2. Toelichting bestemmingsplan "Buitengebied Hardenberg, Langewijk 32 Dedemsvaart"
Tekst van het document
De gemeente zorgt voor passend hergebruik van vrijkomende agrarische bebouwing. Opgaven per gebied De gemeente zet zich al lang in om ontwikkelingen in het buitengebied bij te laten dragen aan versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het beleid beschrijft daarom voor elk landschapstype de belangrijkste gebiedskenmerken en ontwikkelingsrichtingen. Bij het maken van dit beleid waren zowel bewoners als professionals betrokken. De resultaten zijn vastgelegd in Landschap -IdentiteitKaarten (LIK’s). Deze vormen de natuurlijke onderlegger voor ontwikkelvisies voor verschillende deelgebieden. In dit geval ligt het plangebied in het veenontginningslandschap. De gemeente geeft hier ruimte aan de landbouw. De gemeente maakt functietransformaties van vrijkomende agrarische bebouwing mogelijk. De gemeente richt ook op behoud en aanvulling van passende landschapselementen zoals bosjes en singels. Aandachtspunten voor natuurlijke en landschappelijke kwaliteiten De natuurlijke en landschappelijke kwaliteiten in het landelijk gebied blijven voortdurend aandacht vragen. Natuur en landschap staan onder druk, vanwege de energietransitie, klimaatmaatregelen en de transitie in de landbouw. Tegelijk vormen deze ontwikkelen juist een kans om bij te dragen aan de 30
Landstad Hardenberg en de ‘regio van het gezonde leven’. In de dialoog ‘bouw je eigen buurt’ was de zorg voor een gezonde en groene leefomgeving een speerpunt. Een goede landschappelijke en ruimtelijke inpassing van vrijkomende agrarische bebouwing is hiervan een voorbeeld. De regeling ‘Erven met kwaliteit’ (voorheen rood-voor-rood) blijft hierbij het kader. Dit sluit aan bij de landelijke trend om meer ruimtelijke kwaliteit toe te voegen in de fysieke leefomgeving. Ruimtelijke kwaliteit ziet de gemeente als “datgene wat ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is”. De provincie gebruikt deze omschrijving ook. Ambities: •
De gemeente geeft een extra kwaliteitsimpuls aan de groene omgeving waarbij de verschillende landschappen herkenbaarder worden. Gebiedsgerichte projecten versterken enerzijds de landschappelijke relaties en biodiversiteit in het landelijk gebied zelf en anderzijds de relatie tussen het landelijk gebied en de kernen. Dit overstijgt de huidige perceel gerichte benadering.
•
•
De gemeente zoekt naar nieuwe economische dragers in het landelijk gebied om gebiedsgerichte projecten te kunnen financieren. Een voorbeeld is het bieden van ruimte aan tweede woningen. De investeringsruimte die hiermee ontstaat zet de gemeente in voor kwaliteitsverbetering van de fysieke leefomgeving van het buitengebied. De gemeente onderzoekt hoe inkomsten uit grootschalige(r) toekomstige ontwikkelingen in het landelijk gebied kunnen inzetten voor de kwaliteit van de groene leefomgeving. Denk aan koppeling van geldstromen rond de energietransitie of klimaatadaptatie. Dit kunnen ook nieuwe economische dragers in het landelijk gebied worden.
•
De gemeente stimuleert groenblauwe diensten ter ondersteuning van de gebiedsgerichte projecten. Deze dragen bij aan nieuwe kwaliteitsimpulsen voor de groene leefomgeving.
Toetsing van het initiatief aan de gemeentelijke omgevingsvisie ‘Landstad Hardenberg’ Deze ontwikkeling draagt bij aan de algemene ambitie van de gemeentekwaliteit toe te voegen. De sloop van vervallen gebouwen en realisatie van twee toekomstbestendige wooneenheden wordt hieraan bijgedragen. Ten aanzien van het thema 'Hardenberg in Balans' geldt dat het initiatief bijdraagt aan het vitaal houden van het landelijk gebied en de versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Voor wat betreft de gebiedsgerichte opgaven geldt dat het gemengd gebied ten westen van Dedemsvaart zich uitstekend leent voor functietransformaties van vrijkomende agrarische erven in combinatie met aanvullende passende landschapsmaatregelen. Het sluit hier naadloos op aan. Tot slot geldt voor de natuurlijke en landschappelijke kwaliteiten dat specifiek benoemd is dat het beleid 'Erven met kwaliteit' bijdraagt aan een versterking van deze kwaliteiten. Onderhavige ontwikkeling is daar een voorbeeld van. Ook worden de twee compensatiewoningen gezien als nieuwe economische drager van het landelijk gebied. Samenvattend wordt gesteld dat het initiatief past binnen de omgevingsvisie 'Landstad Hardenberg'. 31
3.3.2 Visienota Buitengebied Hardenberg Algemeen De gemeente Hardenberg heeft de hoofdlijnen van het nieuwe ruimtelijke beleid voor het totale buitengebied van de gemeente Hardenberg geformuleerd in de 'Visienota Buitengebied Gemeente Hardenberg'. De nota richt zich vooral op de realisatie van ruimtelijke kwaliteiten in het buitengebied. De ruimtelijke visie zoals vastgelegd in de visienota heeft de basis gevormd voor de bestemmingsplannen “Buitengebied Hardenberg, Reestdal en Bergentheim-Zuid” en “Buitengebied Hardenberg”. De hoofddoelen van het ruimtelijk beleid zoals verwoord in de 'Visienota Buitengebied' zijn: •
Op een duurzame en efficiënte wijze ruimte scheppen voor de verschillende ruimte vragende functies;
•
Het vergroten van de leefbaarheid van het platteland; Het vergroten van de ruimtelijke kwaliteit.
•
Deze hoofddoelen zijn in de visienota als volgt vertaald: 1. een thematische benadering van het buitengebied (8 thema's); 2. een gebiedsgerichte benadering van het buitengebied; 3. uitgangspunt hierbij: de landschapstypen en de visuele landschapskenmerken; 4. een ontwikkelingsgerichte wijze van bestemmen. Thematische benadering – visie voor wonen De visie voor de 8 thema's wordt hierna weergegeven, in dit geval is voor het thema 'wonen' van belang. Het gemeentelijk beleid ten aanzien van het thema 'wonen' is gericht op: •
Behoud van een gevarieerd woningaanbod in het buitengebied, zowel qua inhoud van de woningen als qua verschijningsvorm;
•
De afstemming van de maximale inhoudsmaat van woningen in het buitengebied op de gebiedskenmerken;
• •
Het bieden van ruime mogelijkheden voor inwoning; Het bieden van de mogelijkheid om aan vrijgekomen agrarische bedrijfsgebouwen een woonfunctie toe te kennen; waarbij ruimere mogelijkheden gelden naarmate meer
•
oppervlakte aan landschapsontsierende bedrijfsgebouwen worden afgebroken; Het tegengaan van permanente bewoning van recreatiewoningen; Het bieden van ruimte voor opvulling van open gaten in bebouwingslinten met woningbouw
•
of kleinschalige bedrijvigheid.
32
Gebiedsgerichte benadering – Dedemsvaart Zuid Volgens de Visienota buitengebied van gemeente Hardenberg ligt onderhavig plangebied in het gebied ‘Dedemsvaart Zuid’. Het landschapstype ter plaatse is Besloten Veenontginningslandschap, dit is goed te zien aan de vlakke ligging, de openheid en regelmatigheid en de openstrekkende strokenverkaveling. Het gebied is primair aangewezen als agrarisch ontwikkelingsgebied (Visienota Buitengebied, laat zien dat de locatie hieronder valt). Volgens Erven met Kwaliteit worden in dit gebied geen nieuwe woningen toegestaan, vanwege de mogelijke belemmering van de landbouwontwikkeling. Echter is de Langewijk 32 het enige erf met een agrarische bestemming aan de Langewijk. Ook ligt de locatie erg dichtbij bij het centrum van Dedemsvaart. Aan de Langewijk is al veel lintbebouwing en de omliggende woningen hebben allemaal een woonbestemming. Bovendien ligt het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf aan de Hoofdvaart 196 op ongeveer 515 meter afstand. Het is dus niet een gebied met veel agrarische bedrijven. De woning Langewijk 36 aan de oostzijde zit op slechts 10 meter van de erfgrens van het agrarische bedrijf van initiatiefnemers. Daardoor is de Langewijk 32 niet geschikt voor de voortzetting van een agrarisch bedrijf of voor een verplaatser die een ander agrarisch bedrijf moet kopen.
De bestemming van de Langewijk 32 kan daarom omgezet worden naar wonen, zonder dat dit nadelige gevolgen heeft voor de agrarische bedrijven en omdat het prima zou passen in de omgeving. Ook het realiseren van twee compensatiekavels heeft geen nadelige gevolgen voor de omliggende agrarische bedrijven. In afbeelding 6 is een uitsnede van de visiekaart weergegeven, waarop de locatie met een rode ster is aangeduid.
Afbeelding 9: Uitsnede visiekaart Visienota Buitengebied (bron: Gemeente Hardenberg)
33
Voor de ontwikkeling is een ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld, zodat de ontwikkeling op een adequate wijze wordt ingepast in het landschap. De omliggende gebiedskenmerken zijn hierbij leidend geweest. In deze toelichting wordt ook aangetoond dat de ontwikkeling geen belemmering met zich meebrengt voor omliggende functies en dat het milieubelang zorgvuldig is afgewogen. Met het initiatief wordt aangesloten bij het perspectief om op duurzaam en efficiënte wijze ruimte te scheppen voor de verschillende functies. Toetsing van het initiatief aan de Visienota Buitengebied Hardenberg Dit plan voorziet in de wijziging van de bestemming van een voormalig agrarisch erf naar een woonfunctie. Ook wordt door sloop van vervallen bebouwing de leefbaarheid van het platteland vergroot. Tenslotte kan worden geconcludeerd dat wordt bijgedragen aan het streven om landschapsontsierende bedrijfsgebouwen te slopen, dit sluit aan bij de hoofdambitie om het platteland leefbaar te houden en de ruimtelijke kwaliteit te vergroten. Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat dit plan in overeenstemming is met de 'Visienota Buitengebied gemeente Hardenberg'.
3.3.3 Beleidsnotitie Erven met kwaliteit De gemeente Hardenberg heeft in februari 2020 de beleidsnotitie 'Erven met kwaliteit' vastgesteld. Aanleiding voor het opstellen van deze notitie is de onlangs gehouden evaluatie van het rood-voorrood beleid van de gemeente Hardenberg. Dit beleid dateert uit 2006 en is, na een eerste evaluatie in 2010, in het voorjaar van 2019 opnieuw geëvalueerd. Uitkomst van deze evaluatie is, dat het beleid niet meer goed aansluit bij de huidige praktijk. Daarom is besloten om het beleid te vervangen door nieuw beleid, met ruimere toepassingsmogelijkheden. De doelstelling van het beleid blijft echter onveranderd, namelijk de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied, door de sloop van landschapsontsierende gebouwen. Gebiedsgerichte benadering Het bestemmingsplan Buitengebied (2014) kent een gebiedsgerichte benadering. De basis hiervoor is gelegd in de visienota Buitengebied. De gebiedsgerichte benadering houdt in, dat in het ruimtelijk beleid rekening wordt gehouden met de zes verschillende landschapstypen in de gemeente, te weten de open en besloten veenontginningen, de open en besloten heideontginningen, de essen en hoevenlandschappen en de beekdalen van de Vecht en de Reest. Per landschapstype verschillen de bouw- en ontwikkelingsmogelijkheden.
Zo zijn de grootschalige, open heide- en veenontginningslandschappen aangewezen als agrarische ontwikkelingsgebieden, omdat landbouw de functie is die het best bij de gebiedskenmerken past. In de kleinschaliger gebieden wordt daarnaast ook veel ruimte geboden voor andere functies, zoals wonen, natuur en recreatie.
34
Het beleid kent een functionele gebiedsgerichte benadering. Dat wil zeggen dat in de gebieden die primair zijn aangewezen voor de landbouw zeer terughoudend wordt omgegaan met de toepassing van rood-voor-rood. Daar wordt de “nee, tenzij” benadering toegepast. Het gaat dan om de gebieden die in de visienota Buitengebied zijn aangewezen als agrarisch ontwikkelingsgebied, te weten: Bergentheim-Zuid, Dedemsvaart-Zuid, Slagharen-De Krim en Westerhuizingerveld. In de overige gebieden wordt de “ja, mits” benadering toegepast. Deze benadering houdt in dat in agrarische ontwikkelingsgebieden wel schuren als landschapsontsierend kunnen worden aangemerkt maar dat in deze gebieden geen nieuwe woningen worden toegestaan, vanwege de mogelijke belemmering voor de landbouwontwikkeling. Landschapsontsierend Het belangrijkste uitgangspunt voor het bepalen van de landschapsontsierendheid van een gebouw is dat een erf niet op zichzelf staat, maar een eenheid vormt met het landschap. De eenheid tussen het erf en zijn omgeving komt tot uiting in stedenbouwkundige opzet en de landschappelijk structuur van het gebied. (hoe gaat het erf op in zijn omgeving). Per landschapstype verschilt de stedenbouwkundige opzet en de landschappelijk structuur.
Of een gebouw landschapsontsierend is, moet worden bezien in relatie tot de gebiedskenmerken (uit de LIK en de welstandsnota) en wordt bepaald door een aantal kenmerken, te weten: • • • • • • •
het volume; de vorm van het gebouw; het materiaalgebruik; het kleurgebruik; de uitstraling; de situering op het erf; de passendheid bij de overige bebouwing op het erf.
Daarnaast kan een gebouw ook als landschapsontsierend worden aangemerkt als hetgeen (potentiële) gebruikswaarde meer heeft. Een gebouw waarvan aannemelijk is gemaakt dat het niet voor andere (economische) doeleinden geschikt is heeft namelijk geen gebruikswaarde, komt leeg te staan, verloedert en wordt daarmee vanzelf landschapsontsierend.
35
Sloopopgave
Er wordt 1526,5 m2 gesloopt aan gebouwen met asbest. Dit is volgens de beleidsnotie “Erven met Kwaliteit” onvoldoende voor het toestaan van twee woningen. Volgens de beleidsnotitie moet er 2 x 850 m2= 1.700 m2 gesloopt worden. In de beleidsnotitie “Erven met Kwaliteit” staat ook het volgende: Bij de berekening van de (minimaal) te slopen oppervlakte blijft per bestaande woning 150m2 aan gebouwen en overkappingen buiten beschouwing, omdat deze oppervlakte als bij de woning behorend bouwwerk mag blijven staan of worden teruggebouwd en daarom niet blijvend wordt gesaneerd. Daarom zetten wij de hooiberg van 80 m2 in om aan deze 150 m2 te komen. Dat betekent dat er 1.526,5 m2- 70 m2 = 1.456,5 m2 wordt ingezet voor het bouwen van 1 gebouw met 2 wooneenheden. Normaal kom je dan 243,5 m2 tekort. Dit zal worden gesloopt op het erf van de intitiatiefnemer. Het bijgebouw voor de 2 wooneenheden in 1 gebouw bedraagt in totaal 200 m 2. Het bijgebouw bij de bestaande woning bedraagt 100m 2 in totaal. Bij de vaststelling van dit beleid is er een motie aangenomen op 28 januari 2020 dat een gereduceerd sloopoppervlakte voor een twee- of driekapper zou kunnen bijdragen aan kwalitieve ontwikkeling in het buitengebied. De gereduceerde te slopen oppervlakte wordt toegepast als pilot volgens de motie van de gemeenteraad.
Hierdoor draagt deze ontwikkeling bij aan een eenduidig beeld aan de Langewijk, omdat hier alleen maar woonbestemmingen liggen. Ook zorgt een woning met 2 wooneenheden (2 onder 1 kapper) dat het ook voor jongeren en senioren betaalbaar is. De woonbestemming draagt ook bij aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving.
36
Locatie nieuwbouw Deze regeling gaat in de eerste plaats uit van de bouw van de nieuwe woning(en) op het eigen erf, dat wil zeggen op het erf van de slooplocatie. Dit uitgangspunt komt voort uit de gebiedsgerichte benadering: de slooplocatie en de ontwikkellocatie moeten zo dicht mogelijk bij elkaar liggen. De bouw van de compensatiewoning(en) moet daarom bij voorkeur op het bestaande erf plaatsvinden en als dat niet lukt in hetzelfde gebied. Deze benadering is ook opgenomen in de structuurvisie Kwaliteitsimpuls landschap. De begrenzing van een bestaand erf wordt bepaald door de feitelijke situatie en niet door de juridische begrenzing van de (woon)bestemming. Inhoud woning De twee wooneenheden zullen samen een totale inhoud hebben van 1.200 m 3. Wij hebben hiervoor gekeken naar meerdere woningen aan de Langewijk met een groter bouwvolume.Hieronder een opsomming van de woningen en de bijbehorende inhoud; Langewijk 2
ca. 2.780 m3
Lange wijk 14 Langewijk 26
ca. 1.595 m3 ca. 2.050 m3
Langewijk 30
ca. 1.100 m3
Een inhoud van 1.200 m3 voor de nieuwbouw is daarom passend in de omgeving. Eén-erfgedachte Bij de erfinrichting hanteert de gemeente de één-erfgedachte. De één-erfgedachte houdt in dat zowel de nieuwe inrichting van het erf als de nieuwe bebouwing op het erf bijdragen aan het behoud en zo mogelijk het versterken van de oude erfstructuur. Het karakter van het agrarische erf moet ook na functieverandering nog beleefbaar zijn. Vaak leidt de één-erfgedachte ertoe dat er sprake is van één gezamenlijke inrit en van een centraal erf, van waaruit de verschillende woningen en bijgebouwen bereikbaar zijn, maar dat hoeft niet altijd het geval te zijn. Vanuit de één-erfgedachte moet in elk geval worden voorkomen dat er tussen de woningen schuttingen of gesloten hagen worden aangebracht, waardoor er visueel gescheiden erven ontstaan. Toetsing van het initiatief aan de beleidsnotitie ‘Erven met kwaliteit’ In dit geval ligt het plangebied in een deelgebied waar de “nee, tenzij” benadering toegepast wordt voor de bouw van nieuwe woningen. Volgens het beleid moet er 850 m 2 (met asbest) of 1000 m2 (zonder asbest) gesloopt worden voor het toevoegen van 1 woning.
Volgens het beleid moet er 2.000m2 (met asbest) of 2.200m2 (zonder asbest) gesloopt worden voor het toevoegen van 2 vrijstaande woningen.De beleidsnotitie ‘Erven met kwaliteit’ biedt geen mogelijkheid voor het realiseren van een twee- of driekapper met het slopen van 1.456,5 m2. In de beleidsnotie is er alleen een mogelijkheid opgenomen voor 1 of meerdere vrijstaande woningen. 37
Bij de vaststelling van dit beleid is er een motie aangenomen op 28 januari 2020 dat een gereduceerd sloopoppervlakte eis voor een twee- of driekapper zou kunnen bijdragen aan kwalitieve ontwikkeling in het buitengebied. En zorgt voor betaalbare woningen in het buitengebied voor jongeren en senioren. Door de realisatie van een gebouw met 2 wooneenheden draagt dit initiatief bij aan de leefbaarheid van het buitengebied. Bovendien heeft de gemeente aangegeven op deze locatie te willen meewerken aan de realisatie van twee wooneenheden onder 1 kap, omdat een woonbestemming bijdraagt aan de ruimtelijk kwaliteit van de omgeving. In de directe omgeving van het plangebied zijn er enkel andere woonbestemmingen te vinden. Daarnaast brengt het slopen van de opstallen ten behoeve van de 2 wooneenheden in een boerderijtype meer eenduidigheid aan de Langewijk. Dit draagt daarmee bij aan de ruimtelijke kwaliteit van en omgeving en het voorkomen van verdere verrommeling van het platteland door stoppende agrarische bedrijven. De te slopen bebouwing is als landschapsontsierend aangemerkt. Voor de locatie is een ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld, die afgestemd is met de gemeente. Hierbij is de locatie aan een landschappelijke en stedenbouwkundige toets onderworpen. In dit plan is aangetoond dat er ter plaatse van de locatie sprake is van een milieutechnisch wenselijke situatie.
De locatie van de compensatiekavel voor twee wooneenheden bevindt zit op het bestaande erf. De locatie is hiermee logisch en in lijn met het beleid omtrent de locatie van de nieuwbouw. Tot slot wordt gesteld dat met het ruimtelijk kwaliteitsplan nadrukkelijk rekening is gehouden met de één-erfgedachte. Geconcludeerd wordt dat het initiatief niet in overeenstemming is met de te slopen oppervlakte genoemd in de beleidsnotitie 'Erven met kwaliteit', maar wel voldoet aan de gereduceerde eis voor sloopoppervlakte in de motie van 28 januari 2020 waardoor dit plan als pilot beschouwd kan worden. De eis voor de sloopoppervlakte is in overeenstemming met het genoemde aantal m2 in het principebesluit.
3.3.4 Toekomstvisie gemeente Hardenberg 2013-2023 Algemeen De toekomstvisie voor de gemeente Hardenberg is vastgesteld door de gemeenteraad van Hardenberg op 23 april 2013. Dit plan kent drie doelstellingen: • • •
samenhang in diverse gemeentelijke beleidsvelden ondersteunen; een helder profiel naar buiten toe creëren; strategische politieke keuzes maken.
Het resultaat is een visie met strategische keuzes die een duidelijke ontwikkelingsrichting geeft. De toekomstvisie is een levend document dat de gemeente geregeld zal bijstellen om in te kunnen 38
spelen op nieuwe kansen en mogelijkheden. Het biedt houvast voor de langetermijnkoers van de gemeente. Programmalijn 2: Wonen De mensen waarderen de leefbare woonomgeving van de gemeente Hardenberg. Voorzieningen en de fysieke leefomgeving spelen daarbij een belangrijke rol. Om vitale kernen te houden, is het nodig dat alle leeftijdsgroepen kunnen blijven wonen. Vanwege demografische ontwikkelingen (kleinere huishoudens, vergrijzing) moet er anders gebouwd worden. Daarnaast zijn extra starterswoningen nodig. De gemeente wil naar behoefte bouwen, waarbij het zwaartepunt ligt op de kernen Hardenberg en Dedemsvaart. Doel van woningbouw in de grote kernen (Balkbrug, Bergentheim, Gramsbergen, Slagharen) is om door groei van het aantal woningen de bevolking op peil te houden. Ook in de grote kernen is het particulier initiatief en het draagvlak binnen de kern voor de gemeente het uitgangspunt om voorzieningen te ondersteunen De gemeente levert hier een grotere inspanning, omdat deze voorzieningen een functie hebben voor het omliggende gebied en daarmee een groter draagvlak hebben om kwaliteit te kunnen leveren. Bundeling en samenwerking zijn voor voorzieningen in de grote kernen van belang om kwaliteit en duurzaamheid te kunnen waarborgen. Niet alle grote kernen hoeven dezelfde voorzieningen te hebben.
Uitruil en samenwerking tussen kernen kan ook een hulpmiddel zijn om voorzieningen te behouden of te versterken. Een actieve bevolking is hierbij het uitgangspunt. De gemeente kan samenwerking tijdelijk ondersteunen en eventueel op gang brengen. Voor het publieke belang levert de gemeente een – niet financiële – inspanning om aanwezige voorzieningen met een ruim draagvlak in stand te houden. Doelstellingen Programmalijn Wonen: • • • • • • • •
Bouwen op basis van behoefte; Bouwen voor doelgroepen; Duurzaam bouwen; Bieden van een ontmoetingsplek op basis van draagvlak en versterken sociale cohesie; Zorg voor kwetsbare groepen en onderlinge hulp; Verbeteren kwaliteit van onderwijs en zorg, voor zover dat een wettelijke taak is; Verbeteren woon- en ondernemersklimaat;
•
Bevorderen van een veilige en leefbare woonomgeving; Bevorderen zelfredzaamheid van de samenleving;
•
Verminderen regels en deze strikter handhaven;
Toetsing van het initiatief aan de ‘Toekomstvisie Gemeente Hardenberg 2013-2023
39
De realisatie van de twee wooneenheden draagt bij aan het bouwen voor lokale behoefte en het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, temeer omdat ter compensatie een meervoud aan landschapsontsierende bebouwing gesloopt wordt. Met het plan wordt in algemeenheid het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied verbeterd. Geconcludeerd wordt dat het initiatief aansluit bij het gestelde in de Toekomstvisie Hardenberg 2013-2023. 3.3.5 LIK (Landschap Identiteit Kaart) en Ontwikkelingsvisie – Dedemsvaart – Zuid, RheezerveenHeemserveen Algemeen De gemeente heeft voor het gebied een Landschap-Identiteit-Kaart (LIK) gemaakt. In de LIK wordt de identiteit van het gebied bepaald zoals de specifieke kenmerken en kwaliteiten. Op deze wijze wil de gemeente de ruimtelijke kwaliteit van het gebied versterken. Er zijn in totaal zeven deelgebieden, het plangebied ligt in deelgebied: Dedemsvaart-ZuidRheezerveen- Heemserveen. Dit is in afbeelding 7 weergegeven. Het plangebied is met de rode cirkel aangegeven.
Afbeelding 10: Uitsnede LIK (bron: Gemeente Hardenberg)
Ontwikkelvisie Besloten Veenontginningslandschap Voor dit type landschap is een SWOT-analyse opgesteld waarin de sterke/zwakke punten alsmede de kansen en bedreigingen worden genoemd. Hieronder enkele sterke punten van het gebied: ❖ Rationele, lange strokenverkaveling 40
❖ Half open tot besloten landschap ❖ Verspreide bebouwing ❖ Rechthoekige erven met kopgevel naar de weg ❖ Strak, rechtlijnig wegenpatroon ❖ Donker gebied ❖ Beslotenheid Colenbrandbos Als ontwikkelingsvisie voor dit gebied worden benoemd; het faciliteren van bestaande functies, ontwikkeling agrarisch grondgebruik: Verbreding (kamperen bij de boer), bij bedrijfsbeëindiging mogelijkheden hergebruik VAB voor nieuwe kleinschalige bedrijvigheid en kleinschalige dag- en verblijfsrecreatieve voorzieningen; Toetsing van het initiatief aan het LIK Voorliggend plan heeft betrekking op een rood-voor-rood ontwikkeling waarbij er ter compensatie van sloop een boerderijwoning met 2 wooneenheden wordt gebouwd. De woning past binnen het streven om diverse functies, waaronder wonen, te realiseren. De omzetting van de huidige agrarische bestemming naar een woonbestemming heeft daarnaast een positieve invloed op de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving aangezien de landschapsontsierende bebouwing wordt gesloopt en de nieuwe woning wordt landschappelijk ingepast. Dit wordt beschreven in het ruimtelijk kwaliteitsplan. Daarnaast heeft alle overige bebouwing aan de Langewijk al een woonbestemming. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat er voldaan wordt aan het LIK.
3.3.6 Woonvisie Algemeen Het Programma Wonen is op 26 maart 2019 door de gemeenteraad van Hardenberg vastgesteld. Het programma legt de woonambities voor de langere termijn vast, maar voorziet daarnaast in concrete maatregelen voor de eerstvolgende twee jaar. Ambitie: rust en ruimte, met oog voor elkaar ook in de toekomst In de gemeente Hardenberg is het al jaren goed wonen, werken en leven. Door de ligging in het groene Vechtdal en de vele aantrekkelijke kleine kernen ervaren inwoners en bezoekers de rust, ruimte en veiligheid die de gemeente Hardenberg kenmerkt. Tegelijkertijd zijn er met Hardenberg en Dedemsvaart twee stedelijke kernen waar de werkgelegenheid zich concentreert en alle voorzieningen te vinden zijn. Demografen verwachten dat het aantal inwoners en huishoudens van de gemeente Hardenberg het komende decennium zal blijven groeien. In tegenstelling tot de situatie in de meeste andere Nederlandse plattelandsgemeenten is nieuwbouw noodzakelijk om aan de lokale woningvraag te kunnen voldoen. Volgens de prognoses is er in de gemeente Hardenberg de komende tien jaar behoefte aan ruim 1.600 nieuwe woningen. Natuurlijk zijn er wel verschillen tussen de diverse 41
kernen. Zo zijn ‘steden’ Hardenberg en Dedemsvaart in trek als woonlocatie, ook voor huishoudens van buiten onze gemeente en zijn de dorpen en buurtschappen vooral gewild bij de lokale bevolking en rustzoekers van buitenaf. De afgelopen jaren is, mede door de ladder voor duurzame verstedelijking, sterk ingezet op woningbouw op locaties binnen bestaand stedelijk gebied. Het bouwen van woningen op inbreidingslocaties is een goed streven, als dat betekent dat de kwaliteit van het gebied en de woonkwaliteit daarmee vergroot wordt. Toetsing van het initiatief aan de woonvisie Dit plan voorziet in de bouw van een vrijstaande woning met 2 wooneenheden. Met dit initiatief wordt ingespeeld op de concrete, lokale behoefte op de woningmarkt. Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de gemeentelijke woonvisie.
3.3.7 Bestemmingsplan Het bestemmingsplan “Buitengebied Hardenberg” is in hoofdzaak conserverend van aard. Dit betekent dat de bestaande situatie is vastgelegd. Tegelijkertijd wil de gemeente op een duurzame en efficiënte wijze ruimte scheppen voor (nieuwe) ontwikkelingen in het buitengebied. Het is de ambitie van de gemeente om deze ontwikkelingen in het buitengebied te laten bijdragen aan de versterking van de ruimtelijke kwaliteit. De gemeente zet daarbij in op het leggen van verbindingen tussen bestaande kwaliteiten en de nieuwe ontwikkelingen. Geen van de wijzigingsbevoegdheden in het bestemmingsplan is op deze situatie van toepassing. Het plan voor het slopen van 1.456,5 m2 landschapsontsierende bebouwing en hiervoor mogen realiseren van een extra bouwvolume met daarbinnen 2 wooneenheden, is getoetst door de gemeente Hardenberg naar aanleiding van het ingediende principeverzoek.
42
4 Milieu- en omgevingsaspecten In dit hoofdstuk worden alle ruimtelijk relevante omgevingsfactoren op een rij gezet en belangen afgewogen. De belangenafweging moet aantonen dat de betreffende ontwikkeling aan een goede ruimtelijke ordening voldoet. Daarbij wordt op het volgende ingegaan: ❖ Geluid; ❖ Bodem; ❖ Luchtkwaliteit; ❖ Externe veiligheid; ❖ Bedrijven en milieuzonering; ❖ Geur; ❖ Ecologie; ❖ Archeologie en cultuurhistorie; ❖ Water; ❖ Verkeer en parkeren; ❖ Besluit milieueffectenrapportage;
4.1
Geluid
De Wet geluidhinder (Wgh) vormt een belangrijk juridisch kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De wet biedt geluidsgevoelige gebouwen en terreinen (zoals woningen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, psychiatrische inrichtingen en de terreinen daarom heen) be scherming tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai door middel van zonering. Voor de geluidsgevoelige objecten moeten bepaalde grenswaarden in acht worden gehouden. Situatie plangebied Het verrichten van een akoestisch onderzoek is in het voorliggende geval niet noodzakelijk voor de bestaande woning binnen het plangebied, omdat de functie van de bestaande bedrijfswoning de functie ‘wonen’, niet wijzigt. Daarnaast is in artikel 76 van de Wgh bepaald dat de geluidsbelasting van een aanwezige weg op bestaande woningen niet getoetst hoeft te worden aan de grenswaarden. Hieronder valt het omzetten van een agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning. In dit geval wordt er wel twee geluidsgevoelige objecten, in één bouwvorm, toegevoegd, namelijk de twee wooneenheden. Hierna wordt voor deze woningen achter eenvolgens op de aspecten wegverkeer-, railverkeer- en industrielawaai ingegaan. Wegverkeerslawaai In artikel 74.1 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben.
In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte afhankelijk is van het aantal rijstroken en van de ligging van het plangebied binnen stedelijk gebied of buiten stedelijk gebied. De woning ligt binnen de wettelijke geluidszone van de Langewijk, de afstand in buitenstedelijk gebied moet 43
minimaal 250 meter zijn. De voorkeurswaarde voor de geluidbelasting op de gevels van een woning ten gevolge van een weg bedraagt 48 dB. Omdat de woningen binnen de geluidzone van de Langewijk zijn gelegen, dient de geluidsbelasting ten gevolge van het wegverkeerslawaai te worden vastgesteld en getoetst aan de grenswaarden van de Wet geluidhinder. De geluidsbelasting ten gevolge van de Langewijk bedraagt ten hoogste Lden = 48 dB (incl. aftrek art 110g Wgh). Omdat wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB ontmoet dit bouwplan vanuit het aspect wegverkeerslawaai geen bezwaren. Het akoestisch rapport is bijgevoegd als bijlage 7. Railverkeerslawaai en industrielawaai Het plangebied ligt niet in de nabijheid van een spoorlijn of een gezoneerd bedrijventerrein. De aspecten 'railverkeerslawaai' en 'industrielawaai' vormen van ook geen belemmering voor dit planvoornemen. Conclusie Geconcludeerd wordt dat de Wet geluidhinder geen belemmering vormt voor het plan.
4.2
Bodem
Bij de vaststelling van een plan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. In dit geval is ter plaatse van het plangebied een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. In de volgende paragraaf wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Het volledige rapport is als bijlage 1 opgenomen. Deze versie vervangt de versie 1 van 2 september 2022 en versie 2 van 12 oktober 2022. Versie 1 betreft het verkennend bodemonderzoek ter plekke van de nieuw te bouwen woningen. Versie 2 is uitgebreid met het nader asbestonderzoek ter plekke van de westelijke oprit. In versie 3 is ook het verkennend (asbest)bodemonderzoek op het overige deel van het erf opgenomen. Conclusie Rapport verkennend en nader (asbest) bodemonderzoek, februari 2023. (versie 3) Het grootste deel van het erf is schoon of zeer licht verontreinigd, alleen onder de asfaltverharding is verontreining aangetroffen in de bodem. Hier is geen mogelijkheid voor nader onderzoek en omdat deze inrit afgedekt blijft met asfalt, zijn er momenteel geen blootstellingsrisico’s. De voormalige bovengrondse dieseltank heeft geen aantoonbare invloed gehad op de bodemkwaliteit.
44
Druppelzone B en het middenterrein MMFF( boring 20,21 en 22) zijn sterk asbesthoudend. Een nader asbestonderzoek geeft desgewenst meer inzicht in de omvang van de asbestverontreiniging. Er dient voorkomen te worden dat er vermenging ontstaat met de schone grond. De sterk met asbest verontreinigde grond mag niet worden verminderd of verplaatst zonder toestemming van het bevoegd gezag (provincie Overijssel). Voorafgaande aan een eventuele sanering dient een BUS melding of saneringsplan opgesteld te worden en goedgekeurd te worden door het bevoegd gezag. Een sanering mag alleen door hiervoor erkende bedrijven worden uitgevoerd. Zie hierinder een uitsnede van het rapport betreffende de ligging van druppelzone B (de rode lijn bij B2 en B3) en het middenterrein MMFF( boring 20,21 en 22).
Slotconclusie Uit milieukundig oogpunt is er, na sanering van de asbesthoudende puinlaag van de westelijke inrit en de druppelzone B, geen bezwaar tegen de nieuwbouwplannen, aangezien de overig vastgestelde verontreinigingen geen risico’s voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin). De westelijke oprit is inmiddels al gesaneerd, de brief is als bijlage 8. toegevoegd aan deze toelichting. De druppelzone B zal gesaneerd worden wanneer het bestemmingsplan onherroepelijk is. Het middenterrein MMFF( boring 20,21 en 22) blijft verhard waardoor hier geen sanering nodig is.
45
4.3
Luchtkwaliteit
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); 4.3.1 Besluit en regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • •
woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen;
•
kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Veehouderijen zijn niet opgenomen in de Regeling NIBM. Toch is het niet altijd noodzakelijk om met behulp van een berekening vast te stellen of er sprake is van NIBM. Dit kan ook gedaan worden met een motivering, bijvoorbeeld op basis van ervaring. Als hulpmiddel bij de motivering is een vuistregel opgesteld waarmee men kan aantonen of de fijnstofbijdragen van de veehouderijen op het plan is te beschouwen als Niet in Betekenende Mate (NIBM). In de vuistregel is een tabel opgenomen met als uitgangspunt de 3% NIBM grens. In de tabel is sprake van een "worst case" benadering. Dat betekent dat wanneer uit de toets blijkt dat de fijnstofbijdrage van een bedrijf op het beoordelingspunt voldoet aan de 3% NIBM grens, het ook voldoende aannemelijk is dat dit zal blij ken uit een berekening met rekenprogramma ISL3a en deze laatste berekening daarvoor niet nodig is.
46
4.3.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings -, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig.
4.4
Situatie plangebied
4.4.1 Externe werking van het plan Gelet op de aard en om vang van voorliggende ontwikkeling, in verhouding tot de categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 4.3.1 kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende m ate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tot slo t wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangem erkt als een gevoelige bestem m ing in het kader van het 'Besluit gevoelige bestem m ingen'.
4.4.2 Interne werking van het plan Op basis van de "grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland", welke is gepubliceerd door het Rijksinstituut Volksgezondheid en Milieu, zijn op schaal van km2 de gemiddelde achtergrondconcentraties van diverse luchtverontreinigende stoffen aangegeven. De gegevens voor de beoogde compensatiekavel wordt hieronder weergegeven. Parameter
Achtergrondwaarde Achtergrondwaarde Grenswaarde [µg/m2] 2021 [µg/m2] 2030 [µg/m2]
Voldoet (ja/nee)
Stikstofdioxide NO2
<10
<10
640
ja
Zwevende deeltjes PM 10
<14
<14
40
ja
Zwevende
6-8
<6
25
ja
deeltjes PM 2,5 Uit de tabel blijkt dat aan de grenswaarden voor NO2 en PM10 en de blootstellingsconcentratieverplichting voor PM2,5 voldaan wordt.
47
4.4.3 Vuistregel veehouderijen Ten aanzien van de fijnstof afkomstig van veehouderijen in de omgeving, wordt opgemerkt dat in de omgeving van het plangebied geen (intensieve) veehouderijen liggen die van belang kunnen zijn voor de bijdrage van fijnstofconcentratie op het plan. Deze liggen allemaal buiten de gestelde afstand van 160 meter zoals in paragraaf 4.3.1. blijkt.
4.4.4 Conclusie Voorliggend plan draagt 'niet in betekende mate' bij aan luchtverontreiniging. Daarnaast voldoen de achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM2,5 aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Tenslotte voldoet de bijdrage fijnstofconcentratie van omliggende veehouderijen op het plan aan de 3% NIBM drempel. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorgenomen ontwikkeling.
4.5
Externe veiligheid
Aan hand van de Risicokaart Overijssel is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart Overijssel staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In de onderstaande afbeelding is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven.
Afbeelding 11 Risicokaart (bron www.risicokaart.nl), locatie Langewijk 32 is weergegeven met een blauwe cirkel
In het plangebied zijn geen risico’s op korte afstand gevonden. Een tankstation ligt op circa 370 meter afstand, de minimale afstand is 25 meter. De buisleiding aan de westzijde liggen op ruim 1.150 meter van het bedrijf. De Provinciale weg ligt op een afstand van 450 meter. Het plangebied ligt zo ver van deze risicobronnen af, dat externe veiligheid geen rol speelt.
48
4.6
Milieuzonering
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG -uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van d e daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden.
De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Gebiedstypen In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype 'rustige woonwijk' vergelijkbaar omgevingstype. Het omgevingstype 'gemengd gebied' wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' als volgt omschreven: 'Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen.
Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.' De richtafstanden (met uitzondering van het aspect gevaar) uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat noodzakelijk is. 49
Het plangebied ligt in het buitengebied, waar geen sprake is van sterke menging van functies. Daarom wordt uitgegaan van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Onderstaande tabel geeft de richtafstanden weer voor de verschillende omgevingstypes.
Milieucategorie Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 1
10 m
0m
2
30 m
10 m
3.1
50 m
30 m
3.2
100 m
50 m
4.1
200 m
100 m
4.2
300 m
200 m
5.1
500 m
300 m
5.2
700 m
500 m
5.3
1.000 m
700 m
6
1.500 m
1.000 m
Beoordeling Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 4.6.1 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt aangetast. De functie 'wonen' vormt geen milieubelastende functie. In dit geval worden er uitsluitend woonfuncties gerealiseerd. Er is dan ook geen sprake van een aantasting van het woon - en leefklimaat van omliggende functies.
50
4.6.2 Interne werking In de nabijheid van het plangebied liggen geen agrarische bedrijven. Bij veehouderijen geldt, op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', de grootste richtafstand veelal voor het aspect geur. Bij agrarische bedrijven zijn, in het geval van veehouderijen, echter niet de adviesafstanden maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekenende geuremissiecontouren voor vergunning plichtige veebedrijven bepalend. Gezien het voornemen, de planologische omzetting van de agrarische bestemming naar een woonbestemming en het oprichten van twee wooneenheden, is het van belang te toetsen of dit vanuit milieutechnisch oogpunt haalbaar is, gelet op de agrarische bestemminge n aan de Hoofdvaart 196 en Hoofdvaart 200. In de volgende tabel wordt nader op de in de nabijheid aanwezige bedrijven en bijbehorende richtafstanden ingegaan. Hierbij is gemeten tussen de grens die de milieugevoelige woning toelaat en de grens waar de milieubelastende activiteit plaats kan vinden (grens woonbestemmingsvlak/grens agrarisch bouwvlak). Adres
Type bedrijf
Richtafstand (geluid, geur en stof)
Daadwerkelijke afstand
Hoofdvaart 196
Vleesvee en zoogkoeien
100 m (geur, i.v.m. vleesvee)
Circa 510 m tot compensatiewoning
Hoofdvaart 198a/ 200
Melkrundvee
30 m
Circa 620 m tot compensatiewoning
Sponturfwijk 34
Vleeskalveren,
100 m (geur. i.v.m. vleesvee)
Circa 765 m tot compensatiewoning
vleeskuikens en schapen Hoofdvaart 107
Projectontwikkeling en Geen afstand beheer ontroerend goed/
Circa 650 meter tot compensatiewoning
kantoorfunctie Hoofdvaart 115
Projectontwikkeling en
Geen afstand
beheer onroerend goed Hoofdvaart 121
Autoschadebedrijf en
compensatiewoning 30 m (geluid)
schildersbedrijf Hoofdvaart 125
Projectontwikkeling en
Circa 760 meter tot
Circa 725 meter tot compensatiewoning
Geen afstand
beheer ontroerend goed
Circa 700 meter tot compensatiewoning
Hoofdvaart 129
Apotheekpraktijk
Geen afstand
Circa 705 meter tot compensatiewoning
Hoofdvaart 129A
Zakelijke dienstverlening
Geen afstand
Circa 650 meter tot
(Holding, kantoorfunctie)
compensatiewoning
51
Hoofdvaart 199
Tankstation LPG
200 m (gevaar)
Circa 350 meter tot compensatiewoning
Conform de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering worden voor melkveehouderijen richtafstanden aangehouden van 100 meter voor geur, 30 meter voor stof en geluid en 0 meter voor gevaar. De afstanden tot de overige functies is dusdanig groot dat er geen belemmering geldt voor dit plan. Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.7
Geur
4.7.1 Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: •
ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en
•
ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.
Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, buiten een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 2 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 odour units per kubieke meter lucht. De definitie van een geurgevoelig object luidt: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. Bij een gemeentelijke verordening kunnen andere maximale geurbelastingen en minimale afstanden worden vastgesteld. Van deze mogelijkheid heeft de gemeenteraad van de gemeente Hardenberg in 2009 gebruik gemaakt. Op basis van de Geurverordening Hardenberg ge lden onder voorwaarden andere waarden, waarbij een gebiedsindeling in acht is genomen. 52
4.7.2 Geurverordening gemeente Hardenberg De Wgv maakt het voor gemeenten mogelijk om gebiedsgericht geurbeleid op te stellen. Daarmee krijgt de gemeente een instrument om de ontwikkeling van (grootschalige) veehouderij te sturen. Gemeenten mogen bij verordening van de normen van de Wgv afwijken (artikel 6 Wgv), binnen bepaalde grenzen. Het hanteren van afwijkende normen moet worden onderbouwd vanu it een ruimtelijke visie op de ontwikkeling van het gebied, de zogenaamde “gebiedsvisie”. De gemeente Hardenberg heeft een dergelijke 'geurverordening' opgesteld en gebiedsgericht geurbeleid ontwikkeld. In deze geurverordening zijn de wettelijke geurnormen (odour) en afstanden aangepast. De afstand van de gevel van een bestaande stal tot de gevel van een geurgevoelig object moet in het buitengebied minimaal 25 meter bedragen. Dit geldt alleen als er sprake is van het houden van de in artikel 4.2 van de gemeentelijke geurverordening genoemde dieraantallen niet wordt overschreden. Worden deze aantallen overschreden, of gaat het om de bouw van een nieuwe stal, dan geldt de minimale afstandseis van 50 meter. Voor de locatie van de compensatiewoning geldt een norm van 5 Ou[E]/m3. 4.7.3 Activiteitenbesluit Vanaf 1 januari 2013 is het Activiteitbesluit ook van toepassing op agrarische activiteiten. Het Besluit landbouw milieubeheer is tegelijkertijd komen te vervallen.
Agrarische bedrijven hebben geen vergunning meer nodig als al hun activiteiten onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen. Dit zijn type B-bedrijven, zoals veehouderijen, kinderboerderijen (en andere bedrijven die kleinschalig dieren houden), glastuinbouwbedrijven, bedrijven met teelt in gebouwen, bedrijven met open teelt, agrarische loonwerkers en losse opslagen (bijvoorbeeld mest). Voor geurhinder is in het Activiteitenbesluit een soortgelijk beoordelingskader opgenomen als in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Zo gelden binnen en buiten de bebouwde kom dezelfde normen als in de Wgv. Ook de geurbelasting wordt bepaald volgens he t bepaalde in de Wgv. Hetzelfde geldt voor het meten van de afstanden. 4.7.4 Situatie plangebied De geplande ontwikkeling heeft geen gevolgen voor de geurhinder, aangezien woningen geen bron van geurhinder zijn. Wel bevinden zich in de omgeving van het plangebied diverse veehouderijen. In paragraaf 4.5 onder milieuzonering is dat reeds weergegeven. Hierna wordt afzonderlijk op de genoemde bedrijven ingegaan. Allereerst dient echter te worden aangegeven dat het gaat om de realisatie van een compensatiewoning in het kader van rood- voor-rood.
Op basis van de Wet geurhinder en veehouderij (artikel 14.2 lid 2) worden compensatiewoningen in het kader van rood-voor-rood en voormalige agrarische bedrijfswoningen (in combinatie met het buiten werking stellen van een agrarisch bedrijf) gelijk gesteld aan bedrijfswoningen. In deze gevallen dient rekening te worden 53
gehouden met een minimale (vaste) afstandsnorm van 50 meter, ook voor intensieve veehouderijen. Aan deze afstand wordt in alle gevallen voldaan. Verder heeft de gemeente Hardenberg een Geurverordening vastgesteld, waarin een maximale geurbelasting van 14 Ou E/m³ als 98-percentiel is vastgesteld voor het gebied, waarin het perceel aan de Langewijk 32 is gelegen en een minimale afstand is vastgelegd van 25 meter tussen een veehouderij met dieren zonder geuremissiefactoren en een bestaand geurgevoelig object in het buitengebied. Dit betekent dat tussen de (voormalige) agrarische bedrijfswoningen binnen het plangebied en omliggende veehouderijen een afstand van tenminste 25 meter moet worden aangehouden. De compensatiewoning dient te worden geprojecteerd op een afstand van tenminste 50 meter van de omliggende veehouderijen. De afstand van 25 meter uit de Geurverordening Hardenberg is hierbij niet van toepassing, omdat het gaat om een nieuw geurgevoelig object. In de directe omgeving van het plangebied aan de Langewijk 32 zijn geen veehouderijen aanwezig waar landbouwhuisdieren worden gehouden waarvoor een geuremissiefactor van toepassing is. Voldoende aannemelijk is dat het woon- en leefklimaat voor het aspect geur in overeenstemming is met de beoogde functie: wonen in het agrarische buitengebied.
Conclusie Sponturfwijk 34 is een intensieve veehouderij met 600 stuks vleeskalveren tot circa 8 maanden, 174.000 stuks vleeskuikens en 5 schapen. De afstand van het emissiepunt van het dichtstbijzijnde emissiepunt (dierenverblijf) tot een buitenzijde van het nieuwe geurgevoelige object bedraagt circa. 885 meter. Omdat de Sponturfwijk 34 voor wat betreft de geurbelasting het meest bepalend is, hebben wij dit doorgerekend in een V-stacks-berekening, deze is als bijlage 9.toegevoegd. De geurbelasting van de Sponturfwijk 34 is 0,8 Ou op alle drie de woningen (wooneenheden) en heeft hierdoor geen effect op het woon- en leefklimaat. Aan de Hoofdvaart 196 zit een bedrijf met vleesvee en zoogkoeien. De afstand van het emissiepunt van het dichtstbijzijnde emissiepunt (dierenverblijf) tot een buitenzijde van het nieuwe geurgevoelige object bedraagt circa. 510 meter. De afstand van het emissiepunt van het dichtstbijzijnde emissiepunt (dierenverblijf) tot een buitenzijde van het nieuwe geurgevoelige object bedraagt circa. 620 meter. Gezien de ruime afstand hebben wij dit bedrijf niet meegenomen in de Vstack berekening. Aan de Hoofdvaart 200 zit een bedrijf met melkrundvee, waarvoor een vaste afstand van 50 meter geldt. De nieuw te bouwen wooneenheden liggen op 620 meter afstand van dit bedrijf, dus ruim buiten de 50 meter.
Hierdoor kan geconcludeerd worden dat de omliggende bedrijven geen invloed hebben op het woon een leefklimaat van de nieuwe wooneenheden. Dit omdat de afstand voor vleesvee minimaal 100 meter moet zijn en voor melkrundvee 30 meter.
54
4.8
Ecologie
Bescherming in het kader van de natuurwet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij soortenbescherming heeft men per 1 januari 2017 te maken met de nieuwe Wet natuurbescherming (dit was de Flora en faunawet). Bij gebiedsbescherming heeft men ook te maken met de Wet natuurbescherming en met het Natuurnetwerk Nederland (NNN). 4.8.1 Gebiedsbescherming Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 beschermd. Het NNN is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebie d aantasten. 4.8.2 Natura 2000 Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura-2000 gebied of een Beschermd natuurmonument. Het dichtstbijzijnde is het Natura 2000-gebied Vecht- en Beneden-Reggegebied op een afstand van 7,3 km van het plangebied. Door de grote afstand tot de Natura 2000-gebieden zal de toevoeging van de 2 wooneenheden geen effect hebben op de Natura 2000-gebieden.
4.8.3 Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt aan de noordoostzijde van de Langewijk op ruim 1 km afstand. Aangezien het plangebied buiten de NNN ligt en van een fysieke aantasting van de NNN dus geen sprake is, kunnen effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN worden uitgesloten.
55
Afbeelding 13: NNN ten opzichte van het bedrijf (blauwe ster) (Bron: provincie Overijssel)
4.8.4 Soortenbescherming Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. Situatie plangebied In dit geval is door Labeltien een QuickScan Flora en Fauna uitgevoerd. De volledige rapportage is als bijlage 2 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan.
56
Fauna Tijdens het broedseizoen zijn broedgevallen van algemene broedvogels in de omgeving van het plangebied te verwachten. Bezette nesten en/of nestactiviteiten mogen nooit vernield worden. Verstoring is alleen toegestaan wanneer deze geen invloed heeft op de overleving van ouders en jongen. De piek van het broedseizoen ligt in de periode half maart-half juli, maar eerdere en latere broedgevallen komen voor. Er is tijdens het onderzoek geconstateerd dat er mogelijk zoogdieren(vrijgestelde soorten), en Reptielen/ ongewervelden(vrijgesteld)aanwezig kunnen zijn. De algemene broedvogels zijn ook waargenomen op het bestaande erf. Voor deze dieren geldt de zorgplicht zoals hieronder is benoemd. Zorgplicht Ten aanzien van alle dieren en planten (beschermd of niet beschermd) geldt dat men zich dient te houden aan de algemene zorgplicht. Dit houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna naar redelijkheid zoveel mogelijk voorkomen moeten worden. De ingrepen behorende tot het project leiden tot geen negatief effect op beschermde natuurgebieden, zoals aantasting van kernkwaliteiten of doelstellingen of externe effecten op Natura 2000-gebieden. Gezien de afstand naar de dichtstbijzijnde Natura 2000 gebieden en de impact van de werkzaamheden, hoeft er geen AERIUS- berekening worden uitgevoerd.
4.9
Archeologie en cultuurhistorie
Algemeen archeologie Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudens waardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kunnen de initiatiefnemers verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Situatie plangebied De gemeente Hardenberg heeft de archeologische verwachting verwerkt in de dubbelbestemmingen in het bestemmingsplan. Ter plaatse van de te slopen voormalige agrarische bebouwing en het bouwen van de compensatiewoning en bijgebouw geldt de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 5'. Voor deze gronden ligt de onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan 2.500 m 2 en dieper dan 50 cm. Daar is in dit geval geen sprake van. Bovendien zijn de gronden al volledig 57