CConstaterende datHardenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Juridische toets verordening en beleidsregels gemeente Hardenberg 2023 (geanonimiseerd)

gemeenteraad 16 december 2025, gemeente HardenbergBij agendapunt: Vaststellen Verordeningen maatschappelijke ondersteuning 2026 en jeugdhulp 202616.181 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Adviesrapport

Juridische toetsing: e

_ VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING Hardenberg 2023 Beleidsregels

e e

_

e

Opgesteld

door

Wmo

gemeente Hardenberg 2023

Hardenberg 2023 Beleidsregels Jeugdhulp gemeente Hardenberg 2023

mr.

JEUGDHULP Gemeente

(geanonimiseerd)

Dienstverlening info@ttn-juridischedienstverlening.nl

TTN

Juridische

VERORDENING

Ne

nd

_< _

Juridische

Dienstverlening

Advies

Voor:

gemeente Harderberg Mevrouw

(geanonimiseerd)

Mevrouw

(geanonimiseerd)

(geanonimiseerd)

mr. (geanonimiseerd) TTN Juridische Dienstverlening

Datum:

28

september 2023 screening van de volgende documenten: Verordening maatschappelijke ondersteuning Hardenberg 2023; Beleidsregels Wmo Gemeente Hardenberg 2023; Verordening Jeugdhulp gemeente Hardenberg 2023; Beleidsregels Jeugdhulp gemeente Hardenberg 2023;

Inzake:

e e e

e

Achtergrond De

en

adviesvraag

gemeente Hardenberg heeft

een aantal van haar medewerkers de opdracht gegeven tot verordeningen en beleidsregels op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Jeugdwet. Door een capaciteitsprobleem is de verordening niet, of niet afdoende, juridisch getoetst.

het maken

U hebt

van

in 2022

de

mij opdracht gegeven deze juridische

toets te verrichten.

volgende opbouw. De artikelen waar op- en/of aanmerkingen bij te plaatsen zijn, artikelsgewijs aangehaald. Eerst wordt ingegaan op de VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING Hardenberg 2023 (onder 1). Vervolgens adviseer ik over de Beleidsregels Wmo Gemeente Hardenberg 2023 (onder 2). Daarna wordt ingegaan op de VERORDENING JEUGDHULP Gemeente Hardenberg 2023 (onder 3). Als laatste worden de opmerkingen over de Beleidsregels Jeugdhulp gemeente Hardenberg vermeld (onder 4). Dit advies zal worden afgesloten met enkele afsluitende opmerkingen (onder 5). Dit advies

worden

Voor

heeft de

in dit advies

de

goede

waarover

orde wijs ik er wellicht ten overvloede op dat ik slechts die artikelen zal aanhalen ik iets te zeggen heb. Hetgeen ik niet noem, kan mijns inziens blijven zoals het is, tenzij —

—

bepaalde dingen worden veranderd die ik wél aanhaal, aanhaal, ook moeten worden aangepast. Voorts

wijs ik er

eveneens

ten

overvloede

bepaalde

andere

dingen,

die ik niet

op dat ik me bij het toetsen van de diverse beperkt tot een juridische toets. Er zijn bij het lezen eveneens verschillende grammaticale foutjes aangetroffen die ik niet aanhaal, maar die mijns inziens wel zouden moeten worden gecorrigeerd bij een wijziging van de betreffende verordening of beleidsregels. Ik ben van mening dat een instituut als de gemeente, in haar officiële publicaties, dient te streven naar zo min mogelijk schrijffouten. stukken heb

—

wellicht

daarmee

—

1.

VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING Hardenberg 2023

Artikel 1: De volgorde van definities is alfabetisch; daar voldoet de verordening aan. Over het algemeen worden definities echter niet voorafgegaan door letters (a. , b. , c. enz.) , maar door gedachtestreepjes. Een van de redenen daarachter is dat , als op een later moment onverhoopt blijkt dat er een extra definitie toegevoegd zou moeten worden of er een definitie kan vervallen , een omnummering (of ‘omlettering’) dan niet nodig is , maar een nieuwe definitie gewoon kan worden tussengevoegd of worden verwijderd. Daarnaast mag de definitie geen materiële norm bevatten. Materiële normen zou je kunnen zien als regels waaraan iets of iemand moet voldoen op grond van de verordening. Die horen niet in definities maar verderop in de verordening. Een definitie hoort beschrijvend te zijn , niet voorschrijvend.

Inhoudelijk: C luidt nu: “budgetplan: door de inwoner ingediend inhoudelijk plan met begroting en doelen voor de invulling van het pgb. Uit het plan en het (bewuste keuze)gesprek dient te blijken dat de inwoner of zijn pgb-beheerder in staat is om het pgb te beheren en dat de zorg en ondersteuning die met het

pgb wordt ingekocht veilig , doeltreffend en inwonergericht wordt verstrekt;” Het onderstreepte deel van deze definitie bevat een materiële norm. Het is immers een beschrijving van de voorwaarden waaraan het plan moet voldoen. Dát is echter iets voor verderop in de verordening , waar de eisen worden gesteld aan een budgetplan. D luidt nu: “cliëntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie , advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het

verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning , preventieve zorg , zorg , jeugdhulp , onderwijs , welzijn , wonen , werk en inkomen. ” Wanneer een term in de wet wordt gebruikt en/of gedefinieerd , hoeft deze niet herhaald te worden in de verordening. Bovendien ondervangt Hardenberg , in lid 2 van artikel 1 , het gebruik van wettelijke termen. I luidt nu: “gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag

worden verwacht van de echtgenoot , ouders , inwonende kinderen of andere huisgenoten;” Ook hier is sprake van een term die in de wet wordt gedefinieerd en derhalve niet herhaald hoeft te worden. K. luidt nu: “ondersteuningsplan: het plan dat het Samen Doen team in samenspraak met de inwoner dan wel diens vertegenwoordiger , en waar mogelijk met de mantelzorger(s) , opstelt met betrekking tot de benodigde zorg en ondersteuning. Het beschrijft de ondersteuning die de inwoner nodig heeft en daarin concreet wat het te behalen resultaat of doel is met deze ondersteuning;” Het onderstreepte deel van deze definitie bevat een materiële norm. Het is immers een beschrijving van de voorwaarden waaraan het ondersteuningsplan moet voldoen. Dát is echter iets voor verderop in de verordening , waar de eisen worden gesteld aan een ondersteuningsplan. M luidt nu: “hulpmiddel: het gaat hier om allerlei roerende zaken , die bedoeld zijn om beperkingen in zelfredzaamheid en participatie weg te nemen of te verminderen. Roerende zaken zijn alle zaken die niet onroerend zijn. Voorbeelden zijn een losse drempelhulp , een tillift , een rolstoel , een scootmobiel en een aangepaste fiets;”

Ook hier is sprake van een term die in de wet wordt gedefinieerd en derhalve niet herhaald hoeft te worden. Daarnaast geeft deze bepaling voorbeelden van hulpmiddelen , maar dat kan achterwege blijven. P luidt: “inwoner: Ingezetene van de gemeente Hardenberg door of namens wie de hulpvraag gemeld is of een inwoner die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening is verstrekt. ” In de verordening/definities is niet terug te vinden wat er wordt verstaan onder een ‘ingezetene’. Je zou bijvoorbeeld eerst in de definities kunnen bepalen: “ingezetene: inwoner die hoofdverblijf heeft in de gemeente Hardenberg” om vervolgens later naar ‘ingezetene’ te kunnen verwijzen; T luidt: “persoonsgebonden budget (ook wel pgb genoemd): bedrag waarmee namens het college betalingen worden gedaan voor diensten , hulpmiddelen , woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren en die een inwoner van derden wil

ontvangen;” Ook hier is sprake van een term die in de wet wordt gedefinieerd en derhalve niet herhaald hoeft te worden. In de verordening van Hardenberg wordt echter de afkorting ‘pgb’ gebruikt. Daarom is het handig om in de verordening op te nemen ‘pgb: persoonsgebonden budget zoals bedoeld in de wet. ” In definities mag je een afkorting gebruiken. Z luidt: “woonvoorziening: Een voorziening die inwoner in staat stelt om normaal gebruik te (blijven) maken van hun woning. Voorbeelden zijn: woningaanpassingen , verhuiskostenvergoeding , losse woonvoorzieningen(zoals een tillift of douchestoel) en woonvoorzieningen van niet-bouwkundige of

niet-woontechnische aard;” Het is niet nodig voorbeelden te geven. Maar als je daar dan wel voor kiest , doe dat dan zorgvuldig. Zo is hier als voorbeeld een tillift genoemd die eerder ook al genoemd staat onder ‘hulpmiddelen’. dd luidt: “hulpverleningsplan: het plan dat door de aanbieder samen met de inwoner wordt opgesteld waarin duidelijke afspraken over de levering van de hulp of ondersteuning (inclusief methodieken en interventies) worden opgenomen ten behoeve van het realiseren van de doelen. ” Het onderstreepte deel van deze definitie bevat een materiële norm. Het is immers een beschrijving van de regels waaraan het hulpverleningsplan moet voldoen. Dat is echter iets voor verderop in de verordening , waar de eisen worden gesteld aan een hulpverleningsplan. Hoofdstuk 2: De titel van hoofdstuk twee luidt ‘melding en vooronderzoek’. Er staan echter geen artikelen in over het vooronderzoek. Het verdient aanbeveling om dit dan ook niet te noemen in de titel van het hoofdstuk. Artikel 3. 1: Lid 1 van artikel 3. 1 luidt momenteel: “Het Samen Doen team onderzoekt namens het college in een gesprek samen met de inwoner , en/of zijn vertegenwoordiger , die de melding heeft gedaan , zo spoedig mogelijk na ontvangst van de melding: a. wat de hulpvraag is van de inwoner; b. de behoeften , persoonskenmerken en de voorkeuren van de inwoner; c.

de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

d.

e.

f.

g.

de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de inwoner; de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid , jeugdhulp , onderwijs , welzijn , wonen , werk en inkomen te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid , zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang;

h. i.

welke hulp nodig is in vorm , duur en frequentie; welke bijdragen in de kosten de inwoner met toepassing van artikel 2. 1. 4a van de wet verschuldigd zal zijn.

Het verdient aanbeveling om , wanneer besloten wordt tot aanpassing van de verordening , de formulering van dit artikel zodanig te verwoorden dat erin staat dat bepaalde factoren – bijvoorbeeld die nu in dit artikellid staan – in elk geval onderdeel zullen uitmaken van het onderzoek. De huidige formulering van het artikellid beperkt het onderzoekvraagstuk tot de opsomming. Betoogd zou kunnen worden dat een dergelijke beperking niet wenselijk is.

Lid 2 van artikel 3 luidt: “Tijdens het gesprek wordt aan de inwoner in begrijpelijke bewoordingen medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor zorg in natura , een financiële tegemoetkoming of pgb en wat de gevolgen van die keuze zijn. ” Hier staat dat de inwoner kan kiezen voor een ‘financiële tegemoetkoming’. Is dat een (politieke) keuze van Hardenberg? In de verordening staat een aantal bedragen genoemd die een financiële tegemoetkoming zijn. Dit is een geldbedrag dat een inwoner krijgt als tegemoetkoming in de kosten die gemaakt worden om een voorziening aan te schaffen of hulp te organiseren. De inwoner is vrij om zelf een aanbieder of leverancier te kiezen en afspraken te maken over de invulling van de te leveren zorg dan wel voorziening. Die bedragen wordt niet in pgb vorm verstrekt. Het is wel gebruikelijk om een financiële tegemoetkoming op te nemen , bijvoorbeeld voor verhuis- en inrichtingskosten. Er is echter geen keuze voor de inwoner om deze voorziening in de vorm van een pgb te krijgen als dit in de verordening is opgenomen als een financiële tegemoetkoming. Artikel 4. 2: Toegang en besluit Dit artikel luidt: “1. Het college legt het besluit op een aanvraag maatwerkvoorziening vast in een beschikking. 2.

De inwoner moet zich , indien van toepassing , binnen drie maanden na de besluitdatum hebben gemeld bij de aanbieder van de maatwerkvoorziening of het pgb binnen drie maanden gebruiken voor het doel of resultaat waarvoor het is verstrekt”. In dit artikel staat niets over de toegang. Is er een reden dat dit artikel , ‘toegang en besluit’ is opgenomen in de verordening vóór het artikel over de inhoud van de beschikking? Zowel artikel 4. 2 als de hoofdstukken 5 en 6 zijn onderdelen die aan de orde zijn voordat het gaat over het besluit. In verband met de leesbaarheid en de logische volgorde van de verordening , verdient het aanbeveling om genoemde artikelen naar voren te halen en te plaatsen vóór het artikel over (de toegang en) besluit.

Artikel 4. 3: Artikel 4. 3 lid 3 luidt: “Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura vermeldt de beschikking in ieder geval: a. welke maatwerkvoorziening verstrekt wordt en wat de omgang en het beoogde resultaat of doel daarvan is; b. of de maatwerkvoorziening in bruikleen of in eigendom wordt verstrekt; c. de ingangsdatum en de duur van de verstrekking; d. indien van toepassing de termijn van drie maanden waarbinnen de inwoner zich bij de aanbieder moet hebben gemeld als bedoeld in artikel 4. 2 lid 2 van deze verordening; e. of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten , zoals de kostprijs van de voorziening; Hetgeen vermeld staat in sub b. (of de maatwerkvoorziening in bruikleen of in eigendom wordt vertrekt) kan niet bij elke beschikking benoemd worden. Zo kan de voorziening ‘begeleiding individueel ontwikkelingsgericht’ niet in bruikleen of eigendom worden verstrekt. Het artikel vereist dit echter wel. Bij de beschikkingen waar dit niet in staat kom je de bepaling uit deze verordening niet na.

Lid 5 , sub b van artikel 4. 3 luidt: “Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb of financiële tegemoetkoming vermeldt de beschikking in ieder geval: b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb of tegemoetkoming”; De CRvB heeft geoordeeld dat er bij een financiële maatwerkvoorziening (tegemoetkoming) geen kwaliteits- en verantwoordingseisen worden gesteld , die wel aan een pgb gesteld horen te worden. Bovendien is de SVB niet bij de realisering van het pgb betrokken (ECLI:NL:CRVB:2018:1961). Daarnaast zijn er in de verordening geen kwaliteitseisen opgenomen bij de financiële tegemoetkomingen. Als die kwaliteitseisen in de verordening ontbreken , kunnen die ook niet in de beschikking worden vastgelegd. Artikel 6. 2: Artikel 6. 2 lid 3 sub g en h luiden nu: “Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt: g. als de voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de inwoner rekening had gehouden met bestaande en bekende beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan. h. als het college van oordeel is dat een inwoner zijn hulpvraag redelijkerwijs van te voren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen , kan het college besluiten dat de inwoner niet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid of participatie”. Hier staat min of meer hetzelfde. Artikel 6.

2 lid 3 sub k en j luiden nu: “Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt: J. als de inwoner de gevraagde voorziening voor de melding van de hulpvraag of vóór de beslissing op de aanvraag heeft gerealiseerd of geaccepteerd , tenzij er naar het oordeel van het college sprake is van een acute noodsituatie waardoor het voor de inwoner dringend noodzakelijk was de voorziening te treffen. K. als de inwoner de gevraagde voorziening na de melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd , tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven of de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan

beoordelen”. Sub k haalt sub j onderuit. In sub j is de periode: voor de melding of voor de beslissing op de aanvraag.

In sub k is de periode: na de melding of voor de beslissing op de aanvraag. Door sub j niet af te bakenen tot enkel voor de melding moet je dus de gehele periode tot aan de besluitdatum overwegen. Die periode staat ook bij sub k. Ik zou adviseren om sub j te herschrijven naar bijvoorbeeld: “als de inwoner de gevraagde voorziening voor de melding heeft gerealiseerd of geaccepteerd , tenzij er sprake is van een acute noodsituatie waardoor het voor de inwoner dringend noodzakelijk was de voorziening te treffen”.

Lid 5 luidt: “De inwoner mag gedurende de looptijd van zijn maatwerkvoorziening wisselen tussen de gecontracteerde aanbieders van diensten(begeleiding en huishoudelijk hulp). Inwoner moet daarvoor een opzegtermijn van één kalendermaand in acht nemen en gemotiveerd aangeven aan het college waarom hij wil wisselen van aanbieder. De opzegtermijn gaat in op de eerste dag van de kalendermaand volgend op de kalendermaand waarin de opzegging is gedaan. De inwoner neemt hiervoor contact op met de nieuwe aanbieder en de scheidende aanbieder”. Ik vraag me af of de gemeente dit in de verordening mag opnemen. Extra voorwaarden Leg je in de verordening vast dat een inwoner maar één keer mag overstappen , en een opzegtermijn van een maand heeft , dan beperk je eigenlijk het gebruik van een maatwerkvoorziening. Het is maar de vraag in hoeverre een rechter daarmee zal instemmen. Reden om voorzichtig te zijn met het vastleggen in de verordening. Het opnemen in beleidsregels kan uiteraard wel. Te bereiken resultaat Daarnaast is het de vraag of de gemeente met een dergelijke bepaling het gewenste resultaat bereikt. De groep die beschreven wordt heeft niet alleen een probleem met het huishouden , maar ook een sociaal of een communicatieprobleem. Ik verwacht niet dat je die kunt sturen door een dergelijke bepaling in de verordening.

Maar ook al neem je het op , dan nog zul je in de individuele situatie een dossier moeten opbouwen als gemeente. Je kunt immers niet zomaar een maatwerkvoorziening stopzetten. Ook niet als er meer dan eens wordt gewisseld , of iemand zich niet houdt aan de opzegtermijn. Je kunt daarvoor beter intern een werkinstructie maken voor deze situaties. Bijvoorbeeld door een eerste wijziging direct vast te leggen. Je kunt deze gelijk met de inwoner bespreken , en zo nodig bevestigen met een brief. Dat hoeft uiteraard niet met een gewone wijziging , omdat de andere aanbieder geen hulp heeft op de gewenste dag bijvoorbeeld. Het gaat alleen om diegenen waar het probleem bij de inwoner ligt. Elke klacht van de zorgaanbieder leg je vast , je hebt (veelvuldig) contact met de inwoner. Je bevestigt gesprekken of mededelingen van de zorgaanbieder schriftelijk aan de inwoner. Je kunt hem ook alvast waarschuwen , bijvoorbeeld dat de huidige aanbieder de laatste is. Alleen met een dergelijk dossier kun je de maatwerkvoorziening uiteindelijk beëindigen. Tenzij sprake is van ernstig grensoverschrijdend gedrag , dan kan het mogelijk al gelijk. Het opnemen in de verordening betekent niet dat je deze aanpak achterwege kunt laten. Zonder dossier sta je als gemeente bijzonder zwak bij de rechtbank.

Waarom zou je het dan in de verordening opnemen? Ik zou adviseren om het niet in de verordening op te nemen. In beleidsregels

of een werkinstructie kan dat wel.

Artikel 6. 3-6. 10 (algemeen) In de artikelen die de aanvullende criteria bevatten is veel vastgelegd. De hiërarchie van rechtsnormen is als volgt: Internationaal niveau: Het internationale verdrag De Grondwet Landelijk niveau: (algemeen verbindende De formele wet (zoals de Wmo 2015) voorschriften) Een algemene maatregel van bestuur Gemeentelijk niveau: Een materiele wet Een gemeentelijke verordening (raad)

Nadere regels van het college Beleidsregels van het college De beleidsnotitie Een werkinstructie op uitvoerend niveau Ongeschreven bestendig uitvoeringsbeleid. Artikel 2. 1. 3 lid 2 Wmo 2015 schrijft o. a. voor dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid , participatie , beschermd wonen op opvang in aanmerking komt. Dit is bepaald in artikel 6. 1 en 6. 2 van de verordening. Géén algemeen verbindende voorschriften:

Vaak bevatten de beleidsregels een nadere uitwerking van voorzieningen/resultaatsgebieden. Onderwerpen die geregeld in beleidsregels worden uitgewerkt , zijn gebruikelijke zorg en de normtijden voor hulp bij het huishouden. De aanvullende criteria die in de verordening staan kunnen ook opgenomen worden in een beleidsregel. Dit heeft als voordeel dat ze , bij een wijziging van kaders enkel naar het college toe hoeven. De aanvullende criteria kunnen overigens wel opgenomen worden in de verordening. Het is van belang dat de uitvoering al deze stappen naloopt. Artikel 6. 3 Lid 1 luidt: “In aanvulling op de criteria uit de artikelen 6. 1 en 6. 2 kan een inwoner na onderzoek begeleiding individueel ontwikkelingsgericht krijgen als hij eveneens voldoet aan de volgende criteria: • de inwoner ondervindt beperkingen in zijn zelfredzaamheid en/of participatie en door het krijgen van deze begeleiding verbetert zijn zelfredzaamheid en participatie; • er is gebleken dat progressie of vooruitgang mogelijk is; • de inwoner moet zonder deze begeleiding verblijven in een instelling of verwaarloost thuis , en;

de inwoner geen recht heeft op een indicatie vanuit andere voorliggende wetgeving (bijvoorbeeld de Wet langdurige zorg (Wlz) of Zorgverzekeringswet (Zvw)”. 2 Lid luidt: “In aanvulling op de criteria uit artikelen 6. 1 en 6. 2 kan een inwoner na onderzoek begeleiding individueel stabilisatie krijgen als hij eveneens voldoet aan de volgende •

criteria: •

• •

de inwoner ondervindt beperkingen in zijn zelfredzaamheid en/of participatie en door het krijgen van deze begeleiding worden de vaardigheden van de inwoner behouden en wordt achteruitgang voorkomen; de inwoner heeft een licht tot matig complexe hulpvraag , die niet door de lokale basiszorg of andere voorliggende voorzieningen opgepakt kan worden; een matig tot goede voorspelbaarheid van de hulpvraag. Onverwachte hulpvragen zijn planbaar en uitstelbaar tot volgende contactmomenten of telefonisch contact tijdens kantooruren , en;

de inwoner geen recht heeft op een indicatie vanuit andere voorliggende wetgeving (bijvoorbeeld de Wet langdurige zorg (Wlz) of Zorgverzekeringswet (Zvw)”. Deze bepalingen staan ook in de beleidsregels. Een uitwerking van de maatwerkvoorziening is meer op zijn plaats in de beleidsregels. •

Artikel 6. 3 lid 4 luidt: “Onverminderd artikel 2.3.6 , tweede en vijfde lid , van de wet verstrekt het college geen begeleiding individueel voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt. ” Hier staat dat begeleiding individueel niet wordt verstrekt voor zover de kosten betrekking hebben op kosten die zijn gemaakt voor de aanvraag. Dit is een andere termijn dan in artikel 6. 2 lid 3 sub j en sub k staat. In art. 6. 2 wordt weliswaar gesproken over ‘de voorziening’ , hetgeen niet nader wordt uitgewerkt , maar ook hier , in 6. 3 lid 4 , hebben we het over een maatwerkvoorziening. Ik adviseer de artikelen op elkaar af te stemmen. Bij de huidige formulering van dit artikel zou het kunnen voorkomen dat iemand , die al langer begeleiding ontvangt , korter dan 8 weken van tevoren een melding doet waardoor de maatwerkvoorziening verloopt tijdens het onderzoek. Voor de inwoner (en de gemeente) is het van belang dat de zorg doorloopt. Op basis van dit artikel kan dat niet omdat deze termijn is uitgesloten.

Artikel 6. 4 Lid 1 luidt: “In aanvulling op de criteria uit de artikelen 6. 1 en 6. 2 kan een inwoner in aanmerking komen voor begeleiding groep ontwikkelingsgericht als hij eveneens voldoet aan de volgende criteria: a. de inwoner ondervindt beperkingen in zijn zelfredzaamheid en/of participatie en door deelname aan dagactiviteiten behoudt of mogelijk verbetert hij zijn zelfredzaamheid en participatie , en; b. de inwoner kan (nog) geen (aangepast) werk of vrijwilligerswerk verrichten; c. de inwoner beschikt (nog) niet over arbeidsvermogen , of; d. de inwoner moet zonder dagactiviteiten verblijven in een instelling of verwaarloost thuis , en; e. de inwoner heeft of kan geen indicatie vanuit andere voorliggende wetgeving (bijvoorbeeld de Wet langdurige zorg (Wlz) of Zorgverzekeringswet (Zvw) krijgen; f. de inwoner ondersteuning en groepsbegeleiding nodig heeft om tot maatschappelijke participatie en zelfredzaamheid te komen , de schoolgang te herstellen/starten en te profiteren van effecten op hun welbevinden en welzijn; g. de verwachting is dat inwoner in groepsverband beter de gestelde doelen kan behaald; h. de inwoner ondersteuning nodig heeft om vaardigheden aan te leren die noodzakelijk zijn om uitstroom vanuit de maatwerkvoorziening naar een vervolgplek mogelijk te maken”. Dit artikel is erg moeilijk leesbaar.

Zo gaat het in a over ‘en’ , c over ‘of’ , d over ‘en’ en bij de overige staat helemaal niks. Het is vrij onduidelijk aan welke criteria voldaan moet worden. In lid 2 staat vervolgens dat iemand moet voldoen aan de eisen uit lid 1 a t/m e , maar dat kan niet als er in lid 1 a t/m e ook “of”-criteria staan.

Artikel 6. 4 lid 5 luidt: “Onverminderd artikel 2.3.6 , tweede en vijfde lid , van de wet verstrekt het college geen begeleiding groep voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt”. Hier staat dat begeleiding groep niet wordt verstrekt voor zover de kosten betrekking hebben op kosten die zijn gemaakt voor de aanvraag. Dit is een andere termijn dan in artikel 6. 2 lid 3 sub j en sub k staat. In art. 6. 2 wordt weliswaar gesproken over ‘de voorziening’ , hetgeen niet nader wordt

uitgewerkt , maar ook hier , in 6. 3 lid 4 , hebben we het over een maatwerkvoorziening. Ik adviseer de artikelen op elkaar af te stemmen. Artikel 6. 5 Aanvulling op criteria uit artikelen 6. 1 en 6. 2. Beschermd wonen en maatschappelijke opvang lijkt centraal geregeld in Zwolle. In de verordening kan volstaan worden met: “Het college verstrekt de voorzieningen opvang en beschermd wonen volgens het daartoe vastgesteld beleid van de centrumgemeente [Naam centrumgemeente] , de geldende verordening maatschappelijke ondersteuning en de daarop gebaseerde nadere regels en/of beleidsregels maatschappelijke ondersteuning van deze centrumgemeente. ” Artikel 6. 6 Lid 2 luidt: “Een woonvoorziening wordt slechts verstrekt voor de woning waar de inwoner zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben. Ook bij co-ouderschap is er sprake van één hoofdverblijfplaats”. Het is correct dat bij co-ouderschap altijd maar één gemeente verantwoordelijk voor een eventuele woningaanpassing of de toekenning van hulpmiddelen. Verblijft het kind in verschillende gemeenten , dan kan de verantwoordelijke gemeente de verplichting hebben om in 2 gemeenten maatwerkvoorzieningen toe te kennen. Een kind heeft recht op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders (artikel 1:247BW). Daarnaast moet het belang van het kind voorop staan bij alle maatregelen die kinderen aangaan (artikel 3 lid 1 IVRK).

Uitgangspunt is dus dat een kind bij beide ouders moet kunnen verblijven en participeren. Daardoor kan het zo zijn dat de gemeente soms dubbele voorzieningen moet verstrekken. Wanneer de achterliggende gedachte van deze bepaling is dat er geen woonvoorziening wordt verstrekt wanneer er geen sprake is van een hoofdverblijf , dan zal de bepaling vermoedelijk stand houden (omdat dan de gemeente aan zet is waar het kind wel het hoofdverblijf heeft). Artikel 6. 7 De aanhef van artikel 6. 7 lid 1 luidt: “In aanvulling op de criteria uit artikel 6.1 , 6. 2 en 6. 6 komt een inwoner in aanmerking voor een woningaanpassing en woonvoorziening van niet-bouwkundige aard als:” Volgens de definitie valt ‘woningaanpassing’ onder het begrip ‘woonvoorzieningen’ , evenals het de woonvoorziening van niet-bouwkundige aard. Advies is om dit mee te nemen als juridisch technische aanpassing van de verordening. Artikel 6. 8: Artikel 6. 8 lid 1 sub c luidt: “te kunnen deelnemen aan activiteiten , al dan niet in de vorm van een algemene voorziening , binnen zijn leefomgeving. ” Het deel ‘al dan niet in de vorm van een algemene voorziening’ is overbodig , aangezien die afweging al in artikel 6. 1 wordt gemaakt. Artikel 7. 1: Artikel 7. 1 lid 2 sub o luidt: “de motivatie waarom het natura-aanbod van de gemeente niet passend is en een pgb gewenst is.

” Deze formulering gaat verder dan de formulering van de wet in 2. 3. 6 lid 2 sub b van de Wmo 2015: “de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als persoonsgebonden budget wenst geleverd te krijgen”. Voor de formulering zoals Hardenberg die hier gebruikt , ontbreekt de wettelijke grondslag.

Lid 3: De informele ondersteuner en/of pgb-aanbieder legt met de inwoner vast… Dit is niet wenselijk. Een zorgverlener kan namelijk niet kritisch en met voldoende afstand ook de pgb-beheerstaken uitvoeren. Artikel 7. 2 Artikel 7. 2 lid 1 luidt: “Naast de criteria uit artikel 7. 1 van deze verordening , wordt van de inwoner verwacht dat hij eerst een beroep doet op zijn sociale netwerk , tenzij dit niet mogelijk is. Er wordt geen pgb verstrekt waarvan het gebruikelijk is dat de activiteiten door het sociaal netwerk worden verricht , zoals: a. (sociale) activiteiten ondernemen met de inwoner; b. het doen van de boodschappen; c. lichte huishoudelijke taken; d. het maken van afspraken en/of het meegaan naar afspraken met specialisten; e. vervoer naar afspraken met specialisten”. Hetgeen in dit artikellid staat , wordt al beoordeeld bij artikel 6. 1. Dit onderdeel toets je hier niet opnieuw. Er zal onderzocht moeten worden of het sociaal netwerk de gestelde taken ook nog wil doen zonder betaling. Als iemand vanuit het sociaal netwerk het niet onbetaald wil doen en dus niet beschikbaar is , kun je dit niet afdwingen. Wat als de inwoner het wel nodig heeft? Artikel 7. 3 Artikel 7.

3 lid 2 , aanhef en sub a luidt: “Het college acht een persoon niet in staat de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren indien bij hem sprake is van een of meerdere van de volgende omstandigheden: a. problematische schuldenproblematiek”; Artikel 2. 3. 6 lid 2 onderdeel a Wmo 2015 bepaalt dat een pgb kan worden verstrekt wanneer de cliënt op eigen kracht in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen dan wel dat hij dit met hulp uit zijn sociale netwerk of met een vertegenwoordiger kan. De wet staat vertegenwoordiging daarmee uitdrukkelijk toe. Schuldenproblematiek is op zichzelf dus geen grond om een pgb te weigeren. Als de cliënt met hulp van anderen wel in staat is om het pgb te beheren , dan is er geen reden voor weigering. Bovendien speelt schuldenproblematiek van de cliënt een steeds kleinere rol omdat hij niet meer zelf het geld op zijn rekening krijgt. Dit gaat immers via de SVB naar de zorgverlener. Onder de Wmo 2015 bestaat hierover echter nog geen jurisprudentie. Die is er al wel m. b. t. bewind: ECLI:NL:RBGEL:2019:4940. Het ligt in de lijn der verwachting dat een rechter inzake de Wmo 2015 op een gelijke wijze zal oordelen. Wanneer de inwoner voldoet aan de vereisten van artikel 2. 3. 6 lid 2 onder a van de Wmo 2015 kun je niet op een andere grondslag weigeren. Artikel 7.

3 lid 4 luidt: “Als pgb-beheer plaatsvindt door een professional , zoals een bewindvoerder , dan dient deze zijn diensten aan te bieden tegen marktconform tarief. Het college kan vragen om een bewijs van betaling. ” Hetgeen hier is bepaald , lijkt te impliceren dat die kosten voor pgb-beheer door de gemeente worden vergoed. Op welke grond vindt dit plaats? Artikel 7. 5 Artikel 7. 5 lid 6 luidt: “Voor zover de inwoner in zijn vervoersbehoefte kan voorzien door middel van collectief vervoer , wordt geen pgb verstrekt , omdat dit het voortbestaan van het systeem van collectief vervoer in gevaar brengt. ” Gezien hetgeen is bepaald in artikel 2. 3. 6 lid 2 sub a van de Wmo 2015 , zal deze bepaling in de verordening geen stand houden.

Artikel 7. 5 lid 6 luidt: “Onverminderd artikel 2.3.6 , tweede en vijfde lid , van de wet verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt. ” Dit artikel geeft aan dat geen pgb wordt verstrekt voor zover de kosten betrekking hebben op kosten die zijn gemaakt voor de aanvraag. Dit is een andere termijn dan in artikel 6. 2 lid 3 sub j en sub k staat. Ik adviseer de artikelen op elkaar af te stemmen. Artikel 7. 6 Artikel 7. 6 lid 2 aanhef en sub b luidt: “De hoogte van het persoonsgebonden budget voor diensten (waaronder begeleiding) is afgeleid van de tarieven waarvoor het college deze diensten heeft gecontracteerd (natura tarieven). Hierbij is rekening gehouden met overheadkosten en andere kostencomponenten. De hoogte van het pgb voor: a.

…

b.

informele ondersteuning voor diensten inzake begeleiding individueel en groep bedraagt maximaal 50% van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate maatwerk voorziening in natura met maximaal het tarief per uur voor een niet professionele zorgverlener zoals in artikel 5.22 , lid 1 van de Regeling Langdurige Zorg is vermeld , en tussenpersonen of belangenbehartigers niet uit het pgb worden betaald”. Dit lid zal aangepast moeten worden , omdat het maximale tarief uit artikel 5. 22 lid 1 van de Regeling Langdurige Zorg € 2298 , per uur is. N. a. v. de jurisprudentie wordt dit bedrag voor begeleiding € 2320. , Artikel 7. 6 lid 2 aanhef en sub f luidt: “De hoogte van het persoonsgebonden budget voor diensten (waaronder begeleiding) is afgeleid van de tarieven waarvoor het college deze diensten heeft gecontracteerd (natura tarieven). Hierbij is rekening gehouden met overheadkosten en andere kostencomponenten. De hoogte van het pgb voor: f. huishoudelijke hulp voor informele ondersteuning wordt gebaseerd op het wettelijk vastgesteld minimum uurtarief”. Deze bepaling zal , gezien de uitspraken van de CRvB op 16 augustus 2023 , geen stand houden bij de rechter.

Sub b en f kunnen vervangen worden door: “De hoogte van het pgb voor informele hulp is bij het bestaan van een dienstbetrekking gelijk aan de hoogste periodiek voor de benodigde hulp in de desbetreffende CAO , vermeerderd met de vakantiebijslag en tegenwaarde van de verlofuren”. Aanvullend: Het VNG gaat zich nog wel buigen over deze uitspraken. Zij vindt het onderscheid onduidelijk tussen het tarief voor een informele , niet gediplomeerde hulp en een beroepskracht. De CRvB gaat hier niet op in. De wetgever maakt volgens het VNG wel onderscheid tussen de beloning van een beroepskracht en een informele kracht. De VNG en het ministerie van VWS onderzoeken wat de implicaties zijn van de uitspraken van de CRvB. Het is uiteindelijk aan de wetgever om hervormingen door te voeren die de maatschappelijke ondersteuning betaalbaar houden voor de gemeenten. Ook heeft de wetgever de taak om in wetgeving nadrukkelijker vast te leggen wat een reële vergoeding voor professional en sociaal netwerk inhoudt. Artikel 7. 7 Artikel 7. 7 lid 5 luidt: “Er wordt geen pgb verstrekt voor collectief vervoer , omdat dit het voortbestaan van het systeem van het collectief vervoer in gevaar brengt. ” Hetgeen hier staat , is gelijk aan hetgeen staat in artikel 7. 5 lid 6; deze bepaling zal geen stand houden gezien artikel 2. 3. 6 lid 2 sub a Wmo 2015.

Artikel 9. 1 Artikel 9. 1 lid 3 aanhef en sub g luidt: “Het college kan een beslissing herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: g. er sprake van wangedrag is van een inwoner waardoor hulpverlening niet meer verstrekt kan worden”. Deze formulering zal vermoedelijk geen stand houden. In artikel 2. 3. 8 lid 3 Wmo 2015 is een algemene medewerkingsplicht vastgelegd. De cliënt is verplicht om de medewerking die nodig is voor de uitvoering van de Wmo 2015 te verlenen. De medewerkingsplicht ziet op alle denkbare vormen van medewerking. Het gaat om het verlenen van medewerking aan het onderzoek maar ook daarna. Hier zou het redelijk makkelijk opgelost kunnen worden door de formulering te wijzigen in: “g. er sprake is van schending van de medewerkingsplicht”. Artikel 10. 4: Op zich is een dergelijk artikel over de toezichthouder in de verordening mogelijk. Het is in ieder geval niet fout of onjuist. Het artikel dat is opgenomen , voegt aan de rechten en plichten van een inwoner op zich niets toe. Lid 1 en 2 zijn algemeen. De verplichting uit lid 3 staat ook in artikel 6. 1 Wmo 2015 , en de titel 5. 2 van de Awb. Kortom , op zich voegt het artikel niets toe. Maar het kan er prima in blijven staan. Wie weet , als iemand de verordening leest , dat hij of zij zich realiseert dat de gemeente toezicht houdt.

2.

Beleidsregels Wmo Gemeente Hardenberg

Beleidsregels kunnen in allerlei vormen bestaan. In de beleidsregels van de gemeente Hardenberg is gekozen voor een combinatie vorm: deels is er een verhalend karakter , deels in artikelvorm. Hierdoor is het document wat omvangrijker , maar betreft het tegelijkertijd een soort voorlichtingsmateriaal voor de inwoner. Inhoudelijk: Artikel 2. 2 De titel van dit artikel luidt: “2. 2. Hulpvraag in het kader van de Wmo (melding) (artikel 2. 1 Wmoverordening 2023)” Er staat ‘hulpvraag in het kader van de Wmo’ , dit moet de Wmo 2015 zijn. Dit is op meerdere plaatsen mis gegaan , zoals hierna zal blijken. Hoewel het op het eerste gezicht wellicht ietwat triviaal lijkt om een dergelijk onderscheid te maken en “op alle slakken zout te leggen” , is het juridisch wel degelijk erg belangrijk om te spreken van de Wmo 2015 i. p. v. Wmo. De reden daarvoor is als volgt. Bij het ingaan van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 – hetgeen overigens ook de officiële citeertitel is van deze wet en alleen al daarom aldus moet worden aangehaald – is de materie omtrent uitvoering van deze wet overgegaan naar de gemeenten. Voordien lag de uitvoering van de Wmo bij de rijksoverheid. De basis daarvan werd toentertijd gevormd door de Wet maatschappelijke ondersteuning uit 2007. De citeertitel van die wet was “Wet maatschappelijke ondersteuning” of “Wmo”.

Wanneer heden ten dage wordt verwezen naar de Wmo , wordt daarmee nog steeds gedoeld op de Wet maatschappelijke ondersteuning uit 2007. Vandaar dat het in onderhavige beleidsregels van belang is te spreken over de Wmo 2015. Artikel 2. 3 Zoals hiervoor aangegeven , wordt hier gesproken over Wmo waar het Wmo 2015 moet zijn. Hoofdstuk 3 Onderzoek en verslaglegging Onderdeel 4 ‘algemene voorziening’ luidt: “Een algemene voorziening is een aanbod van diensten of activiteiten dat zonder indicatie toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning. De meeste algemene voorzieningen zijn voor de inwoner die er gebruik van maakt gratis. Een inwoner die naar het oordeel van de gemeente voor een specifieke vorm van ondersteuning gebruik kan maken van een algemene voorziening , komt daarmee niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening voor die ondersteuning”. Hier staat dat de meeste algemene voorzieningen voor inwoners gratis zijn. De gemeenteraad moet een eventuele bijdrage voor algemene voorzieningen in de verordening regelen. Dit staat in artikel 2. 1. 4 lid 1 Wmo 2015. Voor zover mij bekend , zijn er geen algemene voorzieningen bij de gemeente Hardenberg die niet gratis zijn. Waar gesproken wordt (hier) over ‘de meeste algemene voorzieningen’ wordt gesuggereerd dat niet alle algemene voorzieningen gratis zijn.

Mocht dit dus het geval zijn , dan moet dat in de Verordening geregeld worden. Onder 6 luidt: “Wetten als de Wet langdurige zorg (Wlz) , de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Jeugdwet kunnen voorliggend zijn op ondersteuning vanuit de Wmo”. Zoals hiervoor aangegeven , wordt hier gesproken over Wmo waar het Wmo 2015 moet zijn.

Artikel 3. 2 In de uitleg staat dat , wanneer de oplossing van de bewoner wordt gevonden in iets anders dan in een maatwerkvoorziening , het ondersteuningsplan niet dient als aanvraag , tenzij de inwoner contact opneemt , waarna hij een apart ondersteuningsplan met aanvraagformulier ontvangt. In de verordening staat echter dat er een aanvraag kan worden ingediend na 6 weken na de melding. Op welke wijze kan die aanvraag dan worden ingediend? Waarom niet achter elk ondersteuningsplan een aanvraagformulier toevoegen , ongeacht of het voorliggend wordt opgelost of niet. Is dit een ontmoedigingsbeleid? Bovendien: bij een afwijzing van een voorziening (bijvoorbeeld omdat deze algemeen gebruikelijk is) moet er in principe een beschikking gestuurd worden , tenzij de inwoner afziet van een aanvraag en de melding gesloten kan worden. De inwoner moet wel in de gelegenheid gesteld worden om een aanvraag in te kunnen dienen. Artikel 5. 2 b. productomschrijving: Wasverzorging In dit artikel staat onder ‘b. ’ uitgelegd wat er bedoeld wordt met de wasvoorziening. De laatste zin van dit artikel luidt: “Hiervoor mag gebruik worden gemaakt van een algemene of voorliggende voorziening , zoals bijvoorbeeld een was- en strijkservice.

” De wasvoorziening wordt toch aangeboden als algemene voorziening? Of is er nog iets anders? Het staat in het onderdeel over “Algemene voorziening huishoudelijke hulp…” , hetgeen impliceert dat het inderdaad bij de wasverzorging gaat over een algemene voorziening. Toch wordt er – in die laatste zin – verwezen naar een “voorliggende voorziening , zoals bijvoorbeeld een was- en strijkservice. ” c. voorwaarden

De voorwaarden die in de beleidsregels staan waardoor een inwoner in aanmerking kan komen voor een algemene voorziening zijn behoorlijk uitgebreid. Om deze punten na te gaan is een onderzoek

noodzakelijk. Artikel 1. 1. 1. lid 1 Wmo 2015 bepaalt “Algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat , zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften , persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers , toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning”. Algemene voorzieningen zijn laagdrempelig toegankelijk. Met de activiteit of ondersteuning die via deze algemene voorzieningen wordt geboden kan een individuele inwoner (een deel van) zijn participatieproblemen verminderen of zijn zelfredzaamheid verhogen. In deze gevallen is het niet noodzakelijk een maatwerkvoorziening in te zetten of kan volstaan worden met een aanvulling op de algemene voorziening. Er zal altijd op individueel niveau onderzocht worden of de inwoner met de algemene voorziening voldoende resultaat kan behalen. Hier voldoet de beleidsregel niet aan. De voorwaarden zijn veel te uitgebreid voor een algemene voorziening. Een algemene voorziening dient toegankelijk te zijn voor iedere inwoner van de gemeente. De feitelijke uitvoering bepaalt of een voorziening een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening is. Een voorziening die als algemene voorziening bedoeld is , kan dus een maatwerkvoorziening zijn. Bijvoorbeeld doordat de behoeften en beperkingen van een cliënt toch worden onderzocht. Artikel 6.

1 Onderdeel goedkoopst compenserende voorziening Zowel in de verordening als in de beleidsregels valt op dat getracht is zoveel mogelijk eisen op te schrijven waaraan voldaan moet worden. In sommige gevallen leidt dat (ook) tot situaties waardoor juist een visieverschil kan ontstaan. In dit onderdeel van de beleidsregels is bijvoorbeeld opgenomen “Ook is het denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product , langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper

is. ” Dit kan in de uitvoering ingewikkeld zijn wanneer inwoners het niet eens zijn met de aangeboden voorziening. Wanneer je het houdt op de goedkoopst adequate voorziening kan nog steeds de voorziening verstrekt worden die hier beoogd wordt , alleen heb je dan de mogelijkheid tot ‘onderhandeling’ weg gelaten. Door de zinsnede , die hierboven wordt aangehaald , weg te laten , voorkom je dat je verzandt in een discussie en is Hardenberg degene die bepaalt wat ‘goedkoopste adequate oplossing’ is.

Onderdeel ‘andere wetgeving” Zoals hiervoor aangegeven , wordt hier gesproken over Wmo waar het Wmo 2015 moet zijn. Bij het onderdeel ‘Gericht op de persoon met beperkingen’ luidt de tekst over co-ouderschap: “Bij co-ouderschap , waarbij het kind verdeeld over de tijd bij beide ouders verblijft , wordt in beginsel slechts één voorziening verstrekt”. Van ouders wordt verwacht dat zij over roerende voorzieningen

onderling afspraken maken. Doordat in de beleidsregel ‘in beginsel’ is opgenomen blijft er ruimte voor verstrekking van een roerende voorziening aan de co-ouder indien het niet mogelijk is om de voorziening te delen en het niet dubbel verstrekken een probleem oplevert voor aanvaardbare participatie of zelfredzaamheid. N. b. : zie ook de opmerking in de verordening omtrent de gehoudenheid van de gemeente waar het kind staat ingeschreven om te zorgen voor verstrekking van hulpmiddelen in de gemeente waar de andere ouder woont. Onderdeel “Voorzienbaarheid” Zoals hiervoor aangegeven , wordt hier gesproken over Wmo waar het Wmo 2015 moet zijn. Onderdeel “Kosten voorafgaand gemaakt aan de melding en/of aanvraag” Zie hiervoor de opmerkingen bij de verordening. Artikel 6. 3 In de derde alinea begint de zin met: “Begeleiding Wmo…. ” dit kan het beste uitgewerkt worden naar “Begeleiding op grond van de Wmo 2015…. ” Idem in de vierde alinea. NB: De nummering is omgedraaid. Er staat nu eerst 6.2 , dan 6. 3 en dan 6. 2. 2. Bovendien staat later nog 2 keer 6. 3.

Artikel 6. 2. 4 Zoals hiervoor aangegeven , wordt hier gesproken over Wmo waar het Wmo 2015 moet zijn. In de laatste alinea van dit artikel staat: “In principe is het compenseren/oplossen van de problematiek vrijblijvend. Dat houdt in dat als de inwoner aangeeft niet met bepaalde problematiek aan de slag te willen , dit mogelijk is. Blijkt echter dat die dusdanige problematiek zodanig belangrijk is , dat dit het werken aan de andere problematiek belemmerd , dan zal de inwoner wel hieraan moeten werken. ” De maatwerkvoorziening betreft geen ondersteuning in een gedwongen kader. Wil de inwoner ergens niet aan werken , dan kan hij hiertoe niet gedwongen worden. Het kan wel tot gevolg hebben

dat een maatwerkvoorziening wordt afgewezen (na een aanvraag).

Artikel 6. 2. 5 Onderdeel “Gebruikelijke ondersteuning bij begeleiding” De gebruikelijke ondersteuning moet wel geboden kunnen worden. Stel dat één van de partners ernstig beperkt is en de ander heeft begeleiding nodig gedurende een korte periode. Bij de toepassing van deze beleidsregel zul je dan nog wel de evenredigheid moeten toetsen. De beleidsregel moet (zie 4:84 Awb) wel het doel dienen waarvoor die geschreven is. Dit kun je opnemen in een werkinstructie. Onderdeel “Wettelijk voorliggende voorzieningen” Iedereen is vrij om te kiezen om wel of niet aanvullend verzekerd te zijn. De gemeente moet noodzakelijke ondersteuning bieden , ook als een cliënt niet aanvullend verzekerd is. Of als een aanvullende verzekering de benodigde ondersteuning niet vergoedt. Zoals hiervoor aangegeven , wordt hier gesproken over Wmo waar het Wmo 2015 moet zijn (ook in het volgende onderdeel). Artikel 6. 2. 6.

a Onderdeel “Begeleiding individueel” Bij “Begeleiding individueel ontwikkelingsgericht” staat bij het tweede puntje “de ondervonden beperkingen niet op eigen kracht , met gebruikelijke ondersteuning , met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk en vrijwilligers , dan wel met gebruikmaking van algemene (gebruikelijke) voorzieningen en met algemeen gebruikelijke zaken of diensten kan verminderen of wegnemen , en;” Dit heb je echter al afgewogen omdat je bezig bent met de uitwerking van stap 5 van het stappenplan van de CRvB. Hetzelfde is aan de orde bij het onderdeel “Begeleiding individueel stabilisatiegericht” en bij “Begeleiding groep”. Kortom: dit aandachtspunt kan bij alle drie onderdelen vervallen. Onderdeel “begeleiding groep” In de verordening staat bij art 6. 4 lid 2 dat alle criteria uit lid 1 van a t/m e van toepassing zijn. Deze komen niet volledig overeen met de beleidsregels. Zo staat in de beleidsregel o. a. als los criterium het ontlasten van de mantelzorger , terwijl in de verordening naast de ontlasting van de mantelzorger ook aan de andere genoemde voorwaarden moet worden voldaan. De beleidsregels bieden derhalve meer mogelijkheden om aan ‘begeleiding groep’ deel te nemen dan op grond van de verordening mogelijk is. Artikel 6.

3 beschermd wonen Vanaf 1 januari 2015 zijn de centrumgemeenten in Nederland verantwoordelijk voor de uitvoering van beschermd wonen. Bezien moet worden of alle punten in deze beleidsregels overeenkomen met het beleid van de centrumgemeente. Dat is tijdens deze toetsing niet meegenomen. Op de website van GGDijsselland staat: “Gaat het om een eerste melding voor beschermd wonen? Dan bent u eerst bij de lokale toegang (het sociaal wijkteam) van uw gemeente geweest om hulp te vragen. Daar bleek dat beschermd wonen de beste en enige optie is. ” Het afwegingskader wanneer iemand volgens Samen Doen in aanmerking zou komen voor beschermd wonen is niet uitgewerkt in deze beleidsregels. Artikel 6. 3 huishoudelijke hulp (3x artikel 6. 3) Onderdeel a van dit artikel (“Productomschrijving: schoon en leefbaar huis”) is hetzelfde als artikel 5. 2 onderdeel a van deze beleidsregels. De voorwaarden die bij artikel 5. 2 onderdeel c van deze beleidsregel staan zouden m. i. bij dit artikel als voorwaarden voor de maatwerkvoorziening

huishoudelijke hulp moeten staan. Oftewel , de voorwaarden die bij artikel 5. 2 onderdeel c van deze beleidsregels staan , zijn hier wél op zijn plek en daar (bij artikel 5.2 , dus) niet. Artikel 7. 3 Dit artikel is een uitwerking van artikel 3. 1 lid 2 van de verordening. In de verordening wordt tevens gesproken over een keuze voor een financiële tegemoetkoming. Deze tegemoetkoming wordt hier niet benoemd. Overigens is de keuze die in de beleidsregel staat de correcte. Artikel 7. 3. 1 Hetgeen hier vermeld staat in de beleidsregels gaat verder dan de wettekst van art. 2. 3. 6 lid 2 sub b van de Wmo 2015: “de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als persoonsgebonden budget wenst geleverd te krijgen”. Het moet bijvoorbeeld voor een inwoner mogelijk zijn om te kiezen voor een andere zorgaanbieder dan die die gecontracteerd is door Hardenberg. De inwoner hoeft niet te stellen dat zorg in natura niet compenserend is. Artikel 7. 4. 1. a Onderdeel a , “Schuldenproblematiek”. In dit onderdeel wordt verwezen naar jurisprudentie op grond waarvan er geen sprake mag zijn van schuldenproblematiek en pgb beheer. Dit betreft jurisprudentie die tot stand is gekomen onder de oude Wmo. Artikel 2. 3.

6 lid 2 onderdeel a Wmo 2015 bepaalt dat “een pgb kan worden verstrekt wanneer de cliënt op eigen kracht , dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of met een vertegenwoordiger , in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen. ” Een gemeente is niet bevoegd om de weigeringsgronden voor een pgb in de gemeentelijke verordening uit te breiden. Schuldenproblematiek is op zich geen grond om een pgb te weigeren , als de cliënt met hulp van anderen in staat is om het pgb te beheren. Bovendien speelt schuldenproblematiek van een cliënt een steeds kleinere rol , omdat hij niet meer zelf het pgb-geld op zijn rekening krijgt. Dit gaat via de SVB naar de zorgverlener. De gemeente zal dus goed moeten onderzoeken of in een specifieke situatie het hebben van schulden moet leiden tot afwijzing van een pgb. In de overige onderdelen in dit artikel wordt genuanceerder uitleg gegeven aan de bekwaamheden van de inwoner dan wel de pgb beheerder dan uit de verordening blijkt. De uitleg in de beleidsregels is meer voor de hand liggend , omdat hier een bepaalde beoordelingsruimte is en niet een directe uitsluiting , zoals in de verordening wel staat.

Artikel 7. 4. 2a Onder het kopje “Informele ondersteuner , iemand uit het sociaal netwerk” , bij de derde bullit staat: “Een pgb voor de inzet van een informele ondersteuner kan alleen verstrekt worden indien dit leidt tot betere en efficiëntere hulp en indien deze doelmatiger is dan wanneer wordt gekozen voor een zorgverlener buiten het sociale netwerk. De beoordeling hiervan is maatwerk”. Deze bepaling is in strijd met hetgeen de Wmo 2015 bepaalt. Het college moet een pgb verstrekken als (artikel 2. 3. 6 lid 2 Wmo 2015): - de cliënt in staat is het pgb te beheren (evt. met hulp van derden) - de cliënt motiveert dat hij een pgb wenst; - de voorziening doeltreffend en cliëntgericht is (kwaliteit) Alleen als aan alle drie de voorwaarden is voldaan , moet het college het pgb verstrekken. De inwoner hoeft dus niet aan te tonen dat dit leidt tot betere en efficiëntere hulp. De hulp vanuit

pgb kan ook gelijk zijn aan de ZIN. Artikel 7. 4. 2b Onderdeel informele ondersteuner. In het eerste onderdeel wordt ingegaan op de eerste stappen uit het stappenplan van de CRvB. Maar in deze fase is reeds beoordeeld dat een maatwerkvoorziening nodig is. De financieringsvorm wordt in deze fase onderzocht. Voor het derde puntje uit dit artikel verwijs ik naar de opmerking genoemd bij artikel 7. 4. 2. a van deze beleidsregels. Bijlage 5 Is de werkinstructie beschermd wonen conform de criteria van de centrum gemeente? Advies om na te gaan of de voorwaarden die hierin genoemd staan overeenkomen.

3.

VERORDENING JEUGDHULP Gemeente Hardenberg 2023

In deze verordening staat ten onrechte twee keer ‘Hoofdstuk 2’ en twee keer ‘Hoofdstuk 3’. Voor de leesbaarheid adviseer ik dit bij een wijziging van de verordening aan te passen. Het eerste Hoofdstuk 2 bevat de artikelen 2 en 3 , het eerste Hoofdstuk 3 beval de artikelen 4 t/m 20 , het tweede Hoofdstuk 2 bevat de artikelen 21 t/m 25 en het tweede Hoofdstuk 3 beval de artikelen 26 t/m 31. In het vervolg van deze toetsing zal ik daar niet telkens op wijzen , doch één maal expliciet noemen en vervolgens verder gaan met de artikelsgewijze bespreking.

Hoofdstuk 1 Artikel 1: De volgorde van definities is alfabetisch; daar voldoet de verordening aan. Over het algemeen worden definities echter niet voorafgegaan door letters (a. , b. , c. enz.) , maar door gedachtestreepjes. Een van de redenen daarachter is dat , als op een later moment onverhoopt blijkt dat er een extra definitie toegevoegd zou moeten worden of er een definitie kan vervallen , een omnummering (of ‘omlettering’) dan niet nodig is , maar een nieuwe definitie gewoon kan worden tussengevoegd of worden verwijderd. Daarnaast mag de definitie geen materiële norm bevatten. Materiële normen zou je kunnen zien als regels waaraan iets of iemand moet voldoen op grond van de verordening. Die horen niet in definities maar verderop in de verordening. Een definitie hoort beschrijvend te zijn , niet voorschrijvend.

Inhoudelijk: d luidt nu: “budgetplan: door de jeugdige en/of zijn ouders ingediend inhoudelijk plan met begroting en doelen voor de invulling van het pgb. Uit het plan en het (bewuste keuze)gesprek dient te blijken dat de jeugdige in staat is om het pgb te beheren en dat de zorg en ondersteuning die met het pgb wordt ingekocht veilig , doeltreffend en clientgericht wordt verstrekt; Het onderstreepte deel van deze definitie bevat een materiële norm. Het is immers een beschrijving van de voorwaarden waaraan het plan moet voldoen. Dát is echter iets voor verderop in de verordening , waar de eisen worden gesteld aan een budgetplan. o luidt nu: “persoonlijk plan (in de Jeugdwet ook wel Familiegroepsplan genoemd): hulpverleningsplan of plan van aanpak , opgesteld door de ouder(s) , samen met bloedverwanten , aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren”;

Tussen haakjes staat dat dit in de Jeugdwet ‘familiegroepsplan’ wordt genoemd. Dit is ook de term die in de wettekst staat. Ik adviseer de term uit de Jeugdwet aan te houden. Daarnaast is deze bepaling overbodig omdat de definitie letterlijk overgenomen is uit de wet. Dit is ondervangen door lid 2. t luidt nu: “VOG: Verklaring Omtrent het Gedrag , mag bij aanvang werkzaamheden door gecontracteerde of pgb-aanbieder niet ouder(s) zijn dan drie maanden” Het deel achter ‘Verklaring Omtrent het Gedrag’ kan worden geschrapt. De term VOG wordt in deze verordening verschillende keren gebruikt , maar iedere keer dat het gebruikt wordt , staat er expliciet bij dat deze niet ouder mag zijn dan drie maanden. Het is dus min of meer telkens dubbelop.

Hoofdstuk 2 en 3 algemeen Is het een bewuste keuze geweest van de gemeente Hardenberg om de opbouw van de hoofdstukken 2 en 3 van elkaar te laten verschillen? Hoofdstuk 2 begint met de toegang voor een algemene voorziening. Daarna worden de algemene voorzieningen uitgewerkt. In hoofdstuk 3 wordt de toegang tot de maatwerkvoorziening niet benoemd. Hier worden direct de beschikbare voorzieningen benoemd en in de artikelen die volgen nader uitgewerkt. De toegang voor een maatwerkvoorziening komt in (artikel 21 en) 23 van de verordening pas aan de orde. Voor de leesbaarheid is het wenselijker dit op elkaar af te stemmen. Artikel 4 De door de gemeente te treffen voorzieningen worden kun je in twee categorieën plaatsen. De eerste betreft algemene , vrij toegankelijke voorzieningen. Deze worden ook wel collectieve voorzieningen genoemd. Deze zijn in het geval van de gemeente Hardenberg opgenomen in artikel 3. De tweede betreft niet algemene , niet vrij toegankelijke voorzieningen. Deze worden ook wel individuele voorzieningen genoemd. In het geval van de gemeente Hardenberg zijn deze opgenomen in artikel 4. Lid 1 geeft een opsomming van de beschikbare individuele voorzieningen. Onder d. staat ‘Jeugdbescherming en reclassering’ genoemd. Jeugdbescherming en reclassering vallen echter niet onder deze voorzieningen en horen niet in de lijst van beschikbare individuele voorzieningen.

Jeugdbescherming: Bij ernstige problemen in het gezin kan verplichte toezicht en begeleiding opgelegd worden bij de opvoeding van een kind. Een rechter kan het ouderlijk gezag beperken of afnemen. Jeugdreclassering: Verplichte toezicht en begeleiding voor ouders en jongeren om te voorkomen dat de jongere opnieuw strafbare feiten pleegt. De gemeente is wél financieel verantwoordelijk voor hulp die ingezet moet worden in het kader van zowel de jeugdbescherming als jeugdreclassering. Artikel 6 Artikel 6 , aanhef en sub a. luidt: “In aanvulling op de criteria uit artikel 5 kan een jeugdige en/of ouder(s)/opvoeder(s) individuele begeleiding ontwikkelingsgericht krijgen als hij eveneens voldoet aan de volgende criteria: a. een hulpvraag van de jeugdige , het gezin en/of de omgeving , die niet door algemene voorzieningen opgepakt kan worden , en/of;” De aanhef van dit artikel beschrijft dat iemand moet voldoen aan de criteria uit artikel 5 PLUS hetgeen in de opsomming van dit artikel staat. Echter , hetgeen onder sub a. staat , komt overeen met hetgeen in artikel 5 lid 1 sub a is genoemd. Het is dubbelop. Artikel 8 Artikel 8 , aanhef en sub b , c en d luiden: “In aanvulling op de criteria uit artikel 5 kan een jeugdige na onderzoek begeleiding groep respijtzorg ontvangen als hij: a.

…;

b.

de overbelasting niet kan worden opgelost met eigen kracht , gebruikelijke hulp , mantelzorg of een voorliggende voorziening; de ondervonden beperkingen ten aanzien van de opgroei- en opvoedproblemen en/of een verstandelijke beperking niet op eigen kracht , met gebruikelijke hulp , met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk en vrijwilligers , dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen en met algemeen gebruikelijke zaken of diensten kan verminderen of kan wegnemen;

c.

indicatie heeft of kan krijgen vanuit voorliggende wetgeving (bijvoorbeeld de Wet langdurige zorg (Wlz)); De aanhef van dit artikel beschrijft dat iemand moet voldoen aan de criteria uit artikel 5 PLUS hetgeen in de opsomming van dit artikel staat. Echter , hetgeen onder sub b , c en d. staat , komt overeen met hetgeen in artikel 5 lid 1 sub a is genoemd. Het is dubbelop. d.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16219798/1