Bijlage 1 Verordening leerlingenvervoer gemeente Hardenberg 2026
Tekst van het document
Verordening leerlingenvervoer gemeente Hardenberg 2026 Besluit van de raad van de gemeente Hardenberg tot vaststelling van de Verordening leerlingenvervoer gemeente Hardenberg 2026 De raad van de gemeente Hardenberg, Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 11 november 2025, nummer 1125396;
gelet op artikel 4 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 4 van de Wet op de expertisecentra en artikel 8.29 van de Wet voortgezet onderwijs 2020; gezien het advies van de participatieraad;
besluit vast te stellen de volgende verordening: Verordening leerlingenvervoer gemeente Hardenberg 2026 Hoofdstuk 1. Definities Artikel 1. Definities
In deze verordening wordt verstaan onder:
• aangepast vervoer: door het college georganiseerd vervoer;
• afstand: afstand, overeenkomstig artikel 4, zesde lid, van de Wet op het primair onderwijs,
artikel 8.29, vierde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 4, vijfde lid, van de
Wet op de expertisecentra, gemeten langs de kortste weg;
• begeleider: ouder of persoon die door de ouders wordt ingezet om de leerling tijdens het vervoer te begeleiden;
• deskundige: onafhankelijk medisch, psychiatrisch, psychologisch, pedagogisch of verkeerskundig deskundige;
• college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hardenberg;
• eigen vervoer: vervoer per eigen motorvoertuig of (elektrische) fiets of andersoortig vervoersmiddel dat onder eigen verantwoordelijkheid plaatsvindt;
• gehandicapte leerling: een leerling, die door een lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of
psychische handicap niet, of niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken;
1 van 41
• inkomen: inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, in het peiljaar, bedoeld in artikel 4, zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs;
• leerling: de jeugdige die is ingeschreven bij een school;
• openbaar vervoer: personenvervoer dat openbaar toegankelijk is en iedereen al dan niet tegen betaling gebruik van kan maken;
• ouders: met gezag over de leerling gezaghebbende ouders, pleegouders, voogden of verzorgers van de leerling;
• overstapplaats: een veilige, openbare locatie waar een overdracht van leerlingen van de ene in de andere taxi plaatsvindt door chauffeurs voor vervoer naar een verder
weggelegen school;
• persoonlijk vervoersontwikkelingsplan: een schriftelijk plan waarin de activiteiten worden beschreven waarmee de leerling de vaardigheden kan aanleren die nodig zijn om zoveel mogelijk zelfstandig te reizen;
• samenwerkingsverband:
1°. samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a van de Wet op het primair onderwijs;
2°. samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 28a van de Wet op de expertisecentra; of 3°. samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 2.47 van de Wet voortgezet onderwijs
2020;
• school:
1°. basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs;
2°. school voor speciaal onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; of
3°. school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020;
• schoolvakantie: vakantie waarvan de datum is opgenomen in de schoolgids;
• toegankelijke school: toegankelijke school als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onder a, van
de Wet op het primair onderwijs, artikel 8.29, vierde lid, van de Wet voortgezet onderwijs
2020 en artikel 4, vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra, waar plaats is en waarbij de
op godsdienst of levensbeschouwing van de ouders of de meerderjarige leerling berustende keuze van een school geëerbiedigd wordt;
• toelaatbaarheidsverklaring: een bewijs dat de leerling recht geeft op een plek in het speciaal onderwijs;
• verblijfplaats: adres waar jeugdige structureel één of meerdere overnachtingen per week doormaakt;
• vervoersvoorziening:
1°. vergoeding van fietsvervoer voor de leerling en zo nodig van diens begeleider;
2°. vergoeding van openbaar vervoer voor de leerling en zo nodig van diens begeleider;
3°. aanbieding van aangepast vervoer voor de leerling en zo nodig voor diens begeleider; of
4°. gehele of gedeeltelijke vergoeding van de vervoerkosten van de leerling en zo nodig van diens begeleider;
• woning: woning waar de leerling feitelijk en structureel verblijft; 2 van 41
Hoofdstuk 2. Aanvraagprocedure van de vervoersvoorziening Artikel 2. Aanvraag
1. Een aanvraag voor een vervoersvoorziening kan worden ingediend voor een leerling die
zijn woning in de gemeente heeft, door indiening bij het college van een volledig ingevuld en door de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling ondertekend papieren of digitaal formulier, voorzien van de op het formulier vermelde gegevens.
2. Als dit voor een juiste beoordeling van de aanvraag noodzakelijk is, kan het college verzoeken aanvullende gegevens te verstrekken.
Artikel 3. Onderzoek
1. Bij de beoordeling van de aanvraag voor een vervoersvoorziening voor de leerling en eventueel een begeleider, onderzoekt het college in elk geval de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling en die van het gezin, en de afstand en route tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school. De mogelijke afstemming van de
vervoersvoorziening met andere in het kader van het sociaal domein aan de leerling of het
gezin verstrekte voorzieningen maakt ook deel uit van het onderzoek.
2. Het college kan in een gesprek met de ouders en desgewenst de leerling, de noodzakelijk te achten vervoersvoorziening onderzoeken. Bij dit gesprek kan, als het college dat noodzakelijk acht, ook een medewerker uit een ander domein of een deskundige aansluiten. De leerling of de ouder kan ook iemand meenemen naar dit gesprek.
3. Bij gewijzigde omstandigheden, bijvoorbeeld de doorgemaakte ontwikkeling van de leerling, kan het gesprek als bedoeld in het tweede lid opnieuw plaatsvinden.
4. Het college kan, in overleg met de ouders en desgewenst de leerling, gelet op het
ontwikkelingsperspectief van de leerling, een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan
opstellen. Het persoonlijk vervoersontwikkelingsplan maakt onderdeel uit van het besluit. Artikel 4. Inzet deskundige
1. Het college betrekt een deskundige bij het onderzoek en verzoekt deze (onafhankelijk)
advies uit te brengen, ter beoordeling van de individuele situatie van de leerling, op het moment dat hij specifieke deskundigheid noodzakelijk acht.
2. De ouders en de leerling verlenen medewerking aan het onderzoek van de deskundige. Artikel 5. Beslistermijn
1. Het college besluit binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag voor een vervoersvoorziening.
2. Het college kan de in het vorige lid bedoelde besluitvormingstermijn met ten hoogste vier weken verlengen. Het college stelt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis.
Artikel 6. Ingangsdatum voorziening
Als een vervoersvoorziening wordt toegekend geldt deze: 3 van 41
a. wanneer het een vergoeding betreft, met ingang van de verzochte datum, waarbij de datum niet ligt vóór de datum van ontvangst van de aanvraag;
b. wanneer het aanbieding van aangepast vervoer betreft, met ingang van een datum die zo mogelijk aansluit bij de verzochte datum.
Artikel 7. Besluit
1. Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de wijze (type
voorziening) en het tijdstip (startpunt) van de verstrekking, de uitbetaling, en de tijdsduur
van de toegekende vervoersvoorziening.
2. Het college kan, als zij dat noodzakelijk acht, een vervoerstraining toekennen.
3. Het college kan aan de toekenning van een vervoersvoorziening nadere voorwaarden verbinden.
Hoofdstuk 3. Beoordelingscriteria Artikel 8. Algemene bepalingen
1. De bepalingen in deze verordening laten onverlet de verantwoordelijkheid van de ouders voor het schoolbezoek van hun kinderen.
2. Ten behoeve van het schoolbezoek van een leerling die zijn woning heeft in de gemeente, kent het college aan de ouders of de meerderjarige leerling op aanvraag een
vervoersvoorziening toe met inachtneming van het bepaalde in deze verordening. Hierbij vormt de goedkoopst passende vervoersvoorziening het uitgangspunt.
3. De verantwoordelijkheid om als dat nodig is te zorgen voor een begeleider berust bij
ouders, tenzij naar het oordeel van het college voldoende is aangetoond dat begeleiding van de leerling door de ouders of anderen uit hun netwerk onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden.
4. De verantwoordelijkheid voor het gedrag van de minderjarige leerling gedurende het verblijf van de leerling in het aangepast vervoer berust bij de ouders.
5. Bij de keuze voor de te verstrekken vervoersvoorziening wordt achtereenvolgens beoordeeld of vervoer, al dan niet met begeleiding, mogelijk is: a. per fiets;
b. per openbaar vervoer; c. met eigen vervoer;
d. met aangepast vervoer.
6. Het college kan ten behoeve van de uitvoering van deze verordening nadere regels stellen.
Artikel 9. Afwijzingsgronden
1. Geen vervoersvoorziening wordt toegekend als de afstand van de woning tot de
dichtstbijzijnde toegankelijke school kleiner is dan 6 km. Deze grens geldt niet voor gehandicapte leerlingen.
2. Geen vervoersvoorziening wordt toegekend voor het bezoeken van het voortgezet
onderwijs wat valt onder de Wet Voorgezet Onderwijs 2020, tenzij de leerling door een 4 van 41
handicap niet zelfstandig gebruik kan maken van het openbaar vervoer als bedoeld in artikel 8.28, van de Wet voortgezet onderwijs 2020. Artikel 10. Andere oplossing
1. Als de leerling aanspraak kan maken op een passende voorziening of vergoeding voor de
reiskosten op basis van een andere regeling, komt de leerling niet in aanmerking voor een vervoersvoorziening op grond van deze verordening.
2. Als de leerling aanspraak kan maken op een gedeeltelijke vergoeding voor de reiskosten
op basis van een andere regeling betrekt het college deze vergoeding bij de bepaling van
de hoogte van de vergoeding op grond van deze verordening of brengt hij dit bedrag als eigen bijdrage in rekening. Artikel 11 Overstapplaatsen
1. Het college kan in bijzondere gevallen beslissen dat bij de uitvoering van het aangepast vervoer gebruik wordt gemaakt van overstapplaatsen.
2. Een overstapplaats is een openbare plaats waar minimaal twee verschillende taxi's samenkomen en waarvan één taxi doorrijdt naar een verder weggelegen school.
3. Bij een overstapplaats is er altijd een warme overdracht van de ene chauffeur naar de andere chauffeur.
4. Overstapplaatsen worden alleen ingezet als hierdoor het vervoer veel efficiënter is. Artikel 12. Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school
1. In overeenstemming met artikel 4, vijfde lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 4, vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra en artikel 8.29, vierde lid, van de Wet
voortgezet onderwijs 2020, wordt een vervoersvoorziening toegekend over de afstand tussen de woning en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, tenzij
vervoer naar een verder weggelegen school voor de gemeente minder kosten met zich
mee brengt en de ouders of de meerderjarige leerling als aanvrager met het vervoer naar die school schriftelijk instemt.
2. Er wordt, overeenkomstig artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder c en d, van de Wet op het
primair onderwijs, eveneens een vervoersvoorziening verstrekt over de afstand tussen de
woning en:
a. de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is, als ouders daar schriftelijk mee instemmen; of
b. een andere speciale school voor basisonderwijs in het onder a bedoelde
samenwerkingsverband, als het vervoer naar die school voor de gemeente minder
kosten met zich mee zou brengen dan het vervoer naar de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor basisonderwijs als bedoeld onder a en ouders daar schriftelijk mee instemmen.
3. Als de ouders of de meerderjarige leerling vanwege een specifieke onderwijskundige behoefte van de leerling een vervoersvoorziening aanvragen naar een school op een grotere afstand, dan de dichtstbijzijnde toegankelijke school van de onderwijssoort
5 van 41
waarop de leerling is aangewezen, wordt deze slechts toegekend als is voldaan aan de volgende voorwaarden:
a. aan het college is door de ouders of de meerderjarige leerling naar het oordeel van het college voldoende aangetoond wat de specifieke en noodzakelijke onderwijskundige onderwijsbehoefte is van de leerling; en
b. aan het college is door de ouders of de meerderjarige leerling naar het oordeel van het college voldoende aangetoond dat de dichtstbijzijnde school van de onderwijssoort
waarop de leerling is aangewezen niet toegankelijk is vanwege het niet kunnen bieden van het noodzakelijke specifieke onderwijsaanbod. Artikel 13. Schooltijden en wachttijden
1. Het aangepast vervoer vindt plaats in aansluiting op de schooldagen en schooltijden, zoals deze zijn opgenomen in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt.
2. Als er binnen een school sprake is van verschillende lesroosters binnen de vaste
schooltijden, kan het college besluiten een wachttijd van één uur na de reguliere
schooltijd in te stellen om het aangepast vervoer zo efficiënt mogelijk in te zetten.
3. Het aangepast vervoer op schooldagen en schooltijden die afwijken van de in de
schoolgids genoemde dagen en tijden wordt niet georganiseerd, tenzij de ouders of de meerderjarige leerling als aanvrager naar het oordeel van het college toereikend bewijs
overlegt waaruit blijkt dat de structurele handicap van een leerling de aansluiting op de standaard schooltijden onmogelijk maakt.
Artikel 14. Tijdelijk verblijf buiten de gemeente
1. Het college kan een tijdelijke vervoersvoorziening voor een periode van maximaal zes weken toekennen aan de ouders van een leerling, die als gevolg van een crisissituatie tijdelijk buiten de gemeente verblijft, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a. de leerling blijft zijn eigen school bezoeken;
b. de periode, voorafgaand aan het tijdelijke verblijf buiten de gemeente, is een vervoersvoorziening toegekend op grond van deze verordening; en
c. de intentie bestaat dat de leerling terugkeert naar de oorspronkelijke gemeente.
2. Het besluit waarin de vervoersvoorziening is toegekend voorafgaand aan een tijdelijke
vervoersvoorziening wordt opgeschort met ingang van de datum van het tijdelijk verblijf
buiten de gemeente en herleeft weer zodra de leerling terugkeert in de gemeente, tenzij de geldigheidsduur van dit besluit is verstreken.
3. Als de vervoersvoorziening bestaat uit aangepast vervoer kan het college, in overleg met de gemeente waarin de leerling tijdelijk verblijft, besluiten dat het college van
burgemeester en wethouders van de gemeente van het tijdelijk verblijf het vervoer uitvoert.
Artikel 15. Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie bij verblijf in pleeggezin of
internaat
1. Met inachtneming van de artikelen 8 en 10 kent het college op aanvraag een
vervoersvergoeding voor het weekeinde en de schoolvakantie toe aan de in de gemeente 6 van 41
wonende ouders van de leerling die, met het oog op het volgen van voor hem passend
speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft.
2. Het college kent aan de ouders een vervoersvergoeding toe voor het weekeindevervoer van de leerling voor de eenmaal per weekeinde gemaakte reis van het internaat of het
pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de weekenden niet vallen binnen de in het eerste lid genoemde schoolvakanties.
3. Het college kent aan de ouders een vervoersvergoeding toe voor het vervoer van de
leerling tijdens de schoolvakanties. De voorziening betreft de reis van het internaat of het adres van het pleeggezin naar de ouders eenmaal aan het begin van de vakantie en eenmaal aan het einde van de vakantie.
4. Voor de toekenning is een vergoeding van de kosten van openbaar vervoer het uitgangspunt.
Het college vergoedt ook de kosten van het openbaar vervoer voor een begeleider, als de leerling wegens zijn structurele handicap of leeftijd niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken.
5. Het college kan toestaan dat de ouders de leerling zelf vervoeren of laten vervoeren. De vergoeding is dan afhankelijk van de vervoersvoorziening waarop de ouders aanspraak zouden maken.
6. Het college kan uitsluitend aangepast vervoer toekennen voor weekeinde en vakantievervoer wanneer:
a. openbaar vervoer geheel ontbreekt; of
b. het gaat om een leerling van het voortgezet speciaal onderwijs die verblijvend in een
internaat of pleeggezin, wegens zijn structurele handicap niet zelfstandig, ook niet met een begeleider gebruik kan maken van het openbaar vervoer.
Artikel 16. Vervoersvoorziening naar stageadres
1. Als er aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening naar school kan op verzoek een
vervoersvoorziening worden toegekend voor het vervoer naar een stageadres. Hiervoor wordt een afzonderlijke aanvraag ingediend.
2. De vervoersvoorziening naar een stageadres wordt, in aanvulling op de voorwaarden die
gelden voor een vervoersvoorziening naar school, slechts toegekend als er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
a. de stage is onderdeel van het onderwijsprogramma zoals opgenomen in de schoolgids van de school of in het stagecontract;
b. de stagetijden komen overeen met de reguliere schooltijden;
c. de stage vindt plaats op één stageadres; en
d. het is het dichtstbijzijnde toegankelijk stageadres voor de leerling
3. De in het tweede lid, onder b, genoemde voorwaarde is niet van toepassing als kan worden aangetoond dat dit niet mogelijk is.
4. Een vervoersvoorziening wordt slechts toegekend over de afstand tussen de woning van de leerling en het dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke stageadres.
7 van 41
Artikel 17 Tweede ophaal- of brengadres Het college verstrekt alleen een voorziening van en naar een tweede adres als:
a. een leerling recht heeft op een voorziening leerlingenvervoer op basis van deze verordening;
b. het tweede adres een structurele verblijfplaats van de leerling betreft;
c. er geen voorliggende voorziening is die het vervoer voor haar rekening neemt of zou moeten nemen.
Artikel 18. Vervoerstraining
1. Het college kan, naast een vervoersvoorziening, ook een vervoerstraining inzetten ter
versterking van de zelfredzaamheid van de leerling, waardoor deze na de training niet
langer zal zijn aangewezen op een vervoersvoorziening, of door de training gebruik leert te maken van een goedkopere vervoersvoorziening.
2. De training sluit aan op het persoonlijk vervoersontwikkelingsplan. Artikel 19. Vervoersvergoeding voor de leerling
1. Het college bepaalt de hoogte van de te verstrekken vervoersvoorziening in de vorm van een vervoersvergoeding op basis van de kosten van het openbaar vervoer en houdt
daarbij rekening met de kortingen die voor de leerling binnen het systeem kunnen gelden.
2. Als aanspraak bestaat op een vergoeding zoals bedoeld in het eerste lid en de leerling
naar het oordeel van het college, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets, verstrekt het college de ouders de vergoeding op basis van de kosten van het vervoer per fiets.
3. De kilometervergoeding voor het afleggen van de afstand per fiets bedraagt de helft van
de, naar beneden afgeronde, belastingvrije kilometervergoeding voor het gebruik van de auto.
Artikel 20. Vervoersvergoeding voor de begeleider
1. Het college verstrekt aan de ouders van de leerling, die een school bezoekt en daarvoor
recht heeft op een vervoersvergoeding op grond van deze verordening, een vergoeding
van de kosten van het openbaar vervoer of het vervoer per fiets van een begeleider van de
leerling als naar het oordeel van het college voldoende is aangetoond dat de leerling niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken.
2. Als een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt, komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van één begeleider voor vergoeding in aanmerking.
3. Bij de vergoeding van de kosten van het openbaar vervoer houdt het college rekening met de kortingen die voor de begeleider binnen het systeem kunnen gelden.
4. De kilometervergoeding voor de fiets bedraagt de helft van de, naar beneden afgeronde, belastingvrije kilometervergoeding voor het gebruik van de auto.
Artikel 21. Aangepast vervoer
Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer als: 8 van 41
a. aanspraak bestaat op een vergoeding zoals bedoeld in artikel 19 en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, rekening houdend met wachttijden, overstaptijden en de duur van de reis met verschillende vormen van openbaar vervoer, meer dan anderhalf uur onderweg is;
b. aanspraak bestaat op een vergoeding zoals bedoeld in artikel 19 en de leerling met
gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, rekening houdend met de wachttijden, overstaptijden en de duur van de reis met verschillende vormen van
openbaar vervoer naar speciaal basisonderwijs of speciaal onderwijs meer dan één uur onderweg is;
c. aanspraak bestaat op een vergoeding zoals bedoeld in artikel 19 en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, rekening houdend met wachttijden, overstaptijden en de duur van de reis met verschillende vormen van
openbaar vervoer de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of meer van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht;
d. aanspraak bestaat op een vergoeding zoals bedoeld in artikel 19 en openbaar vervoer ontbreekt;
e. aanspraak bestaat op een vergoeding op grond van artikel 20 en naar het oordeel van het college voldoende is aangetoond dat begeleiding van de leerling door de ouders of
anderen uit hun netwerk onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden; of
f. de leerling, naar het oordeel van het college, ook niet onder begeleiding in staat is van het openbaar vervoer gebruik te maken.
Artikel 22. Vervoersvergoeding op basis van de kosten van door de ouders georganiseerd vervoer
1. Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college de ouders vragen of op aanvraag toestaan één of meer leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren, als dit leidt tot een goedkoper vervoersalternatief.
2. Ouders kunnen op basis van het eerste lid niet verplicht worden om één of meer leerlingen zelf te vervoeren.
3. De vergoeding voor het door ouders zelf georganiseerde vervoer bestaat uit een
kilometervergoeding voor de eigen auto op basis van het belastingvrije kilometerbedrag per kilometer, gebaseerd op twee retourreizen per dag.
4. Als toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, vergoedt het college aan de ouders die meer dan één leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto voor de rit en niet per leerling.
5. Aan de ouders die één of meer leerlingen laten vervoeren door andere ouders die voor het vervoer al een vergoeding van het college ontvangen, wordt door het college geen vergoeding verstrekt.
6. Als ouders in samenwerking met andere ouders besluiten zelf een vervoersvoorziening te
organiseren, kan het college, in afwijking van het tweede lid, een bijzonder kostendekkend tarief hanteren, als dit leidt tot een goedkoper vervoersalternatief.
9 van 41
Artikel 23. Vergoeding andere passende vervoersvoorziening
Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college na overleg met de ouders een vergoeding verstrekken voor een andere passende voorziening, die goedkoper is dan of
gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer. Hoofdstuk 4. Bijdrage in de kosten Artikel 24. Drempelbedrag
1. Bij de verstrekking van een vervoersvoorziening betalen de ouders van een leerling die
een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, van
wie het inkomen samen meer bedraagt dan het in artikel 4, zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs genoemde bedrag van € 17.700, de op de zone-indeling van het
openbaar vervoer gebaseerde kosten over de in artikel 9 bepaalde afstand van 6 kilometer
zelf. Dit bedrag wordt in mindering gebracht op de te verstrekken vervoersvergoeding of bij de verstrekking van aangepast vervoer bij de ouders in rekening gebracht. Bij een
combinatie van voorzieningen wordt het bedrag ingehouden op de vervoersvergoeding.
2. Het in het eerste lid genoemde inkomensbedrag wordt met ingang van 1 januari 1999 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van
volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van het voorgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 450.
3. Op verzoek van ouders kan, bij een aantoonbare structurele inkomensdaling, in afwijking van het eerste lid, het actuele inkomen worden gehanteerd.
4. Dit artikel is niet van toepassing op gehandicapte leerlingen en leerlingen die door middel van een toelaatbaarheidsverklaring op speciaal onderwijs zijn geplaatst.
Artikel 25. Draagkrachtafhankelijke bijdrage
1. Bij de verstrekking van een vervoersvoorziening betalen de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs bezoekt die als gevolg van een keuze van de ouders
verder is gelegen dan 20 kilometer van de woning, overeenkomstig artikel 4, elfde lid, van de Wet op het primair onderwijs, een van de financiële draagkracht afhankelijke bijdrage tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer.
2. De hoogte van het bedrag wordt berekend per gezin en is afhankelijk van de hoogte van het inkomen van de ouders. De bedragen van de eigen bijdrage per gezin per jaar per inkomenscategorie bedragen:
Inkomen vanaf
Tot
Eigen bijdrage
€ 42.000
€ 50.000
€ 185
0
€ 50.000 € 58.000 € 65.000 € 74.500 € 81.500
€ 42.000 € 58.000 € 65.000 € 74.500 € 81.500
Voor elke € 5.000 erbij
nihil
€ 820
€ 1.520 € 2.230 € 2.990 € 715
10 van 41
3. De inkomensbedragen, genoemd in het tweede lid, worden jaarlijks met ingang van 1
januari aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 500,-.
4. De bedragen van de eigen bijdrage, bedoeld in het derde lid, worden jaarlijks met ingang
van 1 januari aangepast aan de wijziging die het consumentenprijsindexcijfer van de reeks alle huishoudens op het onderdeel vervoersdiensten heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 5,-.
5. Op verzoek van ouders kan, bij een aantoonbare structurele inkomensdaling, in afwijking van het tweede lid, het actuele inkomen worden gehanteerd.
6. Het drempelbedrag genoemd in artikel 24 kan tegelijk met de draagkrachtafhankelijke eigen bijdrage genoemd in het eerste lid worden opgelegd aan het gezin.
7. Dit artikel is niet van toepassing op gehandicapte leerlingen en leerlingen die door middel van een toelaatbaarheidsverklaring op speciaal onderwijs zijn geplaatst.
Hoofdstuk 5 Rechtmatigheid Artikel 26 Doorgeven van wijzigingen
De ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling zijn verplicht wijzigingen, die van invloed kunnen zijn op de toegekende vervoersvoorziening, onder vermelding van de datum van wijziging, direct schriftelijk mede te delen aan het college.
Artikel 27 Beëindiging, opschorting, herziening, intrekking en terugvordering van de vervoersvoorziening
1. Het college kan een besluit tot toekenning van een vervoersvoorziening beëindigen, opschorten, herzien, of intrekken, als het vaststelt dat:
a. niet of niet meer is of wordt voldaan aan de voorwaarden en verplichtingen gesteld bij deze verordening;
b. beschikt is op grond van gegevens waarvan gebleken is dat die gegevens zodanig
onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een ander besluit zou zijn genomen;
c. de verstrekte vervoersvoorziening naar het oordeel van het college niet meer de meest passende vervoersvoorziening is;
d. ouders weigeren het drempelbedrag bedoeld in artikel 24 te betalen of nalatig zijn in het betalen ervan;
e. ouders weigeren de draagkrachtafhankelijke eigen bijdrage bedoeld in artikel 25 te betalen of nalatig zijn in het betalen ervan;
f. sprake is van onaanvaardbaar gedrag door de leerling gedurende het verblijf in het aangepast vervoer; of
g. het vervoeren van de leerling leidt tot een onveilige situatie voor de leerling zelf, andere reisgenoten of de chauffeur in het aangepast vervoer.
11 van 41
2. De kosten van een ten onrechte genoten vervoersvoorziening kunnen van de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling worden teruggevorderd, of worden verrekend met een verstrekte maar nog niet uitbetaalde vervoersvergoeding.
Hoofdstuk 6. Slotbepalingen Artikel 28. Hardheidsclausule
Het college kan in bijzondere gevallen, het vervoer voor onderwijs aangaande, ten gunste
van de ouders of de meerderjarige leerling gemotiveerd afwijken van de bepalingen in deze verordening, zo nodig na advies te hebben gevraagd aan deskundigen. Artikel 29. Intrekking oude regeling
De verordening leerlingenvervoer gemeente Hardenberg 2016 wordt ingetrokken. Artikel 30. Inwerkingtreding en citeertitel
1. Deze verordening treedt in werking op de dag volgend op die van bekendmaking en werkt terug tot 1 januari 2026.
2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening leerlingenvervoer gemeente Hardenberg 2026.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van gemeente Hardenberg van 13 januari 2026.
De raad voornoemd, de griffier,
de voorzitter,
F.G.S. Droste
M.W. Offinga
12 van 41
Toelichting Algemeen
Ieder kind heeft recht op passend onderwijs. In sommige gevallen is de afstand naar de
school groot, of kan het kind wegens zijn structurele handicap niet zelfstandig naar school. Ouders kunnen dan een beroep doen op de Verordening leerlingenvervoer. Ook meerderjarige leerlingen kunnen een beroep doen op de verordening. Wettelijke plicht
De raad heeft de wettelijke plicht een verordening vast te stellen voor het leerlingenvervoer.
In artikel 4, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs (hierna: Wpo), artikel 4, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra (hierna: Wec) en artikel 8.29, eerste lid, van de Wet
voortgezet onderwijs 2020 (hierna: Wvo 2020), heet het: een vergoeding van de door het
college noodzakelijk te achten vervoerskosten ten behoeve van het schoolbezoek. Het gaat
hierbij zowel om scholen voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, (voortgezet) speciaal onderwijs en regulier voortgezet onderwijs, als om instellingen voor cluster 1 en cluster 2 onderwijs (zie voor informatie over clusters 1 t/m 4 toelichting bij definitie “school”).
De Verordening leerlingenvervoer geeft uitvoering aan de taakstelling van het gemeentebestuur.
Naast voorschriften voor de wijze waarop ouders en meerderjarige leerlingen de aanvraag kunnen indienen, bevat deze verordening criteria aan de hand waarvan het college kan beoordelen of de ouders of de meerderjarige leerling aanspraak maken/maakt op een vervoersvoorziening. Uitgangspunt daarbij is dat de verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek van de leerling bij de ouders blijft.
De Verordening leerlingenvervoer is zodanig opgebouwd, dat eerst het recht op een
vervoersvoorziening wordt vastgesteld, waarna onderzocht wordt welke voorziening wordt verstrekt.
[Naast de verplichte onderdelen bevat deze verordening ook onderdelen die niet verplicht zijn op grond van de Wpo, de Wec, of de Wvo 2020. Dan gaat het bijvoorbeeld om het aanbieden van vervoerstraining.] Vervoersvoorziening
In de verordening wordt het begrip ‘vervoersvoorziening’ gehanteerd. Deze kan verschillende vormen hebben. Het kan gaan om een vergoeding in geld voor de kosten van een fiets of
openbaar vervoer. Wanneer de leerling door zijn handicap geen gebruik kan maken van de fiets en het openbaar vervoer, ook niet met begeleiding, kan het college een vorm van aangepast vervoer verzorgen of laten verzorgen.
Het college bepaalt in welke vorm de voorziening wordt verstrekt. Het vervoer dient echter te allen tijde passend te zijn.
Als ouders aangeven hun kind zelf te willen vervoeren dienen ze hiervoor toestemming te vragen aan het college. De vergoeding van het vervoer is vervolgens gebaseerd op de vervoersvoorziening waar de ouders voor in aanmerking komen. Het college kan
13 van 41
toestemming weigeren op grond van de kosten of als de toestemming leidt tot een aantasting van de instandhouding van het aangepast vervoer. Zelfstandigheid en zelfredzaamheid
De Verordening leerlingenvervoer gaat uit van een voorziening voor het zo zelfstandig
mogelijk reizen door de leerling. Om dit te monitoren en te stimuleren kan de aanvraag met
ouders worden besproken [en wordt vanaf een bepaalde leeftijd van de leerling in overleg met ouders een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan voor de leerling opgesteld] (zie artikel 3).
Artikelsgewijs Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven, worden hieronder nader behandeld. Hoofdstuk 1. Definities Artikel 1. Definities Aangepast vervoer
Van aangepast vervoer is sprake als het college het vervoer naar en van school zelf verzorgt of laat verzorgen. Het kan dan gaan om vervoer per besloten (school)busvervoer, maar ook om bijvoorbeeld taxivervoer in individueel of groepsverband. Afstand
De afstand dient consequent te worden gemeten. Er wordt voor elke afstand eenzelfde, professionele routeplanner gehanteerd. De route hoeft overigens niet in alle gevallen
toegankelijk te zijn voor gemotoriseerd verkeer. Ook kan de route – en daarmee de afstand – op de heenweg verschillen van die van de terugweg. Deskundige
Een deskundige beschikt over specifieke expertise op basis van zijn opleiding of functie. Dit kan een arts, psychiater of psycholoog zijn, die inzicht kan geven in de mate waarin de
leerling door een handicap is beperkt, maar ook bijvoorbeeld een politiefunctionaris die als verkeersdeskundige kan beoordelen of een route voldoende begaanbaar en veilig is. Gehandicapte leerling
Een leerling die door een lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet of niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken, wordt aangemerkt als een
gehandicapte leerling in de zin van de Verordening leerlingenvervoer. ‘Centraal staat het feit
dat de leerling vanwege een handicap niet in staat is om zelfstandig naar school te reizen, de aard van de handicap is daarbij ondergeschikt’ (Kamerstukken II 2013/14, 34 022, nr. 3, p. 5).
Wanneer een leerling, ondanks zijn handicap wél zelf kan reizen met het openbaar vervoer, is deze in de zin van de Verordening leerlingenvervoer géén gehandicapte leerling. De
14 van 41
beperking die de leerling door de handicap ervaart moet structureel van aard zijn, in ieder
geval langer dan drie maanden duren. Wanneer de beperking met medicijnen te verbeteren
is, is er geen sprake van een beperking in de zin van deze verordening. Van een beperking in deze verordening is dus alleen sprake wanneer deze structureel en niet behandelbaar is. Inkomen
Als peiljaar voor het inkomen moet op grond van de Wpo (artikel 4, zevende lid) worden
aangemerkt het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het schooljaar waarvoor vergoeding van de vervoerskosten wordt gevraagd, begint. Bepalend is het
verzamelinkomen van het huishouden waarin de leerling leeft, dat af te lezen is van de
aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting. Bij het ontbreken van een aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting wordt uitgegaan van het bij de Belastingdienst geregistreerde inkomen (het bepaalde belastbare loon). Bij het opvragen van de
Inkomstenbelastingverklaring vermeldt de Belastingdienst het bij de Belastingdienst
geregistreerde inkomen, dan wel het verzamelinkomen ingeval er aangifte is gedaan. Leerling
Voor basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs geldt dat kinderen de leeftijd van vier jaar moeten hebben bereikt om als leerling te worden toegelaten (artikel 39, eerste lid, van de Wpo). In het derde lid van artikel 39 van de Wpo is bepaald dat kinderen vanaf drie jaar en tien maanden ten hoogste vijf dagen (schoolgewenningsdagen) de basisschool
mogen bezoeken. Deze kinderen zijn echter geen leerlingen in de zin van de wet, en de ouders kunnen dan ook geen aanspraak maken op een vervoersvoorziening.
Voor het (voortgezet) speciaal en voortgezet onderwijs geldt dat ouders van leerlingen die zijn toegelaten tot scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs aanspraak kunnen maken op een vervoersvoorziening indien wordt voldaan aan de
voorwaarden van de Verordening leerlingenvervoer. De leeftijd van de leerling is hierbij niet van belang.
Een belangrijke uitzondering vormen leerlingen die rijdende scholen bezoeken zoals kinderen van kermisexploitanten of van circusmedewerkers (Titel B van het Besluit trekkende bevolking Wpo). Ouders van leerlingen die deze scholen bezoeken kunnen geen aanspraak maken op een vervoersvoorziening. De kosten voor noodzakelijk vervoer van deze leerlingen ten
behoeve van het schoolbezoek vormen onderdeel van de materiële instandhouding van die scholen.
Openbaar vervoer
Het openbaar vervoer is ruim gedefinieerd. Het gaat niet alleen om voor een ieder openstaand personenvervoer volgens een dienstregeling. Ook een voor een ieder
openstaande regiotaxi of belbus, die op afroep rijdt, wordt in het kader van deze verordening als een vorm van openbaar vervoer beschouwd. De definitie in deze verordening is daarmee
15 van 41
ruimer dan de definitie van openbaar vervoer in artikel 1, Wet personenvervoer 2000. Ouders
De omschrijving volgt de begripsbepaling uit de Wvo 2020 en maakt aanvullend expliciet duidelijk dat ook met het gezag belaste pleegouders onder het ouderbegrip vallen. Overstapplaats
Een mogelijkheid om het vervoer efficiënter te organiseren is het instellen van een
overstapplaats. Bij deze plaats is een overdracht van leerlingen door twee professionele
chauffeurs. De leerlingen worden gewoon bij de woning opgehaald. De taxi's rijden naar een centrale locatie waar de overdracht van de leerlingen is. Eén van de taxi's rijdt door naar de
(veel) verder weggelegen school. De andere taxi('s) kunnen weer ingezet worden voor andere ritten. Bij de terugweg van school naar de woning gebeurt dit andersom. Dan komen de
leerlingen aan met één taxi en worden vervolgens over verschillende taxi's verdeeld. Persoonlijk vervoersontwikkelingsplan
Om de leerling in staat te stellen zelfstandig naar en van school te reizen kan het nodig zijn
om de leerling aanvullende vaardigheden aan te leren. Het hiervoor op te stellen plan is het persoonlijk vervoersontwikkelingsplan, dat door het college, waar nodig op basis van deskundig advies, wordt opgesteld. Samenwerkingsverband Onder 1°
Een samenwerkingsverband primair onderwijs omvat volgens artikel 18a, van de Wpo alle
binnen een bepaald aaneengesloten gebied gelegen vestigingen van basisscholen, speciale scholen voor basisonderwijs, scholen voor speciaal onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voor zover daaraan speciaal onderwijs wordt verzorgd,
behorend tot cluster 3 en cluster 4. Volgens het vijftiende lid van artikel 18a van de Wpo kunnen deze scholen er ook voor kiezen om zich aan te sluiten bij een landelijk samenwerkingsverband.
Scholen voor speciaal onderwijs of scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en cluster 4, die geen vestigingen hebben in het gebied van het samenwerkingsverband, kunnen toch deelnemen aan dit samenwerkingsverband.
Instellingen behorend tot cluster 1 en cluster 2 behoren niet tot het samenwerkingsverband. Onder 2°
Artikel 28a, van de Wec verwijst naar het samenwerkingsverband genoemd in het tweede lid van artikel 18a, van de Wpo waarbij een of meer scholen voor speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4 scholen zijn aangesloten, en naar het samenwerkingsverband genoemd in artikel 2.47, tweede lid, van de Wvo 2020 waarbij een of meer scholen voor speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal
onderwijs behorend tot cluster 3 en 4 scholen zijn aangesloten. Volgens het vijftiende lid van 16 van 41
artikel 18a, van de Wpo en het achttiende lid van artikel 2.47, van de Wvo 2020 kunnen deze scholen er ook voor kiezen om zich aan te sluiten bij een landelijk samenwerkingsverband Onder 3°
Een samenwerkingsverband voortgezet onderwijs omvat volgens het tweede lid van artikel
2.47, van de Wvo 2020 alle binnen een bepaald aaneengesloten gebied gelegen vestigingen van scholen voor voortgezet onderwijs, scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en
scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voor zover daaraan voortgezet speciaal onderwijs wordt verzorgd, behorend tot cluster 3 en cluster 4. Volgens het
achttiende lid van artikel 2.47, van de Wvo 2020 kunnen deze scholen er ook voor kiezen om zich aan te sluiten bij een landelijk samenwerkingsverband.
Scholen voor voortgezet speciaal onderwijs of scholen voor speciaal en voortgezet speciaal
onderwijs, behorend tot cluster 3 en cluster 4, die geen vestigingen hebben in het gebied van het samenwerkingsverband, kunnen toch deelnemen aan dit samenwerkingsverband.
Instellingen behorend tot cluster 1 en cluster 2 behoren niet tot het samenwerkingsverband. School
Onder 1°
In de Wpo gaat het om basisscholen en scholen voor speciaal basisonderwijs. Onder 2°
In de Wec gaat het om onderwijs aan dove kinderen of slechthorende kinderen, kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden, visueel gehandicapte kinderen, lichamelijk gehandicapte
kinderen, langdurig zieke kinderen, zeer moeilijk lerende kinderen, zeer moeilijk opvoedbare kinderen, meervoudig gehandicapte kinderen en kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten.
De Wec onderscheidt de volgende clusters:
Cluster 1: onderwijs aan visueel gehandicapte kinderen dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met deze handicap,
Cluster 2: onderwijs aan dove kinderen, slechthorende kinderen en kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met een van deze handicaps,
Cluster 3: onderwijs aan langdurig zieke kinderen met een lichamelijke handicap, lichamelijk
gehandicapte kinderen en zeer moeilijk lerende kinderen dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met een van deze handicaps en
Cluster 4: onderwijs aan langdurig zieke kinderen anders dan met een lichamelijke handicap, zeer moeilijk opvoedbare kinderen en kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten.
Het onderwijs van cluster 1 en cluster 2 wordt gegeven in instellingen. Deze instellingen vallen ook onder het begrip ‘school’.
17 van 41
Onder 3°
In de Wvo 2020 gaat het om scholen voor vwo, havo, mavo, vbo en praktijkonderwijs. Ook de op grond van artikel 2.86, van de Wvo 2020 bij algemene maatregel van bestuur daartoe aangewezen instellingen vallen er onder. Toegankelijke school
Leerlingen kunnen op grond van hun lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking zijn aangewezen op een bepaalde school. In het tweede lid, van artikel 4, van de Wpo staat dat
de gemeente in de verordening geen onderscheid mag maken tussen openbaar en bijzonder onderwijs. Het derde lid van artikel 4 Wpo bepaalt dat de verordening de op godsdienst of levensbeschouwing van de ouders berustende keuze van een school, moet eerbiedigen.
In de Wpo is bepaald dat het samenwerkingsverband primair onderwijs beoordeelt of een leerling toelaatbaar is tot een speciale school voor basisonderwijs in het
samenwerkingsverband of tot het speciaal onderwijs van cluster 3 en cluster 4 (artikel 18a, zesde lid, van de Wpo). Het samenwerkingsverband laat zich daarbij adviseren door deskundigen.
De Wvo 2020 kent ook een dergelijke bepaling: het samenwerkingsverband voortgezet
onderwijs beoordeelt of een leerling aangewezen is op het leerwegondersteunend onderwijs, of toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs of tot het voortgezet speciaal onderwijs (artikel
2.47, zevende lid, onder c, van de Wvo 2020). Ook hier geldt dat het samenwerkingsverband zich daarbij laat adviseren door deskundigen.
Voor instellingen voor cluster 1 en cluster 2 geldt een afwijkende procedure. In de Wec is bepaald dat de commissie van onderzoek beoordeelt of een leerling in aanmerking komt
voor het onderwijs op de instelling óf op begeleiding vanuit de instelling, waarbij de leerling dan is ingeschreven op een andere school (artikel 41, tweede lid, van de Wec). Vervoersvoorziening
De wet bepaalt dat de gemeente het vervoer zelf kan verzorgen, dan wel doen verzorgen.
Ook kan zij een vergoeding verstrekken. In de begripsbepaling ‘vervoersvoorziening’ is dit nader uitgewerkt in verschillende varianten. Woning
Onder ‘woning’ wordt verstaan: de plaats waar de leerling structureel en feitelijk verblijft.
Hierbij is het niet relevant in welke gemeente de ouders en/of het kind staan ingeschreven. Deze plaats kan ook in meer dan één gemeente zijn (ABRvS 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:249).
Wanneer de leerling tijdelijk in een andere gemeente verblijft, bijvoorbeeld in verband met noodzakelijke opvang, moet een aanvraag voor een vervoersvoorziening bij die gemeente
18 van 41
ingediend te worden. Vakantie van de ouders geldt overigens niet als reden voor noodzakelijke opvang van de leerling elders.
Hoofdstuk 2. Aanvraagprocedure van de vervoersvoorziening Artikel 2. Aanvraag
Als ouders menen voor een vervoersvoorziening voor hun kind in aanmerking te komen,
dienen zij een aanvraag in bij het college. De meerderjarige en handelingsbekwame leerling moet dit zelf doen. De aanvraag wordt gedaan in de gemeente waar de feitelijke en
structurele verblijfplaats (woning) van de leerling is. Dit kan ook een vast logeeradres zijn,
waar de leerling op vaste dagen verblijft. Hiervoor een papieren of digitaal aanvraagformulier beschikbaar.
Bij de aanvraag kunnen gegevens worden gevraagd. Onder gegevens moet ook worden
verstaan eventuele toevoeging van verklaringen (bewijsstukken), bijvoorbeeld een medische verklaring, werkgeversverklaring, of een verklaring van de rijksinspecteur van de belasting.
Huisartsen zijn hiervan uitgezonderd, omdat de Landelijke Huisartsen Vereniging in haar richtlijn heeft opgenomen, dat huisartsen deze verklaringen niet mogen verstrekken. Bij
twijfel zal het college zelf een onafhankelijke deskundige moeten inschakelen.
Ouders zijn op grond van artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)
verplicht deze gegevens te overleggen, als deze van belang zijn voor de beslissing op de
aanvraag. De gegevens dienen juist en volledig ingevuld te zijn. Het college bepaalt of dat daadwerkelijk het geval is.
Als het aanvraagformulier aangevuld of gecorrigeerd moet worden, stuurt het college het
aanvraagformulier terug. Ouders worden dan in de gelegenheid gesteld om de verlangde gegevens binnen een door het college te bepalen termijn aan te vullen of te verbeteren.
Wordt hiervan geen gebruik gemaakt, dan zal het college moeten afwegen of de aanvraag in behandeling wordt genomen (artikel 4:5, eerste lid, van de Awb). Op grond van artikel 4:5, vierde lid, van de Awb zal in een voorkomend geval aan de aanvrager bekend worden gemaakt dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen. Artikel 3. Onderzoek
In de onderzoeksfase wordt onderzocht of men in aanmerking komt voor een
vervoersvoorziening en welke voorziening de goedkoopst passende vervoersvoorziening is. Bij dit onderzoek staan de mogelijkheden en behoeften van de leerling en de
zelfredzaamheid van het gezin om zo zelfstandig mogelijk te reizen centraal, alsmede de mogelijkheden van de leerling om zich te ontwikkelen naar meer zelfstandigheid in het
vervoer. Het onderzoek is bedoeld om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en af te wegen belangen te verzamelen, zoals ook voorschreven in artikel 3:2, van de Algemene wet bestuursrecht.
19 van 41
Bij het onderzoek naar wat passend vervoer is voor een leerling wordt uitgegaan van hoe de leerling zo zelfstandig mogelijk naar en van zijn school kan reizen.
Om ouders te informeren over het leerlingenvervoer wordt bij voorkeur een gesprek met de aanvrager(s) gevoerd, om:
• verwachtingen aangaande het leerlingenvervoer voor de eventuele komende jaren te managen;
• de aanvraag goed te kunnen beoordelen;
• te onderzoeken wat de vervoersmogelijkheden van de leerling zijn. Als dit mogelijk is, is het van meerwaarde om ook de leerling te betrekken bij het gesprek. Zo nodig kan ook een deskundige betrokken worden bij het gesprek. Dit kan iemand met medische kennis zijn, zoals een orthopedagoog, iemand van de school, het
samenwerkingsverband of anderszins. Ook ouders kunnen zich tijdens het gesprek laten bijstaan, bijvoorbeeld door een onafhankelijke cliëntondersteuner.
In het gesprek wordt onderzocht in welke mate en in welk tempo te verwachten is, dat een leerling zelfstandig(er) kan reizen en hoe ouders hierbij kunnen ondersteunen en/of welke faciliteiten de gemeente daarbij biedt.
In het onderzoek wordt ook gekeken naar de mogelijkheden om de vervoersvoorziening af te stemmen op andere voorzieningen die in het kader van het sociaal domein worden verstrekt.
Om deze reden zou ook een bij de gemeente werkzame collega uit het sociaal domein bij het
gesprek aan kunnen sluiten, zoals een bij het gezin betrokken (SKJ-geregistreerde)
jeugdconsulent.]
Als de leerling niet de dichtstbijzijnde toegankelijke school bezoekt is dit eveneens
onderwerp van gesprek. Wat is er gedaan om wél naar de school dicht bij de woning te
gaan? En wat wordt er gedaan, ook door het samenwerkingsverband, om het onderwijs in de toekomst dichterbij te organiseren?
Bij de beoordeling van een aanvraag leerlingenvervoer is het belangrijk te kijken naar wat een leerling kan. De vergoedingsstructuur is zodanig opgebouwd, dat, binnen de gestelde criteria (beoordelingsfase), de meest zelfstandige en onafhankelijke manier van reizen door de leerling wordt vergoed. Ouders spelen hierin een belangrijke rol en hebben een eigen
verantwoordelijkheid. Het is aan hen om eventueel samen met hun sociale netwerk of met behulp van andere ouders hun kind zelf te (laten) vervoeren of te leren zelf naar school te reizen.
Veel leerlingen hebben door hun ontwikkelachterstand en/of gedragsproblemen extra
begeleiding nodig op weg naar zelfstandigheid. Dit is een verantwoordelijkheid van de
ouders, maar de gemeente kan hierbij ondersteuning bieden door het inzetten van een leerproject.
20 van 41
Uiteraard blijft het maatwerk om te beoordelen hoe een kind kan reizen. Daarin speelt niet
alleen de beperking een rol, maar ook de leeftijd, de route en de behoeften van de leerling. Om het maatwerk te kunnen bieden is het van belang om kennis te hebben van de situatie
van de leerling, de meest geschikte en haalbare vervoerswijze en de zelfredzaamheid van de leerling en het gezin. Derde lid
Wanneer de omstandigheden van de leerling wijzigen kan dat aanleiding zijn om een nieuw
gesprek te voeren. Het spreekt voor zich, dat een schoolwissel en adreswijziging zo’n nieuwe omstandigheid is, maar ook het gegeven dat de leerling ouder wordt en zich ontwikkelt kan gezien worden als een gewijzigde omstandigheid. Vierde lid
Het college stelt, in overleg met de ouders en zo mogelijk met de leerling, een persoonlijk
vervoersontwikkelingsplan voor de leerling op. In dit plan wordt vastgelegd waar de leerling
qua mobiliteit naartoe kan groeien en hoe dit begeleid moet worden. Het doel hiervan is om te beschrijven welke mogelijkheden er zijn om de leerling zelfstandiger te laten reizen, wat hiervoor nodig is, welke periode hiervoor gepland wordt, wat ouders hierin kunnen
betekenen en waar de gemeente ondersteunt. Het onderwijs heeft ook tot doel om
leerlingen zelfstandig te leren functioneren in de maatschappij. Onder meer voor dit doel wordt door de school een ontwikkelingsperspectief opgesteld voor de leerling. Dit plan wordt betrokken bij het vervoersontwikkelingsplan en het is aan te raden met scholen frequent overleg te hebben over wat te verwachten valt in het leerlingenvervoer.
Dit plan kijkt twee tot drie jaar vooruit, maar kan jaarlijks naar aanleiding van de nieuwe
aanvraag geëvalueerd worden. De ontwikkeling van kinderen staat immers niet stil en maakt dat een kind zich sneller kan ontwikkelen dan gedacht.
Wanneer ouders geen medewerking willen verlenen aan het opstellen van een persoonlijk
vervoersontwikkelingsplan voor de leerling kan het college overwegen om een onafhankelijk
medisch advies in te winnen, waarmee onafhankelijk inzicht in de vervoersmogelijkheden van de leerling verkregen kan worden. Artikel 4. Inzet deskundige
De verordening bevat, conform artikel 4, vierde lid, van de Wpo, artikel 4, vierde lid, van de
Wec en 8.29, derde lid, van de Wvo 2020, een regeling voor het inwinnen van advies van een deskundige. Dit is nodig op het moment dat er voor het beoordelen van de aanvraag
specifieke deskundigheid noodzakelijk is waar het college zelf intern niet over beschikt. Artikel 5. Beslistermijn Eerste lid
Artikel 4:13 van de Awb bepaalt dat de redelijke termijn waarbinnen een beschikking moet worden gegeven in ieder geval is verstreken als het college binnen acht weken geen
beschikking heeft gegeven, of aan de aanvrager een bericht van verdaging heeft gezonden. 21 van 41
Voor de Verordening leerlingenvervoer is gekozen voor de wettelijk toegestane beslistermijn van acht weken.
De beslistermijn kan worden opgeschort als de aanvraag onvolledig is. De aanvrager krijgt dan de kans om, gedurende de termijn dat de beslistermijn is opgeschort, de aanvraag volledig te maken. Dit is geregeld in artikel 4:5 van de Awb.
Artikel 4:15 van de Awb bepaalt dat de beslistermijn wordt opgeschort tot de dag waarop de aanvraag met de ontbrekende gegevens is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Tweede lid
Het kan voorkomen dat de gestelde afwikkelingstermijn niet haalbaar is voor het college. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn wanneer het gevraagde oordeel van deskundigen
uitblijft, of als er sprake is van een bijzondere situatie. Het college kan de beslistermijn dan voor ten hoogste vier weken verlengen.
Uiterlijk een dag vóór het verstrijken van de tweede termijn moet er een beschikking op de ingediende aanvraag door het college zijn gegeven. Als blijkt dat ook de verlengde termijn
onvoldoende is, bijvoorbeeld als gevolg van het uitblijven van het advies van deskundigen,
moet er toch een beschikking worden afgegeven, tenzij met toestemming van de aanvrager de termijn nogmaals wordt opgeschort. Artikel 6. Ingangsdatum voorziening
Een vervoersvoorziening wordt niet met terugwerkende kracht toegekend. De vergoeding is
bedoeld om de leerling in staat te stellen (in de toekomst) de school te bezoeken. Het is geen inkomensvoorziening. Voor het aangepast vervoer geldt dat het college, na toekenning, voor de praktische organisatie van het vervoer enige tijd nodig zal hebben. Hierbij gaat het onder
andere om het inroosteren van de leerling en het eventueel aanpassen van de vervoersroute, zodat de leerling mee kan. Artikel 7. Besluit
Eerste lid
Een besluit moet voldoen aan de eisen die de Awb daaraan stelt. Zo moet er sprake zijn van
een deugdelijke motivering (artikel 3:46, van de Awb). In dit artikel is bepaald welke concrete informatie minimaal in het besluit moet worden opgenomen. Het betreft een nadere uitwerking van de wettelijke eisen, die niet afdoet aan de plicht om aan de eisen die rechtstreeks voortvloeien uit de Awb te voldoen.
Om enige beleidsruimte te creëren is bepaald dat het college bij de toekenning van de
vervoersvoorziening tevens de termijn van de verstrekking vastlegt. In de beschikking moet deze termijn aangegeven worden. Per geval wordt de termijn bepaald. Tweede en derde lid
Aan de verstrekking van een vervoersvoorziening kan het college voorwaarden verbinden. Zo kan worden bepaald dat, bijvoorbeeld in het kader van het streven naar zelfredzaamheid, in
22 van 41
de winterperiode aangepast vervoer wordt verstrekt, onder de voorwaarde dat in de andere maanden met de fiets of het openbaar vervoer wordt gereisd en dat hiervoor wordt
geoefend en/of wordt deelgenomen aan een project met dit doel. Ook is het mogelijk om te verwijzen naar het persoonlijk vervoersontwikkelingsplan bedoeld in artikel 3, vierde lid. Hoofdstuk 3. Beoordelingscriteria Artikel 8. Algemene bepalingen
Eerste lid
De verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek blijft ingevolge de Leerplichtwet in alle
gevallen bij de ouders liggen. Deze verantwoordelijkheid kan door de ouders niet op- of
overgedragen worden aan de gemeenteOuders kunnen er dus niet van uit gaan dat zij altijd een vervoersvoorziening krijgen of dat deze altijd wordt voortgezet. Van ouders wordt ook verwacht dat zij de noodzakelijke keuzes maken om hun verantwoordelijkheid te kunnen
nemen. Daarbij kan gedacht worden aan het aanpassen van werktijden en het verkeersveilig maken van de leerling. Tweede lid
In deze verordening zijn verschillende voorwaarden opgenomen waaraan moet worden
voldaan om in aanmerking te komen voor een vervoersvoorziening. Op het moment dat een
leerling voldoet aan die voorwaarden en er meerdere vervoersvoorzieningen zijn waarvan de leerling (in redelijkheid) gebruik zou kunnen maken, dan zal de keuze vallen op de voor het college goedkoopste oplossing. Ook als dit betekent dat die oplossing meer van ouders (bijvoorbeeld extra begeleiding) of de leerling (meer reistijd) vraagt. Dit past binnen het uitgangspunt dat ouders en de leerling in de basis zelf verantwoordelijk zijn voor het
schoolbezoek en is nodig om het vervoersstelsel toegankelijk en betaalbaar te houden. Derde lid
Wanneer een leerling begeleiding nodig heeft tijdens het vervoer, is dat primair een
verantwoordelijkheid van de ouders. Zij zijn en blijven verantwoordelijk voor de schoolgang van hun kind. Werk van ouders of anderszins ontslaat ouders niet van deze
verantwoordelijkheid. Wanneer ouders zelf niet in staat zijn om begeleiding te bieden, is het hun verantwoordelijkheid iemand te zoeken, die deze taak van hen al dan niet tijdelijk,
geheel of gedeeltelijk kan overnemen. Er ligt echter ook een wettelijke zorgplicht bij de
gemeente om passend vervoer aan te bieden. Het is aan het college om een zorgvuldige
afweging te maken en te bepalen wat, gelet op de primaire verantwoordelijkheid van ouders, redelijk is (Kamerstukken II 2011/12, 33 106, nr. 7). Vierde lid
De verantwoordelijkheid voor het gedrag van de minderjarige leerling gedurende het verblijf van de leerling in het aangepast vervoer berust bij de ouders. Zij moeten de gelegenheid
krijgen hun kind te begeleiden bij het vervoer. Wanneer het gedrag beïnvloedbaar is door de leerling te laten begeleiden, is er geen reden om de leerling individueel te vervoeren.
23 van 41
Het recht op een vervoersvoorziening is geen absoluut recht. Als de leerling zich onaanvaardbaar gedraagt, kan dit gedrag er uiteindelijk toe leiden dat de
vervoersvoorziening beëindigd wordt. Onder onaanvaardbaar gedrag door de leerling of de ouder wordt verstaan het gedrag dat onder de gegeven omstandigheden in het
maatschappelijk verkeer onacceptabel is. Gedacht kan worden aan beschadiging van het
interieur van de taxi(-bus), mishandeling van medepassagiers, grove belediging of bedreiging
van de chauffeur etc. Voordat daar echter consequenties aan worden verbonden dient
nagegaan te worden of het gedrag verwijtbaar is. Bepaalde aandoeningen kunnen met zich meebrengen, dat dit niet het geval is. In dat geval zal beoordeeld moeten worden of een andere vervoersvoorziening uitkomst biedt, zoals inzet eigen vervoer. Vijfde lid
Bij het verstrekken van de vervoersvoorziening staat de zelfredzaamheid en de eigen
verantwoordelijkheid van de leerling en zijn ouders voorop. Bij de bepaling van de aard van de vervoersvoorziening wordt hier dan ook naar gekeken. Zelf fietsen heeft daarbij
bijvoorbeeld de voorkeur boven aangepast vervoer in de vorm van een door het college georganiseerde taxibus.
Artikel 9. Afwijzingsgronden
Eerste lid
Er bestaat geen aanspraak op een vervoersvoorziening op als de afstand van de woning tot
de dichtstbijzijnde toegankelijke school kleiner is dan 6 km . De afstand van 6 kilometer sluit aan bij de in artikel 4, zevende lid, van de Wpo opgenomen bovengrens van 6 kilometer. De afstand tussen de woning en de dichtstbijzijnde toegankelijke school moet per route, zowel voor de heen- als voor de terugweg, worden bepaald