Bijlage 1 Juridische toets verordening en beleidsregels gemeente Hardenberg 2023 (geanonimiseerd)
Tekst van het document
geen
Artikel 19 & 20 Artikel 19 luidt: “Een maatregel die de rechter dwingend oplegt wanneer een gezonde en veilige ontwikkeling van de jeugdige (ernstig) wordt bedreigd en vrijwillige hulp niet (voldoende) helpt. ” Artikel 20 luidt: “Hulpverlening voor jongeren tussen 12 en 23 jaar , die met politie en/of justitie in aanraking zijn gekomen en/of de leerplichtwet hebben overtreden (schoolverzuim). De begeleiding kan doorlopen tot de jongere 23 jaar is , indien de jongere minderjarig was bij het plegen van het strafbare feit”. De gemeentelijke verordening gaat over de algemene en individuele jeugdhulpvoorzieningen. Het jeugdbeschermings- en reclasseringsaanbod betreffen volgens de Jeugdwet geen jeugdhulpvoorzieningen. Het gaat om maatregelen die door de rechter worden opgelegd en worden uitgevoerd door de gecertificeerde instellingen (en betaald door de gemeente). In het kader van die maatregelen kan wel jeugdhulp worden ingezet , maar Jeugdbescherming en jeugdreclassering zijn zelf geen jeugdhulp. Artikel 19 en 20 zou je als volgt kunnen samenvoegen: “Het college zorgt voor de inzet van jeugdhulp op basis van het besluit van de gecertificeerde instelling ten behoeve van een kinderbeschermingsmaatregel conform artikel 3.5 , eerste lid van de wet of ter uitvoering van jeugdreclassering conform artikel 2.4 , tweede lid , onder b van de wet”.
De verdere uitwerking staat dan in artikel 36 van deze verordening. Artikel 21 Artikel 21 lid 4 luidt: “Het college wijst de jeugdige en zijn ouder(s) op mogelijkheid om binnen 14 dagen een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2. 1 van de wet op te stellen. Als de jeugdige en zijn ouder(s) daarom verzoeken draagt het college zorg voor ondersteuning bij het opstellen van een persoonlijk plan. ” Zie ook de opmerking bij de definities (bij o , hiervoor). De Jeugdwet kent geen “Persoonlijk plan”. De Jeugdwet spreekt over ‘familiegroepsplan’. Het advies is dan ook om daarbij aan te sluiten. Bovendien wordt in dit artikel verwezen naar artikel 2. 1 van de wet. Dat artikel van de Jeugdwet spreekt echter over ‘familiegroepsplan’ en niet over ‘persoonlijk plan’. De verwijzing is dus feitelijk onjuist. Zie bijvoorbeeld 2. 1 sub g van de Jeugdwet: “het tot stand brengen en uitvoeren van familiegroepsplannen en het verlenen van hulp op basis van familiegroepsplannen , ter uitvoering van artikel 4. 1. 2 en indien sprake is van vroege signalering van opgroei- en opvoedingsproblemen , psychische problemen en stoornissen”. Kortom: een juridisch technische aanpassing van dit onderdeel van de verordening is wenselijk en aan te raden. Artikel 22 Artikel 22 lid 2 luidt: “Als een persoonlijk plan is opgesteld , wordt dit bij het onderzoek betrokken. ” Zie het relaas hiervoor.
‘Persoonlijk plan’ dient te worden gewijzigd in ‘familiegroepsplan’. Artikel 22 lid 5 luidt: “Het college kan , met instemming van de jeugdige of zijn ouder(s) , informatie inwinnen bij andere instanties , zoals de huisarts , en met deze in gesprek gaan over de problemen en de meest aangewezen hulp. ”
Het ‘met instemming…informatie inwinnen’ is heden ten dage , in de tijd van de AVG , een bijzonder precaire zaak. Om toestemming te kunnen vragen stelt de wet een aantal eisen. De toestemming is alleen rechtsgeldig wanneer deze (artikel 4 onder 11 AVG): Vrij •
Specifiek Geïnformeerd en • Ondubbelzinnig gegeven wordt. Toestemming in het sociaal domein voldoet vaak niet aan bovenstaande kenmerken. Zo kan de toestemming bijna nooit 'vrij' gegeven worden , omdat sprake is van een afhankelijkheidsrelatie van de jeugdige/ouders ten opzichte van de gemeente. Het weigeren van toestemming kan voor hen nadelige gevolgen hebben. Omdat je binnen het sociaal domein eigenlijk al nooit aan die voorwaarde voldoet , is het extra van belang om in ieder geval zo goed mogelijk aan de overige voorwaarden te voldoen mocht het toch noodzakelijk zijn om informatie op basis van toestemming te ontvangen. • •
Dat betekent dat als het echt noodzakelijk is om informatie op te vragen bij bijvoorbeeld de huisarts , dat dit dan per geval beoordeeld moet worden. Je kunt dan namelijk uitleggen voor welk doel het voor die specifieke casus echt nodig is dat informatie van de huisarts verkregen wordt en wat er met de informatie gaat gebeuren (kenmerken 'specifiek' en 'geïnformeerd'). Met deze bepaling dient zeer terughoudend omgegaan te worden.
Artikel 23 Artikel 23 lid 5 luidt: “Het college zorgt voor inzet van de jeugdhulp die de rechter of de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel , die de rechter , het openbaar ministerie , de selectiefunctionaris , de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële inrichting nodig achten bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing , of die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van jeugdreclassering. Hiervoor verstrekt het college geen beschikking als bedoeld in artikel 25. ” In dit lid dient duidelijker te zijn wat er bedoeld wordt met het begrip ‘rechter’. In civiele jeugdzaken (kinderbeschermingsmaatregelen en gesloten jeugdhulp) legt de rechter zijn uitspraak vast in een schriftelijke beschikking. Een beschikking als bedoeld in artikel 25 van de verordening wordt dan niet afgegeven. Wanneer echter een familierechter bepaalt dat jeugdhulp noodzakelijk is (bijvoorbeeld in het kader van begeleide omgang) , betekent dit niet dat er direct toegang tot jeugdhulp bestaat. De ouders dienen hiervoor eerst naar de gemeente te gaan om een aanvraag tot jeugdhulp in te dienen. Het college onderzoekt vervolgens zelfstandig of de jeugdhulp noodzakelijk is en neemt hierover een besluit.
Artikel 25 Artikel 23 lid 1 , aanhef en sub e luidt: “In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt vastgelegd: e. de ingangsdatum en de duur van de verstrekking”. Artikel 23 lid 4 , aanhef en sub a luidt: “Het besluit tot toekenning van een individuele voorziening wordt afgegeven: a. als het gaat om zorg in natura: met een geldigheidsduur tot het moment waarop de betrokken jeugdhulpaanbieder de jeugdhulp heeft beëindigd en het college hiervan op de hoogte heeft gesteld”;
Deze bepalingen zijn tegenstrijdig aan elkaar en kunnen niet beide worden opgenomen in de beschikking. Wat is de gedragslijn die in de praktijk wordt gehanteerd? Advies is om die gedragslijn vast te leggen in de verordening.
Artikel 26 Artikel 26 lid 4 geeft aan dat de pgb-aanbieder behulpzaam mag zijn bij het vastleggen van bepaalde dingen in het budgetplan. Dit is niet wenselijk. Een zorgverlener kan namelijk niet kritisch en met voldoende afstand ook de pgb-beheerstaken uitvoeren. Het advies is om dit gescheiden te houden. Artikel 27 Artikel 27 lid 1 luidt: “Naast de voorwaarden uit artikel 26 van deze verordening , gelden voor de informele hulp ook de voorwaarden uit dit artikel. ” Bij de criteria die gelden voor het in aanmerking komen voor een individuele voorziening (art. 5 lid 1 sub a) wordt dit al beoordeeld. Er zal onderzocht moeten worden of het sociaal netwerk de gestelde taken ook nog wil doen zonder betaling. Als iemand vanuit het sociaal netwerk het niet onbetaald wil doen en dus niet beschikbaar is , kun je dit niet afdwingen. Wat als de inwoner het wel nodig heeft? Artikel 27 lid 2 aanhef en sub e en f luiden: “Voordat een jeugdige of zijn ouder(s) een aanvraag doet voor een voorziening , wordt van hem verwacht dat hij eerst een beroep doet op zijn eigen kracht , familie en vrienden. Er wordt geen pgb verstrekt wanneer het gebruikelijk is dat de activiteiten door de wettelijke vertegenwoordigers dan wel het sociaal netwerk worden verricht gelet op de leeftijd van de jeugdige , zoals: e. het maken van afspraken en/of het meegaan naar afspraken met specialisten; f.
vervoer naar afspraken met specialisten;” Afhankelijk van wat verstaan wordt onder een specialist is dit artikel in strijd met artikel 17 van deze verordening. Onder sub g. van datzelfde artikel 27 lid 2 staat “vervoer naar school bij jeugdigen tot 12 jaar. ” Bij materie omtrent vervoer naar school begeven we ons op het gebeid van leerlingenvervoer , hetgeen buiten de reikwijdte van deze verordening valt en derhalve niet aldus kan worden verwoord/bepaald. Artikel 27 lid 3 luidt: “Indien hulp en zorg noodzakelijk is die substantieel intensiever is dan wat gemiddeld gebruikelijk is bij gezonde kinderen van dezelfde leeftijd , dan kan het college een individuele voorziening toekennen voor de hulpvraag zoals genoemd onder lid 2. ” Hier wordt gedoeld op de zgn. bovengebruikelijke zorg. Maar wat als die geboden kan worden vanuit de eigen kracht? Op basis van dit artikel geef je dan toch een individuele voorziening af in de vorm van een pgb informele hulp. Artikel 28 In artikel 28 lid 2 wordt een opsomming gegeven van omstandigheden waarvan het college , bij aanwezigheid van een van die omstandigheden , vindt dat een persoon niet in staat is de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren. Je kunt echter geen personen structureel uitsluiten. Een persoon met problematische schuldenproblematiek is bijvoorbeeld uitgesloten.
Het gaat echter niet om het beheren van het budget zelf. Dat is immers gestald bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Als het college een pgb verleent , keren ze dat bedrag niet uit aan de jeugdige en ouders zelf. Het bedrag wordt 'gestald' bij de SVB en ter besteding beschikbaar gesteld aan de jeugdige en zijn ouders (zie artikel
8. 1. 5 lid 2 Jeugdwet). Dat wordt ook wel trekkingsrecht genoemd. Voor dit trekkingsrecht is gekozen om fraude met besteding van het budget zoveel mogelijk te voorkomen. Op deze manier is
gewaarborgd dat het budget alleen wordt besteed aan het inkopen van (de juiste) jeugdhulp. In de Memorie van Toelichting staat de volgende toelichting bij artikel 8. 1. 1. Jeugdwet “Wanneer de gemeente besluit een persoonsgebonden budget te verstrekken , dient daarbij afgewogen te worden of de jeugdige of zijn ouders zelf voldoende in staat zijn tot een redelijke waardering van de betrokken belangen. Mocht dat niet het geval zijn dan zal afgewogen moeten worden of de jeugdige of zijn ouders met hulp uit het sociale netwerk òf met hulp van een curator , bewindvoerder , mentor of gemachtigde in staat zijn de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Aan die laatste opsomming worden nu de gecertificeerde instelling en de aanbieder van gesloten jeugdhulp toegevoegd. Een jeugdige bij wie – om wat voor reden dan ook – een gecertificeerde instelling betrokken is of die gesloten jeugdhulp ontvangt , heeft te maken met beperkingen die door de rechter zijn opgelegd. In dergelijke situaties is het denkbaar dat met hulp van de gecertificeerde instelling of van de aanbieder van gesloten jeugdhulp de jeugdige of zijn ouders in staat zullen zijn de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Op grond van het tweede lid (nieuw) is het aan de gemeente om daarover een oordeel te vellen”.
Blijkens de Memorie van Toelichting is het aan het college om in iedere individuele situatie een oordeel over te vellen.
Artikel 28 lid 3 aanhef en sub c luidt: “Naast hetgeen dat bepaald is in het vorige lid wordt een pgbbeheerder alleen geacht de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze te kunnen uitvoeren indien: c. hij niet tevens de pgb-aanbieder of informele hulp is van de hulp die met het pgb wordt ingekocht. De pgb-beheerder is in ieder geval niet tevens de pgb-aanbieder of informele hulp , diens vast/flexibel personeel , diens organisatie adviseur of op andere wijze aan de zorgaanbieder verbonden persoon (de combinatie van zorgverlener en pgb-beheerder in één persoon of instantie is gezien de belangenverstrengeling onwenselijk en niet toegestaan)”; Op dit moment – hiervoor heb ik geadviseerd om het te wijzigen , maar momenteel is het nog wel zo – staat in art. 26 lid 4 van deze verordening juist dat een pgb-aanbieder wél de aan de pgb verbonden taak kan uitvoeren. Artikel 30 Artikel 30 lid 5 luidt: “Een pgb kan niet worden toegekend als het gaat om jeugdigen met een kinderbeschermingsmaatregel , jeugdreclassering of jeugdigen die zijn opgenomen in een gesloten accommodatie met een machtiging” In tegenstelling tot hetgeen hier wordt vermeld , kan er wel een pgb worden toegekend bij een kinderbeschermingsmaatregel. Dit kan alleen niet door de gecertificeerde instelling worden bepaald. Hiervoor moet een aanvraag worden ingediend.
Het college mag dan niet meer oordelen over de inzet van de jeugdhulp. Het besluit gaat enkel over de verzilveringsvorm (pgb). Ook een pgb in het kader van ondersteuning die vanuit het jeugdstrafrecht noodzakelijk is , dient beoordeelt te worden door het college. In beide gevallen zal het college moeten beoordelen of voldaan is aan de voorwaarden voor het
toekennen van een pgb. Artikel 30 lid 8 luidt: “het pgb is niet bedoeld om opvoedondersteuning voor de ouder(s) in te kopen indien de ouder(s) over onvoldoende opvoedcapaciteiten beschikken. ”
Op het moment dat er een individuele voorziening opvoedondersteuning wordt afgegeven , kan die voorziening zowel in ZIN als in pgb worden toegekend. Wel moet voldaan zijn aan de pgb
voorwaarden. Opvoedondersteuning kan dus , mits voldaan aan de voorwaarden , wel ingekocht worden vanuit een pgb. Artikel 30 lid 9 luidt: “Een pgb wordt niet toegekend voor , de op het individu toegesneden voorzieningen in het gedwongen kader , crisisopvang of crisishulp. ” Er is sprake van een gedwongen kader als de (kinder)rechter een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclasseringsmaatregel heeft opgelegd. Het college is (financieel) verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke jeugdhulp in het gedwongen kader. De gecertificeerde instelling die de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclasseringsmaatregel uitvoert , bepaalt echter welke jeugdhulp moet worden ingezet. De gemeente is daartoe in het gedwongen kader dus niet bevoegd. Het college mag niet meer oordelen over de noodzaak van de in te zetten jeugdhulp. De GI heeft namelijk al bepaald dat de inzet van de jeugdhulp nodig is. De gecertificeerde instelling stuurt daarvoor een 'bepaling jeugdhulp' naar de gemeente. Daarna moet het college een besluit nemen over (de hoogte van) het pgb. De gemeente oordeelt niet over de noodzaak om jeugdhulp toe te kennen. De gemeente is verplicht de jeugdhulp in te zetten die de rechter , het Openbaar Ministerie (OM) , de
selectiefunctionaris , de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële jeugdinrichting (JJI) nodig vinden bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing. Hier geldt een leveringsplicht voor de gemeente. De gemeente mag zich dus niet mengen in het oordeel over de noodzaak van de hulp. Dat is al bepaald door een van de genoemde personen/instanties. De gemeente kan hier dus ook geen beschikking voor afgeven. De jeugdhulp die ingezet moet worden zal vaak als zorg in natura geboden kunnen worden. Als echter een pgb gewenst is , is het aan de gemeente (het college) om te beoordelen of dit kan worden toegekend. Het besluit van de gemeente gaat dus ook alleen over de verzilveringsvorm (pgb). Er moet dan een aanvraag bij de gemeente worden ingediend. De bovengenoemde instanties kunnen dus niet zelf bepalen dat er een pgb wordt toegekend. Die bevoegdheid heeft alleen de gemeente. Voor wat betreft de crisisopvang of crisishulp: dit zou je kunnen ondervangen door een bepaling als de volgende: “als sprake is van spoed- of crisiszorg waardoor er vanwege het spoedeisende karakter
onderzoek naar bekwaamheid van de budgethouder en/of de kwaliteit van de geboden ondersteuning gedaan kan worden” geen
Artikel 31 lid 3 luidt: “De hoogte van het pgb voor informele hulp is maximaal het tarief per uur voor een niet professionele zorgverlener zoals in artikel 5.22 , lid 1 van de Regeling langdurige zorg is vermeld , en tussenpersonen of belangenbehartigers niet uit het pgb worden betaald. ” De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft recent weer een tweetal belangrijke uitspraken over de Wmo 2015 gedaan (CRvB 16-8-2023 , ECLI:NL:CRVB:2023:1394 en CRvB 16-8-2023 , ECLI:NL:CRVB:2023:1580). In die uitspraken bepaalt de CRvB dat gemeenten de uurtarieven voor een persoonsgebonden budget (pgb) voor het sociale netwerk moeten baseren op de CAO VVT. Net als de Wmo 2015 , bevat ook de Jeugdwet in artikel 2. 11 een bepaling over reële prijzen. Daar staat namelijk dat in de verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen prijs en kwaliteit. In afwijking van de Wmo 2015 is in de Jeugdwet nog geen AMvB vastgesteld over reële prijzen. Het ontwerpbesluit hiervoor is eind mei 2023 naar de Eerste en Tweede kamer verzonden. Hieruit blijkt wel dat de overheid pgb's in de Wmo 2015 en in de Jeugdwet gelijk behandelt.
Ik zie op dit moment helaas niet in dat de CRvB over pgb's in de Jeugdwet anders zou oordelen dan in de bovengenoemde uitspraken. Het vermoeden is daarom dat ook voor deze pgb's een uurloon ter hoogte van het minimumloon niet voldoende zal zijn. Ook hier is de wetgever weer aan zet. In deze verordening is voor het informele tarief echter wel een hoger tarief vastgesteld dan het minimumloon. Dit bedrag ligt nog steeds wel (iets) lager dan de CRvB heeft vastgesteld voor het tarief begeleiding sociaal netwerk op grond van de Wmo 2015. Nu er nog geen duidelijkheid over is , en de wetgever aan zet is zou je er ook voor kunnen kiezen om af te wachten wat er gaat komen. In procedures is het risico aanwezig dat de bepaling geen stand houdt. Vooralsnog is er echter ook geen duidelijkheid over wat het tarief informele hulp in de Jeugdwet wel zou moeten zijn.
4.
Beleidsregels Jeugdhulp gemeente Hardenberg 2023
Leeswijzer In de leeswijzer staat dat de beleidsregels een uitwerking zijn van de Verordening Jeugdhulp Hardenberg 2023. De naam van de verordening waarvan onderhavige beleidsregels een uitwerking zijn , is evenwel “VERORDENING JEUGDHULP Gemeente Hardenberg 2023”. De verordening is het wettelijke kader en dient op de juiste wijze geciteerd te worden. Het lijkt triviaal , maar het is van belang dat we hier toch met de juiste precisie te werk gaan. Kortom , óf de naam van de verordening moet worden aangepast óf in de beleidsregels moet worden opgenomen dat ze een uitwerking zijn van de VERORDENING JEUGDHULP Gemeente Hardenberg 2023. In de leeswijzer wordt ook verwezen naar het financieel besluit. Het financieel besluit heet echter “Het Financieel Besluit Wmo en Jeugd 2023”. Hiervoor geldt hetzelfde als hiervoor betoogd.
Artikel 2. 1 Dit hoofdstuk in de beleidsregels gaat over de toegang. De toegang is in de verordening geregeld in artikelen 2 , 21 en in artikel 23. Hierover heb ik in de verordening een opmerking gemaakt. Onderdeel “Toegang tot jeugdhulp via de gemeente” Hoewel in dit onderdeel wordt opgemerkt dat een melding wordt gezien als een aanvraag is het wenselijker om de term ‘melding’ te vermijden. De Jeugdwet kent geen melding. In dit onderdeel van de beleidsregels is de volgende alinea opgenomen: “De verordening is voor wat betreft de toegang tot jeugdhulp procedureel ingericht zodat het voor jeugdigen en ouders duidelijk is hoe het college te werk gaat nadat zij zich tot de gemeente hebben gewend. De verordening bepaalt ook dat algemene voorzieningen vrij toegankelijk zijn en dat een verzoek om jeugdhulp ook kan verlopen via de wettelijke verwijzers , zonder tussenkomst van de gemeente. Jeugdige en/of zijn ouder(s) kunnen gebruik maken van cliëntondersteuning en van de diensten van een vertrouwenspersoon. De verordening schrijft verder voor dat het college een ondersteuningsplan aan de jeugdige en zijn ouder(s) verstrekt met daarin de onderzoeksresultaten en de daaraan verbonden conclusie. Daaruit kan de jeugdige en/of zijn ouder(s) ook afleiden of hij in aanmerking komt voor jeugdhulp.
Ook wordt de jeugdige en/of zijn ouder(s) in de gelegenheid gesteld zijn eigen persoonlijk plan (lees: familiegroepsplan) in te dienen. Daaruit kan het college afleiden waarom de jeugdige en/of zijn ouder(s) van mening is dat hij (aanvullend) jeugdhulp van de gemeente nodig heeft. Verder heeft het college een voorlichtingsplicht. Die bestaat uit het informeren van de jeugdige en/of zijn ouder(s) onder welke voorwaarden hij in aanmerking kan komen voor een voorziening en het verschil in financieringsvormen zoals zorg in natura (zin) of het
persoonsgebonden budget (pgb)”. Deze alinea heeft niet zoveel te maken met de toegankelijkheid , maar meer met de verdere procedure. Onderdeel “Toegang gedwongen kader” In dit deel wordt met name toegelicht wat het proces is dat voorafgaand gaat aan het gedwongen kader. De titel van de alinea is echter ‘toegang gedwongen kader’. De toegang wordt toegelicht in het volgende onderdeel in de beleidsregels.
Artikel 2. 2. In dit artikel staat onder andere: “Een jeugdige en/of zijn ouder(s) met een hulpvraag kan zich melden bij het Samen Doen. Deze melding wordt in het kader van de Jeugdwet direct gezien als een aanvraag. Deze melding is vormvrij en kan schriftelijk , telefonisch , digitaal (via het aanmeldformulier ‘stel uw hulpvraag’) of in persoon gedaan worden. ” In artikel 21 lid 1 van de verordening staat echter: “Een aanvraag voor een individuele voorziening kan schriftelijk worden ingediend bij het college of het Samen Doen Team. ” [onderstreping door mij , CR]. Wanneer in de verordening staat dat een aanvraag schriftelijk moet worden gedaan en in de beleidsregels is opgenomen dat melding wordt gezien als een aanvraag , is er niet alleen sprake van mogelijke verwarring omtrent de terminologie , maar is er ook sprake van een discrepantie. De aanvraag is niet vormvrij , dit blijkt expliciet uit de verordening. Het telefonisch doen van een aanvraag is niet mogelijk. Het moet immers schriftelijk. Artikel 4. 1 Awb bepaalt dat een aanvraag schriftelijk ingediend moet worden , tenzij iets anders is opgenomen in de (i. c. ) verordening. Nu er in dit geval niets anders is geregeld in de verordening , kan er dus niet afgeweken worden van de eis die de Awb stelt , waarbij artikel 4. 2 Awb de eisen stelt waaraan tenminste voldaan moet worden. In de tweede alinea van artikel 2.
2 staat: “Wanneer een melding wordt gedaan door een zorgverlener zal altijd contact opgenomen worden met de jeugdige en/of ouder(s) of een vertegenwoordiger van de jeugdige en/of ouders. Zij zijn immers belanghebbende(n). ” Een aanvraag kan niet ingediend worden door een zorgverlener. Een aanvraag mag ingediend worden door een belanghebbende. Belanghebbenden bij een jeugdhulpaanvraag zijn , totdat de jeugdige 16 jaar is: • • • •
de ouder met gezag de ouder zonder gezag , zijnde de opvoeder een ander dan de ouder die de jeugdige verzorgt en opvoedt een jeugdige die in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen
Vanaf zijn 16e , is alleen de jeugdige belanghebbende. Dit kan anders zijn als iemand gemachtigd is door de ouders van de jeugdige. De jeugdige of ouder kan zich bij het indienen van een aanvraag namelijk laten bijstaan door een derde of zich laten vertegenwoordigen door een gemachtigde (artikel 2:1 lid 1 Awb en artikel 8:24 Awb). Het college kan van de gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen (artikel 2:1 lid 2 Awb) , tenzij de gemachtigde een advocaat is. Hoofdstuk 3 (Hoewel er verderop een paragraaf 3. 2 is , is er géén paragraaf 3. 1) Onderdeel “Vormen van onderzoek” In dit onderdeel wordt gesproken over het ‘persoonlijk plan’. Zoals ik in mijn toetsing van de verordening al uitgebreid heb aangehaald , spreekt de Jeugdwet van een “familiegroepsplan”. Geadviseerd wordt de terminologie uit de Jeugdwet te gebruiken. In deze paragraaf wordt o. a. aandacht besteed aan de “Stappen van een goed onderzoek”. In het deel dat handelt over “Stap 5 - Indien bovenstaande niet een oplossing biedt , stel vast welke individuele voorziening de geconstateerde discrepantie adequaat oplost”, staat onder meer: “slechts voor zover de eigen mogelijkheden ontoereikend zijn”. Dit is echter te summier. Vollediger is het wanneer in de beleidsregels staat “slechts wanneer de eigen mogelijkheden , het sociaal netwerk , de algemene voorziening en een andere voorziening ontoereikend is…”.
De laatste zin van het onderdeel “Schakel zo nodig specifieke deskundigheid in” luidt: “Als dit noodzakelijk is voor het onderzoek , zal de jeugdige en/of ouder(s) hier aan mee moeten werken , omdat anders niet vastgesteld kan worden hoe een hulpvraag opgelost kan worden. ” De jeugdige en zijn ouders moeten het college de medewerking verlenen die redelijkerwijs nodig is om de Jeugdwet te kunnen uitvoeren (artikel 8. 1. 2 lid 3 Jeugdwet). Dit is een algemene medewerkingsplicht. Het kan echter voorkomen dat de jeugdige en/of ouders niet voldoende meewerken; je kunt dit immers niet verplichten.
Als de jeugdige en/of ouder(s) onvoldoende meewerken , betekent dat echter niet dat het college de aanvraag zomaar niet-ontvankelijk mag verklaren of kan afwijzen. Het college moet dan onderzoeken en beoordelen of op grond van de informatie die wél aanwezig is , kan worden vastgesteld dat de jeugdige een 'probleem' in de zin van de Jeugdwet heeft en daarvoor jeugdhulp moet worden ingezet. Het kan zijn dat door het ontbreken van informatie niet kan worden vastgesteld dat er sprake is van een noodzaak tot jeugdhulp. In dat geval wijst het college de aanvraag af. Het kan ook zijn dat op grond van de aanwezige informatie geoordeeld wordt dat een andere vorm van jeugdhulp nodig is dan die de jeugdige/ouders hebben gevraagd. In dat geval kent het college alleen die vorm van jeugdhulp toe en wijst de gevraagde jeugdhulp af. In het onderdeel “Ondersteuningsplan dient niet als aanvraag” staat o. a. : “Op het moment dat uit het ondersteuningsplan blijkt dat de hulpvraag kan worden opgelost op eigen kracht , door het sociaal netwerk , door een voorliggende voorziening , algemene voorziening , algemeen gebruikelijke voorziening of een andere wettelijke voorziening , hoeft het ondersteuningsplan niet te worden ondertekend. De hulpvraag is immers voorliggend opgelost. In overleg met de jeugdige en/ of ouder(s) wordt de aanvraag niet verder doorgezet.
De hulpvraag is namelijk opgelost en een individuele voorziening is niet nodig. Dit moet worden opgenomen in het ondersteuningsplan”. Het volgende ziet op het (door mij) onderstreepte deel van deze alinea. Bij de uitvoering van de Jeugdwet is in de volgende gevallen een beschikking vereist: • de toekenning of afwijzing van een aanvraag om een voorziening voor jeugdhulp • het buiten behandeling stellen van een aanvraag (met toepassing van artikel 4:5 Awb) • de afwijzing van een hernieuwde aanvraag onder verwijzing naar de eerdere afwijzing (met toepassing van artikel 4:6 Awb) • de beëindiging van een voorziening voor jeugdhulp • de herziening van een beslissing tot verlening van een jeugdhulpvoorziening • de intrekking van een beslissing tot verlening van een jeugdhulpvoorziening • de beslissing tot terugvordering of invordering. In principe moet er dus een beschikking worden afgegeven , omdat je afwijst (of verwijst naar het voorliggende veld maar daarmee de individuele voorziening afwijst). De belanghebbende heeft altijd het recht om zijn aanvraag in te trekken. Aangezien een aanvraag schriftelijk moet worden ingediend , moet ook de intrekking van een aanvraag schriftelijk gebeuren. Je zou dit kunnen oplossen door op het ondersteuningsplan een mogelijkheid tot intrekking van de aanvraag toe te voegen. Het ondersteuningsplan moet dan wel ondertekend retour gestuurd worden.
Onderdeel “Jeugdige en/of ouder(s) niet eens met de inhoud ondersteuningsplan” In dit onderdeel wordt aangegeven dat de jeugdige en/of de ouders een aanvraagformulier kunnen krijgen waarop ze kunnen aangeven waarom ze het niet eens zijn met de aangedragen oplossing. In de Jeugdwet begin je met een aanvraag , zoals ook in de beleidsregels staat (met dien verstande dat het begrip ‘melding’ hierin voor verwarring kan zorgen; vandaar ook mijn advies om de omschrijving ‘melding’ te vermijden). Deze aanvraag hoor je af te handelen. Als de jeugdige en/of ouders het er niet mee eens zijn en de aanvraag niet intrekken , maak je een beschikking. In deze fase hoort geen aanvraagformulier te worden verstrekt , dat was immers al de start van het onderzoek.
Onderdeel “Ondertekend ondersteuningsplan dient als aanvraag” Hier staat dat het ondersteuningsplan moet worden ondertekend wil het voldoen aan de vereisten van een aanvraag.
Dat is in deze fase niet correct. In de aanvraagfase hoort de aanvraag goed te zijn ingediend. Is dit niet het geval , dan wordt hiervoor een hersteltermijn gestuurd.
Onderdeel “Terugsturen ondersteuningsplan” Zie mijn eerdere opmerkingen over het aanvraagformulier. Het lijkt erop dat met deze beleidsregels is getracht aansluiting te zoeken bij de beleidsregels Wmo Hardenberg 2023. De Wmo 2015 heeft echter een andere systematiek dan de Jeugdwet.
Hoofdstuk 4 Artikel 4. 1 aanvraag De slotzin van deze paragraaf luidt: “Het is dus afhankelijk van de jeugdige en/of ouder(s) wanneer er een beslissing op de aanvraag genomen kan worden. ” Echter , ook zonder ondertekend ondersteuningsplan moet er een beslissing op de aanvraag genomen worden. Het college is verplicht om
– binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn – een beschikking te geven op de aanvraag. Indien er geen bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn is , moet het college de beschikking binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag afgeven (artikel 4:13 lid 1
Awb). Die redelijke termijn is in beginsel niet langer dan 8 weken , maar het college heeft de mogelijkheid deze te verlengen (artikel 4:13 lid 2 Awb). De termijn waarbinnen het college een beschikking moet geven , wordt de beslistermijn genoemd. Wanneer er onvoldoende medewerking is verleend door jeugdige en/of ouders , heeft dit effect op de eventueel af te geven individuele voorziening , maar niet op de beslistermijn. Hoofdstuk 6 Artikel 6. 1 Zoals hiervoor aangegeven , wordt hier gesproken over Wmo waar het Wmo 2015 moet zijn. Artikel 6. 2. 3 Ongeveer halverwege dit artikel staat: “Voor de verlengde jeugdhulp (18+) wordt verwezen naar de Wmo”. Voor verlengde jeugdhulp kan niet verwezen worden naar de Wmo 2015. Bepaalde vormen van jeugdhulp kunnen doorlopen na de 18e verjaardag (tot max. 23 jaar). Het gaat dan om de hulp die andere wetten (zoals de Zvw of Wmo 2015) niet overnemen , bijvoorbeeld pleegzorg of verblijf in een gezinshuis.
Verder wordt er een omschrijving gemaakt van de problematiek die onderzocht wordt. De voorwaarden voor verlengde jeugdhulp zijn echter vastgelegd in de wet. Die hulp kan niet in alle gevallen doorlopen. Dit kan alleen in de in artikel 1. 1 Jeugdwet geregelde situaties: 1. Doorlopen van jeugdhulp vanaf de 18e verjaardag is noodzakelijk De jeugdige ontvangt jeugdhulp voordat hij 18 jaar wordt. Het is nodig dat deze jeugdhulp doorloopt nadat de jeugdige 18 is. Er is geen andere wet die deze hulp biedt. In die situatie kan de hulp als verlengde jeugdhulp doorlopen. Dat betekent dat deze hulp dus ook na de 18e verjaardag vanuit de Jeugdwet wordt vergoed. De jeugdhulp kan maximaal tot 23 jaar doorlopen. 2. Noodzaak jeugdhulp bepaald vóórdat jeugdige 18 jaar is De gemeente bepaalt , voordat de jeugdige 18 jaar is , dat het nodig is dat hij vanaf de 18e verjaardag jeugdhulp krijgt. Het gaat om hulp die niet door een andere wet wordt vergoed. De gemeente zet deze verlengde jeugdhulp dan in op grond van de Jeugdwet. De jeugdhulp kan maximaal tot 23 jaar doorlopen. 3. Hervatting jeugdhulp binnen 6 maanden De jeugdige ontvangt jeugdhulp voordat hij 18 jaar wordt. Deze hulp eindigt. Binnen 6 maanden blijkt dat deze jeugdhulp toch moet doorgaan. In dat geval kun je de hulp alsnog als verlengde jeugdhulp inzetten. Ook hier geldt dat het om hulp gaat die niet onder een andere wet valt.
En dat de jeugdhulp maximaal tot 23 jaar doorloopt.
Artikel 6. 2. 4 In dit artikel staat o. a. : “Blijkt echter dat die dusdanige problematiek zodanig belangrijk is , dat dit het werken aan de andere problematiek belemmert , dan zal de jeugdige en/of ouder(s) wel hieraan moeten werken”. De jeugdige en ouders bevinden zich nog in het vrijwillige kader. Het werken aan de problematiek kun je niet afdwingen. Je kunt de jeugdige en/of ouders wel wijzen op de consequentie wanneer zij niet meewerken en dit naar de visie van de consulent van Samen Doen wel noodzakelijk is.
Artikel 6. 2. 5 In het laatste deel van dit artikel wordt uitgelegd wat ‘wettelijke voorliggende voorzieningen’ zijn. Daarbij wordt de aanvullende zorgverzekering als voorbeeld gegeven. De aanvullende zorgverzekering kan slechts voorliggend zijn indien ouders deze al hebben afgesloten of vanuit de eigen kracht aangeven dat ze bereid zijn om die alsnog af te sluiten. De jeugdige of zijn ouders kunnen niet verplicht worden om een aanvullende verzekering af te sluiten. Het is namelijk een privaatrechtelijke verbintenis. Een ieder is vrij om zo'n overeenkomst te sluiten. Beschikken de ouders/jeugdige niet over een aanvullende verzekering , dan is het aan het college om de noodzakelijke hulp in te zetten.
Artikel 6. 2. 6. a In dit artikel passeren de verschillende , in de gemeente Hardenberg beschikbare , individuele voorzieningen de revue. Onder punt d. wordt “Jeugdbescherming en reclassering” genoemd. Zoals ik heb aangegeven bij de opmerkingen in de VERORDENING JEUGDHULP Gemeente Hardenberg 2023 , is dit geen individuele voorziening. Artikel 6. 3. 1 Bij onderdeel C. staat: “Beperkingen in de zelfredzaamheid die te maken hebben met leeftijd , stoornis , beperking of ziekte , die tijdelijk of chronisch van aard kan zijn. De beperking in de
zelfredzaamheid hoeft geen relatie te hebben met de noodzaak tot jeugdhulp. Het niet kunnen betalen van vervoer kan niet worden aangemerkt als een beperking in de zelfredzaamheid” Hoe verhoudt dit zich tot artikel 17 lid 1 sub c van de verordening , waarin staat dat een vervoersvoorziening kan worden toegekend wanneer: “het voor de jeugdige en/of zijn ouder(s)/verzorger(s) niet mogelijk is om op eigen (financiële) kracht en eigen verantwoordelijkheid (al dan niet gedeeltelijk en/of met behulp van het eigen netwerk) het vervoer te organiseren”.
Artikel 6. 3. 3. In b. wordt uitgelegd hoe men komt aan een bedrag van € 4000 als ‘gebruikelijke vervoerskosten’. , Waar is dit op gebaseerd? De berekening onder c. klopt vervolgens niet. Daar worden alleen de contactmomenten meegenomen voor zover dat er meer dan 8 zijn en kilometers voor zover dat er meer dan 6 zijn , terwijl aan het eind er wél die 4000 , gebruikelijke kosten wordt afgetrokken. Dat is dubbelop. Als je de gebruikelijke kosten eraf wilt trekken aan het eind , moet je in de berekening alle contactmomenten en alle kilometers meenemen.
Artikel 7. 1 Hier staat o. a. : “De Sociale Verzekeringsbank voert voor de gemeente de betaling van de geleverde ondersteuning uit (het zogenaamde trekkingsrecht) bij individuele voorzieningen in natura (zin). Een voorziening in natura is ondersteuning die geleverd wordt door een zorgaanbieder op basis van een contract die deze aanbieder heeft met de gemeente”. Het trekkingsrecht is hier gekoppeld aan de ZIN voorziening , maar hier is het trekkingsrecht juist niet aan gekoppeld. Als je een pgb hebt van de gemeente (of het zorgkantoor) , dan betaalt de Sociale Verzekeringsbank (SVB) de zorgverleners uit. Het pgb komt dus niet op de bankrekening van de budgethouder te staan , maar op een rekening bij de SVB. Dit heet trekkingsrecht.
Onderdeel “Mogelijke voordelen” Hier worden voordelen geschetst van het pgb die niet passen bij artikel 26 lid 1 uit de verordening. In artikel 26 lid 1 van de verordening wordt namelijk gesteld dat het uitgangspunt is dat de jeugdige en/of ouders de voorziening in ZIN krijgen. Middels een pgb inkopen kan alleen wanneer het ZIN aanbod niet passend is. Dit verhoudt zich niet tot hetgeen hier genoemd wordt , waar onder andere als voordeel wordt genoemd dat men zelf de mensen kan kiezen die de hulp- en ondersteuning gaan bieden. Artikel 7. 4 Onderdeel “Bijzondere bijstand beheren pgb moet noodzakelijk zijn” Als slotzin van de eerste alinea staat hier: “Als hij kosten gaat maken die hij niet kan betalen , is het wellicht beter om te kiezen voor een individuele voorziening in zorg in natura”. Wanneer je de verordening toepast (zie opmerking bij artikel 7.1 , hiervoor) dan heb je deze keuzevrijheid niet. Als er een voorziening in ZIN is , kom je niet toe aan de beoordeling pgb. Artikel 7. 4. 1. a De jeugdige of zijn ouder(s) moeten er blijk geven dat zij op eigen kracht voldoende in staat zijn tot een redelijke waardering van de belangen ter zake.
Mocht dat niet het geval zijn , dan zal het college moeten kijken of de jeugdige of zijn ouders met hulp uit het sociale netwerk òf met hulp van een curator , bewindvoerder , mentor , gemachtigde , gecertificeerde instelling of aanbieder van gesloten jeugdhulp in staat zijn de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Het is
aan het college om daar in iedere individuele situatie een oordeel over te vellen (TK 2013-2014 , 33983. nr. 3 , p. 23).
Schuldenproblematiek is op zich geen grond om een pgb te weigeren , als de cliënt met hulp van anderen in staat is om het pgb te beheren. Bovendien speelt schuldenproblematiek van een cliënt een steeds kleinere rol. omdat hij niet meer zelf het pgb-geld op zijn rekening krijgt. Dit gaat via de SVB naar de zorgverlener. De gemeente zal dus goed moeten onderzoeken of in een specifieke situatie het hebben van schulden moet leiden tot afwijzing van een pgb. In de overige onderdelen in dit artikel wordt genuanceerder uitleg gegeven aan de bekwaamheden van de inwoner danwel de pgb beheerder dan uit de verordening blijkt. De uitleg in de beleidsregels is meer voor de hand liggend , omdat hier een bepaalde beoordelingsruimte wordt gesteld en niet een directe uitsluiting , zoals in de verordening wel staat.
Artikel 7. 4. 2a Onderdeel “Informele hulp , iemand uit het sociaal netwerk” Hier staat het begin van het onderzoek omschreven. De omschrijving van het onderzoek is op dit punt overbodig. Op het punt waarover deze beleidsregel gaat , artikel 26 lid 5 van de verordening , heb je reeds bepaald dat er niet voldoende eigen kracht , sociaal netwerk , geen algemene of andere wet is waar een beroep op gedaan kan worden. In het derde puntje staat: “Een pgb voor de inzet van een informele hulp kan alleen verstrekt worden indien dit leidt tot betere en efficiëntere hulp en indien deze doelmatiger is dan wanneer wordt gekozen voor een zorgverlener buiten het sociale netwerk. De beoordeling hiervan is maatwerk”. Dit gaat verder dan de wettelijk gestelde eisen. Uit artikel 8. 1. 1. lid 2 sub c Jeugdwet blijkt dat naar het oordeel van het college gewaarborgd is dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige of zijn ouders van het budget willen betrekken , van goede kwaliteit is. De ondersteuning hoeft dus niet beter en efficiënter te zijn. De gestelde eisen gaan verder dan vastgelegd is in de Jeugdwet.
Artikel 7. 4. 2b In dit artikel worden de termen ‘pgb-beheerder’ en ‘budgethouder’ door elkaar gebruikt. Om onduidelijkheid of verwarring te voorkomen , wordt geadviseerd geen verschillende termen voor hetzelfde begrip te gebruiken. Pgb-beheerder is de term die in deze beleidsregel wordt aangehaald. Geadviseerd wordt daar bij aan te sluiten.
5.
Afsluitende opmerkingen
In het voorgaande zijn de VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING Hardenberg 2023 , de Beleidsregels Wmo Gemeente Hardenberg 2023 , de VERORDENING JEUGDHULP Gemeente Hardenberg 2023 en de Beleidsregels Jeugdhulp gemeente Hardenberg tegen het licht gehouden.
Gebleken is dat er wat op- of aanmerkingen te maken zijn over de inhoud van de genoemde regelingen. De ene opmerking heeft minder vergaande consequenties , zoals bijvoorbeeld de hoeveelheid keren dat er verwezen wordt naar de Wmo waar het Wmo 2015 zou moeten zijn. Dit betreft een juridisch-technische kwaliteitsslag. Mocht dat ooit ter sprake komen in een zaak , dan zal het naar alle waarschijnlijkheid worden afgedaan als een kennelijke verschrijving en hooguit ietwat knullig over komen. Andere opmerkingen daarentegen vereisen snellere en adequatere maatregelen. Kortom , het is zaak om op korte termijn de inhoud van dit advies binnen verschillende geledingen van de gemeente ter sprake te brengen om aldus de wenselijkheid van al dan niet snelle actie te
bespreken. Afhankelijk van de kennis die de gemeente Hardenberg in huis heeft en de vraag in hoeverre er uren vrijgemaakt kunnen worden om genoemde regelingen aan te passen , ben ik van mening dat een en ander wel intern op te lossen is. Wanneer er overgegaan wordt tot aanpassingen van de verordeningen en beleidsregels is het nog wel raadzaam om na te denken over het volgende: •
Wil je bepaalde eisen optuigen als een dwingende grond waarbij geen keuze meer is , of als beleidsbevoegdheid waarbij het college nog een belangenafweging kan maken? Bij beleidsregels is de verplichting tot onderzoek of er geen bijzondere omstandigheden zijn waarom in dat specifieke geval van de beleidsregels moet worden afgeweken ten gunste van de inwoner (inherente afwijkingsbevoegdheid).
•
Beleidsregels zijn regels die uitleggen hoe het college een bepaalde bevoegdheid interpreteert en toepast. De norm waarop die uitleg wordt gebaseerd staat in de verordening. Wanneer je besluit om de uitwerking (praktijk) te wijzigen , kun je overgaan tot aanpassen van de beleidsregels in plaats van aanpassing van de verordening , uiteraard binnen de kaders van die verordening.
•
Wanneer nog niet direct wordt overgegaan tot aanpassing van de VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING Hardenberg 2023 adviseer ik vooruitlopend op de aanpassing wel het pgb-tarief voor informele ondersteuning (huishoudelijke hulp en begeleiding) aan te houden conform uitspraken van de CRvB.
•
Stem de verordeningen en beleidsregels af op/met de uitvoering (Samen Doen).
Toelichting grondslagen In dit document kunt u secties vinden die onleesbaar zijn gemaakt. Deze informatie is achterwege gelaten op basis van de Wet open overheid (Woo). De letter die hierbij is vermeld correspondeert met de bijbehorende grondslag in onderstaand overzicht.
J Art. 5.1 lid 2 sub e Het belang van de openbaarmaking van deze informatie weegt niet op tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen