3a. Toelichting TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn
Tekst van het document
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Beoordeling Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol:
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn | PAGINA 28
1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt aangetast. De functie 'wonen' vormt geen milieubelastende functie. In dit geval worden er uitsluitend woonfuncties gerealiseerd. Er is dan ook geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omliggende functies. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie hinder ondervindt van bestaande milieubelastende functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten. In dit geval worden nieuwe woning gebouwd en daarmee is er planologisch gezien sprake van het toevoegen van gevoelige functie. In de omgeving van het plangebied, aan de overzijde van de Collendoornerdijk zijn enkele bedrijfsfuncties aanwezig. Ten aanzien van veehouderijen wordt opgemerkt dat de grootste richtafstand bij veehouderijen veelal geldt voor het aspect geur.
Bij veehouderijen zijn echter niet de adviesafstanden maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekenende geuremissiecontouren voor vergunningplichtige veebedrijven bepalend zijn. Hier wordt in paragraaf 4.4 nader op ingegaan. Adres Type bedrijf Categorie Grootste Daadwerkelijke richtafstand in afstand meter Collendoornerdijk Houthandel 2 30 m (geluid) Circa 150 meter 12 en bestratingen Jachthuisweg 5 Agrarisch 3.2 100 m (geur) Circa 680 meter bedrijf Allemansweg 1 Agrarisch 4.1 200 m (geur) Circa 530 meter bedrijf Zoals uit voorgaande tabel blijkt, wordt de richtafstand (bij agrarische bedrijven het aspect 'geur' buiten beschouwing latend) voor alle bedrijven gehaald. Ter plaatse van het plangebied is daarmee een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te verwachten en de bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. 4.1.3
Conclusie
Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.2
Bodemkwaliteit
4.2.1
Algemeen
Het beschermen van de bodemkwaliteit is een onderdeel bij de afweging van de aspecten van de fysieke leefomgeving. Ter bescherming van de bodemkwaliteit zijn instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de kwaliteit van de bodem. 4.2.2
Situatie plangebied
Ten behoeve van de ontwikkeling is er een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het volledige rapport is als Bijlage 4 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Opgemerkt wordt dat in het onderzoek nog wordt uitgegaan van een verouderde situatie. Dit doet echter geen afbreuk aan de resultaten van het onderzoek. Benadrukt wordt dat de
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn | PAGINA 29
gewenste situatie zoals beschreven in deze motivering de correcte weergave betreft. Onderzoeksresultaten Op basis van zintuiglijke waarnemingen zijn in het opgeboorde monstermateriaal geen bijzonderheden waargenomen. Op basis van zintuiglijke waarnemingen is in het opgeboorde bodemmateriaal geen asbestverdacht materiaal waargenomen (indicatieve waarneming). Het grondwater bevat plaatselijk een verhoogd gehalte barium t.o.v. de streefwaarde. De tussenwaarde en de bodemindex-waarde wordt in dit geval niet overschreden zodat er uit milieuhygiënische overweging geen directe aanleiding is tot het instellen van aanvullend onderzoek. De bodem wordt geschikt geacht voor het beoogde gebruik (tuin & wonen). 4.2.3
Conclusie
Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.3
Luchtkwaliteit
4.3.1
Algemeen
Voor de bescherming van de luchtkwaliteit zijn instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Locaties met hoge concentraties stikstofdioxide en/of fijnstof zijn aangemerkt als aandachtsgebied. Vooral in en vlakbij een aandachtsgebied moeten overheden toetsen aan de omgevingswaarden. Dit is niet nodig indien een activiteit niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Volgens het Bkl dragen de volgende projecten niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging: woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Er zijn een paar situaties die de overheid nog wel in het hele land moet beoordelen. Dit zijn: een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter. Of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt; de aanleg van een auto(snel)weg. 4.3.2
Situatie plangebied
Voorgenomen ontwikkeling voorziet in de bouw van circa 20 woningen. Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling, betreffende de planologische toevoeging van 20 woningen, in verhouding tot de categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 4.3.1 wordt geconcludeerd dat voorliggend initiatief 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Het aspect luchtkwaliteit vormt daarom geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.3.3
Conclusie
Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn | PAGINA 30
4.4
Geur
4.4.1
Algemeen
4.4.1.1 Wet geurhinder en veehouderij De instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. In artikel 5.91 Bkl worden de geurgevoelige gebouwen aangewezen die in ieder geval beschermd moeten worden. Hieronder vallen gebouwen met een woonfunctie, gebouwen voor onderwijs, gezondheidszorg en kinderopvang. Geurhinder ontstaat door activiteiten. In artikel 5.92, lid 2 Bkl staat dat een omgevingsplan erin moet voorzien dat de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar is. Hiervoor moet worden voldaan aan de specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit. Deze staan in artikel 8.20 Bkl. Voor het houden van dieren betekent dit dat aan geurnormen dient te worden voldaan. Indien er geen geurnormen zijn vastgesteld, moet worden voldaan aan de afstanden zoals opgenomen in artikel 5.112 Bkl. 4.4.2
Situatie plangebied
De geplande ontwikkeling heeft geen gevolgen voor de geurhinder, aangezien woningen geen bron van geurhinder zijn. Wel bevinden zich in de omgeving van het plangebied een aantal intensieve veehouderijen. Er dient inzicht te worden verkregen in het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. Het plangebied wordt in de toekomst aan de oost- en zuidzijde begrensd door de nieuwe Woonwijk Marslanden. Voor de realisatie van de Marslanden Fase 2 is een geuronderzoek uitgevoerd. In dit onderzoek is onderzoek gedaan naar zowel de voorgrondbelasting (geurbelasting van individuele intensieve bedrijven) als de achtergrondbelasting (totale geurbelasting van alle intensieve bedrijven in een straal van 2 km rondom het plangebied (ten behoeve van de Marslanden fase 2). Uit de resultaten van V-Stacks vergunning blijkt dat de voorgrondgeurbelasting ten gevolge van de veehouderij gelegen aan de Allemansweg 1 op het deelgebied ‘De Velden hoogstens’ 1,2 OUE/m3 bedraagt. Met deze waarde wordt voldaan aan de vastgestelde norm van 3 OUE/m3. Het woon- en leefklimaat van het gehele gebied kan worden gekwalificeerd als ‘zeer goed’ tot ‘goed. De achtergrondgeurbelasting bedraagt hoogstens 2,0 OUE/m3. Met deze waarde is het woon- en leefklimaat te classificeren als ‘goed’.
Bij het beoordelen van het woon- en leefklimaat bestaat de volgende vuistregel: de voorgrondgeurbelasting is maatgevend als die tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. In deze situatie is de voorgrondgeurbelasting maatgevend en is het woon- en leefklimaat te kwalificeren als ‘goed’. Aangezien het plangebied van de gewenste ontwikkeling aan de Collendoornerdijk direct gelegen is naast het gebied waarvoor dit onderzoek is uitgevoerd kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 4.4.3
Conclusie
Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.5
Verkeer en parkeren
4.5.1
Algemeen
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de effecten op de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die ontstaat door de nieuwe ontwikkeling.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn | PAGINA 31
De gemeente Hardenberg beschikt over een eigen parkeernota. Hierin is aansluiting gezocht bij de landelijke parkeerkencijfers op basis van de publicatie 'Toekomstbestendig parkeren (december 2018)' van het CROW. Wat betreft de functies wordt aansluiting gezocht bij de functies zoals genoemd in de meest actuele CROW-publicatie. De parkeernormen in CROW-publicatie 'Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering' bestaan uit een minimum- en maximumwaarde. In de gemeente Hardenberg is vanuit de duurzaamheidsgedachte de minimale parkeernorm voor auto's voldoende. Om schijnnauwkeurigheid te voorkomen is in de Parkeernormennota uitgegaan van één stedelijkheidsgraad, te weten: "weinig stedelijk gebied" voor de gehele gemeente. De verschillen in inrichting en bebouwing in de gemeente zijn redelijk groot, waardoor het zinvol is om onderscheid te maken naar gebiedskenmerken, te weten: centrum, schil/overloopgebied, rest bebouwde kom en buitengebied. In de Parkeernormennota is de gebiedsindeling opgenomen. Het plangebied wordt aangemerkt als rest bebouwde kom. 4.5.2
Verkeer
In de toekomst wordt de ontsluiting aangesloten op de nieuwe nieuwbouwwijk die wordt gerealiseerd aan de oost- en zuidzijde van het plangebied. Tot dit zover is zal de ontsluiting tijdelijk moeten plaatsvinden in de richting van de Collendoornerdijk. Het verkeer uit het gebied zal tijdelijk ontsloten worden op de Collendoornerdijk via een tijdelijke ontsluitingsweg. In de toekomst wordt de ontsluiting aangesloten op de verkeersstructuur van de nieuwbouwwijk de Marslanden. Uitgaande van de 20 woningen (4 vrijstaand, 8 2^1 kap en 8 rijwoningen) zoals opgenomen in het schetsontwerp, een stedelijkheidsgraad 'weinig stedelijk' en een gebiedszone 'rest bebouwde kom' is er sprake van een verkeersgeneratie van circa 155 verkeersbewegingen per weekdagetmaal. Voorliggend plan voorziet in de realisatie van meerdere typen woningen. Vrijstaande woningen zijn de woningen met de hoogste verkeersgeneratie. Op basis van de voorliggende wijziging van het omgevingsplan zijn maximaal 20 vrijstaande woningen toegestaan. Uitgaande van de 20 vrijstaande woningen, een stedelijkheidsgraad 'weinig stedelijk' en een gebiedszone 'rest bebouwde kom' is er sprake van een verkeersgeneratie van circa 164 verkeersbewegingen per weekdagetmaal. De Collendoornerdijk kan deze tijdelijke extra verkeersgeneratie eenvoudig verwerken.
Er wordt geconcludeerd dat de vanuit verkeerskundig oogpunt geen belemmeringen zijn te verwachten voor voorliggende ontwikkeling. 4.5.3
Parkeren
Om de totale parkeerbehoefte te bepalen is gebruik gemaakt van de publicatie 'Parkeerkencijfers 2024' van CROW. Woningen De volgende uitgangspunten zijn gehanteerd: 5. Verstedelijkingsgraad: weinig stedelijk / gemeente Hardenberg (Bron: CBS Statline) 6. Stedelijke zone: rest bebouwde kom In de CROW publicatie is de parkeerbehoefte per functie uiteengezet met een minimum en een maximaal aantal parkeerplaatsen. In voorliggend geval is uitgegaan van het minimale, conform de werkwijze van de gemeente Hardenberg. Opgemerkt wordt dat het exacte type woningen flexibel is voor dit plangebied, er worden echter wordt aangesloten bij het huidige plan (4 vrijstaand, 8 2^1 kap en 8 rijwoningen). Op basis van de vorenstaande uitgangspunten ontstaat qua parkeerbehoefte als gevolg van het voorliggende voornemen het volgende beeld: Functie Parkeer- Parkeerbehoefte Aantal te Totale behoefte bezoekers realiseren Parkeerbehoefte bewoners woningen Koop, huis, 1,6 0,2 4 7,2 vrijstaand Koop, huis, 1,4 0,2 8 12,8 twee-onder-een-kap
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn | PAGINA 32
Koop, huis, tussen/hoek Totaal
1,4
0,2
8
12,8 32,8
In de planologische situatie zijn maximaal 20 vrijstaande woningen toegestaan. Op basis van de maximale planologische situatie ontstaat het volgende beeld: Functie Parkeer- Parkeerbehoefte Aantal te Totale behoefte bezoekers realiseren Parkeerbehoefte bewoners woningen Koop, huis, 1,6 0,2 20 36 vrijstaand Totaal 36 In het plangebied kan het parkeren op eigen terrein (percelen van de woningen) worden voorzien. Het parkeren zal voor de vrijstaande, twee-onder-een-kapwoningen en hoekwoningen op eigen terrein plaatsvinden. Daarnaast zal in het openbaar gebied ruimte zijn voor parkeren langs de rijbaan. De verdeling eigen terrein / openbaar gebied is echter afhankelijk van de woningtypes. Gesteld kan echter worden dat er binnen het plangebied meer dan genoeg ruimte om in de eigen parkeerbehoefte en de parkeerbehoefte van bezoekers te voorzien. In de verdere uitwerking van het stedenbouwkundig ontwerp wordt rekening gehouden met de parkeernormen. In de regels is dit juridisch geborgd. Het aspect parkeren vormt dan ook geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn | PAGINA 33
Hoofdstuk 5
Bescherming van de waterbelangen
5.1
Vigerend beleid
5.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 5.1.2
Rijksbeleid
Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2022-2027. Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Het Nationaal Water Programma 2022–2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. 5.1.3
Provinciaal beleid
In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als in het stedelijk gebied. 5.1.4
Waterschap Vechtstromen
Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta, en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan/-programma opgesteld. Het algemeen bestuur van het waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 15 december 2021 het 'Waterbeheerprogramma 2022-2027' vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op het: voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte; beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem. het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties.z
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn | PAGINA 34
5.1.5
Gemeentelijk rioleringsplan 2018-2022
In het Gemeentelijk Rioleringsplan 2018-2022 (GRP) heeft gemeente Hardenberg het rioleringsbeleid vastgelegd voor een periode van vijf jaar (1 januari 2018 tot en met 31 december 2022). Hierin staat wat de gemeente heeft gedaan op het gebied van riolering, moet doen, wil doen, gaat doen, hoe dat wordt georganiseerd en wat het kost. In dit GRP focust de gemeente zich op de vraag: wat wil de gemeente bereiken met de rioleringszorg en wat merkt de inwoner daarvan? De gemeente gaat van normgericht naar resultaatgericht. In het rioleringsplan wordt het volgende beschreven; Welke rioleringsvoorzieningen heeft de gemeente Hardenberg; Hoe worden de voorzieningen beheerd; Welke gevolgen er zijn voor het milieu; Welke voorzieningen zijn (binnenkort) aan vervanging toe; Welke verbeteringen zijn er nodig; Wat zijn de kosten hiervan; Hoe en welke kosten worden op burgers en bedrijven verhaald. Bovenstaande beschrijving vormt de kerngedachte van het gemeentelijke rioleringsplan of wel het GRP. Het rioleringsbeleid van de gemeente wordt door het GRP inzichtelijk gemaakt. In het GRP wordt niet alleen gekeken naar het afvalwater maar ook naar het grond- en hemelwater. 5.2
Waterparagraaf
5.2.1
Algemeen
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 5.2.2
Watertoetsproces
Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde 'normale procedure' van de watertoets van toepassing is (Bijlage 9). 5.2.3
Waterhuishoudkundige aspecten plangebied
Afvalwater Bij het bouwrijp maken van de uitbreiding wordt een gescheiden rioolstelsel aangelegd, dat is afgestemd op het toekomstige aantal woningen in het plangebied. Het nieuwe stelsel zal worden aangelegd conform het rioleringsplan' van de gemeente Hardenberg. Waterhuishouding Het plan loopt geen verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is er in of rondom het plangebied geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd. Het plangebied bevindt zich niet binnen een beschermingszone of herinrichtingszone langs een waterloop, primair watergebied, invloedszone zuiveringstechnisch werk of een retentiecompensatiegebied. Hemelwater De hemelwaterafvoer in voorliggend plan wordt volledig gescheiden van afvalwater. Een deel
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn | PAGINA 35
van het hemelwater wordt geïnfiltreerd. Bij de uitwerking van het woningbouwplan in de omgevingsvergunningfase, wordt de omgang met het hemelwater nader geconcretiseerd. Oppervlaktewater In het plangebied is geen waterpartij aanwezig en aangelegd. Grondwater Het plangebied bevindt zich niet in een grondwaterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Om voldoende drooglegging en dus geen hinder van grondwater te hebben bij bijvoorbeeld woningen zijn voor Marslanden in de basis een aantal minimum peilen afgesproken. Zo geldt voor de wegpeilen een minimum van + 8,50 de drempelpeil van de woningen komen daarmee op + 8,80 (verhoogd met 0,30 m tov straatpeil). Met dit peil zal bij de gewenste ontwikkeling rekening gehouden worden. Aanleghoogte van de bebouwing Voor de aanleghoogte van de gebouwen (onderkant vloer begane grond) wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter ten opzichte van de gemiddelde hoogste grondwaterstand(GHG). Bij een afwijkende maatvoering is de kans op structurele grondwateroverlast groot. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte. Kelders dienen waterdicht te zijn. Om wateroverlast en schade in woningen en bedrijven te voorkomen wordt geadviseerd om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren.
Ook voor lager, beneden het maaiveld, gelegen ruimtes (kelders, parkeergarages) moet aandacht worden besteed aan het voorkomen van wateroverlast. 5.2.4
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling, het resultaat van de watertoets en de waterparagraaf zijn voorgelegd aan waterschap Vechtstromen.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn | PAGINA 36
Hoofdstuk 6 6.1
Waarborgen van de veiligheid
Algemeen
In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crisis. De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen de aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico.
Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat wordt gedaan met voorschriftengebieden. Voor een project dient een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het project kwetsbare gebouwen worden toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl). 6.2
Situatie plangebied
Aan hand van de externe veiligheidskaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de externe veiligheidskaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In afbeelding 6.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven. Het plangebied is met een blauwe ster weergegeven.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn | PAGINA 37
Afbeelding 6.1: Uitsnede Risicokaart (Bron: Atlasleefomgeving.nl) Ponypark City Ten noorden van het plangebied bevindt zich Ponypark City (vroeger: Recreatiepark Collendoorn) aan de Doozemansteeg 1. Dit betreft een recreatieve inrichting met vakantiehuisjes, bungalowparken en overige voorzieningen voor recreatief verblijf. Binnen deze inrichting bevindt zich een opslaginstallatie voor vloeistoffen die zeer giftige gassen kunnen vormen. Het gaat hierbij om een opslagtank voor 1000 liter chloorbleekloog en 200 liter zwavelzuur. Voor deze opslagtank geldt een groepsgebonden risicoafstand van 60 meter. Het plangebied bevindt zich buiten de risicocontour, waardoor een nadere verantwoording van het groepsrisico achterwege kan blijven.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn | PAGINA 38
Hoofdstuk 7 Bescherming van de stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed 7.1
Cultureel erfgoed
7.1.1
Wettelijk kader
Bij het beschermen van cultureel erfgoed moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan instructieregels voor de gemeente. Deze gaan over: beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; verplaatsing van beschermde monumenten; gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; aantasting van de omgeving van een beschermd monument; aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; in stand houden van archeologische monumenten. De aspecten cultuurhistorie (monumenten) en archeologie worden hierna uitgewerkt. 7.1.2
Cultuurhistorie
Onder cultuurhistorische waarden worden alle gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. 7.1.2.1 Situatie plangebied Het plangebied ligt in het dal van de Vecht; sterk variërend in hoog en laag, open en besloten. Direct langs de Vecht liggen in de lage gebieden de hooi- en weilanden (marslanden). De Molengoot zorgt in de huidige situatie voor de afwatering van het gebied. Het overgrote deel van het huidige gebied is door de ruilverkaveling in grote rechthoekige blokken verkaveld, zogenaamde strokenverkaveling. Op de hoger gelegen gronden bevinden zich de oudste landbouw-enclaves (eskampnederzettingen), zoals Collendoorn en Het Holt. Bij deze nederzettingen liggen de erven gegroepeerd om de es en ze hebben een besloten karakter door erf- en wegbeplanting. De essen zijn open, slechts de randen zijn bebouwd en beplant. Bijzonder waardevol in het gebied is het aanwezige microreliëf. Kenmerkend zijn de dekzandruggen/rivierduinen van Collendoorn, het gebied rond het Jodenbergje en het Engelandsche Bosch. Het gebied maakt deel uit van het Belvederegebied Vecht-Regge. De natuurlijke ondergrond heeft een belangrijk stempel gedrukt op het landschap.
Het gebied van de marsen kenmerkt zich door een meer open landschap, geen of weinig bebouwing, een strokenverkaveling.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn | PAGINA 39
Afbeelding 7.1: Ontwikkeling van het landschap (Bron: Provincie Overijssel) Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Overijssel, in het plangebied zelf geen rijks- danwel gemeentelijke monumenten. Voor het overige zijn er binnen het plangebied of in de omgeving van het plangebied geen cultuurhistorische waarden aanwezig die de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staan. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan. 7.1.2.2 Conclusie Geconcludeerd wordt dat het voornemen in voldoende mate rekening houdt met de bescherming van cultuurhistorische waarden. 7.1.3
Archeologie
In de Erfgoedwet staat een archeologische zorgplicht wanneer de bodem wordt verstoord. Er is dan onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat er archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. 7.1.3.1 Situatie plangebied De gemeente Hardenberg heeft het archeologie beleid verwerkt in het bestemmingsplan in de vorm van dubbelbestemmingen. Het plangebied bevat de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 4'. Een archeologisch onderzoek is noodzakelijk voor een of meerdere bouwwerken waarbij grond geroerd wordt met een (gezamenlijk) geroerde oppervlakte groter dan 500 m2 en een diepte van 50 cm of meer. In voorliggend geval wordt de onderzoeksdrempel overschreden. Er is door Laagland een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoek is als Bijlage 5 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Opgemerkt wordt dat in het onderzoek nog wordt uitgegaan van een verouderde situatie. Dit doet echter geen afbreuk aan de resultaten van het onderzoek. Benadrukt wordt dat de gewenste situatie zoals beschreven in deze motivering de correcte weergave betreft. Onderzoeksresultaten De bodemopbouw komt nagenoeg overeen met de bodemopbouw die tijdens eerder verkennend booronderzoek is geconstateerd in het aangrenzende terrein.
Er zijn geen aanwijzingen voor podzolvorming en/of dekzandopduikingen gezien. Het terrein had vermoedelijk geregeld te maken met overstromingen en was als zodanig weinig geschikt voor bewoning. In enkele boringen is daarnaast sprake van een verstoorde top van de natuurlijke ondergrond, waardoor eventuele resten hier deels zijn verdwenen. De verwachting voor alle perioden kan worden bijgesteld naar 'laag'. 7.1.3.2 Conclusie Er is geen sprake van een aantasting van archeologische waarden. 7.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
7.2.1
Wettelijk kader
De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is. En of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. De ladder is beleidsneutraal overgezet naar het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Dit geldt ook voor de reeds opgebouwde jurisprudentie. De instructieregel in artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling het toepassen van de ladder is vereist. Voor de toetsing aan de ladder is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de begrippen: 'bestaand stedelijk gebied' is 'het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn | PAGINA 40
daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'. Een 'stedelijke ontwikkeling' is de 'ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is'. Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat 'voldoende substantieel' is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak (ECLI:NL:RVS:2017:1724) over de Ladder. De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen. 7.2.2
Toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking
Er is geen ondergrens bepaald voor wat een 'stedelijke ontwikkeling' is. Op basis van jurisprudentie blijkt dat de vraag of sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van die ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Voor wonen geldt, dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. a. 11 woningen geen nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921) b. 12 woningen wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 25 maart 2015; ECLI:NL:RVS:2015:953). In dit geval gaat het om de realisatie van maximaal 20 woningen. Hiermee is er sprake van een stedelijke ontwikkeling. Hierna wordt op de ladder ingegaan ten aanzien van de ontwikkeling. Artikel 3.1.6 lid 2 van de Bro geeft aan dat de toelichting van een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voldoen aan een aantal voorwaarden: er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte; indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied? Er is sprake van een beperkte aantrekkingskracht van Hardenberg op inwoners van regiogemeenten.
Het ligt niet in de lijn der verwachtingen dat dit in de komende jaren zal veranderen. Dit komt mede door de geografische ligging van de gemeente Hardenberg, aangezien de bereikbaarheid door de grote afstand tot de A28 en A35 beperkt is. Daarnaast is veel werkgelegenheid in de gemeente lokaal. De gemeente Hardenberg maakt, samen met Ommen en Dalfsen, deel uit van de bestuurlijke regio West-Overijssel subregio Vechtdal. Vanwege de beperkte hoeveelheid verhuisbewegingen tussen Hardenberg en Ommen en Dalfsen kan worden geconcludeerd dat de gemeente Hardenberg en dan met name specifiek de kern Hardenberg, als relevante marktregio aan te merken is. Het project is immers met name bedoeld om te voorzien in de woningbehoefte van lokale bevolking in de gemeente Hardenberg. Beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling Algemeen Met voorliggend bestemmingsplan wordt voorzien in maximaal 20 woningen in Hardenberg. De gemeente beschikt over een eigen actueel Programma Wonen, welke is opgesteld voor de periode 2019-2025. In het programma wordt met name op de kwalitatieve behoefte ingegaan. De meest actuele kwantitatieve woningbouwbehoefte is in de Regionale Woonagenda West-Overijssel vastgelegd. Deze woonagenda is in het voorjaar van 2021 vastgesteld. Hierin is de woningbouwopgave ook voor de gemeente Hardenberg geactualiseerd.
Hierna wordt op de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte ingegaan. Kwantitatieve behoefte Op basis van de prognoses van de provincie Overijssel is in het programma wonen de kwantitatieve woningbehoefte worden bepaald. Deze prognoses vormen de onderlegger voor woningbouwafspraken in de provincie Overijssel. Omdat er fluctuaties zijn in de jaarlijkse ramingen van Primos heeft de Provincie Overijssel ervoor gekozen om deze te middelen. Voor de woningbouwopgave mag met een bandbreedte van plus en min 10% van deze groei
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn | PAGINA 41
afgeweken worden. In de regionale woonvisie is bepaald dat de behoefte in West-Overijssel tot 2030 bestaat uit minimaal 24.255 woningen. Daarnaast geldt er een extra ambitie van circa 12.000 tot 14.000 woningen, waarmee de totale opgave uitkomt op circa 35.000 tot 40.000 woningen. De totale plancapaciteit in West-Overijssel tot 2030 (harde en zachte plannen) bestaat uit 25.803 woningen. Er is daarmee nog ruimte voor het toevoegen van circa 10.000 tot 15.000 woningen tot 2030. De harde plancapaciteit zijn de plannen die al opgenomen zijn in de programmering. De zachte plancapaciteit betreft de plannen die nog niet concreet opgenomen zijn in de programmering
Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat er regionaal behoefte is aan maximaal 40.000 woningen in West-Overijssel. De plancapaciteit (hard en zacht) bedraagt maximaal 25.803 woningen. Er is dus nog ruimte voor het toevoegen van circa 15.000 woningen in de periode tot 2030. In de regionale woonvisie is aangegeven dat in de regio op dit moment onvoldoende plancapaciteit is om de groei van 35.000-40.000 huishoudens tot 2030 op te vangen. Dat betekent dat regiobreed op zoek wordt gegaan naar geschikte locaties en strategieën voor het toevoegen van 9.000 - 14.000 woningen extra plancapaciteit na 2025. De Marslanden is in de Woonagenda West-Overijssel aangewezen als een uitbreidingsproject. Voor dit project zijn tot 2030 nog 600 woningen aan harde plannen meegenomen. Regionaal gezien is er daarmee sprake van een kwantitatieve behoefte. De gemeente Hardenberg is daarnaast één van de weinige gemeenten in de omgeving die groeit. Nieuwbouw is noodzakelijk om aan de lokale woningvraag te kunnen voldoen. Uit de woonvisie blijkt dat er volgens de prognose tussen 2019-2029 behoefte is aan ruim 1.600 nieuwe woningen. De harde plancapaciteit tot 2030 bedraagt slechts 726 woningen. De zachte plancapaciteit bedraagt 1.753 woningen. Het is dus noodzakelijk om een groot deel van de zachte plancapaciteit om te zetten naar harde plancapaciteit.
Daarnaast wordt gesteld dat de capaciteit nog verder zal moeten groeien om aan de regionale doelstellingen te kunnen voldoen, die hoger ligt dan de behoefte zoals geschetst in de woonvisie en welke
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn | PAGINA 42
meer recent is. Omdat Hardenberg als groeigemeente wordt aangemerkt, is het aannemelijk om te stellen dat een aanzienlijk deel van de regionale behoefte in de gemeente Hardenberg dient te worden gerealiseerd. Er is dus ruimte om de plancapaciteit te verhogen. De gemeente heeft dit ook aangegeven in haar recente omgevingsvisie 'Mijn Landstad'. Tot 2035 zijn tenminste 3.500 woningen nodig. 3.000 daarvan wil de gemeente bouwen voor 2030. Marslanden is hierbij aangewezen als grote uitbreidingslocatie. Dit betekent dat er van 2022 tot 2026 jaarlijks 300 nieuwe woningen nodig zijn. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt voor een deel voorzien in deze behoefte. Hiermee wordt geconcludeerd dat er sprake is van een kwantitatieve behoefte. Kwalitatieve behoefte In de gemeentelijke woonvisie wordt met name op de kwalitatieve behoefte ingegaan. Voor de Marslanden geldt dat er behoefte is aan een gevarieerd programma, met een mix van verschillende woningtypen voor verschillende doelgroepen. De gemeente Hardenberg richt zich met name op starters, het in beweging krijgen van doorstromers en geschikte woningen voor senioren. Doorstromers vormen de grootste groep op de woningmarkt. Hardenberg is een echte gezinsgemeente. In deze levensfase zijn huishoudens op zoek naar een ruimere woning of wil men doorstromen van een huur- naar een koopwoning.
Het aanbod aan ruime grondgebonden koopwoningen dat vanuit de bestaande voorraad op de markt komt, is te klein om te voorzien in de verwachte vraag. Door het gevarieerde programma, met veel ruimte voor woningen voor doorstromers in De Velden wordt hier op aangesloten. In 2015 heeft de gemeente Hardenberg een woonwensenonderzoek gehouden onder de gehele bevolking. Hieruit blijkt dat de huishoudens die verhuisgeneigd zijn, vooral op zoek zijn naar eengezinswoningen en de ouderen voor een groot deel naar seniorenwoningen (levensloopbestendige woningen). In de woonvisie wordt deze wens vertaald naar een productie van woningen die senioren-geschikt zijn, in en om het centrum van de stad Hardenberg. Voor de grote behoefte aan eengezinswoningen is binnen bestaand stedelijk gebied geen ruimte meer beschikbaar. Daarom is besloten om de, reeds in ontwikkeling zijnde, wijk Marslanden verder te ontwikkelen met onder andere De Velden. Voor de Marslanden is een behoefte aan een gevarieerde mix aan woningtypen voor verschillende doelgroepen. Met de gewenste ontwikkeling wordt binnen het plangebied een mix van vrijstaande woningen, halfvrijstaande woningen en rijwonigen gebouwd. Hiermee wordt ingespeelt op de behoefte van de Marslanden. Hoewel in het behoefteonderzoek expliciet wordt aangegeven aan wat voor type woning behoefte is wordt het type woning in dit bestemmingsplan niet vastgelegd.
Gedurende het hele realisatieproces kan aangesloten worden op de actuele lokale woningbehoefte. Ligt de stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied? Dit bestemmingsplan voorziet in de planologische kaders voor het realiseren van woningbouw aan de Collendoornerdijk 1f en 1g. Het plangebied is gelegen in deelgebied 'De Velden' horende bij de nieuwbouwwijk 'Marslanden. De nieuwbouwwijk de Marslanden is aangewezen als dé uitleglocatie voor Hardenberg ten behoeve van wonen. Het plangebied is gelegen in de nieuwbouwwijk de Marslanden en de gewenste ontwikkeling sluit naadloos aan op de Marslanden waardoor de gewenste ontwikkeling op deze locatie, logisch wordt geacht. 7.2.2.1 Conclusie ladder voor duurzame verstedelijking Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de gewenste ontwikkeling in overeenstemming is met de ladder van duurzame verstedelijking.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn | PAGINA 43
Hoofdstuk 8 8.1
Bescherming van de natuur
Algemeen
De natuur maakt onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. Bij natuurbescherming gaat het om de bescherming van gebieden en de bescherming van soorten. In dit hoofdstuk komt aan de orde hoe dit plan rekening houdt met de bescherming hiervan. 8.2
Gebiedsbescherming
8.2.1
Natura 2000-gebieden
8.2.1.1 Wettelijk kader Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. In deze gebieden worden dieren, planten en hun leefomgeving beschermd. Activiteiten die significante negatieve gevolgen kunnen hebben voor deze gebieden worden gedefinieerd als een Natura 2000-activiteiten. Deze activiteiten zijn op basis van artikel 5.1 lid e van de Omgevingswet vergunningplichtig. 8.2.1.2 Situatie plangebied Het plangebied ligt niet in- of binnen een straal van drie kilometer van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft het gebied 'Vecht- en Beneden-Reggegebied', welke is gelegen op circa 7,4 kilometer afstand van het plangebied. Om te bepalen of de voorgenomen ontwikkeling leidt tot stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden is door BJZ.nu een AERIUS berekening uitgevoerd. Het bijbehorende rapport is als Bijlage 6 bijgevoegd. In de komende alinea worden de belangrijkste conclusies uiteengezet. Onderzoeksresultaten Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. De voortoets voor het plan voldoet, ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 2.7, lid 1 van de Wet natuurbescherming. 8.2.2
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
8.2.2.1 Wettelijk kader Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. De bescherming van het NNN kent geen externe werking. 8.2.2.2 Situatie plangebied Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het NNN. Het plan gaat, gezien het NNN geen externe werking kent, niet gepaard met aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. 8.2.3
Conclusie
Dit plan leidt niet tot negatieve effecten op beschermde gebieden.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn | PAGINA 44
8.3
Soortenbescherming
8.3.1
Wettelijk kader
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. Dit zijn flora- en fauna-activiteiten. Bij een activiteit is het nodig om te controleren of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dit zijn. Er zijn maar weinig activiteiten waarbij vooraf al is uit te sluiten dat ze een flora- en fauna-activiteit tot gevolg hebben. Hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bepaalt wanneer een vergunning nodig is. 8.3.2
Situatie plangebied
In het kader van voorliggende ontwikkeling is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Dit rapport is als Bijlage 7 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Opgemerkt wordt dat in het onderzoek nog wordt uitgegaan van een verouderde situatie. Dit doet echter geen afbreuk aan de resultaten van het onderzoek. Benadrukt wordt dat de gewenste situatie zoals beschreven in deze motivering de correcte weergave betreft. Onderzoeksresultaten Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft het initiatief niet getoetst te worden aan de beleidsregels voor de bescherming van het NNN, omdat de bescherming van het NNN geen externe werking kent. Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan niet op voorhand uitgesloten worden. Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leiden tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden voor de ontwikkel- en gebruiksfase. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen wél worden uitgesloten.
De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde vogels, vleermuizen en amfibieën uitsluitend benut als foerageergebied. Grondgebonden zoogdieren bezetten mogelijk een vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een grondgebonden zoogdier gedood en wordt mogelijk een vaste rust- en voortplantingsplaats van deze soort beschadigd of vernield. De in het plangebied voorkomende beschermde grondgebonden zoogdieren mogen niet gedood worden. Voor het beschadigen of vernielen van de rust- en voortplantingsplaats geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen. Om te voorkomen dat er beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood. 8.3.3
Conclusie
Mits geen grondgebonden zoogdieren gedood worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot overtreding van de Omgevingswet. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden. 8.4
Conclusie
Het plan heeft naar verwachting geen negatieve effecten op Natura 2000-gebieden, het NNN of beschermde soorten.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn | PAGINA 45
Hoofdstuk 9 Behouden van de staat en werking van infrastructuur en voorzieningen 9.1
Beperkingengebieden
9.1.1
Algemeen
Een beperkingengebiedactiviteit is een activiteit die de functie van een maatschappelijk belangrijk werk of object kan verstoren. Dit zijn bijvoorbeeld wegen, spoorwegen, luchthavens en waterstaatswerken (rivieren etc.). Voorbeelden van beperkingengebiedactiviteiten zijn het plaatsen van een reclamebord naast een snelweg of het bouwen op een zeedijk. Om de functie van het werk of object te beschermen, gelden er beperkingen in een aangewezen gebied daaromheen. Het bevoegd gezag wijst dat gebied op kaart aan. De beperkingen gelden voor activiteiten in dit gebied (het beperkingengebied). 9.1.2
Situatie plangebied
Met de realisatie van woningen is er geen sprake van een beperkende werking op de omliggende infrastructuur en infrastructurele voorzieningen. 9.2
Kabels en leidingen
9.2.1
Algemeen
Ondergrondse kabels en leidingen zijn belangrijk voor het transport van data, elektriciteit en stoffen zoals gas en water. Sommige ondergrondse (hoogspannings)leidingen kunnen een risico opleveren voor de omgeving. 9.2.2
Situatie plangebied
In Hoofdstuk 6 is al ingegaan op mogelijke buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Hieruit blijkt dat er geen buisleidingen aanwezig zijn. Daarnaast zal voorafgaand aan de bouw van de woningen een Klic-melding worden gedaan. Hiermee wordt voorkomen dat kabels en leidingen tijdens de bouw van de woningen worden beïnvloed. Tevens hebben de woningen geen beperkende werking op omliggende (spoor)wegen. 9.3
Conclusie
Met de realisatie van woningen is er geen sprake van een beperkende werking op de omliggende infrastructuur en infrastructurele voorzieningen. Het plangebied heeft in deze fase geen nadelige gevolgen op de kabels en leidingen.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn | PAGINA 46
Hoofdstuk 10 10.1
Milieueffectrapportage
Wettelijk kader
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen. In kolom 1 staan de projecten opgesomd. In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is. In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt. Kolom 4 bevat tot slot de besluiten die betrekking hebben op de projecten waarvoor de project-mer-(beoordelings)plicht geldt. Bij de project-mer-beoordeling (dus niet bij de mer-plicht) is een mededeling nodig aan het bevoegd gezag. Deze mededeling bevat een beschrijving van de eisen die zijn opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit en bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. 10.2
Situatie plangebied
10.2.1 Beoordling mer-beoordelingsplicht Het planvoornmen betreft het realiseren van 20 woningen. Op basis van kolom 1 van bijlage V Ob valt dit onder een 'stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen'. Bij een dergelijk project is er sprake van een m.e.r.-beoordelingsplan indien een wijziging van het omgevingsplan voorziet in de aanleg, wijziging of uitbreiding. In voorliggend geval is hier sprake van. Daarom is een aanmeldnotitie m.e.r-beoordeling opgesteld, deze is opgenomen in Bijlage 8 bij deze toelichting. Uit deze notitie blijkt dat het voornemen geen belangrijke nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maakt.
10.3
Conclusie
Dit plan brengt geen negatieve effecten op het milieu met zich mee. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn | PAGINA 47
Hoofdstuk 11 11.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
11.1.1 Algemeen In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Vastgesteld moet kunnen worden dat er geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden, 11.1.2 Kostenverhaal Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8.13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13.12 Ow). Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten verhaald worden is de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie (zie artikel 8.13 aanhef en sub a Ob).
Er zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen. 11.1.3 Situatie plangebied In het voorliggende geval wordt een kostenverhaalsovereenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente Hardenberg. Hierin wordt tevens het risico van nadeelcompensatie opgenomen zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven. 11.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
11.2.1 Participatie Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief. Plaatselijk Belang Collendoorn De bouwplannen zijn voorgelegd aan het Plaatselijk Belang Collendoorn. Het plaatselijk Belang Collendoorn heeft aangegeven positief tegenover deze bouwplannen te staan en geven aan geen problemen te hebben met de ontwikkeling. Het Plaatselijk Belang heeft aangegeven dat zij tevreden zijn met een tijdelijke ontsluiting op de Collendoornerdijk Aangegeven aan hen is dat dit een tijdelijke ontsluiting is en zodra de bouwwegen van deelgebied De Velden gereed zijn dat de tijdelijke ontsluiting dan wordt afgesloten en wordt verwijderd zodat deze niet meer gebruikt kan worden door de aanwonenden of (toekomstige) bewoners van de wijk Marslanden of deelgebied De Velden. De aanwezigen gaven wel aan dat ze graag zien dat er een maximale termijn in het bestemmingsplan
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn | PAGINA 48
wordt aangehouden/opgenomen (bijv. tijdelijke ontsluiting voor maximaal 5 jaar) Verder zien zij ook graag in het bestemmingsplan beschreven dat deze tijdelijke ontsluiting alleen door aanwonenden van dit bouwplan bestemd is en dat gebruik van de tijdelijke ontsluiting niet door bouwverkeer of bewoners van de Marslanden gebruikt mag worden. Naaste buren/omwonenden Er is met verschillende buren gesproken over de bouwplannen. De buren laten zich positief uit over dit plan, wel zijn er enkele buren kritisch over de tijdelijke ontsluiting. Ook zij geven (net zoals Plaatselijk Belang Collendoorn) aan dat zij hier graag een maximale termijn benoemd zien. De buren zien dit graag opgenomen in de regels met betrekking tot de ontsluiting. De buren kunnen zich verder vinden in de ontwikkeling en geven aan positief in de ontwikkeling te staan. 11.2.2 Vooroverleg instanties 11.2.2.1 Het Rijk In het Bkl zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Bkl is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke omgevingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit TAM-omgevingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 11.2.2.2 Provincie Overijssel Voorliggend TAM-omgevingsplan zal in het kader van vooroverleg worden voorgelegd aan de provincie Overijssel.
11.2.2.3 Waterschap Vechtstromen Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde 'normale procedure' van de watertoets van toepassing is. Nader overleg met het waterschap wordt gedurende het TAM-omgevingsplantraject uitgevoerd. 11.2.3 Zienswijzen Voorliggend TAM-omgevingsplan heeft voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode is één zienswijze binnengekomen. De zienswijze geeft geen aanleiding tot een wijziging van het TAM-omgevingsplan. De beantwoording van de zienswijze is opgenomen in het raadsvoorstel voor vaststelling van dit plan.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn | PAGINA 49
Hoofdstuk 12
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
Op basis van artikel 4.2 van de Omgevingswet bevat het omgevingsplan voor de hele gemeente de regels die nodig zijn voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In het Bkl staan de instructieregels voor de hoofdonderwerpen. Een omgevingsplan houdt in ieder geval voldoende rekening met onderstaande onderwerpen: waarborgen van veiligheid; beschermen van waterbelangen; beschermen van gezondheid en milieu; beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed; het behoud van ruimte voor toekomstige functies; het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen; het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen; Deze onderwerpen zijn beoordeeld in hoofdstuk 3 tot en met hoofdstuk 10. Hieruit blijkt dat het plan met alle aspecten rekening houdt. Geconcludeerd wordt dat met deze wijziging van het omgevingsplan sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn | PAGINA 50