouders van leerlingen van scholen voor
basisonderwijs die een gezamenlijk inkomen hebben dat boven een bepaalde grens uitkomt. Indexatie
Voor de berekening van het geïndexeerde inkomen waarbij het drempelbedrag van toepassing is, wordt verwezen naar data van het CBS. Deze is te raadplegen via: Aantonen van het inkomen
Als het college zelf geen inzage kan verkrijgen in de inkomensgegevens kunnen aanvragers
een kopie van de belastingaanslag sturen om het inkomen aan te tonen. Ouders kunnen ook een inkomensverklaring opvragen bij de belastingdienst.
Wanneer ouders weigeren de gevraagde informatie over hun inkomen te verstrekken, wordt op grond van artikel 4:15 van de Awb de beslistermijn opgeschort tot de dag waarop de aanvraag met de ontbrekende gegevens is aangevuld, of de daarvoor gestelde termijn
ongebruikt is verstreken. In het laatste geval kan het college besluiten de aanvraag niet in
behandeling te nemen. De aanvragers worden hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld (zie artikel 2).
Als het gezamenlijk inkomen van het peiljaar nog niet bekend is, kan het derde jaar
voorafgaande aan het desbetreffende schooljaar als voorlopig uitgangspunt worden
gehanteerd. In een later stadium, als het inkomen van het peiljaar wel bekend is, kan een definitieve berekening worden gemaakt. Structurele daling van inkomen
Wanneer het inkomen van de betrokken ouders in de periode die ligt tussen het peiljaar en het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend op een structurele wijze is gedaald, is het
redelijk om in het voordeel van de ouders een later peiljaar te kiezen door af te wijken van de verordening. Om te bepalen in welk geval het redelijk is van de peildatum af te wijken, dient artikel 6.12 van de Wet studiefinanciering als richtsnoer. Vierde lid
Het drempelbedrag is niet van toepassing op de ouders van gehandicapte leerlingen en
leerlingen met die met een toelaatbaarheidsverklaring op een school voor speciaal onderwijs zijn geplaatst.
37 van 41
Artikel 25. Draagkrachtafhankelijke bijdrage
Artikel 4, elfde lid, van de Wpo biedt de mogelijkheid een bijdrage te vragen in de kosten van het vervoer, wanneer de afstand tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school meer is dan
twintig kilometer. Deze bijdrage kan alleen worden gevraagd wanneer het een school voor
regulier basisonderwijs betreft. De bijdrage is afhankelijk van de financiële draagkracht van de ouders.
Er wordt geen eigen bijdrage gevraagd wanneer het gaat om leerlingen die wegens hun
structurele handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, of vanwege een zodanige handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken. De draagkrachtafhankelijke bijdrage wordt per gezin geheven, in tegenstelling tot het drempelbedrag dat per leerling in rekening wordt gebracht. Indexatie
Voor de berekening van het geïndexeerde inkomen waarbij het drempelbedrag van toepassing is, wordt verwezen naar data van het CBS. Structurele daling van inkomen
Wanneer het inkomen van de betrokken ouders in de periode die ligt tussen het peiljaar en het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend op een structurele wijze is gedaald, is het
redelijk om in het voordeel van de ouders een later peiljaar te kiezen door af te wijken van de
verordening. Om te bepalen in welk geval het redelijk is van de peildatum af te wijken, dient artikel 6.12 van de Wet studiefinanciering als richtsnoer. Hoofdstuk 5. Rechtmatigheid Artikel 26. Doorgeven van wijzigingen
Ouders of de meerderjarige handelingsbekwame leerling zijn verplicht wijzigingen die van directe invloed kunnen zijn op de toegekende vervoersvoorziening door te geven aan het college. Zij moeten dit zo snel mogelijk doen.
Van invloed op de vervoersvoorziening zijn onder andere:
• wijziging in het woonadres van de leerling, bijvoorbeeld door verhuizing;
• verandering van school (bijvoorbeeld van speciaal onderwijs naar voortgezet speciaal onderwijs);
• wijziging van het adres van de school; • wijziging van de schooltijden;
• verandering van de reistijd, bijvoorbeeld door een wijziging in het openbaar vervoer; • wijziging in de gezinssituatie, in verband met het al dan niet kunnen begeleiden van leerlingen.
38 van 41
Als de wijziging daartoe aanleiding geeft neemt het college een passend besluit tot
beëindiging, opschorting, herziening of intrekking van de verstrekte vervoersvoorziening (artikel 27).
Artikel 27. Beëindiging, opschorting, herziening, intrekking en terugvordering van de vervoersvoorziening
Ouders of de meerderjarige handelingsbekwame leerling zijn verplicht informatie met
betrekking tot wijzigingen in hun situatie die van invloed kunnen zijn op het recht op een
toegekende vervoersvoorziening direct door te geven aan het college (artikel 26). Het college kan, zonder dat de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling iets hebben doorgegeven, zelf ook wijzigingen constateren die van invloed kunnen zijn op het recht op de vervoersvoorziening. Het college neemt op basis van deze doorgegeven of geconstateerde informatie een passend besluit. Beëindigen
Als er naar het oordeel van het college uit informatie blijkt dat er (in de nabije toekomst) niet langer recht bestaat op de eerder toegekende vervoersvoorziening, dan besluit het college
om het recht op deze voorziening te beëindigen. Er bestaat dan vanaf het moment van het besluit, of een in het besluit genoemde toekomstige datum, niet langer recht op de vervoersvoorziening. Opschorten
Als er naar het oordeel van het college gegronde redenen zijn om te twijfelen of er nog wel recht op een toegekende vervoersvoorziening bestaat, kan het college de werking van het toekenningsbesluit door middel van een opschortingsbesluit tijdelijk opschorten. De
vervoersvoorziening wordt dan tijdelijk niet verstrekt, in afwachting van verder onderzoek. Herzien
Als er naar het oordeel van het college uit informatie blijkt dat er (voor een deel van de
periode) geen recht bestond op de eerder toegekende vervoersvoorziening, maar wel op een andere vervoersvoorziening, dan besluit het college om het recht op de vervoersvoorziening te herzien en alsnog de correcte vervoersvoorziening (voor de correcte periode) toe te kennen.
Intrekken
Als er naar het oordeel van het college uit informatie blijkt dat er (voor een deel van de
periode) in het geheel geen recht bestond op een eerder toegekende vervoersvoorziening,
dan besluit het college het recht op de toegekende vervoersvoorziening (voor die periode) in te trekken. Overig
Naast de hiervoor genoemde besluiten op basis van nieuwe informatie kan het college een leerling de toegang tot het aangepast vervoer tijdelijk of voor de rest van het schooljaar
39 van 41
ontzeggen, indien bij herhaling is gebleken dat de leerling door onaangepast gedrag of
anderszins de orde in het voertuig verstoort of de veiligheid van het voertuig of inzittenden in gevaar brengt. Dit kan ook aan de orde zijn indien de zorgvraag van de leerling dermate
hoog is dat die niet van een reguliere chauffeur kan worden gevergd. Ook de weigering om de eigen bijdrage te betalen of nalatig zijn in de betaling kan een reden zijn dat de vervoersvoorziening wordt ingetrokken. Tweede lid
Het college kan, zonder dat de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling iets hebben doorgegeven, zelf wijzigingen constateren die van invloed kunnen zijn op de
vervoersvoorziening. Daarbij kan blijken dat ten onrechte een vergoeding is verstrekt. Het
tweede lid biedt in dergelijke situaties een kapstok om de ten onrechte betaalde vergoeding terug te vorderen of in mindering te brengen bij een eventueel nieuw te verstrekken vergoeding.
Hoofdstuk 6. Slotbepalingen Artikel 28. Hardheidsclausule
Artikel 28 stelt dat het college slechts in voor ouders voordelige zin kan afwijken van de
verordening. Van een afwijking in voor ouders gunstige zin kan bijvoorbeeld sprake zijn bij toekenning van de vergoeding van openbaar vervoer voor een begeleider, toekenning van
een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer, vergoeding van groepsvervoer dat is georganiseerd door de ouders, of toekenning van een vervoersvoorziening naar een verder weg gelegen school. Er valt ook te denken aan gemeenschappelijke afspraken met
andere gemeenten, combinaties van openbaar vervoer met aangepast vervoer, varianten in het gebruik van eigen vervoer etc. De hardheidsclausule maakt het mogelijk om van alle
bepalingen in de verordening af te wijken. Redelijkheid is hierbij het uitgangspunt. De ouders of het college dienen aan te tonen dat er sprake is van een bijzondere situatie. In dit verband kan met alle omstandigheden rekening gehouden worden. Hierbij kan gedacht worden aan medische, pedagogische en sociale factoren.
Nota bene: Het gaat hierbij uitsluitend om vervoer voor schoolbezoek ten behoeve van
onderwijs, niet voor schoolbezoek ten behoeve van een medische behandeling bijvoorbeeld. Advies van deskundigen
In artikel 28 wordt bepaald dat het college zo nodig advies vraagt van deskundigen ter zake (zie artikel 4).
Precedentwerking
Ter voorkoming van – ongewenste – precedentwerking moet de toepassing van de
hardheidsclausule worden onderbouwd met argumenten die op de specifieke, concrete situatie van de ouders en/of de leerling betrekking hebben.
40 van 41
Artikel 29. Intrekking oude regeling
De datum waarop de oude regeling vervalt, is de datum waarop de nieuwe verordening in werking treedt.
41 van 41